Universiteit Leiden - Opleiding Geschiedenis - Economie online

Hoofdstuk 6: Fiscaal beleid


Inleiding

Als een economie een depressie ingaat, moet de overheid hier dan iets tegen doen? Wanneer de werkloosheid stijgt, moet de overheid dan meer banen creëren? Als de inflatie toeneemt, moet de overheid dan tegenmaatregelen nemen? Overheden hebben verschillende instrumenten om het verloop van de economie te beïnvloeden. Een hiervan is het fiscaal beleid.

Een van de belangrijkste kenmerken van de economie is dat deze een cyclisch verloop heeft. Perioden van hoge economische groei wisselen af met perioden waarin de economie slechts nauwelijks groeit, of zelfs kan krimpen. Deze schommelingen in het niveau van economische groei worden conjunctuurgolven genoemd. Een conjunctuurgolf beslaat gemiddeld zeven á negen jaar. Schematisch kan de conjunctuurcyclus als volgt worden weergegeven:



In de expansiefase nemen het nationaal inkomen en de werkgelegenheid snel toe.De economie bevindt zich in een hoogconjunctuur. Aan de expansiefase kan abrupt via een crisis een einde komen. De economie komt dan terecht in de contractiefase: het nationaal inkomen neemt nauwelijks toe en de werkgelegenheid daalt. De contractiefase kan heel snel gaan, waardoor de economie in een depressie komt. In dat geval kan het nationaal inkomen zelfs dalen (we spreken dan van negatieve economische groei). De economie bevindt zich in een laagconjunctuur.

Zowel perioden van laagconjunctuur als perioden van hoogconjunctuur zijn onwenselijk. Hoogconjunctuur kan leiden tot één van de twee grootste kwalen van de economie: hoge inflatie. Inflatie is een toename in het algemene niveau van prijzen. Een prijsstijging van een aantal goederen en diensten is dus niet genoeg om van inflatie te kunnen spreken. Terwijl dit gebeurt kunnen de prijzen van een aantal andere goederen en diensten immers afnemen, waardoor het algemene niveau van prijzen gelijk blijft. We spreken pas van inflatie wanneer het gemiddelde niveau van alle prijzen toeneemt. Dit kan voor allerlei economische verstoringen zorgen. Hierdoor vormt inflatie een van de grootste gevaren voor de economie.

Laagconjunctuur kan leiden tot de andere grote kwaal van de economie: werkloosheid.

Laagconjunctuur kan leiden tot de andere grote kwaal van de economie: werkloosheid. Dat werkloosheid een groot gevaar is voor de economie zal niemand verbazen. Wanneer mensen zonder baan zitten verdienen zij ook geen inkomen. Tegelijkertijd kunnen zij niet meehelpen aan de productie van goederen en diensten in een economie.

De overheid kan proberen zowel situaties van hoogconjunctuur als situaties van laagconjunctuur tegen te gaan. Door anticyclische maatregelen te nemen kan de overheid zowel het probleem van inflatie als het probleem van werkloosheid bestrijden. Is er weinig lucht in de ballon en vliegt deze een beetje laag, dan wil je hem opblazen. Staat de ballon daarentegen op het punt van knappen, dan wil je er lucht laten uitlopen. Hetzelfde is het geval bij de economie. Groeit de economie te traag, dan kan de overheid de groei stimuleren. Groeit de economie te snel, dan kan de overheid proberen de groei af te remmen.

Fiscaal beleid is het effect van veranderingen in overheidsuitgaven of belastingen op de economie. Wanneer de overheid de economie wil stimuleren gaat zij over tot een expansief beleid. In dat geval moet zij de overheidsuitgaven laten toenemen, zodat de bestedingen toenemen. Ook kan zij de belastingen verlagen, waardoor het besteedbaar inkomen van de bevolking stijgt en mensen meer kunnen uitgeven.

De overheid gaat over tot een restrictief beleid, wanneer zij de economie wil afremmen. In dat geval moet zij de overheidsuitgaven laten dalen, zodat de bestedingen afnemen. Ook kan zij de belastingen verhogen, waardoor het besteedbaar inkomen van de bevolking daalt en mensen minder kunnen uitgeven.

 

Vraag 1. De economie bevindt zich in een zware depressie. De economische groei is laag en de werkloosheid neemt dagelijks toe. Welke van de volgende overheidsmaatregelen is gepast?

