Dit overzicht biedt een raamwerk waarbinnen de in
eerdere hoofdstukken besproken theorieën en auteurs kunnen worden
geplaatst. Aan het eind volgt een chronologie
met daarin een opsomming van de
belangrijkste auteurs en hun werk.
Wie zich verdiept in de macro-economie ontdekt al snel de
geschiedenis van het economische denken. Tot op zekere hoogte vallen
ontwikkelingen in het denken over economie namelijk samen met de
contemporaine economische problemen die moesten worden opgelost.
Niet voor niets ontwikkelde bijvoorbeeld Keynes zijn ideeën over het
verband tussen de vraag en de groei in de economie zich in de
schaduw van de crisis in de jaren dertig van de twintigste eeuw.
1. De fysiocraten (1700-1780)
|
top |
In de achttiende eeuw vond er een
omwenteling plaats in het wereldbeeld van de Europeanen. De
voorstelling van een door God bestuurde en in stand gehouden wereld
maakte plaats voor de opvatting dat de wereld functioneert volgens
bepaalde wetmatigheden. Dit geheel van natuurwetten vormt tezamen de
'natuurlijke orde' (l'ordre naturel). De mens is door zijn 'rede'
(ratio) in staat deze wetten af te leiden. Gebruik makend van deze
kennis kan de 'verlichte mens' de werkelijkheid (l'ordre positif)
aanpassen aan de natuurlijke orde. In dit kader ontwikkelt de
economie zich als zelfstandige wetenschap. Tot dusver had men het
economisch proces niet gezien als een onderling samenhangend geheel,
dat aan zijn eigen wetten gehoorzaamt. Het mercantilisme
, de voornaamste economische
ideologie van de zeventiende eeuw, ging er nog van uit dat er een
uitgebreid samenstel van voorschriften nodig is om het economische
leven in goede banen te leiden. Nu ontdekte men dat het niet nodig
is om alle economische activiteiten van boven af te organiseren.
De eerste School die de economische wetenschap als zelfstandige
denkrichting van wetenschap zag, was de School
van de fysiocraten. François Quesnay
(1694-1774) was haar belangrijkste vertegenwoordiger. In de
gedachten van Quesnay kon men het economische proces zien als een
kringloop van geld- en goederenstromen. De fysiocraten legden nogal
eenzijdig de nadruk op de productieve functie van de landbouw. De
landbouw werd gezien als de enige classe productive. De
inkomsten van de landbouw vloeiden toe aan de grondbezittende adel
(classe propriétaire) en aan de industrie en handel
(classes stériles), welke geen werkelijk productieve
functie zouden vervullen in het economisch proces. De fysiocraten
waren tegen elke overheidsbemoeienis en propageerden daarom het
laissez-faire beginsel (laissez faire,
laissez passer, tout le monde va de lui même).
2. De klassieken (1780-1860) |
top |
Door de groeiende betekenis van de
verwerkende industrie raakte de visie van de fysiocraten verouderd,
maar hun opvolgers, de Klassieken, namen
het idee over van een economisch mechanisme gebaseerd op economische
klassen. De Klassieken hadden, net als de fysiocraten, een groot
vertrouwen in een zelfregulerende natuurlijke orde. Adam Smith (1723-1780) schreef in 1776 het
eerste echte economie handboek The Wealth
of Nations. Illustratief voor de gedachtenwereld van Smith is
de volgende passage uit zijn boek: "…every
individual…neither intends to promote the public interest…he intends
only his own gain. And he is in this, as in many other cases, led by
an invisible hand to promote an end which was no part of his
intention." Smith is hiermee niet alleen de grondlegger van
een theorie, maar ook van een politieke opvatting, namelijk het
economisch liberalisme. Thomas Malthus (1766-1836), een Schotse dominee
met belangstelling voor economische en sociale vraagstukken, kwam
aan de vooravond van de industriële revolutie met een pessimistische
theorie. Volgens Malthus zou de bevolking exponentieel toenemen,
terwijl de productie slechts lineair groeit. Daardoor zouden de
lonen van de arbeiders dalen tot op het bestaansminimum. De
sleutelfiguur van de klassieken is David
Ricardo (1772-1832). Hij is de man achter de analytische
methode die wij ondertussen kennen als het opbouwen van een model.
Ricardo was van mening dat de arbeidskosten bij benadering de
relatieve waarden van de goederen, dat wil zeggen de
prijsverhoudingen, bepalen. Bij hem speelden ook de verdelingswetten
van het nationaal product een belangrijke rol: lonen voor arbeiders,
winsten voor kapitalisten en pachten voor grondbezitters. Met een
aan grenzen gebonden nationaal product moet datgene wat gaat naar de
ene klasse weggehaald worden bij een andere klasse.
