Universiteit Leiden - Opleiding Geschiedenis - Economie online

Hoofdstuk 2: Vraag en aanbod

Inleiding

Vraag en aanbod spelen zich af op de markt. We hebben het over de vraag van consumenten en het aanbod van producenten. We houden ons bezig met de prijsvorming van afzonderlijke producten. Waarom kost een pakje boter op de markt ongeveer één euro en hoeveel boter wordt er voor die prijs verhandeld? Daarvoor moeten we ons verdiepen in vraag naar boter van de consumenten. Welke hoeveelheden boter willen zij kopen bij welke prijzen? Daarnaast is het van belang om te weten welke hoeveelheden boter producenten willen aanbieden bij verschillende prijzen. 

We behandelen eerst de vraagfunctie: het verband tussen de prijs van een bepaald goed en de hoeveelheid die bij zo'n prijs gevraagd wordt. Daarna onderzoeken we de aanbodfunctie: het verband tussen prijs en de hoeveelheid die bij zo'n prijs aangeboden wordt. Op de markt worden vraag en aanbod met elkaar geconfronteerd en vindt prijsvorming plaats. Het is belangrijk om te weten dat er verschillende marktvormen zijn. Ten slotte zullen we zien dat de rol van de overheid bij de prijsvorming belangrijk is. De vraag-en-aanbodanalyse is een van de fundamenten van de economische theorie en wordt gebruikt om het gedrag van een markt te analyseren. 

Vraag en aanbod gaat over consumenten (of huishoudens), producenten en afzonderlijke producten. Het betreft hier micro-economie.

Zaken als nationaal inkomen, nationaal product, consumptie en investeringen zijn macro-economische grootheden. Macro-economie gaat over de gehele, geaggregeerde markt van een land. (Zie verder les 1.)

 

2.1 De markt

Bij een verkooptransactie zijn altijd twee partijen betrokken: de koper en de verkoper. De een is de vrager en de ander de aanbieder van het goed. Beide partijen beïnvloeden elkaar. Op een drukke dag op de kermis kost het ritje met de bostsauto veel meer dan op een dag dat er weinig mensen op de kermis rondlopen. Een groentehandelaar op de markt die vreest met zijn tomaten te blijven zitten, zal de prijs van tomaten omlaag brengen. Omdat de vraag tegenvalt, moet hij door middel van een prijsverlaging van zijn te grote tomatenaanbod af zien te komen. Via het prijsmechanisme komen gevraagde en aangeboden hoeveelheden tot elkaar. De prijs van het goed is een centrale factor in dat proces.

Het geheel van vraag en aanbod naar een goed noemen we in de economie de markt. Op de markt worden goederen of diensten verhandeld, dat wil zeggen, door de producent verkocht en door de consument gekocht. We kunnen hierbij onderscheid maken tussen een concrete markt en een abstracte markt. Met een concrete markt bedoelen de fysieke plaats waar kopers en verkopers elkaar ontmoeten om bepaalde goederen te verhandelen. Voorbeelden hiervan zijn de weekmarkt, de veemarkt en de vlooienmarkt. Met abstracte markt bedoelen we het netwerk van relaties tussen kopers en verkopers van goederen en diensten. Voorbeelden hiervan zijn de arbeidsmarkt en de oliemarkt. De abstracte markt wordt beschreven met vraag- en aanbodcurven, die ons in staat stellen om de prijs van een goed vast te stellen (de zogenoemde evenwichtsprijs).

 

2.2 De vraagfunctie

Vraag 1.a
Stel, je geeft een feestje en je wilt je gasten onthalen op je favoriete zoutje, Hamka's. Je voornemen is om zoveel mogelijk Hamka's in huis te halen, naast bier, wijn en frisdrank.

Je gaat naar de winkel en ontdekt dat de Hamka's in de aanbieding zijn. Zul je nu meer of minder Hamka's inslaan?


In de economische wetenschap gaat men uit van het theoretische standpunt dat de consumenten streven naar nutsmaximalisatie, ofwel een zo groot mogelijke behoeftebevrediging. De consument tracht zijn schaarse middelen, zijn inkomen, zodanig aan te wenden dat hij een goederen- en dienstenpakket verwerft dat maximaal aan zijn behoeften voldoet. Natuurlijk zijn de prijzen van de goederen van invloed op de vraag die de consumenten uitoefenen naar de verschillende producten, tegen de achtergrond van dat streven naar nutsmaximalisatie: het aanschaffen van een peperdure audioinstallatie kan prima een bepaalde behoefte bevredigen, maar als het resultaat ervan is dat de consument zijn huur niet meer kan betalen en op straat wordt gezet, is er van een maximaal nut over de hele linie geen sprake. Aangezien de meeste consumenten hun uitgaven, ofwel hun vraag naar verschillende goederen, tegen elkaar moeten afwegen, is het zo dat een audioinstallatie des te beter verkocht wordt, naarmate de prijs lager is. Ofwel, de vraag naar een bepaald product neemt toe, naarmate de prijs ervan daalt. We kunnen dit verband tussen prijs en gevraagde hoeveel­heid weergeven in de vraagfunctie.


