Universiteit Leiden - Opleiding Geschiedenis - Economie online

Hoofdstuk 10: Wisselkoerssystemen


1. Inleiding

In dit hoofdstuk zullen we ons bezighouden met het internationale geldverkeer. Voor een goed begrip van deze les raden we aan hoofdstuk 7 over monetair beleid nog eens door te lezen, met name de secties over de functies van geld en de vorming van rente.

In het vorige hoofdstuk hebben we aandacht besteedt aan de toenemende globalisering en de gevolgen daarvan. Met name in de laatste twee decennia is er net als in de internationale handel sprake van een spectaculaire groei in internationale financiŽle transacties: zowel investeringen als speculatie in geld en andere waardepapieren. De toename van internationale investeringen ("foreign direct investment") en beleggingen in aandelen ("portfolio investment") is vooral het gevolg van het toegenomen belang van grote multinationale ondernemingen binnen de wereldeconomie. De groei van de speculatieve handel is terug te voeren op de stijging van de welvaart en de technologische revolutie op het gebied van communicatie en informatie. Hierdoor kunnen geld en andere waardepapieren 'met de snelheid van het licht' van eigenaar wisselen. Men spreekt niet voor niets van 'flitskapitaal'!


2. Wisselkoersen

2.1 Wisselkoersen en valutamarkten

De meeste landen in de wereld hebben hun eigen muntsoort, zoals Nederland eerst de gulden had en nu de euro gebruikt. In het internationale geldverkeer noemt men een muntsoort valuta. De wisselkoers is de waarde van de ene valuta uitgedrukt in een andere valuta, bijvoorbeeld $1 = € 0,79. De wisselkoers is dus feitelijk de prijs van een muntsoort. Net als iedere andere marktprijs wordt de wisselkoers bepaald door vraag en aanbod. Omdat vraag en aanbod voortdurend veranderen, kunnen wisselkoersen fluctueren. Dergelijke schommelingen in de wisselkoers noemen we met een moeilijk woord volatiliteit.

Onder depreciatie verstaan we een waardedaling van de ene valuta ten opzichte van een andere. Depreciatie ontstaat door een toename van het aanbod of een daling van de vraag naar de betrokken munt. Het tegenovergestelde, een waardestijging ten opzichte van een andere valuta, noemen we een appreciatie. Appreciatie ontstaat door een afname van het aanbod of een toename van de vraag naar de betrokken munt. Hieronder zijn voorbeelden van depreciatie en appreciatie grafisch weergegeven, in beide gevallen als gevolg van verschuivingen in de vraag.



Waardoor wordt vraag en aanbod naar valuta bepaald?


1. Internationale handel

Een belangrijke factor is de internationale handel en -dienstverlening. GeÔmporteerde goederen en diensten worden doorgaans afgerekend in de valuta van het exporterende land. Bijvoorbeeld: een Nederlandse autodealer die in de VS een aantal Amerikaanse auto's wil kopen, moet voor deze transactie guldens wisselen tegen dollars. Soms worden internationale handelstransacties betaald in een muntsoort die niet de valuta is van een van de betrokken landen, maar wel internationaal wordt geaccepteerd. We noemen dat een sleutelvaluta. De belangrijkste sleutelvaluta zijn de Amerikaanse dollar, het Britse pond en in de toekomst waarschijnlijk de euro.


2. Buitenlandse investeringen

Niet alleen goederen en diensten gaan de hele wereld over, maar geld in de vorm van investeringen gaat dat ook. We moeten daarbij onderscheid maken tussen directe buitenlandse investeringen en portfolio investeringen (beleggingen in aandelen). Bij directe buitenlandse investeringen is sprake van een directe betrokkenheid van de buitenlandse investeerder in de economie van het gastland. Bij portfolio investeringen betreft het een zuiver financiŽle transactie zonder dat de investeerder directe invloed kan uitoefenen op de economie van het gastland.


Vraag 1.
Een Nederlandse belegger besluit op de beurs in New York aandelen te kopen van een Amerikaans bedrijf. Waarvan is dit een voorbeeld?

Vraag 2.
De directie van Philips vindt dat de productie van beeldbuizen in Nederland te duur wordt. Om de loonkosten te drukken besluit ze daarom de productie te verplaatsen naar Thailand. Waarvan is dit een voorbeeld?

Directe buitenlandse investeringen en portfolio investeringen zijn zeer verschillend van karakter. Eenvoudig gesteld kunnen we zeggen dat portfolio investeringen veel 'vluchtiger' zijn dan directe investeringen. Portfolio investeringen zijn relatief eenvoudig te eindigen, bijvoorbeeld door verkoop van eerder aangeschafte aandelen. Anders gezegd: portfolio investeringen zijn investeringen 'op papier'. Bij directe investeringen ligt dat anders, omdat er dan sprake is van investeringen in 'fysiek' kapitaal, zoals machines, gebouwen en personeel. Dergelijke investeringen zijn veel moeilijker te eindigen of terug te draaien. In de praktijk is de scheidslijn tussen directe buitenlandse investeringen en portfolio investeringen overigens vaak niet zo scherp te trekken. Zoals al is opgemerkt is de omvang van de buitenlandse investeringen - zowel direct als portfolio - de laatste decennia spectaculair toegenomen.