De overheid kan door het fiscaal beleid op twee manieren het conjunctuurverloop beïnvloeden. Ze kan bewust maatregelen nemen die anticyclisch werken. Hiernaast heeft ze automatisch een stabiliserend effect op de economie. Laten we eerst eens kijken naar het automatische anticyclische effect van de overheid op de economie. Daarna bekijken we hoe de overheid zich actief met de economie kan beïnvloeden.


6.1 Automatische stabilisatoren en discreet fiscaal beleid

Vraag 2: Stel dat de economische vooruitzichten in Nederland plotseling heel somber worden. Steeds meer mensen raken hierdoor werkloos. Dit zorgt er weer voor dat veel meer mensen gebruikmaken van de sociale voorzieningen.Wat voor effect zal dit hebben op de overheidsuitgaven?


Vraag 3:
De economische vooruitzichten bleken te kloppen. De economie komt terecht in een zware depressie. Het inkomen van mensen daalt en het regent ontslagen. Wat voor effect zal dit hebben op de belastinginkomsten?


Vraag 4: Maar nu herstelt de economie zich sterk. De economische groei neemt toe, waardoor meer banen worden gecreërd en het inkomen van mensen toeneemt. Wat voor effect heeft dit op de overheidsuitgaven en de belastinginkomsten?


Het fiscaal beleid heeft door veranderingen in de overheidsuitgaven en belastingsinkomsten een stabiliserend effect op de economie. Meer overheidsuitgaven en/of minder belastinguitgaven kunnen de economie stimuleren in geval van laagconjunctuur. Minder overheidsuitgaven en/of meer belastinguitgaven kunnen de economie afremmen in geval van hoogconjunctuur. Maar ontstaat dit stabilisatie-effect alleen wanneer de overheid zich actief met de economie bemoeit? Het antwoord hierop is nee. Een aantal overheidsuitgaven en een aantal belastingen hebben automatisch een stabiliserend effect op de economie.

Een aantal belastingen stijgt automatisch wanneer de economische groei toeneemt en daalt vanzelf weer wanneer de economische groei afneemt. Hetzelfde geldt voor de overheidsuitgaven. Een aantal overheidsuitgaven daalt automatisch wanneer de economische groei toeneemt en neemt vanzelf toe wanneer de economische groei afneemt. Deze belastingen en overheidsuitgaven noemt men ook wel automatische stabilisatoren. Stabilisatoren, omdat zij anticyclisch werken. Automatisch, omdat het effect plaatsvindt zonder dat de overheid maatregelen neemt.

Belastingen die bekend staan als automatische stabilisatoren zijn de inkomens- en winstbelasting. Wanneer de economische groei toeneemt stijgt het inkomen van mensen en neemt de winst van ondernemingen toe. Hierdoor moeten zij automatisch ook meer inkomens- en winstbelasting betalen. Dit remt de groei van de economie. Het tegenovergestelde gaat op als de economische groei afneemt. Mensen en ondernemingen betalen dan automatisch minder belasting, waardoor zij meer geld overhouden. Dit heeft een stimulerend effect op de economie.

Overheidsuitgaven die bekend staan als automatische stabilisatoren zijn de sociale voorzieningen. Wanneer de economische groei afneemt gaan meer mensen een beroep doen op de sociale voorzieningen. De uitgaven van de overheid stijgen hierdoor automatisch. Dit stimuleert de economie. Neemt de economische groei nu weer toe, dan hoeven minder mensen een beroep op de sociale voorzieningen te doen. De overheidsuitgaven dalen hierdoor weer. Dit remt de groei van de economie.

Zonder ook maar enige maatregelen te hoeven nemen heeft de overheid een stabiliserend effect op de economie. Maar betekent dit nu dat de overheid zelf nooit hoeft in te grijpen om de economie op het juist pad te houden? Helaas niet. Automatische stabilisatoren kunnen alleen de omvang van conjunctuurschommelingen verminderen. Ze kunnen deze niet volledig wegnemen. Bevindt de economie zich bijvoorbeeld in een zware depressie, dan kunnen automatische stabilisatoren de economie er niet bovenop helpen. In dat geval zijn zwaardere middelen nodig.

