Universiteit Leiden - Opleiding Geschiedenis - Economie online

Hoofdstuk 7: Monetair beleid


Inleiding

In het vorige hoofdstuk hebben we gezien dat het fiscaal beleid de economie probeert te stabiliseren via veranderingen in de omvang van de belastinginkomsten en de overheidsuitgaven. We hebben ook gezien dat het fiscaal beleid in de praktijk een aantal problemen met zich meebrengt. Deze problemen hebben ervoor gezorgd dat het gebruik van het fiscale instrument steeds minder populair is geworden. Maar betekent dit nu dat de overheid niet goed in staat is de economie te stabiliseren? Dit hoeft niet noodzakelijk het geval te zijn. De overheid beschikt namelijk nog over een ander instrument om het verloop van de economie te beÔnvloeden: het monetair beleid.

Het verschil tussen het fiscaal beleid en het monetair beleid kan wellicht het beste als volgt worden omschreven. Bij het fiscaal beleid probeert de overheid het verloop van de economie direct te beÔnvloeden. Belastingen en overheidsuitgaven hebben immers een rechtstreeks effect op het inkomen en de productie. Het monetair beleid beÔnvloedt het inkomen en de productie daarentegen indirect. Ze doet dit door de hoeveelheid geld die in omloop is in de economie (de geldhoeveelheid) te beÔnvloeden.

Het monetair beleid houdt zich dus bezig met geld. Voordat we gaan kijken naar hoe het monetair beleid werkt, is het daarom nuttig om eerst eens te onderzoeken wat geld nu precies is.


7.1 De evolutie van geld

Wat is de belangrijkste uitvinding aller tijden geweest? Meestal wordt deze vraag beantwoord met stokoude uitvindingen als het wiel en het vuur. Vreemd genoeg wordt zelden verwezen naar de uitvinding die onze moderne samenleving kenmerkt - geld. Bedenk maar eens bij hoeveel aankopen je de afgelopen 24 uur betrokken bent geweest. Je bent waarschijnlijk naar de supermarkt gegaan, hebt een krant gekocht, koffie gehaald en misschien je huur betaald. Elk van deze transacties heeft zo soepel kunnen verlopen doordat er geld in het spel was. Zonder geld zouden deze aankopen niet mogelijk zijn geweest - of in ieder geval een stuk moeilijker.

Het belang van geld voor onze economie kunnen we het beste begrijpen door te kijken naar de verschillende functies die geld heeft. Allereerst is geld een betaalmiddel. Dit is de belangrijkste functie van geld: een groenteman die op zoek is naar een brood hoeft niet eerst een bakker te vinden die toevallig appels nodig heeft. Hij kan gewoon naar de dichtstbijzijnde bakkerij stappen en betalen met een gemeenschappelijk betaalmiddel - geld. Deze functie als betaalmiddel brengt overigens wel een voorwaarde met zich mee: geld moet waardevol zijn. De groenteman komt natuurlijk niets verder wanneer de bakker zijn geld niet accepteert. Pas wanneer een goed waardevol is zal iedereen het willen aannemen en kan het als een gemeenschappelijk betaalmiddel (geld) dienen.

Hiernaast is geld een rekeneenheid. Wanneer de groenteman kan afrekenen met geld hoeft hij niet met de bakker te onderhandelen over hoeveel appels ťťn brood waard is. Hij weet gewoon dat een brood twee euro kost, net zoals de bakker weet dat een kilo appels twee euro kost. Kortom, doordat alle goederen zijn uitgedrukt in geldeenheden zijn prijsvergelijkingen mogelijk. Ook dit brengt een vereiste met zich mee: geld moet goed deelbaar zijn, zodat je er makkelijk mee kunt rekenen.

Ten slotte is geld een bewaarmiddel. Geld is naast een betaalmiddel en rekeneenheid ook een goed dat men kan bezitten. Het hoeft dus niet meteen worden uitgegeven, maar kan ook worden bewaard. Dit is het idee van sparen: geld dat vandaag niet wordt uitgegeven blijft over voor morgen. Dit vereist dat geld duurzaam is. Een goed kan pas dienen als bewaarmiddel wanneer het zijn waarde in de toekomst blijft behouden. Dit is een van de redenen waarom inflatie zo'n probleem kan zijn: wie zal zijn geld willen bewaren wanneer het in de toekomst minder waard is dan nu?

Toen onze voorouders eeuwen geleden de voordelen inzagen van een monetair systeem (een economisch systeem gebaseerd op geld in plaats van goederenruil), kwam de volgende vraag centraal te staan: welk goed kon het beste de drie functies van geld vervullen? Eťn goed kreeg uiteindelijk de voorkeur boven alle andere goederen: goud. Goud werd overal ter wereld als zeer waardevol beschouwd, waardoor het ook overal ter wereld de functie van algemeen betaalmiddel kon vervullen. Bovendien was goud zeer duurzaam, waardoor het de functie van bewaarmiddel kan vervullen. Ook kon goud makkelijk worden gebruikt als rekeneenheid. De 'uitvinding' van gouden muntstukken kan worden gezien als de eerste stap op weg naar ons moderne monetaire systeem.

 

Vraag 1: De eigenschappen die goud geschikt maakten voor zijn rol als geld, waren zijn waarde, duurzaamheid en deelbaarheid. Een eigenschap van goud is dat het een robuust, stevig, roestvrij, maar relatief zwaar metaal is. Zal deze eigenschap goud meer of minder geschikt hebben gemaakt als geld?

Goud kon goed de drie functies van geld vervullen, maar bracht wel een aantal praktische problemen met zich mee: grote hoeveelheden goud waren bijvoorbeeld moeilijk te vervoeren. Dit praktische nadeel van goud zou eeuwen later indirect leiden tot een tweede belangrijke innovatie: de uitvinding van het papiergeld. Het leuke hieraan is dat deze ontwikkeling min of meer 'toevallig' heeft plaatsgevonden. De uitvinding van het papiergeld was slechts een toevallig bijproduct van een poging van handelaren om hun goud veilig op te slaan.