De klassieke macro-economische School domineerde
het economische denken tot aan de crisis in de jaren '30 van de 20e
eeuw. Deze school baseerde zich vooral op vraag en aanbod analyses
in de economie als geheel. De groei van de economie was volgens hen
verklaarbaar uit de groei van kapitaal en het arbeidsaanbod.
3. Het wetenschappelijk socialisme (1840-1900) |
top |
Iets later in de tijd, omstreeks 1840, zien we een andere stroming in het economisch denken
opduiken, het wetenschappelijk
socialisme. Ontevredenheid met de bestaande maatschappelijke
orde was al eerder onder woorden gebracht door Henri Saint-Simon (1760-1825) en J.P. Proudhon (1809-1856) in het utopisch
socialisme. Nu kreeg dit socialistische denken een economische en
vooral ook politieke basis. Men kan dit opkomend socialisme ook zien
als een reactie op de klassieke, liberale kijk op de mens. De mens
in zijn streven naar rijkdom geeft een karikaturaal beeld van de
werkelijke mens met al zijn complexe drijfveren. De klassieke
economiebeoefening was volgens de socialisten een dismal
science. Karl Marx (1818-1883) is de
belangrijkste exponent van deze stroming. Hij is eigenlijk de eerste
geweest die zich fundamenteel heeft beziggehouden met het vraagstuk
van de economische orde. In Das
Kapital ging hij in op de misstanden van de vrije
markteconomie en de uitbuiting van de arbeidersklasse door de
bourgeoisie.
Uiteindelijk, zei hij, zal het kapitalistische
systeem zichzelf opblazen in een onafwendbare klassenstrijd, waarna
de productiemiddelen in handen van de staat zullen vallen en het
socialisme zijn intrede doet. Dit laatste staat beschreven in het
Communistisch Manifest, dat hij samen met Friedrich Engels (1820-1895) schreef. Andere
begrippen die veel voorkomen in latere socialistische werken zijn
'historisch materialisme' en de meerwaardeleer. Rosa Luxemburg (1870-1919), vermoord om haar
revolutionaire ideeën, betoogde dat onderconsumptie de belangrijkste
oorzaak is voor de neergang van het kapitalisme.
4. De Historische School (1840-1880) |
top |
Ongeveer terzelfder tijd deed de Historische School van zich spreken. De
Historische School bekritiseerde de klassieke economie op twee
punten. Ten eerste, ontkenden zij het bestaan van economische
wetmatigheden. Bovendien, als er dan al algemene regels bestonden,
dan waren ze sterk aan plaats en tijd gebonden. Friedrich List (1789-1846) stelde dat de staat
de belangrijkste economische eenheid is. De organisatie van het
economische leven moet volgens hem van staat tot staat verschillen.
Zij is namelijk afhankelijk van de ontwikkelingsfase waarin een land
verkeert. De Historische School, onder aanvoering van von Schmoller (1888-1917), ging de strijd aan
met de Oostenrijkse School tegen het
toepassen van de deductieve methode in de sociale wetenschappen in
de zogenaamde Methodenstreit.
De
aanhangers van de neoklassieke Oostenrijkse School waren van mening
dat economische theorie opgebouwd kan worden op basis van enkele
algemeen geldende en evidente waarheden omtrent het menselijk gedrag
en de technische eigenschappen van de productie (deductie). De jonge
historische School daarentegen was van mening dat observatie de
enige manier is om kennis van de werkelijkheid te krijgen
(inductie).
5. De neoklassieken (1870-heden) |
top |
De klassieken hadden de kostenkant
benadrukt en andere factoren als het nut en de vraag sterk
verwaarloosd. Omstreeks 1870 legden drie mensen tegelijkertijd en
onafhankelijk van elkaar de basis voor een meer symmetrische,
algemene-evenwichtsanalyse: W. Stanley
Jevons in Engeland, Karl Menger in
Oostenrijk en Léon Walras, een Fransman
die in Zwitserland werkte. De neoklassieke
revolutie is niet alleen van belang omdat men vraag en nut
wist te analyseren, ze ontwikkelde eveneens de marginale theorie,
zoals die in primitieve vorm was ontwikkeld door Ricardo.
De neoklassieken legden ook nadruk op de
stabiliteit in de geaggreerde vraag en op de snelle aanpassing van
prijzen aan verandering en vraag en aanbod. Ze gingen daarbij uit
van het rationeel handelen van individuen.