Gelukkig kan de overheid ook actief maatregelen nemen om de economie te reguleren. Wanneer de economie bijvoorbeeld in een zware depressie terechtkomt, kan de overheid besluiten de belastingen zelf te verlagen of de overheidsuitgaven te laten toenemen. In dat geval kan de overheid bijvoorbeeld de accijnzen of de winstbelastingvoet verlagen. Ook kan ze de overheidsuitgaven laten toenemen door bijvoorbeeld meer geld uit te geven aan wegenbouw, of meer wetenschappelijk onderzoek te financieren.


Besluit de overheid om de belastingen of overheidsuitgaven zelf te veranderen, dan spreken we van discreet fiscaal beleid. Van groot belang hierbij is het multipliereffect.


Door het bestaan van automatische fiscale stabilisatoren oefent de overheid automatisch een stabiliserend effect uit op de economie. Treedt de overheid zelf actief op, dan spreken we van discreet fiscaal beleid.

6.2 De multiplier

Stel dat de overheid besluit een nieuwe fabriek te bouwen in Oldenzaal, een klein stadje gelegen aan de Duitse grens. De overheid besteedt in totaal een miljoen euro aan deze fabriek en alle werknemers van de fabriek wonen in Oldenzaal. Stel nu dat elke Oldenzaler de helft van zijn inkomen lokaal uitgeeft. Met hoeveel zal het inkomen van Oldenzaal toenemen door de bouw van de nieuwe fabriek?

Het inkomen van Oldenzaal zal in ieder geval met € 1.000.000,- toenemen. Dit is het bedrag dat de fabriekswerknemers van de overheid ontvangen. Maar dit is slechts de eerste ronde van uitgaven. De werknemers van de fabriek geven de helft van hun inkomen weer uit in Oldenzaal zelf. Dit betekent dat het inkomen van Oldenzaal met nog eens € 500.000,- toeneemt. Deze € 500.000,- gulden komt terecht bij de Oldenzaalse kappers, loodgieters, supermarkteigenaars, enzovoorts. Ook zij geven de helft van hun inkomen weer in Oldenzaal uit, zodat het inkomen van Oldenzaal met nog eens € 250.000,- toeneemt. Dit gaat zo maar door. Uiteindelijk resulteert de aanvankelijke overheidsbesteding van € 1.000.000,- in een toegenomen inkomen van bijna € 2.000.000,-.

Dit effect staat bekend als het multipliereffect. De gedachte achter de multiplier is dat de uiteindelijke toename van het inkomen veel groter is dan het bedrag van de overheidsinvestering. Dit komt doordat de eerste (overheids)uitgave een golf van nieuwe (privé)uitgaven veroorzaakt. Elke uitgave zorgt ervoor dat iemands inkomen toeneemt. Deze geeft een gedeelte van dit toegenomen inkomen meteen weer uit waardoor het inkomen van een ander weer toeneemt, enzovoorts. De inkomenstoename is in elke periode wel kleiner. Na een aantal ronden van nieuwe uitgaven is de inkomenstoename niet meer merkbaar: het multipliereffect is uitgewerkt.

Het is mogelijk het multipliereffect te voorspellen. Hiervoor hoeven we slechts te weten welk deel van het inkomen men meteen weer uitgeeft (consumeert). Het gedeelte van het inkomen dat mensen consumeren noemen we de consumptiequote. Weten we de omvang van de consumptiequote, dan kunnen we het effect van de multiplier berekenen met de volgende formule:

DY =
1

1-c
x DO



Het kleine lettertje c is de consumptiequote, het gegeven dat we nodig hebben om het multipliereffect uit te rekenen. D O is de toename van de overheidsuitgaven. D Y is de toename van het inkomen dat we moeten berekenen.

Nu keren we terug naar ons voorbeeld. De inwoners van Oldenzaal geven de helft van hun inkomen lokaal uit. De consumptiequote is hierdoor 0,5. De overheidsuitgaven aan de fabriek was € 1.000.000,-. Met hoeveel neemt het inkomen van Oldenzaal hierdoor toe? Om dit te beantwoorden hoeven we alleen maar de formule in te vullen:

DY=


1

x
€1.000.0000 = €2.0000.0000
1- 0,5

Dit is het multipliereffect. De bouw van de fabriek kostte de overheid € 1.000.000,- en heeft het inkomen van Oldenzaal met € 2.000.000,- verhoogd. De uiteindelijke verhoging van het inkomen is 2 keer zo groot als de aanvankelijke overheidsuitgave. De omvang van de multiplier is hierdoor gelijk aan 2. Want:

1
1-0.5
=2



Het multipliereffect is het vermenigvuldigingseffect van een (overheids)uitgave op de hoogte van het inkomen.
 

