Homepage Universiteit Leiden
Homepage Faculteit der Letteren Homepage Forum Zoeken in Forum E-mail redactie Forum

Jaargang 4, nummer 1 (februari 2004)

   Agenda
   Onderwijs
   Onderzoek
   Personalia
   Discussie
   Bibliotheek
   Bestuurszaken
   ICT
   Colofon
 
Onderzoek

Alma matrix
Een impressie vanuit de taalkunde

door Jeroen Wiedenhof

Met zeven personen vijf jaar onderzoek van zestien CNWS-clusters evalueren: ga er maar aan staan. De zelfstudie van de onderzoeksschool (292 pagina's) was grondig, maar de waarde van een evaluatie staat of valt bij het kritische gebruik van de aangeleverde informatie. In dit opzicht niets dan lof. Het rapport geeft niet alleen de grote lijnen aan, maar haalt af en toe opmerkelijke details boven water, zoals een allocatie van fondsen of een dilemma in de relaties tussen het CNWS en meerdere ondersteunende faculteiten. De gedrukte rapportage (uitgave 16 december 2003) leest als een trein. In 64 pagina's staat alle informatie overzichtelijk bijeen: algemene indrukken, evaluaties per cluster, extra adviezen, conclusies, statistieken en tot slot een officiŽle reactie van het CNWS. De onderzoeksschool kan tevreden zijn, want het oordeel van de commissie is zeer lovend. Tegelijkertijd is er voldoende kritiek om tot verbeteringen te kunnen komen. Dat bijvoorbeeld de website er van langs krijgt, zal niemand verbazen, want daar is nooit apart in geÔnvesteerd.

Het rapport over de taalkunde

Zoals bekend zijn de taalkundigen van de Leidse Universiteit verenigd en verdeeld in twee onderzoeksscholen, het CNWS en het ULCL. De evaluatiecommissie was om een oordeel gevraagd over de mogelijkheden tot consolidatie en uitbreiding van de taalkundige samenwerking, en precies dezelfde vraag is voorgelegd aan de evaluatiecommissie van het ULCL. Deze laatste commissie noteert wollig dat "in the near or more distant future only some matrix-like principle of organisation can lead to fruitful cooperation between both groups of linguists". Als kritisch geluid lezen we dat "ULCL's mind should open one more degree than it has been until now", waarbij het rapport aangeeft dat het niet volstaat om te zeggen dat CNWS-taalkundigen welkom zijn bij de ULCL omdat het omgekeerde evenzeer geldt. Aan CNWS-zijde meldt de commissie veel tijd aan de kwestie te hebben besteed; de beschrijving van de situatie en de aanbevelingen zijn dan ook specifieker. Zo stelt de commissie voor om extra promovendi aan te stellen met een hybride begeleiding ("jointly supervised"), een idee dat onmiddellijk wordt afgeschoten in de reactie van de onderzoeksschool, naar mijn mening volkomen terecht. Het is didactisch abject om studenten op te zadelen met problemen waar de begeleiders onderling niet uitkomen.

De CNWS-commissie adviseert dat "linguists in the CNWS and in the UCLC need to agree on a "common ground" for collaboration". De aanhalingstekens zijn niet van mij: omineus genoeg is de genoemde common ground in het rapport overal "common ground". Daarbij worden de taaltypologie en de cognitieve taalkunde als "potential areas of mutual interest" genoemd. Maar in het delen van interesses schuilen de problemen niet. De verschillen beginnen bij de perceptie van het talige materiaal en de toekenning van taalkundige relevantie aan deze gegevens. De taaltypologie en de cognitieve taalkunde zijn in dat opzicht beslist geen uitzondering. Misschien is de evaluatiecommissie van het ULCL op dit punt toch de wijste van de twee: "one should draw the ultimate consequences from the fact that the organisation principles of the two institutes are at right angles".

De taalkunde over het rapport

Net als het ULCL-rapport is de rapportage over het CNWS een kind van zijn tijd: men spreekt van dynamisch leiderschap, onderzoeksmissies en visibiliteit, een publiek imago dat gecreŽerd en geprojecteerd moet worden, clusters en hubs. Zulke buzzwords zijn niet alleen populair omdat groepen zich er gemakkelijk mee identificeren tegenover buitenstaanders. Het belang van een goed buzzword is vooral intern, waarbij het cruciaal is dat iedereen er het zijne bij moet kunnen voorstellen. Denk maar aan de koersen op kwaliteit: wie zou dat nou niet doen? Ook de hierboven geciteerde term matrix is een veelbelovende kandidaat. Enerzijds kan hiermee in etymologische rechtgeaarde zin een overkoepelende instantie worden aangeduid, een 'huismoeder' die haar vechtende kinderen tot de orde kan roepen. Anderzijds verwijst dezelfde term, in een meer wiskundige opvatting, naar de interne verbanden tussen elementen. Kortom: met de matrix kan men alle kanten op. Sterker nog, als je met bestuurders over het CNWS praat, dan buzzt de matrix al, terwijl deze term alleen in de ULCL-evaluatie voorkomt. De evaluatie van het CNWS rept niet over matrices, en het is des te opmerkelijker dat de reactie van het CNWS de commissie wel de matrix in de mond legt: "The committee favours a matrix structure of areas and disciplines".

De kracht van de verscheidenheid

Het evaluatierapport signaleert dat hoogwaardig onderzoek in kleine groepen een van de pijlers vormt van het CNWS. Voor dit type onderzoek is het vaak moeilijk om projectaanvragen gehonoreerd te krijgen vanwege de huidige tendens om vooral onderzoek in grote samenwerkingsverbanden te financieren. Verfrissend is dan ook de opmerking van de commissie dat "although this may be the dominant model in the sciences, it is not necessarily the best model for the humanities or all of the social sciences". Het rapport bevat dan ook niet alleen suggesties voor nieuwe vormen van samenwerking, maar ook het nadrukkelijke advies om individuele vormen van onderzoek te blijven stimuleren.

Het CNWS wordt daarmee bevestigd in zijn welbewuste onevenwichtigheid. Niet alleen de grote clusters krijgen een pluim, ook "small and project-focussed clusters are desirable and productive". De menselijke kennis is nu eenmaal divers, kleurrijk en onevenwichtig, en in de wetenschapsbeoefening kan het niet anders zijn. Daar helpt geen lieve moedertje aan.

 

Printversie

Uw reactie
naar boven