In de economie wordt de vraag gedefinieerd als de hoeveelheid van een goed die een koper bereid is te kopen tegen een bepaalde prijs.



De vraagfunctie wordt dikwijls in een grafiek weergegeven. Deze heet de vraagcurve. De vraagcurve maakt het mogelijk om af te lezen hoeveel er van een bepaald product (van een bepaald  "goed") door kopers wordt gekocht bij een bepaalde prijs. Het aantal zakken chips of het aantal pakjes boter dat in een economie wordt gekocht is niet noodzakelijk precies de hoeveelheid die de mensen nodig hebben, maar is afhankelijk van de prijs die ze ervoor over hebben. Als de prijs lager is, wil men meer kopen. Als de prijs hoog is, wil men minder kopen van dat bepaalde product.



De vraagfunctie geeft het verband weer tussen de prijs van een bepaald goed en de gevraagde hoeveelheid. Naarmate de prijs daalt, neemt de gevraagde hoeveelheid toe. Bij een prijs p1 wordt de hoeveelheid q1 gevraagd; daalt de prijs naar p2, dan wordt de grotere hoeveelheid q2 gevraagd. Dit is onder andere toe te schrijven aan de inkomensongelijkheid: naarmate de prijs van een goed daalt, komt het binnen het bereik van lagere inkomensklassen, en daar vallen grotere groepen mensen in dan in de hogere. 

 

Vraag 1.b

De Hamka's zijn niet in de aanbieding, ze zijn nog precies even duur. Maar een ander zoutje, dat je ook erg lekker vindt, Bugles, is wel heel goedkoop. Zul je, bij slim inkoopbeleid, nu meer of minder Hamka's inslaan?


Een tweede reden voor de toename van de gevraagde hoeveelheid bij een dalende prijs, is het zgn. substitutie-effect. De consument kan bij dalende prijs van product a, dit product kopen in plaats van het product b, dat hij eerst in gedachten had. Natuurlijk treedt dit substitutie-effect alleen op bij verwante producten: als de prijs van worteltjes daalt en die van sperzieboontjes gelijk blijft, kan de consument besluiten om worteltjes te kopen, in plaats van sperzieboontjes. Een groot deel van de 'aanbiedingen' van producten mikt op dit substitutie-effect. Bijvoorbeeld: we kunnen wel stellen dat de koffieconsumptie in Nederland maximaal is. Het is niet zo, dat wanneer een bepaald merk koffie goedkoper wordt, er meer koffie gekocht wordt wegens de inkomensongelijkheid, maar de koffiebrander hoopt op die manier de klanten van de concurrent aan te trekken.

 

Vraag 2.

Hamka's zijn eigenlijk alleen maar lekker in combinatie met CoolBest. Maar het CoolBest is zo verschrikkelijk duur geworden dat je besluit gewone Appelsientje te kopen. Zul je nu meer of minder Hamka's inslaan?


 

Vraag 3.

Hamka's zijn uit. Het is vet om paprika-chips te eten. Je bent het roerend eens met deze trend want je hebt genoeg van al die Hamka's. Je koopt dus minder Hamka's. Wat gebeurt er nu eigenlijk met de vraagcurve in de grafiek?



De vraag naar een product wordt beïnvloed door

a. de prijs van het product; 

b. de prijs van subsitituut-producten die een alternatief vormen; en 

c. de prijs van complementaire producten die je bij het oorspronkelijke product nodig hebt. 

 

Er kunnen dus allerlei redenen zijn waarom de gevraagde hoeveelheid van een bepaald goed stijgt of daalt. Zonder dat de prijs gedaald is, kan opeens een bepaald goed erg populair worden en daarom meer gevraagd. De welvaart kan stijgen zodat mensen méér DVD-spelers gaan kopen. Bij bevolkingsgroei zal de vraag naar voedsel toenemen, zonder dat er sprake is van prijsverandering. Kortom, er zijn situaties denkbaar waarin veranderingen optreden in de gevraagde hoeveelheid, die niets te maken hebben met prijsver­andering. Als we nu het verband tussen prijs en gevraagde hoeveelheid willen onderzoeken, moeten we derhalve andere veranderingen, die ook invloed hebben op de gevraagde hoeveelheid buiten beschouwing laten. Dit is de ceteris paribus voorwaarde. (Ceteris paribus, afgekort c.p., betekent: de overige omstandigheden gelijk).