Vraag 3.
Stel, je koopt bij de bank $1000. De koers van de dollar is op dat moment $1 = € 1,12. Vervolgens stijgt de koers van de dollar naar $1 = € 1,25. Je besluit je dollars weer te verkopen. Hoeveel winst heb je nu op deze transactie gemaakt (laat eventuele transactiekosten buiten beschouwing)?

3. Speculatie en arbitrage

Omdat wisselkoersen fluctueren kan op de aan- en verkoop van valuta winst worden gemaakt, zoals blijkt uit bovenstaand voorbeeld. Als je probeert winst te maken door gebruik te maken van de koersverschillen in de loop van de tijd, dan noemen we dat speculatie. Maakt je gebruik van koersverschillen op de verschillende plaatsen ter wereld waar geld verhandeld wordt dan noemen we dat arbitrage. Arbitrage egaliseert wereldwijd de wisselkoersverschillen tussen twee valuta. De speculant daarentegen verwacht dat de koers van een bepaalde valuta in de toekomst zal stijgen of dalen en besluit op basis daarvan de valuta te kopen of verkopen. Komt zijn verwachting uit, dan zal de speculant op zijn transacties winst maken.

NB De wereldwijde (speculatieve) kapitaalstromen zijn de afgelopen jaren sterk toegenomen, mede dankzij de ontwikkelingen in de ICT. Men spreekt derhalve over 'flitskapitaal'. Men schat dat momenteel de waarde van de kapitaaltransacties per week groter is dan de jaarlijkse waarde van de wereldhandel (in reŽle goederen en diensten). Er wordt door sommigen actie gevoerd om op het flitskapitaal een kleine belasting te heffen, die het vluchtige karakter van de kapitaalbewegingen zou verminderen. Deze belasting wordt de 'Tobin tax" genoemd, naar de uitvinder ervan, de econoom James Tobin (1918-2002) (die op latere leeftijd overigens geen voorstander meer was van deze belasting). Vele websites geven informatie over de Tobin tax, hier zijn er enkele:
 Tobin tax 1      Tobin tax 2      Tobin tax 3     Tobin tax 4


4. Consumentenvraag en -aanbod van valuta

Tot slot hebben we de reden die je waarschijnlijk als eerste te binnen schoot nog niet genoemd: het omwisselen van geld voor je vakantie in het buitenland. Je moet hierbij echter wel bedenken dat het hier om relatief kleine bedragen gaat die op de gehele economie beperkte invloed hebben.


2.2 De betalingsbalans

We hebben nu de drie belangrijkste internationale geldstromen besproken: internationale handel, buitenlandse investeringen en speculatie. Deze drie factoren vinden we terug in de betalingsbalans. De betalingsbalans geeft een overzicht van de totale internationale ontvangsten en betalingen van een land in een bepaalde periode. Als voorbeeld nemen we de vereenvoudigde betalingsbalans van Nederland in 1990 (alle bedragen in miljarden guldens).

1. Handelsbalans

 CREDIT                                                              DEBET
Export van goederen
230
Import van goederen
220

2. Dienstenbalans

Geleverde diensten
98
Ontvangen diensten
93


3. Inkomensrekening

Inkomsten uit loon
7
Uitgaven aan loon
8
interest en winst
interest en winst

4. Kapitaalrekening

Buitenlandse investeringen en
beleggingen in Nederland
514
Nederlandse investeringen en
beleggingen in het buitenland
523

5. Goud en deviezenbalans

Afname officiŽle reserves (goud en deviezen)
-
Toename officiŽle reserves
5

De betalingsbalans bestaat uit een vijftal deelbalansen. De eerste drie deelbalansen, de handelsbalans, dienstenbalans en inkomensrekening, vormen samen de lopende rekening. De handelsbalans wordt ook wel aangeduid als het 'zichtbare verkeer'. De dienstenbalans en inkomensrekening worden samen ook wel het 'onzichtbare verkeer' genoemd. Merk op dat export aan de creditzijde wordt aangegeven (er komt immers geld Nederland binnen) en import aan de debetzijde (er gaat geld Nederland uit).

Op de kapitaalrekening wordt de in- en uitvoer van vermogen in verband met investeringen en beleggingen geboekt. Hieronder zijn dus zowel de directe als portfolio investeringen inbegrepen. Merk op dat de investeringen in het buitenland aan de debetzijde worden aangegeven (er gaat geld Nederland uit) en de inkomende buitenlandse investeringen aan de creditzijde (er komt geld Nederland binnen).