Zoals gezegd,
ontstond de neoklassieke theorie op verschillende plaatsen en
onafhankelijk van elkaar. Zo bestond er de
Oostenrijkse School, de School van Cambridge, de School van Lausanne
en de Amerikaanse Marginale School.
5.1 De Oostenrijkse School
De Oostenrijkse School richte zich in de eerste plaats op het verklaren
van de keuzen die een individu of bedrijf maakt en de daaruit
voortvloeiende allocatie van middelen. De prijzen van eindproducten
worden verklaard uit het grensnut van
goederen. De gehele prijstheorie werd opgetrokken op basis van de
subjectieve waardering van eindproducten. We spreken dan ook wel van
een subjectivistische waardeleer. Volgens
de Oostenrijkse theorie hebben productiegoederen een indirect nut,
dat voortvloeit uit het directe nut van de consumptiegoederen die
ermee worden voortgebracht. Bij het bepalen van het eindproduct zou
je, volgens Friedrich von Wieser
(1851-1926), aan de prijzen van productiemiddelen voorbij kunnen
gaan en de kosten kunnen definiëren in termen van het nut van
eindproducten. Kosten bestaan volgens Von Wieser uit het
opgeofferde nut dat men ontleend zou hebben aan goederen of diensten
die geproduceerd hadden kunnen worden, maar die in feite niet
geproduceerd zijn. Kosten zijn dan entgangene
Nutzen. Deze opvatting wordt ook wel eens aangeduid als het
alternatieve kostenbegrip of het beginsel van opportunity cost.
5.2 De School van Cambridge
De grensnuttheorie werd in Engeland geïntroduceerd door Stanley Jevons (1835-1882) en Alfred Marshall (1842-1924). Marshall bracht
een synthese tot stand tussen elementen uit de klassieke theorie en
de grensnuttheorie. Hij legde er de nadruk op dat de marktprijs tot
stand komt onder tweeërlei invloed: het aanbod en de vraag.
Bovendien paste hij de methode van de partiële analyse toe, dat wil
zeggen de prijsvorming op een geïsoleerde markt, terwijl de prijzen
op andere markten voor gegeven worden aangenomen. Dit wordt in de
economie de ceteris paribus-clausule
genoemd. De kosten van het aanbieden van productiemiddelen bestaan
uit efforts and sacrifices van de aanbieders van
productiemiddelen. Het wetenschapsideaal van de neoklassieken is een
objectieve, waardevrije economische wetenschap. Zij moet alleen
analyseren wat is en niet wat zou moeten zijn. Toch is men zeer
geïnteresseerd in sociaal-ethische kwesties, zoals bijvoorbeeld hoe
er een maximaal welzijn van de hele bevolking bereikt kan worden.
Rondom dit probleem heeft zich de zogenaamde welvaartseconomie
ontwikkeld. In de welvaartseconomie zijn twee hoofdstromingen te
onderscheiden: de welvaartseconomie van Pigou (18770-1959) en de welvaartseconomie van
Pareto.
De economische welvaart
van een samenleving zou men volgens Pigou kunnen meten door de
omvang van het in prijzen uitgedrukte nationale product. Pigou nam
voorts aan dat elke overheveling van inkomen van een rijkere naar
een armere - voor zover ze niet leidt tot een vermindering van het
nationale inkomen - de totale welvaart doet toenemen.
5.3 De School van Lausanne
De School van Lausanne stelde de vraag aan de orde
of het marktmechanisme een algemeen evenwicht tot stand kan brengen,
maar nu binnen een strikt micro-economische context. Alle individuen
bereiken een evenwichtspositie: de consumenten genieten maximale
behoeftebevrediging en de ondernemers realiseren maximale winst. Het
algemeen evenwichtsmodel van Walras
(1834-1910) ligt ten grondslag aan de volgende veronderstellingen,
die tevens de beperkingen van het neoklassieke denken vormen: -
op alle markten heerst volledige mededinging; - de hoeveelheid
productiemiddelen, de indifferentiecurven en de stand van de
technische kennis zijn gegeven; - de theorie is atomistisch: alle
invloeden lopen uitsluitend via de markt. De theorie houdt geen
rekening met collectief eigendom, collectieve goederen en externe
effecten; - er is volledige informatie en zekerheid over
toekomstige ontwikkelingen; - de theorie is statisch: ze levert
wel een bewijs dat er een evenwicht mogelijk is, maar ze laat niet
zien hoe dat algemene evenwicht tot stand komt.
Vilfredo Pareto (1848-1929), een andere coryfee
van de School van Laussanne, heeft zich beziggehouden met de
welvaartstheorie. Pareto ging ervan uit dat nut niet meetbaar is.
