Interview
Prof dankzij Paddeltje
door Arjen van Veelen
Hij is de bedenker van het à la carte studeren, gaf
college aan marinepersoneel en amateurduikers en begeleidde niet minder
dan 43 promoties. Na 41 jaar bij de Leidse Universiteit gaat de enige
professor Zeegeschiedenis van Nederland met emeritaat. Een interview met
Jaap Bruijn. ‘Ik heb ooit een stevig artikel geschreven over de
Nederlandse walvisvaart na de Tweede Wereldoorlog. Daar zit heel veel
in. Maar zo’n artikel verdwijnt.’
 |
|
Jaap Bruijn
|
Vaart u zelf wel eens?
‘Vroeger als student zeilde ik nog wel eens, nu niet meer. Ik
probeer zo nu en dan met een schip mee te gaan. De marine heeft
bijvoorbeeld speciale dagen voor relaties. Maar ik heb geen schip
liggen.’
Wat houdt uw vak zeegeschiedenis eigenlijk in?
‘Zeegeschiedenis: dat gaat over het gebruik dat de mens van de zee
maakt. De zee kan je als een weg beschouwen, maar je kan er ook in
vissen, op walvissen, haringen, of er delfstoffen uit halen. Het gaat
over het schip zelf, maar ook over de lading die erin gaat, over de
mensen aan boord en de mensen aan de wal. De zee heeft heel veel
aspecten.’
Het gaat niet altijd over zeeslagen?
‘Nee. Ik heb altijd geprobeerd het breed te houden. Zo heb ik
geschreven over de Nederlandse walvisvaart na de Tweede Wereldoorlog. In
de jaren dertig, veertig, vijftig ging het vaker over zeeslagen dan nu.
Maar ik ben zelf niet geschoold in de tactiek van het vechten, mijn
belangstelling lag meer bij de mensen aan boord. Zo begeleid ik nu een
proefschrift over chirurgijns op VOC-schepen. Dat zijn heel interessante
kerels. Waar komen die vandaan? Wat is hun kennis? Wat doen ze aan
boord? Worden ze er nog rijk van? Dat soort vragen interesseert mij. Of
neem de vraag: waarom gaan mensen muiten? De herkomst van zeelieden
heeft me altijd geboeid. Dat zijn vaak mensen uit de lagere lagen van de
bevolking en dan krijg je vanzelf ook de sociale kant in beeld. Zo kom
je bij het ontstaan van de vakbeweging onder zeelieden. Hoe reageert de
marine daarop? Staakten zeelieden ook?
Waarom is zeegeschiedenist een apart vak?
‘Nederland heeft in vroeger tijden heel veel met de zee gedaan.
Scheepvaart is nu veel meer naar de achtergrond gedrongen. De economie
kon niet zonder aan- en afvoer van goederen, hetzelfde geldt voor het
koloniale systeem. Dat dit element specifiek aandacht krijgt is op zich
niet zo gek. Het is een substantieel onderdeel van het cultureel erfgoed
van ons land. Het hoeft natuurlijk niet op alle universiteiten; Leiden
heeft de enige leerstoel.
Hoe bent u zelf in de zeegeschiedenis terechtgekomen?
‘Ik ben er als student zo langzamerhand binnengelopen. Toen ik in
Leiden geschiedenis studeerde was er een hoogleraar zeegeschiedenis,
Milo. Hij gaf college in wat nu de togakamer van het academiegebouw is.
Aan de ene kant van een lange tafel de professor, aan de andere kant
twee, drie studenten. Ik vond zijn vak leuk. Maar vóór mijn
studententijd was de interesse er ook al, bij wijzen van spreken door
Paddeltje, het beroemde jongensboek over deze avontuurlijke
scheepsjongen. Toen Milo overleed zette ik met enkele andere studenten
zijn werk voort.’
Zeegeschiedenis in Leiden bestaat uit u en Gaastra. Hoe was het om
met zo’n kleine vakgroep te werken?
‘Ik heb het zelf altijd erg plezierig gevonden dat je een collega
hebt die zich met hetzelfde vak bezig houdt. Maar daarnaast: bij
zeegeschiedenis ken je een grote kring mensen van buiten het
universitaire bedrijf. Uit de rederswereld, de koopvaardij, de marine of
de scheepvaartmusea. Daar heb ik bewust veel contacten mee onderhouden.