Zijn de overige omstandigheden gelijk, dan geldt het in de vraagcurve beschreven verband tussen prijs en gevraagde hoeveelheid.


Veranderen de ceteris paribus voorwaarden, dan zal de hele vraagcurve verplaatsen. Hij verschuift dan naar links of naar rechts.

 

2.3 Omstandigheden die de vraag­functie kunnen beïnvloeden (Ceteris paribus voorwaarden)

 

Er zijn vier soorten overige omstandigheden (ceteris paribus-voorwaarden) die de vraag­functie beïnvloeden:

A. De behoeftenschema's van de consumenten

B. De inkomens van de consumenten

C. De prijzen van andere goederen (waaronder substitutie-goederen en complementaire goederen)

D. Het aantal consumenten

Als een van deze 'overige omstandigheden' verandert, zien we een verschuiving van de vraag­functie optreden, naar links of naar rechts.


A. De behoeftenschema's van de consumenten veranderen.

Wetenschappelijk wordt bijvoorbeeld bewezen dat het drinken van koffie zeer ongezond is, en het drinken van thee heel gezond. Het behoeftenschema van de consument zal veranderen. Hoewel de prijs van koffie niet verandert, zal toch de gevraagde hoeveelheid verminderen; de hele vraagfunctie verschuift naar links (zie figuur):



Anderzijds, zonder dat de prijs van thee verandert, wordt er veel meer thee wordt gevraagd; de hele vraagfunctie verschuift naar rechts (zie onderstaande figuur).



B. De inkomens van de consumenten veranderen

Als de inkomens van de consumenten toenemen kan de vraag­functie van een bepaald goed:

  1. naar rechts verschuiven: zonder dat de prijs van boter is veranderd, kopen de consumenten meer boter.
  2. naar links verschuiven: zonder dat de prijs van margarine is veranderd, willen de consumenten minder margarine hebben. Dit noemt men in de economische theorie inferieure goederen, wat niet een oordeel inhoudt over de kwaliteit, maar waarmee wordt aangegeven dat dit goederen zijn die bij stijgende inkomens minder gevraagd worden. Aardappels vallen hier bijvoor­beeld ook onder.
  3. er kan ook niets gebeuren: bij een stijgend inkomen gaat niemand meer of minder keukenzout gebruiken.

C. De prijzen van andere goederen veranderen.

Als de prijzen van andere goederen veranderen kan de vraagfunctie van een bepaald goed:

  1. naar rechts verschuiven, wanneer verwante goederen duurder zijn geworden. Zonder dat de prijs van een cd-speler van merk X is veranderd, willen toch méér consumenten er een hebben, omdat merk Y duurder is geworden. En als Bugles goedkoper worden, zullen minder mensen Hamka's voor dezelfde prijs kopen.

  2. naar links verschuiven, wanneer verwante goederen (subsititutiegoederen) goedkoper zijn geworden. Omdat de worteltjes goedkoper zijn geworden, kopen de consumenten minder sperzieboontjes, hoewel de prijs daarvan gelijk is gebleven.

 

D. Het aantal consumenten verandert

Als het aantal consumenten toeneemt zal de vraagfunctie naar rechts verschuiven, bij een daling van het aantal consumenten verschuift de vraagfunctie naar links. Historisch gezien is in de pre-industriële en industriële tijd het aantal consumenten nogal eens aan stijging en daling onderhevig geweest. Denk aan de invloed van de pestepidemie omstreeks het midden van de 14e eeuw, de bevolkingsexpansie in de 16e eeuw, wederom stagnatie en achteruitgang in de 17e eeuw en de geweldige expansie in de 18e eeuw die sinds het derde kwart van de 19e eeuw weer afvlakt. Deze ontwikkelingen hadden natuurlijk enorme gevolgen voor de vraag naar voedsel.

Het is derhalve van belang een onderscheid te maken tussen verschuiving langs de vraagfunctie (de gevraagde hoeveelheid verandert onder invloed van een prijsdaling of prijsstijging) en een verschuiving van de vraagfunctie (de gevraagde hoeveelheid verandert onder invloed van een verandering in één van de elementen van de ceteris paribus voorwaarde).