In het ItaliŽ van de middeleeuwen had de opkomende handelsklasse in toenemende mate behoefte aan een plaats waar zij hun voorraden goud konden opslaan. De meest voor de hand liggende opslagplaats was natuurlijk die met het beste beveiligingssysteem. Maar waar kon indertijd nu het beste beveiligingssysteem worden gevonden? Heel simpel: in de kluis van de goudsmid. Wanneer handelaren hun goud opsloegen in de kluis van de goudsmid, kregen zij een waardepapier waarop stond hoe groot het bedrag was dat zij hadden gestort.

Deze waardepapieren zouden zich ontwikkelen tot het eerste papiergeld. Wat gebeurde er nu? Wanneer een handelaar iets wilde kopen kon hij twee dingen doen. Hij kon zijn waardepapier gebruiken om zijn goud op te halen bij de goudsmid, of hij kon zijn waardepapier overdragen aan de verkoper en hem het goud laten ophalen. De tweede optie was natuurlijk veel populairder: steeds wanneer iemand moest betalen ging hij niet zijn zak goud ophalen, maar droeg hij gewoon zijn waardepapier over. Een waardepapier kon immers veel makkelijker worden meegenomen dan een zak goud. Op dit moment was het eerste papiergeld ontstaan: doordat het waardepapier werd gebruikt als algemeen aanvaard betaalmiddel was het geld geworden.

Van papiergeld was het nog maar een kleine stap naar de laatste halte op weg naar ons moderne monetaire systeem: de uitvinding van de banklening. Ook deze doorslaggevende stap in de evolutie van ons moderne geld was overigens geen 'bewuste' uitvinding. Waar papiergeld slechts het bijproduct was van een poging om goud veilig op te slaan, was bankkrediet niets meer dan het bijproduct van een geslaagde poging tot oplichterij!

Nadat de waardepapieren van de goudsmeden werden gebruikt als papiergeld, merkte de goudsmid al snel dat het goud in zijn kluis nog maar zelden werd opgehaald. Hierdoor zag de goudsmid een gelegenheid om winst te maken: wat als hij nu eens meer waardepapieren in omloop ging brengen dan hij in goud kon terugbetalen? Omdat het goud toch nog maar zelden werd opgehaald zou niemand dit merken. Met een simpele strook van de pen kon de goudsmid hierdoor geld maken: zijn waardepapieren werden immers geaccepteerd als betaalmiddel.

Als een goede handelaar betaamt ging de goudsmid de gecreŽerde waardepapieren vervolgens weer uitlenen. Op deze manier kon de goudsmid zijn gecreŽerde geld gebruiken om nog meer winst te maken:bij terugbetaling van de lening kon de goudsmid namelijk een bepaald bedrag aan rente in rekening brengen. Op het moment dat de goudsmid geld ging uitlenen was de moderne banklening geboren. De goudsmid werd vervolgens een bankier.

De uitvinding van de banklening wordt vaak beschouwd als de doorslaggevende stap naar ons moderne monetaire systeem. Maar waarom is dit zo belangrijk geweest? Voordat er zoiets bestond als een banklening waren er immers al voldoende andere mogelijkheden om geld te lenen. Wanneer een handelaar geld nodig had kon hij bijvoorbeeld terecht bij een andere handelaar die tijdelijk geld over had.

Er was echter een cruciaal verschil tussen een gewone lening en een banklening. Wanneer iemand een lening afsloot bij een handelaar, kreeg hij een zak goud. Wanneer dezelfde persoon een lening afsloot bij een bankier kreeg hij papiergeld. Voor de persoon die een lening afsloot maakte het geen verschil of hij nu goud kreeg of waardepapieren - hij kon met beiden immers even goed betalen. Toch was er een fundamenteel verschil: de lening van de gewone handelaar bestond immers uit bestaand geld (goud), terwijl bij de lening van de bankier sprake was van geldcreatie (er werd nieuw papiergeld gedrukt).

De uitvinding van het bankgeld had hierdoor een revolutionair effect. Voorheen was er altijd maar een beperkte hoeveelheid geld in de economie geweest. Dit belemmerde de economische vooruitgang: vaak waren nieuwe investeringen niet mogelijk omdat er niet genoeg geld voorhanden was om deze te financieren. Nu hoefde dit geen probleem meer te zijn. Wanneer een handelaar zijn onderneming wilde uitbreiden kon hij altijd bij de bank terecht. De bank kon altijd geld uitlenen: zij kon immers geld creŽren! Het gevolg van de geldcreatie: het productieniveau - het aantal goederen en diensten dat een economie kan produceren - kon sneller toenemen. Dit is het resultaat van geldcreatie: een toename van de hoeveelheid geld in de economie kan de economische groei stimuleren.

Ons huidige monetaire systeem ziet er natuurlijk niet meer helemaal hetzelfde uit als dat van de goudsmid-bankiers uit het verleden. Goud is tegenwoordig geen betaalmiddel meer. In plaats hiervan bevindt het grootste deel van ons geld zich tegenwoordig in de vorm van direct opeisbare tegoeden op onze bankrekening. Het principe van geldcreatie is echter hetzelfde gebleven. Nog steeds zijn het de banken die door middel van bankleningen geld creŽren. Nog steeds maken banken hierbij gebruik van het geld dat mensen bij hun deponeren. Hierdoor kunnen we met deze kennis in ons achterhoofd terugkeren naar waar het in dit hoofdstuk allemaal om gaat: het monetair beleid.

Vraag 2: Waarom was de uitvinding van het papiergeld zo'n belangrijke doorbraak?

Vraag 3: Wanneer ik 10.000 euro leen van een goede vriend van me en beloof hem deze lening binnen een jaar terug te betalen, is er dan sprake van geldcreatie?