Zo krijg je ingang tot hun archieven. Studenten mogen eens meevaren met
een marineschip. En er zijn altijd fondsen die je kan aanboren. Je hebt
andere contacten omdat je in een specifieke sector zit.’
Zijn de studenten erg veranderd de afgelopen veertig jaar?
‘Ze zijn veel mondiger en zelfstandiger. Ze gaan om met de
modernste media en weten overal dingen vandaan te halen. Of ze altijd
begrijpen wat ze te voorschijn hebben gehaald, vraag ik me overigens wel
af. Ze hebben een minder brede kennis dan vroeger. Als je vroeger van
het gymnasium afkwam, had je heel wat achter de kiezen zitten, nu zijn
het allemaal brokstukken. De studie zelf verschilt niet zoveel van
vroeger. Er is alleen meer aandacht voor schriftelijke rapportage. Het
is vloeken in de kerk als je het zegt, maar het bachelor van nu in feite
hetzelfde is als het oude kandidaats.’
‘De studentenpopulatie is wel anders. Er zijn nu bijvoorbeeld heel
veel à la carte studenten. Overigens ben ik begonnen met à la carte,
daar eis ik het geboorterecht voor op. Ik dacht: zeehistorische
onderwerpen vinden mensen van buitenaf ook vaak aardig. Waarom stellen
we het niet open, tegen een kleine betaling, voor mensen van buiten? Dus
begonnen we in 1989 met een avondcollege scheepsarcheologie. Het was een
groot succes de eerste keer, er kwamen veel scheepsarcheologen en
amateur-duikers op af. Een tandarts uit Harlingen bijvoorbeeld, die een
eigen boot heeft en wrakonderzoek doet op de waddenzee.
Ik moest overigens nog flink praten met de faculteit, om het
doorgevoerd te krijgen. Het jaar daarop is het ook voor andere
studierichtingen opengesteld – want het bleek opeens een geldbron te
zijn. Het is schandalig hoeveel er nu voor wordt gevraagd. Het begon met
70 euro voor één semester. Inmiddels is dat bedrag bijna
verdriedubbeld: het kost nu 205 euro. Elk jaar gaat het bedrag omhoog,
maar de kwaliteit wordt echt niet beter, hoor. Die colleges blijven
precies hetzelfde.’
Uw eerste publicatie, ‘De oorlogvoering ter zee in 1673 in
journalen en andere stukken’ verscheen bijna veertig jaar geleden.
Sindsdien schreef u over veel verschillende onderwerpen binnen de
zeegeschiedenis. Welke publicatie is u het meest dierbaar?
‘Ik heb ooit een stevig artikel over de Nederlandse walvisvaart na
de Tweede Wereldoorlog geschreven. Daar zit heel veel in. Maar zo’n
artikel verdwijnt, daar komt alleen een vakman nog op terug. Eind jaren
zeventig verscheen onder mijn redactie een vierdelige serie over de
maritieme geschiedenis van Nederland en België, prachtig! Daar zijn
zevenduizend sets van verkocht. In die tijd kocht men nog seriewerken.
In 1993 verscheen ‘The Dutch Navy of the seventeenth and eighteenth
centuries.’ De (iets uitgebreide) vertaling is als ‘Varend
Verleden’ uitgegeven bij Balans. Ik denk dat dat de producten zijn die
nog wel eens van je gelezen worden.’
Is er al iets bekend over uw opvolging?
‘Die wordt deze weken geregeld. De leerstoel wordt gewoon bezet;
daar ben ik heel dankbaar voor. De basis wordt betaald door de
faculteit, de top door een aantal fondsen uit de maritieme wereld. Er is
nu ook plaats voor docentformatie, de advertentie is al geplaatst. We
trekken veel studenten en leveren met promoties heel veel geld op.’
Wat gaat u na uw emeritaat doen?
‘Een boek schrijven. Daar had ik de laatste jaren geen tijd voor.
Het zal gaan over de officieren bij de VOC. Het materiaal heb ik al
klaarliggen. In mei verschijnt trouwens het boek ‘Met man en macht.
Militaire geschiedenis van Nederland 1550-2000’, waar ik een van
de twee redacteuren van ben. Daar zitten heel mooie stukken in, onder
andere over Nederlandse vredesoperaties.’
Wat gaat u straks het meest missen?
‘Het contact met jonge mensen en mijn werkkamer.’

|