Universiteit Leiden - Opleiding Geschiedenis - Economie online

Hoofdstuk 4: Nationaal inkomen en het kringloopmodel

 

4.1 De productiefactoren

In de economische theorie onderscheidt men vier productiefactoren:

  1. arbeid
  2. kapitaal
  3. grond
  4. ondernemerschap

Onder de productiefactor 'kapitaal' verstaat men niet een bepaalde hoeveelheid geld, maar economisch kapitaal. Dit zijn machines en gebouwen (het vaste kapitaal) en grondstoffen en voorraden (het vlottend kapitaal). We spreken ook wel van kapitaalgoederen. Als we een bepaalde hoeveelheid geld bedoelen, geven we dit aan met de term geldkapitaal.

 

4.2 Nationaal product en nationaal inkomen

Vraag 1.

Stel je een zeer eenvoudige economie voor, op een piepklein eiland in de oceaan, waar slechts één boer woont, samen met zijn vrouw en kinderen. De boer verbouwt elk jaar 100 kilogram aardappels (ter waarde van 150 euro) en 100 kg graan (ter waarde van 50 euro). Ook heeft hij een paar koeien die per jaar 100 liter melk geven (ter waarde van 100 euro). De gehele boerenfamilie kan net leven van de aardappels, het graan en de melk.

a. Hoe groot is het jaarlijkse nationale product in deze mini-economie?

b. Hoe groot zijn de jaarlijkse consumptieve bestedingen in deze mini-economie?

c. Hoe groot is het jaarlijkse nationale inkomen in deze mini-economie?

 

Produceren is het combineren van productiefactoren. De ondernemer is degene die de productiefactoren arbeid, kapitaal en grond combineert. Het resultaat is dat producten worden gemaakt, inkomens worden verdiend en met die inkomens de producten weer worden gekocht. De manier waarop dit gebeurt, kan worden aangegeven door middel van een kringloopschema.

 

In deze kringloop is op een zeer abstract niveau aangegeven wat de relaties zijn tussen de gezinnen en de bedrijven in een land. Het kringloopschema laat een aantal macro-economische relaties zien: het gaat om wat de gezinnen of huishoudens gezamenlijk verdienen en wat de bedrijven of ondernemers gezamenlijk produceren.

Het gaat hier dus niet om de productie van een individuele producent of de aankopen van de individuele consument. Ook gaat het niet om bijvoorbeeld de geproduceerde hoeveelheid graan of de prijs van boter.

Het kringloopschema is een zeer eenvoudig model, in die zin dat we er voorlopig van uit gaan dat er geen overheid en buitenland zijn. Bovendien sparen de gezinnen niet en investeren de bedrijven niet.

In het tweede kringloopschema zijn ook de geldstromen opgenomen. Rechts is te zien hoe de gezinnen arbeid, geldkapitaal, grond en ondernemerschap ter beschikking stellen aan de bedrijven. De gezinnen ontvangen hiervoor:

  1. loon als beloning voor de productiefactor arbeid,
  2. interest (rente) als beloning voor het ter beschikking stellen van geldkapitaal,
  3. pacht als beloning voor het beschikbaar stellen van grond,
  4. winst als beloning voor (succesvol) ondernemerschap (soms 'management' genoemd).

De bedrijven kopen van dit geldkapitaal machines, gebouwen en grondstoffen t.b.v. de productie. De som van loon, interest, winst, en pacht aanduiden we aan als de beloning van de productiefactoren of factorinkomen.

De som van loon, interest, pacht en winst is het nationaal inkomen. Dit wordt aangegeven met de letter Y en gemeten over een tijdvak van één jaar.

De bedrijven produceren met behulp van de productiefactoren het nationaal product, dit wordt aangegeven met de letter W (wederom gemeten over een tijdvak van één jaar). In dit kringloop­schema bestaat het nationaal product louter uit consumptiegoederen, bijvoorbeeld brood, een boek of een wasmachine. De gezinnen gebruiken hun nationaal inkomen Y om het nationaal product W bij de bedrijven te kopen. Dit noemen we de consumptieve bestedingen (C). Geld gaat van de gezinnen naar de bedrijven, een stroom van consumptiegoederen gaat van de bedrijven naar de gezinnen. De bedrijven raken hun voorraden kwijt, ontvangen geld van de gezinnen, hiermee schakelen ze opnieuw productiefactoren in, zodat een nieuw nationaal product W kan worden gemaakt. Doordat opnieuw productiefactoren worden ingeschakeld, ontvangen de gezinnen weder­om een nationaal inkomen Y.

Met andere woorden: zolang als de gezinnen maar hun hele nationaal inkomen Y besteden om het nationaal product W van de bedrijven te kopen, zal er steeds opnieuw geproduceerd worden. In deze analyse wordt er dus van uitgegaan dat de vraag van de gezinnen naar consumptie­goederen de kringloop draaiende houdt. Als in de begin­situatie alle productiefactoren aan het werk zijn (er is geen werkloosheid, er staan geen machines stil), dan is het van groot belang dat de vraag op peil blijft en dat telkens een nieuw nationaal product wordt geproduceerd, dat even groot is als het vorige.

W = Y = C

W = Nationaal Product

Y = Nationaal Inkomen

C= Consumptieve bestedingen

 

4.3 Sparen en investeren

Zolang de gezinnen hun hele inkomen consumptief besteden, kan de kringloop zich op hetzelfde niveau bewegen. Grote problemen ontstaan, zodra de consumenten besluiten om een deel van hun inkomen niet consumptief te besteden. Zij sparen dan. Het gedrag van de gezinnen kan als volgt worden samengevat in een gedragsvergelijking:

Y = C + S

Hier staat niets anders dan: het nationaal inkomen wordt voor een deel besteed aan consumptie en voor een deel gespaard.