Het saldo van de lopende rekening plus het saldo van de kapitaalrekening is het totale tekort of overschot op de betalingsbalans. Hieruit volgt een afname of toename van de officiŽle reserves, die bestaan uit de goud- en deviezenvoorraad. Omdat deze verandering wordt aangegeven in de goud- en deviezenbalans, is er altijd sprake van een 'formeel evenwicht' op de betalingsbalans. Anders gezegd, de debet- en creditzijde van de betalingsbalans zijn altijd even groot. Het formele evenwicht is echter een boekhoudkundige kwestie, die verder geen informatie geeft over de betalingsbalans. Als we spreken van een tekort of overschot op de betalingsbalans, dan bedoelen we daarmee dat de lopende rekening plus kapitaalrekening een tekort of overschot vertoont. We noemen dit ook wel een 'materieel' tekort of overschot.



Vraag 4.
Hoe groot is in bovenstaand voorbeeld het saldo van de Nederlandse handelsbalans? Ga voor jezelf na wat dat betekent.

Vraag 5.
Is er in bovenstaand voorbeeld sprake van een tekort of een overschot op de kapitaalrekening? Wat wil dat in praktische zin zeggen?

Vraag 6.
De Nederlandse betalingsbalans in bovenstaand voorbeeld vertoont een materieel overschot van + 5. Dat betekent dat in 1990 vijf miljard mťťr Nederland binnenkwam dan er uitging. Daaruit volgt dat in dat jaar de vraag naar guldens groter was dan het aanbod. Welk effect zal het overschot op de Nederlandse handelsbalans op termijn hebben op de koers van de gulden?

We moeten nog een tweetal opmerkingen plaatsen met betrekking tot de betalingsbalans. In de eerste plaats moet gewezen worden op de enorme omvang van de internationale geldstromen. Uit de betalingsbalans valt af te leiden dat in 1990 voor ruim 800 miljard gulden Nederland in- en uitstroomde, een bedrag ruim twee maal zo groot als het nationale inkomen in dat jaar. Dit gegeven illustreert de vergaande globalisering van handel en investeringen. In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat op de kapitaalrekening aanzienlijk meer geld omgaat dan op de lopende rekening. Deze trend heeft zich in het afgelopen decennium nog verder doorgezet.


3. Wisselkoersen en de overheid

3.1 Redenen voor overheidsinterventie


Vraag 7.
Stel, een Nederlandse autodealer besluit een aantal Amerikaanse auto's te kopen. Hij betaalt zijn buitenlandse leverancier in dollars. Op het moment dat de deal wordt gesloten staat de dollar op $1 = € 1,12. Veronderstel nu dat op het moment dat de auto's geleverd worden, de koers van de dollar is gestegen naar $1 = € 1,25. Moet de Nederlandse dealer nu mťťr of minder betalen dan hij aanvankelijk veronderstelde?

NB Het hangt er uiteraard wel vanaf wat voor contract er tussen dealer en producent is, want de dealer of de producent kunnen de valuta-risico's afdekken. Door het verzekeren van eventuele verliezen door  koersverschillen ontstaat de termijnhandel (vergelijk ook de speculatie).


Welke conclusie kunnen we hieruit trekken? Volatiliteit van wisselkoersen vergroot de onzekerheid bij internationale transacties en belemmert daardoor de internationale handel. In ons voorbeeld moet de Nederlandse dealer uiteindelijk veel meer voor de auto's betalen dan hij aanvankelijk veronderstelde. In de praktijk kunnen importeurs zich verzekeren tegen dergelijke 'valutarisico's', maar daarmee zijn uiteraard kosten gemoeid.

Merk overigens op dat een daling van de dollarkoers gunstig zou hebben uitgepakt voor de Nederlandse dealer. Het gaat er niet om of fluctuaties in wisselkoersen voor- of nadeel opleveren, maar om het feit dat hierdoor de onzekerheid bij internationale transacties toeneemt. Doorgaans beschouwen overheden handel met het buitenland als bevorderlijk voor de nationale welvaart. (Waarom dat zo is kwam in het vorige hoofdstuk uitgebreid aan de orde). Volatiliteit van wisselkoersen vergroot de onzekerheid bij internationale transacties en dient dus te worden beperkt. Maar hoe dan?