De collectieve vraagcurve is de individuele vraagcurves van alle consumenten in een land bijelkaar opgeteld. De verschilllende individuele vraagcurven, de een meer steil dalend de ander meer vlak dalend, leveren dan samen een eveneens dalende vraagcurve op. 

 

2.4 Aanbod

Welke factoren bepalen het aanbod van een product? Net als bij de vraag is er een aanbodfunctie met daarbij in een grafiek een aanbodcurve. Een verandering in de prijs van een goed zorgt voor een verschuiving langs de aanbodcurve. 

Vervolgens zijn er factoren die een verschuiving van de aanbodcurve tot gevolg hebben. 


In de economie wordt aanbod gedefinieerd als: de hoeveelheid van een goed dat een producent bereid is de produceren en te verkopen tegen elke mogelijke prijs. 

 

Zoals we bij het consumentengedrag uitgaan van een maximale behoeftebevrediging, veronderstellen we bij het producentengedrag dat de ondernemers uitgaan van winstmaximalisatie. Zij trachten hun winst zo groot mogelijk te maken. Uitgaande van die veronderstelling is het aannemelijk dat de aanbodcurve een stijgend verloop heeft: bij hogere prijzen zal de productie winstgevender zijn en de winstmaximaliserende ondernemer zal dan zijn productie uitbreiden. Bij prijsstijging neemt de aangeboden hoeveelheid toe. Het verband tussen prijs en aangeboden hoeveelheid wordt grafisch weergegeven door de aanbodcurve:

 

Als de prijs stijgt van p1 naar p2, neemt de aangeboden hoeveelheid toe van oh1 naar oh2. Net als bij de vraagcurve, geldt dit verband tussen prijs en aangeboden hoeveelheid alléén zolang de 'overige omstandigheden' gelijk blijven. 

Er zijn drie soorten overige omstandigheden (ceteris paribus-voorwaarden) die de aanbodfunctie beïnvloeden:

A. De kosten van de productiefactoren

B. Stand van de techniek

C. Het aantal producenten

Als een van deze 'overige omstandigheden' verandert, verschuift de aanbodfunctie in zijn geheel naar links of naar rechts.

 

A. Veranderingen in de kosten van de productiefactoren


Dit zagen we al in het bovengenoemde voorbeeld bij de verhouding tussen marginale kosten en marginale opbrengsten. Wordt arbeid goedkoper, dan zal een ondernemer meer arbeiders in dienst nemen. Hoewel de prijs van het aangeboden goed niet verandert, neemt het aanbod toe. De aanbodfunctie verschuift naar rechts (zie onderstaande figuur). Omgekeerd zal bij bijvoorbeeld stijgende loonkosten, de gehele aanbodfunctie naar links verschuiven.



B. Veranderingen in de stand van de techniek

Technische vooruitgang maakt het mogelijk om steeds meer aan te bieden. Verbeteren bijvoorbeeld de landbouwmachines, dan zal de aanbodfunctie van graan naar rechts verschuiven.

C. Veranderingen in het aantal producenten.

Komen er méér graanproducenten, b.v. door uitbreiding van het graanareaal ten koste van de veeteelt, dan verschuift de aanbodfunctie naar rechts. De fluctuaties in de bevolkingsomvang, zoals Europa die kende tijdens de pre-industriële tijd, hadden niet alleen grote gevolgen voor de ligging van de vraagfunctie, maar ook voor de ligging van de aanbodfunctie.

Het is, net als bij de vraagfunctie, van belang om een onderscheid te maken tussen verschuiving langs de aanbodfunctie en verschuiving van de aanbodfunctie. De verschuiving vindt plaats langs de functie als een prijsstijging of prijsdaling er de oorzaak van is dat de aangeboden hoeveelheid stijgt of daalt. Verandert er iets in de ceteris paribus voorwaarde dan neemt de aangeboden hoeveelheid toe of af, omdat de hele functie naar links, respectievelijk naar rechts verschuift.

 

2.5 De markt: volkomen concurrentie

In het voorafgaande hebben we gekeken naar de relatie tussen prijs en gevraagde hoeveelheid (de vraagfunctie) en tussen prijs en aangeboden hoeveelheid (de aanbodfunctie). Op de markt worden vraag en aanbod met elkaar geconfronteerd en vindt prijsvorming plaats.

Er zijn verschillende marktvormen, we bespreken eerst het marktmodel van volkomen concurrentie.

