Homepage Universiteit Leiden
Homepage Faculteit der Letteren Homepage Forum Zoeken in Forum E-mail redactie Forum

Jaargang 5, nummer 1 (februari 2005)

   Agenda
   Onderwijs
   Onderzoek
   Personalia
   Discussie
   Bibliotheek
   Bestuurszaken
   ICT
   Redactioneel
   Reportage
   Colofon
 
Reportage

'Alleen Joost Prinsen was al geweldig'
De avond van het gedicht

door Bart de Haas

De avond van de poëzie kende een Leids randje. Leidens beroemdste dichter Ilja Pfeiffer werd bijna de Dichter des Vaderlands, een student Journalistiek & Nieuwe Media, neerlandicus Allard de Wijkerslooth was redacteur van het televisieprogramma en twee studenten Nederlands zaten in de finale van de poëziequiz. Een van hen, Forum-redacteur, Bart de Haas, beschrijft zijn persoonlijke ervaringen.

Die ochtend, ik wilde net naar de kapper gaan, werd er al vroeg aangebeld. Het was de buurvrouw die telefoon had gehad van een zekere Coby van Dijk van de MTS, voor Bart. De telefoon zou er verkeerd op liggen en ik was al sinds dinsdagmiddag onbereikbaar. Het kwartje viel meteen. Dat was natuurlijk Coby van Dijck van de NPS! Die avond, woensdag 26 januari, zou ik namelijk meedoen aan een poëziequiz in het kader van ‘De avond van het gedicht’. In deze televisieshow zou verder onder meer de nieuwe Dichter des Vaderlands worden gekozen.

Snel de telefoon er weer goed opgelegd en naar de kapper. Toen ik terugkwam, had Coby van Dijck al gebeld. Ik hoefde er niet al om 15.00 uur, maar pas om 18.00 uur te zijn. Bij de doorloop ’s middags zouden namelijk ook al de fragmentjes worden vertoond en dan zouden de quizvragen voor mij uiteraard iets te gemakkelijk worden.

Twee weken daarvoor, op maandag 10 januari, wist ik nog helemaal van niets. Die middag was de voorronde voor de quiz. Samen met nog een stuk of tien andere studenten van de verschillende universiteiten met een opleiding Nederlands, kregen we een lijst met 60 vragen voorgelegd. Vragen die uiteenliepen van welke dichter zijn hospita vermoord had tot welke twee regels er volgden op "Ik ben geboren uit zonnegloren en een zucht van de ziedende zee".

Hierna speelden we ook nog een proefquiz, gepresenteerd door Joost Prinsen, die ook de avond zelf zou presenteren. Alleen dit was al de moeite waard. En aangezien ieder van ons sowieso al bij de avond aanwezig mocht zijn, dacht ik meteen al dat het me eigenlijk niet eens meer zoveel uitmaakte of ik nu wel of niet gekozen zou worden. Toch was de vreugde alsnog groot toen ik de volgende dag hoorde dat ik, mede vanwege mijn goede score, één van de vier studenten was die aan de quiz mee mochten doen.

En nu was het dan zover. In de afgelopen dagen had ik al van diverse mensen de vraag gekregen of ik nu al niet de dikke Komrij aan het doorworstelen was. Mijn antwoord was altijd ontkennend: poëzie lees je niet om te leren, het moet wel leuk blijven. Het enige dat ik tòch nog even nazocht – het zijn tenslotte ook zulke mooie regels – was "die omhoog is gestegen, op wieken van regen, gezwollen van wanhoop en wee."

Misschien was het wel verstandig om ook nog even iets te eten. Van half twee tot ’s avonds na elven zonder iets te eten leek me toch wel wat lang. Ik had de keuze tussen een restje boerenkool met worst en een gebakken eitje. Dat werd natuurlijk het laatste, en na een paar boterhammen met ei stapte ik even later de trein in, op weg naar Amsterdam.

Volgens Coby van Dijck zouden er in Amsterdam twee bussen richting Panama rijden, bus 39 en 43, maar toen ik in bus 43 stapte bleek de chauffeur het niet te kennen. Ik vroeg me af of Dichter des Vaderlands hem wel iets zou zeggen, maar stapte toch maar in. In de bus spookte Iris nog altijd door mijn hoofd. Wieken van regen, wanhoop en wee. Na zo’n tien minuten lopen vanaf de ‘dichtstbijzijnde’ bushalte, zag ik het eindelijk: Panama. De rode letters leken een verlossend licht. Ik keek op mijn horloge: 17.56 uur, ik was nog net op tijd ook.

