Universiteit Leiden - Opleiding Geschiedenis - Economie online

Hoofdstuk 5: Beleidsinstrumenten


5.1 Doelstellingen van het economische beleid


Hoewel de opvattingen over de doelstellingen van de economische politiek van individu tot individu en van politieke partij tot politieke partij kunnen verschillen, is in de loop der jaren toch een zekere overeenstemming ontstaan over deze doelstellingen. Vrijwel alle economen, beleidsambtenaren en politici zijn het - globaal gesproken - eens over de volgende doelstellingen, die onder andere door de Sociaal Economische Raad zijn geformuleerd:

1. een aanvaardbaar inkomensniveau;
2. volledige en volwaardige werkgelegenheid;
3. een rechtvaardige inkomensverdeling;
4. een stabiel prijspeil (geen inflatie of deflatie);
5. een stabiele wisselkoers;
6. een evenwichtige betalingsbalans;
7. duurzame ontwikkeling.


(1) Een aanvaardbaar inkomensniveau
Een aanvaardbaar inkomensniveau is belangrijk omdat de hoogte van het inkomen aangeeft over hoeveel goederen en diensten we kunnen beschikken. Is het inkomen per hoofd van de bevolking te laag, dan ontstaan armoede en kunnen we niet in de primaire levensbehoeften (eten & drinken, woning, kleding) voorzien. Welk inkomensniveau nu precies 'aanvaardbaar' is, kan moeilijk worden aangegeven: sommigen vinden dat in Nederland het inkomen per hoofd hoog genoeg is, anderen zouden graag een hoger inkomensniveau willen bereiken.

(2) Volledige en volwaardige werkgelegenheid
Volledige werkgelegenheid behoort tot de doelstellingen, omdat het belangrijk is dat iedereen die dat wil aan het arbeidsproces kan deelnemen. De betrokkene kan zich daardoor ontplooien en op eigen kracht een inkomen verwerven. Met het begrip 'volwaardig' wordt de kwaliteit van de werkgelegenheid aangeduid. Het is namelijk belangrijk dat de arbeidsomstandigheden goed zijn, zodat een werknemer zijn werk onder optimale condities en met plezier kan verrichten. Dit betekent dat er geen sprake mag zijn van stank- en lawaaioverlast of blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Tegenwoordig worden bij deze condities ook de mogelijkheden tot persoonlijke ontwikkeling en tevredenheid gerekend. 

(3) Een rechtvaardige inkomensverdeling
Een rechtvaardige inkomensverdeling wordt tot de doelstellingen gerekend, omdat het onaanvaardbaar wordt geacht wanneer iemand buiten zijn schuld geen inkomen of slechts een te laag inkomen kan verwerven. Om een rechtvaardige inkomensverdeling tot stand te brengen, vindt in de meeste landen inkomensherverdeling plaats via belastingen, inkomenstoeslagen, subsidies en sociale verzekeringen. Voorbeelden hiervan zijn de huursubsidie voor lagere inkomens en de aanvullende beurs voor studenten uit minder gefortuneerde families. 

(4) Een stabiel prijspeil
Een stabiel prijspeil is belangrijk, omdat te sterk dalende prijzen (deflatie) of te sterk stijgende prijzen (Inflatie) het economische proces kunnen verstoren. Voor de ingezetenen van een land, maar ook voor de handelspartners in het buitenland, is het van groot belang te weten dat de prijzen min of meer constant zijn en niet in korte tijd sterk zullen stijgen of dalen. De monetaire autoriteiten (in Nederland zijn dit De Nederlandsche Bank en de minister van FinanciŽn) streven daarom naar een stabiel prijspeil. 

(5) Een stabiele wisselkoers
Een stabiele wisselkoers is van groot belang voor de internationale handel. Landen importeren goederen en diensten uit het buitenland (de invoer van goederen en diensten) en exporteren goederen en diensten naar het buitenland (de uitvoer). Bij deze transacties moeten steeds muntsoorten (valuta's) tegen elkaar worden geruild. De ruilverhoudingen tussen de muntsoorten heten de wisselkoersen. Indien deze wisselkoersen sterk fluctueren (en helaas is dat in de praktijk vrij regelmatig het geval) verkeren de producenten die deelnemen aan de internationale handel in grote onzekerheid over de kosten en de opbrengsten van de goederen die zij in het buitenland respectievelijk kopen of verkopen. Dit kan natuurlijk een ernstige belemmering vormen voor de internationale handel. Met de invoering van de Euro op 1 januari 2001 wordt deze doelstelling voortaan na gestreefd door de Europese Unie. 

