Winschooten - Seeman - 1681

U WORDT DOORGELEID

NAAR

Winschootens Seeman

(Leiden 1681)













K L I K    H I E R !













Gebruikte exemplaren: UBGent Acc 691 en UBL 1173 G 17
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden
Bij Uitgeversmaatschappij Walburg Pers verscheen in 2011: Seeman. Maritiem Woordenboek van Wigardus à Winschooten, hertaald en ingeleid door Hans Beelen, Ingrid Biesheuvel en Nicoline van der Sijs. Met cd-rom, ISBN 978.90.5730.722.5. Van hun transcriptie is voor dit document gebruik gemaakt. Zie www.seeman.nl; en books google
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue

[...]

    RING, of kring, door dit woord werd alles verstaan, dat rond is, en in het besonder een goude, silvere, koopere, en ijsere ring: naa het gebruik, dat sij hebben moeten: soo sijn de ijsere voornaamendlijk te scheep, en deselve sijn bequaam, om iets aan vast te maaken: van ring komt ringen: gelijk de merrien weedervaart, die men niet en wil van ieder hengst laaten bespringen: ende varkens, als sij ontrent dijken gedreeven werden, om haar het vroeten te beletten: en de dijken niet te seer te beschaadigen: waarom’er ook boeten toestaat, als de varkens niet geringd sijn: omringen, omsingelen, rondom besetten, de boose rotten omringden ons, ens.
    RINGBOUT, een bout, daar een ring aan is, sie, bout, en W. N. 7. 55.
    RINKEL, noemen de Amsterdammers, dat de Leienaars een cintel noemen: te weeten een klein GOOGLE plaatjeblik: en daar een gat ingeslaagen: en hier van, loopen rinkelroojen, loopen ravotten: rinkkinken, van het geluid, dat’er gemaakt werd in deglaasen: het was rink, kink, ens. van rinkel komt rinkelwerk, of gesneeden werk, dat soo dun is, als een rinkel: beeldwerk, datvan een beeldhouwer gehouwen werd tot sieraad.
    rob, beteekend twee dingen, voor eerst een see gedrogt, waar van robbevellen, het welk sijn seer scherpe en harde vellen, die men somtijds oover de hegten van messen oovertrekt, om die in de plaats van een rasp te gebruiken: ten tweede werd dit woord ook gebruikt voor de maag van groote vissen, en hier van, hij slokt het al in sijn rob: het welk oneigendlijk genoomen geduid werd op [p. 210] inhaalende menssen: en beteekend soo veel, als hij sleept alles in sijn nest: het is haal in klaas louw! ens.
    ROEF, het agterste afschutsel op klein vaartuig, gelijk de kajuit op groote scheepen: en hier van, de roef huuren, slaapen in de roef: ens. een roef noemen ook de vespillones, of doodgraavers en aanspreekers en andere, een houtekap booven schuins toeloopende, die op de doodkisten tot sieraad geset werd: staat de roef al op de kist? ens.
    ROEJEN, beteekend een vaartuig met een roei, of riem beweegen: wat nu een roei is, dat blijkt uit de oorspronk* van het woord, en beteekend een rijsje, een tientje, vimen, en ook wel virga bij de Latijnisten: waar van virgulta plaatsen, daar veel rijsjes wassen: een roei dan is een riem om de gelijkenis wil, die de riemen om haar dunte met een roei of rijsjen hebben, en hier van roejen, gelijk van remus komt remigare, en een roejer remex: een roeibank, de doft, of de bank, daar een roejer op sit om te roejen: een roeischut een schuit, die door roejen voorgedreeven werd: wij voeren in een roeischuitje, ens. het woord roejen werd ook bij gelijkenisgenoomen tweesins: eerst voor wijnroejen, dat is roojen enmeeten, hoe veel wijn in een vat is, waar van wijnroejers, wiens werkdit is: ten tweede werd het gepast op de vrouwtjes, quae parturientibusadsunt, sij sijn uit roejen, sij vaaren uit roejen: sijsijn uit roejen geweest: te weeten op sijn Amsterdams naa de voolewijk, het welk een veld is oover de rievier het Y geleegen voor het dorp buiksloot: waar van de maaker van de tien vermaakelijkheeden des huuwelijks veel wonders weet te vertellen: de roe van de justitie, de roedraagende booden, of de booden met de roe, steebooden: de roo’roe, sijnde een soort van drossaarden, die oover al ten platte lande, alle geboeften opvatten: en in hegtenis stellen: van deese roode roe was spelle (ten tijde van Duc d’Alba) het hoofd: sijn bedrijf, en uitgang kunt gijleesen bij hoofd in sijn Neederlandse historien pag. 191.
    ROER, komt van roeren, dat is, beweegen: en dit kan gepast werden op een voogel roer, dat ook (enkeld genoomen) een roer gesegt werd, om dat een wildschut, dat in het [p. 211] mikken roerd en beweegd: maar in de scheepvaart, werd het genoomen voor het stier, of stuur van het schip: van dit woord sijn afkomstig veele seemans kunst woorden, dewelke meede oneigendlijk in den gemeenen ommegang niet onaardig gebruikt werden, en van fraaje schrijvers in haar werken ingelast sijn: van roer komt te roer gaan: aan het roer staan: hetroer houden gebruikt Hoofd in sijn Neederlandse Hist. pag. 37. en elders: de Bruin in Embl. pag. 53. en beteekend oneigendlijk het bewind hebben: gelijk ook aan het roer sitten: het roer omwerpen, schielijk wenden: het roer oover boord binden, of leggen: Hoofd. pag. 92. beteekend een vaste streek houden: gelijk den selve seid pag. 116. het roer leit’er naa! dat is, het moet’er nu mee deur: het is daar op gemunt, het moet nu op die voet gaan: ens. stijf op sijn roer sijn, idem pag. 53. eigendlijk beteekend het een stuurman, die sigop sijn roer verlaat, en niet en kreukt, hoe hard het ook waaid: oneigendlijk, stijf op sijn stuk staan, niet afwijken (om geen waarom) van sijneerste voorneemen: het roer in ’t waater houden: het roer regt houden:regte gangen gaan: meester van ’t spel blijven: sijn poos te roer staan: doen dat men schuldig is: en lijden, dat een ander geleeden heeft: ik meendat ik mijn poos wel te roer gestaan heb: dat is, mijn beurt wel gehad heb! sie, poos: hij is het roer van ’t schip, dat is, oneigendlijk, hij moet sorg draagen voor alles. Roerhard sijn: niet naahet roer luisteren: roerpen: dit is op groote scheepen, dat opkleine scheepen de helmstok is: te weeten, de ijsere pen, die in het roer vast is, en waar meede het roer heen en weer gedraaidwerd. Roerstrop, de strop, dat het roer vervangt, om dat het in tijd van nood het roer soude kunnen behouden: van roeren komt aanroeren, aanraaken: oneigendlijk ergens van gewag maaken: ik roerde die saak maar eeven aan: beroeren ontstellen beroerte, ontsteltenis, en bij uitneemendheid een Apoplexia: ik kreeg als een beroerte, of beroerdheid op mijn lijf: hij is beroerd: hij is geslaagen met beroerdheid: omroeren rondom beweegen: roer de pot om! een roerom noemd men een koek, of struif, die mislukt, en daarom ineen geroerd werd: dit woord gebruikt Hoofd bij gelijkenis, in voor- [p. 212] val dat iets door het buskruid om ver werd geworpen, en huisen, en menssen, en al wat’er ontrent is, als onder een geroerd werd.
    ROESEMOESEN beteekend onder de gemeene man, lustig raasen, en krioelen: het sij dat het afkomstig is van het woord roesen, moesen, dat W. pag. 506. uit leit, te sijn eenige plaaten, die de kiel en steeven aan een hegten: of dat het afkomstig is van roes en moes: dat of verouderde Neerduitse woorde sijn, afkomstig van het Hoogduits rausch en mausch, dat is, roesen, en raasen, ruissen, geraas maaken, als een muis: en hier van moes koppen, moes koppers, soldaaten: die oover al gaan snuffelen, gelijk de muisen: een roes suipen, soo veel drinken, dat men de hoogte heeft, en lustig vroolijk begint te werden, ens.
    ROFFEL, een soort van een schaaf, daar meede maar het ruigste van deelen, en planken werd afgeschaafd: waar van, hij loopt’er maar met de roffel oover: het welk oneigendlijk beteekend los ’er oover heen loopen, roffelen, het werk niet te deegen beschaaven, en bearbeiden: een roffelaar, die met de roffel arbeid, en bij gelijkenis, een rabbelaar, roffelen en schoffelen, ens.
    ROG, een soort van platvis met een lange staart, en scharpe rug (gelijk bekend is) en om sijn geringheid weinig geagt: dog de leever werd geagt seer smaakelijk: en hier van het loopje, rog! rog! (te weeten, moetje koopen) deleever is het geld waard, dat gij’er voor geeven sult: was’er slimmerrog in see, die sou’ mij aan boord koomen: het welk oneigendlijk vanvergramde luiden gebruikt werd: als sij met veragting spreeken van iemand, daarsij te onregt van beleedigd werden.
    Ringboord, sie, reehout.
    ROK beteekend somtijds een opperkleed van een man: somtijds een onderrok van een vrouw: van een man: hangje rok om je lijf , het reegend! vaneen vrouw: hoe veel rokken heb je aan? immers het schijnt te koomen van rokken, of rukken: gelijk ookeen rokken, en rokkenskop, daar vlas op gerold werd, de naam daarvan gekreegen heeft: te scheep beteekend het [p. 213] een rok een lap presenning, dat ergens oover getrokken is. Sijn rokje keeren: en de huik naa de wind hangen.
    ROL beteekend al, dat rollen kan, dog in naauwer beteekenis, een rond hout met een gat, door welkers behulp iets voort gerold kan werden: gelijk de rollen van een waagen: en daar van de naam: een rolwaagen: een kinderrolwaagen, daar een kind in leerd loopen: rollen, omwentelen, hijrolde van booven neer: hij rolde als een kloot; een rol beteekend ook van ouds een boek, om dat het eertijds, als een rol op gerold wierd: waarom het ook genaamd werd een volumen à volvendo: een gedeeltevan een tooneel spel; waar van, sijn rol van buiten leeren: sijn rolkennen, sijn rol speelen, ik meen, dat hij sijn rol wel gespeeldheeft! oneigendlijk; ik meen, dathij sijn persoonaadje wel gespeeld heeft; dog wat seid Vondel ter eeren van het Amsterdamse schouwburg?
        Deweereld is een speel tonneel ,
        Elkspeeld sijn rol, en krijgt sijn deel.
    ROMP beteekend eenlighaam sonder hoofd: wat is de romp , als’er de kop af is? en soowerd dit oover gebragt tot andere dingen: als dat is maar een romp van een huis: dat is, daar is niet veel mooijigheid aan: romp, slomp, dat is, soo maar ten ruigsten, soo als het valt: dat geschiede maar, sooromps slomps, ens.
    ROND beteekend al, dat rond is, en al dat in het ronde geschied: soo is, rondhout, hout, dat niet gekliefd is, als masten, stengen, rees, en selfsbrandhout, dat rond is: al sijn rond hout wierd hem af geschooten.
    Rondvis, vis die rond is, als wijting, schelvis, kabbeljauw, ens.: en in het besonder, stokvis, die rond is, en werd dan gesteldteegen gedroogde lengen, die gespouwen sijn: de ronde doen, dat is, rondomgaan: en met naadruk, rondom gaan sien, of de dag en nagt wagt welwaar genoomen werd: wie daar! ronde! voorts beteekend het woord rond, oopenhartig: goed rond, goedseeuws: het welk de Seeuwen haar selven toe schrijven: dog daar voorbehoefd de Hollandse rondheid, dat is, oopenhartigheid, niet te wijken, ik seg het [p. 214] rond uit , soo als ik het meen: ik wind daar geen doekjes om: ik maak van mijn hartgeen moordkuil, ens.
    ROOF, of buit, praeda, buiten en rooven: gelijk blijkt uit het saamenstellen der woorden, een vrijbuiter, een roover, die op vrijenbuit uit gaat sonder pas, of in iemands dienst te sijn: gelijk ook, ruiten en rooven, waar van een ruiter: ruile buiten, den buitverruilen, en verquanselen: hij sou’ een roof voor de hel van daanhaalen: dat is, hij is soo onversaagd, dat hij nog duivel nog hel enontsiet.
    Roofgoed, goed dat geroofd is: en om dat de roovers ligt afscheiden van het geen geroofd is: soo seid men, meenje , dat het roofgoed is? meen je, dat ik het gestoolen heb? wel holla! ten is geen roof goed! rooven, steelen: met geweld iets weg neemen: een roover, die hemmet rooven behelpt: daar sijn roovers op de kust, dat is, daar is onraad, ens. een roofnest, een nest, en verblijf, en schuilplaatsdaar de roovers haar onthouden: een roofschip, een kaaper, dieten roof uitgerust werd, sie, kaapen. Een roofvoogel, die op ander dieren aasd.
    ROOI komt van roojen:raamen, gissen, soo het behoord te weesen: rooischieten: wel ter deegenmikken: dat is geen rooi, dat mikken deugd niet: van roojen, komt rooimeester, eenmetselaar of timmermans baas, ens., die verstaat, en aanwijst, hoe de gebouwen,met den aankleeven van dien, behooren te staan.
    ROOSTER komt van roosten, dat is, oover het vuur braaden: gelijk blijkt in, geroost brood: het ging’er heet van den rooster: dat is, oneigendlijk, daar wierd heevig gevogten: het was een heet en heevig gevegt: het geld werd daar op den rooster geteld: dat is, het moet daar met geweld, en gevaar gehaald werden. Te scheep beteekend het latten, diekruislings oover den andere werden gespijkerd, en om lugt te scheppen, voorluiken gebruikt werden: roosterwerk, al het geen te scheep op die wijsgemaakt werd.
    ROSBANK, bosbank, dolbank.
    ROTS, een klip, rupes: hij staat soo vast, en onbeweegelijk , als een rots: tanquamMarpesia rupes: van rots komt rotsen: schokken: hij doetniet dan rijen en rotsen: hij rotst al sijn kleeren af!
[p. 215]
    RUIM beteekendwijd, breed: amplum & spatiosum: dat is een ruim huis! dat is een ruime plaats! en bij uitneemendheid werd het hol vaneen schip het ruim genaamd: waar is de schipper? hij is in ’t ruim: dit woord ruim werd ook oneigendlijk gebruikt voor onbekrompen, mild: het komt uit eenruime beurs, of kas: daar werd ruim opgedist: alles komtdaar ruim om: het is een ruimschottel, de ruimte kan nietschaaden: wat schaad de ruimte? van ruim komt ruimen, ruimer maaken, ruimbaan maaken: maak ruim baan! maak plaats! ruimen beteekend ook bij gevolg verhuisen: sij sullen moeten ruimen: sijsullen de stad moeten ruimen: sij sullen de stad moeten verlaaten, de stadsal haar ontseid werden: sij sullen gebannen werden: inruimen, voor eenander plaats maaken: iemand een huis inruimen: oneigendlijk iemand ietsinwilligen: iemand iets toelaaten: ik wil haar soo veel niet inruimen: sij hebben haar al te veel ingeruimd: ontruimen, ontleedigen: oneigendlijk naa laaten: sij hebben het met’er dood ontruimd, ens. opruimen, opkraamen, oppakken: ruim op! debruid die komt.
    RUKWIND, een wind, die met rukken komt: rukken nu beteekend met geweld trekken: waarvan rukken en plukken: rukkingen, geweldige trekkingen, en bij uitneemendheid stuipen, termijnen: convulsiones: van rukken komt aanrukken met geweld naa sig toetrekken: ruk aan! afrukken, afscheuren, inrukken met geweld intrekken: oprukken met geweld oopen rukken: verrukken met rukken beseeren: oneigendlijk verleiden, en in passivo verleid werden: de jonge luiden werden door liefkooserij verrukt: jaahet beteekend ook verbijsterd gemaakt werden, en als opgetoogen staan: dat de Grieken noemen ’έκςασις, een verrukking van sinnen: uitrukken, met geweld uittrekken, enbij gevolg met geweld iemand verlossen: ik rukte hem uit handen der vijanden, ens. voortrukken, met rukkenvoortvaaren, voortsleepen: het beteekend ook voortslaan voortrennen: ruk voort! ruk voort! ens.
