Universiteit Leiden - Opleiding Geschiedenis - Economie online

VOORWOORD
De eerste versie van deze syllabus is geschreven in de periode 2003-2006 met een team dat bestond uit Leslie Ahlers, Richard Griffiths, JurriŽn de Jong, Jasper van de Kerkhof, Dennie Oude Nijhuis en Jeroen Touwen.


Hoofdstuk 1: Basisbegrippen


1. De economische wetenschap

Economische vraagstukken spelen een belangrijke rol in ons leven. Kleinere, zoals waarom kost een Breezer 6 euro in het cafť, maar ook grotere, zoals wat zijn de effecten van de kredietcrisis op ons leven? Economen benaderen deze vragen in een gemeenschappelijk kader en met een aantal specifieke concepten. Hieronder zetten we de meest belangrijke concepten uiteen.

Economie gaat over de behoeften of wensen van mensen en middelen, bijvoorbeeld geld, die nodig zijn om in die behoeften te voorzien. Voor de bevrediging van die behoeften moet je middelen beschikbaar stellen. Het meest gebruikte middel is geld. Meestal heb je te weinig geld om al je behoeften te bevrediging. Je zult steeds een keuze moeten maken. Welke wens wil ik vervuld hebben en met welke wens kan ik nog wachten? Met deze keuze zit iedereen. Welvaart is de mate waarin mensen met de beschikbare schaarse middelen in hun behoeften kunnen voorzien. Welzijn is de mate van tevredenheid over de behoeftebevrediging die al dan niet uit het beschikbaar stellen van middelen wordt verkregen. Welvaart en welzijn hoeven niet samen te vallen: als je vier keer per jaar op vakantie kunt gaan dan beschik je over een hoge mate van welvaart, maar als je veel liever thuis op je balkon je favoriete roman leest hebben we het over welzijn. Het doel van de economische wetenschap is het gedrag van de mens in zijn streven naar welvaart te bestuderen en daardoor dit gedrag beter te leren begrijpen.

Economie is de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van het menselijk gedrag voor zover dit samenhangt met het streven naar bevrediging van behoeften met schaarse, alternatief aanwendbare middelen.

Economen gaan er vanuit dat individuen, huishoudens, groepen en economieŽn als geheel uiteindelijk met hetzelfde probleem worstelen: zij hebben vele behoeften maar beschikken slechts over beperkte middelen om in deze behoeften te voorzien. Deze beperking van middelen dwingt hen te kiezen tussen verschillende alternatieven. Economen bestuderen de keuzes voor het inzetten van de schaarse middelen. Daarbij geldt dat niets voor niets gebeurt: "there's no such thing as a free lunch", zoals Angelsaksische economen graag zeggen. De keuze voor het ťťn betekent dat andere dingen niet kunnen.

De afweging tussen de keuzes wordt bepaald door de opportuniteitskosten (Engels: Opportunity Costs), oftewel de kosten van het niet uitvoeren van andere opties. Bijvoorbeeld, de ene persoon moet kiezen tussen een avondje uitgaan en een CD kopen, terwijl er ook mensen zijn die kiezen tussen een groter huis en een Opel Corsa of een kleiner huis met een BMW M3 Sport Coupť. De Nederlandse overheid op haar beurt moet misschien kiezen tussen het aanschaffen van nieuwe helikopters voor de luchtmacht, zodat Nederland een rol kan blijven spelen binnen de NAVO, of hogere salarissen voor leerkrachten om het nijpend tekort aan leerkrachten te bestrijden. Voor iedereen geldt dat je een Euro maar een keer kunt uitgeven, of je nu veel of weinig Euro's hebt. We spreken dan ook van schaarse, alternatief aanwendbare middelen.


Een belangrijke aanname bij de gemaakte keuzes is dat mensen rationeel handelen. Heel globaal komt het er op neer dat ze het beste proberen te maken van hun situatie. Meer formeel betekent dit dat ieder mens zal proberen met een bepaalde hoeveelheid middelen zo veel mogelijk behoefte te bevredigen. Voor de producent betekent dit bijvoorbeeld dat hij zal proberen zo veel mogelijk winst te maken. Economen gaan er ook van uit dat deze manier van handelen niet alleen optreedt wanneer er sprake is van individuen, maar ook bij groepen, bedrijven, families en landen.