Vraag 5: Wat zou er gebeuren wanneer de inwoners van Oldenzaal niet de helft, maar tweederde van hun inkomen meteen weer zouden besteden. Wat zou er dan gebeuren met het multipliereffect?


Vraag 6: Kun je ook berekenen met hoeveel het inkomen van Oldenzaal zou toenemen als de Oldenzalers niet de helft, maar tweederde van hun inkomen meteen weer zouden uitgeven Gebruik de formule.

Een overheidsinvestering van een miljoen zou in dat geval ook leiden ot een hoger inkomen van...


Vraag 7: Wat zou er nu gebeuren als de inwoners van Oldenzaal hun inkomen meteen weer helemaal zouden spenderen en dit helemaal in Oldenzaal zouden doen?



Het multipliereffect ontstaat doordat een eerste (overheids)uitgave een golf van nieuwe (privé)uitgaven veroorzaakt. Mensen gaan een deel van hun nieuwe inkomen meteen weer uitgeven, waardoor het inkomen van een ander weer toeneemt, enzovoorts. In ons voorbeeld gaven de inwoners van Oldenzaal vijftig procent van hun inkomen meteen weer uit. Wat zou er nu gebeuren wanneer de inwoners van Oldenzaal niet vijftig procent, maar negentig procent van hun inkomen meteen weer zouden uitgeven? In dat geval zou het multipliereffect veel groter zijn!

Wanneer de inwoners van Oldenzaal negentig procent van hun inkomen consumeren, dan zou de eerste overheidsuitgave gevolgd worden door veel hogere nieuwe uitgaven. Een eerste overheidsuitgave van € 1.000.000,- zou in dat geval gevolgd worden door een nieuwe uitgave van € 900.000,- (in plaats van € 500.000,-), waarna € 810.000,- (in plaats van € 250.000,-), enzovoorts. De verhoging van het inkomen van Oldenzaal zou hierdoor uiteindelijk oplopen tot maar liefst € 10.000.000,-! De multiplier is nu geen 2 meer, maar heeft nu een omvang van 10 gekregen. Bereken dit maar eens met bovenstaande formule. De les hiervan is simpel: wanneer mensen meer consumeren, is het effect van de multiplier groter.


De omvang van het multipliereffect wordt bepaald door de omvang van de consumptiequote. Consumeren mensen een groot deel van hun inkomen, dan neemt het effect van de multiplier toe.

Wanneer de inwoners van Oldenzaal hun inkomen volledig zouden consumeren, zou het multipliereffect zelfs oneindig zijn. De overheidsuitgave van € 1.000.000,- zou in dat geval gevolgd worden door een nieuwe uitgave van € 1.000.000,-, waarna weer € 1.000.000,-, enzovoorts. Elke uitgave zou gevolgd worden door een even hoge nieuwe uitgave! De vraag naar goederen en diensten zou hierdoor oneindig toenemen. In de praktijk is dit echter niet mogelijk. Mensen besteden hun inkomen namelijk niet alleen aan consumptie. Het inkomen van mensen gaat ook naar een drietal andere bestemmingen.

Mensen sparen een gedeelte van hun inkomen. Inkomen dat wordt gespaard, kan niet worden uitgegeven. Wanneer mensen meer sparen, is het effect van de multiplier dus kleiner.

Ook betalen mensen belasting over een gedeelte van hun inkomen. Inkomen dat wordt ingehouden door de belastingsdienst kan evenmin worden uitgegeven. Wanneer de belastingdruk hoger is, is het effect van de multiplier dus kleiner.

Bovendien wordt een gedeelte van het inkomen van mensen uitgegeven aan import van goederen en diensten. Inkomen dat wordt besteed in het buitenland, kan het binnenlandse inkomen niet verhogen. Wanneer mensen meer importeren, is het effect van de multiplier dus kleiner.