3.2 Instrumenten van overheidsinterventie

De overheid (in de praktijk doorgaans de nationale bank) heeft de beschikking over een voorraad buitenlandse valuta. We noemen deze voorraad de buitenlandse valuta reserve. De overheid kan deze reserve aanwenden om de wisselkoers van de eigen munt te stabiliseren. Ze doet dat door buitenlandse valuta te kopen of verkopen, met andere woorden door vraag of aanbod te beïnvloeden. Merk op dat het kopen van buitenlandse valuta hetzelfde is als het verkopen van de eigen valuta, en dat het verkopen van buitenlandse valuta hetzelfde is als het kopen van de eigen valuta. Het mes snijdt zo aan twee kanten: zowel vraag of aanbod van de buitenlandse valuta, als vraag of aanbod van de eigen valuta, kunnen op deze manier worden beïnvloed.


Aankoop vreemde valuta Verkoop vreemde valuta
Vraag eigen valuta  
neemt toe
Aanbod eigen valuta
neemt toe
 
Vraag vreemde valuta
neemt toe
 
Aanbod vreemde valuta  
neemt toe
Koers eigen valuta
neemt af
neemt toe

Vraag 8.
In het vorige voorbeeld steeg de koers van de dollar van $1 = € 1,12 naar $1 = € 1,25. Met andere woorden, de gulden werd minder waard ten opzichte van de dollar. Stel nu dat de Nederlandse Bank (DNB) deze ontwikkeling als ongewenst beschouwd en de waarde van de gulden ten opzichte van de dollar wil verhogen. Hoe zou zij de buitenlandse valuta reserve moeten aanwenden om dat te bereiken?

Kortom, de overheid (of nationale bank) kan vraag en aanbod op de internationale valutamarkt beïnvloeden met behulp van de buitenlandse valuta reserve. Op die manier kan ze schommelingen in de koers van de eigen munt beperken. Merk overigens op dat in bovenstaand voorbeeld de aanbodstijging van dollars een veel kleinere invloed op de wisselkoers zal hebben dan de vraagstijging naar guldens. Dit komt natuurlijk om dat er wereldwijd veel meer dollars dan guldens in omloop zijn.

3.3 Vaste wisselkoersen

Tot zover zijn we steeds uitgegaan van zwevende wisselkoersen. In een dergelijk systeem bepalen vraag en aanbod op de markt de waarde van een valuta. De overheid gebruikt de buitenlandse valuta reserve uitsluitend om een te grote mate van volatiliteit tegen te gaan. De overheid kan echter ook besluiten om de waarde van haar munt vast te zetten op een bepaald gewenst niveau, in beginsel los van vraag en aanbod op de markt. In dat geval spreken we van vaste wisselkoersen.


Vraag 9.
Stel, de koers van de euro ten opzichte van de dollar is $1 = € 1,12. Vervolgens daalt op de wereldmarkt de vraag naar Nederlandse producten, waardoor Nederland dus minder kan exporteren. Wat zou er dan gebeuren met de waarde van de euro binnen een systeem van zwevende wisselkoersen?

Vraag 10.
Wat zou er onder dezelfde omstandigheden gebeuren met de waarde van de euro binnen een systeem van vaste wisselkoersen?

Een systeem van vaste wisselkoersen stelt de overheid in staat de wisselkoers te gebruiken als een instrument in het handelsbeleid, met andere woorden om import en export te stimuleren of ontmoedigen. Daarbij moeten we ons wel realiseren dat ook binnen een systeem van vaste wisselkoersen een munt meer of minder waard kan worden. Het belangrijkste verschil met zwevende wisselkoersen is echter dat een waardeverandering dan niet het gevolg is van verschuivingen in vraag en aanbod, maar van een beslissing van de overheid of nationale bank. Een door de overheid opgelegde verlaging van de wisselkoers noemen we devaluatie. Het tegenovergestelde, een door de overheid genomen besluit tot verhoging van de wisselkoers, is een revaluatie.

koers stijgt koers daalt
zwevende koers
appreciatie
depreciatie
vaste koers
revaluatie
devaluatie

Vraag 11.
Stel, DNB wil de Nederlandse export stimuleren binnen een systeem van vaste wisselkoersen. Wat moet er in dat geval gebeuren met de koers van de gulden?

Wellicht is inmiddels de vraag bij je opgekomen: Kan dat zomaar? Kan de overheid zelf bepalen hoeveel haar eigen munt waard is ten opzichte van andere valuta? Het antwoord is: Ja, maar tot op zekere hoogte. Stel bijvoorbeeld dat de vraag naar guldens op de wereldmarkt afneemt binnen een systeem van vaste wisselkoersen. Omdat de waarde van de gulden zich niet aanpast aan deze ontwikkeling, ontstaat een situatie waarin de gulden eigenlijk 'te duur' is. Met andere woorden, het aanbod van guldens is groter dan de vraag. Bekijk eerst onderstaande grafiek.


Vraag 12.
Wat is er in dit geval aan de hand met de Nederlandse handelsbalans?