Een markt van volkomen concurrentie moet aan de volgende vier voorwaarden voldoen:

  1. Er is sprake van een homogeen goed. Dat betekent: een goed van eenzelfde kwaliteit, bijvoorbeeld: graan, suiker, benzine.
  2. De markt is transparant. Dit houdt in dat alle vragers en alle aanbieders op deze markt op de hoogte zijn van het totale aanbod. Op een transparante markt kan zich maar één prijs handhaven, namelijk de laagste. Omdat iedereen op de hoogte is van het totale aanbod, zal geen enkele aanbieder die meer vraagt dan de minimumprijs iets verkopen. In de praktijk is de markt lang niet altijd transparant: gelukkig met het door ons aangeschafte boek, komen we langs een andere boekwinkel, waar hetzelfde boek sterk afgeprijsd ligt. We waren helaas niet op de hoogte van het totale aanbod van dit boek!
  3. Er is een groot aantal vragers en aanbieders. Door dit grote aantal is het zowel voor vragers als voor aanbieders niet mogelijk om prijsafspraken te maken. De aanbieders zijn prijsnemers. Zij moeten de prijs, zoals die op de markt tot stand komt, accepteren. Niemand heeft op een dergelijke markt de mogelijkheid om de prijzen te beïnvloeden. Dit vermogen wordt ook wel genoemd: economische macht. Op een markt van volkomen concurrentie heeft niemand econo­mische macht.
  4. De markt is vrij toegankelijk. Als iemand suikerbieten of graan wil verbouwen, dan kan dat zonder enige belemmering.
 

Vraag 4.

Op welke van deze vier punten kan het gebruik van Internet de markt verbeteren?



2.6 Marktevenwicht en prijsmechanisme

Voldoet een markt aan deze vier voorwaarden, dan zal via het prijsmechanisme op zo'n markt een marktevenwicht ontstaan. Bij de evenwichtsprijs pe zijn de aangeboden en de gevraagde hoeveelheid aan elkaar gelijk: elke andere prijs dan pe is niet stabiel op deze markt en vanzelf, zonder ingrijpen van buiten, zal er een ontwikkeling naar de evenwichtsprijs ontstaan. Bij een prijs van p1 zal de gevraagde hoeveelheid slechts ohv1zijn, terwijl de aangeboden hoeveelheid bij p1 oha1 is. Er is dus een aanbodoverschot, dit aanbodoverschot betekent dat de ondernemers met voorraden blijven zitten. Zij zullen de prijs verlagen, daardoor neemt de vraag toe en het aanbod af. Dit proces zal net zolang doorgaan totdat de evenwichtsprijs pe bereikt is. Omgekeerd zal een prijs die lager is dan de evenwichtsprijs leiden tot een vraagoverschot. De vragers bieden tegen elkaar op om de schaarse producten, daardoor stijgt de prijs, neemt de gevraagde hoeveelheid af en de aangeboden hoeveelheid toe, net zolang totdat ze weer met elkaar in evenwicht zijn bij pe.




2.7 Voorbeelden van veranderende evenwichten

De prijsvorming werkt op een markt van volkomen concurrentie zoals hierboven beschreven, mits de 'overige omstandigheden' gelijk blijven. De ceteris paribus voorwaarde van de vraagfunctie bevat vier elementen (de behoeftenschema's van de consumenten, de inkomens, de prijzen van andere goederen en het aantal consumenten), die van de aanbodfunctie drie (kosten productiefactoren, stand van de techniek en het aantal producenten). Verandering van één van deze 'overige omstandigheden' leidt tot verschuiving van de functie, waardoor een nieuwe marktsituatie ontstaat.

We geven vier voorbeelden:

Voorbeeld 1: De EG stelt minimumprijzen voor landbouwproducten vast.

De evenwichtsprijs voor landbouwgoederen in Europa ligt boven de prijzen op de wereldmarkt. Het gevolg is dat consumenten alleen nog maar goedkopere landbouwproducten uit het buitenland gaan kopen (groothandels en winkels zullen  gaan importeren) - en de Europese boeren moeten hun producten onder de kostprijs gaan verkopen, anders blijven ze er mee zitten. Om de Europese boeren een voldoende inkomen te garanderen, stelt de EG nu minimumprijzen voor landbouwproducten in. 


Wanneer goederen worden aangeboden voor prijzen lager dan deze minimumprijs, wordt daar een bedrag over geheven (een importheffing dus), zo groot als het verschil tussen de vastgestelde minimumprijs en de normale wereldmarkt prijs van de goederen. De opbrengst van deze heffingen wordt door de EG o.a. gebruikt voor investeringssubsidies aan de landbouw of voor het opkopen van overschotten. Zolang de interventieprijs lager is dan de evenwichtsprijs in Europa, blijft de vraag groter dan het aanbod (het snijpunt met de vraagcurve ligt rechts van het snijpunt met de aanbodcurve) en is er ruimte voor import van landbouwproducten.