De besparingen, belasting en import worden ook wel omschreven als het spaarlek, belastinglek en importlek. Deze worden lekken genoemd omdat zij ervoor zorgen dat elke nieuwe binnenlandse uitgave kleiner is. In ons voorbeeld van Oldenzaal was elke nieuwe uitgave slechts 50 procent van de oude uitgave. Blijkbaar lekte 50 procent van het Oldenzaalse inkomen weg naar de besparingen, belastingen en import. Het effect van de multiplier neemt hierdoor langzaam af, of beter gezegd, lekt langzaam weg. Het effect van de multiplier is groter wanneer mensen minder sparen, belasting betalen en importeren. In dat geval kan een groter deel van het inkomen meteen weer worden uitgegeven aan binnenlandse consumptie.

 

Vraag 8: Nederland is een klein land dat zeer afhankelijk is van buitenlandse goederen. Bovendien betalen Nederlanders relatief veel belasting. De Verenigde Staten is daarentegen veel minder afhankelijk van buitenlandse goederen. Ook betalen Amerikanen relatief veel minder belasting. In welk land zal de consumptiquote hoger liggen?


Vraag 9: In welk van de twee landen zal het multipliereffect groter zijn en is het effect van het overheidsbeleid dus ook groter?

Vraag 10: Japanners staan erom bekend dat zijn relatief veel sparen. Dit heeft te maken met de toenemende vergrijzing van de Japanse bevolking, maar ook met de aard van Japanners. Wat voor effect zal dit hebben op de pogingen van de Japanse overheid om de economie te stimuleren?



Tot nu toe hebben we telkens een overheidsuitgave als voorbeeld gebruikt. Het multipliereffect werkt evenwel zowel bij een verhoging van de overheidsuitgaven als bij een verlaging van de belastingen. Een belastingverlaging werkt op dezelfde manier als een verhoging van de overheidsuitgaven: het besteedbaar inkomen van mensen neemt toe, zodat zij meer kunnen uitgeven, waardoor het inkomen van anderen weer toeneemt, enzovoorts.


Het multipliereffect werkt zowel bij een verhoging van de overheidsuitgaven als bij een verlaging van de belastingen.

Het gebruik van het fiscaal beleid om conjunctuurgolven tegen te gaan hebben we te danken aan de ideeën van de beroemde econoom John Maynard Keynes (1883-1946). Keynes lanceerde zijn belangrijkste boek The general theory of employment, interest and money (Londen 1936) in de jaren dertig. In deze periode worstelde de wereld met de zwaarste economische depressie van deze eeuw. Het nationaal inkomen daalde, de werkloosheid nam ongekende vormen aan en de internationale handel was bijna tot stilstand gekomen.

De klassieke economische theorie leek geen oplossing voor deze problemen te kunnen geven. Het gedachtegoed van de klassieken kwam er min of meer op neer dat de economie zich vanzelf wel weer zou herstellen van de depressie. De overheid moest zich zo weinig mogelijk met de economie bemoeien. Sterke overheidsbemoeienis kon de depressie alleen maar erger maken.

Keynes was het hier niet mee eens. Volgens Keynes was de overheid wel in staat de economie uit de depressie te halen. In tijden van depressie, zoals in de jaren dertig, moest de overheid de belastingen verlagen en de uitgaven laten toenemen. Op deze manier kon het heilzame multipliereffect in werking treden. In tijden van hoogconjunctuur moest de overheid vervolgens de belastingen weer verhogen en de overheidsuitgaven weer laten afnemen.

Na de Tweede Wereldoorlog waren de overheden in vrijwel alle Westerse landen overtuigd dat met keynesiaanse instrumenten de economie gestabiliseerd kon worden. Door over te gaan tot een anticyclische of keynesiaanse begrotingspolitiek zouden grote conjunctuurgolven kunnen worden vermeden. In tijden van hoogconjunctuur gingen overheden over tot een begrotingsoverschot (de belastingsinkomsten zouden groter zijn dan de overheidsuitgaven). In tijden van laagconjunctuur gingen overheden over tot een begrotingstekort (de belastingsinkomsten zouden kleiner zijn dan de overheidsuitgaven).


6.3 Problemen met fiscaal beleid

In theorie leek de Keynesiaanse begrotingspolitiek zo makkelijk. Door afwisselend te werken met begrotingsoverschotten en -tekorten zouden grote conjunctuurgolven kunnen worden vermeden. De praktijk bleek echter minder rooskleurig. Overheden stuitten bij het gebruik van het fiscaal beleid op een groot aantal problemen. De belangrijkste problemen zullen hieronder worden behandeld.


