Universiteit Leiden - Opleiding Geschiedenis - Economie online

Hoofdstuk 8: Supply-side politiek


Inleiding

Supply-side beleid valt onder micro-economisch overheidsbeleid. Hiermee kan de structuur van de economie van een land aangepast worden, waardoor de economische positie van de markt en industrieŽn maar ook van individuele mensen en bedrijven binnen die markt verbeterd wordt. Supply-siders vinden dat het de rol van de overheid is om een omgeving te creŽren waarin vrij ondernemerschap en concurrentie kunnen floreren. De markt zelf bepaalt hierin de distributie van productiemiddelen en zorgt voor een zo efficiŽnt mogelijk gebruik hiervan.

1. Eerst een terugblik….

De stijging van de olieprijs in 1973 zorgde zowel voor een stijging van inflatie als verminderde economische groei, een fenomeen dat bekend werd als "stagflatie". Het Keynesianisme kon hiervoor geen oplossing bieden. Je kon de overheidsuitgaven wel vergroten, om zo de economische activiteit te stimuleren, maar dat zou alleen leiden tot nog meer inflatie. Aan de andere kant zou het terugschroeven van overheidsuitgaven de inflatoire druk op de economie verminderen, maar dat zou de economie in een nog diepere recessie brengen. Niet alleen was er een duidelijk onoplosbaar dilemma in het bereiken van twee belangrijke doelen van overheidsbeleid met gebruikmaking van het zelfde instrument, maar daarnaast stelden monetaire economen dat veranderingen in overheidsuitgaven relatief weinig invloed hadden op de economie, maar een onevenredig grote invloed op het prijsniveau. Monetaristen geloven dat een veel betere aanpak van de voortdurend stijgende inflatie de controle op het aanbod (en de waarde) van geld is. Zodra de inflatie onder controle zou zijn en de marktverstorende prijssignalen (die gepaard gingen met de inflatie) verdwenen waren, zou de economie weer aantrekken. Op korte termijn echter liepen de monetaristen tegen hetzelfde dilemma als de Keynesianen aan. Het verhogen van de rente mag dan goed zijn om de inflatie in te dammen, maar het zou slecht zijn voor leningen, investeringen en uitgaven en dus voor de economische activiteit. Monetaristen waren echter bereid om deze moeilijke periode voor lief te nemen, omdat het uiteindelijke resultaat een gezonde balans in de economie zou opleveren. Een groot probleem met deze aanpak echter was dat het in de praktijk heel moeilijk bleek om geld te definiŽren en te controleren. Dit alles is reeds aan de orde gekomen in les zes en zeven.


2. Reaganomics

Het hoofdkenmerk van de monetaristische politiek is het geloof dat monetaire instrumenten de enige beleidsinstrumenten moeten zijn (en dan nog terughoudend gebruikt). De meeste waren tevens tegen het beleid "hoge belastingen, hoge bestedingen" van westerse overheden sinds de Tweede Wereldoorlog. Ze stonden open voor (delen van) een supply-side agenda… maar niet voor het volledige pakket van maatregelen geÔntroduceerd in de VS tijdens het presidentschap van Ronald Reagan.
De grondlegger van de supply-side politiek was een in Canada geboren Amerikaanse econoom Robert A. Mundell. Hij had drie argumenten:

1. Hoge belastingen ontmoedigen economische initiatief. In Mundell's eigen woorden: "The level of US taxes has become a drag on economic growth in the United States. The national economy is being choked by taxes - asphyxiated."
2. Je kunt fiscaal en monetair beleid apart toepassen. Een regering kan zijn uitgaven verhogen (of belasting verlagen) om de economie te stimuleren en, tegelijkertijd, de rentevoet verhogen om inflatie tegen te gaan.
3. Een belastingverlaging zou een dusdanig stimulerend effect kunnen hebben op productiviteit en economische groei, dat de inkomsten van de overheid, in plaats van dalen, zouden toenemen.

Dit laatste punt is geÔllustreerd in een grafiek door een protťgť van Mundell, Arthur Laffer, die zijn naam heeft gegeven aan de 'Laffer-curve'. Wat de Laffer-curve liet zien was dat tot een bepaald punt, verhoogde belasting zou leiden tot verhoogde inkomsten. Als dit punt echter bereikt was, dan zou verdere verhoging in belasting leiden tot een daling van inkomsten door een verminderde prikkel tot werk en productie, en een toename in belastingontduiking. Volgens de supply-sider had de VS (toen, net als nu, een van de minst belaste geavanceerde economieŽn op aarde!) het kritische punt reeds gepasseerd.