    RUST, komt van rusten, en heeft verscheide beteekenissen: en voor eerst gerustheid, soo naa desiel [p. 216] als naa het lighaam: want het lighaam moe’ en mat sijnde soekt rust: soo ook de siel door sorgen en kommeringen afsloofd: ik heb dag nog nagtrust: ik moet altijd voort, of het mij lust of niet: gelijk men seid, nuheb ik rust: ten tweede de slaap: hij is in de rust, hij is in de rust geraakt: ten derde het geen iemand doet slaapen, en werd genaamd slaapkruid: geef het kind wat rust in (seggen de Leienaars) en endelijk beteekend het te scheep een uitsteekende plank ter sijde het schip, daar de hoofdtouwen als op rusten: en daar in de matroosen bij mooi weergaan leggen rusten: daar en booven komt mij nog te binnen: dat men seid van sommige pistoolen, dat sij, staan op haar rust: als de haan niet kan oover gaan, buiten wil en weeten van die geen, die het pistool heeft; naademaal sulke pistoolen daar op gemaakt sijn: en met schroeven vast geset werden: van rust komt rustig een die fris en wakker is, als door den slaap verfrist: en hier van het gewoone loopje, al die geen die lustig en rustig is: dat is, die niet loom, en trag sijn: het is een rustig kaarel: het is een rustige en lustige vrouw, het is een wakker wijf: een braave baasin: rustigheid, wakkerheid, vlijtigheid. Rustlijn, is een lijn, of touw daar ietsop rust, en dat iets vast houd: soo werd een rustlijn genaamd een touw, dat om de seekerheid aan de ree werd vast gemaakt, op dat het de selvesoude kunnen vast houden, als de andere touwen quaamen te breeken: soo is ookeen rustlijn, het touw, of oneigendlijk de keeten, daar meede een ankervoor de boeg leggende werd vast gehouden: en een rustlijn werd ook een burg genaamd, om dat het is als een burg, dat het anker, en de ree bergd: gelijk rustlijn, om dat de ree, en het anker daar op gerust kunnen sijn: wat nu rusten beteekend, dat blijkt uit de volgende manieren van spreeken, rusten dan beteekend ontslaagen sijn van arbeid,moeite sorg, en bekommering: en oneigendlijk slaapen: laat hem rusten, en van de slaap oover gebragt tot de dood, sterven of dood sijn: gelijk ook soogesegt werd, gerust sijn, hij is in den Heere gerust: want desoodaanige werden door geen weereldse dingen ontroerd: maar sij sijn waarlijk gerust, en onbekom- [p. 217] merd: en brengt haar aan een gerustheid des gemoeds: sig gerust houden: sig stil houden: berusten, in bewaaring sijnvan een ander, dat berust onder mij: laat mij rusten: dat is,laat dat ongemoeid: onrustig, een mens, dit altijd woelen moet, of diealtijd bekommerd is: wat sijt gij een onrustig mens? ongerustheid, bekommerdheid, ongerust sijn, bekommerd sijn: onrust, moejelijkheid: als ook meede een wrekker, of wekker: en dat geen, dat eenuurwerk altijd in beweeging houd: maar het geheel genoomen voor het gedeelte, gijsijt een onrustig uurwerk: gij sijt een raasbol: uitrusten, eens tedeegen rusten, soo dat de vermoeidheid ter deegen oover is: nu heb ikeens te deegen uitgerust: uitrusten beteekend ook uitreeden: scheepenuitrusten: volk uitrusten, waar van hier naa breeder.
    SAABEL genoomenvoor een oorlogs gereedschap: is een soort van de beste houwers: en waar in de Poolen, en Oosterse volken uitmunten: een Poolse saabel, een Turkse saabel: en hier van, hij quam met de saabelin de vuist: hij kloofde hem de kop met een saabel, ens. waar van saabelen, met een saabel ter needer hakken: sij wierden al te gaader gesaabeld: en soo ik berigt ben, soo is het ook een soort van een straf, dat demisdaadigers met een saabel door de lenden in twee stukken werdengehakt, in de plaats dat sij bij ons onthoofd werden: een saabel is ookeen soort van een muis of weesel, soo Kilianus het uitleit: sie Gesnerus de Quadrupedibus, daar hij handeld de mure pontico: immers het is ten huidigen daage een seer kostelijk bont: en diend de jufferstot groot sieraad: en hier van, saabele velle, een saabele bonte rand, ens.
    SAAD komt van satum, niet teegenstaande het eene woord met een D, en het ander met een T, geschreevenwerd: saad is dan, dat gesaaid werd: en om sijn veelheid seidmen, het is’er soo vol als saad: soo vol als haf, bij de mult, ofmeenigte: want mult bij mij is een gebrooke Latijns woord van multus, of multitudo: het woord saad werd ook in enger sin genoomen, voorhet fijne saad, als koolsaad, raapsaad, kanaariesaad, kennepsaad, pieterseelie, kervel, sterkkors, [p. 218] en ik weet wat al voor saad! want door graan verstaan de koornkoopers Koorn: als Rogge, Tarw, Haaver, Garst, ens. saad beteekend ook manne kragt (om het bedektelijk te seggen) gelijk bekend is: van saad komt niet alleen saajen: waar van, quaad saad saajen, dat is, geleegendheid geeven tot onlusten; versaaden, versaadigen: soo seid men, ik kon mijn lust niet versaadigen: hij is niet teversaadigen: ik ben haast versaad: dat is, ik heb haast genoeg: versaadiging;voldoening van de lust, en geneegendheid ergens toe, ens.
    SAADHOUT, sie, kolsem.
    SAAG, van de Latijnisten serra genaamd: en deese sijn verscheide, als raamsaag, steeksaag, handsaag, ens. waar van op sijn plaats gehandeld is, en gehandeld sal werden: van saag komt saagen, meteen saag arbeiden: een saager, een houtsaager, ook een soort van een klein schulpe, hebbende eenige tandjes, als een saag: saagelis, het stof, dat door het saagen van het hout af valt: een saagmoolen, een moolen, waar mee’ gesaagd werd: saagen werd ook oneigendlijkvan de speelluiden genaamd, de strijkstok beweegen, waar van, saag op! saag wakker op! daar wierd wakker opgesaagd.
    SAAL, dit woord, soo als het uitgesprooken werd, is van verscheide beteekenis; want soo men het neemt voor een groote en ruime kaamer, soo schijnt het van Franse afkomst te sijn; gelijk aan het woord salet en saletteeren blijkt; somtijds werd het genoomen voor een saadel op het Latijn Ephippium, alsiets, dat op een paard geleit werd; van ’εφ en ‘ιππ ῷ Waar van een saalmaaker: iemand uit de saal ligten: iemand sandruiter maaken, het welk de beste vrouwe man wel meer, als sondags gebeurd, wat een saal, of saaling te scheep beteekend dat leit W. p. 516. wijdloopig uit; soodat mij daar meede ten hoogste vergenoegd houde.
    SAMMEREUS, een seer lang en plat, en steevig vaartuig op den rijn en maas, het welk gebruiktwerd insonderheid om seer swaare, en lange ijke balken: en in het gemeen om een seer groote meenigte van goed te gelijk af te voeren.
    SAND heeft eersteen gemeene beteekenis, als het genoomen werd voor arena: als men seid, gaandoor het gulle [p. 219] sand: gelijk de duinen, en degemeene weegen in het duin vertoonen: daar sijn bekende sanden, als graauw sand, wit sand, schuursand, schulpsand, ens. en hier van een sandman, of sandkraai, om dat de sandlui sijn als kraajen, die op het sand sitten: een sandpont, een sandscheepje, een sandschuit: daar is een manier van spreekenonder ons, dog dat seer quaalijk (ons bedunkens) op het sand toegepastwerd: als men seid: daar werd geen sant verheeven in sijn eige land: want dat woord sant is niet het selve met sand: gelijk wij het daarom ook met een t onderscheiden: want het komt van sanctus, een heilig: en daar van santen en santinnen: want het siet op het misnoegde seggen van onse Saaligmaakers, Matth. Cap. vers dat’er geen Propheetverheeven is in sijn eige vaaderland: voorts werd sand genoomen voor het geen uit sand bestaat, als banken, plaatsen in see: schipper! wagt uuw voor sanden en stranden: en dat blijkt aan dat bekende sand in de Noordsee: het doggers sand, als sijnde die bank, daar de doggers met haar dogboots gaan leggen, omkabbeljaauw te vangen. Ik sie land nog sand:
        Coelum undique et undique pontus.
    Sandgrond, een sandagtige grond: sand duimen: tumuli arenarii. Sijn karretje gaat op een sand weg! het gaat met hem voor de wind!
    SANDSTROOK seid W.pag. 506. is een plank, die de eerste, en de onderste is, die agter teegen desteeven staat, sie, strook.
    SAS, een spui, een kolk; waar van, het sas van Gent.
    SCHAA’, of schaade, damnum, schaade aanbrengen: iemand schaade doen, of aan doen: in schaade raaken: schaade lijden: ik mag teegen geen schaade, dat is, mijn staat issoo gering, dat de minste schaade mij kan deeren: waar van schaadennocere: en in een andere sin werd genoomen, dat schaad uuw niet! want naa de letter soo soude het nietwaar sijn: dewijl men dit niet en seid, als aan iemand die pijn, of smart, of schaade komt te lijden: maar men verstaat daar door, dat is uuw gegunt! gij hebt uuwregte loon! dewijl gij het moedwillens op uuw hals gehaald hebt: schaadeloos betee- [p. 220] kend sonder schaade: want loos in saamen gesteldewoorden agter staande, sonder beteekend: als goddeloos sonder God: geldeloos sonder geld, enontelbaare andere meer: dog dit selve woord heeft ook, in de gemeene wandeling, een geheele teegenstrijdige beteekenis, als men seid: de scheepen sijnschaadeloos binnen gekoomen: de scheepen sijn seer schaaloos geschooten: het welk beteekend, de scheepen sijn seer beschaadigd, schaadeloosloopen: dat is, loopen sonder arbeidsloon te verdienen: soo sal een vrouwseggen, dat haar man de gantse winter heeft schaadeloos geloopen: en eenambagtsman, die sonder werk is: ik loop schaaloos: dit schijnt in onsetaal seer wonderlijk! en eevenwel wat sal men anders seggen, als het geen vaneen wijs man gesegt is: non omnium, quae à majoribus accepimus ratio reddi potest: van schaaden komt beschaadigen, schaade aanbrengen: beschaadigd, schaade aangedaen: de waaren sijn beschaadigd: een beschaadigde borg: is sijn hand of voet niet beschaadigd, dat is, beseerd? ens.
    SCHAAF, een timmermans gereedschap, waar meede planken werden geeffend, en glat gemaakt: verscheide soorten van schaaven hebben wij al uit geleit, en de restlaaten wij oover om naa te vorssen bij de nieuwsgierige: want het ons meer aande tijd, als aan lust, en andere geleegendheid ontbreekt: van schaaf komt schaaven, met een schaaf arbeiden, en effenen: oneigendlijkwerd het tot andere werken oovergebragt; dit werkje moet ik nog wat schaaven: dit werk is nog niet genoeg beschaafd: soo ook van de seeden dermenssen, die jongeling moet nog wat beschaafd werden: onbeschaafd,ruuw en onvolmaakt sijn: dit werk is soo ruuw en onbeschaafd: het is een onbeschaafd houtje, dat is, het is een regten plomperd, en vierkanteboer: her of verschaaven, van nieuws op schaaven; stootschaaven;al stootende schaaven: het welk op iemands gang gepast werd, die soo watduuwende, gelijk de veenboeren, voor sig heen gaat, sie! daar gaat hij heen stoot schaaven!
    SCHAAKEL beteekendin sijn eerste beteekenis, een schalm van een ketting: waar van schaakelen, met schaakels [p. 221] aan een hegten: soo weet men die manier van spreeken: Si sijn vast aan eengeschaakeld: het welk oneigendlijk beteekend: sij hangen aan malkander als klitsen: maar de schaakels, daar menvissen in laat verwarren, hebben haar naam, om dat sij uit veel schaakels aan een geschaakeld sijn.
    SCHAAKEN een gebrooken Persiaans woord, koomende van Schach, een Kooning, en Schachmat, de Kooning is dood: is bij de liefhebbers van het schaakspel, en schaakbord bekender, als dat het onse uitlegging van nooden heeft: dog wij verstaan alhiereen scheepstimmermans woord, het welk beteekend perken, en vakken, diegebreeuwd moeten werden: W. pag. 506. seid, dat Schaaken beteekend vieren, bot geeven: waar van het woord, afschaaken, ens.
    SCHAAR, dit woord is seer bekend, als het genoomen werd voor een ijserwerktuig, daar men iet mee’ af knipt, waar van een knipschaar, wolle, of snijers schaar, een linne, of linnenaaisters schaar, en voornaamendlijk, de schaaren der droogscheerders: van een snijersschaar hebben wij deese spreekwijsen: ietshaalen door het oog van de schaar; dat is, iets kabassen, iets agteromhaalen: daar hangt de schaar uit, te weeten, op sulk een plaats, daar men gesnooten werd, gelijk sommige waardendaar van een handje hebben: behalven deese beteekenis, soo werd een schaar ook gesegt van de bekken vankrabben, en kreeften: welke laatste soo scherp sijn, als een schaar: daar en booven beteekend ook een schaar, een meenigte van volk, gelijkdie beteekenis in de Euangelien ten oovervloed voor koomen: maar besonder muntdeese beteekenis uit in het saamen gestelde woord, heirschaar, dat nu genaamd werd een heirleeger: als de Heere der Heirschaaren: en hier van hettijdwoord schaaren, dat is, in ordestellen, of met een Frans woord, rangeeren: en hier van, de troepen wierden geschaard in slog orde: beschaaren beteekend het geen gemeenelijk geseid werd, beschikken: gelijk, geef mij maar last, ik sal uuwdat wel beschaaren: wat nu schaarstokken bij de scheepstimmerlui beteekend, dat blijkt klaarlijk, voornaamendlijk, als daar bij [p. 222] komt de uitlegging van W. pag. 54. en de afbeeldsel N. 1. gelijk p. 55. N. 5. hij seid dan, dat schaarstokken sijn dikke, dog smalle planken leggende (geschaard)op de balken in den ooverloop, ens.
    SCHAFFEN, beteekend twee dingen: voor eerst opdissen: waar van: schaf kok! heeft de kok wel geschaft?schaftijd: de tijd om op te dissen: een schafmeester, een dismeester: ten tweede beteekend het eeten: hebje lustig geschaft? ik moet wat gaan schaffen: en behalvendeese, soo vinden wij nog het seggen, ikheb met uuw niet te schaffen! ik het met uuw niet te doen: ik vraag naa uuwniet.
    SCHALKEN, komt misschien van schalk, dat is, loos, dog van ouds beteekende het een knegt, waar van in den 51 Psalm in ouden rijme: Heer ik ben uuw schalk, jaa ik ben uuw schalk: dog om nog klaarder te gaan, sie het woord marschalk, en voor al godsschalk het eerste beteekend als een knegt van de mars, of legatus imperatoris: en het laatste een knegt Gods: maarom tot schalken te koomen, het is almeede een weet, en kennis, en schalkheid of loosheid, dat men de luiken, het sij met touw, het sij met klampen heeftgeleerd vast te maaken: van schalk komt verschalken: waar van, wij hebben haar verschalkt: sij meenden ons te verschalken: dat is, te verrassen, en uit het nest te ligten: dogsijn sij van ons verschalkt, ens.
    SCHAMPEN, waar van af schampen, stuiten, af stuiten, de bijl die schampteaf: schampdek: een dek of deksels aan de poorten van het geschut, daar op alles afschampt, dat, de selve soude kunnenbeschaadigen: een schampscheut iseigendlijk een scheut, die niet tedeegen treft: en oneigendlijk een steek, en streek, en bokking, die men aan iemand als van ter sijden geeft: weshalven het te gelooven is, dat schempen het selfde met schampen is, gelijk uit de voorbeelden klaar is: en derhalven ook schimpen, spotten, spreeuwen, schimp, hoon, smaad, waar van een schimper, een spotter, een spreeuw: een schimpdigt. ens.
    SCHANDEK, seid W. p. 506. is het hout, dat het boord dekt, die de selve p. 56. N. 16.
[p. 223]
    SCHANS, een bekend woord onder de krijgsluiden niet minder, als onder het seevolk: want een schans beteekend in het gemeen een sterkte, tot welken einde de schansen gemaakt werden: en in het besonder de wallen en vestingen van een stad: gelijkmen tot Amsterdam en andere plaatsen segt: sijwoonen agter de schans, en het gemeene spreekwoord: ouwe paarden jaagt men agter de schans, het welk oneigendlijkbeteekend: als men ergens geen dienst meer van trekken kan, soo agt men het niet: en voornaamendlijk de paarden: hoe wel het ook een oud en waar spreekwoord is; jong hooveling, oudschooveling, sie de Bruin Embl. pag. het woord schans werd te scheep genoomen, voor de sterkte van de stuurplegt: en om nog meer verseekerd te sijn teegen het geweld der vijanden, soo werdendaar nog schans kleeden aan de schans gespannen, om daar agter voor dekoegels van de vijand bevrijd te sijn: een schanslooper, sie, wolkvanger, beschansen: verschansen, met een schans versterken: soo seid men, wij laagen wel beschanst.
    SCHARP, beteekend eigendlijk al, dat gesleepen en scharp gemaakt is: dat sijnscharpe messen! scharpe spooren: iemand met scharpe spooren berijen, sie, spoor: ten tweede beteekend het ook, dat ruuw en ongelijk is: soo werden desteenen, ende rotsen scharp gesegt: jaa een bits man werd ook gesegt scharp te sijn: hij was soo scharp als een els: een schoenmaakers spreekwoord: want een els bij haar een soort van een naald, of priem is: ik val soo scharp niet: het welk beteekend, of ik staa soo naauw opmijn regt niet: of ben soo bits niet: ik ben soo hongerig niet: gelijk men ookseid: ik val teegenwoordig wat scharp: scharp beteekend ook bekrompen: naauwelijks, krap: gij weegt soo scharp: daar is scharp een vierdevat: wij hebben scharp half wind: het is scharp geseild, sie, seil: waar teegen gesteld werd ruim: ruimweegen is geen sond: scharp beteekend ook heevig, heet: het ging’erkort en scharp: soo ook somtijds den arbeid der vrouwtjes. Scharp beteekend te scheep alhetijserwerk, het sij koegels, het sij bouten, schroot, ens. [p. 224] daar meedemen schiet: waar van kruisscharp: los scharp: en hier van het seggen inheevigheid van gemoede, om den vijand meer af breuk te doen: set’er dubbeld scharp op: dat is, set’ereens soo veel op, als men gewoon is daar op te setten: van scharp komt scharpte, scharpheid, als ook scharpen, en dat beteekend scharp maaken; ik heb mijn mes daar toe gesleepen: iemand scharpen; iemand onderrigten, en wijser en sneediger maaken: ik moetmij daar op scharpen; ik moet mij daar nog op bedenken, en beraaden; sooook, opscharpen, opscharping, ens. dit woord scharpen (wanneer het van de wind gesegt werd) beteekend, dat de wind teegen loopt; de wind scharpt, ens.
    SCHAAVIELEN, ruim baan maaken, alles opruimen: en derhalven werd het ook van dewind gesegt, als die begint goed te waajen: waar teegen wij hebben gesien watte seggen is, de wind begint te scharpen, ens.