(6) Een evenwichtige betalingsbalans
Een evenwichtige betalingsbalans betekent, globaal gesproken, dat de waarde van de goederen en diensten die een land exporteert op de lange termijn ongeveer gelijk moet zijn aan de waarde van de goederen en diensten die een land importeert. Zou een land bijvoorbeeld veel meer goederen en diensten uit het buitenland betrekken dan het naar het buitenland exporteert, dan zou de schuld aan het buitenland steeds groter worden. Dit is een situatie waarin veel ontwikkelingslanden verkeren. Op de lange duur zullen arme en rijke landen hun betalingsbalansen in evenwicht moeten brengen. 

(7) Duurzame ontwikkeling
De bescherming van het leefmilieu is sinds de jaren zestig aan de doelstellingen toegevoegd. Economische activiteit gaat gepaard met ruimtebeslag en verontreiniging van bodem, water en lucht, waardoor veel schade aan het milieu en de natuur wordt toegebracht. Voor de huidige generatie, maar ook voor de toekomstige generaties, is het van groot belang dat het milieu in voldoende mate wordt beschermd. Milieumaatregelen vereisen een grotere inzet van arbeid en kapitaal om een gegeven hoeveelheid producten op een milieuvriendelijke manier tot stand te brengen. In het algemeen nemen de productiekosten daardoor toe. De macro-economie houdt zich onder andere bezig met de vraag wat daarvan de macro-economische gevolgen zijn voor de werkgelegenheid, de betalingsbalans en de inflatie. 

Daarnaast is er ook meer aandacht voor de uitputting van natuurlijke hulpbronnen. Begin jaren '70 zorgde het rapport van de Club van Rome, "Grenzen aan de groei", voor grote opschudding door te wijzen op het feit dat sommige grondstoffen, met name energiebronnen, sneller werden verbruikt dan dat nieuwe voorraden werden ontdekt. Hoewel de toen voorspelde uitputting door nieuwe ontdekkingen en efficientere energieproductie niet heeft plaatsgevonden is de aandacht voor alternatieve energiebronnen, zoals water- wind- en kernenergie toegenomen.

Conflicterende doelstellingen

Wanneer we alle genoemde doelstellingen tegelijkertijd zouden kunnen bereiken, zouden (de meeste macro-economische vraagstukken opgelost kunnen worden. Helaas blijkt in de praktijk dat het heel moeilijk is om elk van de doelstellingen te bereiken. Het komt namelijk vaak voor dat de doelstellingen conflicterend zijn, dat wil zeggen dat een verbetering van de ťne doelstelling een verslechtering van een andere doelstelling betekent. Hiervan volgen twee voorbeelden:

1. Als we proberen een hoog inkomensniveau te bereiken en lage werkloosheid, zal dikwijls blijken dat er spanning op de arbeidsmarkt optreedt. Dat wil zeggen dat er te weinig arbeidskrachten zijn om al het werk te kunnen verrichten dat nodig is om dit hogere inkomensniveau te bereiken. In dat geval kunnen de werknemers bij de loononderhandelingen hogere eisen stellen en zal dikwijls de loonsom per werknemer omhooggaan, waardoor de productiekosten en daarna de prijzen zullen stijgen: er ontstaat inflatie en dat wilden we volgens doelstelling 4 (een stabiel prijspeil) nu juist vermijden.

2. Als we proberen een hoog inkomensniveau te bereiken, zullen we veel grondstoffen en energie gebruiken, waardoor de milieuverontreiniging in het algemeen zal toenemen. Doelstelling 1 (een aanvaardbaar inkomensniveau) verbetert, maar doelstelling 7 (duurzame ontwikkeling) komt in het gedrag.

Nu we de doelstellingen van de economische politiek hebben besproken, kunnen we de vraag stellen over welke beleidsinstrumenten we beschikken om de gestelde doeleinden te bereiken. Met andere woorden: welke macro-economische beleidsmaatregelen kunnen we nemen om het economisch proces zo te laten verlopen dat de genoemde doelstellingen zo goed mogelijk worden bereikt? In de macro-economie wordt deze verzameling van mogelijk beleidsmaatregelen dikwijls aangeduid als de instrumenten van de economische politiek. 