6.3.1. Problemen met de effectiviteit van stimuleringsbeleid

Vraag 11: Wanneer mensen verwachten dat hun inkomen gaat dalen, zullen zij proberen wat geld achter de hand te houden. Hierdoor zijn mensen in tijden van economische tegenspoed altijd geneigd om meer te gaan sparen. Wat voor effect zal dit hebben op de multiplier?



De gedachte van de multiplier is dat een eerste overheidsuitgave leidt tot een golf van nieuwe privé-uitgaven. Zo moet het proces van herstel op gang worden gebracht. Juist in tijden van economische tegenspoed zijn mensen echter geneigd meer geld achter de hand te houden, zodat zij zich kunnen indekken tegen onverwachte tegenslagen. Hierdoor gaan mensen meer sparen (het spaarlek wordt groter). Juist in een periode van tegenspoed heeft de multiplier dus minder effect!

Dit spaarlek is groter bij een belastingverlaging dan bij een vergroting van de overheidsuitgaven. Het verschil tussen beide maatregelen is dat overheidsuitgaven zorgen voor extra inkomen. Een belastingverlaging zorgt niet voor extra inkomen. Bij een belastingverlaging dragen mensen minder inkomen af aan de overheid. Zij krijgen geen extra loon of winst, maar betalen simpelweg minder belasting. Hierdoor neemt hun besteedbaar inkomen toe (het inkomen dat ze kunnen besteden na afdracht van belastingen). Het verschil tussen beide verhogingen van het inkomen is psychologisch. Mensen geven hun inkomen sneller weer uit wanneer sprake is van extra inkomen dan wanneer sprake is van een verhoging van het besteedbaar inkomen.

 

Vraag 12: Stel de overheid verlaagt de winstbelasting. Krijgen de mensen dan een extra inkomen, of neemt het besteedbaar inkomen dan toe?



Bij een belastingverlaging mag het spaarlek dan groter zijn, een verhoging van de overheidsinvesteringen brengt weer een ander probleem met zich mee. Dit probleem is nog veel gevaarlijker: overheidsuitgaven kunnen privé-uitgaven vervangen. Een toename van overheidsuitgaven aan ontwikkeling van de ruimtevaart kan ervoor zorgen dat ondernemingen niet meer de noodzaak zien om hier in te investeren. Een vergroting van de overheidsuitgaven heeft natuurlijk geen nut als deze uitgaven anders toch wel zouden zijn gedaan. In dat geval kost dit alleen maar belastinggeld!


6.3.2 Problemen met de effectiviteit van groeimatiging

Wanneer de economie zich in een depressie bevindt, kan de overheid de multiplier het werk laten doen. Een kleine overheidsuitgave zorgt voor een golf van nieuwe uitgaven. Hetzelfde effect blijft uit bij een verlaging van de overheidsuitgaven. Er is geen 'omgekeerd multipliereffect' waardoor een verlaging van de overheidsuitgaven een nieuwe ronde van privé-uitgaven kan tegengaan. Wanneer de economie te snel groeit zal een verlaging van de overheidsuitgaven de economie hierdoor nauwelijks afremmen. Een belastingverhoging zal meer effect hebben, maar deze maatregel zal het belangrijkste probleem van hoogconjunctuur juist versterken. .

Bedenk maar eens wat ook al weer de problemen van hoogconjunctuur is: hoge inflatie. Een belastingverhoging kan de groei van de economie weliswaar afremmen. Een belastingverhoging zorgt immers voor een daling van het besteedbaar inkomen, waardoor mensen minder kunnen uitgeven. Maar tegelijkertijd zal deze maatregelen het inflatieprobleem versterken. Een verhoging van de winstbelasting wordt vaak door ondernemingen doorberekend in de prijzen. Hierdoor zal de inflatie toenemen. Een verhoging van de inkomensbelasting leidt vaak tot hogere looneisen. Ook hierdoor zal de inflatie toenemen. Een belastingverhoging kan de groei hierdoor wel afremmen, maar zal dit in ieder geval tijdelijk doen tegen de kost van hogere inflatie.