Wat gebeurt er als de consumenten 2/3 van het nationaal inkomen besteden en 1/3 sparen? Niet langer wordt het nationaal product W, waarmee het nationaal inkomen Y is verdiend, geheel gekocht. De consumenten gebruiken immers maar 2/3 van dit inkomen om consumptiegoederen te kopen. De producenten blijven met on­verkochte producten zitten en ze besluiten om bij de productie van een nieuw nationaal product, maar wat minder te produceren. Ze schakelen minder productiefactoren in, bij voorbeeld minder arbeid. Het nationaal inkomen, dat ontstaat bij de productie van dit nieuwe nationaal product is daarom ook kleiner. Als dit lager nationaal inkomen wederom voor slechts 2/3 aan consumptie wordt uitgegeven en voor 1/3 wordt gespaard, dan ontstaat opnieuw de situatie dat de producenten niet alle producten kunnen verkopen, zodat ze weer minder zullen produceren, zodat het nationaal inkomen steeds verder afneemt. Zo gezien is sparen heel slecht voor een economie, omdat het de vraag naar consumptiegoederen afremt en hierboven zagen we dat het juist de vraag van de gezinnen is die de kringloop draaiende houdt.

Het is echter mogelijk dat op hetzelfde moment waarop de consumenten besluiten om te sparen, de producenten besluiten om hun kapitaalgoederenvoorraad uit te breiden. Zij doen dit door te investeren in machines en gebouwen. Dit zijn de zgn. uitbreidingsinvesteringen. Anders dan de hierboven genoemde vervangingsinvesteringen dienen deze investeringen, deze machines en gebouwen niet ter vervanging van versleten machines, maar er komen machines en gebouwen bij. Vaak worden de uitbreidingsin­vesteringen kortweg ‘investeringen’ genoemd.

De bedrijven kunnen op grond van hun winstverwachting besluiten om te gaan investeren. Naast consumptiegoederen produceren de bedrijven nu ook investeringsgoederen. De gedragsvergelijking voor de bedrijven kan als volgt worden omschreven:

W = C + I

Het geld, dat nodig is voor deze in­vesteringen, kunnen de producenten lenen uit het spaar­reservoir, waarin de gezinnen hun spaarcenten hebben gestort (een concretisering van het ‘spaar­reservoir’ zijn de banken, waarbij de bedrijven lenen). Indien de producenten precies evenveel uit het spaarreservoir halen als de consumenten erin stoppen, dan blijft de kringloop zich op hetzelfde niveau voortbewegen. Een getallenvoorbeeld kan dit ver­duidelijken:

Stel W = Y = 90. Als de consumenten 90 besteden aan consumptie­goederen dan blijft de kring­loop op hetzelfde niveau. Opnieuw geldt dat W = Y = 90. Gaan de consumenten dan 1/3 van hun inkomen sparen dan wordt hun consumptie 60 en hun spaarbedrag 30. Besluiten de producenten op hetzelfde moment om voor 30 te investeren, dan bestaat het nationaal product voor 60 uit consumptiegoe­deren en voor 30 uit investeringsgoederen. Het inkomen Y dat verdiend wordt met de productie van W is wederom 90. Het maakt bijvoorbeeld voor de productiefactor arbeid niet uit of het inkomen verdiend wordt met de productie van con­sumptiegoederen (een wasmachine) of met de productie van een investeringsgoed (een machine om wasmachines te maken) Bij beide soorten goederen wordt een inkomen verdiend, te zamen genereren zij het nationaal inkomen. Met investeren wordt dus inkomen gevormd, dit noemen we het inkomenseffect van investeringen.

Zoals hierboven gesteld: er is niets aan de hand, zolang als de totale besparingen S maar gelijk zijn aan de totale investeringen I. Maar is de kans groot dat dit gebeurt? Nee, eigenlijk niet. De besparingen van de gezinnen worden vooral ingegeven door de hoogte van hun inkomen: hoe hoger het inkomen, hoe meer er gespaard wordt. Anderzijds zijn de investeringen afhankelijk van de rentestand en van de winstverwachtingen van de bedrijven. Deze winstverwachtingen zijn op hun beurt weer afhankelijk van allerlei meetbare en niet-meetbare factoren (zoals de afzet­mogelijkheden, maar ook het economisch-psychologisch ‘klimaat’).

Dit brengt de paradoxale situatie met zich mee dat hoe rijker een samenleving wordt, hoe meer er gespaard wordt, hetgeen de winstverwachtingen van de producenten negatief zal beïnvloeden, waardoor de kans dat de besparingen groter worden dan de investeringen heel reëel wordt. Als de besparingen de investeringen overtreffen dan zullen het nationaal product en het nationaal inkomen in een neerwaartse spiraal terecht komen. Steeds minder productiefactoren zullen nodig zijn om een steeds kleiner nationaal product te produceren: er heerst werkloosheid, de maatschappij verkeert in een depressie en de welvaart is achteruit gegaan.

Dat dit niet alleen maar theorie is, bewijst wel de situatie in de jaren dertig in de Verenigde Staten. De inkomensverdeling was erg scheef. De welgestelde toplaag had meer dan genoeg gespaard; er was enerzijds geld genoeg. Dit grote spaarbedrag zou eigenlijk gecompenseerd moeten worden door een even grote investeringsstroom. De ondernemers kampten echter met grote af­zetproble­men, de voorraden eindproducten hoopten zich op. In een dergelijke situatie over te gaan tot investeringen, die de productiemogelijk­heden zouden vergroten, was dwaasheid. Ander­zijds waren miljoenen werkloos en moesten zien rond te komen van een schijntje aan uitkering: van een koopkrachtige vraag was geen sprake. In termen van de kringloop: S was groter dan I. Op eigen kracht kwamen producenten en consumenten niet uit deze patstelling. Ingrijpen van buitenaf, door bijvoorbeeld de overheid, was nodig om de economie weer aan te zwengelen.