5.2 Beleidsinstrumenten

Wanneer de uitkomsten van het economisch proces niet overeenkomen met de door de overheid geformuleerde doelstellingen van de macro-economische politiek zal de overheid zoeken naar mogelijkheden om het economisch proces bij te sturen. De verantwoordelijke ministers en de monetaire autoriteiten zullen zoeken naar de meest geschikte beleidsmaatregelen om het economisch proces weer in goede banen te leiden. Een voorbeeld: stel, er ontstaat te hoge werkloosheid. In dat geval zal worden onderzocht wat daarvan de oorzaken zijn en welke maatregelen kunnen worden genomen om de werkloosheid te verminderen. Daarbij zijn talrijke beleidsopties beschikbaar, bijvoorbeeld:
- het vergroten van de overheidsuitgaven, waardoor de economische activiteit toeneemt en meer banen ontstaan;
- het verlagen van de loonsom er werknemer waardoor de productiekosten dalen, zodat de Nederlandse economie beter met het buitenland kan concurreren;
- de gemiddelde arbeidstijd verkorten, opdat de beschikbare werkgelegenheid over meer personen kan worden verdeeld;
- meer geld in omloop brengen (monetair financieren), opdat de consumptieve bestedingen en de investeringen zullen toenemen. Daardoor neemt de economische activiteit toe, worden nieuwe bedrijven opgericht en zal de werkgelegenheid kunnen uitbreiden.

Uit dit eenvoudige voorbeeld blijkt dat de overheid beschikt over diverse instrumenten van de economische politiek, die kunnen worden gehanteerd om macro-economische problemen op te lossen. Hoewel de volle betekenis van de instrumenten niet meteen duidelijk zal worden, geven we een kort overzicht van de meest gebruikelijke instrumenten van de macro-economische politiek. Het gaat om een eerste kennismaking, want in de rest van deze cursus houdt zich voor een groot deel bezig met de vraag hoe de verschillende instrumenten het economisch proces beÔnvloeden en welke instrumenten onder welke omstandigheden dienen te worden gebruikt. 

Het macro-economisch beleid kan worden onderverdeeld in het conjunctuurbeleid en het structuurbeleid. Om het verschil tussen beide aan te geven, is het van belang de volgende aspecten van een economisch systeem te onderscheiden:
a. de economische orde;
b. het economisch proces;
c. de economische structuur.

De economische orde

De economische orde geeft aan hoe in een economie de beslissingen worden genomen en hoe de beslissingsbevoegdheden zijn verdeeld. We onderscheiden daarbij vier ideaaltypische vormen van economische orde, namelijk economische besluitvorming gebaseerde op:

I het marktmechanisme;
II  het democratische mechanisme;
III het bureaucratische mechanisme;
IV prijsmanipulatie. 

De eerste twee zijn voorbeelden van decentrale besluitvorming, waarbij alle leden van de samenleving zijn betrokken. Indien de beslissingen worden genomen door middel van het marktmechanisme, is het uiteindelijke resultaat van het economische proces afhankelijk van de beslissingen die consumenten en producenten nemen over de aanschaf van goederen en diensten en over de aanwending van de productiefactoren (de middelen die bij de productie gebruikt of verbruikt worden: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemen). Indien het democratisch mechanisme van toepassing is, worden beslissingen genomen op basis van voorstellen waarover langs parlementaire weg besluiten worden genomen.

Het bureaucratische mechanisme en het systeem van prijsmanipulatie zijn voorbeelden van centrale besluitvorming, waarbij de beslissingen op centraal niveau worden genomen en tot uitvoering gebracht via het geven en opvolgen van bevelen (bureaucratisch mechanisme) of door het opleggen van heffingen en het verstrekken van subsidies (prijsmanipulatie). 

In werkelijkheid zal er nooit sprake zijn van een zuivere vorm van de genoemde ideaaltypen, maar is er steeds sprake van een mengvorm waarin twee of meerdere van de genoemde typen van economische orde aanwezig zijn. 

Het economisch proces

Het economisch proces betreft het feitelijk economisch handelen van mensen en heeft betrekking op het productieproces en het consumptieproces. Het economisch proces beschrijft het voortdurende proces van de productie en consumptie van goederen en diensten in de loop van de tijd. De afwikkeling van het economisch proces kunnen we bijvoorbeeld beschrijven door aan te geven hoeveel inkomen er in een bepaalde periode wordt geproduceerd, hoe groot de vraag naar goederen en diensten is en hoeveel mensen er aan het productieproces deelnemen. Het economisch proces beschrijft vooral het verloop van economische variabelen in de loop van de tijd. 

