Universiteit Leiden - Opleiding Geschiedenis - Economie online

Hoofdstuk 12: Overzicht van stromingen in het economisch denken


Inleiding

In deze paragraaf geven we een overzicht van enkele belangrijke oudere stromingen in het economische denken en van belangrijke economen die een bijdrage leverden aan de ontwikkeling van de economische theorie.

Het gaat er hierbij om dat je ziet dat het denken over economie geen statisch geheel is, maar zich steeds ontwikkelt en dat er ruimte is voor onzekerheid en onenigheid.

De volgende stromingen worden, op chronologische volgorde, besproken:

1- de fysiocraten 1700-1780;
2- de klassieken 1780-1860;
3- het wetenschappelijk socialisme 1840-1900;
4- de historische School 1840-1880;
5- de neoklassieken 1870-heden;
6- het institutionalisme 1890-1935;
7- wiskundige economie en econometrie 1930-heden;
8- de Keynesiaanse revolutie 1936-+1950;
9- de post-Keynesianen 1950-heden;
10- de Chicago School van Monetaristen en Neoliberals 1950-2008.
11- Enkele recente ontwikkelingen 2000-heden.

Dit overzicht biedt  een raamwerk waarbinnen de in eerdere hoofdstukken besproken theorieën en auteurs kunnen worden geplaatst. Aan het eind volgt een chronologie met daarin een opsomming van de belangrijkste auteurs en hun werk.

Wie zich verdiept in de macro-economie ontdekt al snel de geschiedenis van het economische denken. Tot op zekere hoogte vallen ontwikkelingen in het denken over economie namelijk samen met de contemporaine economische problemen die moesten worden opgelost. Niet voor niets ontwikkelde bijvoorbeeld Keynes zijn ideeën over het verband tussen de vraag en de groei in de economie zich in de schaduw van de crisis in de jaren dertig van de twintigste eeuw. 


1. De fysiocraten (1700-1780)

top

In de achttiende eeuw vond er een omwenteling plaats in het wereldbeeld van de Europeanen. De voorstelling van een door God bestuurde en in stand gehouden wereld maakte plaats voor de opvatting dat de wereld functioneert volgens bepaalde wetmatigheden. Dit geheel van natuurwetten vormt tezamen de 'natuurlijke orde' (l'ordre naturel). De mens is door zijn 'rede' (ratio) in staat deze wetten af te leiden. Gebruik makend van deze kennis kan de 'verlichte mens' de werkelijkheid (l'ordre positif) aanpassen aan de natuurlijke orde.
In dit kader ontwikkelt de economie zich als zelfstandige wetenschap. Tot dusver had men het economisch proces niet gezien als een onderling samenhangend geheel, dat aan zijn eigen wetten gehoorzaamt. Het mercantilisme , de voornaamste economische ideologie van de zeventiende eeuw, ging er nog van uit dat er een uitgebreid samenstel van voorschriften nodig is om het economische leven in goede banen te leiden. Nu ontdekte men dat het niet nodig is om alle economische activiteiten van boven af te organiseren.
De eerste School die de economische wetenschap als zelfstandige denkrichting van wetenschap zag, was de School van de fysiocraten. François Quesnay (1694-1774) was haar belangrijkste vertegenwoordiger. In de gedachten van Quesnay kon men het economische proces zien als een kringloop van geld- en goederenstromen. De fysiocraten legden nogal eenzijdig de nadruk op de productieve functie van de landbouw. De landbouw werd gezien als de enige classe productive. De inkomsten van de landbouw vloeiden toe aan de grondbezittende adel (classe propriétaire) en aan de industrie en handel (classes stériles), welke geen werkelijk productieve functie zouden vervullen in het economisch proces. De fysiocraten waren tegen elke overheidsbemoeienis en propageerden daarom het laissez-faire beginsel (laissez faire, laissez passer, tout le monde va de lui même).