Binnen kon ik direct in de schmink. Nu even naar boven kijken. Nu even je ogen dicht. Voor mijn gevoel minstens vijf minuten lang bestookte een vrouw mijn gezicht met poeder, schmink en weet ik veel wat voor andere troep allemaal. Een bleek gezicht keek mij vanuit de spiegel aan. Ik hoefde niet te schrikken, zei ze, op televisie zou je er gewoon normaal uitzien. Nou ja, zij zou het wel weten.

Misschien is het wel verstandig om ook nog even iets te eten. Van half zeven tot ’s avonds na elven zonder iets te eten leek Coby van Dijck toch wel wat lang. Om even voor zeven trommelde zij iedereen op. Dit keer was er geen keuze. Met de hele NPS-crew, inclusief presentator Joost Prinsen, zaten we even later aan twee grote tafels, aan de boerenkool met worst.

De boerenkool kon de stress die in heel Panama heerste niet verdrijven. Maar liefst vier verschillende mensen, plus ook nog eens Joost Prinsen zelf, legden ons uit waar we moesten zitten, speldden ons microfoontjes en geluid op en speelden met ons maar liefst drie verschillende proefquizzen. Eigenlijk was ik zelf helemaal niet zenuwachtig, maar als iedereen aan je vraagt of je zenuwachtig bent, dan word je het op een gegeven moment nog bijna wel.

In plaats van twee rondes zouden we toch maar één quizronde spelen. De vragen zouden bovendien meer over de dichters (en dan met name light verse-dichters) gaan dan over de gedichten zelf, verdeeld in vier categorieën, één per student. Verder hadden we elk een rode knop voor onze neus, waarop we moesten drukken bij speciale bonusvragen. Als geen van ons het antwoord wist, zou Joost Prinsen een balletje het publiek in gooien, goed voor het bundeltje van Kouwenaar, geschreven ter gelegenheid van de Landelijke Gedichtendag 2005. En toen kon het aftellen beginnen…

Hoe de avond zelf verliep, was die woensdag uitgebreid op de televisie te zien. Vanaf waar wij zaten hadden we het beste uitzicht van allemaal. Als ware VIP’s keken we toe hoe uiteindelijk Driek van Wissen met de felbegeerde titel Dichter des Vaderlands aan de haal ging. Zijn ‘pennenuitdeelactie’ had hem totaal onbereikbaar voor de concurrentie gemaakt. De Amsterdamse student Bas, die naast mij zat, ging met de titel Dichterkenner des Vaderlands naar huis. En met een koffer vol gedichtenbundels en een fles champagne.

Een oud filmpje over nonsensdichter C. Buddingh’, van wie ik geen idee had hoe hij er uit zou zien, plus twee strikvragen deden mij uiteindelijk de das om. De regels "Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten" en "Uren, dagen, maanden, jaren, vliegen als een schaduw heen" bleken namelijk niet van Willem Kloos en Rhijnvis Feith, maar van Annie M.G. Schmidt en Ivo de Wijs te zijn. Ja, je moet er maar opkomen.

Maar daar ging het allemaal niet om. Zoveel dichters bij elkaar te zien, mee te doen aan een televisiequiz, alleen Joost Prinsen was al geweldig! Bovendien kregen ook de drie verliezende studenten, toch bij de beste vier van Nederland, ‘als troost’ nog enkele poëziebundels cadeau, waarvan ik die van Kouwenaar direct nog ter plekke kon laten signeren.

Lang nadat thuis de aftiteling te zien was en men overging op de reclame, verliet Simon Vinkenoog de zaal met een oorverdovende kreet: "Tot volgende keer allemaal!". Nog later vertrok ook ik, dit keer met bus 326, die vlak voor Panama stopte, terug naar het station. In de trein merkte ik pas hoe moe ik was. Het leek al dagen geleden dat de buurvrouw bij me aanbelde. Thuis spoelde ik met de schmink ook het laatste restje teleurstelling weg door de gootsteen. Wat overbleef was een prachtige avond.

Uw reactie
vorige pagina top pagina