De economische structuur

De economische structuur, ten slotte, betreft alle variabelen die bepalend zijn voor de mogelijkheden van een economisch systeem. Een sterke economische structuur geeft aan dat een economie veel mogelijkheden heeft om goederen en diensten tegen concurrerende prijzen op de markt te brengen. Bepalend voor de economische structuur van een land zijn onder andere de volgende voorraadgrootheden: de omvang van de kwaliteit van de beroepsbevolking de omvang en de samenstelling van de kapitaalgoederenvoorraad en de voorraden grondstoffen. Ook het klimaat, de geografische ligging en de stand van de techniek worden dikwijls gerekend tot de economische structuur. De economische structuur heeft vooral betrekking op de aanbodkant van de economie. De economische structuur bepaalt namelijk in belangrijke mate of een land veel of weinig goederen en diensten kan voortbrengen. 

Tegenover de aanbodkant van de economie staat de vraagkant, die bepalend is voor de mate waarin de geproduceerde goederen en diensten kunnen worden verkocht. Indien de vraag naar goederen en diensten onvoldoende is, is er sprake van een laagconjunctuur. De bedrijven blijven dan met onverkochte voorraden zitten en de productiecapaciteit wordt in een situatie van laagconjunctuur slechts gedeeltelijk benut. Is de vraag naar goederen en diensten zo groot dat de bedrijven nauwelijks voldoende kunnen produceren om aan de vraag te voldoen, dan spreken we van hoogconjunctuur.

De instrumenten van de macro-economische politiek hebben zowel betrekking op het conjunctuurbeleid als op het structuurbeleid. Het conjunctuurbeleid is erop gericht om de vraag naar goederen en diensten op een zodanig niveau te brengen dat volledige werkgelegenheid en volledige benutting van het productiecapaciteit kunnen worden bereikt. Dit kan onder andere worden bereikt door het variŽren van de belastingtarieven of het veranderen van het niveau van de overheidsbestedingen. Het conjunctuurbeleid betreft vooral de vraagzijde van de economie op de korte of middellange termijn. 

Het structuurbeleid is erop gericht het productieve vermogen van een economie (de economische structuur) te versterken. Het structuurbeleid betreft daarom in het bijzonder de scholing van de beroepsbevolking, de omvang en samenstelling van de kapitaalgoederenvoorraad, de opsporing en exploitatie van delfstoffen en het technologiebeleid. Het structuurbeleid komt dikwijls pas op langere termijn tot uitdrukking, omdat de maatregelen pas na geruime tijd resultaat afwerpen. Belangrijke instrumenten van het structuurbeleid zijn investeringssubsidies, het verminderen van fricties op de arbeidsmarkt en de bevordering van onderzoeksprogramma's om nieuwe technologie te ontwikkelen.
 
We kunnen de instrumenten van de macro-economische politiek als volgt indelen:
  1. het fiscaal beleid;
  2. het monetair beleid;
  3. supply side beleid
  4. het loon- en prijsbeleid;
  5. de overige instrumenten van macro-economische politiek.

 

a. Het fiscaal beleid

Het fiscaal beleid, ook wel aangeduid als het budgettair of begrotingsbeleid, heeft betrekking op de inkomsten en de uitgaven van de overheid. Aan de inkomstenkant gaat het vooral om belastingheffing, met name de vraag hoe hoog de verschillende tarieven zullen zijn en de vraag welke soorten belasting worden geheven (bijvoorbeeld loon- en inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting of BTW).

Aan de uitgavenkant gaat het om de vraag hoe hoog de overheidsuitgaven moeten zijn en voor welke doeleinden het geld zal worden besteed. De overheid verricht heel veel taken en kan via de overheidsuitgaven het economisch proces beÔnvloeden. Zo kan de overheid subsidies verschaffen of investeren, bijvoorbeeld in de wegenbouw, de deltawerken of in schoolgebouwen. Het fiscaal beleid, dat is gericht op het beÔnvloeden van de vraag naar goederen en diensten, is een typisch voorbeeld van conjunctuurbeleid. 

b. Het monetair beleid

Het monetair beleid heeft vooral betrekking op de omvang van de geldhoeveelheid in de economie, de waarde van het geld (inflatie of deflatie), de wisselkoers en de hoogte van de rente. Dagelijks maken we gebruik van geld om bijvoorbeeld goederen aan te schaffen, schulden af te lossen, krediet op te nemen of arbeid te laten verrichten. Zoals we later in deze cursus zullen zien, beschikt de centrale bank over diverse instrumenten om de omvang van de totale geldhoeveelheid in een economie te reguleren. 