2. De klassieken (1780-1860)

top

Door de groeiende betekenis van de verwerkende industrie raakte de visie van de fysiocraten verouderd, maar hun opvolgers, de Klassieken, namen het idee over van een economisch mechanisme gebaseerd op economische klassen. De Klassieken hadden, net als de fysiocraten, een groot vertrouwen in een zelfregulerende natuurlijke orde.
Adam Smith (1723-1780) schreef in 1776 het eerste echte economie handboek The Wealth of Nations. Illustratief voor de gedachtenwereld van Smith is de volgende passage uit zijn boek: "…every individual…neither intends to promote the public interest…he intends only his own gain. And he is in this, as in many other cases, led by an invisible hand to promote an end which was no part of his intention." Smith is hiermee niet alleen de grondlegger van een theorie, maar ook van een politieke opvatting, namelijk het economisch liberalisme.
Thomas Malthus (1766-1836), een Schotse dominee met belangstelling voor economische en sociale vraagstukken, kwam aan de vooravond van de industriële revolutie met een pessimistische theorie. Volgens Malthus zou de bevolking exponentieel toenemen, terwijl de productie slechts lineair groeit. Daardoor zouden de lonen van de arbeiders dalen tot op het bestaansminimum.
De sleutelfiguur van de klassieken is David Ricardo (1772-1832). Hij is de man achter de analytische methode die wij ondertussen kennen als het opbouwen van een model. Ricardo was van mening dat de arbeidskosten bij benadering de relatieve waarden van de goederen, dat wil zeggen de prijsverhoudingen, bepalen. Bij hem speelden ook de verdelingswetten van het nationaal product een belangrijke rol: lonen voor arbeiders, winsten voor kapitalisten en pachten voor grondbezitters. Met een aan grenzen gebonden nationaal product moet datgene wat gaat naar de ene klasse weggehaald worden bij een andere klasse.

De klassieke macro-economische School domineerde het economische denken tot aan de crisis in de jaren '30 van de 20e eeuw. Deze school baseerde zich vooral op vraag en aanbod analyses in de economie als geheel. De groei van de economie was volgens hen verklaarbaar uit de groei van kapitaal en het arbeidsaanbod.


3. Het wetenschappelijk socialisme (1840-1900)

top

Iets later in de tijd, omstreeks 1840, zien we een andere stroming in het economisch denken
opduiken, het wetenschappelijk socialisme. Ontevredenheid met de bestaande maatschappelijke orde was al eerder onder woorden gebracht door Henri Saint-Simon (1760-1825) en J.P. Proudhon (1809-1856) in het utopisch socialisme. Nu kreeg dit socialistische denken een economische en vooral ook politieke basis. Men kan dit opkomend socialisme ook zien als een reactie op de klassieke, liberale kijk op de mens. De mens in zijn streven naar rijkdom geeft een karikaturaal beeld van de werkelijke mens met al zijn complexe drijfveren. De klassieke economiebeoefening was volgens de socialisten een dismal science. Karl Marx (1818-1883) is de belangrijkste exponent van deze stroming. Hij is eigenlijk de eerste geweest die zich fundamenteel heeft beziggehouden met het vraagstuk van de economische orde. In Das Kapital ging hij in op de misstanden van de vrije markteconomie en de uitbuiting van de arbeidersklasse door de bourgeoisie.

Uiteindelijk, zei hij, zal het kapitalistische systeem zichzelf opblazen in een onafwendbare klassenstrijd, waarna de productiemiddelen in handen van de staat zullen vallen en het socialisme zijn intrede doet. Dit laatste staat beschreven in het Communistisch Manifest, dat hij samen met Friedrich Engels (1820-1895) schreef. Andere begrippen die veel voorkomen in latere socialistische werken zijn 'historisch materialisme' en de meerwaardeleer. Rosa Luxemburg (1870-1919), vermoord om haar revolutionaire ideeën, betoogde dat onderconsumptie de belangrijkste oorzaak is voor de neergang van het kapitalisme.


