Homepage Universiteit Leiden
Homepage Faculteit der Letteren Homepage Forum Zoeken in Forum E-mail redactie Forum

Jaargang 3, extra nummer (maart 2003)

   Agenda
   Onderwijs
   Personalia
   Colofon
 
Interview

‘Voor een schrijver is creatieve kleptomanie een groot goed.’

door Matthijs de Winter

Het was naar eigen zeggen een offer you can’t refuse: gastschrijver worden aan de Leidse universiteit. De lijst met illustere voorgangers en de goede ervaringen als gastschrijver aan de universiteit van Groningen deden Joost Zwagerman besluiten om naar Leiden te komen. ‘Bovendien zijn lezingen altijd een mooie aanleiding voor mij om dingen op papier te zetten.’ Bijvoorbeeld over cultboeken en het belang van plagiaat in de letteren.

   
Joost Zwagerman
Gastschrijver Universiteit Leiden 2002/2003

‘Wat weet je van de wereld als je niet weet wie de schrijver is van Lolita of A la recherche du temps perdu?’ vragend kijkt Joost Zwagerman de collegezaal in. Zojuist heeft hij bevlogen verteld over cultboeken en cultschrijvers. ‘De ideale schoonzoon van de Nederlandse literatuur’ is de nieuwe gastschrijver aan de Leidse universiteit. Een collegereeks over cultboeken en twee Albert Verwey-lezingen staan de komende weken op het programma. Zelf studeerde Zwagerman in de jaren tachtig Nederlands in Amsterdam. Een echt briljant student was hij niet. De ‘nijvere zesjes-student’ gebruikte zijn vrije tijd om boeken te schrijven, daar lag zijn hartstocht. ‘Eigenlijk wilde ik op de middelbare school al schrijver worden, maar mijn ouders zagen mij in lompen gehuld eindigen onder een brug in Parijs. Dus ben ik toch maar gaan studeren.’

Dit jaar wordt hij veertig. Inmiddels heeft hij talrijke boeken geschreven, maar een gearriveerd schrijver wil hij niet worden genoemd. Van de dichter, essayist en schrijver kwam vorig jaar de zevende roman uit, Zes sterren. Aan de volgende essaybundel, Het vijfde seizoen, wordt alweer druk geschreven. Het idee van lui achterover leunen en zijn tuin op orde brengen zegt hem niets. ‘Bij elk nieuw boek denk ik dat dit het beste wordt en het voelt aan als het eerste boek. Ik heb mijzelf nog niet kunnen betrappen op een moment van langdurige voldoening en tevredenheid. Er zijn natuurlijk wel dingen veranderd. Tien jaar geleden las ik nog voor op studentenvereniging Augustinus en nu geef ik college aan de universiteit. Mij is zelfs al gevraagd door Vrij Nederland om commentaar te geven op de jongste generatie Nederlandse schrijvers. Tot die groep behoor ik dus blijkbaar al niet meer.’

Cultcolleges

In de colleges praat Zwagerman met de studenten over cultboeken en cultschrijvers.
Wanneer is een boek een cultboek? Als het rebels is of als het gelezen wordt door een bepaalde groep mensen? Is er nu nog wel sprake van cult? Hierover wil Zwagerman het gaan hebben met de studenten. Zelf schreef hij het boek Gimmick, dat ook gezien wordt als een cultboek. Is Zwagerman dus een cultschrijver? ‘Nee, ik zie mezelf niet als een cultschrijver. Bovendien kun je niet zeggen: vandaag ga ik een cultboek schrijven. Cultboeken schrijf je niet, pas achteraf blijkt het boek een cultboek te zijn.’

Zwagerman, die na Gimmick een eigen weg is ingeslagen, heeft het begrip cult nooit echt meer losgelaten. In zijn drie eigen essaybundels heeft hij stukken over cult geschreven, onder andere over J.D. Salinger en Andy Warhol. Met zijn colleges hoopt Zwagerman iets van zijn eigen enthousiasme en fascinatie voor dit fenomeen over te kunnen brengen.

Op het eerste college vertellen studenten over hun lijfboek of een boek dat de grootste indruk heeft gemaakt. Tussen een stapel boeken op zijn tafel vist Zwagerman een lijst met boektitels. Opvallend vindt Zwagerman de conservatieve keuzes van de studenten. ‘Iemand koos bijvoorbeeld het boek 1984, een everseller.’ Hij kijkt verder op de ingevulde lijst. ‘Veel traditionele boeken, een echt cultboek ben ik nog niet tegengekomen.’

‘Aan elk schrijven gaat goed lezen vooraf’

In een eerder interview had Zwagerman, enigszins overdreven, de hoed van cultuurpessimist opgezet. De ontlezing onder studenten en leerlingen nam volgens hem ‘verontrustende vormen’ aan. Deze opgeheven vinger was misschien niet geheel serieus, maar helemaal scherts was het ook niet. ‘Als studenten wazig kijken bij namen als Sartre, F. Scott Fitzgerald of Kafka, dan vind ik dat wel bedroevend hoor. Dat is ongeveer hetzelfde als dat je niet weet dat in het hart van Parijs de Eiffeltoren staat.’ Misschien dat studenten tegenwoordig minder tijd heeft om te lezen? ‘Onzin,’ zegt Zwagerman, ‘iedereen kan zijn eigen spoor ontwikkelen als lezer. Voor je studie lees je boeken omdat het moet, daarnaast lees je voor je eigen plezier. Maar misschien is het een oud romantisch idee van mij om te denken dat studenten letterkunde ook hartstochtelijke lezers zijn.’