De waarde van het geld (gemeten aan de hoeveelheid goederen en diensten die je met een eenheid geld kunt kopen) hangt nauw samen met de omvang van de geldhoeveelheid. Indien de centrale bank steeds meer bankbiljetten zou drukken en in omloop zou brengen of wanneer we steeds meer krediet zouden kunnen opnemen (geld lenen bij het bankwezen), dan zou de geldhoeveelheid toenemen. Wanneer de hoeveelheid goederen en diensten die we produceren niet tegelijkertijd in dezelfde mate toeneemt, zal het geld zeer snel in waarde dalen. Met andere woorden, er ontstaat dan inflatie, omdat de prijzen van goederen en diensten snel stijgen. De centrale bank kan door een gedegen monetair beleid, waarbij de jaarlijkse toename van de geldhoeveelheid niet te groot is, bereiken dat de waarde van het geld wordt gehandhaafd. 

De waarde van een munteenheid ten opzichte van een andere munteenheid wordt de wisselkoers genoemd. Deze wisselkoers speelt een belangrijke rol in de internationale handel, zoals we al eerder zaken. De centrale bank beschikt (binnen zekere grenzen) over de mogelijkheid om de wisselkoers te beÔnvloeden, bijvoorbeeld door een devaluatie (waardevermindering van de eigen munteenheid) of een revaluatie (waardevermeerdering van de eigen munteenheid) ten opzichte van het buitenland. Daarmee beÔnvloedt de centrale bank het economisch proces. Het wisselkoersbeleid behoort daarom ook tot de instrumenten van de monetaire politiek. 

Wanneer je geld leent of geld uitleent, is het gebruikelijk dat je rente betaalt, respectievelijk ontvangt, in elk geval wanneer het om grotere bedragen en lagere perioden gaat. De hoogte van de rente in een economie (2%, 4,25%, misschien wel 18 ŗ 20%) is van groot belang voor het verloop van het economisch proces. De centrale bank kan via het monetaire beleid de hoogte van de rente beÔnvloeden, waardoor bijvoorbeeld investeringen worden aangemoedigd (in geval van lage rente) of worden afgeremd (in geval van hoge rente).

c. Het supply-side beleid

Hieronder wordt verstaan het complex aan maatregelen dat beoogt de aanbodzijde van de economie (het bedrijfsleven) te versterken of efficiŽnter te maken. Gedacht kan worden aan deregulering als er geleidelijk een verstikkend netwerk van wetten en regels is ontstaan. 


d. Het loon- en prijsbeleid

Een belangrijk beleidsinstrument van de overheid is het loon- en prijsbeleid. De ontwikkeling van de loonkosten is een belangrijke variabele in het economisch proces, omdat de loonkosten een substantieel onderdeel uitmaken van de productiekosten van bedrijven. Een sterke stijging van de loon zal op den duur worden doorberekend in de prijzen, zodat een tendens tot inflatie ontstaat. Stijgende prijzen zijn slecht voor de internationale concurrentiepositie en een loonmaatregel, waarbij de overheid de jaarlijkse stijging van de lonen aan banden legt, kan bevorderlijk zijn voor het bereiken van volledige werkgelegenheid. Ook kan een loonmaatregel de export stimuleren, omdat de concurrentiepositie op de internationale markten beter wordt. Voor het beteugelen van inflatie kunnen ook prijsmaatregelen, die de jaarlijkse stijging van de prijzen beperken, van dienst zijn. Zij hebben echter een verstarrende werking op het marktmechanisme en kunnen leiden tot concurrentievervalsing en inefficiŽntie. Wanneer de lonen en de prijzen sterk stijgen en de vakbonden en werkgevers gezamenlijk niet in staat zijn om de zogenaamde loon-prijsspiraal te doorbreken, kan het loon- en prijsbeleid van dienst zijn. 

e. Overige beleidsinstrumenten

Naast de hierboven genoemde instrumenten van de economische politiek beschikt de overheid over een scala van andere beleidsinstrumenten. Deze bestaan vooral uit wet- en regelgeving of het verstrekken van subsidies, c.q. het opleggen van heffingen. Door wet- en regelgeving kan de overheid het economische proces beÔnvloeden. Naast de loon- en prijspolitiek is bijvoorbeeld de sociale-zekerheidswetgeving van groot belang voor de uitkomsten van het economisch proces. 