Y = C + S   (Besteding van het inkomen – de consumentenzijde)

W= C + I   (Hoe het inkomen gevormd wordt – de productiezijde)

Y = Nationaal Inkomen

W = Nationaal product

S = Besparingen

C = Consumptie

I = Investeringen

Consumptie wordt gedefinieerd als datgene wat door de huishoudens wordt gekocht. Daarbij zitten dus duurzame goederen , zoals wasmachines, stereo-installaties kleuerentelevisies en auto’s, maar tevens niet-duurzame goederen, zoals voeding, kleding, benzine, en ten slotte ook diensten, zoals verzekeringen, een bezoekje aan de kapper of de huisarts, en de kosten van een opleiding.

C = duurzame goederen + non-duurzame goederen + diensten

 

4.4 Inkomenseffect en capaciteitseffect van investeringen

Hierboven is gesproken over het inkomenseffect van investeringen: met het maken van een machine of het bouwen van een fabriekshal wordt inkomen verdiend. Maar investeringen hebben ook invloed op de productiecapaciteit. De productiecapaciteit geeft aan hoeveel er potentieel geproduceerd kan worden, gegeven de hoeveelheid productiefactoren, de stand van de techniek etc. In het volgende hoofdstuk gaan we dieper in op dit begrip productiecapaciteit. Wel zal het nu al duidelijk zijn dat met name investeringen de productiecapaciteit beïnvloeden. Doordat er machines en gebouwen bijkomen zal het productie­potentieel toenemen, dit noemen we het capaciteitseffect van investeringen. Bij de kringloopanalyse houden we geen rekening met dit capaciteitseffect. De kringloop­analyse is een korte termijn analyse, waarbij alleen wordt gekeken naar het inkomenseffect van investeringen. We noemen dat ook wel een statische analyse. Pas op langere termijn (als de machine klaar is en de fabriekshal er staat) is het capaciteits­effect merkbaar.

4.5 Overheid

Als we ons beeld van de economie nog wat meer op de werkelijkheid willen afstemmen, moet ook de overheid erbij betrokken worden. In onze maatschappij heeft de overheid veel invloed op de economie. We bespreken vijf aspecten waarbij de overheid een belangrijke rol speelt.

 

  1. De overheid produceert goederen
  2. De overheid is werkgever
  3. De overheid koopt bij het bedrijfsleven
  4. De overheid leent geld
  5. De overheid herverdeelt het inkomen

 

A. De overheid produceert goederen

De overheid produceert en levert een groot aantal goederen en diensten. Denk maar eens aan de aanleg van wegen en dijken en aan de diensten van politie en militairen. In veel gevallen gaat het om de productie van collectieve goederen. Dat zijn goederen waarvan de kosten niet afzonderlijk aan de gebruikers kunnen worden doorberekend. Daarnaast produceert de overheid ook individuele goederen. Van dit soort goederen kunnen de kosten wel door de overheid aan de gebruikers worden doorgerekend, maar veelal wordt aan de gebruiker geen of slechts een beperkt bedrag in rekening gebracht. Denk maar eens aan het onderwijs en aan collegegelden.

B. De overheid is werkgever

Om haar taken te kunnen vervullen, heeft de overheid een groot aantal ambtenaren in dienst. Alles bij elkaar werken er in overheidsdienst in Nederland circa 1 miljoen mensen. Als werkgever heeft de overheid belangrijke invloed op de loonsvorming van haar werknemers. Bovendien is er dan nog een grote groep werknemers,de trendvolgers, die de ontwikkeling van de salarissen va het overheidspersoneel volgen. Denk hier aan bijvoorbeeld verpleegsters van particuliere ziekenhuizen.

C. De overheid koopt bij het bedrijfsleven

De overheid heeft ook allerlei goederen nodig. Ambtenaren hebben gebouwen nodig met inventaris, papier, auto’s enz. De overheid koopt dus zowel kapitaalgoederen als consumptiegoederen om haar werkzaamheden te verrichten.

D. De overheid leent geld

Om haar activiteiten te financieren heeft de overheid geld nodig. Het meeste geld komt uit belastingopbrengsten en daarnaast komen de inkomsten vooral uit de verkoop van aardgas en winsten van overheidsbedrijven. Als de overheid meer uitgeeft dan zij ontvangst, heeft zij te maken met financieringstekorten. Om deze tekorten te financieren kan de minister van financiën staatsleningen (staatsobligaties) uitschrijven.

E. De overheid herverdeelt het inkomen

De overheid heeft met het innen van belastingen de mogelijkheid om aan inkomenspolitiek te doen. In Nederland is het algemeen aanvaard dat mensen met een hoog inkomen in verhouding meer belasting betalen dan mensen met een laag inkomen. Grote geldbedragen gaan jaarlijks naar mensen die zelf geen inkomen kunnen verwerven (bijvoorbeeld de bijstand) en op veel terreinen verschaft de overheid bepaalde mensen subsidies (bijvoorbeeld door het geven van huursubsidie).

We kunnen de ontvangsten (B) en uitgaven (O) van de overheid verwerken in de economische kringloop. We kunnen de volgende vergelijkingen opstellen voor het nationaal product (NP) en het nationaal inkomen (Y).