4. De Historische School (1840-1880)

top

Ongeveer terzelfder tijd deed de Historische School van zich spreken. De Historische School bekritiseerde de klassieke economie op twee punten. Ten eerste, ontkenden zij het bestaan van economische wetmatigheden. Bovendien, als er dan al algemene regels bestonden, dan waren ze sterk aan plaats en tijd gebonden. Friedrich List (1789-1846) stelde dat de staat de belangrijkste economische eenheid is. De organisatie van het economische leven moet volgens hem van staat tot staat verschillen. Zij is namelijk afhankelijk van de ontwikkelingsfase waarin een land verkeert. De Historische School, onder aanvoering van von Schmoller (1888-1917), ging de strijd aan met de Oostenrijkse School tegen het toepassen van de deductieve methode in de sociale wetenschappen in de zogenaamde Methodenstreit.

De aanhangers van de neoklassieke Oostenrijkse School waren van mening dat economische theorie opgebouwd kan worden op basis van enkele algemeen geldende en evidente waarheden omtrent het menselijk gedrag en de technische eigenschappen van de productie (deductie). De jonge historische School daarentegen was van mening dat observatie de enige manier is om kennis van de werkelijkheid te krijgen (inductie).


5. De neoklassieken (1870-heden)

top

De klassieken hadden de kostenkant benadrukt en andere factoren als het nut en de vraag sterk verwaarloosd. Omstreeks 1870 legden drie mensen tegelijkertijd en onafhankelijk van elkaar de basis voor een meer symmetrische, algemene-evenwichtsanalyse: W. Stanley Jevons in Engeland, Karl Menger in Oostenrijk en Léon Walras, een Fransman die in Zwitserland werkte. De neoklassieke revolutie is niet alleen van belang omdat men vraag en nut wist te analyseren, ze ontwikkelde eveneens de marginale theorie, zoals die in primitieve vorm was ontwikkeld door Ricardo.

De neoklassieken legden ook nadruk op de stabiliteit in de geaggreerde vraag en op de snelle aanpassing van prijzen aan verandering en vraag en aanbod. Ze gingen daarbij uit van het rationeel handelen van individuen.

Zoals gezegd, ontstond de neoklassieke theorie op verschillende plaatsen en onafhankelijk van elkaar. Zo bestond er de Oostenrijkse School, de School van Cambridge, de School van Lausanne en de Amerikaanse Marginale School.


5.1 De Oostenrijkse School

De Oostenrijkse School richte zich in de eerste plaats op het verklaren van de keuzen die een individu of bedrijf maakt en de daaruit voortvloeiende allocatie van middelen. De prijzen van eindproducten worden verklaard uit het grensnut van goederen. De gehele prijstheorie werd opgetrokken op basis van de subjectieve waardering van eindproducten. We spreken dan ook wel van een subjectivistische waardeleer. Volgens de Oostenrijkse theorie hebben productiegoederen een indirect nut, dat voortvloeit uit het directe nut van de consumptiegoederen die ermee worden voortgebracht. Bij het bepalen van het eindproduct zou je, volgens Friedrich von Wieser (1851-1926), aan de prijzen van productiemiddelen voorbij kunnen gaan en de kosten kunnen definiëren in termen van het nut van eindproducten.
Kosten bestaan volgens Von Wieser uit het opgeofferde nut dat men ontleend zou hebben aan goederen of diensten die geproduceerd hadden kunnen worden, maar die in feite niet geproduceerd zijn. Kosten zijn dan entgangene Nutzen. Deze opvatting wordt ook wel eens aangeduid als het alternatieve kostenbegrip of het beginsel van opportunity cost.