Hieronder zie je de Laffer-curve, sommige economen keren de grafiek 90 graden  ;-) !
 

Ronald Reagan deed in 1980 mee aan de presidentsverkiezingen met een rechts-republikeinse agenda. De kern van zijn economisch beleid was de belofte van een forse belastingverlaging om het herstel van de Amerikaanse economie te bevorderen. Deze belastingverlaging zou echter niet leiden tot een begrotingstekort. Tegelijkertijd zou een restrictief hoge rente-beleid leiden tot een appreciatie van de dollar en een verlaging van inflatie. Deze beleidscombinatie ging de geschiedenis in als 'Reaganomics'. In augustus 1981 introduceerde Reagan een serie belastingverlagingen gelijk aan 2,1% bruto binnenlands product (bbp). De "resultaten" waren dramatisch, maar niet geheel wat supply-siders hadden verwacht:
A. De economie groeide redelijk snel tussen 1983 en 1989, maar deze groei was deels een inhaalslag na de diepe recessie van 1981-1982 (als gevolg van de tweede oliecrisis na de Iraanse Revolutie).
B. De particuliere spaarquote (het percentage van bbp gespaard door particulieren en particuliere instanties) had moeten stijgen. In plaats daarvan daalde deze van 7,8% (1973-1980) naar 6,9% in 1986 en 4,8% in 1989.
C. De arbeidsproductiviteit had moeten stijgen. Na 1973 toonde de Amerikaanse economie een trage productiviteitsgroei van 1,1% per jaar. Dit percentage bleef onveranderd in de jaren tachtig.
D. Het begrotingstekort had achteruit moeten gaan. In plaats daarvan sloeg de begroting om van een overschot van $40.000 miljoen (1,7% van het BBP) in 1979 tot een tekort van $221.000 miljoen (5,2% van het BBP) in 1986.
E. De omvang van de overheidsschuld had moeten afnemen; in plaats daarvan groeide deze van 26,1% van het BBP in 1979 tot 41,2% in 1986.

Supply-siders zouden de verklaring hiervoor zoeken in het feit dat de Amerikaanse economie in zijn geheel te statisch was om adequaat te kunnen reageren op Reagans beleid. De meeste economen echter beschouwden Reaganomics als een regelrechte flop met als gevolg dat supply-siders niet meer serieus werden genomen. Veel economen citeerden het oordeel van George Bush Sr over Reagans beleid. In 1980, toen Bush zelf in de voorronde voor het kandidaatschap van het Republikeinse presidentschap zat, bestempelde hij Reagans beleid als 'voodoo-economics'. De beroemde econoom Paul Krugman beschreef supply siders als 'cranks'. De enige reden waarom volgens hem de theorie van de supply-siders nog bestaat, ligt in het feit dat "it appeals to the prejudices of extremely rich men and it offers self-esteem to the intellectuallly insecure" (de rijken profiteerden het meest van de voorgestelde belastingverlaging en de intellectueel zwakken konden toch een mening hebben zonder dat ze echt iets van de economie af hoefden te weten).

Toch is die kritiek niet helemaal terecht. Vandaag de dag is er haast geen enkele overheid in de wereld die niet op zijn minst een deel van de supply side agenda heeft overgenomen. George W. Bush bijvoorbeeld voerde campagne voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2000 met de belofte van een belastingverlaging van 1,5 miljard dollar. Als symbool van de acceptatie van de analyse van de supply-siders in de hoofdstroom van de economische wetenschap kreeg de zogenaamde grondlegger van de beweging, Robert A. Mundell, in 1999 de Nobelprijs voor de Economie uitgereikt. Je kunt zijn toespraak bij de uitreiking van de Nobelprijs op internet lezen: The Nobel lecture: A reconsideration of the twentieth century (deel drie, "Inflation and Supply-Side Economics", gaat over de supply-side revolutie).


3. Belasting en arbeidsmarkt

Zoals we in het zojuist beschreven voorbeeld van Reaganomics al gezien hebben beweren aanhangers van de supply-side politiek dat een verlaging van de belasting de overheidsinkomsten uit belastingen doet verhogen. Dit omdat belastingverlaging de inzet van de productiefactoren arbeid en kapitaal doet toenemen en de productiviteit stimuleert. In dit gedeelte zullen we kijken naar verschillende manieren waarop dit kan gebeuren. Supply-siders vinden dat belastingen en subsidies het effect van willekeurige prijsveranderingen hebben, die de waardebepaling van productiemiddelen en goederen door de markt in de weg staan. Laten we eerst kijken naar de arbeidsmarkt.