Toch meende hij dat het mogelijk is om een aantal uitspraken over
welvaart te doen, namelijk in die gevallen waarin er minstens één
persoon in behoeftebevrediging op vooruitgaat en geen van alle
andere personen er in nut op achteruitgaat. In zo'n geval is de
totale welvaart toegenomen. We spreken in dit verband van Pareto-optimaliteit.
5.4 De Amerikaanse Marginalistische School
De Amerikaanse marginalistische School kent als
belangrijkste grondlegger John Bates
Clark (1847-1938). Hij analyseerde de prijsvorming van de
productiefactoren arbeid en kapitaal en de inkomensverdeling die
daaruit voortvloeit. De verdeling van het nationale product wordt
uitsluitend bepaald door marginale productiviteitsverhoudingen, die
weer afhankelijk zijn van de beschikbare hoeveelheden kapitaal en
arbeid en de stand van de techniek.
6. Het Institutionalisme(1890-1935) |
top |
De institutionalisten deelden de eerder genoemde
methodologische bezwaren van de Historische School tegen de
orthodoxe neoklassieke economiebeoefening. De theorie was hun te
abstract. Voorts geeft de economie een te eenzijdig en daardoor
vervalst beeld van de maatschappij. Noodzakelijk vond men daarom ook
dat men een integratie met andere sociale wetenschappen nastreeft.
De pionier van deze stroming was de Amerikaan Thorstein Veblen (1857-1929). De beweging
verschafte een belangrijke ideologische basis voor de werkloosheids-
en sociale zekerheidsprogramma's die in de 'New-deal' politiek van
F. Roosevelt worden opgezet. Toch slaagde het institutionalisme niet
werkelijk in de taak die het zich gesteld had: het ontwikkelen van
een alternatief voor de neoklassieke theorie. Ook al bestaat het
institutionalisme niet meer als stroming, toch heeft het wel
hernieuwde belangstelling weten te wekken voor de studie van het
institutionele kader. Joseph
Schumpeter en John Kenneth
Galbraith beschouw(d)en zichzelf niet als institutionalisten,
maar hun werk vertoont wel veel raakvlakken met het werk van de
institutionalisten. Schumpeter was het met Marx eens dat de
kapitalistische maatschappij overgaat in een socialistische
maatschappij. Dit zal niet via een revolutie verlopen, maar via een
geleidelijk evolutionair proces. De ondernemers zijn de drijvende
kracht achter het proces van economische ontwikkeling. De
concurrentiestrijd betekent een uitschakeling van de zwakken. Er
vindt een concentratie van ondernemingen plaats. De ondernemingen
worden grote, logge, inflexibele organisaties, waarin voorschriften
en reglementen een belangrijke plaats innemen (bureaucratisering).
Het geloof in het kapitalistische systeem neemt af en het systeem
ondermijnt zichzelf.
7. Wiskundige economie en econometrie (1930-heden) |
top |
De klassieke en neoklassieken theorie en
ook de alternatieve theorie bleven min of meer steken in
kwalitatieve analyses. Uitspraken over de omvang van de effecten
bleven achterwege. Na 1930 tekende zich wat dit betreft een
omwenteling af met de opkomst van de econometrie en de wiskundige
economie. De econometrie wilde een synthese tot stand brengen tussen
het door de statistiek verzamelde en geordende feitenmateriaal en de
theoretische modellen. De theorie kon nu aan de hand van feiten
getoetst worden.
De Nederlander Jan
Tinbergen (1903-heden) en de Noor Ragnar
Frisch (1895-1973) waren toonaangevende pioniers op het
gebied van de ontwikkeling van dynamische modellen geweest.
Daarnaast hebben Simon Kuznets
(1901-1985) en Colin Clark (1905-heden)
zich beziggehouden met studies over de groei van het nationaal
inkomen.
De Keynesiaanse revolutie zou een grote stimulans
voor de verdere ontwikkeling van de econometrie en de economische
wiskunde betekenen. Van groot belang is ook de door Wassily Leontief (1906-heden) ontwikkelde input-output-theorie.