7.2 Monetair beleid

In het begin van dit hoofdstuk is gezegd dat het monetair beleid het verloop van de economie beÔnvloedt door de hoeveelheid geld dat in omloop is in de economie (de geldhoeveelheid) te beÔnvloeden. Uit het voorgaande moet ongeveer duidelijk zijn geworden wat de gedachte hierachter is: door een toename van de geldhoeveelheid kan het productieniveau van een economie sneller toenemen. Wil de overheid de economie dus stimuleren, dan moet ze de groei van de geldhoeveelheid snel laten toenemen. Wil de overheid de economische groei daarentegen afremmen, dan moet ze proberen de groei van de geldhoeveelheid te vertragen (van een vermindering van de geldhoeveelheid is in de praktijk bijna nooit sprake).


In deze theoretische verhandeling gaan wij er van uit dat de overheid zorg draagt voor het geld, met ander woorden, de monetaire autoriteit is. In de moderne geÔndustrialiseerde landen wordt de monetaire autoriteit gevormd door de centrale bank. Dit is een zelfstandige instelling die weliswaar nauw contact houdt met het Ministerie van FinanciŽn, maar zelf de waarde van het geld bewaakt. Hiermee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat politici in verkiezingstijd de geldpers laten rollen om extra uitgaven te financieren, wat later tot een onverantwoorde inflatie zou kunnen leiden. In Nederland was De Nederlandsche Bank (DNB) de centrale bank, maar die rol is inmiddels overgenomen door de Europese Centrale Bank (ECB) in Frankfurt. In de Verenigde Staten is er de 'Fed' (Federal Reserve System). In de navolgende tekst besteden wij geen aandacht aan de zelfstandigheid van de Centrale Bank, die in feite degene is die de discontorente vaststelt en de geldhoeveelheid bewaakt.

7.2.1 Het probleem van kasreserves

Maar is de overheid wel in staat de geldhoeveelheid te beÔnvloeden? Uit het voorgaande is immers duidelijk geworden dat de banken geld creŽren - niet de overheid. Hierdoor zijn de banken ook verantwoordelijk voor eventuele toenamen in de geldhoeveelheid. Toch heeft de overheid wel degelijk invloed op de geldhoeveelheid. De overheid heeft namelijk ťťn belangrijk wapen om invloed uit te oefenen op de geldschepping: de kasreserves van banken.

Om het probleem van kasreserves te begrijpen kunnen we het beste eerst terugkeren naar de tijd van de goudsmid. Waarom was de goudsmid in staat geld uit te lenen? Omdat hij wist dat het goud in zijn kluis toch maar zelden werd opgehaald. Hierdoor kon hij veel meer waardepapieren in omloop brengen dan hij in goud kon terugbetalen. De nadruk ligt echter op het woord zelden. Om verschillende redenen bleef het voorkomen dat mensen hun waardepapieren gingen inwisselen voor goud. De mogelijkheid van de goudsmid om waardepapieren te creŽren werd hierdoor begrensd door de noodzaak om goud te kunnen blijven uitbetalen.

Wat zou er nu gebeuren wanneer de goudsmid ongelimiteerd waardepapieren ging uitgeven? In dat geval zou hij op een gegeven moment niet meer in staat zijn om mensen die hun waardepapieren kwamen inwisselen hun goud terug te geven. Het gevolg hiervan: een bankcrisis. Hierdoor moest de goudsmid een bepaalde verhouding aanhouden tussen de hoeveelheid waardepapieren die hij creŽerde en de hoeveelheid goud die hij bezat. Stel bijvoorbeeld dat ťťn op de tien mensen met een waardepapier naar de goudsmid kwam om goud op te halen. In dat geval moest de goudsmid minimaal tien procent van zijn tegoeden in de vorm van goudreserves aanhouden.

De mogelijkheid van banken om geld te creŽren is dus niet ongelimiteerd. Ook onze moderne banken moeten een bepaald percentage van hun tegoeden in kasreserve aanhouden. Maar waarom is dit zo belangrijk? Omdat banktegoeden die worden aangehouden in kasreserve niet kunnen worden uitgeleend. Wanneer iemand 10.000 euro naar de bank brengt en de bank besluit om 20 procent van dit tegoed in kasreserve aan te houden, kan slechts 8.000 euro meteen weer worden uitgeleend. Besluit de bank om zijn kasreserve te verlagen naar 10 procent, dan kan 9.000 euro meteen weer worden uitgeleend.

Het geld dat op de rekening bij de bank staat telt zelf ook mee als geldhoeveelheid, het kan immers worden opgevraagd (bij tijdelijke tekorten leent de bank zelf even bij de centrale bank). Als 10.000 euro wordt gestort en 8.000 euro wordt uitgeleend (bij een reserve-ratio van 20%) is de geldhoeveelheid toegenomen tot 18.000, namelijk van 10.000 naar 10.000 + 8.000." Maar er gebeurt nog meer: de 8.000 euro kan opnieuw door een klant bij een andere bank worden gedeponeerd, en zal dan leiden tot 6.400 euro extra geldschepping (dit is 80% van 8.000, want de tweede bank moet zich ůůk aan de reserveratio van 20% houden). En deze 6.400 euro kan bij een derde bank worden geplaatst, etc, etc! Uiteindelijk zal de totale geldhoeveelheid dankzij deze 'money multiplier' toenemen met een factor 5, dus tot 50.000 euro. Als de reserveratio lager is, is deze geldmultiplier hoger: een reserveratio van 10% laat de uiteindelijke geldhoeveelheid toenemen met een factor 10. Dan kan een inleg bij de eerste bank van 10.000 euro uiteindelijk leiden tot een toename van de geldhoeveelheid van 100.000 euro."

De mogelijkheden van banken om geld te creŽren hebben dus een negatieve (omgekeerde) relatie met de hoogte van de kasreserves. De mogelijkheden van banken om geld te creŽren neemt toe wanneer zij het percentage van hun tegoeden dat zij in kasreserve aanhouden verlagen. De mogelijkheden van banken om geld te creŽren neemt af wanneer zij het percentage van hun tegoeden dat zij in kasreserve aanhouden verhogen.