    SCHEEN, van de Latijnisten tibia: waar van, sijn scheenen stooten: een blaruwe scheen loopen, of korter, een blaauwtje loopen: repulsam pati; dat sal hem voor de scheenen springen; dat sal hem in het oogdruipen: wat voor scheen hebben seggende seelui, als sij iets hebben, daar teegen sij met de scheenen kunnen steunen: van scheen komt een scheenbordje, of plankje, als ook een scheenhoed, een bordje, plankje, of hoed, dat de scheen voor stooten, of branden bevrijd: een klopscheen is een schoenmaakers gereedschap, daaar sij meede kunnen kloppen, en waar op sij de kanten van het leer somtijds wat afsnipperen, ens.
    SCHEEP, dit is het oude woord, waar voor nu gesegt werd een schip; want hier van komt, dat men in het getal van veele seid scheepen; gelijk ook uit de volgende manieren van spreeken, en het saamen stellen derwoorden blijken kan: soo seid men, scheep gaan, scheep koomen, scheep doen, dat is op sijn groot scheeps, het welk oneigendlijk beteekend dat is op sijn rijkelui; dat is, den gebraaden haan speelen; geen scheeps verstaan, is soo veel geseid, als geen scheepspraat en taal verstaan; en derhalven niet verstaan, wat’er [p. 225] op een schip omgaat nog kennis hebben van de scheepvaart: oneigendlijk, geen verstand hebben van saaken, daarvan gesprooken werd, en die men behoorde te weeten, van scheep komt het tijdwoord scheepen, dat is, scheep doen: waar van Hoofd in Velsen act. 3. sc. 1.
        Sietoe! sie toe! gij scheept’s lands welvaard uit het land.
    Scheepen, ?gescheept sijn, waar in de letter G, en hebben daar getoond, dat het noodsaakelijk oover een koomen moet met opgescheept sijn, gelijk men gemeenelijk segt: wij waaren met haar opgescheept: ontscheepen beteekend lossen: ontlaaden: de waaren wierden ontscheept, ens. Scheepsbestier, de kunst, en het bestier om een schip, of vloot wel en wijselijk te bestieren: gelijk de Heer Witsen sijn nooit volpreesen werk noemd: scheepsbouw, en bestier.
    Scheepsbijl een bijl die men te scheep gebruikt: scheepsboord: het boord van het schip: waar van, sijn, of koomen binnen scheepsboord: dat is, scheep sijn, of, scheepkoomen.
    Scheepsbouw de kunst om scheepen te kunnen bouwen. Scheepsgereedschap, gereedschap, dat men te scheep van nooden heeft. Scheepskist, een bootsgesels kist, of in het gemeen een kist, die men te scheep van nooden heeft: sijnde maats haar kisten al scheep? ens.
    Scheepskok, de kok, die te scheep voor het scheepsvolk schaffen moet: waar van uit quaadheid, en als bij veragting: vaar heen voor scheepskok! sie, pomp. Scheepsplunje, kleeding die men te scheep gebruikt, sie, plunje: scheeps praat, soo men gewoon is, te scheep te praaten.
    Scheepstimmerman, eenarbeidsman, die sig op het timmeren van scheepen verstaat: voornaamendlijk soo hij een meester in die kunst is. Scheepstimmerwerf, een plaats, of werf, of helling, daar scheepen kunnen gebouwd werden, sie, helling, of werf. Scheepvaart, den handel, die met vaaren, en uitrusten ven scheepen, gedreeven werd, sie, vaart, of, vaaren.
    SCHEEREN, heeft verscheide beteekenissen, en voor eerst beteekend het afknippen, afsnijden: gelijk met een seissen, en scheermes geschied: soo scheert een boer het veld met een seissen, als hij het afmaaid: soo scheerd een [p. 226] baard schraaper den baard met een scheermes, en hethaar met een schaar: wie heeft uuw haar geschooren? wie heeft uuwbaard geschooren: scheeren beteekend oneigendlijk iemand foppen, met iemand gekken: gij scheerd mij! wij hebben hem lustig geschooren: misschien om dathet onse voorvaaderen vreemd gedogt heeft, doen het scheeren van haar en baard eerst naa de kunst wierd ingevoerd: ofdat’er somtijds eenige poetsen mee’ wierden bedreeven: of om dat, diegeschooren sijn, gemeenelijk daar kaal af koomen: iemand een kruin scheeren: iemand munnik maaken: want dan krijgthij ultimam rasuram: dan is hijvolslaagen geprofessiet: hij sag’er uitals een geschooren aap: dat is, hij sag’er geestig en belaggelijk uit, gelijk de leeuwtjes: van scheeren komt een scheer haak, en is te scheepeen haak als een seissen, om desvijands wand meede te beschaadigen, en als weg te scheeren: soodaanige scheerhaaken hebben de persiaanen eertijds gebruikt aan
haar heirwaagens, en de Romeinen noemden dieook falces: vide Stewechium in vegetium de re miltari: en Curtium lib. 4. Cap. 9. de rebus gestis Alexandri Magni. Ducentae falcatae quadrigae: ex summo temone hastae praefixae ferroeminebant: utrimque à jugo ternos direxerant gladios: & inter radiosrotarum plura spicula eminebant in adversum: aliae deinde falces summis rotarumorbibus haerebant: & aliae in terram dimissae quicquid obvium concitatisequis fuisset, amputaturae.
    SCHEF, een lange stok, gelijk een raagbol gesteeken werd, om te duiveljaagen, of traaven: welke woorden op haarplaats te sien sijn.
    SCHEG, of schegge, een loose steeven.
    SCHEIDEN, beteekend afsonderen: wij sijnwel te scheiden: sij sijn gescheiden van taafel en bed, dat is, haar is uit de naam van de hooge ooverigheid, dat sij, of hij, niet gehouden is aan de trouw en beloften van haar man, ofvrouw: als die sig de trouw onwaardig heeft gemaakt door een quaad leeven: enbij uitneemendheid, die scheiden, dievegten: en soo een geschil bij leggen, waar van scheidslui, arbitri: maarbij het vaarend volk beteekend scheiden ver- [p. 227] trekken: ik kan nog nietscheiden: sijn de vrienden nog nietgescheiden? een scheimaal: waarvan, een scheimaal geeven: een maal geeven, als iemand vertrekt: scheiding maaken: separare: maak scheiding! maak scheiding! schiftingen scheiding maaken: alles vereffenen, en ieder sijn deel aanwijsen: een scheidpaal, een scheidsmuur: afscheiden, afsonderen: afscheidneemen: iemandbekend maaken, dat men vertrekken sal: en verders bedanken voor de genootegunst, en vriendschap: en verders sijn dienst aanbieden, soo hij hem ergens op sijn reis soude kunnen dienen: afscheiding, afsondering: bescheiden, ontbieden, verdagvaarden, ik heb de vrinden hierteegen die tijd bescheiden: bescheid, antwoord, bescheid brengen: antwoord brengen: bescheid geeven, antwoord geeven, is’er niemand, die mij kan bescheid geeven? bescheid doen, beteekend het selfde: dog het werd ook anders gebruikt: voor soo naadrinken, als een ander voorgedronken heeft: waar van het seggen: sulje me bescheid doen: waaromdoeje me geen bescheid? bescheid (in getal van veele) heeft bescheiden: en daar van, waar sijn uuw bescheiden? dat is, waarsijn uuw stukken of documenten, waar meede gij uuw saak beweeren sult, en onsop onse vraagen, en voorstellingen antwoorden? wij hebben onse bescheiden bij ons: wij sijn wel gewaapend, en ulwel getroost: bescheide beteekend ookseedig en geschikt: het is een bescheidejongman: bescheidendlijk, seediglijk, geschikt: en somtijds duidelijk: hij antwoorde ons op onse vraagen bescheidendlijk: wij konden die woorden bescheidendlijkhooren: disitincte seggen de Latijnisten: dit woord beteekend ook, seeker, voor waar: is dat soo? bescheidendlijk: volgd nu onderscheiden, onderscheidmaaken: wij kunnen die saaken welonderscheid maaken, wat goed of quaad is: verscheiden, vertrekken: en bij gevolg sterven: leggen op sijn verscheiden: leggen op sijnsterven, leggen op sijn uiterste: hij isverscheiden: hij is ooverleeden: waar van, Hoofd in Velsen act. 5: sc. 9. hij is verscheien! hef nu aan ’t schreien! maar verscheide beteekend varius: daar sijn verscheide soorten van menssen: daar is groote verscheidendheid in deseeden der menssen: en [p. 228] endelijk uitschieden, niet meer doen: ikscheier uit: hij scheid’er uit, alsde Munnik uit sijn goe’ daagen: dat is, hij heeft niet minder in den sin, als dat: uit de neering scheiden, ens.
    SCHEINAAGEL, sie, naagel.
    SCHENKEL, of schinkel, crus van de Latijnisten genaamd: waarvan crurifragium, als eenmisdaadiger, aan het kruis genaageld sijnde, de schenkels wierden aan stukken geslaagen: bij gelijkenis werd eenend touws, dat aan de nok van de ree vast geplitst werd een schenkel genaamd.
    SCHEPPEN beteekend twee dingen: volgens get geen in onse Duitse ooversettingvan Gods Woord staat, soo beteekend scheppen, het geen de Latijnse ooversetters noemen creare: dat is, iets voortbrengen, dat van te vooren soo niet en was: soo schiep God Heemel, en Aarde, Gen. 1.vers 1, waar God onse Schepper genaamd werd: en het geen, waardoor alles gewrogt is, de schepping: en het geen voort gebragt is door de schepping, een schepsel: en in het besonder eenmens, soo hoord men dikwils, het is eenarm schepsel: hij is een wonderlijkschepsel: maar te scheep beteekend scheppen, het geen de Latijnisten noemen haurire: waar van een schepper haustrum: een schepnet, een net daaar men iets mee’ schept: gelijk de schepnetten, om de vis uit de houwers, of beunen, of korven te scheppen: of daar meede aan de kanten van de slooten al scheppende gevist werd: van scheppen komt ontscheppen, en beteekendsterven: sie Hoofd in Velsen act. 5. sc.1.
        O Schepper ik ontschep! ontsluit mij uuw genaade!
    Opscheppen, uit een pot ofkeetel scheppen: schep op met de groote polleepel: dat is, schaf wakker op! meenje dat het hier op geschept staat! meenje, dat het hier van de boom geschud werd! uitscheppen, iets ergens uitscheppen: men schept het hier uit een sloot niet: dat is, men heeft het hier voor niet niet: oover een koomendemet het voorgaande, ens.
[p. 229]
    SCHERPEN, sie, scharpen.
    SCHEUR, waar van scheuren: scheuren nu beteekend of van een doenrijten, en splijten: of gereeten, en gespleeten werden: sijn kleeren scheuren: en oneigendlijk, ik scheurde mijn reusels, en maakte daar een huik af, dat is, ikwas soo quaad, als een baars, en daar was niemand, die daar iets om gaf: of diesig daar aan kreunde: als oud mal begintte scheuren, soo is daar geen stoppen aan: dat is, als oude lui mal werden, dan is het omgekoomen: en in priapeiis, wilder als wild: wie sal’er mijtemmen?
    SCHEUT, een plat Duits woord, voor het welk nu gesegt werd een schoot, als koomende van schieten. Mijn kind heeft een groote scheut gegreegen: is veel grootergeworden: van scheut komt scheutig: hij valt niet scheutig, dat is: hij is kaarig, en schiet niet gaarn geld.
    SCHIEMAN, of soo Hugo van Linschooten lib.1. cap. 3. en Roemer Visser, hem noemen schimman: soo gissing plaats had, men sou moogen denken: dat hij daarom een schimman genaamd wierd, om dat hij is, als de schim en schaaduwe van denhoogbootsman: dat is, hoogbootsmans maat: sie, W. p.
    SCHIEMANSGAAREN, het gaaren, dat de schieman gebruikt, om iets vast temaaken: dit gaaren werd te scheepgemaakt, of gesponnen, van het herpluis van oude kaabels, ens.
    SCHIESCHUIT, sommige noemen die een schietschuit, om dat sij snel in het voortschieten is: sulke schuiten in het besondersiet men tot Amsterdam, en werden genaamd, Uiterseschieschuiten, deese sijn het, die als Uitersemarktschuiten sijn, ens.
    SCHIETEN is van meer als een beteekenis: want schieten in het gemeen beteekend een pijl, of koegel doen vliegendoor de lugt: wie heeft die pijl, of, koegel geschooten? met spek schieten, te weeten, om brand te veroorsaaken [p. 230] in des vijands schip: oneigendlijk iemand scherp aan tasten: en sijn saaligheid lustig seggen: hij schoot geweldig met spek: hij gafhem genoeg te ruiken, ens. schieten beteekend ook, doorschieten, treffen: hij schoot een voogel: gaan uit schieten, dat is de paapegaai geschooten: sie, paapenaad: een walvisschieten, te weeten, met harpoenen, ens. maar daar sijn nog te scheepeenige andere spreekwijsen: de ballast schieten, dat is, de ballast werpen: de ballast schiet, of verschiet, de ballast verrold: de netten schieten, de netten uitwerpen: sijn kuit schieten: sie, kuit: de steng schieten: dat is, neederwaarts laaten sakken: iets rond schieten, een touw rond schieten: dat is, een touw in de rondte op rollen: waar van, sij sullen dat niet rond schieten: sie, rond. Schieten, snel neederduiken: hij schoot met de kop naa de grond: schieten beteekend oneigendlijk opdokken, betaalen: wie sal geldschieten? ens. van schieten komt afschieten, dat is, lossen: een roer afschieten: afschieten, schielijk needer sakken: beschieten: met schieten kunnen bereiken: oneigendlijk met planken bekleeden: waar van een beschot: mijn oogen beschieten: ik was eeven beschooten: ik werd slaaperig: en mijn oogen waaren eeven toe: dat mag niet veel beschieten: dat kan geen groot voordeel geeven: inschieten, met een koegel, pijl, ens.ergens binnen inschieten: oneigendlijk, invoegen, inlassen: schiet’er een stuk van een plank in: ik sal’er geld bij inschieten: ik sal verlies doen: de broek lappen, en het gaaren toe geeven: dat schoot mij in: dat quam mij in den sin: ontschieten: dat ontglee’ mij: dat is mij ontschooten: het welk oneigendlijk tweesins verstaan werd, als eerst, dat is mij door het hoofd gewaaid, dat is mij vergeeten: en ten andere, dat is mij mislukt: het kan soo een mens altemets wel ontschieten: opschieten, uit de hand schieten, en laaten vliegen: duiven opschieten: schiet op! kruis of munt! oneigendlijk op iemand niet passen: iemant te leur stellen: de vrinden schooten mij op: verschieten, van de eene plaats werpen naa de andere: Koorn verschieten, sie, koorn.Insgelijks ontroerd werden, gij doet mij verschieten: de verw verschiet, de verw veranderd: verschieten, met schieten [p. 231] verquisten: hoe veel kruid heeft hij verschooten? geld verschieten: iemand geld leenen, of geld voor een ander betaalen: uitschieten, oneigendlijk, verschieten: wie heeft dat geld uitgeschooten? ens. Schietbout, een bout daarmee geschooten werd. Schietgeweer, alderhande geweer, daar uit men schieten kan, als roers, musketten, snaphaanen, geschut, ens.
    SCHIJF, dit woord beteekend te scheep een ronde plank, of bordje in een taakel, waar oover de taalie, of het touw, daar meede gehijsd werd, bewoogen werd: door dien het selve meede omdraaid: en hier van, het gaat oover veel schijven: en dienvolgens te gemakkelijker (gelijk den seelui bekend is) oneigendlijk beteekend het: daar leit weinig aangeleegen of het wat meer kost: want daar sijn veel luiden, die daar aanbetaalen moeten: het gaat oover schip en goed: en daarom mag men wel seggen: dat’er niet meer verlooren gaat, als gemeen goed: sijn gat gaat op schijven: dat is, oneigendlijk, hij leefd als een heertje op sijn vermaak: het woord schijf werd door gelijkenis tot veel saaken oovergebragt: en voor eerst tot geld: hij heeft seer veel schijven: het sijn sijn schijven, die’er klappen: dat is, het is sijn geld, daar alles voor gekogt werd: de klei (seid de boerin)is van mijn kar gekoomen: wat schijven in een dambord ens. sijn, dat is genoeg bekend: endelijk werd het ook op een stuk vlees gepast: als men seid een kalfschijf: de raapen appels snijen aan schijven ens.en selfs sommige appelen werden schijvers genaamd, om dat sij bequaamer sijn als ander om aan schijven gesneeden en in de pan gebakken te werden. Een knieschijf, poples.
    SCHIJTVALK (naa het getuigenis van de seelui, die om de noord vaaren) is een soort van roof voogels, de steen valken niet ongelijk: deese valk heeft de naam daar van gekreegen, dat hij niet als andere valken aasd op het vlees van het gevoogelte: maar (met verlof) op den drek van kokmeeuwen: weshalven de seelui gewoon sijn te roepen, als sij sien, dat een meeuw van den soo genaamde schijtvalk gegreepen is:
[p. 232]
        Schijtmeeuw! schijt! soo raakje de valk quijt.
hier uit is nu ligtelijk af te meeten: waarom sommige pronkertjes (als bij gelijkenis tot Amsterdam) schijtvalken genaamd werden: te weeten, om dat sij de uiterlijkegedaante hebben van rijke luiden, en sij hebben quaalijk een duit in de mars.
    SCHILD genoomen voor een waapentuig beteekend soo het rond is, Clypeum: soo langwerpig, scutum een klein schildje parma, ens. iemand te schild en te speer vervolgen: dat is, een doodelijkenhaat op iemand hebben: maar te scheep beteekend het de borstweering agter het galjoen, W. pag. 55. N. 11. beeld het af: seggende, dat het is een sieraad voorop de stuurplegt, en elders, ens.
    Schildbank, of misschien schildplank: dit is een swaare plank, daar de enden van het braadspit ter weeder sijden inrusten, en omdraajen. Schildhoofd, een hout hebbende de gedaante van een hoofd, diend eenigsins tot sieraad: ander deels, om touwen aan te beleggen. Schildknoop, een knoop aan een touw, die als een schild en borstweering is, om vast te houden.