5.2 De School van Cambridge

De grensnuttheorie werd in Engeland geïntroduceerd door Stanley Jevons (1835-1882) en Alfred Marshall (1842-1924). Marshall bracht een synthese tot stand tussen elementen uit de klassieke theorie en de grensnuttheorie. Hij legde er de nadruk op dat de marktprijs tot stand komt onder tweeërlei invloed: het aanbod en de vraag. Bovendien paste hij de methode van de partiële analyse toe, dat wil zeggen de prijsvorming op een geïsoleerde markt, terwijl de prijzen op andere markten voor gegeven worden aangenomen. Dit wordt in de economie de ceteris paribus-clausule genoemd. De kosten van het aanbieden van productiemiddelen bestaan uit efforts and sacrifices van de aanbieders van productiemiddelen. Het wetenschapsideaal van de neoklassieken is een objectieve, waardevrije economische wetenschap. Zij moet alleen analyseren wat is en niet wat zou moeten zijn. Toch is men zeer geïnteresseerd in sociaal-ethische kwesties, zoals bijvoorbeeld hoe er een maximaal welzijn van de hele bevolking bereikt kan worden. Rondom dit probleem heeft zich de zogenaamde welvaartseconomie ontwikkeld. In de welvaartseconomie zijn twee hoofdstromingen te onderscheiden: de welvaartseconomie van Pigou (18770-1959) en de welvaartseconomie van Pareto.

De economische welvaart van een samenleving zou men volgens Pigou kunnen meten door de omvang van het in prijzen uitgedrukte nationale product. Pigou nam voorts aan dat elke overheveling van inkomen van een rijkere naar een armere - voor zover ze niet leidt tot een vermindering van het nationale inkomen - de totale welvaart doet toenemen.


5.3 De School van Lausanne

De School van Lausanne stelde de vraag aan de orde of het marktmechanisme een algemeen evenwicht tot stand kan brengen, maar nu binnen een strikt micro-economische context. Alle individuen bereiken een evenwichtspositie: de consumenten genieten maximale behoeftebevrediging en de ondernemers realiseren maximale winst. Het algemeen evenwichtsmodel van Walras (1834-1910) ligt ten grondslag aan de volgende veronderstellingen, die tevens de beperkingen van het neoklassieke denken vormen:
- op alle markten heerst volledige mededinging;
- de hoeveelheid productiemiddelen, de indifferentiecurven en de stand van de technische kennis zijn gegeven;
- de theorie is atomistisch: alle invloeden lopen uitsluitend via de markt. De theorie houdt geen rekening met collectief eigendom, collectieve goederen en externe effecten;
- er is volledige informatie en zekerheid over toekomstige ontwikkelingen;
- de theorie is statisch: ze levert wel een bewijs dat er een evenwicht mogelijk is, maar ze laat niet zien hoe dat algemene evenwicht tot stand komt.

Vilfredo Pareto (1848-1929), een andere coryfee van de School van Laussanne, heeft zich beziggehouden met de welvaartstheorie. Pareto ging ervan uit dat nut niet meetbaar is. Toch meende hij dat het mogelijk is om een aantal uitspraken over welvaart te doen, namelijk in die gevallen waarin er minstens één persoon in behoeftebevrediging op vooruitgaat en geen van alle andere personen er in nut op achteruitgaat. In zo'n geval is de totale welvaart toegenomen. We spreken in dit verband van Pareto-optimaliteit.


5.4 De Amerikaanse Marginalistische School

De Amerikaanse marginalistische School kent als belangrijkste grondlegger John Bates Clark (1847-1938). Hij analyseerde de prijsvorming van de productiefactoren arbeid en kapitaal en de inkomensverdeling die daaruit voortvloeit. De verdeling van het nationale product wordt uitsluitend bepaald door marginale productiviteitsverhoudingen, die weer afhankelijk zijn van de beschikbare hoeveelheden kapitaal en arbeid en de stand van de techniek.