 

 

De vergelijking van de inkomensvorming: W = C + I + O

De vergelijking van de inkomensbesteding: Y = C + S + B

O = Overheidsuitgaven (Engels: G: Government expenditure)

B = Belastingen (Engels: T : Taxes)

Omdat het nationaal inkomen en het nationaal product aan elkaar gelijk zijn, kunnen we uit deze vergelijkingen afleiden dat:

C + I + O = C + S + B

En dus ook dat:

(I – S) + (O – B) = 0

 

NB Bij het Centraal Bureau voor de Statistiek kun je vinden hoe groot het BNP in Nederland momenteel is.


4.6 Het buitenland

Tot nu toe zijn we uitgegaan van een gesloten economie. Een gesloten economie is een economie zonder invloed van het buitenland. Het model wordt natuurlijk beter als de internationale economie wordt meegenomen. Als de wereldprijs van ruwe olie met een paar dollar daalt, heeft dat gevolgen voor onze benzineprijs en voor onze aardgasopbrengsten. Als de dollarkoers stijgt, wordt de import uit Amerika duurder en dat is gunstig voor onze export. Als de aandelen op de effectenbeurs in Japan plotseling in waarde stijgen, kan dat ook gevolgen hebben voor de handel in aandelen op de Amsterdamse effectenbeurs. Kortom, op allerlei gebieden hangt onze economie samen met economische gebeurtenissen in het buitenland. Omdat het buitenland belangrijke invloed op onze economie kan hebben, wordt in velerlei organisaties samengewerkt met andere landen. Denk bijvoorbeeld aan de Europese Unie.

 

 

In het model moeten we dus opnemen dat geproduceerde goederen kunnen worden geëxporteerd naar het buitenland of geïmporteerd vanuit het buitenland. Ook kunnen consumenten gaan investeren in een fabriek in het buitenland (Buitenlandse Directe Investeringen (BDI, in het Engels: Foreign Direct Investment, FDI), en kunnen buitenlanders hun productiefactoren beschikbaar stellen aan onze bedrijven. Let op, het gaat hier niet om beleggingen in buitenlandse aandelen (Engels: portfolio investment), maar om daadwerkelijke investeringen, bijvoorbeeld het bouwen door Nederlandse ondernemers van een autofabriek in Japan of een gloeilampenfabriek in Polen.

 

 

De in- en uitvoer van goederen kunnen we ook in onze vergelijkingen van het nationaal product en het nationaal inkomen opnemen.

 

Het nationaal product is in een open economie, dus in een economie waarbij rekening gehouden wordt met het buitenland, gelijk aan:

W = C + I + O + E – M

E = Export (soms ook X)

M = Import

Het nationaal inkomen kan worden besteed aan:

Y = C + S + B

Uit de vergelijking W = Y volgt de nu volgende vergelijking:

C + I + O + E – M   =   C + S + B

Uit deze vergelijking is af te leiden dat:

(I – S) + (O – B) + (E – M) = 0

Dit betekent dat de som van het spaarsaldo (I-S) plus het saldo van de overheidsfinanciën (O-B) plus het in- en uitvoersaldo gelijk moet zijn aan nul.

4.7 Drie aspecten van het kringloopmodel

 

  1. Het nationaal product W is in waarde gelijk aan het nationaal inkomen
  2. Er is verschil tussen vervangingsinvesteringen en afschrijvingen
  3. De verkeersvergelijking van Fischer luidt: M*V = P*T

 

A. Het nationaal product W is in waarde gelijk aan het nationaal inkomen Y.

Dit is in dit kringloopschema zo, maar ook bij veel ingewikkelder schema’s. Dit komt doordat bij productie een inkomen ontstaat, dat precies groot genoeg is om de productie te kunnen kopen. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Stel een ondernemer wil melk produceren. Hij huurt arbeiders om de koeien te melken, leent geld om de koeien te kunnen kopen en pacht een stuk weiland om de koeien te laten grazen. De arbeiders ontvangen loon, de kapitaal­verschaffer interest, de grondbezitter ontvangt pacht. De kostprijs van de melk is dan bijvoorbeeld:

Loon 50
Interest 10
Pacht 30
Totaal 90 daalders

Het zal duidelijk zijn dat het voor de ondernemer niet verstandig is om de melk ook voor 90 daalders te verkopen. Immers, hij heeft deze productiefactoren gecombineerd, dus zijn eigen arbeidstijd eraan gespendeerd en bovendien loopt de ondernemer een risico: de arbeiders kunnen in staking gaan, zijn koeien kunnen de veepest krijgen en het weiland kan onder water lopen. Winst is de beloning voor het door de ondernemer gedragen risico en voor zijn arbeid. Als de marktprijs voor de melk bijvoorbeeld 100 is, dan is de beloning voor de ondernemer in de vorm van winst 10.

Als de marktprijs van de melk 100 is, dan zijn de inkomens die verdiend zijn met de productie van die melk ook precies 100: bij de productie van dit product is precies genoeg verdiend om het product te kunnen kopen.

Wordt van de melk kaas gemaakt, dan kan precies dezelfde redenering worden gevolgd en weer zal de uitkomst zijn: met de productie van deze kaas zijn inkomens verdiend die precies gelijk zijn aan de prijs van de kaas. Algemener geformuleerd: met de inkomens die ontstaan bij de productie, kan het geproduceerde precies worden gekocht. Wordt er dus op een bepaald moment een nationaal product W geproduceerd, dan wordt hiermee een nationaal inkomen Y verdiend, waarmee het nationaal product precies kan worden gekocht. In het bovenstaande kringloopschema gaan we ervan uit dat dat ook gebeurt. We gaan er nog op in wat er gebeurt als de gezinnen hun verdiende inkomen niet geheel aanwenden om de productie te kopen.

Daarnaast is het handig om er hier alvast op te wijzen dat de klassieke economen ervan uitgingen dat de productie altijd werd gekocht. Say, een van de klassieke economen, formuleerde het in zijn bekende wet van Say aldus: elk aanbod schept zijn eigen vraag. Deze aanname van de klassieke economen had verregaande implicaties voor hun opvattingen over het functioneren van de economie en hun remedies wanneer er sprake was van overproductie.