    SCHILLIPEN, of misschien schildlippen, ten sij het waaren schulpen: sijndete scheep deksels op de schildbank.
    SCHINKEL, sie, schenkel. Schinkelhaak, de haak aan de schenkel.
    SCHIP, dit gevaart kan bij gelijkenis genaamd werden een drijvende batterij, een drijvend kasteel: want men daar uit al drijvende schiet, en schut gevaarthoud: blank schip een schip, dat schoon gespoeld is: een scharp schip: een schip, dat onder scharp, of sluik toeloopt: dit woord werd gepast op een mens: alsmen seid, het is een diep gaande schip: het welk eigendlijk geseid werd van een schip, dat swaar gelaaden is: oneigendlijk te kennen geeft, dat soo een man in al sijndoen al te kostelijk is: en dat, soo hij neutjes heeft, wel dopjes maaken sal: het gaat oover schip en goed: dat is, de schaade raakt niet alleen de reeders: maar [p. 233] ook de koopluiden, diewaaren in het schip hebben: daar men voorscheep komt, daar moet men voor vaaren, dat is, eigendlijk, die sig voorbootsgesel verhuurd heeft: die moet bootsgesels werk doen, en die voor kok scheep komt, die moet schaffen: die voor hond scheep komt, die moet knookeneeten: oneigendlijk beteekend het: dat ieder doen moet, dat hem te doenstaat: en dat die een onderdaan is, sijn meerder moet gehoorsaamen: daar koomen soo goede scheepen aan, als’eraf vaaren: dit beteekend eigendlijk, dat de scheepen, die van andereplaatsen in onse haavens koomen, soo goed sijn, als die uit onse haavensvaaren: dit werd oneigendlijk van onse pretieuse en spijtige vrijstersgebruikt, als sij schamper willen seggen, dat sij naa een vrijer, of twee, nietveel en vraagen: voornaamendlijk, als hij haar opgeschooten heeft: willendeseggen, dat sij ligtelijk soo een slag weederom sullen kunnen bekoomen: duure scheepen blijven aan land: hetwelk oneigendlijk beteekend, dat juffertjes, die haar waar al te seer op geldhouden, daarom somtijds ongetrouwd blijven: van schip komt schipbreuk, dat is, als het schip soo gestootenen geslaagen werd, dat het breekt, en in het gemeen vergaat: schipbreuk lijden, werden die geene gesegt: die op een schip sijn, dat vergaaat, de Bruin in Embl. pag. 21. noemd het schipbraak, sie, ook Roemer Visser 2. schok 47.sinnepop ens. Een schippond reekendmen gemeenelijk op een gewigt, van 300. pond: een schipper is, die een schip voerd: dog daar werd bij haar onderscheid gemaakt, of een schipper meede reeder aan een schip is, of niet: de laatste werd maar genaamd een setschipper: om dat hij maar bij de reis, als op een schip geset werd: schipper sie toe! beteekend oneigendlijk, dat men op ons stuk naauw letten moet: want het luid niet wel, dat iemand schipper te voet gemaakt, of ontschipperd werd: want dat is niet beeter, dan of een Kapitein de deegen voor de voeten gebrooken, en een voet in’t gat (datde gewoonte is) gegeeven wierd.
[p. 234]
    SCHOFFEL, is een tuinmans gereedschap, daar sij iets meede weg schoffelen: en dit werd ook de baaren van de see bij gelijkenistoegeeigend: om dat sij alles sonder onderscheid weg stooten, of weg schoffelen.
    SCHOFT, beteekend in Hoogduits, een schouder: en ook wel voor een last, diede schouder drukt: waarom doodeetersen straatslijpers ook schoften om die oorsaak werden genaamd: als sijnde haar ouders en vrienden, als een last: een schoft bij de timmerlieden en metselaars beteekend, die tijd, die sij moeten werken, en die geeindigd sijnde moogenrusten: hoe veel schoften werkje op eendag? van schoft komt schoften, dat is, rusten: en die tijdwerd schoftijd genaamd: het is schoftijd: de maats houden schoftijd: de maats moeten schoften, ens.
    SCHOK, beteekend een seeker getal van blokken, klaphout: wat nu het getalvan dien bedraagt, sie Roemervisser, die sijn Sinnepoppen in schokken verdeeldheeft.
    SCHOKKEN, beteekend in het gemeen twee dingen: en voor eerst: het stooten en het opspringen van een waagen: voermanhoe schokt de waagen soo! wij wierden soo geschokt, dat ons de leeden seer deeden: dit schrijft ook W. p 506. desee toe, hoe wel sijn E. het noemd scholken: want scholken is aldaar, hol gaan, ens.
    SCHOL, een soort van platvis: waar van het spreekwoord: hij droomd van schol, hij eet gaarn platvis: het welk een maniervan spreeken is: waar meede te kennenen gegeeven werd: dat daar het hart volvan is, dat men daar van spreekt: en naa het oude seggen: quod cupimus, facile credimus: en bij gevolg, hij dwaald: hijdroomd.
    SCHOLFERTS, of, schollevaars, dit is een soort van waater voogels, die de groote hebben van een gemeene gans: enseer graatig en verslindend sijn van vis: en herhalven gehouden werden voor een soort van eendvoogels, die men duikers noemd: weshalven Kilianus hem noemd mergusmagna: sie voor al naa Gesnerus deavibus, & in specie de mergis: alwaar sijn gedaante in plaat, en sijnaard naa het leeven beschreeven werd, en de oorspronk van sijn naam [p. 235]werd naa gevorst: deese voogels sijn in Holland nergens beeter te sien, als in het scholfertsbos te Seevenhuisen, geleegen tussen der Gouw en Rotterdam: dit woord werd ook gepast op een vuilmorsig mens, dewijl die voogels selfs seer vuil sijn: als men segt, jouw regten scholfert.
    SCHOOLEN, soo het mogte sijn een vervloogen Grieks woord: soo most het koomen van σχολή, beteekenende in sijn oorspronk leedigheid, leedigen tijd: waar van het Latijnse Schola, dat de Grieken Gymnasion noemden: de oorspronk genoomen van de worstelaars, die naakt haar oefening deeden: sie Mercurialem de arte Gymnastica: in het gemeen werd een school heedendaags genoemd een plaats, daar leerlingen vergaaderen, om onderweesen tewerden: en die onderwijst, een Schoolmeester: school houden: te school bestellen: schoolleggen, school gaan: een Schoolvrouw: een poppeschooltje, een kinderschooltje, ens. soo ook werden de vissen gesegt te schoolen, als sij met meenigte bijeen vergaaderen: gelijk de leerlingen in een school: de vis schoold geweldig bij een, ens.
    SCHOONMAAKEN is een gemeen woord, en beteekend iets, dat vuil geworden is, weederom haavenen, en van sijn vuiligheid reinigen: een schoonmaakster: sijn pad schoonmaaken, sijn schoonste seggen.
    SCHOOR komt van schooren, dat is stutten: en derhalvenis een schoor, het geen iets stut, envoor het vallen bevrijd: en hier van het te saamen gestelde woord beschooren: dat is in het Latijn, decretum: dat geen, dat vast gesteld, enbeslooten is: dat ongeval was hembeschooren! ens.
    SCHOOT, of op sijn seemans scheut: gelijk op sijn plaats tesien is: schoot nu komt van schieten: waar van, elke schoot is geen endvoogel: dat is, het lukt altijd niet eevenwel: non semper feriet, quodcumqueminabitur arcus: binnen scheuts, of, schoots: wij kreegen de vijand binnen schoots: dit beteekend ook oneigendlijk, in de klem, in het naauw: buitenschoots blijven: oneigendlijk, sig in geen gevaar begeeven: sig niet laaten inwikkelen in een saak, daar gevaar in steekt: ik hou’ mij buiten schoots, ens. een schoot onder [p. 236] waater krijgen: word eigendlijk gebruikt ontrent de scheepen, die in het rijsen van de baaren, en als het onderste der scheepen booven waater komt, van een koogel aldaar getroffen werden: het welk seer gevaarlijk is, en derhalven is het gebruik, dat soo draa een schipper sulks verneemd, het straks in lij smijt: om het gat (soo goed men kan)te laaten stoppen, sie, krengen, oneigendlijk werd het op iemand gepast, die van een ander een drooge bokking krijgt, dat juist van de bijstanders soo niet gemerkt kan werden: dog die hetraakt, die steektse bij sig: daar en booven werd het gesegt van iemand, die dehoogte begint te krijgen: hij heeft een braave scheut onder waater: hij heefteen braave douw, of, bruts weg, ens.
    Schoot, genoomen voor een touw, daar men de seilen kan mee’ aan haalen, en vieren: het sij het komt van schieten, of, schieten laaten: of van schoot, daar men de kinderen op set, en van de Latijnisten Gremium genaamd werd: want wie wil daar oover een harnas aan trekken? hier van koomen verscheide spreekwijsen: als voor eerst, deschoot aan haalen, de schoot vieren, oneigendlijk, wat toe geeven, Hoofd in sijn Neederlandse Historien pag. 53. en elders: de Bruin in Embl p. 18 ens. deschoot laaten springen: vaaren meteen gespronge schoot: vaaren voor de wind: sie, hals: ruimschootsseilen, ens.
    SCHOOTBLOK, het blok van de schoot.
    SCHOOTHOORN, de horn, of hoek van de schoot.
    SCHOOTWAATER beteekend een scheut soet waater, dat van boovenkoomende door de mond van de seegaaten in see schiet, sie Cat. Embl. 22. dit geschied voornaamendlijkten tijde, als’er veel opper waater van booven komt.
    SCHOOVERSEIL, het onderster seil van de groote mast: seilen met het schoover seil, dat is seilen met mooi weer, ens. sie, seil.
    SCHOP beteekend verscheidedingen: eerst als men met de voet iemand soekt te beleedigen: geef hem een schop: ten tweede een touw, daar men op gaat sitten, en dat heen en weer bewoogen werd: ten derde een werktuig, daar men iets meede op schept, en weg werpt: als een as- [p. 237] schop, strontschop, ens. iemand op een schop setten: iemand lossetten, soo dat men hem verstooten kan, als men wil: dat ook schoppen genaamd werd: sij hebben hem geschopt, sij hebben hem de schop gegeven, ens.
    SCHORTEN beteekend somtijdshaaperen: daar schort wat! wat schortuuw! wat let uuw! wat deerd uuw! somtijds beteekend het, en wel bij de scheepstimmerlui, het agterste van een schip wel te saamen voegen: waar van, het schip is wel geschort: een schort noemen de Amsterdammers, dat de Leienaars noemen een wagt: beide (naamijn oordeel niet quaalijk) om dat een schort ligt kan op geschort werden: en alshet een wagt genaamd werd, dan is het selve een oovertreksel, waar door de rokken voor spatten, of nat werden gewagt, en bewaard werden: een schorteldoek, of schortekleed: een doek, of kleed, dat iemand voor sijn lijf bind, om niet vuil te werden.
    SCHOT beteekend somtijds een scheut, dat maakt schot: dat is, datmaakt voortgang: somtijds beschot, sie W. p. 56. N. 14. en 58. N. 20. sie schieten: en hier van, ik sal daar wel een schotvoor schieten: oneigendlijk, ik sal dat wel beletten.
    schotspijker een spijker, die bequaam is, om in een schot geslaagen te werden: en hier van het spreekwoord: hij smijter een hand volschotspijkers onder: dat is, hij smijter wat schots onder: hij praat, dat niet veel besonders is.
    Schotsbouts, een soort van ijsere bouten met gaaten, om hout aan te setten W. pag. 507, en pag. 185. N. 2.
    SCHOTSKOOPMAN, soo men op desaamenstelling der woorden let, het komt van schots, en koopman: schots nu (het komt van daan, waar het van daan komt, het beteekends slegt, gering: ik kreeg een schots antwoord: hij gaf mij schots bescheid: en soo gelooven wij, dat een schots koopman, is een slegtkoopman, en die met sijn waaren (teegen onse heedendaagse gewoonte) ergens naa toe reisd, om te venten.
    SCHOUT BIJ NAGT, is wat een schout en sijn ampt bij ons is, daar isgeen, of weinig uitleg toe van nooden: want de kinderen weeten wel wat het te seggen is, als men roept de schout diekomt! de schout die komt! een schout dan is, die alle [p. 238] breuken, en boeten (gelijk men spreekt) moet invorderen: dog dan spreek ik van opperschouten, maar niet van de onderschouten: ter see nu werd een schoutbij nagt genoemd een opper hoofd: wiens pligt het is, bij nagt op te passen, dat ieder volgens sijn rang koome te seilen: op dat alle onheil van oover seilen, en op het lijf te seilen, of den een denanderen te beschaadigen, mag geweerd werden, of soo iemand sig daar in tebuiten gaat, door hem aangeklaagd te werden: en deese last, en naam, werdgegeeven, en toe vertrouwd aan soo een, die de naaste plaats aan een vice Admiraal bediend: dit woord werd ook gepast op soo een, die sig laat gebruiken, om schelmen, en dieven op te speuren, die te verraaden en in Balluuws, ofSchouts handen te leeveren: de vrouwtjes hebben ook onder haar een schout bij nagt, die sij het quaadwijf daarom noemen: dog in het gemeen met een aansienelijker naam bekend is, endat is vroemoer: als of men seid eenwijse, en verstandige moer, of vrouw: gelijk de naam van vroe’ en vroede: waar van Vroedschap: genoeg daar oover bekendis.
    SCHOUW beteekend twee dingen: eerst (als koomende van schouwen, aanschouwen: sien, aansien, enbesigtigen, en in het besonder, van weegen en dijkaadien: wanneer geschied de schouw? sijn de Heeren al uit schouwen geweest?schouwen beteekend ook agten, waardeeren: hoe veel schouje, dat goed wel waard te sijn? ens. beschouwen, besien: en bij de kattekermeisjes, ontfangen, krijgen, maaken: hoe veel hebje van je vis beschouwd? afschouwen, afkeuren: afschouwelijk, afsiendelijk: ten anderebekeekend schouw, een praam: waar vaneen modder schouw, en in het besonder, daar men paarden en waagens meede oovereen waater, of rivier set, en ook een pont genaamd werd, sie, pont: de Leienaars hebben degewoonte, dat sij de plaats, daar de schouw leit bij uitneemendheid noemen het schoutje en in het besonder, het Haagse schouw: wij lieten ons aan het Haagse schoutjeoover setten, ens.
    schraag, een werktuig van hout,met stijlen, of pooten: gelijk in de huishouding bekend is: maar grooter en[p. 239] swaarder sijn die geene, die metselaars, en houtsaagers gebruiken, om stellaadjen van te maaken, en balken op te leggen: van schraag, of schraagen komt onderschraagen, stutten, ondersteunen, ens.
    SCHRAAL beteekend verscheidedingen: als voor eerst, maager: het is een schraal, en maager man: ten tweede, kaarig, deun, wrek, en ook welkaal: het is een schraal hart: daar is een schraale keuken: daar is een schraale vismart: daar is een schraale lugt: bar, guur: oneigendlijk: daar valt niet te haalen, of te krijgen.
    SCHRAAPER komt van schraapen, en beteekend afkrabben, waarvan af schraapen, of, af schrabben, en hier van een schraapstaal, een staal werktuig, daar de loopen van roers meede schoon gemaakt: een schraaper dan is een scharp ijser met een houte steel, waarmeede het oude teer van de scheepen werd afgeschrabt, gelijk de varkeslaagers gebruiken, om haar varkens schoon temaaken: oneigendlijk beteekend schraapen (per fas & nefas) alles naa sighaalen: en soo is een schraaper, eeninhaalig mens, ens. W. p. 185. N. 1.
    SCHRAAVELING, de arbeid en moeite, die men aanwend om voort te geraaken, naa het getuigenis van W. p. 506.
    SCHRIJVER komt van schrijven: en is te scheep, die op schrijft, en aanteekend, wat en hoe veelvolk op een oorlog schip is, en wie komt op reis te sterven, en de tijd wanneer;als ook hoe veel gemaakt is voor het goed, dat voor de mast verkogt is, ens.van schrijver komt het seggen, voor schrijver vaaren: van schrijven komt een schrijfschool, een schrijfmeester, die schrijven leerd: een schrijver, of, schrijf jongen, die leerd schrijven: van schrijven komt ook aanschrijven, aanteekenen: als ook door schrijven bekend maaken: ik heb het hem aangeschreeven: aanschrijvens krijgen: wij hebben aanschrijvens gekreegen: aanschrijven beteekend ook last geeven, dat het gedaan mag, en gedaan sal werden, daar oover geschreeven is: afschrijven, het teegendeel, hoe wel afschrijven meede beteekend, door schrijven [p. 240] ten einde brengen: hebje die blaadenal afgeschreeven? daarenbooven afschrijven noemen de boekhouders afreekenen, ik heb mijn afschrijvens gekreegen: en bij de pagters afschrijve n beteekend, hoe veel al op de pagt betaald werd: totafslag van het geen te betaalen stond: en hier van, gij moet dat op mijn soutseel af schrijven: inschrijven in een boek schrijven, wanneer sijt gij in geschreeven? dat is, wanneer hebt gij uuw naam laaten aanteekenen? ik ben nog niet ingeschreeven: opschrijven, opteekenen: schrijf op! een opschrift ’επιγραφή. onderschrijven, onderteekenen: ik ondergeschreeve: dat is, ik wiensnaam gij siet daar onder staan: verschrijven, van nieuws op schrijven: dit woordbeteekend ook door schrjven laatenopsoeken en naa spooren: sij wierden verschreeven: uitschrijven, datmen nu copieeren noemd: een reekeninguitschrijven: wie heeft dit boekuitgeschreeven? uitschrijven beteekend ook door schrijven versoeken te koomen: deuitschrijving van de vergaadering is geschied: voorschrijven: iemand met schrijven wijsen, hoe hij schrijven moet, oneigendlijk belasten, hoe men wil dat iemand doen sal: een voorschrift, een voorbeeld, daar men naaschrijven, en ook daar men naa doen moet: voorschrijven, brieven vanvoorspraak: hij heeft veel voorschrijvens: ik heb voorschrijvens gekreegen, ens.