Iedereen kan voorbeelden bedenken van gevallen waarin hijzelf of een ander een domme fout maakte, maar dat is niet wat economen en andere sociale wetenschappers met rationaliteit bedoelen. Het gaat er niet om dat iemand of een groep koel en emotieloos beslissingen neemt. Zo iemand kan nog steeds een verkeerde beslissing nemen, bijvoorbeeld omdat zij over verkeerde of onvolledige informatie beschikt of omdat zij een fout maakt. In groepen kunnen er meningsverschillen zijn over wat de behoeftes zijn en welke middelen mogen worden aangewend voor bevrediging daarvan. Waar het om gaat is dat mensen altijd kiezen voor het maximaal bevredigen van hun behoeftes, die natuurlijk voor iedereen verschillen. Keuzes zijn nooit "goed" of "fout" in absolute zin, maar alleen in verhouding tot wat degene die de keuze maakt eigenlijk wil. Wat voor de ťťn een rationele beslissing is, hoeft dat dus niet voor een ander te zijn. Zo is het niet rationeel als Ronald een taart koopt, terwijl hij daar helemaal niet van houdt. Voor Erik, die taart lekker vindt, is het al veel rationeler.

Wat economen nog wel eens vergeten, is dat de behoeftes van mensen niet alleen maar liggen op het vlak van consumeren en geld verdienen. Wat vanuit economisch oogpunt het voordeligst is, hoeft niet altijd te gebeuren. Dat zie je aan mensen die er voor kiezen om minder te gaan werken zodat ze meer tijd aan hun hobby of gezin kunnen spenderen, maar ook aan een overheid die het aantal vliegbewegingen op een vliegveld reguleert om de omwonenden te beschermen tegen geluidsoverlast.



2. Micro- en macro-economie

Wie een begin maakt met het bestuderen van de macro-economie stelt automatisch de vraag wat het verschil is tussen micro-economie en macro-economie. Micro-economie heeft vooral het gedrag van individuele producenten en consumenten tot onderwerp. Het probeert te verklaren waarom een goed een bepaalde prijs heeft, wat de productie van een bedrijf bepaalt en hoeveel uren arbeid een werknemer bereid is te verrichten. Bij micro-economie gaat het om relatief kleine eenheden van analyse.

Macro-economie is in het bijzonder gericht op het bestuderen van de nationale economie in haar totaliteit of de wisselwerking tussen de economieŽn van verschillende landen. Hier gaat het dus om de totale productie in een land, de totale werkloosheid of de gemiddelde prijs van alle goederen in een economie. Macro-economen proberen het gedrag van deze 'aggregaten' en gemiddelden te verklaren en de onderlinge verbanden aan het licht te brengen. De geanalyseerde eenheden zijn dus hele economieŽn of groepen van economieŽn. Dikwijls houden de micro- en de macro-economie zich met dezelfde onderwerpen bezig (bijvoorbeeld inkomen, werkgelegenheid, consumptie), maar de vraagstukken worden op een ander niveau bekeken. Om dit te illustreren, volgen enkele voorbeelden van de micro-economische en de macro-economische benaderingswijze.


  Micro-economisch Macro-economisch
inkomen Hoe verdeelt een consument een gegeven inkomen over de verschillende goederen en diensten Welke factoren bepalen de hoogte van het nationaal inkomen in Nederland?
werkgelegenheid Hoeveel werknemers zal een producent aannemen als hij streeft naar winstmaximalisatie? Hoe hangt de totale werkgelegenheid in Nederland samen met de hoogte van het nationaal inkomen?
consumptie Hoe verdeelt een individuele consument zijn inkomen over consumptie en besparingen? Hoe zijn de consumptieve bestedingen in Nederland gerelateerd aan het nationaal inkomen?

Hoewel er verschil bestaat in het perspectief tussen de twee vormen van economische theorie, maakt de macro-economie wel veel gebruik van de concepten uit de micro-economie. Zij moet rekening houden met het gedrag van individuele consumenten en bedrijven, de organisatie van markten en industrie en met de invloed van de overheid. Daarbij zijn de 'aggregaten' dus wel gebaseerd op micro-economische processen. Dikwijls zal blijken dat de micro-economie gebruik maakt van de zogenaamde partiŽle (gedeeltelijke) analyse. Dit wil zeggen dat in de micro-economie bijvoorbeeld het inkomen van een consument als gegeven wordt beschouwd. In de macro-economie wordt dikwijls gestreefd naar een integrale (gehele) analyse, waarbij de wederzijdse invloed van economische variabelen zo volledig mogelijk wordt bestudeerd. Zoals we hierna zullen zien, beÔnvloedt in de macro-economie bijvoorbeeld de omvang van de consumptieve bestedingen de hoogte van het nationale inkomen, terwijl tegelijkertijd de hoogte van het nationale inkomen bepalend is voor de omvang van de consumptieve bestedingen. Voorbeelden van deze integrale denkwijze zullen we in het vervolg veelvuldig tegenkomen.