DNB kan de verminderde vraag naar guldens compenseren door zelf buitenlandse valuta te verkopen of Nederlandse guldens te kopen (dat is immers hetzelfde). Ze moet daarvoor een beroep doen op de buitenlandse valuta reserves. Anders gezegd, het tekort op de handelsbalans wordt gefinancierd door in te teren op de buitenlandse valuta reserve. Dit proces kan niet oneindig blijven doorgaan want de reserve is uiteraard beperkt. Als het tekort blijft bestaan, dan rest Nederland slechts twee mogelijkheden:

1. Devaluatie, waardoor de euro goedkoper wordt. Dit zal leiden tot een toename van de export en een afname van de import, waardoor het tekort op de handelsbalans wordt gecorrigeerd. Hetzelfde zou zijn gebeurd in een systeem met zwevende wisselkoersen, alleen dan niet op initiatief van de overheid maar als gevolg van ontwikkelingen in de markt.
2. De tweede mogelijkheid is het bevorderen van de export of het verminderen van de import door handelspolitieke maatregelen. Deze komen in de volgende les uitgebreid aan de orde.

Leidt een depreciatie of devaluatie altijd tot een toename van de netto export (export minus import)? Het antwoord is: nee! In twee gevallen zal een waardedaling van de eigen munt zelfs leiden tot een (toename van het) tekort op de handelsbalans. Om dat te begrijpen moeten we ons realiseren dat we het hier hebben over de waarde van im- en export, en niet over de hoeveelheid. Anders gezegd: dat het netto exportvolume toeneemt wil nog niet zeggen dat ook de exportwaarde stijgt.


Vraag 13.
Stel je een wereldeconomie voor waarin slechts twee landen actief zijn: Nederland en Frankrijk (dit was nog vůůr de invoering van de euro!). In deze economie worden slechts twee goederen verhandeld: fietsen en wijn. Nederland exporteert fietsen naar Frankrijk en importeert wijn uit Frankrijk. Een fiets kost fl. 500 en een fles wijn FF 60. Stel nu dat de gulden deprecieert ten opzichte van de franc van 1 fl. = 3 FF naar 1 fl. = 2 FF. Moet een Fransman dan meer of minder betalen voor een fiets?

Vraag 14.
Moet onder dezelfde omstandigheden de Nederlandse consument meer of minder betalen voor een fles wijn?

De depreciatie leidt dus tot lagere exportprijzen en hogere importprijzen voor Nederland. Dit zal een stijging van de vraag naar fietsen in Frankrijk, en een daling van de vraag naar wijn in Nederland tot gevolg hebben.

Vraag 15.
Stel dat als gevolg van de depreciatie de vraag naar fietsen in Frankrijk toeneemt van 100.000 naar 110.000 stuks, en de vraag naar wijn in Nederland daalt van 1.000.000 naar 900.000 flessen. Wat is dan het netto resultaat van de depreciatie voor de Nederlandse handelsbalans?

Het verschijnsel hierboven heeft alles te maken met de prijselasticiteit van de vraag (zie hoofdstuk 3). In ons voorbeeld is de proportionele toename van de prijs van een fles wijn (33%) groter dan de afname van de vraag als gevolg daarvan (10%). Anders gezegd, de vraag naar wijn is relatief inelastisch. Hierdoor kan de waarde van de import dus zelfs toenemen als gevolg van een depreciatie of devaluatie. Concluderend: depreciatie zal alleen leiden tot een toename van de netto export indien de prijselasticiteit van de vraag relatief elastisch is, of anders gezegd, indien een prijsverandering grote invloed heeft op de vraag.

Dit heet de "Marshall-Lerner voorwaarde".

Er is nog een tweede situatie waarin een lagere koers niet leidt tot een toename van de netto export. De daling in de koers kan namelijk teniet worden gedaan door een stijging van de inflatie. In de praktijk is de kans daarop groot. Immers, een lagere koers leidt ook tot een hogere importprijzen voor grondstoffen en halfproducten. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat arbeiders hogere lonen gaan eisen in reactie op de toename van de importprijzen. In beide gevallen zullen de extra kosten worden doorberekend in de prijzen. Depreciatie of devaluatie kan leiden tot inflatie en daarmee het effect van de waardevermindering van de munt teniet doen.

De nominale wisselkoers (vergelijk:  reŽle en nominale/lopende prijzen).


3.4 Vaste of zwevende wisselkoersen?

Wat is nu het beste: zwevende of vaste wisselkoersen? We bespreken hier de belangrijkste voor- en nadelen van beide systemen.

Voordelen van zwevende wisselkoersen

(A.) Een zwevende wisselkoers heeft als belangrijkste voordeel dat ze automatisch tekorten of overschotten op de kapitaalbalans corrigeert.