    SCHROBBEN, is eigendlijk het vuil van eenig ding met een schrobber, dat is, korte, of afgesleete beesem schoon maaken: sooseggen de vrouwlui, een vloer schrobben, den haart schrobben: te scheep werd het verstaan van een vaartuig van buiten, en voornaamendlijk van onderen ontlasten van de vuiligheid, die daar met’er tijd aangegroeid is: een schrobber werd ook genoemd een jongen, die schrobd, en een meid een schrobster: en dewijl dit veel tijdshaaveloose, en luisige en rappige menssen sijn, soo geeft men haar ook wel dienaam van weegen het schrobben methaar naagels: schrobben beteekendoneigendlijk gebruikt voor beschrobben, bekijven: hij beschrobd haar seer: ingsgelijks beteekend het inhaalig sijn, jouschrobbers! en daar van een schrobnet: waar meede vis uit de slooten (op een onbehoorlijk wijs) op gevangen, en geschrobd werd.
[p. 241]
    SCHROOT, beteekendbrokken, en stukken van oud ijser, waar meede het geschut werd gelaaden, omveel dingen, en voornaamendlijk menssen, te gelijk te beschaadigen: waar vankomt, dat men seid, dat geschut is met schroot gelaaden: en een schrootlantaarn een werktuig, waar in het schroot gedraagen werd, als mendaar meede een stuk geschuts laaden wil.
    SCHUIT, een kleinesoort van vaartuigen, waar van wel de voornaamste sijn, trekschuit, schietschuit, steigerschuit, seilschuit, tentschuit, togtschuit, ens. waar van, in een schuitje vaaren: wij sijn in een schuit: het welk oneigendlijk beteekend: wij hebben geen verschil.
        Als de bruid is in de schuit, dan sijn alle beloften uit.
het welk de taal is van die geene, diebedriegelijk iemand alles op de mouw spellen, en niet minder en meenen, als het geen sij belooven: maar een eel man houd sijn woord: sijn schuitje laatenvol loopen, beteekend eigendlijk, vol waaters laaten loopen: oneigendlijkwerd het op een man gepast: als hij het goede nat soetjes naa sig neemt: en vaneen vrouw, als sij wel aan de man wil: van schuit komt schuiteboef, kruiers, die aan de schuiten loopenom een vragje: een schuitevoerder, die met een schuit vaart.
    Schuiven, moeten, sagjes voort duuwen: en dewijl dit sagjes in sijn werk gaat, soo werd het totandere dingen oovergebragt, als schuiven op een schuiftaafel: welk spel genoeg bekend is: schuiven, schuiven gaan: beteekendoneigendlijk stilletjes weg gaan: waar van: ik ging schuiven! schuivenging hij! van schuiven komt aanschuiven, afschuiven: welk laatste woord meede beteekend, op de sagste, en bequaamste middel ietsafseggen: ofsnijden: ik heb dat van mijn hals geschooven: inschuiven: opschuiven, hooger schuiven: oneigendlijk werd het gebruikt, alsmen seid: sij hebben het op hem geschooven: dat is, sij hebben de schuldop hem gelegd: iemand iets op den hals schuiven: iemand ergens mee’belasten: verschuiven van de eene plaats schuiven op de andere: oneigendlijk beteekend het uitstellen: die saak is tot op een andere tijdverschooven. Voorts beteekend het ver- [p. 242] agten, verstooten: sij hebben hem verschooven, hij werd ooveral verschooven: hij is een verschooveling: voorts uitschuiven, voortschuiven, wegschuiven, sijn uit haar selven genoeg bekend.
    SCHULP, is een bekend see gewas, en kan met regt de wooning van oesters, mosselen, endiergelijke schulp vissen genaamd werden: onder deese munten uit de paarelemoer schulpen: om dat sij soo paarelagtig van binnen sijn: de St. Jacobs schulpen, om haar ribben buiten op: en naa die gedaante werden aarde schaalen schulpschaalen genaamd: van dit woord schulp komt het bekende spreekwoord, in sijnschulp kruipen: dit is een eigenschap van de schulpvissen, dewelke eerst leggende gaapen, om aas te vangen, daar naa onraad vreesende, of verneemende, haar schulpen toedoen: soo gaat het ook met sommige menssen, die met den ophef van een saak groot opgeeven: maar siende, dat men geneegen is haar met reeden teegen te gaan, terstond haar melk ophaalen: enhaar woord, of beloften, of bod geen gestand durven doen: en dan seid men allaggende: sieje wel! hij kroop in sijn schulp.
    SCHUT, werd bijverkorting gesteld voor geschut: afkomstig van het woord schutten, het welk beteekend afweeren, ens. waar van hier naa breeder: schut, of geschut nu werd op de Franse wijs kanòn genoemd: een stuk geschut, hoeveel stukken geschuts? of hoe veel stukken voerd het schip? van schut komt de manier van spreeken (dog die veel oneigendlijk gebruikt werd) hij heeft schut op: want gelijk een schip, dat geschut op heeft: sigbraaf kan ter weer stellen, en sijn vijand te keer gaan: alsoo ook een man vangoed verstand, en wiens kleepel wel gehangen is, die sal sijn kaas, en broodniet ligt laaten neemen: maar die hem aan pakt lustig in den baard vaaren: wantdan laat hij blijken, dat hij haar op sijn tanden heeft: dewijl hij niet vies is, om (des nood sijnde) sijn tanden te laaten sien. Schut gevaart houden: malkander met schieten, of en aan, soeken te beschaadigen: een schutleng, een touw door welkers behulp het geschut binnen boord gelensd werd. Schutspaak een [p. 243] spaak, die in de tromp van het geschut gesteekenwerd, als het oovergehijsd sal werden. Schutvulling een stuk plat houts, dat tussen het geschut gesteld werd. Schutwerf, de plaats, of werf eigendlijk, daar schut gelegt werd: dog bij uitneemendheid, een plaats rondom beschanst, daar het geschut eerst beproefd werd, of het goed is, eer men het te scheep doet: om soo veel moogelijk te scheep voor het springenbevrijd te sijn: van het woord schut komt ook een schut, of schutter, en in het besonder een boogschutter: als ook een wildschut: een schutter, nu werd bij ons gereekend een muskettier, of bij uitneemendheid een burger, dieeen musket gebruikt, om onderscheid te maaken van de piekeniers, dat is, dieeen piek draagen: maar het woord schutterij behelsd die beide, en vanouds was het een groote saak in de schutterij te sijn: waar toe ook de schuttersdoelen, plaatsen, daar sij haar in het doel schieten: met hand envoet boog oefenden: gelijk daar nog van ooverig sijn de naamen, als dehandboog, de voetboog doelen: dog haaren patroon was de Riddder St. Joris: waar van de St. Joris doelen, en dewijl vande Amsterdamse St. Joris doelen, een proveniers huis al oover veele jaaren gemaakt is: soo seid mendaar: hij gaat bij St. Joriste kost: dat is, hij heeft den onbesorgden kost: sijn kost isgekogt, ens.
    SCHUTTEN, hebben wij gesegt, dat beteekend, afweeren, stuiten: en dewijl dit opveelderhande wijsen geschied, soo is het noodig, dat wij alles op degevoegelijkste wijs koomen te ontleeden: schutten dan als het van een sluis (op sijn Leids) of schutsluis (op sijn Amsterdams) gesegt werd: soo werd daar door verstaan, het waater beletten, dat het sijn loop niet mag vervolgen: gelijk sulks in bedijkte landen noodig is: om dat het buite waater, voor het meeste gedeelte, hooger is: als de landerijen selfs: schutten beteekend ook een beest, dat uit sijn eige wei’ loopt, of op eenige andere wijs sijn gebuuren komt te beschaadigen, in een schuthok opsluiten: en dat soolang, tot dat de eigenaar (volgens den artijkel brief, si quadrupes pauperiem fecerit) de breuke voldaan heeft: daar is ook een manier [p. 244] van spreeken: dat schut ik, het welk in het gemeen beteekend, ik spreek dat teegen: ik sal dat soo seer beletten, als ik kan: en misschien daarom oovergenoomen tot het verkeeren, om te kennen te geeven, dat men niet lijden wil, dat iemand, wiens spel soo verloopen is, met speelen sal voortvaaren: ten waar hij den schutter sijn regt van schutten geliefde te voldoen: van schutten komt een schut, of scherm, of schutsel, en beschutsel teegen eenig ongemak: voorts een schutting, een heining, of het werk dat gedaan werd, om een schutsluis oopen, en toe tedoen.
    SEE, dit woord (schoon het quam van ζέω ferveo, of ζέα fervor) egter souden wij het selve onse taal sonder opspraak moogen inlijven: immers met soo goed regt, als de Franse het woord maire, dat van mare afkomstig is: wat nu het woord see aangaat: het is bekend, dat het selve, ofgenoomen werd voor de wilde woeste see, dewelke rondom den aardkloot siguitspreid: en van de Grieken ’οκεανός en van de Latijnisten Oceanus genaamd werd: Ovidius immers lib.1. Metamorph. van de schepping der weereld seid aldus,
        - - - - - - - - Nondum sua brachia longo.
        Margine terrarum porrexerat Amphitrite.
of gelijk de Hollandse Digter singt op het gebouw van den Amsterdamse beurs.
        De langarmde See, de vaader aller Meeren.
of in Velsen ac t.l. sc.1.
        - - - - - - - - Die daar weiden gaan
        Inden heel hollen schoot van vaader Oceaan.
maar in het besonder heeft ieder deel sijneige benaaming: als Suidersee, Noordsee, Oostsee, Spaansesee, Middellansesee, ens. maar dit onderscheid heeft in de spreekwijsen geenplaats, en daarom behoeven wij ons daar in niet seer te bekommeren: wel dan seegaan: sig ter see begeeven, gelijk van de scheepen gesegt werd, seekiesen, in see steeken: regt sees, of, regt door see gaan, beteekend oneigendlijk, niemand ontsien: doen soo het behoord: de see issonder waa- [p. 245] ter: dit is een oovertollige manier van spreeken: als men seggen wil, dat het onmoogelijk is: het geen ons van iemand opgedrongen werd: voornaamendlijk van schatrijke luiden, als sij klaagen, datsij geen geld en hebben: onder see leggen, beteekend niet regt in stormsonder seilen drijven: dewijl de baaren als dan haar verheffen, en oover het schip heen spoelen: de see vuurd, dat is, de see schiet vuurige straalenuit, de beteekenissen hier van sijn te bevraagen bij de seelui: voorts, ver met iemand t’ see sijn: dat is, ver met iemand ingeseidsijn: seeburg een burg, en vastigheid aan see.
    Seevaaren, tersee vaaren: waar van, seevaarendelui, en seevaart, de vaart, die op see gedaan werd: ik ben al grooter see oover gevaaren, sie, oovervaaren. See winnen, hoe langer hoe verder t’see geraaken. Voorts soo ontmoet ons een spreekwijs iemand t’ see helpen: dat is, iemand voort helpen: iemand te paard helpen: sie Hoofd in sijnNeederlandse Hist. pag. 12. aan see laaten staan, of, Seewaartsinwenden, aan see wenden, aan see geleegen sijn, halversee, of half weegen. Seedijk, een dijk, waar aan de see spoeld, waar van de seedijk tot Amsterdam haar naam heeft. Seegaaten, de gaaten, of monden, waar uit en in het seewaater loopt, sie, gat.
    Seegal, een seeklad de Bruin in Embl. p. 22.
    Seehard sijn, geen ontroering voelen in see.
    Seehoofden, sie hoofden, en uitsteekende hoeken lands, daar de see teegen aanspeeld, sie, kaap.
    Seekaert, een kaart bequaam voor seevaarende lieden, om koers te setten, sie, paskaart.
    Seekap, een kap, of keuvel, die de stuurluiden bij storm en guur weer, aantrekken, om niet te verkleumen.
    Seelui, luiden, die op see haarkost moeten soeken: gelijk ook in het getal van een. Seeman, een man, die ter see vaart: en hier van het spreekwoord: een goed Seeman werd wel eens nat: het welk oneigendlijk beteekend: dat een meester in sijn kunst wel eens kanmissen: en dienvolgens dat ook een eerlijk man wel eens kan bestooven werden: schoon hij geen dronkaard is. Seemanschap, kennis [p. 246] van de seevaart, en het regt, dat daar toe behoord, en hier van: seemanschapgebruiken: reedelijk en rekkelijk sijn. seepaard, ‘ιππόταμος dog die daar voor gehouden werden sijn maar seekoejen: gelijk daar vaneen tot Leiden in de tuin van de Academie te sien is: een schaadelijk goed, soote waater als te Land: dewijl het Αμφίβιον is: dat is, dat soo wel te waater, als te land leeven kan. Seerooven, kaapen. See roover, kaaper: see rooverij, kaaperij.
    Seesaaken, verschillen, die tussen seevaarende luiden, en haar reeders, enkoopluiden voor vallen, waar van de Regters genaamd werden, Commissarisen van see saaken.
    Seeschoenen, sie, seevoeten.
    Seeschuim, een soort van schuim, dat gedroogd sijnde bij de Droogisten te vinden is.
    Seesiek sijn, het welk seer gemeen is voor die geen, die niet see hard sijn: hier van het seggen: hij is wel seesiek: maar hij geeft niet oover: hetwelk oneigendlijk beteekend: dat iemand niet scheutig is: maar wel dat hem dehond op den tas sit: eeven gelijk sommige seesieke luiden, die wat sijdoen, tot geen braaken te brengen sijn.
    Seestad, een Stad aan see geleegen.
    Seetonnen, of nog korter, tonnen: deese werden in see gelegt, om de dieptens aan te wijsen: sijn onder spits, en boovenseer breed, en wit geschilderd om te beeter gesien te kunnen werden, sie, RoemerVisser in sijn eerste Schok het 31. Sinnepop.
    Seevis, vis, die in see gevangen werd.
    Seevoeten hebben, gewend sijn, ter see te vaaren: waar van Grotius eenaardige beschrijving heeft, als hij seid,
        - - - - - - - - - Stabilenque gradu nutante carinâ figimus.
wat wonder! est enim.
        Gens innata salo, durisque exercita ventis,
        & quibus est lusus pelagi labor.
    Seevoogd, anders genaamd een Admiraal.
    Seevoogdij,seevoogdijschap: het ampt van een seevoogd.
    Seewaater, het waater van de see: waar van het seggen: [p. 247] dat sal hem al het seewaater niet afwassen: dat is, met die huik sal hij al sijn leeven moetente kerken gaan: mij is (seid een seeman) al meenig een seewaater oover het hoofd gegaan: dat is, oneigendlijk, ik heb al veelgevaarts uitgestaan.
    SEEG, een seegen: waar van, met de seegen vissen: misschien dat daar van ons woord seegen, of heil, of ooverwinning van daankomt, waar van seegenen: saalig en voorspoedig maaken, ens.
