Homepage Universiteit Leiden
Homepage Faculteit der Letteren Homepage Forum Zoeken in Forum E-mail redactie Forum

Jaargang 5, nummer 1 (februari 2005)

   Agenda
   Onderwijs
   Onderzoek
   Personalia
   Discussie
   Bibliotheek
   Bestuurszaken
   ICT
   Redactioneel
   Reportage
   Colofon
 
Onderzoek

Leidse stellingen

Ze zijn te vinden op een los velletje papier tussen de volgeschreven pagina’s van het proefschrift: de stellingen van een promovendus. Twaalf of dertien zinnen met eigen bevindingen, kleine speldeprikken, interessante ontdekkingen en boeiende theorieŽn. Forum besteedt in deze rubriek aandacht aan een selectie van stellingen uit recent verschenen proefschriften bij de Letterenfaculteit. 

Stellingen behorende bij het proefschrift van Anne Heleen van Oostrum, The Art of Nāy Playing in Modern Egypt:

Stelling 6. De historische verbondenheid van de klassieke nāy met religie manifesteerde zich tussen 1991 en 1996 in de wijze, waarop de 'adhān (gebedsomroep) ten gehore werd gebracht door Husayn Fādil op de Egyptische televisie.

‘Het takht-ensemble van de Egyptische klassieke muziek, bestaande uit nāy (rieten, randgeblazen fluit), qanūn (citer),‘ūd (Arabische luit), kamān (viool), riqq (tamboerijn) en darabukka (vaastrommel), begeleidde in vroeger dagen ook de rituelen van de soefi-broederschappen, waarin de nāy een speciale rol vervulde. Al eeuwenlang brengt de klagende klank van de nāy de Soefi’s ,de mystici van de Islam, in een meditatieve stemming tijdens hun rituelen.

De nāy klaagt en huilt, omdat ze is afgesneden van haar rietbed aan de oever van de rivier en daar vurig naar verlangt. Dit is in mystieke poŽzie echter een metafoor voor de menselijke ziel die is afgescheiden van God en niets liever wenst dan met Hem verenigd te worden. Volgens Egyptische musici creŽert de klank van de klassieke nāy voor de 'adhān, de toongezette gebedsoproep, nog altijd voor veel mensen een religieuze sfeer.’

Stelling 9. Het is noodzakelijk onderzoek te verrichten naar de verschillende Arabische muziekinstrumenten , hun spelers en makers om een dieper inzicht te krijgen in de Arabische muziek en haar historie. (hoofdstuk II van dit proefschrift).

‘In de nagenoeg schriftloze Arabische muziekcultuur zijn de instrumentalist en de instrumentmaker voortzetters van een eeuwenoude, mondeling overleverde traditie (muzieknotatie is pas in de twintigste eeuw geÔntroduceerd). De instrumentalist verschaft kennis over zijn spel en extramuzikale aspecten van de uitvoeringspraktijk.

De instrumentmaker geeft inzicht in de technische mogelijkheden van een instrument. Hij weet wanneer en waarom er veranderingen zijn aangebracht op een instrument, dat immers conform de eisen van een bepaalde muziekcultuur is gemaakt. Aangezien er nauwelijks Arabische muziekinstrumenten uit voorbije tijden bewaard zijn gebleven en er slechts enkele afbeeldingen van deze instrumenten in middeleeuwse handschriften te vinden zijn, kunnen bespeler en instrumentmaker veel vragen over Arabische muziek en haar historie helpen oplossen.’

Stelling 10. Het keyboard vormt een bedreiging voor traditionele Arabische muziekinstrumenten.

‘In de jaren negentig kwam het Arabisch keyboard in zwang waarop de klank van de traditionele Arabische muziekinstrumenten, zoals de nāy, qanūn, kamān en ‘ūd , kan worden nagebootst.

Met name in de pop- en amusementsmuziek wordt dit keyboard gebruikt, bijvoorbeeld voor de begeleiding van popartiesten in videoclips en op cassettebandjes. Egypte kent een levendige cassette-industrie voor een miljoenenpubliek. Het is lucratief om een keyboard in te huren in plaats van een heel orkest. Volgens beroepsmusici betekent dit echter een verarming: er is immers geen subtiele wisselwerking meer tussen zanger en de verschillende instrumentalisten, noch is er ruimte voor instrumentale improvisatie, een van de pijlers van Arabische muziek. Het is te hopen dat authentieke instrumenten in de Arabische popmuziek hun rentree maken.’