Vraag 1.

Als bijbaantje naast je studie werk je parttime in een restaurant, je verdient € 12,50 per uur. Je wilt graag sparen voor een vakantie. Ga je meer werken om op vakantie te kunnen?

Vraag 2.
Onafhankelijk van je antwoord op de vorige vraag, zou je meer gaan werken als op het extra verdiende loon opeens 30 procent belasting werd geheven?

 

De meeste mensen verwachten een gelijke (of hogere) vergoeding als ze wat extra werken. Het belastingsysteem (vooral op de grens tussen twee belastingschijven) beloont je echter minder dan voorheen. Laten we eens kijken naar een omgekeerde situatie.

Vraag 3.
Een middenniveau manager van 50 jaar heeft een jaarinkomen van € 100.000. Stel dat het deel van zijn inkomen boven de € 80.000 belast wordt met 60 %. Hoeveel gaat hij erop achteruit als hij besluit om in plaats van vijf dagen per week vier dagen te gaan werken?

Door de manier waarop belasting wordt geheven, verliest de manager uit ons voorbeeld slechts 8 % van zijn jaarinkomen terwijl hij 20 % minder gaat werken. Stel je maar voor wat er zou gebeuren in landen waar de hoogste belastingschijf 70 of 80% is zoals bijvoorbeeld in Zweden in de jaren tachtig. Deze belasting op het marginale inkomen trof niet alleen de rijken, maar ook de middenklassen in de samenleving. In zulke landen vormt dit een forse ontmoediging om extra te werken.

Laten we nu eens gaan kijken naar de onderste laag van de arbeidsmarkt.

Vraag 4.
Je hebt een arm gezin in de VS in 1975. Je inkomsten uit uitkeringen (werkeloosheidsuitkering, huursubsidie, voedselbonnen etc.) bedragen $ 20.000 per jaar. In je omgeving zijn banen voor ongeschoolde arbeid, maar dan komen al snel je uitkeringen in het geding. Zou jij als kostwinner zo'n baan aannemen?

De vraag weerspiegelt de daadwerkelijke situatie in de VS destijds. Het staat bekend als de 'poverty trap' (armoedeval) waarbij arme gezinnen in werkeloosheid en sociaal isolement vast komen te zitten door een combinatie van vergoedingen en lage lonen (en de laagste belastingschijf). Indien uitkeringen de mate van arbeidsparticipatie gaan beÔnvloeden, dan zijn hoge uitkeringen slechter dan lage uitkeringen. Een voorbeeld daarvan is de WAO hier in Nederland, die door velen wordt gezien als een rem op de arbeidsparticipatie.

4. Belastingen en sparen / investeren

Vraag 5.
Stel dat al je 'behoeften' vervuld kunnen worden bij een netto jaarinkomen van € 30.000 en dat 35% van je inkomen opgaat aan belasting en sociale lasten. Bij welk inkomen zou je gaan sparen?


Vraag 6.

Deze situatie is dezelfde als bij de vorige vraag, alleen is je gemiddelde belasting toegenomen met 10% (dus naar 45%). Bij welk bruto inkomen zou je nu gaan sparen?


Hoe hoger het belastingniveau is, hoe hoger ook het inkomensniveau is voordat mensen gaan sparen. Omdat sparen = investeren, betekent dit een lagere binnenlandse kapitaalaccumulatie, met mogelijke indirecte gevolgen voor productiviteit. Dit supply-sider argument hoor je vaak in landen waar de rente traditioneel laag is (zoals in de VS en het Verenigd Koninkrijk). Het is mogelijk dat sociale lasten het sparen (en dus de kapitaalaccumulatie) doen toenemen, omdat belastingen en sociale lasten een bijdrage leveren aan investeringsfondsen, bijvoorbeeld in landen als Nederland dat een hoge verplichte pensioenbijdrage heeft.


Vraag 7.
Bereken voor beide volgende scenario's de verwachte 'winst' per jaar, indien de ontwikkeling van de prijzen hetzelfde blijft. Welk scenario zou jij kiezen?