Het systeem werkt echter in de verkeerde richting in twee omstandigheden. Ten eerste kunnen er veranderingen optreden in het aanbod. Een grotere oogst leidt bijvoorbeeld tot meer aanbod, en dus een verschuiving van de aanbodcurve naar rechts. Hierdoor daalt de evenwichtsprijs. Wanneer de vastgestelde interventieprijs boven de evenwichtsprijs komt, ontstaat er een aanbod overschot: tegen die prijs wordt er meer aangeboden (=snijpunt met de aanbodcurve) dan er wordt gevraagd (=snijpunt met de vraagcurve).

Ook stimuleren de hoge minimumprijzen boeren om allerlei productieverhogende verbeteringen door te voeren in hun bedrijf. Omdat produceren daardoor relatief goedkoper wordt (en boeren al dus bij een gelijkblijvende prijs meer gaan produceren dan voorheen) verschuift de aanbodfunctie naar rechts. Doordat de aanbodfunctie naar rechts verschuift, verschuift wederom de evenwichtsprijs mee en wordt dus lager. Op het moment dat de evenwichtsprijs dan onder de minimumprijs duikt ontstaat er een aanbodoverschot. 

Hetzelfde effect, een aanbodoverschot, treedt op wanneer een minimumprijs wordt vastgesteld die hoger is dan de evenwichtsprijs.


NB Waarom worden er zulke ingrepen gedaan, die in strijd zijn met 'de marktwerking'?
Omdat de Europese Unie, of althans enkele deelnemende landen met een omvangrijke boerenbevolking, er een politiek-maatschappelijk belang bij heeft/hebben om (a) hun inwoners (de boeren in dit geval) van voldoende inkomen te voorzien; (b) de agrarische sector in bedrijf te houden (immers, zonder ingrijpen zou deze langzamerhand verdwijnen en zou het land voor graan en melk afhankelijk worden van het buitenland).

 

Voorbeeld 2: De dalende prijzen van graan en de stijgende prijzen van nijverheidsproducten na 1350

Omstreeks het midden van de veertiende eeuw stierf ongeveer eenderde van de Europese bevolking aan de gevolgen van de pest, de Zwarte Dood. Zowel de vraag- als de aanbodfunctie van graan èn van nijverheidsproducten verschoven naar links: het aantal consumenten en het aantal producenten nam af. Maar de sterfte was in de steden veel groter dan op het platteland. Wat graan betreft nam de vraag dus sterker af dan het aanbod (bovendien verliet men de marginale gronden, zodat de opbrengst per hectare groter werd), de graanprijs daalde hierdoor.



In de steden waren veel producenten van nijverheidsgoederen gestorven, het aanbod van nijverheidsgoederen nam sterk af. Daarentegen nam de vraag naar nijverheidsgoederen ook wel af, maar niet zo sterk: omdat de graanprijs was gedaald, hielden de mensen die de epidemie overleefd hadden meer geld over voor de niet-primaire levensbehoeften. Het resultaat hiervan was dat de prijzen van nijverheidsgoederen stegen.



Voorbeeld 3: Verschuiving van de vraag­functie bij een gelijkblijvende aanbodfunctie.

Als de bevolking snel toeneemt, zoals bijvoorbeeld in de zestiende en achttiende eeuw, dan zal bij elke prijs van een bepaald goed, b.v. graan, een grotere hoeveelheid van dat goed gevraagd worden. Onder invloed van een verandering in de ceteris paribus voorwaarde verschuift de vraagfunctie naar rechts. Het gevolg hiervan is dat de graanprijs gaat stijgen. Het aanbod van graan neemt ook wel toe, maar dit is een verschuiving langs de curve: doordat de prijs is gestegen, neemt het aanbod toe. Dit kan bijvoorbeeld door intensievere bebouwing, door meer arbeiders te werk te stellen op een gegeven areaal. Prijsstijging maakt dit rendabel.



Op den duur zal de aanbodfunctie ook wel enigszins naar rechts verschuiven omdat het aantal graanproducenten toeneemt: veehouders schakelen over op graanteelt wegens de aantrekkelijke prijzen. Echter, aan deze verschuiving zit een grens, omdat lang niet alle land geschikt is voor graanbouw. Bovendien is het landbouwareaal in zijn totaliteit begrensd, en alleen met veel kosten en op lange termijn iets uit te breiden door inpolderingen en droogmakerijen. Het aanbod van landbouwproducten is zodoende, net als de vraag, in de pre-industriële tijd tamelijk inelastisch.