6. Het Institutionalisme(1890-1935)

top

De institutionalisten deelden de eerder genoemde methodologische bezwaren van de Historische School tegen de orthodoxe neoklassieke economiebeoefening. De theorie was hun te abstract. Voorts geeft de economie een te eenzijdig en daardoor vervalst beeld van de maatschappij. Noodzakelijk vond men daarom ook dat men een integratie met andere sociale wetenschappen nastreeft. De pionier van deze stroming was de Amerikaan Thorstein Veblen (1857-1929). De beweging verschafte een belangrijke ideologische basis voor de werkloosheids- en sociale zekerheidsprogramma's die in de 'New-deal' politiek van F. Roosevelt worden opgezet. Toch slaagde het institutionalisme niet werkelijk in de taak die het zich gesteld had: het ontwikkelen van een alternatief voor de neoklassieke theorie. Ook al bestaat het institutionalisme niet meer als stroming, toch heeft het wel hernieuwde belangstelling weten te wekken voor de studie van het institutionele kader.
Joseph Schumpeter en John Kenneth Galbraith beschouw(d)en zichzelf niet als institutionalisten, maar hun werk vertoont wel veel raakvlakken met het werk van de institutionalisten. Schumpeter was het met Marx eens dat de kapitalistische maatschappij overgaat in een socialistische maatschappij. Dit zal niet via een revolutie verlopen, maar via een geleidelijk evolutionair proces. De ondernemers zijn de drijvende kracht achter het proces van economische ontwikkeling. De concurrentiestrijd betekent een uitschakeling van de zwakken. Er vindt een concentratie van ondernemingen plaats. De ondernemingen worden grote, logge, inflexibele organisaties, waarin voorschriften en reglementen een belangrijke plaats innemen (bureaucratisering). Het geloof in het kapitalistische systeem neemt af en het systeem ondermijnt zichzelf.


7. Wiskundige economie en econometrie (1930-heden)

top

De klassieke en neoklassieken theorie en ook de alternatieve theorie bleven min of meer steken in kwalitatieve analyses. Uitspraken over de omvang van de effecten bleven achterwege. Na 1930 tekende zich wat dit betreft een omwenteling af met de opkomst van de econometrie en de wiskundige economie. De econometrie wilde een synthese tot stand brengen tussen het door de statistiek verzamelde en geordende feitenmateriaal en de theoretische modellen. De theorie kon nu aan de hand van feiten getoetst worden.

De Nederlander Jan Tinbergen (1903-heden) en de Noor Ragnar Frisch (1895-1973) waren toonaangevende pioniers op het gebied van de ontwikkeling van dynamische modellen geweest. Daarnaast hebben Simon Kuznets (1901-1985) en Colin Clark (1905-heden) zich beziggehouden met studies over de groei van het nationaal inkomen.

De Keynesiaanse revolutie zou een grote stimulans voor de verdere ontwikkeling van de econometrie en de economische wiskunde betekenen. Van groot belang is ook de door Wassily Leontief (1906-heden) ontwikkelde input-output-theorie.


8. De Keynesiaanse revolutie (1936-1950)

top

De ervaringen van de crisis in de jaren 1930 leken sterk af te wijken van de door neo-klassieke economen gedane voorspellingen. De werkloosheid en de algehele crisis van de jaren dertig bleken met de instrumenten van de neoklassieke theorie slecht te bestrijden. Uit het totale bankroet van de orthodoxe theorie, die met de crisis werd geconfronteerd, kwam een nieuwe stroming voort. Gunnar Mydral (1898-1987) in Zweden, Michael Kalecki (1899-1970) in Polen en John Maynard Keynes (1883-1946) in Engeland vonden onafhankelijk van elkaar een nieuwe diagnose voor de instabiliteit van het kapitalisme. Deze omwenteling staat bekend als de Keynesiaanse revolutie, omdat Keynes de welsprekendste en bekendste vertolker was. Keynes benadrukte dat er in de economie geen automatisme werkt dat vanzelf tot volledige benutting van de beschikbare productiecapaciteit leidt. Tot dusver was de algemene opvatting geweest dat het prijsmechansime er zorg voor zou dragen dat alle productieve krachten volledig zouden worden ingeschakeld. Keynes wees erop dat het heel best mogelijk is dat gedurende langere tijd de bestedingen zodanig te kort schieten dat een groot deel van de capaciteit niet wordt benut. De ontkenning van de geldigheid van de wet van Say (ieder aanbod schept zijn eigen vraag) loopt als een rode draad door zijn werk. Keynes zei zo ongeveer dat niet het aanbod de vraag bepaalt, maar omgekeerd de vraag het aanbod bepaalt. In een notendop luidt zijn theorie: als de investeringen dalen, daalt ook het inkomen en hiermee de consumptieve vraag. De totale vraag naar goederen zal dus teruglopen. De productie past zich aan bij de geslonken vraag; deze inkrimping leidt tot werkloosheid. De verspreiding van de ideeën van Keynes leidde tot een erkenning van het belang van het instandhouden van de geaggregeerde vraag. De General Theory is een macro-economische analyse van het economisch proces. De neoklassieken theorie daarentegen had een analyse van de handelingen van individuele subjecten.