Vraag 4: Wat is een kasreserve?

 

Vraag 5: Stel dat de grootste banken in Nederland plotseling een groter deel van hun tegoeden in kasreserve gaan aanhouden. Wat voor effect zal dit hebben op de economische groei?

7.2.3 Instrumenten van monetair beleid

Hoe kan de overheid nu invloed uitoefenen op de geldhoeveelheid? Door de negatieve relatie tussen de omvang van de kasreserves en de mogelijkheden van banken om geld te creŽren. De overheid heeft in totaal drie instrumenten om de groei van de geldhoeveelheid af te remmen of te stimuleren. Elk van deze drie instrumenten werkt via de kasreserves.

Een eerste instrument is de banken simpelweg verplichten een bepaald minimumpercentage van hun tegoeden in de vorm van reserves aan te houden. Dit minimumpercentage staat bekend als de verplichte reserveratio - de verhouding tussen de kasreserve het totale tegoed van de banken. Wanneer de overheid de economie wil stimuleren kan zij de verplichte reserveratio verlagen. Hierdoor zullen banken minder kasreserves hoeven aan te houden en kunnen zij meer geld lenen. Wanneer de overheid de economie wil afremmen kan zij de verplichte reserveratio verhogen. Banken zullen dan meer kasreserves moeten aanhouden en minder kunnen uitlenen.

Een tweede en veel vaker gebruikt overheidsinstrument is de open-markttransactie. Net zoals je op de kapitaalmarkten aandelen kunt kopen, is het ook mogelijk om overheidsobligaties te kopen. Overheidsobligaties zijn een soort schuldbekentenissen van de overheid. Stel dat iemand een overheidsobligatie van fl. 10.000 met een looptijd van een jaar koopt. De overheid belooft hem dit bedrag dan na een jaar terug te betalen, aangevuld met een bepaald bedrag aan rente. Deze overheidsobligaties geeft de overheid de mogelijkheid om de geldhoeveelheid te reguleren.

Stel bijvoorbeeld dat de overheid de economie wil afremmen. In dat geval zal zij overheidsobligaties gaan verkopen. Deze overheidsobligaties zullen bijvoorbeeld worden opgekocht door beleggers (denk aan grote institutionele beleggers zoals de pensioenfondsen, maar het kunnen ook particulieren zijn). Hierdoor nemen de tegoeden van banken af: de beleggers zullen immers betalen met het geld van hun bankrekening. Dit geld 'verdwijnt' vervolgens in de kluis van de overheid. Doordat de tegoeden van banken afnemen kunnen zij ook minder uitlenen. De geldhoeveelheid zal minder snel groeien.

Wanneer de overheid de economie vervolgens wil stimuleren moet zij de overheidsobligaties gewoon weer gaan terugkopen. De tegoeden van banken zullen toenemen, waardoor zij weer meer kunnen uitlenen. De geldhoeveelheid en de economie kunnen hierdoor sneller groeien.

Een derde en laatste overheidsinstrument is de discontorente. De discontorente is misschien wel het meest gebruikte middel van de overheid om de economie te beÔnvloeden - mede doordat het vaak in combinatie met ťťn van de twee andere overheidsinstrumenten wordt gebruikt. Tegelijkertijd is dit rente-instrument enigszins een vreemde eend in de bijt. Waar de verplichte reserveratio en de open-markttransactie een direct effect hebben op de geldhoeveelheid, heeft de discontorente namelijk vooral een indirecte rol.

De gedachte hierachter is zeer eenvoudig. Wanneer iemand een lening afsluit moet hij bij terugbetaling van deze lening eveneens een bepaald bedrag aan rente betalen. De hoogte van dit bedrag hangt af van het rentepercentage. Stijgt het rentepercentage dan moet men dus meer geld terugbetalen: de kosten van het lenen van geld nemen toe. Daalt het rentepercentage dan moet men minder geld terugbetalen: de kosten van het lenen van geld nemen af. Hierdoor wordt rente ook wel eens de prijs van geld genoemd: het bepaalt hoe hoog de kosten zijn van het lenen van geld.

 

Vraag 6: Stel dat iemand een lening van 100.000 euro wil afsluiten. Vlak voordat hij de lening afsluit verhoogt de bank het rentepercentage met 2 procent per jaar. Met hoeveel euro neemt de prijs van geld toe?

 

Maar hoe kan de discontorente er nu voor zorgen dat banken meer of minder leningen afsluiten? Bij het antwoord op deze vraag komen we weer uit bij de kasreserve. Omdat banken zoveel mogelijk winst willen maken zullen zij voortdurend zoveel mogelijk leningen willen uitzetten. Hierdoor kan het wel eens voorkomen dat zij tijdelijk niet aan hun verplichte reserve-ratio voldoen: ze hebben teveel leningen afgesloten in verhouding tot hun kasreserves.
Wanneer een bank tijdelijk niet voldoet aan zijn verplichte reserveratio kan de overheid haar geld voorschieten: in dat geval 'leent' de bank geld van de overheid. Natuurlijk zal de bank over deze 'lening' ook rente moeten betalen: de discontorente.

Wanneer de overheid overgaat tot een verandering in de discontorente geeft zij een signaal af aan de banken. Wanneer de overheid de discontorente verhoogt geeft zij aan dat banken voorzichtiger moeten zijn bij het sluiten van leningen. Zij kunnen hun verplichte reserveratio maar beter niet overschrijden, omdat hen dit door de hogere discontorente meer geld zal gaan kosten. Een verlaging van de discontorente is daarentegen juist een aanmoediging voor banken om meer leningen af te sluiten. Komen zij in de problemen met hun verplichte reserveratio, dan kunnen zij immers goedkoop krediet krijgen bij de overheid.

(In de praktijk wordt er onderscheid gemaakt tussen lange en korte rente bij de banken. De korte rente is direct gekoppeld aan de disconto-rente, de lange rente (bijv. de hypotheek-rente) niet. Om deze reden heeft een verhoging van de disconto-rente geen eenduidig effect.)