B. vervangingsinvesteringen en afschrijvingen

De productiefactor kapitaal bestaat uit vast en vlottend kapitaal. Het vaste kapitaal zijn de machines en gebouwen, zoals fabrieken; het vlottend kapitaal wordt gevormd door kapitaal­goederen, die in het productieproces teniet gaan, zoals grondstoffen.

Vast kapitaal kan men gedurende een langere tijd gebruiken. Wel is vast kapitaal aan slijtage onderhevig, zodat het na enige tijd vervangen moet worden. Om de kapitaalgoederen­voorraad in stand te houden, moeten de bedrijven behalve consumptiegoederen ook kapitaal­goederen produceren, die dienen ter vervanging van versleten machines. Dit noemen we vervangingsinvesteringen.

Stel, een producent heeft een machine, die 15.000 kost en waarmee 30.000 eenheden geproduceerd kunnen worden. De producent zal nu de prijs van elke eenheid met 50 cent verhogen en die 50 cent reserveren, om zo na afloop van de productie van 30.000 eenheden een nieuwe machine te kunnen kopen. Die 50 cent noemen we de afschrijving. Hiermee kunnen de vervangingsin­vesteringen worden betaald. De consumptiegoederen worden dus duurder, maar tegelijkertijd wordt met de productie van de vervangingsinvesteringen een inkomen verdiend, zodat ook nu geldt dat met het verdiende inkomen de productie juist kan worden gekocht.

In werkelijkheid is de problematiek van de afschrijvingen veel ingewikkelder. Zo valt niet precies te zeggen na hoeveel eenheden de machine versleten is. Bovendien speelt naast slijtage tegenwoordig natuurlijk veel meer mee of een machine nog wel technisch productief en efficiënt genoeg is.

Het nationaal product, waarbij we géén rekening houden met de productie van vervangings­investeringen noemen we het netto nationaal product. Het netto nationaal product plus de vervangingsinvesteringen noemen we het bruto nationaal product.

Het inkomen verdiend met de productie van het netto nationaal product noemen we het netto nationaal inkomen. Tellen we hierbij het inkomen dat verdiend wordt met de productie van de vervangingsinvesteringen, dan spreken we van bruto nationaal inkomen.

 

C. De verkeersvergelijking van Fischer: M*V = P*T

De rechterkant van het kringloopschema geeft aanleiding tot enige beschouwingen over de gelijkheid van geld- en goederen­stromen. Het is vanzelfsprekend dat de waarde van de consumptiegoederen die van de bedrijven naar de gezinnen gaat, even groot is als de geld­stroom, de consumptieve bestedingen, die van de gezinnen naar de bedrijven gaat. Het is iets waar we niet meer bij stil staan: kopen we een boek van 25, dan gaat een artikel ter waarde van 25 van verkoper naar koper (dit is een transactie), en dit bedrag is gelijk aan de geldstroom die van koper naar verkoper gaat. Met andere woorden: de hoeveelheid geld in een economie is gelijk aan alle transacties in een economie, vermenigvuldigd met de prijzen van de goederen die bij de transacties betrokken zijn.

De hoeveelheid geld in een economie is echter niet de hoeveelheid munten en bankbiljetten (+giraal geld, maar gemakshalve gaan we uit van een economie met alleen munten en bankbiljetten). Eén bankbiljet wordt in een bepaalde tijdspanne (een jaar bijvoorbeeld) namelijk meerdere malen gebruikt voor het financieren van transacties. Hoeveel maal dat is hangt van allerlei factoren af. Het zal duidelijk zijn dat in pre-industriële economieën deze geldomloopsnel­heid met name op het platteland heel laag is. Veel transacties vinden plaats zonder geld en belandt een munt eenmaal bij een boer, dan kan het wel even duren voordat hij die munt weer uitgeeft. De hoeveelheid geld moet dus vermenigvuldigd worden met de geldomloopsnelheid, gemeten over bijvoorbeeld één jaar, om te weten hoe groot gedurende dat jaar de ‘effectieve’ geldstroom is in een economie.

De gelijkheid tussen geld- en goederenstromen werd door de econoom Fischer (1867-1947) tot uitdrukking gebracht in zijn beroemde formule:

M*V = P*T

M staat hierbij voor de hoeveelheid geld (money), V voor velocity, de geldomloopsnelheid. Vanzelfsprekend is het product van M en V gelijk aan het gemiddeld prijspeil (P) vermenig­vuldigd met het aantal transacties (T). 

(N.B. in de oorspronkelijke Engelse versie stond T voor ‘trade’, hetgeen op hetzelfde neerkomt als transacties, omdat het hier gaat om alle transacties, die op de markt tegen geld plaatsvinden, ofwel de handel. De ruilhandel en het consumeren van eigen producten valt geheel buiten de formule). 

Deze formule, de verkeers­vergelijking van Fischer, kan uitstekend toegepast worden om bepaalde historische ontwikkelingen te analyseren.