Vraag 16.
Stel dat er een plotselinge toename is van de vraag naar Nederlandse producten in het buitenland. Wat gebeurt er dan in een systeem met zwevende wisselkoersen met a) de koers van de gulden op korte termijn b) de koers van de gulden op langere termijn c) de handelsbalans op langere termijn


(B) Een tweede argument ten gunste van zwevende wisselkoersen is dat ze tot op zekere hoogte beschermen tegen recessie en inflatie van buitenaf.

Vraag 17.
Stel dat de wereldeconomie in een recessie raakt omdat de vraag naar goederen wereldwijd afneemt. Betekent dit in een systeem van zwevende wisselkoersen dan ook dat de Nederlandse export automatisch afneemt?


Vraag 18.
Stel dat er wereldwijd sprake is van inflatie omdat de vraag naar goederen het aanbod overtreft, maar dat de inflatie in Nederland gemiddeld lager is dan in de omringende landen. Welk gevolg zou deze situatie hebben voor het inflatietempo in Nederland binnen een systeem van zwevende wisselkoersen?

Zwevende wisselkoersen hebben dus twee belangrijke voordelen: Tekorten en overschotten op de betalingsbalans worden automatisch gecorrigeerd, en de nationale economie wordt (tot op zekere hoogte) geÔsoleerd tegen recessie en inflatie van buitenaf. We moeten wel bedenken dat we beide argumenten ook kunnen omdraaien. Zwevende wisselkoersen kunnen leiden tot een verminderde begrotingsdiscipline en inflatie. We komen hierop zo meteen terug. Bovendien kunnen we ons afvragen of het wel zo goed is als een economie wordt geÔsoleerd tegen recessie en inflatie van buitenaf. Immers, de overheid is daardoor niet gedwongen om andere maatregelen te nemen om bepaalde zwakheden in de economie aan te pakken.


Voordelen van vaste wisselkoersen

(A) Een belangrijk voordeel van vaste wisselkoersen is uiteraard de grotere stabiliteit in het internationale betalingsverkeer en het gunstige effect daarvan op de internationale handel.

(B) Een tweede argument ten gunste van vaste wisselkoersen is dat hiermee speculatie wordt tegengegaan. Speculatie kan leiden tot extreme volatiliteit in de internationale valutamarkten, omdat speculanten hun acties baseren op verwachte toekomstontwikkelingen. Speculanten beschikken echter lang niet altijd over juiste of volledige informatie om dergelijke voorspellingen te kunnen doen. Daardoor ontstaat het gevaar van 'kuddegedrag': Als de wisselkoers daalt wil iedereen verkopen ('eruit stappen voor het te laat is') en als de koers stijgt wil iedereen kopen ('de boot niet willen missen'). In dergelijke gevallen kan de wisselkoers ver verwijderd raken van hetgeen op rationeel economische gronden gerechtvaardigd is.

(C) Een derde voordeel van een vaste wisselkoers is zojuist al kort aan de orde gesteld: Ze dwingt de overheid tot discipline in haar binnenlands economisch beleid. De overheid moet immers altijd rekening houden met de gevolgen van haar binnenlandse economische beleid op de betalingsbalans. In een systeem van zwevende wisselkoersen is hiervan geen sprake, omdat tekorten en overschotten op de betalingsbalans automatisch worden gecorrigeerd.


Vraag 19.
Stel, de Nederlandse overheid heeft een begrotingstekort, met andere woorden ze geeft meer uit dan ze in belastingen ontvangt. De overheid wil dit tekort te dekken door nieuw geld te drukken, waardoor de inflatie zal toenemen. Is een dergelijke (dubieuze) politiek eenvoudiger door te voeren bij vaste- of zwevende wisselkoersen?

4. Van Bretton Woods naar de euro

Sinds het begin van de vorige eeuw is de internationale handel en daarmee het internationale betalingsverkeer sterk toegenomen. De internationale handel, die tijdens de economische crisis van de jaren dertig en de daarop volgende oorlog tot vrijwel niets was gereduceerd, leefde na 1945 weer op. Een belangrijk instrument daarbij was een nieuw stelsel van vaste wisselkoersen, het zogenaamde systeem van Bretton Woods (genoemd naar het Amerikaanse stadje waar de overeenkomst werd ondertekend).

Het stelsel hield in dat de deelnemende landen afspraken onderling vaste wisselkoersen te hanteren. Dreigde een bepaalde munt te ver van de afgesproken waarde af te wijken, dan waren de deelnemende landen verplicht in te grijpen. Kenmerkend voor het systeem was de centrale plaats die de dollar innam, die na de oorlog de belangrijkste internationale geldsoort was geworden. De landen die deelnamen aan Bretton Woods konden bij de Amerikaanse centrale bank voor dollars een vaste hoeveelheid goud krijgen. Omdat de koers van de dollar vast lag ten opzichte van de deelnemende valuta, werden hiermee alle valuta binnen het systeem indirect aan het goud gekoppeld.