Een mogelijkheid om het economisch proces te beÔnvloeden, is het verbeteren van onderwijs en het geven van voorlichting. Ook heeft de overheid de mogelijkheid om via (semi-)staatsbedrijven actief in het productieproces deel te nemen of haar aandeel in het productieproces uit te breiden door bijvoorbeeld nationalisatie (het in overheidsbeheer nemen) van ondernemingen. 

Uit het bovenstaande blijkt dat een scala van instrumenten beschikbaar is om het economisch proces bij te sturen. In de hierna volgende lessen komen we daarop uitvoering terug. 


Voorbeeld

In Nederland kon de minister zonder voorafgaande goedkeuring door het parlement de tarieven van de belangrijkste belastingen met 5% of minder voor ten hoogste ťťn jaar verhogen of verlagen (de zogenaamde wiebeltax). Onder welke vorm van economische politiek valt deze wiebeltax?



5.3 Gemengde economie

Op deze plaats is het nuttig om op te merken dat er twee manieren zijn waarop een economie georganiseerd kan zijn om te bepalen wie welke producten krijgt, wie deze producten produceert en hoe de productie plaatsvindt. 

In de centraal geleide, of plan-economieŽn, speelt centrale planning een belangrijke rol bij de centrale besluitvorming (het bureaucratisch mechanisme) en worden veel prijzen van overheidswege vastgesteld (prijsmanipulatie). De van boven af opgelegde plannen worden doorgegeven aan de bedrijven, arbeiders en huishoudens. Vaak wordt er in detail opgegeven hoeveel er van ieder product moet worden geproduceerd, hoeveel materiaal daarvoor mag worden gebruikt, hoeveel arbeid ervoor beschikbaar is en welke prijs de fabriek mag rekenen aan afnemers.

De voormalige Soviet Unie en het hedendaagse Noord-Korea en Cuba zijn voorbeelden van plan-economieŽn, maar ook in de economie van het Verenigd Koninkrijk gedurende de Tweede Wereldoorlog waren veel elementen van een plan-economie aanwezig. Tegelijkertijd bestaat ook in veel plan-economieŽn een bescheiden mogelijkheid voor de kleinschalige productie van goederen die niet door de overheid wordt gecontroleerd.

In de markt-economie beslissen arbeiders, ondernemers en consumenten zelf hoeveel ze werken, produceren en consumeren en wordt de prijsvorming overgelaten aan de verhouding tussen vraag en aanbod. In theorie zou dit kunnnen leiden tot enorme chaos, maar in de praktijk blijken producenten zich aan te passen aan de vraag (of de vraag te stimuleren) en hun productie zou efficient mogelijk in te richten. Dit is het al eerder genoemde marktmechanisme. In vrije markt-economie zou de overheid in het geheel geen rol moeten spelen, maar in praktijk wordt deze term ook gebruikt voor economieŽn waarin de overheid een kleine rol speelt. De meeste volkshuishoudingen bvatten elementen van beide organisatievormen en worden daarom gemengde economieŽn genoemd. De macro-economische theorie die we in deze cursus behandelen, betreft vooral de gemengde economieŽn.

In de westerse economieŽn zijn de vrije marktkrachten van grote betekenis en stuurt de overheid het economisch proces bij met de genoemde instrumenten van de economische politiek op basis van democratische besluitvorming (het democratisch mechanisme). 
In de laatste 25 jaar hebben overheden in het Westen zelfs steeds meer taken afgestoten en overgedragen aan de vrije markt. Dit proces van privatisering heeft er onder andere toe geleid dat in Nederland de posterijen, spoorwegen en telefonie, maar ook de ziektekostenverzekeringen niet langer worden geadministreerd en beheerd door de overheid, maar door zelfstandige bedrijven.


 

SAMENVATTING

Tot slot zetten we de belangrijkste concepten uit dit hoofdstuk nog even op een rijtje:

  • Doelstellingen van het economisch beleid
  • Beleidsinstrumenten
  • economische orde, proces en structuur
  • conjunctuur- en structuurbeleid
  • marktmechanisme
  • plan- en markteconomie
  • Gemengde economie
  • privatisering

[NAAR HFST 4]  -  [NAAR INHOUDSOPGAVE]   -  [NAAR HFST 6]


E-mail: L.J.Touwen @hum.leidenuniv.nl
Last update: 11 oktober 2018