  1. Je hebt geen spaargeld. Je kunt 300.000 euro lenen tegen een rente van 5% per jaar, zodat je een huis kunt kopen. De waarde van het huis is in het verleden jaarlijks met 10% gegroeid. Je krijgt een subsidie (of belastingteruggave) van 50% op het geleende geld en er wordt geen belasting geheven op de meerwaarde van het huis.
  2. Je hebt geen spaargeld. Je kunt 300.000 euro lenen tegen een rente van 5% per jaar, zodat je aandelen kunt kopen. De waarde van de aandelen zijn in het verleden jaarlijks met 10% toegenomen. Er wordt een belasting van 25% geheven op de eventuele meerwaarde.


Supply-siders zijn van mening dat de manier waarop belasting wordt geheven en subsidies worden verleend, de keuze voor investeringen beÔnvloedt en daardoor een verstoring van de markt is. Het hierboven beschreven voorbeeld was typisch voor de situatie in het Verenigd Koninkrijk in de jaren '70, waar voor het lenen van geld voor verschillende doeleinden steeds weer andere regels van toepassing waren, en waarbij kapitaalwinsten uit verschillende bronnen ook nog eens anders belast werden. Er wordt gezegd dat dit bij investeerders leidde tot een grote voorkeur voor het investeren in de huizenmarkt, terwijl commerciŽle investeringen een lage voorkeur hadden. De regering Thatcher heeft daarom de hypotheekaftrek bevroren (inmiddels is door de inflatie de hypotheekaftrek vrijwel nihil geworden) en de belasting op kapitaalwinst verlaagd. Supply-siders menen dat een zelfde marktverstoring bestaat op de Nederlandse huizenmarkt.

5. Supply-siders en overheidsuitgaven

Velen van jullie zullen bij het lezen van deze les al opgemerkt hebben dat er een reden is waarom overheden belasting heffen. Met de opbrengst van deze belastingen bieden zij immers allerlei diensten aan die de samenleving nodig heeft. Supply-siders zullen niet ontkennen dat de samenleving deze diensten nodig heeft, maar zij vragen zich af, of de overheid deze diensten aan zou moeten bieden... en of belasting betalen de beste manier is om hiervoor te betalen.

Vraag 8.
Je gaat met een vriendin naar een winkel. Jij bent student en zij werkt. Jullie kiezen beiden exact dezelfde producten en gaan daarmee naar de kassa. Wat betalen jullie bij de kassa?


Supply-siders vinden dat wat je verdient geen goede standaard kan zijn voor wat je moet betalen. Waarom zou dat, wat je als 'normaal' beschouwt in je dagelijkse transacties, niet ook kunnen gelden voor die diensten die je verwacht van de centrale autoriteiten.


Vraag 9.

In de jaren tachtig klaagden de mensen in Moskou dikwijls over het zeer slechte functioneren van het lokale telefoonnetwerk. Was dit omdat...


Supply-siders zijn van mening dat diensten betaald met belastinggeld irrelevant zijn. Prijzen hebben namelijk ook een allocatieve functie. Het voorbeeld hierboven illustreert het effect van een ongeprijsd product. Er is geen stimulans om efficiŽnter om te gaan met het gebruik ervan. Stel je eens voor wat hun argument betekent in het geval van lage gasprijzen voor de glastuinbouw. Waarom proberen we het klimaat van Spanje in het Westland na te bootsen, in een tijd waarin de overheid energie wil besparen?


Vraag 10.

Je gaat met je vriendin naar dezelfde winkel. Je kent het systeem bij de kassa. Je staat bij de fruitafdeling en men vertelt je dat je appels kunt krijgen zoveel je wilt, maar geen pruimen. En als je geen appels wilt, dan hoeft dat natuurlijk niet, maar je moet er wel voor betalen bij de kassa of je ze nu neemt of niet. Dit soort regels komt overal in deze winkel voor. Vind je dit vreemd?


Supply-siders stellen dat de overheid keuzes voor je maakt, die je niet perse zelf zou maken, en je ervoor nog betalen ook, of je er nu gebruik van maakt of niet. Bovendien menen zij dat overheden je beletten om je eigen keuzes te maken. De bekende monetarist (en supply-sider) Milton Friedman vond dat dit ook het geval was in het openbaar onderwijs in de VS. Het schoolsysteem daar schiet tekort, maar ouders mogen hun kinderen niet naar een andere openbare school sturen, en moeten dus toch gebruik maken van de slechte school. Kijk eens op hun website. Wat wij zien als een welvaartsstaat, wordt door hen vaak gezien als een 'nanny state'. Misschien vinden we het aanbod van overheidsdiensten in de VS wel afschrikwekkend weinig, maar aan de andere kant zijn we misschien ook wel geschokt over het niveau van overheidsinterventie in Zweden, voordat het systeem daar af begon te brokkelen.

