Homepage Universiteit Leiden
Homepage Faculteit der Letteren Homepage Forum Zoeken in Forum E-mail redactie Forum

Jaargang 5, nummer 1 (februari 2005)

   Agenda
   Onderwijs
   Onderzoek
   Personalia
   Discussie
   Bibliotheek
   Bestuurszaken
   ICT
   Redactioneel
   Reportage
   Colofon
 
Personalia

‘Uit je hoofd leren is niet ouderwets’

De nieuwe hoogleraar Neolatijn Karl Enenkel (Wenen, 1959) wil dat studenten hun hersenen gaan trainen.

Door Arjen van Veelen

Hoe staat het met Neolatijn als discipline?

‘Een positief punt is dat er de laatste vijfentwintig jaar veel aandacht voor is. Dat wil zeggen: er wordt veel en goed gepubliceerd. Alleen vertaalt zich dat niet adequaat in formatieplaatsen aan Nederlandse universiteiten. In het Middelbaar onderwijs wordt er nauwelijks iets aan gedaan. Om Neolatijn te ontsluiten voor het Middelbaar onderwijs wil ik samen met een collega proberen om een geannoteerde bloemlezing te maken met brieven, elegieŽn of epigrammen– prachtige, relatief korte en toegankelijke teksten.’

Welke onderzoeksplannen heeft u op stapel?

‘Ik werk aan een boek over de receptie van Petrarca, als uitvloeisel van de conferentie die onlangs in Leiden is gehouden, Friends and Foes of the Poet laureate. Petrarch and his Readers in the Renaissance. We verwachten dat we tot een breder begrip kunnen komen van het verschijnsel ‘receptie’. Het is heel fasinerend om te zien hoe de ene intellectuele kring een werk gaat recipiŽren uit een andere kring, zoals monniken die iets doen met Petrarca’s De Vita Solitaria, dat gaat over de humanistische levensvisie. Of neem Petrarca’s De remediis utriusque fortunae, dat over de Neo-StoÔsche levensvisie gaat - hoe recepiŽren protestantse burgers dat werk? Wat mij ook heel erg interesseert zijn woord-beeld relaties. Ik ga een bijdrage leveren aan een standaardwerk over vroegmoderne emblemata, waarin ik de Neolatijnse portie voor mijn rekening neem.’

U studeerde ooit biologie. Is er een link met Neolatijn?

‘Als klein jongetje was ik gek op dieren. Tussen mijn zesde en achtste las ik de klassieke zoŲlogische werken. Biologie is nog steeds een hobby. De overeenkomst met de klassieken is dat het allebei gebieden zijn die in de moderne tijd op de achtergrond zijn geraakt. Dit semester geef ik een werkcollege zoŲlogie in de oudheid. Fascinerend is dat je bij bijvoorbeeld Plinius een intense samenhang tussen natuur en cultuur ziet die bij ons is verdwenen. In een modern zoŲlogisch handboek verwacht je geen verhandeling over schilderijen; bij Plinius komen we dit wel tegen. In de Renaissance zie je dat de klassieke zoŲlogische systemen op de kop worden gezet door nieuwe ontwikkelingen. Door de ontdekkingsreizen komt men species tegen die nog nooit beschreven waren. Voor Intersections (het mede door Enenkel opgerichte tijdschrift voor Early Modern Studies, red.) wil ik een nummer wijden aan de representatie van het dier in die vroegmoderne tijd.’

In uw oratie pleitte u voor een herwaardering van het geheugen. Wat is het belang daar precies van?

‘Met je geheugen roep je kennis tot leven. De moderne opvoeding besteedt daar minder aandacht aan, het geheugen is nu uitbesteed aan de computer. Dan is je eigen hoofd een zwart gat waar alle kennis in valt en niets beklijft. Toen de boekdrukkunst werd uitgevonden, een vergelijkbare technologische vernieuwing als de computer, gebruikte men die boeken niet als vervanging, maar als controle van het geheugen. Dat de Neolatijnse geheugenboeken, met daarin beelden die complexe ideeŽn activeren, momenteel in vergetelheid zijn geraakt, is geen toeval.

Een geheugenstructuur moet je creŽren, die is niet aangeboren. Je moet een ruimtelijk netwerk creŽren in je hersenen, waar je dingen in kunt vangen. Bij het onthouden kun je gebruik maken van beelden en ruimtelijke structuur. Dat is een van de redenen dat ik van landschappen houd. Tussen mijn veertiende en tweeŽntwintigste heb ik veel olieverflandschappen geschilderd. En ik wandel nu graag en dan liefst dwars door het landschap, dan kijk en denk je tegelijk. Wat mij bijzonder aanspreekt is het gebruikmaken van die natuurlijke oriŽntatie en structuur – daar krijg ik echt een kick van.’

Wat betekent dit pleidooi voor het onderwijs?

‘Onze studenten zijn allemaal heel intelligent, maar ze hebben de grootste moeite om het basisvocabularium voor Grieks en Latijn – dat zijn slechts duizend woorden, de woordenschat voor de toerist – in hun hoofd te krijgen. Dat heeft met de opvoeding te maken, met een houding die al op de lagere school begint: je hoeft niets te onthouden omdat je het later toch wel ergens kunt opzoeken. Het gaat erom dat je hersenen een basisconditie hebben. Vergelijk het met de afgetrainde sporter: die doet alles met het grootste gemak en loopt niet te zuchten bij een klimmetje. Met de hersens is het niet anders.

Een goede oefening zou zijn om een tekst van honderdvijftig regels van buiten te kennen. Dan gaan automatisch woordconstructies en zinstructuren mee; met het cursorische lezen verdwijnen die. Studenten krijgen dan ook meer zelfvertrouwen en de houding dat het allemaal te veel en te zwaar is verdwijnt. En iets uit je hoofd leren is niet ouderwets. Veeleer vind ik de attitude dat je niets hoeft te onthouden ouderwets. Als je je hersens oefent, gaat het qua tijd om een kleine investering, die veel oplevert. Als je je hersens traint, voel je het haast fysiek dat ze geactiveerd worden.’

Printversie

Uw reactie
vorige pagina top pagina