De formule kan gebruikt worden om de begrippen inflatie en deflatie toe te lichten:
» Inflatie wil in het algemeen niets anders zeggen dan: een toename van de geldhoeveelheid M of van M*V. Inflatie zal op den duur tot prijsstijging leiden, maar geeft in eerste instantie ook een stijging van het aantal transacties (via het multiplier-effect (zie les 6) kan dit heel gunstig zijn). Een geringe inflatie helpt mee om 'oneffenheden' in het economisch leven weg te werken, het werkt als een smeermiddel in de economie..
» Deflatie is het omgekeerde, dus een daling van de geldhoeveelheid/geldomloopsnelheid. Dit kan leiden tot lagere prijzen maar ook tot minder transacties! 
Waarom is deflatie ongewenst? De prijzen kunnen dan wel dalen, veel andere grootheden in de economie dalen niet: bijvoorbeeld de lonen die aan de werknemers worden uitgekeerd, of de rente die moet worden betaald over een bestaande schuld. Hierdoor worden de winsten van het bedrijf uitgehold en nemen de investeringen af. Daarbij komt het effect onder de consumenten, dat zij geneigd zijn om aankopen uit te stellen (morgen is het wellicht nóg goedkoper!). Door stagnerende consumptie, wegvallende winsten, zwaardere rentelasten, raakt de economie langzaam maar zeker in het slop. Deflatie is als zand in de machine.

In het spraakgebruik, echter, wordt met inflatie veelal prijsstijging bedoeld en met deflatie prijsdaling.

De formule M*V = P*T kan het bovenstaande toelichten. Neemt de geldhoeveelheid toe dan zal dit tot prijsstijging leiden, mits V en T gelijk blijven. V is normaliter tamelijk constant en verandert alleen op lange termijn. Slechts in crisissituaties kan V plotseling stijgen. In situaties dat T niet verder kan stijgen, dit is het geval als alle productiefactoren aan het werk zijn, zal een stijging van de geldhoeveelheid wel moeten leiden tot prijsstijging, c.q. een daling van M zal leiden tot prijsdaling.

Wil een overheid prijsdalingen tot stand brengen, dan zal zij trachten om geld uit de kringloop te halen. Dit kan bijvoorbeeld door de staatsschuld (=public debt) te vergroten. De overheid leent geld van haar burgers, stopt dit in de schatkist en haalt het daar niet meer uit. Daardoor vermindert de geldhoeveelheid. Op dezelfde wijze kan de overheid meer belastingen heffen, zonder dat daar een vergroting van de uitgaven tegenover staat. Een deflatoire politiek, zoals de Engelse regering voerde in de jaren twintig, hield dan ook in: “balancing the budget by maintaining a very high level of taxation and increasing the burden of the public debt”. Ogenschijnlijk een wat vreemde situatie: lenen terwijl de overheidsbegroting in evenwicht is (balancing the budget), maar de ratio ervan is het verkleinen van de geldhoeveelheid om zo een deflatie tot stand te brengen.

4.8 Economische groei: conjunctuur en structuur

Hoe komt het dat – gegeven een bepaalde productiecapaciteit, een bepaald productiepotentieel – niet altijd volledig van dat potentieel gebruik wordt gemaakt? Met andere woorden, waarom is het nationaal inkomen soms lager dan het zou kunnen zijn, waarom worden niet altijd alle productiefactoren ingeschakeld en is er werkloosheid? Gezien over een aantal jaren, blijkt de samenleving soms meer, soms minder gebruik maakt van de aanwezige productiecapaciteit. Het nationaal inkomen fluctueert binnen de gegeven productiecapaciteit. Deze fluctuaties noemen we conjunctuur. De conjunctuurbeweging hangt af van verandering in de vraag. De conjunctuuranalyse is een korte termijn-analyse, binnen een gegeven productiecapaciteit.

Een heel andere vraag is: hoe komt het dat de productiecapaciteit zelf groeit? Dan zijn we bezig met lange termijn veranderingen in de structuur van de economie. Structurele veranderingen in de economie, ook wel trendmatige veranderingen genoemd, hangen samen met veranderingen in de aanbodfactoren. Structurele veranderingen in de economie maken economische groei mogelijk. Het proces van economische groei kunnen we omschrijven als: een structurele toename van nationaal product en nationaal inkomen per hoofd van de bevolking.

Het onderscheid tussen structuur en conjunctuur is theoretisch heel goed te maken, maar in de praktijk treden beide verschijn­selen naast elkaar op en beïnvloeden elkaar wederzijds. Het tweele­dig effect van de investeringen geeft dat al aan: bij een geweldige structurele economische groei, zullen de winstverwachtingen van de ondernemers hoog zijn, ze investeren veel, wat veel inkomen oplevert maar op langere termijn ook weer nieuwe productiemoge­lijkheden betekent en dus economische groei mogelijk maakt. We kunnen stellen dat de conjunctuur zich om de trend slingert: trendmatig groeit het nationaal inkomen met een zeker tempo, van jaar tot jaar versnelt en vertraagt dit tempo, al naar gelang de conjuncturele situatie.

4.9 Economische groei: verandering in de aanbodfactoren

De groei van de productiecapaciteit wordt bepaald door de veranderingen in de aanbod­factoren:

  1. Veranderingen in de hoeveelheid en kwaliteit van de productiefactoren;
  2. Veranderingen in de mate van arbeidsverdeling of in de economische organisatie;
  3. Veranderingen in de stand van de techniek.

A. Veranderingen in de hoeveelheid en kwaliteit van de produc­tiefactoren.

Hierbij gaat het om zaken als de hoeveelheid en geschooldheid van de productiefactor arbeid, de bodemgesteldheid van het land (inclusief bodemschatten als olie en gas) en de hoeveel­heid en aard van de kapitaalgoederenvoor­raad.

B. Veranderingen in de mate van arbeidsverdeling of in bredere zin, veranderingen in de econo­mische organisatie

We onderscheiden hierbij drie verschillende soorten arbeidsverdeling, namelijk:

B-1: De maatschappelijke arbeidsverdeling

Hieronder verstaan we de beroepsdifferentiatie of speciali­satie. De mensen kunnen zich toeleggen op het beroep waarvoor ze de meeste aanleg hebben en hierin een grote vakbe­kwaamheid ontwikkelen.

