Onderzoek
Alma matrix
Een impressie vanuit de taalkunde
door Jeroen Wiedenhof
Met zeven personen vijf jaar onderzoek van zestien CNWS-clusters
evalueren: ga er maar aan staan. De zelfstudie van de onderzoeksschool
(292 pagina's) was grondig, maar de waarde van een evaluatie staat of
valt bij het kritische gebruik van de aangeleverde informatie. In dit
opzicht niets dan lof. Het rapport geeft niet alleen de grote lijnen
aan, maar haalt af en toe opmerkelijke details boven water, zoals een
allocatie van fondsen of een dilemma in de relaties tussen het CNWS en
meerdere ondersteunende faculteiten. De gedrukte rapportage (uitgave
16 december 2003) leest als een trein. In 64 pagina's staat alle
informatie overzichtelijk bijeen: algemene indrukken, evaluaties per
cluster, extra adviezen, conclusies, statistieken en tot slot een
officiële reactie van het CNWS. De onderzoeksschool kan tevreden
zijn, want het oordeel van de commissie is zeer lovend. Tegelijkertijd
is er voldoende kritiek om tot verbeteringen te kunnen komen. Dat
bijvoorbeeld de website er van langs krijgt, zal niemand verbazen,
want daar is nooit apart in geïnvesteerd.
Het rapport over de taalkunde
Zoals bekend zijn de taalkundigen van de Leidse Universiteit
verenigd en verdeeld in twee onderzoeksscholen, het CNWS en het ULCL.
De evaluatiecommissie was om een oordeel gevraagd over de
mogelijkheden tot consolidatie en uitbreiding van de taalkundige
samenwerking, en precies dezelfde vraag is voorgelegd aan de
evaluatiecommissie van het ULCL. Deze laatste commissie noteert wollig
dat "in the near or more distant future only some matrix-like
principle of organisation can lead to fruitful cooperation between
both groups of linguists". Als kritisch geluid lezen we dat
"ULCL's mind should open one more degree than it has been until
now", waarbij het rapport aangeeft dat het niet volstaat om te
zeggen dat CNWS-taalkundigen welkom zijn bij de ULCL omdat het
omgekeerde evenzeer geldt. Aan CNWS-zijde meldt de commissie veel tijd
aan de kwestie te hebben besteed; de beschrijving van de situatie en
de aanbevelingen zijn dan ook specifieker. Zo stelt de commissie voor
om extra promovendi aan te stellen met een hybride begeleiding
("jointly supervised"), een idee dat onmiddellijk wordt
afgeschoten in de reactie van de onderzoeksschool, naar mijn mening
volkomen terecht. Het is didactisch abject om studenten op te zadelen
met problemen waar de begeleiders onderling niet uitkomen.
De CNWS-commissie adviseert dat "linguists in the CNWS and in
the UCLC need to agree on a "common ground" for
collaboration". De aanhalingstekens zijn niet van mij: omineus
genoeg is de genoemde common ground in het rapport overal
"common ground". Daarbij worden de taaltypologie en de
cognitieve taalkunde als "potential areas of mutual
interest" genoemd. Maar in het delen van interesses schuilen de
problemen niet. De verschillen beginnen bij de perceptie van het
talige materiaal en de toekenning van taalkundige relevantie aan deze
gegevens. De taaltypologie en de cognitieve taalkunde zijn in dat
opzicht beslist geen uitzondering. Misschien is de evaluatiecommissie
van het ULCL op dit punt toch de wijste van de twee: "one should
draw the ultimate consequences from the fact that the organisation
principles of the two institutes are at right angles".
De taalkunde over het rapport
Net als het ULCL-rapport is de rapportage over het CNWS een kind
van zijn tijd: men spreekt van dynamisch leiderschap,
onderzoeksmissies en visibiliteit, een publiek imago dat gecreëerd en
geprojecteerd moet worden, clusters en hubs. Zulke buzzwords zijn niet
alleen populair omdat groepen zich er gemakkelijk mee identificeren
tegenover buitenstaanders. Het belang van een goed buzzword is vooral
intern, waarbij het cruciaal is dat iedereen er het zijne bij moet
kunnen voorstellen. Denk maar aan de koersen op kwaliteit: wie
zou dat nou niet doen? Ook de hierboven geciteerde term matrix
is een veelbelovende kandidaat. Enerzijds kan hiermee in etymologische
rechtgeaarde zin een overkoepelende instantie worden aangeduid, een
'huismoeder' die haar vechtende kinderen tot de orde kan roepen.
Anderzijds verwijst dezelfde term, in een meer wiskundige opvatting,
naar de interne verbanden tussen elementen. Kortom: met de matrix kan
men alle kanten op. Sterker nog, als je met bestuurders over het CNWS
praat, dan buzzt de matrix al, terwijl deze term alleen in de
ULCL-evaluatie voorkomt. De evaluatie van het CNWS rept niet over
matrices, en het is des te opmerkelijker dat de reactie van het CNWS
de commissie wel de matrix in de mond legt: "The committee
favours a matrix structure of areas and disciplines".
De kracht van de verscheidenheid
Het evaluatierapport signaleert dat hoogwaardig onderzoek in kleine
groepen een van de pijlers vormt van het CNWS. Voor dit type onderzoek
is het vaak moeilijk om projectaanvragen gehonoreerd te krijgen
vanwege de huidige tendens om vooral onderzoek in grote
samenwerkingsverbanden te financieren. Verfrissend is dan ook de
opmerking van de commissie dat "although this may be the dominant
model in the sciences, it is not necessarily the best model for the
humanities or all of the social sciences". Het rapport bevat dan
ook niet alleen suggesties voor nieuwe vormen van samenwerking, maar
ook het nadrukkelijke advies om individuele vormen van onderzoek te
blijven stimuleren.
Het CNWS wordt daarmee bevestigd in zijn welbewuste
onevenwichtigheid. Niet alleen de grote clusters krijgen een pluim,
ook "small and project-focussed clusters are desirable and
productive". De menselijke kennis is nu eenmaal divers, kleurrijk
en onevenwichtig, en in de wetenschapsbeoefening kan het niet anders
zijn. Daar helpt geen lieve moedertje aan.
|