8. De Keynesiaanse revolutie (1936-1950) |
top |
De ervaringen van de crisis in de jaren
1930 leken sterk af te wijken van de door neo-klassieke economen
gedane voorspellingen. De werkloosheid en de algehele crisis van de
jaren dertig bleken met de instrumenten van de neoklassieke theorie
slecht te bestrijden. Uit het totale bankroet van de orthodoxe
theorie, die met de crisis werd geconfronteerd, kwam een nieuwe
stroming voort. Gunnar Mydral (1898-1987)
in Zweden, Michael Kalecki (1899-1970) in
Polen en John Maynard Keynes (1883-1946)
in Engeland vonden onafhankelijk van elkaar een nieuwe diagnose voor
de instabiliteit van het kapitalisme. Deze omwenteling staat bekend
als de Keynesiaanse revolutie, omdat Keynes de welsprekendste en
bekendste vertolker was. Keynes benadrukte dat er in de economie
geen automatisme werkt dat vanzelf tot volledige benutting van de
beschikbare productiecapaciteit leidt. Tot dusver was de algemene
opvatting geweest dat het prijsmechansime er zorg voor zou dragen
dat alle productieve krachten volledig zouden worden ingeschakeld.
Keynes wees erop dat het heel best mogelijk is dat gedurende langere
tijd de bestedingen zodanig te kort schieten dat een groot deel van
de capaciteit niet wordt benut. De ontkenning van de geldigheid van
de wet van Say (ieder aanbod schept zijn
eigen vraag) loopt als een rode draad door zijn werk. Keynes zei zo
ongeveer dat niet het aanbod de vraag bepaalt, maar omgekeerd de
vraag het aanbod bepaalt. In een notendop luidt zijn theorie: als de
investeringen dalen, daalt ook het inkomen en hiermee de
consumptieve vraag. De totale vraag naar goederen zal dus
teruglopen. De productie past zich aan bij de geslonken vraag; deze
inkrimping leidt tot werkloosheid. De verspreiding van de ideeën van
Keynes leidde tot een erkenning van het belang van het instandhouden
van de geaggregeerde vraag. De General Theory is een
macro-economische analyse van het economisch proces. De
neoklassieken theorie daarentegen had een analyse van de handelingen
van individuele subjecten.
Macroeconomen uit de school van
Keynes, zoals James Tobin, Robert Solow, en Franco Modigliani
(alledrie Nobelprijswinnaars), vonden het belangrijk dat er
verandering kwam in de wijze van belasting heffen en de
overheidsuitgaven. Zij waren ook voor een actieve monetaire politiek
om een tegenwicht te bieden aan destabiliserende factoren. Het is
inmiddels theoretisch en empirisch bepaald dat het in stand houden
van de geaggregeerde vraag noodzakelijk is, maar er bestaat
onenigheid over de best manier waarop dat kan gebeuren.
9. Het post-keynesianisme (1950-heden) |
top |
Keynes zelf had zijn theorie toegespitst
op het probleem van de onvrijwillige werkloosheid. De keynesiaanse
analyse breidde zich echter al snel uit tot andere vraagstukken,
zoals het inflatieverschijnsel, de conjunctuurbeweging en de
economische groei. Behalve op deze nieuwe terreinen van onderzoek
besteedden de post-keynesianen veel
aandacht aan de verfijning van keynesiaanse
deeltheorieën (interesttheorie, loontheorie, theorie van de
inkomensmultiplier).
10. Chicago School (1930-heden) |
top |
10.1 Monetaristen (1940-heden)
De Monetaristen vormen een duidelijke
reactie op het keynesiaanse denken. Het laissez-faire beginsel staat
bij deze groep economen hoog in het vaandel geschreven. De
Monetaristen worden meestal vereenzelvigd, met nobelprijswinnaar
Milton Friedman (1912-2006). Zij betogen
dat de groei van de geaggregeerde vraag het best wordt gewaarborgd
door een gestage groei van de geldhoeveelheid.
De theorie van
Friedman mondt uit in een pleidooi voor een monetaire politiek, die
afziet van bewuste beïnvloeding van de economische activiteit.
Friedman is van mening dat de prijsvorming in staat is om een
evenwicht met volledige werkgelegenheid tot stand te brengen. Hij
gelooft niet in een 'radicale tekortkoming' van het prijsmechanisme.
In dit opzicht verschilt hij fundamenteel van opvatting met Keynes.
De monetaire politiek moet er slechts op gericht zijn het
economische verkeer te voorzien van de noodzakelijke liquiditeiten
bij constante prijzen. De geldschepping moet daartoe gelijkmatig
stijgen in de tijd, met een zelfde percentage als de reële
productiegroei.
10.2 Real Business Cycle School
Wellicht de enige economische school die niet het
belang van de geaggregeerde vraag benadrukt is de the real business cycle school. Zij verklaren
recessies en andere ontwikkelingen in werkgelegenheid als het gevolg
van verschuivingen in het economisch potentieel. Desondanks erkennen
ook zij het belang van de geldhoeveelheid volgens het recept van de
Monetaristen. |