    SEIL, dit woordwerd, soo eigendlijk, als oneigendlijk, in veele saaken gebruikt, en despreekwoorden, daar van genoomen, sijn ongemeen veel, en aardig: de eige beteekenis(gelijk wij weeten) is een maaksel van linden toebereid, door welkers behulp de scheepen, soo groot, als klein, sonder riem of haak, door de wind alleen,kunnen voortgedreeven werden: dog als wij seggen, dat de seilen vanlinden gemaakt werden, soo neemen wij den uitleg wat naauwer, en naa onsegewoonte: en daarom werd ook het linden, daar de seilen van werden gemaakt, seildoek genaamd: want die ofvellen (gelijk Caesar de bello gallico lib. 3. schrijft van de Franse) ofde Indiaanen van de Basten van de Kokus Boomen (gelijk de Vojaagien getuigen)gebruiken: die doen sulks bij gebrek van beeter: het woord seil werd ookgenoomen voor een geheel schip: als ook meede oneigendlijk, voor een waatering, daar men bequaamelijk seilen kan: gelijk hier buiten Leiden de seil en de seilbregge: haar naam daar van hebben, en het Omlands Delfsiel, Bloksiel: hoe wel wij bekennen, dat de Klinkers, EI, veranderd werden inIE, naa de gewoonte van die plaatsen: nu die een seil gebruiken wil, diemoet het ter wind vank stellen: en om daar toe te koomen: soo is het noodig, dat’er soodaanige luiden, en soodaanige stoffen sijn, waar van deese soonoodige werktuigen gemaakt werden: die geen nu, die een seil maakt, werdgenaamd een seilemaaker, en naa sijn bequaamheid een opper, of een onder seilemaaker: denaald werd genaamd een seilemaakers naald: het gaaren, daar hij meedenaaid, seilgaaren: een seilschuit is een schuit, daar menmeede seild: de steen, die ons de Noordster aan [p. 248] wijst, werdgenaamd seer eigendlijk een seilsteen: bij de Latijnisten Magnes: het gebruik van deese steen, als ook meede haar eigenschappen sijnwonderbaarlijk: waar van gantse boeken geschreeven sijn: dog die hiervan ietsbegeerd te sien, die sie naa het woord compas: welkers gebruiksonder deese steen geen met allen en is: het seil dan gemaaktsijnde heeft naa sijn gedaante, en gebruik, verscheide benaamingen: op grootescheepen komt ons, als het grootste voor, het schoover seil: sijnde het onderste aan de groote mast: hier van daan schoover seils koelte: schoover seils weer: dat is, mooi weer: vaaren met een schoover seil, dat is dan, vaaren bij stilte: want als men heeft een bijlegger met een schoover seil: dan doet men meer, als men kan, om teegen de wind op tekoomen: het onderste seil aan de voorste mast werd genaamd de fok: waarom ook deselve mast, de fokkemast genaamd werd, waar van sie in hetwoord fok: het onderste seil aan de agterste mast werd genaamd de besaan, en de mast de besaansmast: booven deese onderste sijn drieandere, waar van de twee voorste werden genaamd bramseilen, en die vande besaans mast kruisseil, gelijk op sijn plaats sal getoondwerden: voorts topseilen, die nog booven de bramseilen koomen, blinden, waaterseilen, ens. waar van de naamen volgens den letter kunnen naagesienwerden: de seilen nu vaardig sijnde, soo werden die van de matroosen aande ree vastgebonden, en dat noemen sij, de seilen aanslaan: de seilenbeslaan: is, het seil ingeroldsijnde, met haar reebanden te saamen binden: als men nu gereed is om t’ seilte gaan, soo maakt men de seilen weeder los: en dat noemd men deseilen laaten vallen, te weeten van de ree: gelijk men op klein vaartuignoend, de seilen ophaalen, de seilen ophijsen: hier van daan, hetseil in top haalen, of setten, dat bij swaaren storm gevaarlijk is: en daarom werd het oneigendlijk genoomen voor sijn staat soo hoog setten, als immers doendelijk is: dog beeter en voorsigtiger is het, seil te minderen, seil inbinden, het seil in den band te houden: welk allesoneigendlijk beteekend sijn staat verminderen: sijn teering setten naa sijnneering: het seil inhaalen, [p. 249] of het seil strijken, het seil laaten vallen, op klein vaartuig, is van een beteekenis: het welk ofgeschied in een swaare storm, of als men gekoomen is ter plaatsen, daar menweesen wil: en daarom werd het seilstrijken oneigendlijk genoomen voorop sterven leggen, gelijk ook op gijpen leggen: op groote scheepen noemd men het seilstrijken, het seil wat laaten sakken tot een teeken vaneerbiedigheid: waar van breeder in het woord strijken, van seil koomen de manieren van spreeken: t’seil gaan: onder seil gaan: onder seil sijn: seil maaken: dat is, sig klaar maaken, om te seilen: soo seid men, de scheepengaan t’ seil, met de laasste scheepen t’ seil gaan, is oneigendlijk, de laatste gereed sijn: sukkelen, sammelen, ergens op t’ seil gaan, beteekend een seeker oog wit hebben, waar naa men sijn koers steld: enoneigendlijk, op een saak sig vastelijk verlaaten, onder seil sijn, beteekend seilen, de vloot is onder seil: stijf onder seilsijn: werd van een schip gesegt, dat steevig is, en niet ligt behoefd teswigten: dog in een geheel anderen sin werd het genoomen van iemand, die nietligt komt te beswijken: als wanneer men dit past op een, die schoon hij eenroes drinkt, egter niet dronken werd: of van een rijk man, dat hem een weinigschaade niet kan deeren: het waaid hem in sijn seil, dat is, de winddiend hem: oneigendlijk, hij is voorspoedig, het gelukt hem seer wel: speelenalle seilen blank: heeft sijn oorspronk van de seeroovers: want die maakengeen onderscheid tussen vrinden, of vijanden: alleenlijk haar vernoegende methet bekende spreekwoord: hebben is hebben, aanraaken is kunst: oog in het seil houden: dit is het werk van een goed seeman, om geduurig op sijn hoedete sijn: gelijk het oneigendlijk bij Hoofd Hist. pag. 123. genoomen werd, voor op sijn beroep passen, eneen waakend oog houden, waar op de Bruin Embl. 41. speeld, als hij seid: oog in ’t seil, dat geeft uuw heil: koomen met een opgetoogen, met een opgeset seil: beteekend, koomen met een opset, en grammen moed, om iemand in den baard tevaaren: dat is geen seil voor dat schip: te weeten, als het seil te groot is, en het schip te klein, of te rank: oneigendlijk [p. 250] werdhet ook gebruikt, als men seid, ik heb geen seil voor dat schip, teweeten, als men geen kans en siet, om iets naa behooren uit te voeren, gelijk een klein manneken ontrent een lustige tas van een vrouw: als het seil scheurd, dan heeft het een gat! dit werd al boertende gesegt: beteekenendesoo veel, als dan is dan, niet ongelukkig voor den tijd: leggen met deseilen voor de mast, beteekend in onmagt leggen, geen raad weeten, om voortte geraaken: hier leggen wij nu met de seilen voor de mast, hier sijn wij nu onklaar, en van ons stuk af: eeven als men seid, hier leggen wij nu metde billen bloods hoofd: iemand met de seilen voor de mast inwagten, is sijn vijand niet schroomen: maar met voordagt inwagten, om (soo hij lustig enrustig is) met gelijke dapperheid te keer te gaan: onder een slaand seildjeis het goed roejen: wat wonder? want de wind, en het seil, sijn den roejer gunstig: eeven gelijk het een winkelier, of ambagtsman geweldig helpt, indien hij eenige leggende renten heeft, of eenig inkoomen van ter sijden, daarhij niet voor te sorgen, of te werken heeft: met volle seilen, dat is, wanneer een schip voor de wind op iemand afkomt, sie hier booven, met eenopgeset, of opgetoogen seil: loopen met een nat seil: heeft deesensin bij het seevolk, dat een schipper in de wind hebbende gewoon is sijn seilen te begieten, om te beeter te kunnen laveeren, en van den eenen boeg het op denanderen boeg te wenden: gelijk ook de dronke luiden gewoon sijn te doen, dievan de eene sijde van de straat gieren, en slingeren naa de andere: waarom menook van haar seid, dat sij loopenmet een nat seil. Van seil komt seilen, dat is, door behulpvan een seil, of seilen, voortgedreeven werden: gelijk hetschip seild, het werd ook genoomen voor vermaak neemen met seilen, of de seilen gebruiken: soo werd een schipper gesegt laag te seilen, als hij de wind ruim neemt, hoog te seilen, scherp bij de wind te seilen, als hij al te seer teegen de wind inkrimpt: gelijk het daarom ookbij Hoofd Hist. pag.3. oneigendlijk genoomen werd, voor sig teegen iemand kanten, en schrap setten: iemand in de sij’ seilen, dat is, met de voorsteeven een ander in [p. 251] de sij’ beschaadigen: naademaal de scheepen daar het swakste sijn: dit werd bij Hoofd Hist. pag.142. genoomen, voor iemand met voordagt soo veel beschaadigen, als het immersin ons magt: van seilen koomen verscheide te saamen gestelde woorden, als aanseilen, sij quaamen aangeseild, dat is, al seilende genaaderd, afseilen, wegseilen, wegvaaren: agter uit seilen, agter uit drijven, oover ’t stuur drijven: oneigendlijk ten agteren teeren, verarmen: die luiden seilen agter uit: inseilen, de haaveninseilen, invaaren: maar geheel wat anders is het, als men bij HoofdHist. pag. 126.leest, ik ben met hem ingeseild: want daar beteekend het (gelijk op een andere plaats) met iemand gescheept sijn: dat is, met iemand in eenige onderhandeling sijn, daar men voor vreesd, dat ons, of te magtig, of te loossal sijn: en derhalven daar men schaade van te verwagten heeft: gelijk ooksomtijds gebeurd, dat swakke scheepen met steeviger de haaven ingeseild sijnde, daar door schaade koomen te lijden: opseilen, in de wind opseilen, voort seilen, om de hoek te booven te koomen bij Hoofd. Hist. pag. 145. werdhet genoomen, voor in weer wil van de vijanden, tot ons oogmerk soeken tegeraaken: hij kan dat niet opseilen, werd ook gesegt van iemand, die alte groote dingen onder neemt, en die al te breed huis houd, en meer verteerd, als hij winnen kan: niet anders als een schip, dat door de stroom meerder agteruit drijft, als het door de wind voort geset werd: verseilen, heeftverscheide beteekenissen: de eerste is, van de eene plaats seilen naaeen andere: de tweede is, dwaalen niet weeten, waar men geseild is, ofimmers daar niet sijn, daar men gaarn was: oneigendlijk gebruikt men dit woord, als men seid: waar is hij verseild? waar is hij vervaaren? dat is, waar is die man gebleeven, of verhuisd? uitseilen: de haaven uitseilen, iemand voor bij seilen: eigendlijk iemand in het seilen te boovengaan: en oneigendlijk iemand oovertreffen: voorts komt van voor bij seilen: of liever van het woord haaven, daar het oovergeslaagen is: wel! isdit een haaven, om voor bij te seilen! als of men seggen wilde(oneigendlijk genoomen) wel! hier woon ik, en ik bid [p. 252] uuw komtbinnen, gij weet wie ik ben, en hoe ik mijn gasten onthaal, en soo seggen ookgoede vrienden: laaten wij hier aanspreeken, dit is geen haaven, om voor bijte seilen, ens. voortseilen, met seilen voortvaaren: wegseilen: afseilen: wegvaaren, afvaaren, sijn van een beteekenis.
    Sein koomende (naaons gevoelen) van het Latijnse woord signum: of van andere woorden, diedaar eerst van verbasterd sijn: beteekend een teeken: gelijk blijkt uit het volgende: een sein geeven: een teeken geeven: een seinschoot: ditis een schoot, die gedaan werd, om een teeken te geeven, waar naa iedersig heeft te gedraagen: gelijk sulke seinschooten veel, en veelderhandesijn: soo ook een seinschip, dat nu met regt de naam draagt van eenadvijsjagt: welkers gebruik is, tijding, of advijs in brengen, daar het noodigis: weshalven sij voor al snel in het seilen behooren te sijn.
    SEISEN beteekendin het gemeen touwen vast maaken, en in het besonder werd het verstaan van swaare touwen: Seising, touw, dat tot het vast maaken, en beleggengebruikt werd, ens.
    SELLING, of, sel, de plaats in de grond, daar een schip, anker, ens.: vast geseeten heeft: endewijl het waater door de engte daar snelder loopt, als op andere plaatsen: sookomt daar van het seggen: daar gaat een stroom, als een sel: sie, ras.
    sengen beteekenddoor de vlam blaaken: soo werd de huid van een schip, als die geharpuisd salwerden, eerst gesengd, sie, gaar maaken: van SENGEN komt versengen, dat is, t’eenemaal door het sengen bedorven sijn: al de kleeren, en luieren, waaren versengd, ens.
    SENTEN, sie, kenten.
    SERVINGS isgeloofelijk, dat komt van servo ik bewaar: want het dikke kleeden sijnvan strengen gevlogten, om daar door schotvrij te sijn, ens.
    SETTEN, vastleggen, hij heeft het schip daar geset: aansetten, digt in een wringen, set aan, oneigendlijk seid men, dat kan niet aansetten, dat is, voordeel doen: aan- [p. 253] setten beteekend ook, aanbranden: een mes aansetten, een mes steevig maaken, om te snijden: iemandiets aansetten: iemand rappig maaken: een aansetter, de stok, daarhet kruid, en de koogel, in het geschut meede werd aangeset: andersgenaamd de stamper: setgang, een gang, of plank, die men inneemen kan, ook een loose gang, die men rondom het schip set, alsmen het selve bouwd.
    SEULEN, of gelijk andere het spellen, suilen: dit is, een bekend woord, selfs onder de gemeene man: als sij seggen: dat moet soo wat heen seulen: het welkanders gesegd werd: dat moet wat heen sloeren: dat moet soo wat heen sukkelen: maar de oorspronk is ieder niet eeven seer bekend: door seulen dan verstaan de vissers: met een net agter een paard, of kar, gespannen, tussen de banken in gaan vissen: het welk aangesien het seer langsaam (gelijk men weldenken kan) voort gaat: soo heeft dit oorsaak tot dit spreekwoord gegeeven.
    SIGT, of, gesigt, dat is, soo ver het gesigt toereiken kan: de scheepen sijn uit onsgesigt, ens.
    sij’, of, sijde, latus lateris (om nu van geen sij, of, sijwurmen tespreeken) dit woord werd ook op het boord van een schip toegepast: daar vankoomen mij deese spreekwijsen te binnen: iemand op sij’ leggen: aaniemands sij’ leggen: en bij uitneemtheid: iemand aan boord klampen, iemandin de sijde seilen: waar van op het woord seilen ens. van degemeene beteekenis sijn verscheide woorden, en manieren van spreeken: vooreerst sijlings, oover sij’: waar van, sijlings sitten, dat is, met de sij’ ergens naa toe sitten: iemand oover sij’ aansien: dat is, oover dwars, oover schouwer, met veragting aansien: op sij’ hebben, hier van, sij heeft de tas op sij: dat is, ruimgenoomen, sij is meester van de kas: hij heeft sijn vrouw altijd op sij’, dat is, hij gaat nooit uit sonder sijnvrouw: gelijk een krijgsman niet uitgaat sonder sijn deegen: ter sijde gaan: aan een sijde gaan: ter sijde setten: wegsetten: oneigendlijk, niet agten, sig daar aan niet steuren: set die swaarigheid ter sijden: sijgangen, sij paaden: waar van, sij gangen gaan: oneigendlijk, quaade gangen gaan, ens.
[p. 254]
    SIJL, waar van op het woord seil.
    SIM, door dit woord verstaan wij geen aap: maar een hengelaars gereedschap: dat de Latijnisten Linea noemen: te weeten de snoer, die aan de hengelstok is, en waar aan de dobber, en hoek, vast is: hier van, mijn sim gebrooken: mijn sim is in de war, ens.
    SINKEN, beteekend in het gemeen daalen, sakken, en soo werd het oovergebragt, en gepast op veel saaken: in het besonder beteekend het onder waater neederdaalen, waar van: het schip is gesonken: hij sonk weg als een baksteen: neuten sinken: waar van, sinkneuten, ens. van de son seid Hoofd in Velsen, act. 1sc. 1.
        Sink!Goude Sonne sink!
dat is, gaa onder: de aarde werd gesegtte sinken, als sij begint te sakken: het waater laaten sinken beteekend, het waater laaten stilstaan, op dat de modder, slik, of sand naa degrond soude sinken: en het waater alsoo helder en klaar werden: het hartsinkt mij in de schoenen, een oneigendlijke, en oovertollige manier van spreeken, waar door te kennen gegeeven werd, dat men gants en gaar geen moed enheeft: ontsinken, werd ook in dien selven sin gesegt, als, de moedontsinkt mij: Hoofd in Velsen act. 5. sc. 1. schrijft het ook destem toe.
                        het geluid
        Ontsinkt mij t’ elkenmaal, en wil ter keel naauw uit
van sink komt versinken: ens.
    SJOUW, of sooandere het schrijven Chiouw, beteekend eerst een oprerolde vlag: waarmeede te kennen gegeeven werd aan de vlootelingen, dat op dat schip eenigongemak is: en dewijl sulks gemeenelijk sonder moeite, en arbeid, niet teherstellen is: soo werd een sjouw ook genoomen voor arbeid, (gelijk deEnkhuisers, ens. spreeken) daar is een braaf sjouwdje aan vast! datwas een sjouwdje! dat was een kraam! daar was wat te stellen! dog het woordsjouwen, als ook een sjouwer werd onder het vaarend volk in eenenge beteekenis genoomen, voor op Scheepstimmerwerven spaanders te raapen, ende scheepen haavenen: lossen en laaden: en voorts al te doen, wat op het schipvoor valt: [p. 255] de sjouwers van de werf sijn naa Tessel geprest: waarom? om te sjouwen, ens.
    SITTEN, in eenruime beteekenis weet ieder, wat het te seggen is: maar gelijk sedere in het Latijn veel beteekenissen heeft: alsoo sal men bevinden (uit het vervolg) dat sitten in het Neederduits geen minder heeft: sitten dan beteekend somtijds woonen: gelijk als men seid: de jonge lui gaan daarsitten op soo een swaare huishuur: hij is wel blijven sitten: hij sit warmpjes en wel: in re lautâ: daar sit niet veel op: hij is kaal: sitten werd ook geseid de parturientibus: gelijk de vrouwtjes seggen: ik wou dat sij’er voor sou sitten: hij sit’er voor: als het eigendlijk van een schip gesegt werd: soo beteekend het: vast sitten: aan de grond sitten: oneigendlijk, die man is in de lij’: sij lietenhem sitten: sij saagen naa hem niet om: sij quaamen hem niet te hulp: sitten beteekend ook niet gevorderd werden, en soo seid men, die jongens blijven sitten, te weeten, in dat school, daar sij sitten: en in haatelijker sin omtrent eer ampten: die heer blijft sitten: sij laaten hem sitten: waar van, het sijn sitters, dat is, verschoovelingen: te scheep beteekend een sitter een balk, leggende op de boodem van een schip, W. p. 54. N. 4. en p. 55. N 8. van sitten komt aansitten, assidere: en in het besonder sitten aan taafel: dat is, te gast sijn, gelijk ookmen al laggende segt, wij sullen aansitten met schoone servetten: besitten: possidere: wie besit dat goed? waar van, besitter, besitting: in besitting sijn: en ineen lijdende beteekenis, soo seid men beseeten sijn: van wie werdendie goederen beseeten? en dit woord werd ook gepast op iemand, die bijuitneemendheid van een boose geest geplaagd werd, als gij raasd, of gij dol, en beseeten waart: afsitten, te weeten, van een paard, of waagen, sitaf! de ruiters saaten af: opsitten beteekend het teegendeel: gelijk, sij gingen opsitten: welk woord in priapeiis meede wel bekend is: maar dit woord werd ook op de honden ens. gepast, als sij op haaragterste pooten gaan sitten: het welk een groote onderdaanigheidbeteekend: gelijk het ook daarom (oneigendlijk) tot die menssen werdoovergebragt, die in alles [p. 256] de wil doen van die geene, wiens lijfeigens sij sijn, versitten, al sittende versuimen: sij had dathuuwelijk wel moogen versitten: het welk die kragt heeft, als of men seide: dat huuwelijk gelukt haar niet al te wel.
    SLAAGS SIJN, waarvan, de vloot is slaags, sie, slaan.
    SLAAKEN, beteekendin het gemeen losmaaken, loslaaten, soo gebruikt het Hoofd op veeleplaatses in sijn Neederlandsche Historien: als, de gevangens wierdengeslaakt: en in een oneigendlijken sin: het geschut slaaken: dat is,lossen, afschieten, de seilen slaaken: de seilen losmaaken: nu isligt af te neemen, wat het slaak in Seeland beteekend: als men seid, vandie vermaarde slag: de slag op ’t slaak: te weeten een diepte, en kil, of spui, tussen de plaaten, en kreeken heen vlietende.