Een probleem daarbij is, dat de samenhang tussen de verschillende economische verschijnselen vaak veel te ingewikkeld is om het geheel te overzien. Het is heel moeilijk om aan te tonen in welke mate iedere factor verantwoordelijk is voor de prijsdaling. In de economie werkt men daarom met de ceteris paribus-veronderstelling (ook wel 'ceteribus paribus').


Ceteris paribus betekent dat als ťťn variabele verandert de overige factoren gelijk blijven.

Wanneer bijvoorbeeld wordt gekeken naar het effect van de prijsdaling van een bepaald goed op de vraag en het aanbod, dan wordt aangenomen dat intussen het inkomen en de voorkeuren van consumenten, de prijs van andere goederen en het aantal consumenten en producenten gelijk blijven.

Een ander belangrijk concept is dat van de transactiekosten. Elke uitwisseling van goederen en diensten vereist een inspanning. Die inspanning kan verschillende vormen aannemen. Een koper moet informatie verzamelen over de prijzen bij verschillende aanbieders: rondbellen, advertenties aflopen en offertes opvragen. Vervolgens moeten de koper en aanbieder in contact komen om de koop sluiten. Een product moet verplaatst worden van de fabriek naar de consument; daarvoor worden transportkosten gemaakt, maar ook verzekeringen afgesloten en zolang een product niet is verplaatst moet het worden opgeslagen. Ondertussen tikt de kassa door. In veel gevallen is de prijs die de consument betaalt veel hoger dan de productiekosten van het goed plus de winst.

In de meeste economische modellen worden deze transactiekosten verwaarloosd, of in ieder geval als ceteris paribus verondersteld. In de afgelopen 30 jaar is er meer belangstelling gekomen voor transactiekosten. De economen die zich hiermee bezig houden worden institutionele economen genoemd. Instituties zijn wetten, gedragsregels en instanties die vorm geven aan het menselijk handelen. Institutionele economen kijken hoe de organisatie van de markt en de daaruit voortvloeiende transactiekosten invloed hebben op prijzen, vraag en aanbod. Daarin speelt de ook overheid een belangrijke rol door het vaststellen van regels over eigendom en handel.



3. Macro-economische vraagstukken

Wie zich verdiept in de economische geschiedenis van de laatste eeuwen kan constateren dat de wereld in het verleden een groot aantal macro-economische problemen heeft gekend en ook op dit moment nog dagelijks met macro-economische vraagstukken worstelt. Een aantal vraagstukken wordt hieronder kort toegelicht. Daarbij stellen we steeds de vraag hoe de macro-economische politiek een bijdrage kan leveren aan de oplossing ervan.

3.1 Economische groei

Economen zijn bij uitstek geÔnteresseerd in verklaringen voor de groei van de economie. Aan de ene kant heeft groei een conjuncturele kant, een ontwikkeling die afhangt van de cyclische expansie en contractie van de productie. Daarnaast is er ook sprake van structurele groei, die onder andere gebaseerd is op verschuivingen van arbeid tussen economische sectoren en de toepassing van technologie. De meeste economische vraagstukken hangen samen met groei of het ontbreken daarvan. Het meest in het oog springend zijn de versnelling van het groeitempo gedurende de industriŽle Revolutie en na de Tweede Wereldoorlog. De vraag is of het mogelijk is om de economische ontwikkeling te beÔnvloeden.

3.2 Werkloosheid

Een bekend gevolg van een krimpende economie is de werkloosheid uit de jaren dertig, toen alleen al in Nederland vele honderdduizenden mensen werkloos werden en het reŽle inkomen van de burgers drastisch daalde. Ook op dit moment zijn in Europa en de Verenigde Staten vele miljoenen mensen werkloos, met alle nadelige gevolgen van dien. Hoe kunnen we voorkomen dat de werkloosheid te hoog wordt of dat het inkomen van de burgers gaat dalen?