Stelling 13. Veel Arabische muziek uitgevoerd op westerse podia krijgt ten onrechte het predikaat ‘oud ’ of ‘traditioneel’ toegedicht .

‘Begin twintigste eeuw trad de solozanger op met een takht-ensemble, bestaande uit nāy, qanūn, ‘ūd, riqq, darabukka en kamān . In de loop van de twintigste eeuw groeide de takht uit tot het Arabische orkest, de firqa, waarin ook Westerse instrumenten konden worden opgenomen. Er ontstonden ook moderne composities, uitgevoerd door een Arabisch orkest met een aangepaste bezetting.

Nu voeren Arabische musici op westerse podia vaak moderne composities uit met een traditioneel takht-ensemble, alsof het om werken van veel ouder datum zou gaan. Een mooi voorbeeld hiervan is het lied ‘inta ‘umrī’ van de beroemde zangeres 'Umm Kulthūm (gest. 1975), die zich destijds liet begeleiden door een Arabisch orkest compleet met elektrisch gitaar.’

Stelling 14. Gezien de creatieve samenwerking tussen musici uit oost en west op Nederlandse podia, zoals bijvoorbeeld het Atlas Ensemble, alsook de reacties van hun enthousiaste gemÍleerde publiek, mag gesteld worden dat op muzikaal gebied de integratie klinkend is geslaagd.

‘De laatste jaren maken nieuwe ensembles hun debuut op Nederlandse podia. Zo herbergt het Atlas Ensemble een keur aan topmusici uit Europa en AziŽ, zoals blazers op de Turkse ney, duduk en westerse klarinet, strijkers op de rabāb (een type vedel) en de westerse viool, en bespelers van de ‘ūd en de qin (resp. de Arabische en de Chinese luit).

Nadat stemmingsproblemen zijn overbrugd, ontstaat prachtige nieuwe muziek. Improvisatie, essentieel voor zowel de Arabische traditie als jazz, is het bindende element in de muziek van formatie OriŽnt Express, bestaande uit Irakese musici en Nederlandse jazzmuzikanten. In de zalen van het Utrechtse RASA en de IJsbreker te Amsterdam, gaat het enthousiaste publiek van diverse komaf na afloop van het concert vaak in discussie met de uitvoerenden. Kortom, de integratie op muzikaal gebied, zowel op het podium als in de zaal, is klinkend geslaagd.’

 

Stellingen behorende bij het proefschrift van A.V.N. van Woerden, Vrouwelijk en mannelijk bij Erasmus:

Stelling 3. De term masculum heeft bij Erasmus altijd een gunstige inhoud, en de term muliebre altijd een ongunstige. Niet alleen vanuit een feministisch, maar ook vanuit een algemeen menselijk gezichtspunt is dit een veeg teken.

Stelling 5. De opkomst van de vrouwenbeweging is afhankelijk van zeer specifieke voorwaarden.

Stelling 8. Met zijn gladde manier van argumenteren vertoont Erasmus trekken van de gemiddelde hedendaagse columnist.

Stelling 11. In onze postchristelijke tijd is het zinvol, het tweede gebod van de decaloog als volgt te variŽren: ‘Gij zult u geen gesneden beeld noch enige gelijkenis maken van wat beneden op de aarde is. Gij zult die niet stigmatiseren noch discrimineren.’

Zie ook "In de Toonkast"

 

Stellingen behorende bij het proefschrift van Jeanne Hong Zhang, The Invention of a Discourse: Women’s Poetry from Contemporary China:

Stelling II. The discourse of women’s poetry from contemporary China involves the highly selective, focussed imitation and emulation of role models, mostly Anglo-American.

Stelling V. Women authors are at their best when they are not afraid tob e womanly and at their worst when they pose as men.

Stelling IX. Overseas Chinese scholars risk being accused of being too "Chinese" outside China and too "un-Chinese" inside China.

Stelling X. Among today’s Chinese literati celebrities there are those who are Confucian idealists by day, decadent postmodernists by night, and Daoist philosophers at dawn.

Zie ook "In de Toonkast"

Printversie
vorige pagina top pagina