    SLAAN is eenwoord, dat sig tot veel saaken, en dat door gelijkenis uitbreid, de gemeenste beteekenis is, slaagen geeven: waar van, vuistslaagen, of een bitser woord, vuistlook: slokslaagen: maar slaan beteekend ook, slagten: dood slaan: wanneer sulje slaan! de vlooten hebben teegen malkander geslaagen: dat is, slaags geweest: geslaagen sijn, beteekend de neederlaag hebben: niet anders als een beest, dat geslagt is: geldslaan, waar van, geld slaat men met haamers: touwslaan, waarvan een touwslaager, of, lijnslaager: de klok slaat: gelijk men seid, ik weet wel, wat de klok geslaagen heeft: dat is, Ikweet wel, wat dat beduid, geluid slaan: geluid geeven, sijntong slaat ijser, het welk beteekend, men kan aan sijn praat wel hooren, dat hij beschonken is, de maat slaan: waar van, maatslag: van slaan komt het tijdwoord slaagen: dat is, bedijen, gelukken: het koorn is niet wel geslaagd: het slaagd niet wel: het quam niet slaags, het quam niet ter snee’, het gaf geen pas, van dit slaagen komt beslaagen van de selve beteekenis, sie, Hoofd in Velsen act. 4. sc. 3.alwaar Graaf Floris seid teegen Velsen.
        Mij deerd, dat ik ooit deed onnoos’len anne klaagen.
waar op de Velser Ridder antwoord.
        Dat denken ik wel! nu ’t komt dus quaalijk te beslaagen.
van slaan komt ook het naamwoord slaagen, dat nu in het [p. 257] getal van een gesegt werd slag, waar van, slaagengeeven: slaagen krijgen: en in het een tal een slag geeven: een slag krijgen: dit woord slag werd ook tot andere dingen oovergebragt: gelijk wij ook in het tijdwoord gesien hebben: en voor eerst beteekendhet woord slag een gevegt: waar van, slag leeveren, en met een saamengesteld woord in de land oorloogen een veldslag: de slag van het waate r, slaat teegen deslag sij’ van het schip: te scheep beteekend ook een slag, een seeker beseggen van een touw: waar van, heele en halve slaagen maaken: en misschien hier van: slaat’ereen slag in: doet het bij de gis: soo ook, dat is’er de slag van! dat is de regte slag: want slag in deese voorvallen een handeling, of habitus, of handigheid, dexteritas beteekend: dat is geen slag: hij heeft’er geen slag van, het woord slag, en slaagen werd ook oneigendlijk genoomen voor schaade, en verlies: dat was een swaare slag voor hem: de Koopman krijgt swaare slaagen, en bij uitneemendheid seidmen van een vrouw, wiens daagen naaderen om te baaren: sij kreeg de slag opden hals: dat is, de arbeid oover viel haar. Heugelijker is het, als men seggen mag: iemand een slag voegen: dat is, iemand een goede dienst doen, en soo tot vergelding, hij voegde mij een slag: van slag koomen ook te saamengestelde woorden: als een slagbed, waar door de Scheepstimmerluiden verstaan een bed, of bedding: dat geleit, of geslaagen werd voor de scheepen, die sullen af loopen: ten einde de selve nietdoor de slag mogten beschaadigd werden: een slagboeg het wenden van de boeg: het geschiede met een slagboeg: dat is, met eengelukje: met een slingerslag: soo ook, dat viel hem in sijn slagboeg: dat was een slagboeg voor hem: een slagboom gebruikt men te land, om de ruiterij het loopen, en stroopen, te beletten: en in Frontiersteeden, omdaar door voor een schielijke ooverrompeling bevrijd te sijn: de vrugt van dienleerd de daagelijkse ervaarendheid, sie, boom: een slagelger: sie, elger: een slaglijn: een touw daar de seilen meedevervangen werden: een slagpomp: dat is, soo een pomp, die met een slag, en stok op, en neergaat, verschillende hier in van een Steekpomp:[p. 258] een slagsij, een misbouwde sij’ van een schip. Voortskoomen van slaan eenige te saamengestelde woorden als aanslaan, afslaan, inslaan, omslaan, ontslaan, opslaan, verslaan, uitslaan, voortslaan: welke alle indien ik naa eis van saakensoude naabehooren uit pluisen: ik soude bij naa vraagen: waar ik soudeeindigen: hoewel ik (sonder roem gesprooken) de uitleg van dien al lang voordeesen uit de pen geworpen heb: dog die beveel ik als nog (om den goedwilligenLeeser niet al te lang met deese beuselingen op te houden) aan de schuilendeblaaderen van mijn groot werk.
    SLAAPEN, leggen slaapen: gaan slaapen, alle bekende woorden: uit den slaap wekken: uit sijn slaap schieten, somno excuti: het woord slaapen werd oneigendlijk genoomen voor geen aanstoot lijden, waar van, de binne dijken (ten opsigt van de seedijken) slaapers genaamd werden: want die geen dienst en doen, als wanneer de seedijken mogten koomen door te breeken: een slaaperd noemen om deselve reeden de Scheepstimmerlieden de binnesteeven van een schip: van slaapen komt ook slaaperig, dat is, geneegen tot den slaap: waar van, die slaaperig is, die vaakerig is, wat doet die bij de bruid? slaaperigheid: geneegendheid om te slaapen, de saamengestelde woorden sijn beslaapen: het welk twee dingen beteekend, te weeten: ergens op slaapen: soo een bed beslaapen: en in priapeiis het selve met bijslaapen: waar van mijn bijslaap: sig ergens op beslaapen, dat is, een nagje tijd neemen om sig te beraaden. Voorts verslaapen beteekend ook, of sijn tijd met slaapen doorbrengen, en al te lang slaapen: of geld betaalen voor het gerief van het slaapen, uitslaapen, soo lang slaapen, tot dat de slaaperigheid ter deegen oover is.
    SLABBERS, buisjes, die uitvaaren om slabben te vangen: van slabben komt, slabbetje soet, vers en goed, sie, haaring: slabben beteekend ook bemorssen vuilmaaken, gelijk een slab de kinderen voorgedaan werd, om die in de plaats van haar kleeren te beslabben, voorgedaan werd. Waarvan beslabben: het welk oneigendlijk gebruikt werd in [p. 259] het volgende: gij sult uuw daar aan niet beslabben: dat is, gij sult daar aan niet te pas koomen.
    SLABBING, ofwoeling beteekend de bewindsels van de kaabels ontrent de kluisen.
    SLANG, een vergiftig dier, gelijk bekend is: waarom de duivel in Gods Woord den ouden Slang genaamd werd: om dat hij al van ouds af het gantse mensselijk geslagt vergiftigd heeft: door gelijkenis werden sommige dingen Slangen genaamd, als een langwerpig stuk geschuts: soo ook een soort van handwaatermoolens, ens.
    SLAPPEN, verslappen, beteekend verswakken, minder werden: de wind die slapt: een slappe koelte, soo ook, de neeringen slappen: de handen slappen, dat is, de moed, en kragt, gaat oover.
    SLEE', of sleede in het Latijn traha, komt van trahere trekken: soo seggen de Dordenaars een sleenaar, waar voor de Amsterdammers seggen een sleeper: sie, ijs: maarvoor al sie W. p. 185. N 41. alwaar de afbeeldsel te sien is van een Scheepstimmermans slee’, ens.
    SLEEP, beteekendeen strook van een kleed, dat agter naa sleept: oneigendlijk een stoetvan geselschap: ik mag sulk een sleep agter mijn niet hebben: van sleep komt sleepen, dat trekken beteekend, en voornaamendlijk langs de aarde, gelijk het ook aldus uitgedrukt werd, als men seid, langs de vloer sleepen: hij sleepte haar bij het haar langs de vloer: waar is de Sleeper, diedit vat sleepen sal? te scheep werd het gebruikt, voor een schip doorbehulp van een ander schip voortsleepen: gelijk daarom de waaterscheepen, en de schippersvan dien, sleepers genaamd werden: sleepen werd ook bij gelijkenis gebruikt voor de voeten niet opligten: maar de selve langs de vloer sleepen, waar van, sleepvoeten, en die soo gaat, een sleeplenden.
    SLEET, komt van slijten, het welk beteekend een schip, dat versleeten is, sie, slijten.
    SLEGTEN, komt van slegt, dat is, glad.: het is effen en slegt: soo dat slegten beteekendeffen en glad maaken: gelijk de Latijnisten het noemen solo Aequare: te scheep [p. 260] en bij de Scheepstimmerlieden beteekend slegten, alle oneffendheid van planken, en balken, wegneemen: alles effenen en gladmaaken: hetis slegt, en regt: niet opsigtig: niet weids: een slegt man, eengering man: slegt beteekend ook een vouwdig, waar van, slegtigheid, soo seid men, dat was een groote slegtigheid: een slegt hoofd: endelijk werd slegt genoomen voor simpel, gek: dien bloed is slegt: hij sal nog geheel slegt werden: van slegten komt beslegten: het welk oneigendlijk beteekend vereffenen, gelijk: alle geschillenbeslegten, ens.
    SLEMP, werd genaamd (om de geuren) een vetje: een vette mond: op een slemp gaan: gaan op een gastmaal: en soo is slempen, gastereeren: en hier van het seggen: sij doen niet als slempen en dempen: als teeren en smeeren: een Slemphout, een soort van een knie, welkers beschrijving, en afbeeldsel te sien is bij W. p. 54. N. 2.
    SLIJPEN, wetten, scharpmaaken: waar van, een slijper: een slijpsteen: oneigendlijk werd slijpen gebruikt voor sneediger, gaauwer, schranderder maaken: en soo seidmen dat iemand gesleepen is: het is een gesleepen gast: loos, en doortrapt: wat nu het woord slijpsteen belangd: daar van seid men niet onaardig: hij is op de Slijpsteen geweest: de gelijkenis genoomen van een mes: en soo beteekend het, hij heeft leergeld gegeeven, ens.
    SLIJTEN, heeft veel beteekenissen: dog die alle voor een goed neederlander ligt op te lossen sijn: voor eerst dan bekend het in ’t gemeen, al beesigende vergaan: en doen vergaan: soo seid men, hij slijt veel kleeren af, en de kleeren slijten: hij is seer sleets: dat is, hij verslijt, en rotst veel kleeren: te scheep werd het genoomen voor sloopen: een schip slijten, een half sleetje, een schip, dat half versleeten is: en in priapeiis, een weeuwtje: een sleet, of slijter een schip, dat nergens toe en deugd, als om gesleeten te werden: slijten beteekend ook vertieren, waar van een slijter, die voor een ander verkoopt: endelijk werd slijten oneigendlijk genoomen voor doen vergeeten, alles slijt de tijd: voorts slijting noemen de vrouwtjes een soort van lin- [p. 261] den, dat daagelijks kan gebeesigd werden, en niet bequaam is om meede te pronken, dat is goede slijting, ens. van slijten komt afslijten, verslijten, welkers beteekenissen met het enkelde woord bij naa een en het selve sijn.
    SLINGEREN, komt van slinger, genaamd van de Latijnisten funda: en derhalven beteekend het, heen en weer beweegen, gelijk een schip door de wind geslingerd werd, het schip slingerde geweldig, slingeren beteekend ook swieren, swaajen, gelijk de dronke luiden eigen is: voorts, iemand slingeren beteekend, met iemand omspringen, als de kat met de muis: iemand lustig ooverhaalen: en bij de pagters eertijds wierd slingeren genoemd, met de pagt omspringen naa ons welgevallen: waar van haar slinger maanden, in dewelke sij met de luiden naa haar welgevallen accordeerden: een slingerslag, een boegslag, iets dat gebeurd met het omslingeren van een schip, verslingeren met slingeren doorbrengen: oneigendlijk verlieven, deperire, hij is daar op verslingerd: hij is op dat vrouwmens verslingerd, ens.
    SLIPPEN, glijen: waar van ontslippen: slipvangen: botvangen, komt van slip het uiteinde ergens van: een slip van een mantel, of rok: als waar aan niet veel vat is: de saamengestelde woorden sijn deurslippen: deurglijen, oneigendlijk connivere door de vingeren sien, wegslippen.
    Sliptouwetje, een touwetje, dat ligt door de vingeren slipt, ens.
    SLOEP, of Chaloup een seer sneedig vaartuig om te roejen, en waar in de Groenlandse sloepen uitmunten, en hier van een sloeproejer, een bootsgesel, wiens werk hetis in de sloep te roejen.
    SLOEREN, meeten: waar van, het moet soo wat heen sloeren, het welk oneigendlijkbeteekend: dat moet soo wat heen gaan, sie, seulen.
    SLOOPEN, is een goed Scheepstimmermans woord, en beteekend bij haar aan stukken breeken: en in het besonder oude scheepen van stuk tot stuk losmaaken: dat ook van sommige slijten genaamd werd: hier uit kan men nu [p. 262] ligtelijk afneemen, wateen sloop, dat van de Suidhollanders een fluwijn genaamd werd, beteekend, te weeten een linde oovertreksel oover een oorkussen, dat daar van, als het vuil is, werd afgehaald, en gesloopt: sloopen heeft ook een oneigendlijke beteekenis, als men seid, de vergaadering wierd gesloopt: en bij Hoofd in Velsen act. 1. sc. 4. sie mast.
        En sloopt vermast van weeld en schat.
dat is, valt in duigen: mole ruit suâ, ens.
    SLOOT, beteekend een waatertje, dat het eene land van het ander scheid: en derhalven schijnt het mij te koomen van sluiten. Hier van koomen eenige spreekwijsen: als, hij viel van de wal in de sloot: dat is, hij raakte oover boord, hij raakte geheel aan leeger wal, iemand helpen van de wal in de sloot: iemand quaaden raad geeven, ook wel iemand oover het paard helpen, en onder schijn van vrindschap bedriegen: een Weimans woord is het, een goede waater hond siet geen modderige sloot aan: dat is, een regt Liefhebber mikt het soo naau niet, of het niet al naa sijn sin gaat: hij slaat de bal soo sij leit: hoe morsiger: hoe gruisiger: hoe beeter: hij mijde den reegen, en hij viel in de sloot: dat is, hij viel van quaad tot erger:
        Inciditin scyllam, cupiens vitare Charybdin.
    SLOT, heeft twee beteekenissen beide wel bekend: de eene is, dat het beteekend, een werktuig, daar men iets mee’ sluit: waar van Heere slooten, een nagtslot een vuurslot, ens. en hoe wel het in het een tal maar een o heeft: het is nogtans seeker, dat het van ouds twee oo gehad heeft, naamendlijk sloote, waar van, slootemaaker, en in het getal van veelen (gelijk bekend is) nu nog slooten genaamd werd: een slot opsteeken: een slot opslaan, ens.: oneigendlijk werd dit woord van Cats onder sijn loopjes gebruikt, gelijk ook het woord sleutel, als hij seid: dat het slot niet wel te bewaaren is, daar elk een de sleutel van draagt: als willende seggen, dat’er sommige (de goede niet te naa gesprooken) niet poortvast sijn: en daarom seid dien selve Heer (als tot een waarschouwing) dat die een schoone kat in sijn huis heeft, geen bontwerker daar bij moet brengen:[p. 263] dog dit loopt te hoog: wij schrijven maar voor de eenvouwdigen: de tweede beteekenis van slot is, dat het beteekend een kasteel, in het Hoogduits stein: om dat sij van steen opgemetseld werden, waar van soo veelvuldige naamen: als van ’s Graavenstein, Kroonestein: Gruntestein, ijselstein: en het bekende slot: soo door de braave daad van eenen Harmen de Ruiter: sie, Hoofd Hist. p. 207. als door de behendigheid van het Hollands wonder HugoGrotius, te weeten, Loevestein, en andere: oneigendlijk werd hetwoord slot gebruikt voor het einde: dat was het end, en slot van de saak: mij komt nog bij slot van reekening soo veel: ten had geen slot: ten sloot niet: de reedenen hadden geen klem: een raadslot, een besluit, dat de Raad genoomen heeft, decretum bij de Latijnisten genaamd, sie, sluiten.
    Slotgat, een gat in de mast, daar het slothout door gesteeken werd: en dit is het hout, daar de steng sijn steunsel van heeft.
    SLUIKEN, iets behendig sonder tol, of pagt, in, of uit slaan: waar van, de waaren sijn inen uit geslooken: de waaren wierden ter sluik in en uit gebragt: die geen, die dat doet, werd een sluiker: en de daad sluikerij genaamd.
    SLUIPEN beteekendbehendig weg gaan: waar van, hij sloop weg, als een hoender dief: een sluiphaaven, daar men ten alle tijden uit kan: een sluiphoer, diehaar neering bedektelijk doet.
    SLUIS, sie, schutsluis.
    SLUITEN, met een slot verseekeren: de kelder is geslooten: oneigendlijk beteekend sluiten, passen: oover een koomen: het sluit, gelijk een tang op een varken: de vreede is geslooten: een huuwelijk sluiten: sij sitten op het huuwelijksluiten: het hek sluiten, alleen erfgenaam sijn: ex asse haeres: in scheeps saaken beteekend sluiten, de laatste plank, of rib, of balk, ergens in voegen: waar van, sluitplank: sluitstukje, ens.: van sluiten komt, afsluiten, maaken, dat niet alle man daarbij kan: ik kan die solder, of kelder, afsluiten: besluiten, iets ergens in vervangen: en oneigendlijk, vaststellen: ik heb beslooten dat of dat te doen: waar van, een [p. 264] besluit neemen: insluiten: hij sloot mij in huis: ik heb uuw brief in mijn brief ingeslooten: oneigendlijk behelsen: insluitende al mijn wens: ontsluiten, oopenen: oneigendlijk oopenbaaren: opsluiten beteekend twee teegenstrijdige dingen: eerst oopensluiten: en dan weg sluiten: sluit de deur op! oopen de deur! sluit die man op: sluit de waaren op: de dogter werd t’huis opgeslooten, ens.: uitsluiten, buiten sluiten: hij wierd uitgeslooten: oneigendlijk voor biigegaan: en in het besonder uit een uiterste wil: hij is uit de erfenis uitgeslooten: van uitsluiten komt uitsluiting: het geschiede met uitsluiting van de Weeskaamer, ens.