6. Supply-siders en monopolies

Een van de redenen waarom supply-siders de overheidsuitgaven aanvallen is omdat overheden vaak monopolisten zijn in de diensten die zij aanbieden. En monopolisten hebben geen last van concurrentie. Hierdoor is de stimulans om zo efficiŽnt mogelijk te werken kleiner voor hen. Een monopolist uit de private sector kan het aanbod manipuleren en winsten maximaliseren. Een overheid kan dit ook, maar zij heeft als extra voordeel dat zij de publieke kas kan plunderen om verliezen af te dekken.

Vraag 11.
Sabena Airlines heeft te veel personeel in dienst en het personeel krijgt teveel betaald. Bovendien heeft het een slechte reputatie bij de meeste reizigers. Het heeft in slechts twee van de 75 jaar van zijn bestaan winst gemaakt en nu maakt het opnieuw verlies. Is jouw reactie:


InefficiŽnte, zwaar gesubsidieerde "nationale luchtvaartmaatschappijen" met teveel mensen in dienst werken als een rode lap op een stier voor supply-siders. Ze willen beperkingen op de subsidies (een beleid dat de EU ook steunt) en een 'open-skies' beleid (dat wil zeggen een beleid dat de beperkingen op het gebruik van nationale luchthaven opheft). In de jaren zestig dachten supply-siders daarbij ook aan de elektriciteit, telecommunicatie, post, trein, transport etc. Hun oplossing was privatisering en concurrentie. De meeste ontwikkelde landen hebben dit beleid voor een groot deel uitgevoerd. Supply-siders zouden stellen dat scholen, universiteiten, ziekenhuizen, gevangenissen en delen van de politie erop vooruit zouden gaan als ze op dezelfde manier zouden worden aangepakt!

Vraag 12.
In de Middeleeuwen waren in de meeste steden gilden dominant. Zij hadden controle over de toegang tot de handel en de uitoefening van beroepen. Zij onderhandelden collectief (en exclusief) namens hun leden en verschaften hen verschillende privileges. Wat denk jij hiervan?

 

Supply-siders hekelden de monopoliepositie van vakbonden. Deze monopoliepositie ten aanzien van salarisonderhandelingen stimuleerde inflatie, hun restrictieve praktijken belemmerden innovatie en hun privileges (met name ten opzichte van het ontslaan van werknemers) dreven de kosten omhoog. De sterkste aanval op de vakbonden in een democratische samenleving kwam van Margaret Thatcher in het Verenigd Koninkrijk in de jaren tachtig. Hoewel velen haar nu zien als een lichtelijk gestoorde rechtse fanatica, is het interessant dat de nieuwe Labour-regering geen enkele van haar belangrijkste wetten op het terrein van arbeidsrecht heeft teruggedraaid. Zij schafte onder meer de volgende praktijken af:
A. "The closed shop" (dat wil zeggen, het verbieden van het inhuren van werknemers die geen vakbondslid zijn).
B. Het staken zonder dat alle vakbondsleden hierover hun stem hadden uitgebracht (de meeste stakingen werden uitgeroepen door middel van een stemming van enkel de aanwezige leden op een vergadering).
C. "Mass picketing" (dat wil zeggen, het blokkeren van de toegang tot de werkplaats door middel van demonstraties, opdat er geen andere werknemers ingehuurd kunnen worden om de stakers te vervangen).
D. "Secondary picketing" (dat wil zeggen, het niet alleen blokkeren van de toegang tot je eigen werkplaats, maar ook de toegang tot de werkplaats van de leveranciers).

Het volgende doelwit van de supply-siders zijn de comfortabele rechten en privileges van de (minder militante) Duitse vakbonden.

SAMENVATTING

Tot slot zetten we de belangrijkste concepten uit dit hoofdstuk nog even op een rijtje:

  • Supply-side beleid
  • Laffer-curve
  • Effect van belastingen en uitkeringen op werkgelegenheid
  • Effect van belastingen op spaargedrag en investeringen
  • Effect van overheidsuitgaven
  • Effect van overheidsmonopolies

[NAAR HFST 7]  -  [NAAR INHOUDSOPGAVE]   -  [NAAR HFST 9]


E-mail: L.J.Touwen @hum.leidenuniv.nl
Last update: 11 oktober 2018