6.3.3. Problemen van timing

We weten nu dat maatregelen van de overheid om de economie te stimuleren of juist af te remmen niet altijd effectief zullen zijn. Wanneer de overheid er niet in slaagt anticyclische maatregelen te nemen is dit jammer, maar in veel gevallen is er niets aan te doen. Erger is het wanneer maatregelen van de overheid procyclisch gaan werken: wanneer de overheidsmaatregelen de conjunctuurcyclus verergeren.

Eerder is al vermeld dat een conjunctuurcyclus gemiddeld zo'n zeven à negen jaar beslaat, maar dat er uitzonderingen van langdurige depressies en hoogconjuncturen bestaan. Maatregelen van de overheid werken alleen anticyclisch wanneer zij op het juiste moment worden geïntroduceerd: stimuleringsmaatregelen tijdens laagconjunctuur en remmende maatregelen tijdens hoogconjunctuur. In de praktijk is dit echter vaak niet mogelijk. Een drietal vertragingsfactoren kan er voor zorgen dat maatregelen op het verkeerde moment worden geïntroduceerd. Deze vertragingsfactoren kunnen er voor zorgen dat de overheid de economie gaat stimuleren in tijden van hoogconjunctuur, en afremmen in tijden van laagconjunctuur.
Een eerste vertragingsfactor is het herkenningsprobleem. In het begin van het hoofdstuk werd een conjunctuurcyclus getoond die er ongeveer als volgt uitzag:



Wanneer de conjunctuurcyclus er in de praktijk zo zou uitzien, zouden overheden geen probleem hebben om momenten van hoog- en laagconjunctuur te herkennen. Op punt A zou de overheid de economie gaan stimuleren, op punt B afremmen. Hierdoor kunnen de overheidsmaatregelen een anticyclisch effect hebben, waardoor de conjunctuurcyclus er als volgt gaat uitzien.
 

Een conjunctuurcyclus die er zo regelmatig uitziet komt echter slechts in de schoolboekjes voor. In de praktijk zal een conjunctuurcyclus er eerder zo uitzien:
 

 
De overheid zal op punt A geneigd zijn om de economie te stimuleren, omdat ze verwacht dat een depressie aanbreekt. Dan trekt de groei echter plotseling weer aan. De maatregelen van de overheid werken hierdoor procyclisch. De cyclus zal er zo uit komen te zien.
 

 
Een tweede vertragingsfactor is de tijdspannen tussen herkenning en maatregel. De meeste veranderingen in overheidsuitgaven moeten lang van tevoren worden gepland. Overheden kunnen niet zomaar bruggen of ziekenhuizen gaan bouwen. Belastingverlagingen kunnen ook niet zomaar worden doorgevoerd. Ze moeten eerst door het parlement, waar vaak een langdurige discussie ontstaat over de voor- en nadelen van een belastingverlaging. Het kan maanden of zelfs jaren duren, voordat overeenstemming is bereikt over de juiste maatregelen.

Een derde vertragingsfactor is de tijdspanne tussen maatregel en het effect. Het duurt altijd even voordat een maatregel effect heeft. Een verandering in winstbelasting kan pas aan het einde van het financiële jaar worden verrekend. Dit is een vertraging van maximaal twaalf maanden! Dit geld overigens niet voor alle belastingen en al helemaal niet voor de overheidsuitgaven.

Door het bestaan van deze drie vertragingsfactoren is er een grote kans dat maatregelen van de overheid te laat effect hebben. Hierdoor kunnen zij procyclisch werken, zodat de conjunctuurcyclus wordt versterkt.

 

Vraag 13: De Amerikaanse president Bush voerde in het najaar van 2001 een dramatische 'tax cut' uit. Deze werd door de president verdedigd met het argument dat de economische groei daalde. Wat zou er nu zijn gebeurd als de economische groei in de Verenigde Staten plotseling weer was toegenomen.


6.3.4 Ongewenste bijeffecten

De hierboven genoemde problemen kunnen er voor zorgen dat het fiscaal beleid geen effect heeft, of zelfs contraproductief werkt. Helaas zijn we hiermee nog niet aan het einde van de opsomming van problemen gekomen. Gebruik van het fiscaal beleid brengt ook nog een ander soort problemen met zich mee. Deze kunnen we wellicht het beste beschrijven als ongewenste bijeffecten.