Macroeconomen uit de school van Keynes, zoals James Tobin, Robert Solow, en Franco Modigliani (alledrie Nobelprijswinnaars), vonden het belangrijk dat er verandering kwam in de wijze van belasting heffen en de overheidsuitgaven. Zij waren ook voor een actieve monetaire politiek om een tegenwicht te bieden aan destabiliserende factoren. Het is inmiddels theoretisch en empirisch bepaald dat het in stand houden van de geaggregeerde vraag noodzakelijk is, maar er bestaat onenigheid over de best manier waarop dat kan gebeuren.


9. Het post-keynesianisme (1950-heden)

top

Keynes zelf had zijn theorie toegespitst op het probleem van de onvrijwillige werkloosheid. De keynesiaanse analyse breidde zich echter al snel uit tot andere vraagstukken, zoals het inflatieverschijnsel, de conjunctuurbeweging en de economische groei. Behalve op deze nieuwe terreinen van onderzoek besteedden de post-keynesianen veel aandacht aan de verfijning van keynesiaanse deeltheorieën (interesttheorie, loontheorie, theorie van de inkomensmultiplier).


10. Chicago School (1930-heden)

top

10.1 Monetaristen (1940-heden)

De Monetaristen vormen een duidelijke reactie op het keynesiaanse denken. Het laissez-faire beginsel staat bij deze groep economen hoog in het vaandel geschreven. De Monetaristen worden meestal vereenzelvigd, met nobelprijswinnaar Milton Friedman (1912-2006). Zij betogen dat de groei van de geaggregeerde vraag het best wordt gewaarborgd door een gestage groei van de geldhoeveelheid.

De theorie van Friedman mondt uit in een pleidooi voor een monetaire politiek, die afziet van bewuste beïnvloeding van de economische activiteit. Friedman is van mening dat de prijsvorming in staat is om een evenwicht met volledige werkgelegenheid tot stand te brengen. Hij gelooft niet in een 'radicale tekortkoming' van het prijsmechanisme. In dit opzicht verschilt hij fundamenteel van opvatting met Keynes. De monetaire politiek moet er slechts op gericht zijn het economische verkeer te voorzien van de noodzakelijke liquiditeiten bij constante prijzen. De geldschepping moet daartoe gelijkmatig stijgen in de tijd, met een zelfde percentage als de reële productiegroei.


10.2 Real Business Cycle School

Wellicht de enige economische school die niet het belang van de geaggregeerde vraag benadrukt is de the real business cycle school. Zij verklaren recessies en andere ontwikkelingen in werkgelegenheid als het gevolg van verschuivingen in het economisch potentieel. Desondanks erkennen ook zij het belang van de geldhoeveelheid volgens het recept van de Monetaristen.



11. Enkele recente ontwikkelingen(2000-heden)

top

11.1 New Institutional Economics


Sinds de eeuwwisseling zijn economen zich sterk gaan toeleggen op de rol van instituties in de economie. Veel invloed hierin had Nobelprijswinnaar Douglass North.