De discontorente heeft hierdoor vooral een symbolische functie. Wanneer de discontorente wordt verhoogd weten banken dat de overheid de groei van de geldhoeveelheid wil afremmen. Banken zullen hierdoor minder gaan uitlenen. Wanneer de discontorente wordt verlaagd weten banken dat de overheid naar een snellere groei van de geldhoeveelheid streeft. Ze voelen zich weer vrij om zoveel mogelijk te gaan uitlenen.


Vraag 7: Stel dat de Nederlandse overheid plotseling overgaat tot een massale verkoop van overheidsobligaties. Zullen banken hierdoor meer of minder kunnen uitlenen en welk effect zal dit hebben op de economische groei?

 

Vraag 8: Stel dat de overheid de economie wil stimuleren. Moet zij de verplichte reserveratio dan verlagen of verhogen?

 

Vraag 9: Stel dat de overheid overgaat tot een verkoop van overheidsobligaties en deze maatregel wil versterken met het instrument van de discontorente. Moet de overheid de verkoop van overheidsobligaties dan aanvullen met een verhoging of verlaging van de discontorente?

 

Vraag 10: Stel dat de overheid nu eens twee instrumenten gezamenlijk wil gebruiken om de geldhoeveelheid te beÔnvloeden. Stel bijvoorbeeld dat het de overheid een verlaging van de verplichte reserveratio wil combineren met een verandering van de discontorente. Wanneer zal een maatregel van het reserve-instrument de verlaging van de verplichte reserveratio versterken?


7.3 Problemen met monetair beleid

De overheid is dus in staat de geldhoeveelheid te beÔnvloeden. Wanneer de overheid de geldhoeveelheid sneller wil laten groeien kan zij de verplichte reserveratio of de discontorente verlagen, of obligaties terugkopen. Wanneer de overheid de groei van geldhoeveelheid wil vertragen kan zij de verplichte reserveratio of de discontorente verhogen, of nieuwe obligaties verkopen.

Het monetair beleid is in theorie een heel effectief instrument om de economie te beÔnvloeden. Wanneer de overheid de economie wil stimuleren kan zij de geldhoeveelheid gewoon vergroten. Wil zij de economie afremmen dan kan zij de geldhoeveelheid verkleinen. In het hoofdstuk over fiscaal beleid is echter al gebleken dat maatregelen die in theorie heel goed lijken te werken in de praktijk grote problemen met zich mee kunnen brengen. Helaas is dit bij het monetair beleid ook het geval. Het monetair beleid brengt in de praktijk twee problemen met zich mee.

Ten eerste vormt het probleem van timing dat ook in het hoofdstuk over fiscaal beleid werd genoemd een groot probleem. Soms kunnen maatregelen van het monetair beleid pas na een jaar effect hebben. In dat geval kunnen de maatregelen wel eens procyclisch werken.

Het tweede probleem van het monetair beleid is nog veel ernstiger. Inmiddels is al meerdere malen gezegd dat het monetair beleid de economie stimuleert of afremt door veranderingen in de geldhoeveelheid. Maar wat als veranderingen in de geldhoeveelheid nu eens niet het gewenste effect hebben? Veel economen hebben grote twijfels bij de mogelijkheid om door veranderingen in de geldhoeveelheid de economische groei te stimuleren of te temperen. Volgens hen heeft het monetair beleid geen of niet het juiste effect op de economie.

Dit probleem met het gewenste effect van het monetair beleid kan het beste worden uitgelegd aan de hand van de verkeersvergelijking van Fischer. Deze verkeersvergelijking van Fischer geeft een dieper inzicht in de rol van geld in de economie.


7.3.1 De verkeersvergelijking van Fischer - Revisited (zie ook Hoofdstuk 4)


Vraag 11: In een groot land ergens in Europa drinken de mensen enorm veel dure wijn. Stel nu dat een fles wijn in dit land 20 euro kost. In totaal hebben de mensen in dat land vorig jaar 10 miljoen flessen gekocht. Hoe groot is de totale waarde van het aantal verhandelde wijnflessen in dat jaar geweest?

 

Vraag 12: Stel dat in Nederland vorig jaar in totaal 4 miljard verschillende goederen zijn verhandeld. Het ging hierbij om allerlei goederen (van auto's tot speelgoed). De gemiddelde prijs van deze goederen is 200 euro geweest. Hoe groot is dan de totale waarde van de verhandelde goederen geweest?


Wat heb je bij het antwoord op deze vragen nu precies uitgerekend? Heel simpel:
Dat de waarde van het aantal verhandelde goederen gelijk is aan de gemiddelde prijs van het aantal goederen (P) maal het aantal goederen dat is verhandeld (T).

In feite heb je het rechterdeel van de verkeersvergelijking van Fischer uitgerekend:
De waarde van verhandelde goederen = P x T

Laten we nu eens kijken hoe het linkerdeel van de verkeersvergelijking van Fischer eruit ziet.

Vraag 13: De geldomzet was in Nederland vorig jaar 800 miljard euro. Stel nu dat in datzelfde jaar een geldhoeveelheid van 200 miljard euro aanwezig was. Hoe vaak moet elke euro gemiddeld dan van eigenaar zijn verwisseld om een geldomzet van 800 miljard te krijgen?

 

Vraag 14: Stel nu dat Nederlanders in dat jaar niet voor 200 miljard aan bankbiljetten, munten en banktegoeden bezaten, maar voor 800 miljard. Hoe vaak zou elke euro dan van eigenaar moeten worden verwisseld als de geldomzet hetzelfde blijft?