Bretton Woods functioneerde tot 1971, toen de Amerikaanse centrale bank besloot de dollar weer los te koppelen van het goud. De reden was dat in veel landen het vertrouwen in de dollar was gedaald en er daarom een run dreigde op de Amerikaanse goudreserves. Sindsdien bestond er tussen de deelnemende landen feitelijk weer een systeem van zwevende wisselkoersen.

Na de ondergang van Bretton Woods probeerde een aantal Europese landen via soortgelijke afspraken onderlinge vaste wisselkoersen te handhaven. Die pogingen mondden uiteindelijk uit in de oprichting van het Europees Monetair Stelsel (EMS) in 1979, waaraan de meeste lidstaten van de (toenmalige) Europese Gemeenschap deelnamen. Nieuw binnen het EMS was het gebruik van een Europese geldeenheid, de European Currency Unit (ECU), waarin alle valuta's van de EG in een bepaalde onderlinge verhouding waren opgenomen. Begin jaren negentig ging het systeem ten onder, toen een aantal zwakkere valuta (zoals de Franse Franc en Spaanse Peseta) niet bleek opgewassen tegen de neerwaartse druk van speculatieve verkopen.

De mislukking van het EMS vormde wel de aanloop naar een nieuwe (en dit maal succesvolle) poging een systeem van vaste wisselkoersen op te zetten binnen europa. Op 1 januari 2002 heeft de euro officieel de nationale valuta van de deelnemende landen van de Europese Unie  vervangen. Vanaf dat moment zijn er helemaal geen wisselkoersen meer binnen het eurogebied ("Euroland"). Het monetaire beleid van de EU komt in handen van de reeds bestaande europese Centrale Bank. Aan de introductie van de euro is een lang en moeizaam proces van steeds verdergaande monetaire integratie vooraf gegaan. Zelfs nu nog zijn er landen, zoals Groot BrittanniŽ, die de stap naar de euro niet durven te maken.

NB Tussen 1992 en 1998 vertonen de landen van de EU een opmerkelijke convergentie, wat het invoeren van een gemeenschappelijke munt vergemakkelijkt. Door de Europese landen te plaatsen op het Global Economics Game-speelbord wordt dit inzichtelijk gemaakt. Ziet dit artikel op de website van het Global Economics Game. 

Twee andere instellingen die in Bretton Woods werden opgericht zijn het IMF en de Wereldbank. Het IMF (Internationaal Monetair Fonds) heeft als taak het bevorderen van een vrij internationaal betalingsverkeer en het verlenen van kredieten aan landen met ernstige betalingsbalansproblemen. Vaak stelt het IMF zeer strenge voorwaarden aan het verlenen van steun. De Wereldbank (World Bank) eent op langere termijn geld uit aan ontwikkelingslanden. Deze leningen worden doorgaans onder normale marktvoorwaarden verstrekt.

 

5. Samenvattend

De wisselkoers is de waarde van de ene valuta uitgedrukt in de andere valuta. In een systeem van zwevende wisselkoersen wordt deze waarde bepaalt door vraag en aanbod op de valutamarkt. Onder volatiliteit verstaan we de beweeglijkheid van de wisselkoersen. Een waardestijging van een valuta noemen we een appreciatie, een waardedaling een depreciatie.

Drie factoren bepalen vraag en aanbod op de valutamarkten: internationale handel, buitenlandse investeringen en speculatie. De laatste jaren is het belang van speculatie enorm toegenomen, hetgeen een potentieel destabiliserend effect heeft op de wisselkoersen.

De betalingsbalans geeft een overzicht van de internationale transacties van een land binnen een bepaalde periode. Ze bestaat uit de lopende rekening, waarop het goederenverkeer en het 'onzichtbare' verkeer worden geboekt, en de kapitaalrekening, waarop de buitenlandse investeringen zijn ondergebracht.

Volatiliteit van wisselkoersen vergroot de onzekerheid bij internationale transacties en is daarom nadelig voor de internationale handel. Een zekere mate van stabiliteit is dan ook van belang voor het functioneren van de wereldeconomie. Met behulp van de buitenlandse valuta reserves kan de overheid invloed uitoefenen op vraag en aanbod op de valutamarkt, en daarmee de wisselkoers stabiliseren.

In een systeem van vaste wisselkoersen bepaalt de overheid zelf de gewenste wisselkoers, in beginsel los van vraag en aanbod op de markt. Een dergelijk systeem stelt de overheid in staat de wisselkoers te gebruiken voor handelspolitieke doeleinden. Een door de autoriteiten opgelegde daling van de wisselkoers noemen we een devaluatie, een stijging is een revaluatie.