Schrijvers en hun demonen

Zijn eerste lezing wil Zwagerman wijden aan de literatuur en de waanzin, de kunst en het lijden. Zwagerman is vooral geboeid door de vraag hoe het komt dat zelfmoordpogingen en zenuwaanvallen veel voorkomen onder dichters. ‘Wat was er eerder: de gekte of de dichter? Word je dichter en gek van je eigen creativiteit of heb je die aanleg voor gekte en word je dichter? Sommige schrijvers en dichters koketteren natuurlijk ook met deze gekheid: we artists know what madness is.’

De zwakke kant van het bestaan – dood, depressie, zelfmoord en verlatenheid – voert ook in het laatste boek van Zwagerman, Zes sterren, de boventoon. Waar komt de aandacht voor dit onderwerp vandaan? ‘Het heeft een persoonlijk beginpunt. Zelfmoord is met groot geweld in mijn leven gekomen doordat een goede vriend en mijn vader zelfmoordpogingen hebben ondernomen. Dat gaat zó direct onder je huid zitten.’

‘In mijn columns voor de Volkskrant schreef ik veel over de maatschappij, Pim Fortuyn en 11 september, maar dit is toch anders. De wereld heeft 11 september en ik heb die zelfmoordpogingen. Dat zijn onvergelijkbare grootheden. Ik kies ervoor om over maatschappelijke turbulenties te schrijven. Bij die zelfmoord heb ik geen keuze, daar word ik naartoe gedirigeerd. Daarbij laat ik me niet leiden door de macht van het getal of de sexyheid van een onderwerp. In dat geval interesseert de lezer me ook niet, ook al houd ik geen lezer over, ik moet daar over schrijven.’
Zwagerman schrijft op deze manier niet dingen van zich af, ‘daar heb ik mijn dagboek voor’.

De kunst van het afkijken

‘Waarom zou je zelf iets gaan schrijven dat door anderen vele malen beter is geschreven? Ik ben zelf een literaire dief en vele schrijvers met mij. Noem mij één schrijver die geen creatieve dief is,’ zegt Zwagerman. ‘Goethe prees Lord Byron toen die een passage uit diens Faust had overgenomen. Een duidelijk voorbeeld van iets goed overnemen in plaats van zelfs iets slechts verzinnen, vond Goethe.’

‘Waarom zou je zelf iets gaan schrijven als dat door anderen al vele malen beter is geschreven?’

Volgens Zwagerman moet er wel onderscheid gemaakt worden tussen het steriele plagiaat in de wetenschap en de creatieve kleptomanie in de literatuur. ‘Plagiaat in de wetenschap is een vertoon van onmacht, plagiaat in de literatuur is fundamenteel anders. In een gedicht van mij, Ziek van Jij, laat ik Gorter en Leopold meeresoneren. Dat is niet alleen een eerbetoon aan deze monumenten uit de Nederlandse literatuur, maar ook om als schrijver te laten zien: dáár liggen mijn je wortels. Schrijven is de kunst van het afkijken. Aan elk schrijven gaat goed lezen vooraf. Om te weten of je echt origineel bent, moet je door meters wereldliteratuur ploegen.’

‘Het zijn ook altijd de buitenstaanders, de ‘literatuurderige typetjes’, die deze oerwet van schrijvers niet begrijpen en direct met de plagiaatbel gaan rinkelen. Iemand die plagiaat pleegt, wil niet dat zoiets ontdekt wordt. Iemand die iets overschrijft, wil dat juist wél, die wil juist laten zien: kijk eens hoe prachtig ik deze combinatiekunst gemaakt heb! Je hebt eigenlijk een bloemenveld en daarin laat je een bloem van een ander bloeien. Deze bloem is geplukt uit een ander veld, maar ziet erop deze plaats heel anders uit.’ Volgens Zwagerman wil een schrijver daarmee aangeven dat zijn boek niet zomaar uit het niets komt: hiermee onderscheidt de literaire dief zich van de echte plagiaatpleger.

Kritische lezers en recensenten zijn dus gewaarschuwd. Zwagerman transporteerde een zin uit een boek van Cees Nooteboom letterlijk naar zijn roman Chaos en Rumoer. ‘ Ik wist dat de nono’s onder de recensenten gelijk deze zin eruit zouden pakken. Ik gaf ze eigenlijk een soort koekje met de gedachte: als jij dit koekje opeet dan ben je een hele domme, domme man. En inderdaad, het koekje werd gegeten door die domme Volkskrantjongen. Die had de inzet van mijn boek dus totaal niet opgemerkt. Je kunt zelf een diamant slijpen, maar als die terechtkomt bij een uitbater van een lompenwinkel dan vergruist hij jouw diamant tot een zakje gruis.’

Printversie

Uw reactie
naar boven