Voorbeeld 4: De overheid stelt maximumprijzen in.

Stel dat door het uitbreken van een oorlog de graaninvoer in een land ten dele wegvalt. De aanbodfunctie van graan verschuift naar links (men zou kunnen zeggen: het aantal graanproducenten voor dat land neemt af) en als gevolg daarvan stijgt de graanprijs en dus ook de broodprijs. Omdat deze prijs door de overheid te hoog wordt gevonden, grijpt de overheid in door middel van een maximumprijs pmax, die onder de evenwichtsprijs pe ligt. De tekening laat de aanbodfunctie zien, nadat deze naar links is verschoven. Voor het uitbreken van de oorlog lag de aanbodfunctie meer naar rechts en was de evenwichtsprijs lager. 



Bij de maximumprijs is er een discrepantie tussen de aangeboden en gevraagde hoeveelheid, zodat zich lange rijen voor de winkels vormen. De overheid ziet zich nu gedwongen om een distributie­systeem in te voeren: met behulp van bonnen wordt de gevraagde hoeveelheid kunstmatig beperkt tot ohamax. Maar, een deel van de aangeboden hoeveelheid zou op de zwarte markt voor een veel hoger bedrag verkocht kunnen worden, namelijk minstens voor de prijs pz. Om nu te voorkomen dat het hele normale aanbod weglekt naar de zwarte markt, is de overheid tevens genoodzaakt om een economische controledienst in te stellen.



2.8 Marktvormen

In de economische theorie kunnen marktvormen worden onderscheiden naar: 

  1. Het aantal aanbieders
  2. De aard van de goederen

Het aantal aanbieders kan veel, weinig of één zijn. Zijn er weinig aanbieders dan spreken we van een oligopolie, bij één aanbieder is er sprake van een monopolie. De aard van de goederen kan homogeen of heterogeen zijn. Homogene goederen zijn goederen, waarbij het voor de consument niet uitmaakt wie de aanbieder is: b.v. graan, suiker, benzine. Van heterogene goederen is sprake wanneer er onderlinge verschillen in kwaliteit en uitvoering zijn, die aanleiding geven tot prijsverschillen (auto's en audio-apparatuur, maar ook koffie en margarine).

Een combinatie van het aantal aanbieders en de aard van de goederen levert de volgende marktvormen op (we veronderstellen steeds dat er veel vragers zijn):


Aantal aanbieders Homogene goederen Heterogene goederen
veel volkomen concurrentie monopolistische concurrentie
weinig homogeen oligopolie heterogeen oligopolie
één monopolie  

 

Volkomen concurrentie

Deze marktvorm is hierboven behandeld, er zijn veel aanbieders, die een homogeen goed aanbieden. De graanmarkt is nog altijd het standaardvoorbeeld van deze marktvorm.


Monopolistische concurrentie

Bij deze marktvorm zijn er veel aanbieders die een heterogeen goed verhandelen. De koffiemarkt is een voorbeeld van monopolistische concurrentie. Er zijn vrij veel aanbieders, geen daarvan heeft een overheersend marktaandeel. Ze zijn elk monopolist in hun eigen merk en ze beconcurreren elkaar, vandaar de naam monopolistische concurrentie. Het streven van ondernemers uit deze branche is niet zozeer om de consumptie te laten toenemen, maar vooral om de consumptie van hun eigen merk te laten toenemen. Er wordt dus in de reclame vooral aandacht besteed aan de naambekendheid van het product.

Soms is dat laatste een beetje te goed gelukt: wij doen allen de luxaflex omlaag, maar is het wel luxaflex? Hier heeft een merknaam de soortnaam - jaloezie - verdrongen. En geen mens zal schuurpoeder of koperpoets uit zijn/haar keukenkastje halen, maar de Vim en de Brasso, die dan niet noodzakelijkerwijs dat bepaalde merk hoeven te zijn.

Homogeen oligopolie

Er zijn weinig aanbieders, die een homogeen goed aanbieden. Hiervan is sprake op bijvoorbeeld de benzinemarkt. Deze aanbieders verenigen zich soms in een kartel, om de concurrentie te beperken. Een kartel is een samenwerkings­verband van zelfstandige ondernemers, die afspraken maken. Meestal gaan die afspraken over de prijzen (prijskartel), maar ze kunnen ook gaan over het productievolume (productiekartel) of de verdeling van de markt in rayons (rayonkartel, zoals bij de zuivelindustrie). Het beroemdste kartel is wel de Organisation of Petroleum Exporting Countries, ofwel de OPEC.