Het linkergedeelte van de verkeersvergelijking van Fischer ligt misschien minder voor de hand, maar is in feite net zo simpel als het rechtergedeelte. Het geld dat we in ons bezit hebben blijft vaak niet lang in onze portemonnee of op onze bank: het grootste deel van het geld dat we bezitten geven we direct weer uit. De rijksdaalder die ik in mijn portemonnee heb kan door het kopen van een kop koffie terechtkomen bij een cafť-eigenaar. Deze kan de rijksdaalder weer uitgeven aan het kopen van een brood bij de bakker, enzovoorts. Hetzelfde gaat op voor het geld op mijn bankrekening. Wanneer ik het geld op mijn bankrekening gebruik om mijn huur te betalen, kan de huiseigenaar dit geld weer uitgeven om boodschappen te halen, enzovoorts.

Het aantal malen dat een euro gemiddeld wisselt van eigenaar noemen we de gemiddelde omloopsnelheid van geld. Deze term wordt vaak afgekort met de letter V (van Velocity).

Wat hebben we in de vorige twee vragen nou uitgerekend? Simpelweg dat:
De geldomzet gelijk is aan de hoeveelheid geld in de economie (M) maal de gemiddelde omloopsnelheid van het geld (V).

Het linkerdeel van de verkeersvergelijking van Fischer is dus:
De geldomzet = M x V

De verkeersvergelijking van Fischer bestaat uit twee delen: een gedeelte dat de geldomzet weergeeft en een gedeelte dat de waarde van verhandelde goederen weergeeft. De vergelijking geeft aan dat de geldomzet (M x V) altijd gelijk is aan de waarde van verhandelde goederen (P x T). Wat in een economie wordt uitgegeven (M x V) is gelijk aan wat in een economie wordt ontvangen (P x T).

Volledig uitgeschreven luidt de verkeersvergelijking van Fischer als volgt: M x V = P x T

Beantwoord de volgende vragen met behulp van de verkeersvergelijking.

Vraag 15: Stel dat de hoeveelheid geld (M) dat vorig jaar in Nederland aanwezig was 100 miljard bedroeg. De gemiddelde omloopsnelheid was 5. Hoe groot zal de geldomzet in dat jaar zijn geweest?

 

Vraag 16: Hoe groot zal de totale waarde van de verhandelde goederen in dat jaar zijn geweest?

Vraag 17: Stel nu dat de geldhoeveelheid in het daaropvolgend jaar toeneemt tot 120 miljard. De geldomzet neemt hierdoor toe tot 600 mld. Wat zou er nu gebeuren met de waarde van de verhandelde goederen?

 

Vraag 18: Kortom, wat voor effect heeft een vergroting van de geldhoeveelheid op de prijzen en het aantal verhandelde goederen?

 

Waarom is de verkeersvergelijking van Fischer nu zo belangrijk? Waarom is het zo belangrijk om te weten dat M x V = P x T ? Omdat we op deze manier kunnen bestuderen wat het effect van een vergroting of verkleining van de geldhoeveelheid op de economie is. Eťn van de variabelen in de verkeersvergelijking van Fischer is de letter M en deze staat immers voor de geldhoeveelheid. Hierdoor kunnen we bekijken wat het effect is van een verandering in M op de andere onderdelen van de economie: de prijzen (P) en het aantal verhandelde goederen (T).

Om terug te keren naar het onderwerp van dit hoofdstuk: wanneer we weten wat het effect is van een verandering in M, weten we ook welk effect het monetair beleid op de economie kan hebben. In de praktijk zijn er twee belangrijke visies op het effect van het monetair beleid: die van de monetaristen en die van de keynesianen.


7.3.2 De monetaristen en het monetair beleid

Aan het eind van het vorige hoofdstuk is al vermeld dat de monetaristen van mening zijn dat het monetair beleid een groot effect kan hebben op de economie. De monetaristen onderscheiden zich van andere economen door het grote belang dat zij toekennen aan de rol van geld in de economie. Nobelprijswinnaar Milton Friedman verwoordde het monetaristische standpunt simpelweg als volgt: "money matters".

Toch betekent dit niet dat monetaristen van mening zijn dat de overheid het monetair beleid moet gebruiken om het cyclische verloop van de economie tegen te gaan. Sterker nog, de monetaristen verzetten zich falikant tegen elke poging van de overheid om de geldhoeveelheid te veranderen! Waarom zijn de monetaristen tegen het gebruik van het monetair beleid als dit zo'n groot effect kan hebben op de economie? Omdat dit effect volgens de monetaristen destabiliserend zal zijn.

De gedachtegang van de monetaristen kan als volgt worden verklaard. Kijk wederom naar de verkeersvergelijking M x V = P x T.

Vraag 19: We keren weer terug naar het voorbeeld in de vorige vraag. Het linkerdeel van de verkeersvergelijking steeg omdat M toenam. Hierdoor moest de rechterkant van de vergelijking ook toenemen: een stijging van P en/of T dus. Stel nu dat we wisten dat T niet zou veranderen. Wat zou er dan gebeuren?

 

Vraag 20: Wat is het resultaat van een vergroting van de geldhoeveelheid dus als T niet verandert?


Waarom hebben maatregelen van monetair beleid volgens de monetaristen een destabiliserend effect op de economie? Omdat T en V volgens de monetaristen niet zullen veranderen! De monetaristen hebben een groot vertrouwen in de werking van vraag en aanbod. Gegeven de productiecapaciteit kan de hoeveelheid verhandelde goederen niet veranderen. Evenmin geloven de monetaristen dat de omloopsnelheid van het geld zal veranderen.

In de laatste twee vragen hebben we al gezien wat het resultaat van een toename van de geldhoeveelheid is wanneer T en V vaststaan: inflatie. Wanneer T en V vaststaan, leidt een verandering van M alleen maar tot een verandering van P.

Dit betekent overigens niet dat de geldhoeveelheid volgens de monetaristen niet mag toenemen. Integendeel, zolang de groei van de geldhoeveelheid maar gelijke tred houdt met de groei van de productiecapaciteit is er niets aan de hand. Het niveau van de productie bepaalt namelijk hoeveel goederen worden verhandeld. Wanneer de productiegroei in een bepaald jaar 3 procent bedraagt, zal het aantal verhandelde goederen (T) ook met drie procent groeien. Hierdoor zal de geldhoeveelheid vanzelf ook met drie procent groeien (denk maar weer verkeersvergelijking: stijgt het ene deel, dan stijgt het andere deel ook!).