Een mogelijk bijeffect is het ontstaan van structurele overheidstekorten. Toen de Westerse landen na de Tweede Wereldoorlog overgingen tot een Keynesiaanse begrotingspolitiek, probeerden zij begrotingstekorten af te wisselen met begrotingsoverschotten. In tijden van laagconjunctuur was het heel makkelijk om tekorten te kweken. In tijden van hoogconjunctuur was het echter niet zo makkelijk om overschotten te creëren. Het bleek veel makkelijker om de overheidsuitgaven te laten toenemen, dan deze te laten afnemen. Neem bijvoorbeeld de sociale voorzieningen. Deze konden in tijden van hoogconjunctuur makkelijk worden uitgebreid. In tijden van laagconjunctuur kon echter niet zo makkelijk in de sociale voorzieningen worden gekort.

Het bijeffect van de structurele overheidstekorten brengt een ander ongewenst bijeffect met zich mee, namelijk een verhoging van de inflatie. Grote overheidstekorten zorgen ervoor dat de hoeveelheid geld in de economie toeneemt. Dit zorgt er weer voor dat de prijzen gaan stijgen. Hoe dit precies werkt zal in het volgende hoofdstuk worden uitgelegd. Voor dit moment is het voldoende om te weten dat het een actief fiscaal beleid hierdoor voor hogere inflatie kan zorgen.

Een ander bijeffect is dat overheidsuitgaven en belastingen de markt vervormen. De uitbreiding van de sociale voorzieningen heeft ervoor gezorgd dat veel mensen geen poging meer doen om naar werk te zoeken. Zij krijgen immers toch wel een inkomen: een uitkering van de staat. De toename van de sociale voorzieningen heeft Nederland hierdoor een aanzienlijke verhoging van het werkloosheidspeil opgeleverd. Hetzelfde verhaal gaat op voor de belastingen. Bedenk hierbij dat de meeste Westerse landen een progressief belastingstelsel hebben. Dit betekent dat mensen meer belasting betalen naarmate hun inkomen toeneemt. Van elke extra euro die zij verdienen wordt hierdoor meer ingehouden door de overheid. Het is misschien wel eerlijker dat rijke mensen meer belasting betalen dan arme mensen, maar dit betekent wel een ontmoediging om meer te gaan werken. Immers, waarom zouden mensen meer gaan werken als zij het grootste deel van hun extra inkomen toch weer moeten afdragen?


6.4 Keynesianen en monetaristen

Al deze problemen hebben er voor gezorgd dat het gebruik van het fiscaal beleid om de economie te beïnvloeden steeds minder populair is geworden. De jaren vijftig en zestig staan bekend als de hoogtijdagen van de keynesiaanse begrotingspolitiek. De jaren zeventig vormden het keerpunt: in deze periode kwamen steeds meer beleidsmakers tot de conclusie dat het fiscaal beleid toch niet in staat was de gemaakte beloften van stabiliteit waar te maken. Tegenwoordig maken overheden nog maar zelden gebruik van het fiscaal beleid om de economie te beïnvloeden (hoewel de economie wel veel stabiliteit krijgt door de automatische stabilisatoren).

Van groot belang bij deze omslag was de kritiek van een andere groep economen op de keynesianen, de aanhangers van Keynes. Volgens de monetaristen was het helemaal niet mogelijk om de economie door middel van de belastingen en overheidsuitgaven te beïnvloeden. Wilde de overheid de economie stabiliseren, dan moest zij zich richten op de geldhoeveelheid. De overheid moet zich hierdoor niet richten op het fiscaal beleid, maar op het monetair beleid. Dit wordt behandeld in het volgende hoofdstuk.


SAMENVATTING

Tot slot zetten we de belangrijkste concepten uit dit hoofdstuk nog even op een rijtje:

  • conjunctuurcyclus
  • anticyclisch beleid
  • expansief en restrictief beleid
  • automatische stabilisatoren
  • discreet fiscaal beleid
  • multiplier
  • consumptiequote
  • keynesiaanse begrotingspolitiek
  • besteedbaar inkomen
  • keynesianisten
  • monetaristen

[NAAR HFST 5]  -  [NAAR INHOUDSOPGAVE]   -  [NAAR HFST 7]


E-mail: L.J.Touwen @hum.leidenuniv.nl
Last update: 11 oktober 2018