De aanbieders van de homogene goederen proberen meestal via prijsafspraken de onderlinge concurrentie te beperken. Het probleem bij deze marktvorm is hoe de aandacht van de consument te trekken voor je eigen product, want voor de consument maakt het niet zoveel uit of hij/zij nu benzine van merk a of merk b in de tank gooit. Vandaar dat in deze branche zo uitbundig wordt gestrooid met zegeltjes en geschenken. De sigarettenbranche lijkt ook min of meer op een homogeen oligopolie: veel verder dan 'sigaret van merk x is lekker' kom je in de reclame niet, als je alleen de kwaliteit van je eigen product wil aanprijzen. Daarom wordt in de sigarettenreclame nadrukkelijk gepoogd om een bepaald merk te associëren met een bepaalde lifestyle.

Heterogeen oligopolie

Bij een heterogeen oligopolie zijn er weinig aanbieders, die heterogene goederen produceren. Een voorbeeld is de wasmiddelen en margarine-industrie. Ogenschijnlijk lijkt het vreemd, dat de paar producenten in deze twee branches zulk een massa aan merken produceren. Dit heeft te maken met het verminderen van de toegankelijkheid van de markt. Het is in Nederland niet verboden om waspoeder te fabriceren. Als Unilever maar één merk op de markt zou brengen, zou het waspoeder van een concurrent onmiddellijk opvallen. De nieuwe producent zou vrij snel, - omdat de consumenten wel weer eens iets anders willen - een behoorlijk marktaandeel veroveren. Om dit te voorkomen worden door één producent vele merken op de markt gebracht. Een nieuwe producent zal veel geld aan reclame moeten uitgeven om een beetje op te vallen in de grote variatie die er al is.

 

Monopolie

Deze marktvorm komt in de praktijk slechts voor bij openbare nutsbedrijven e.d. Men noemt dit natuurlijke monopolies. Het gaat dan om homogene goederen, zoals gas, water en elektriciteit.

De klassieke economen gingen ervan uit dat volledige concurrentie het voordeligst was voor de consument, bij alle andere marktvormen konden de ondernemers afspraken maken die de consument zouden benadelen. Het is zeer de vraag of deze visie juist is. Inderdaad kan samenwerking van bedrijven leiden tot prijsopdrijving, maar alleen onder oligopolistische omstandigheden zullen producenten bereid zijn om veel geld te besteden aan research en productontwikkeling. De snelle expansie van de micro-elektronica is bijvoorbeeld nauwelijks voor te stellen op een markt van volkomen concurrentie. Ook kan door samenwerking van bedrijven de efficiency worden verhoogd, en daarmee gaan de productiekosten omlaag.

De Europese Unie is - althans op industrieel vlak - gericht op het wegnemen van zoveel mogelijk concurrentiebelemmerende maatregelen. De binnengrenzen zijn weggevallen, zodat ongehinderd producten uit diverse landen met elkaar kunnen concurreren. De meest efficiënte producent zal daarom de Europese markt veroveren. Dit verhoogt de welvaart, omdat geen productiefactoren worden verspild aan inefficiënte productie. Het zou echter ondenkbaar zijn om in de huidige industriële structuur te streven naar volkomen concurrentie. De EU-wetgeving staat samenwerking van bedrijven dan ook toe, mits de samenwerkende bedrijven niet meer dan 20% van het marktaandeel in een bepaalde branche hebben. Deze regel waarborgt dat voldoende concurrentie overblijft om de consumenten te laten profiteren van de voordelen die de samenwerking met zich meebrengt.

 

Vraag 5.

Welke marktvorm hoort er bij:
a.) Staal?


b.) Fabrieksbrood? 

c.) Brood van de Warme Bakker? 

d.) Spijkerbroeken? 


SAMENVATTING

Tot slot zetten we de belangrijkste concepten uit dit hoofdstuk nog even op een rijtje:

  • Vraag en aanbod
  • De markt
  • Vraagcurve
  • Aanbodcurve
  • Vier ceteris-paribus voorwaarden bij de vraag
  • Drie ceteris-paribus voorwaarden bij het aanbod 
  • De vier voorwaarden voor volkomen concurrentie
  • Voorbeelden van veranderende evenwichten
  • Marktvormen (vijf verschillende marktvormen: volkomen concurrentie, monopolistische concurrentie, homogeen oligopolie, heterogeen oligopolie en monopolie)

[NAAR HFST 1]   -  [NAAR INHOUDSOPGAVE]   -  [NAAR HFST 3]


L.J. Touwen / J. de Jong / R.T. Griffiths

- Last update: 01-10-09 -