B-2 : De technische arbeidsverdeling of arbeidssplitsing

Het arbeidsproces wordt verdeeld in deelbewerkingen. Er is zodoende geen tijdver­lies door het wisselen van gereedschap en de routine kan zeer groot worden. Een voorbeeld van technische arbeidsverdeling is de lopende band.

B-3: De geografische arbeidsverdeling

Elke regio produceert datgene, waarvoor deze wat betreft ligging, klimaat en bodem het meest geschikt is. Geografische arbeidsverdeling leidt tot onderlinge afhankelijk­heid van landen en zo tot internationale handel.

Veranderingen in de arbeidsverdeling betekenen veranderingen in de economische organisatie. Andere veranderingen in de economische organisatie zijn bijvoorbeeld: grootschaliger productie, het ontstaan van gespecialiseerde economische instituties zoals banken en beter manage­ment waardoor er een betere allocatie (= verdeling) van productie­factoren ontstaat. Van een betere allocatie is sprake als de beschikbare productiefactoren beter verdeeld worden over de economie: arbeid stroomt bijvoorbeeld van een weinig productieve sector naar een produc­tievere, kapitaal wordt geïnvesteerd in de aanleg van een spoorweg in plaats van in het bouwen van een landhuis.

Al deze veranderingen in de economische organisatie betekenen vergroting van de efficiency en leiden daardoor tot economische groei.

C. Veranderingen in de stand van de techniek.

De technische ontwikkeling is vanzelfsprekend van groot belang voor de economische groei. Door betere machines stijgt de productiecapaciteit. In dit verband is het zinnig een onder­scheid te maken tussen invention en innovation. De ‘invention’, is de uitvinding van een nieuwe machine of een nieuw procédé, de ‘innovation’ is de toepassing van de uitvinding in het productie­proces. Niet alle inventions leidden tot innovations.

Het is ook belangrijk een onderscheid te maken tussen breedte- en diepte-investeringen. Beide zijn vormen van uitbreidingsinvesteringen en beide verhogen de productiecapaciteit. Echter bij breedte-investeringen worden méér van dezelfde machines aangeschaft. Het aantal arbeidsplaat­sen neemt navenant toe, de arbeidsproductiviteit (de productie per arbeider per uur) blijft gelijk. Bij diepte-investeringen vervangt men verouderde machines door technisch geavanceerdere, de arbeidsproductiviteit neemt toe en er zijn minder arbeiders nodig om dezelfde hoeveelheid te produceren. Technische ontwikkeling maakt het doen van diepte-investeringen, en daarmee een versnelling van het economisch groeitempo mogelijk.

De huidige technologische ontwikkeling is niet alleen een oorzaak van economische groei, maar zeker ook een gevolg daarvan. Hoe rijker een samenleving, des te meer geld kan er uitgetrokken worden voor research, hetgeen verdere vernieuwingen en verbeteringen van productieprocessen zal opleveren. In het verleden had de relatie tussen technologische ontwikkeling en economische groei meer het karakter van eenrichtingverkeer.

Economische groei bestaat dus uit toename in de aanbodfactoren:

  1. Veranderingen in de hoeveelheid en kwaliteit van de productiefactoren.
  2. Veranderingen in de mate van arbeidsverdeling of in de economische organisatie
  3. Veranderingen in de stand van de techniek.

We kunnen de oorzaken van economische groei ook beschouwen vanuit de veranderingen in de productiviteit van de productiefactoren, dit komt voort uit het bovenstaande.

  • de productiviteit van de productiefactor arbeid (de arbeidsproductiviteit) wordt beïnvloed door betere scholing, door betere organisatie van de arbeid en door betere machines.
  • de productiviteit van de productiefactor kapitaal hangt af van de stand van de techniek en van de scholing van de arbeid.
  • de productiviteit van de productiefactor grond hangt af van betere technieken (b.v. drainage, gebruik van vruchtwisselingsstelsels, zaaizaadveredeling) en van een betere organisatie van het grondgebruik (en dus van de arbeid), denk hierbij b.v. aan de enclosures.

 

4.10 Aanbod en vraag

Wijzigingen in de aanbodfactoren voltrekken zich pas geleidelijk; pas op de langere termijn wordt het effect zichtbaar. Voor historici vormen deze lange termijn ontwikkelingen een belangrijk onder­zoeksveld. De industriële revolutie in Engeland en de verdere economische groei in het Westen kunnen bestudeerd worden door te kijken naar de wijzigingen die zich in de aanbodfactoren hebben voltrokken. Daarbij doen zich op de lange termijn grote structurele veranderingen voor in de economie. Het is bij zo’n lange termijn analyse niet zinvol om al te strikt alléén naar aanbodfactoren te kijken: vraag en aanbod grijpen op elkaar in.

Om enkele voorbeelden te noemen: in een samenleving die welvarender wordt, zal de vraag zich wijzigen. Relatief zal de vraag naar landbouwgoederen afnemen, terwijl de minder primaire levensbehoeften een grotere plaats in het consumptiepakket zullen innemen. De agrarische sector (ook wel genoemd: de primaire sector) zal eerst relatief, maar later ook absoluut in betekenis afnemen en daartegenover zullen de industriële sector (de secundaire sector) en de dienstensector (de tertiaire sector) een steeds grotere rol gaan spelen.