3.3 Inflatie

Een ander bekend voorbeeld van macro-economische vraagstukken is de inflatie die zich eind jaren zestig en begin jaren zeventig voordeed. In die jaren stegen de prijzen van goederen en diensten jaarlijks dikwijls met meer dan 10%, waardoor de waarde van het geld steeds daalde: wie in die tijd beschikte over een bepaald bedrag aan spaargeld, moest constateren dat hij met het beschikbare bedrag van jaar tot jaar steeds minder goederen kon kopen. Door de inflatie daalde de koopkracht van geld steeds verder. Hoe kan door macro-economische maatregelen de waarde van het geld worden gehandhaafd?

3.4 Armoede

In de ontwikkelingslanden is het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking erg laag en ongeveer 2/3 deel van de wereldbevolking leeft in armoede. Een van de belangrijkste macro-economische vraagstukken van deze eeuw is de vraag hoe de kloof tussen armen rijk kan worden verkleind en welke macro-economische maatregelen kunnen worden genomen om het ontwikkelingsproces te bevorderen. Duidelijk is dat het overigens niet alleen om macro-economische maatregelen gaat, maar ook om de politieke wil die nodig is om het ontwikkelingsvraagstuk aan te pakken.

[Link: Research and essays about social, political and economic change
van Gene Shackman, SUNY]

3.5 Schuldenvraagstuk

Nauw verbonden aan het ontwikkelingsvraagstuk is de schuldenproblematiek van de ontwikkelingslanden. Veel van deze landen, onder andere Mexico, BraziliŽ en ArgentiniŽ, hebben in het verleden bij het bankwezen uit de geÔndustrialiseerde landen geld geleend om ontwikkelingsprojecten te kunnen opzetten. De laatste jaren is gebleken dat de schulden van deze landen zo hoog zijn opgelopen dat zij de rentelasten niet meer kunnen dragen. Hoe kunnen deze landen toch weer financieel gezond worden gemaakt?

3.6 Milieu en natuur

Naast de armoede en het schuldenvraagstuk, die we kunnen beschouwen als tekenen van onderontwikkeling, bestaan er ook problemen die samenhangen met economische groei. Door de toename van de bevolking en de productie neemt ook de hoeveelheid afval toe. Bij de productie komen schadelijke stoffen vrij maar worden de natuurlijke hulpbronnen ook verbruikt in een tempo dat hoger ligt dan de natuur ze kan aanmaken. Al in de jaren '70 waarschuwde de zogenaamde Club van Rome voor de Grenzen aan de groei. Waarschuwingen voor zeespiegelstijging en het broeikaseffect in de jaren '80 brachten deze problematiek hoog op de politieke agenda. Nu beoogt men de vereniging van het behoud van de natuur en stijgende welvaart door middel van duurzame groei.

Deze vragen kunnen we natuurlijk niet in een paar zinnen beantwoorden. Wel kunnen we in deze Macro-economiecursus proberen meer inzicht in deze vraagstukken en hun oplossingen te verkrijgen. De macro-economie houdt zich overigens niet alleen bezig met deze grote vraagstukken op wereldschaal, maar bestudeert ook hoe de economische gang van zaken in een land van dat tot dag, van week tot week en van jaar tot jaar in goede banen kan worden geleid. Veel zaken die een gewone burger als vanzelfsprekend beschouwt, blijken in werkelijkheid voortdurend om aandacht van macro-economen te vragen.

Om deze vraagstukken te kunnen oplossen is het van groot belang de doelstellingen van de economische politiek te formuleren, zodat het duidelijk is welke doelstellingen worden nagestreefd. In de komende vier hoofdstukken zullen we de belangrijkste theoretische hulpmiddelen daarvoor aanreiken. Vervolgens kunnen we bekijken over welke beleidsinstrumenten een overheid beschikt om deze doelstellingen te bereiken. In hoofdstuk 6, 7 en 8 komen de binnenlandse beleidsinstrumenten aan de orde (fiscale, monetaire en aanbodgerichte politiek), in de drie daaropvolgende hoofdstukken 9, 10 en 11 de internationale beleidsinstrumenten (handel, wisselkoersen en internationale samenwerking).


SAMENVATTING

Tot slot zetten we de belangrijkste concepten uit dit hoofdstuk nog even op een rijtje:

  • Behoeftes
  • Ceteris paribus
  • Integrale analyse
  • Macro-economie
  • Micro-economie
  • Opportuniteitskosten
  • Rationaliteit
  • Schaarste
  • Transactiekosten
  • Welvaart
  • Welzijn

[NAAR INHOUDSOPGAVE] - [NAAR HFST 2]



E-mail: L.J.Touwen @hum.leidenuniv.nl
Last update: 11 oktober 2018


*