11.2 Rethinking Economics


Er is een flink aantal recente stromingen in de economie waarin men zich afzet tegen het neoliberalisme dat marktwerking propageert en de rol van de overheid bekritiseert. Rethinking Economics is een netwerk van studenten, academici en gepassioneerde denkers, die proberen het economisch denken te diversifiëren en vernieuwen. Hun doel is om verandering in economische curricula te ondersteunen en faciliteren, om uiteenlopende soorten economen te inspireren tot onderling debat en vruchtbare samenwerking, en om een reflexiever economisch denken te bereiken dat meer geworteld is in de samenleving.

11.3 Donuteconomie

Een interessante nieuwe bijdrage in het debat komt van Kate Raworth die stelt dat de wiskundige modellen teveel op groei gericht zijn. Zij introduceert een visie op duurzame economie waarbij de cirkel centraal staat in plaats van de groeifunctie. Zie haar website.



Chronologisch overzicht

top






Stromingen en hun denkers Belangrijke geschriften Korte kenschets
1700-1780: Fysiocraten
F. Quesnay (1694-1774) Analyse des formules arithmétique du tableau économique de la distributation des dépenses annuelles d'une nation agricole (1758) Tableau économique
A. Turgot (1726-1781) Réflexions sur la formation et la distributation des richesses (1766) Behalve de landbouw zijn ook handel en industrie productief
1780-1860: Klassieken
A. Smith (1723-1780) An inquiry into the nature and causes of the wealth of Nations (1776) The invisible hand; ondening van economische activiteiten door de prijs
D. Ricardo (1772-1823) Principles of political economy and taxation (1817) Arbeidswaardeleer: arbeidskosten bepalen relatieve waarden van goederen
R.T. Malthus (1766-1834) Essay on the principles of population (1798) Economische groei kan stagneren door een tekeort aan effective vraag
J.S. Mill (1806-1873) Principles of political economy (1848) Synthese van de klassieke leer
J.B. Say (1767-1823) Traité d'économie politique (1803) Ieder aanbod schept zijn eigen vraag
1840-1900: Wetenschappelijke socialisme
K. Marx (1818-1883) Das Kapital (1867/1885/1895) Uitbuiting arbeidersklasse
F. Engels (1820-1895) Communist Manifesto (1848) Historisch materialisme, klassenstrijd
R. Luxemburg (1870-1919) Die Akkumulation des Kapitals (1913) Onderconsumptie is oorzaak van ontreddering kapitalisme
V.I. Uljanow (Lenin) (1870-1924) Staat en Revolutie (1917) Imperialisme van de westerse landen; revolutie 1917 Rusland
1840-1880: Historische School
F. List (1789-1846) Das National System der politischen Ökonomie Staat is belangrijkste economische eenheid.
G. van Schmoller (1838-1917) Grundfragen der Sozialpolitik und Volkswirtschafslehre (1897) Theorie van trapsgewijze ontwikkeling; methodenstrijd
1870-1920: NeoKlassieken
I. Oostenrijkse School
K. Menger (1841-1921) Grundsätze der Volkswirtschaftslehre (1871) Prijstheorie op basis van de Tweede Wet van Gossen
F. von Wieser (1851-1926) Der natürliche Werth (1889) Kosten = Entgangene Nutzen
E. von Böhm-Bawerk (1851-1914) Kaptial und Kapitalzins, Positive Theorie des Kapitales (1884-1886) Interestvraagstuk en vraag naar de lengte van de productie-omweg
II. School van Cambridge
A. Marshall (1842-1924) Principles of Economics (1890) Partiële analyse, aanbod en vraag bepalen de marktprijs
A. Pigou (1877-1959) The economics of Welfare (1920-1932) Welvaartseconomie; elke overheveling van inkomen van een rijkere naar een armere doet de totale welvaart toenemen
W.J. Jevons (1835-1882) The theory of political econnomy (1871) Waarde- en ruiltheorie op basis van grensnut