Een ander voorbeeld is de wisselwerking tussen economische groei en bevolkingsgroei. Bevolkingstoename kan een stimulans zijn voor economische groei: het aanbod van arbeidskrachten neemt toe evenals de vraag naar goederen. Economische groei zelf betekent dan weer een stimulans voor verdere bevolkingstoename (alléén door economische groei en de daarmee gepaard gaande internationale arbeidsspecialisatie etc. kunnen 15 miljoen mensen op een drassige delta die Nederland heet een bestaan vinden; dit is ondenkbaar in de pre-industriële tijd). Maar als de productiecapaciteit zich niet snel genoeg kan uitbreiden, betekent bevolkingstoename een rem op economische groei. Als het groeipercentage van de bevolking dat van de uitbreiding van de productiecapaciteit overtreft, zal het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking dalen. Dan is het gevolg van bevolkingsgroei alleen maar (verdere) toename van werkloosheid en verpaupering van de bevolking.

N.B. De aanbodfactoren moeten vooral niet verward worden met de ceteris paribus voorwaarden voor de aanbodfunctie! Zie hiervoor hoofdstuk 2.

4.11 De berekening van het bruto binnenlands product

Als je naar het kringloopmodel kijkt, wordt duidelijk dat we het nationaal inkomen op twee manieren kunnen berekenen, namelijk

  1. als som van de bestedingen, verminderd met de invoer (bestedingsmethode of objectieve methode): we kijken naar het bestedingsbedrag van de consumenten of huishoudens.
  2. als som van de beloning van de productiefactoren (inkomensmethode of subjectieve methode): we kijken naar de wijze waarop het inkomen gevormd wordt.

    Er is nog een derde methode om het nationaal inkomen te berekenen:
     
  3. Als som van alle toegevoegde waarden door de producenten in één jaar. De toegevoegde waarde is datgene wat een producent aan waarde toevoegt aan de gebruikte grondstoffen.

Bij de groeiboekhouding (‘growth accounting’) wordt de toename van de inzet van de verschillende productiefactoren (land, kapitaal, arbeid, ondernemerschap) vastgesteld en gekeken hoe groot de productiviteitsstijging is.

Er bestaan een flink aantal verschillende inkomensbegrippen. De verschillende definities komen bijvoorbeeld voort uit:

  1. het verschil tussen het bruto en het netto inkomen, dat wordt gevormd door de afschrijvingen of vervangingsinvesteringen (bij het netto inkomen telt het vervangen van versleten machines niet mee - het reeds bestaande machinepark slijt, maar reparatie hiervan geldt immers niet als nieuw inkomen);
  2. het verschil tussen het binnenlands en het nationaal product, bestaande uit de inkomens van inwoners van het land die in het buitenland wonen en de inkomens van de buitenlanders in het land;
  3. het verschil tussen waardering tegen marktpijzen of factorkosten, bestaande uit de post indirecte belastingen minus subsidies;
  4. het verschil tussen het nationaal inkomen en het beschikbaar nationaal inkomen, bestaande uit het saldo secundaire inkomens.

De volgende begrippen zijn belangrijk:

Bruto Nationaal Product (BNP) = (Engels:) GNP – Gross National Product Het nationaal product dat alle bedrijven, ook die in het buitenland gevestigd zijn, produceren in één jaar, inclusief de vervangingsinvesteringen.

Netto Nationaal Product (NNP) = (Engels:) NNP – Net National Product Het nationaal product dat alle bedrijven, ook die in het buitenland gevestigd zijn, produceren in één jaar, exclusief de vervangingsinvesteringen.

Bruto Binnenlands Product BBP = (Engels:) GDP – Gross Domestic Product De jaarlijkse productie van alle burgers binnen de landsgrenzen, ook buitenlanders, in één jaar, inclusief de vervangingsinvesteringen.

Netto Binnenlands Product NBP = (Engels:) NDP – Nett Domestic Product De jaarlijkse productie van alle burgers binnen de landsgrenzen, ook buitenlanders, in één jaar, exclusief de vervangingsinvesteringen.

Ter illustratie: 

Het BBP van Nederland in het jaar 2017 was ongeveer 725,4 miljard euro. Per hoofd van de bevolking is dat 51.785 euro. 

Het BBP in Amerika was in 2017 ongeveer 18.624 miljard dollar, dat is ongeveer 58.000 dollar per hoofd.

Welke inkomensbegrip nu het ‘beste’ is, kan niet eenvoudig worden aangegeven. Als we geïnteresseerd zijn in de waarde van de goederen en diensten die wij als Nederlandse ingezetenen kunnen kopen, dan is het beschikbaar netto nationaal inkomen tegen marktprijzen de meest logische maatstaf. Willen we ook weten hoeveel middelen beschikbaar zijn om de kapitaalgoederenvoorraad weer op het oude peil terug te brengen, dan kunnen we het beste het bruto nationaal inkomen hanteren. Wil je de beleidsmaatregelen evalueren die in een land worden genomen, dan ligt het meer voor de hand om naar het (netto of bruto) binnenlands product te kijken. De vraag welke inkomensbegrip het ‘beste’ is, hangt daarom af van de probleemstelling waarmee je bezig bent.


SAMENVATTING

Tot slot zetten we de belangrijkste concepten uit dit hoofdstuk nog even op een rijtje:

  • De productiefactoren;
  • Het kringloopmodel;
  • Het nationaal product, het nationaal inkomen en de consumptieve bestedingen;
  • De verkeersvergelijking van Fischer (M*V=P*T);
  • De Wet van Say;
  • De wijze waarop investeringen zijn opgebouwd;
  • Economische groei:
  • Veranderingen in de hoeveelheid en kwaliteit van de productiefactoren.
  • Veranderingen in de mate van arbeidsverdeling of in de economische organisatie
  • Veranderingen in de stand van de techniek.
  • Productiecapaciteit;
  • Conjunctuur.
  • Definities van BNP, NNP, BBP, NBP

 


[NAAR HFST 3]  - [NAAR INHOUDSOPGAVE]   -  [NAAR HFST 5]


E-mail: L.J.Touwen @hum.leidenuniv.nl
Last update: 11 oktober 2018