Pas wanneer de overheid zich met de omvang van de geldhoeveelheid gaat bemoeien, gaat het mis. Zorgt de overheid ervoor dat de geldhoeveelheid met meer of minder dan drie procent groeit, dan zullen de prijzen toenemen (inflatie) of dalen (deflatie). Het monetair beleid kan hierdoor alleen maar voor destabilisatie zorgen. Volgens de monetaristen moet de overheid dan ook maar ťťn ding doen: zich nergens mee bemoeien.

Volgens de monetaristen werken maatregelen van monetair beleid destabiliserend: zij kunnen alleen maar voor prijsveranderingen zorgen

7.3.3 De keynesianen en het monetair beleid

De keynesianen zijn het niet eens met de opvatting van de monetaristen over overheidsingrijpen. Volgens hen kan de overheid wel degelijk een nuttige rol spelen. De keynesianen hebben dan ook een andere visie op de verkeersvergelijking van Fischer: volgens de keynesianen kunnen T en V wel veranderen.

De keynesianen zijn het niet eens met de veronderstelling dat de productiecapaciteit altijd volledig benut wordt. Volgens hen is het zeer goed mogelijk dat het aantal geproduceerde en verhandelde goederen (T) zich lange tijd onder het productiepotentieel bevindt. Hierdoor kan een verandering van de geldomzet (M x V) net zo goed leiden tot een verandering van T als van P. In tijden van laagconjunctuur moet de overheid de economie hierdoor stimuleren waardoor T sneller groeit. In tijden van hoogconjunctuur moet de overheid de economie afremmen waardoor P minder snel groeit.

Maatregelen van monetair beleid werken volgens de keynesianen door middel van de rentestand. Wanneer de economie zich in een laagconjunctuur bevindt moet de rente worden verlaagd. Dit maakt het goedkoper om geld te lenen, waardoor mensen makkelijker geld gaan uitgeven. Slaat de economie vervolgens om in een hoogconjunctuur, dan moet de rente worden verhoogd.

In de ogen van de keynesianen kan het monetair dus wel degelijk het juiste effect hebben op de economie. Dit betekent overigens niet dat zij van mening zijn dat het monetair beleid geen problemen met zich meebrengt. Volgens de keynesianen heeft het monetair beleid dan wel het juiste effect op de economie, zij vragen zich alleen af hoe sterk dit effect zal zijn.

Stel je maar eens voor dat de Nederlandse economie zich in een diepe recessie bevindt. De werkloosheid loopt op naar tien procent, het inkomen van mensen daalt en de economische vooruitzichten worden met de dag somberder. In een dergelijk geval zullen mensen niet snel leningen afsluiten, ook niet wanneer het door een renteverlaging goedkoper wordt om te lenen. Hierdoor vertrouwen de keynesianen liever op het helende effect van de multiplier van het fiscaal beleid. Ze zien slechts een rol voor het monetair beleid als aanvulling op maatregelen van fiscaal beleid.

Volgens de keynesianen kan het monetair beleid wel degelijk een stabiliserend effect hebben op de economie. Zij vragen zich alleen af hoe sterk dit effect zal zijn.
Let op: In minder nauwkeurig taalgebruik wordt de term 'monetaristen' gebruikt voor voorstanders van monetaire politiek (bij conjuncturele of structurele problemen) en 'keynesianen' voor voorstanders van fiscale politiek (bij conjuncturele problemen). Dit is dus strikt genomen niet geheel correct. Een keynesiaan zou anticyclisch monetair beleid kunnen voorstellen dat een monetarist zou afwijzen.

7.4 De Phillips-curve en de het natuurlijke werkloosheidsniveau

In de laatste twee hoofdstukken is duidelijk geworden dat economen flink van mening verschillen over het nut van overheidsingrijpen in de economie. Volgens de monetaristen kan de overheid zich maar beter zo weinig mogelijk met de economie bemoeien. Maatregelen van fiscaal beleid hebben toch geen effect en het monetair beleid kan alleen maar voor inflatie (of deflatie) zorgen. De keynesianen zien wel een belangrijke rol voor de overheid. Volgens hen kunnen zowel het fiscaal beleid als het monetair beleid de economie op het goede pad brengen - waarbij het fiscaal beleid de voorkeur geniet.

De grote vraag hierbij is natuurlijk: wie van de twee heeft gelijk? Kunnen overheidsmaatregelen naar gelang de economie stimuleren en afremmen, of hebben overheidsmaatregelen alleen effect op het prijsniveau? Wat in de afgelopen decennia langzaam naar voren is gekomen lijkt nog het meest op een compromis tussen beide standpunten.

Aanvankelijk leken de keynesianen het gelijk aan de kant te krijgen met de formulering van de theorie van de Phillips-curve. Deze Phillips-curve werd in 1958 geformuleerd in een artikel van de Nieuw-Zeelandse econoom A.W. Phillips. In een onderzoek naar de Britse economie tussen 1861 en 1957 ontdekte Phillips een negatieve relatie tussen het niveau van de werkloosheid en de groei van de lonen in Groot-BrittanniŽ. Economen zagen zijn artikel als de missende schakel in hun verklaring van de economie, en na een kleine aanpassing (lonen werden prijzen) werd zijn curve een van de bekendste onderdelen van de macro-economie.

De figuur beneden laat het verloop van deze Phillips-curve zien. In een jaar met hoge werkloosheid is de inflatie laag. In een jaar met lage werkloosheid is de inflatie hoog. Hierdoor is sprake van een negatieve relatie: wanneer de werkloosheid toeneemt daalt de inflatie; wanneer de werkloosheid afneemt stijgt de inflatie.