III. School van Lausanne
L. Walras (1834-1910) Eléments d'économie politique pure ou théorie de la richesse sociale (1874-1877) Algemene evenwichtsanalyse
V..Pareto (1848-1929) Cours d'économie politique Welvaartscriterium van Pareto
IV. Amerikaanse marginalistische School
J.B. Clark (1847-1938) Distribution of Wealth (1889) Inkomensverdeling over arbeiders en kapitalisten uitsluitend bepaald door marginale productiviteits-verhoudigen.
1890-1935: Institutionalisme
J.R. Commons (1862-1945) A documentary history of American Industrial Society (1910) De economie wordt beheerst door economische instellingen en niet door economische wetten; de staat heeft een positieve rol te spelen in het economische leven
T. Veblen (!857-1929) The theory of the leisure class (1899)  
J.K. Galbraith (1908-heden) American Capitalism: the concepts of countervailing power (1952) De tegenwichtsscheppende kracht
J. Schumpeter (1883-1950) Capitalism, Socialism and Democracy (1942) Het kapitalisme evolueert tot socialisme; inventions en innovations
1930-heden: wiskundige economie en econometrie: theorieën van economische groei
S. Kuznets (1901-1985 Relations between captial goods and finishedc products in the business cycle Conjunctuurtheorie
C. Clark (1905-heden) The conditions of economic growth (1949) Groei en national inkomen
W. Leontief (1906-heden) The Structure of the American Economy (1941 Input-output-theorie
J. Tinbergen (1903-heden) Economic Policy: Principles and design (1956) Economische modellen
R. Frisch (1895-1973) Circulation planning (1934) Economische modellen
1936-1950: Keynesiaanse revolutie
J. M. Keynes (1883-1946) The general thoery of employment, interest and money (1936) Overheidsbestedingen en werkloosheid
R. Harrod (1900-1978) Towards a dynamic economy (1948) Harrod-Domar groeimodel
E. Domar (1914-heden) Capital, Expansion, rate of Growth and employment, Econometrica (1946) Harrod-Domar groeimodel
G. Myrdal (1898-1987 Monetary Equilibrium (1931) Ontwikkelingsvraagstukken
M. Kalecki (1889-1970) A macrodynamic theory of business cycles (1935)200 Oorzaken van conjunctuurgolf
1950-heden: Post-keynesianen
A.H. Hansen (1887-1975) Business cycles and national income (1951) Conjunctuurtheorie
J.M. Clark (1884-1963) Strategic factors in business cycles (1934) Acceleratorprincipe
A. W. Phillips (1914-1975) The relation between unemployment and the rate of change in money wage rates in the United Kingdom (1862-1957) in Econometrica (1958) Inflatie; Phillipscurve
P.A. Samuelson (1915-heden) Economics (1948) Macro-economische theorie
Sir J.R. Hicks (1904-heden) Value and capital (1939-1961) Conjunctuurtheorie
J.S. Duessenberry (1918-heden) Business cycles and economic growth (1958) Consumentengedrag
E.J. Mishan (1930-heden) The cost of economic growth (1967) Externe effecten en economische groei
1940-2008: De Chicago School van monetaristen
F. Knight (1885-1972) Risk, uncertainty and profit (1921) Producentengedrag
F. von Hayek (1899-heden)(1944) The Road to Serfdom (1944) Kapitalisme en socialisme
M. Friedman (1912-2006) Capitalism and Freedom (1962) Monetarisme
2008-heden: Bezinning op het neo-klassieke model
Sinds 2000 De rol van instituties in de economie. New Institutional Economics / Douglass North.
Sinds 2008 Beweging die diversiteit propageert. "RETHINKING ECONOMICS"
Sinds 2017 Donuteconomie: wiskundige modellen teveel op groei gericht; visie op duurzame economie waarbij de cirkel centraal staat . Kate Raworth

[NAAR HFST 11]   -  [NAAR INHOUDSOPGAVE]


E-mail: L.J.Touwen @hum.leidenuniv.nl
Last update: 11 oktober 2018