Zowel aan vaste als zwevende wisselkoersen zitten voor- en nadelen. Zwevende wisselkoersen hebben als voordeel dat daarmee tekorten en overschotten op de betalingsbalans automatisch worden gecorrigeerd, en de economie tot op zekere hoogte tegen recessie en inflatie van buitenaf wordt geÔsoleerd. Het nadeel van zwevende wisselkoersen is de grotere volatiliteit en de mogelijkheid tot verminderde begrotingsdiscipline.

Een vaste wisselkoers heeft als voordelen grotere stabiliteit in het internationale betalingsverkeer, het uitschakelen van speculatie en het bevorderen van de begrotingsdiscipline. Een belangrijk nadeel is dat vaste wisselkoersen de bewegingsvrijheid van de overheid op binnenlands economisch gebied drastisch beperken.

Sinds 1945 zijn er diverse pogingen ondernomen om de stabiliteit van de wisselkoersen te vergroten. Na de ondergang van Bretton Woods in de jaren zeventig is er vooral op europees niveau geprobeerd een nieuw systeem van vaste wisselkoersen op te zetten. Na een moeizame weg vol mislukkingen lijkt dit streven met de introductie van de euro eindelijk haar beslag te krijgen. Het IMF verstrekt kredieten aan landen met ernstige betalingsbalansproblemen.


SAMENVATTING

Tot slot zetten we de belangrijkste concepten uit dit hoofdstuk nog even op een rijtje:

  • valuta
  • wisselkoers
  • volatiliteit
  • appreciatie
  • depreciatie
  • sleutelvaluta
  • directe buitenlandse investeringen
  • portfolio investering
  • speculatie
  • betalingsbalans
  • handelsbalans
  • dienstenbalans
  • inkomensrekening
  • kapitaalrekening
  • goud- en deviezenbalans
  • vaste en zwevende wisselkoers
  • devaluatie
  • revaluatie

Overzicht van de korte-termijn effecten van inflatie, deflatie, appreciatie/revaluatie en depreciatie/devaluatie op prijsniveau en buitenlandse handel:

  Geld-
hoeveelh.
Prijzen
binnenl.
Koopkracht
munt
Koers
munt
Prijzen
export
Prijzen
import
Handels
balans
Inflatie + + _ = + = X-/M+
Deflatie _ _ + = _ = X+/M-
Appreciatie/
revaluatie
= = = + + _ X-/M+
Depreciatie/
Devaluatie
= = = _ _ + X+/M-

Let goed op het verschil tussen enerzijds inflatie en deflatie (binnenlandse fenomenen met een effect op de handel) en anderzijds appreciatie/revaluatie en depreciatie/devaluatie (wisselkoerswijzingen met een effect op de handel). Dit overzicht maakt geen onderscheid tussen vaste en zwevende wisselkoersen.


Overzicht van de effecten van verschillende beleidsvormen onder vaste en zwevende wisselkoersen: 

  Monetair beleid Fiscaal beleid
Vaste wisselkoersen weinig effectief effectief
Zwevende wisselkoersen effectief* weinig effectief**

 

Uitleg:

* Stel dat er, om de economie te stimuleren, een expansief monetair beleid plaatsvindt door renteverlaging. De vraag naar de munt neemt toe door de lage rente (dit betekent tenslotte goedkoop lenen; de prijs van het geld wordt lager). Dit zet de wisselkoers onder druk: er ontstaat een tekort op de betalingsbalans. Bij vaste wisselkoersen moet de overheid (de centrale bank) even hard deflatoire maatregelen nemen om de betalingsbalans in evenwicht houden, hetgeen de economie even hard weer afremt. (NB Op langere termijn zou er inflatie kunnen optreden door toename van de geldhoeveelheid, als deze niet gepaard aat met toename van de economische activiteit. Bij zwevende wisselkoersen kan de economie groeien door de monetaire stimulans, als er dan later een appreciatie plaatsvindt is dit niet erg.)


** Een expansief fiscaal beleid kan bijvoorbeeld bestaan uit extra overheidsbestedingen. In eerste instantie heeft dit een effect op de economische activiteit in het land, niet op de wisselkoers. Later zal het kunnen leiden tot hogere prijzen in het binnenland, waardoor de uitvoer duurder wordt en (afh. van de prijselasticiteit) kan afnemen en de (subsititutie-) invoer kan toenemen. Bij zwevende wisselkoeren zal dan depreciatie optreden, want de vraag naar de munt neemt af (vanwege de dure export) en het aanbod neemt toe (vanwege de import). Hierdoor wordt de koers lager. Een gedeelte van het nieuw gegenereerde inkomen is nodig om de invoer te financieren, dus bij zwevende wisselkoersen is fiscaal beleid niet zo effectief: het wordt gedempt door de aanpassing van de wisselkoers.


 

[NAAR HFST 9]  -  [NAAR INHOUDSOPGAVE]   -  [NAAR HFST 11]


E-mail: L.J.Touwen @hum.leidenuniv.nl
Last update: 11 oktober 2018