De Phillips-curve gaf volgens de keynesianen duidelijk aan wat de overheid te doen stond. Volgens hun interpretatie van de Phillips-curve kon de overheid niet tegelijkertijd de werkloosheid en de inflatie bestrijden: wanneer de ťťn toenam, nam de ander immers af. Hierdoor moest de overheid een keuze maken: ze moest zich ofwel richten op bestrijding van de werkloosheid, of op bestrijding van de inflatie.

De economische resultaten in de jaren zestig leken de interpretatie van de Phillips-curve als een langdurige trade-off tussen werkloosheid en inflatie te bevestigen. Naarmate het decennium voortschreed kregen de meeste economieŽn steeds minder werkloosheid en steeds meer inflatie. In de jaren zeventig ging het echter helemaal mis. Beleidsmakers kregen nu niet meer te maken met lagere werkloosheid in ruil voor hogere inflatie; ze werden geconfronteerd met zowel stijgende werkloosheidscijfers als een exploderend inflatiecijfer. De Phillips-curve met zijn trade-off tussen werkloosheid en inflatie was opeens verdwenen: zowel de werkloosheid als inflatie waren hoog - het probleem van stagflatie. Hoe kon dit worden verklaard?

Het waren de monetaristen die met hun theorie van aanpassende verwachtingen een antwoord gaven op deze vraag. Volgens de monetaristen bestond de trade-off tussen werkloosheid en inflatie alleen op de korte termijn. Op de lange termijn was de Phillips-curve een illusie, omdat mensen hun verwachtingen aan het beleid van de overheid gingen aanpassen.

Stel bijvoorbeeld dat mensen verwachten dat het inflatie volgend jaar drie procent zal bedragen. Dit betekent dat de prijzen van goederen volgend jaar met gemiddeld drie procent zullen gaan stijgen. Arbeiders zullen dan een loonsverhoging van drie procent gaan eisen: zij willen immers evenveel kunnen blijven kopen. Wanneer zij verwachten dat de prijzen met drie procent gaan toenemen, moeten hun lonen hierdoor ook met drie procent toenemen.

Nu gaat de overheid zich met de economie bemoeien. De overheid vindt dat de werkloosheid te hoog is en gaat deze bestrijden. Hierdoor neemt de inflatie toe: het inflatiecijfer komt door de maatregelen van de overheid niet op drie procent uit, maar op vier procent. De arbeiders werden hierdoor 'voor de gek gehouden': zij hadden maar om een loonsverhoging van drie procent gevraagd, terwijl de prijzen nu met vier procent toenamen.

Het gevolg was dat het voor ondernemingen relatief goedkoper werd om arbeiders te betalen: alle prijzen in de economie namen immers met 4 procent toe, terwijl de lonen slechts met 3 procent toenamen. Hierdoor gingen de ondernemingen meer arbeiders in dienst nemen: de reŽle kosten van arbeid waren immers met 1 procent gedaald. Het gevolg: de werkloosheid daalde.

Tot zover het verhaal van de Phillips-curve volgens de keynesianen. Maar volgens de monetaristen was het verhaal nog niet af. Immers, de arbeiders waren ook niet gek: zij gingen rekening houden met een toename van de inflatie. Stel dat de inflatieverwachting volgend jaar weer 3 procent zou bedragen. In dat geval zouden de arbeiders niet om een loonsverhoging van 3 procent, maar van 4 procent vragen! Zij hadden de mogelijkheid van een verhoging van de inflatie ingecalculeerd in hun berekeningen: hun inflatieverwachtingen waren aangepast.

Wanneer de overheid nu weer overging tot werkloosheidsbestrijding zou dit niet meer werken. De lonen zouden immers evenveel toenemen als de prijzen: de reŽle kosten van arbeid bleven even hoog waardoor de ondernemingen geen redenen hadden om meer mensen in dienst te nemen. Het gevolg: een verhoging van het inflatiecijfer zonder een gelijktijdige verlaging van het werkloosheidscijfer (er is sprake van een loon-prijs-spiraal.).

Wat kunnen we hieruit concluderen? Op de korte termijn is er een negatieve ruilvoet tussen werkloosheid en inflatie. Op de korte termijn kunnen overheidsmaatregelen dus zowel zorgen voor een stimulering van de economie als voor een toename van de prijzen. Op de lange termijn gaan de mensen hun verwachtingen echter aanpassen aan het beleid van de overheid. Op de lange termijn zorgen maatregelen van de overheid hierdoor alleen maar voor hogere prijzen.

Hieronder zie je de empirische benadering van de Phillips-curve voor Nederland in de jaren 1952-1993.



Uit: J.L. van Zanden, Een klein land in de 20e eeuw. Economische geschiedenis van Nederland 1914-1995 (Amsterdam 1997) 216.

In de jaren vijftig zie je keurig de originele Phillips-curve in de grafiek. In de jaren 1969-1975 verschoof de Phillips-curve naar rechts (stagflatie-periode), maar dat kwam in 1975 tot stilstand. Het terugdringen van de inflatie na 1975 leidde tot grote werkloosheid. Tussen 1984 en 1987 liepen zowel de inflatie als de werkloosheid terug, waarna in 1987 een nieuwe Phillips-curve begon, met een 'natuurlijk' werkloosheidsniveau (zonder de versnelde loonstijging  van een loon-prijs-spiraal), maar met een hoger werkloosheidsniveau dan de oude, gemiddeld zo'n twee keer zo hoog.


SAMENVATTING

Tot slot zetten we de belangrijkste concepten uit dit hoofdstuk nog even op een rijtje:

  • geldhoeveelheid
  • kasreserve
  • verplichte reserveratio
  • open-markttransactie
  • discontorente
  • schuldbekentenis
  • verkeersvergelijking van Fischer
  • Phillips-curve
  • stagflatie

[NAAR HFST 6]  -  [NAAR INHOUDSOPGAVE]   -  [NAAR HFST 8]


E-mail: L.J.Touwen @hum.leidenuniv.nl
Last update: 11 oktober 2018