    SMAKKEN beteekend in het gemeen smijten, werpen: waar van, een smak, ik viel sulk een smak: het welk ook eigendlijk beteekend, schaade, hij heeft sulk een smak gekreegen in sijn lenden: soo ook beteekend een smak, een vaartuig, als een boejer: waar van een smakschipper, die een smak voerd: een smakseil, een seil, dat van het eene boord naa het ander kan gesmakt werden: smakken voorts beteekend dobbelen, of de dobbelsteenen werpen: wie moet’er nog smakken? smak weg! ik heb’er nog een smak naa.
    SMAL werd gesteldt eegen breed: een smalle weg, een breede weg: smal deelen, de deelen smal, en gering maaken: daar veel kinderen sijn, daar smaldeeld het soo: of op sijn boers: veel varkens maaken de spoeling dun: een smalschip werd gesteld teegen een wijd schip bij de binnelandsvaarders: dog de eene kan door alle sluisen, als van Spaarendam, der Gouw, en de andere niet: en hier van een smalschipper, die een smalschip voerd: smaldoek, doek, of linden, dat smalder is, als ander doek: en hier van het spreekwoord (dog oneigendlijk genoomen) als men wil seggen, dat iets uitgeen bekrompe beurs gedaan is: ten is geen smaldoek, wat je meend!
    SMEEREN komt van smeer, en beteekend de vettigheid, die in een beest is: hoe veel sal die Os wel smeeren? dat is, hoe veel pond smeers sou’ wel in dat beest sijn? enhier van het loopje: wie soude gedagt hebben, dat in een klein beesje sooveel smeer stak? het welk, of spots gewijs, of met verwon- [p. 265] dering, geseid werd: en beteekend, wie sou gedagt hebben: dat in soo een klein manneken soo veel harts, of verstands stak? maar het is de lui somtijds niet aan tesien: smeeren nu (op sijn scheeps genoomen) beteekend iets met smeer bestrijken: en hoe wel veel deelen van een schip, jaa selfs de mast met smeer teegen het inwaateren besmeerd werden: als men seid, sij doen niet als teeren en smeeren: waar van hier naa op het woord teer: egter werd het smeeren besonderlijk verstaan van het hol van een schip (soo ver het onder waater komt) met smeer bestrijken: het welk voor alle vaartuigen, en voor al groote scheepen gants noodig is: hier van, de smeerpot, de smeerquast: van smeer komt ook smeerig, vettig, of met smeer bestreeken: hij siet’er altijd soo smeerig uit: dit woord beteekeud ook somtijds voordeelig: waar van, alle officien sijn smeerig: het is een smeerig ampt: daar is nog een saamengesteld woord, dat genaamd werd, smeerschoenen: dat is, een plasdank soeken te behaalen: flikfloojen: want het woord smeerschoenen beteekend eigendlijk, de schoenen van iemand wat smeeren, en op die wijs schoon maaken, gelijk op sommige plaatsen de gewoonte is, ens.: van smeeren sijn ook afsmeeren, met smeeren eindigen: oneigendlijk iemand afrossen: lustig klop geeven: ik heb hem lustig afgesmeerd: soo ook oneigendlijk af winnen: endelijk besmeeren, met smeer bestrijken, ens.
    SMIJT komt van smijten, het welk werpen beteekend: de smijt nu is een touw, door welkers behulp de seilen kunnen werden toe gehaald. Dat nu smijten werpen te seggen is, dat blijkt uit veel voorbeelden: smijt het roer om! smijt hem dat voor de scheenen: het welk oneigendlijk beteekend: vrijf hem dat eens door de neus: houd hem dat eens voor oogen: van smijten komt aansmijten, afsmijten, in smijten, op smijten: welke laatste bij ruime menssen deese beteekenissen heeft: eerst een slot op smijten: een slot met geweld op slaan: smijt’er op: slaat’er op: en endelijk de aldereigenste beteekenis: smijt het hout op ’t vuur! dat is, werpt het daar booven op: versmijten, verwerpen: uitsmijten, uitslaan,uitwerpen.
[p. 266]
    SNAAUW, een soort van een Seeuws, of Vlaams vaartuig: daar is ook een tijdwoord, dat snaauwen is, en beteekend graauwen: hij snaauwde, en graauwde mij toe, of hij mijvoor de honden gevonden had: dat is, hij bejeegende mij bits, en schamperlijk.
    SNEB, of neb, welk bijvoegen van een letter ligtelijk gebeurd, als narm voor arm: naars voor aars: en in het Latijns gnatus voor natus, en σμικρός voor μικρός bij de Grieken: een snebschuit dan is een schuit met een sneb, gelijk onse boere, en warmoesiers schuitjes: als ook de trekschuiten in het gemeen, ens. sie, neb.
    SNEE komt van snijden: waar van, een snee geeven: een snee Broods: dat quam regt ter snee’, dat is, dat quam ter regter tijd. Te scheep beteekend de snee, dat men anders noemd het bit, waar van op sijn plaats gesprooken is: van snee komt sneedig, en beteekend snel: het schip is sneedig in ’t seilen: oneigendlijk gaauw, schrander, het is een sneedig verstand: hij is niet sneedig, of sneedig genoeg: sneedigheid, gaauwheid, vlugheid, schranderheid.
    snees is een vissers woord, waar door sij uitdrukken het getal van twintig: en soo is een worp het vierdedeel van een snees: hoe veel het snees Schelvis, of Schol? ens.
    SNEES, een gebrooken woord voor Chinees, en beteekend onder het bootsvolk een schaggeraar: om dat de Chineesen groote schaggeraars sijn, dat van het Hebreeuws woord שבר of םחר negotiari. Sneesen, schaggeren: gelijk de Smaussen, of Hoogduitse Jooden, dat selve eigen is.
    SNEEUW, of korter snee’, nix: waar van, soo wit als sneeuw, als eerstgevallen sneeuw; sneewit: spierwit, sneeblind, steekeblind: hij siet, of hij in de sneeuw gescheeten had: hij keek op sijn neus: hij stond, als een bepiste paap: van sneeuw komt sneeuwen: het sneeuwd, ens.
    SNIJDEN, scindere, te weeten, met een mes van een scheiden: gelijk klooven met een bijl, of wiggen, geschied: van dit woord komt bij uitneemendheid een snijder, of snijer, dat is, een kleermaaker: gelijk van naajen, een naajer: [p. 267] snijden beteekend ook van de steen snijden: waar van, hij is gesneeden: hij sal gesneeden werden; iemand van de kei snijden; iemand foppen: het beteekend ook lubben; het is een gesneede big: een gesneede kaater, ens. van snijden komt een snijijser, een ijser, daar men mee’ snijd: snijwaater een loose boeg, de welke, om dat sij smalder is, als de regte boeg selfs, beeter bequaam is, om het waater sneediger te snijden: voorts koomen van snijden veel te saamengesteldewoorden: als, af snijden, door snijden weg neemen: af snijden beteekend ook iemand niet toe laaten te koomen, daar andere luiden koomen moogen, als bij gelijkenis, van de gemeenschap der geloovigen: de vrindschap af snijden; de vrindschap niet meer onderhouden: afsnijding, waarvan, afsnijdingen maaken; gelijk in den oorlog geschied: besnijden den voorhuid; waar van besnijding; gelijk bij de Jooden de gewoonte eertijds was; waar op sommige meenen (dog te onregt) dat de liersanger Horatius speeld, als hij seid.
                                Credat Judaeus apella,
        Non ego.
insnijden, een insnijding maaken; opsnijden, oopen snijden, ook swetsen, pogghen, snorken; hij snijd geweldig op; een opsnijer, eenpoghans: versnijden, dit woord heeft verscheide beteekenissen: voor eerst, versnijden beteekend met snijden bederven; ook wel alles aanstukken snijden: dat kleed is versneeden: is dat laaken al ree versneeden? voorts beteekend versnijden, met snijden goedmaaken: is die pen al versneeden? en endelijk van nieuws op snijden, hersnijden (om soo te spreeken) uitsnijden, door snijden ergens uit weg snijden: was de hoovaardij soo wel in een varken, alsin een mens; men konse daar gemakkelijk uitsnijden! voorsnijden, snijden voor een ander; waar van een voorsnijer, die de kost op groote maaltijden sierlijk opsnijd, ens.
    SNIK beteekend een soort van een kerf bijl; dog sonder houte steel, waar meede de timmerluiden de balken, of de sijden van dien (naa dat sij ten ruuwsten af gekapt sijn) effenen: en schijnt sijn naam gekreegen te hebben van het geluid, dat gehoordwerd, als de bijl af schampt; een snik [p. 268] beteekend ook eengeluid van een mens, en voornaamendlijk, die seer krank is: daar geeft hijden laatsten snik; het is snik heet, dat is, het is seer heet; wantdie de hitte voeld, straks begint te snikken.
    SNOEK is een vis, die als een wolf is onder de vissen; en hier van, een snoek vangen; hetwelk oneigendlijk beteekend, in het waater vallen; en derhalven werd het spotsgewijs geseid; soo ook, hij is’er bedreeven, als een snoek opsolder; dat is, hij heeft’er soo veel verstand van, als onse kat.
    SNOEPING, komt van snoepen, dat is, ter sluik eeten, hij snoept altijd uit de sak: waar van, snoeps sijn: een snoeper, een snoepster: ditwoord werd van Hoofd in Velsen 1. act. sc. 5. oneigendlijk gebruikt, als hijdit selve de duinen toe schrijft:
        En krimt door ’t stuiven van de duinen:
        Duinen, die bij verwaaid onweer
        Met vrugt met al de boomen snoepen, ens.
een snoeping beteekend te scheep een spleet, of naad, als of sij het hout (dat tussen beiden behoord te sijn) weg gesnoept had, ens.
    SNUIT, of sneb, of neb: hoewel het eigendlijk viervoetige dieren toegeschreeven werd: waar van een varkenssnuit: wat doet hij’er met sijn snuit in? het welk een bitse manier van spreeken is, en beteekend: wat behoefd hij sig metdie saak te bemoejen: laat hij sijn bek houden: bij gelijkenis schijnt snuit, ook te beteekenen een neus: waar van snuiten: de neus snuiten: snuit uuw neus! snuit uuw neus uit! en soo is te gelooven, dat snot meede komt van snuit, of snuiten: om dat het uit de snuit, of neus gesnooten werd: en daar leit niet aan geleegen, dat snot met een o, en gesnooten met oo geschreeven werd: want datsien wij in veel selfstandige woorden (let wel) dat die met een o, en detijdwoorden met oo geschreeven werden: als bij voorbeeld: gebod van gebooden: slot van geslooten: slop of slopje van gesloopen, sog gesoogen, en diergelijke meer: snuiten beteekend ook iemand te veel gelds voor eenige waar af neemen: waar van, sij hebben ons gesnooten: sij hebben ons [p. 269] bij de neus gehad: emungerealiquem pecuniâ: snuit beteekend ook bij de heekelteeven, het slegtste van het vlas: waar van het seggen: dat gaarn is maar van snuit gesponnen, ens.
    Soen bieden, als men op het woord soen siet, soo kan men ligtelijk gissen, wat soenbieden beteekend: want soen beteekend in oud Neerduits vreede, vergiffenis: soo is dan soen bieden niet anders als vreede aanbieden: enhier van het seemans woord: het weer en bied geen soen, dat is, het weer begint nog niet te bedaaren: sie, weer, of weeder: en hier van komt nu een soen, dat van een kus moet onderscheidenwerden: gelijk de Schrijver van de Batavise Arkadia wel aanmerkt: wanteen soen werd gegeeven, als men oneenig geweest is, en malkanderweederom tot een vrind aanneemt, en ontfangt: waar van soenen, en hetregte woord versoenen: die vrienden sijn weeder met malkanderversoend: maar het is geheel wat anders, als men seid, hij heeft soo, ofsoo veel geld versoend: dat voor de Liefhebbers geen uitlegging van noodenheeft.
    SOG, komt van suigen, en soo werd de vogtigheid, die een moeder tot voedsel van haar suigeling in haar borsten heeft, sog genaamd: sij heeft veel sog: ik heb geen sog in mijn borsten: dat sal sog sijn in uuw borsten, dat is, dat sal uuw wel bekoomen: suigen is ook een tuinmans woord, waar door men eenige vrugtboom, kan laaten suigen, en suigende laaten vereenigen met een andere boom, gelijk deese kunst heedendaags hier te land seer gemeen is: suigen beteekend ook oneigendlijk, afsien, af leeren van iemand, dat heb ik hem afgesoogen, ens. wat nu verders soogen belangd, dat beteekend iemand met de borst voeden: waar van gesegt werd, het is een soogende vrouw, ens. te scheep nu beteekend het sog, dat waater, dat van het voortvaarende schip naagesleept, en als van hem gesoogen werd: en hier van in iemands sog vaaren: het welk oneigendlijk beteekend iemand hinderlijk sijn: want hoe veel meer swaarte een schip naa sig sleepen moet, hoe het te minder vaart kan maaken: van dit sog komt sogpeilen, dat is, met het oog peilen, of af [p. 270] meeten, hoe kort, of hoelang, het sog een schip naa sleept, sie, selling.
    Soggat, werd van de seelui dat gat, of dat hok, genaamd, het welk bequaam is, omde koegels en bouten te bewaaren, en is geplaatst onder de konstaapels kaamer.
    Sog stuk, een kort stuk hout gaffels gewijs uitgehold, sie, W. p. 54. N. 4. idempag. 55. N. 8.
    SOMMER, is eennaam van swaare ijke balken, gelijk bij de groote Houtkoopers en Scheepstimmerluiden bekend is: daar is ook een bijvoegelijk woord het welk insommige spreekwijsen ontmoet, als men seid, die mam is soo sommer, die man is soo stil, en droog, en soo houtig: hoe wel het van andere genaamd werd somber: als of het een Frans woord was van sombre.
    SON, dat heerlijkschepsel, dat gesteld is van God Gen. 1. cap. 1. tot een ligt des daags: waarvan, de Son schijnt: de son steekt: de Son gaat op: de Son gaat onder: de Son daald: te scheep noemen sij, de Son peilen: de Son schieten, afmeeten hoe hoog de Son booven de kim is: en hiervan, het is Suiderson: dat is, het is middag: Noorderson: het ismidder nagt: en hier van, verhuisen met de Noorderson, dat is, verhuisen sonder huur te betaalen: betaalen den huiswaard met bedstroo: abire insalutatô hospite: hij is soo helder als een Son, dat is, hij is soo klaar als murg: daar schort niet het minste aan: een Sondek een dek, of beschutsel voor de Son: gelijk het woord selver meede brengt: dit verdek staat voor de hut: endit is de plaats geweest, daar die wijdberoemde Michiel Adriaansen de Ruiter’s Lands Seevoogd geschooten wierd: wiens dood met een loflijk vaars in het Latijn vereerd is door den Heer Petrus Francius puikdigter onser eeuw: en daar naa door hem rijmeloos vertaald, ens.
    S, soode, komt van sieden: het waater is aan de soo’: een soo’, of soodje vis: een getal vis, die het kooken is waardig: hoe veel dat soodje? hoeveel die soo? dat is een braave soo’! sieden nu beteekend kooken, waar van, sij schaffen ons gesooden en gebraaden: voorts soo’ beteekend ookeen siedendheid in de maag, als men seid, ik heb de soo’ in de keel:[p. 271] endelijk beteekend een soo’ een stuk aarde met gras begroeid: en hier van, een leewerik op een soodje: het welk oneigendlijkbeteekend, wisje wasje! ik weet niet wat je uit uuw hoofd stooten meugt: dat en kan geen sooden aan den dijk setten: dat mag niet helpen: dat helpt sooveel, als een boon in een brouwkeetel.
    SOOD, of gelijk andere het spellen soot, hier door verstaan de seelui een buis ofkooker, die buiten om de pomp komt, op dat de selve niet en soude kunnen beschaadigd werden.
    SORLEN, noemd W. p. 508. sijn best doen om te ontvlugten.
    SORGLIJN, ditwoord bestaat uit sorgen, en lijn: sorgen nu is bekommerdsijn: gelijk sorg bekommering: weshalven men segt als’er gants geenswaarigheid is: dat is sonder sorg! een hartje sonder sorg: een mens, die onbekommerd leeft: voorts sorg draagen: besorgen, laat dat op mij staan, ik sal het wel besorgen: en daar van, besorgd sijn, bekommerd sijn: een sorglijn dan is een touw, en bij uitneemendheid aanhet roer, dat een schipper daar aan doet, uit vrees, en sorg, dat’eriets aan het roer mogt breeken: en daar door bet selve koomen te verliesen: dit werd met een andere naam genoemd een roerstrop, sie, roer.
    Sortouw, dit woord komt van sorren, en touw: sorren nu beteekend iets vast toerukken: en bij gevolgiets met touwen, spijkers, klampen vast aan een hegten: een sortouw dan is een touw, dat tot sorren bequaam is.
    SOUT, is die noodige waar, sonder welk naauwelijk iets tot voedsel van een mens kan bedagt werden: immers alles is sonder Sout smaakeloos; en daarom werd vis, vlees, booter, ens. met Sout vermengd, soo tot de smaak, als om de selve lang te kunnen voor het verderven bewaaren; soo eet men gesoutevis, gesoutevlees; en dit is de reeden, waarom wij, en andere volkeren, soo groote moeite, en onkosten doen, om Sout uit Vrankrijk, Spanjen, te bekoomen; waar van, Franssout, Spaanssout; hoewel het laatste ook al boertende voor suiker genoomen werd; om dat de suiker [p. 272] eerst uit Spanjen in deese gewesten ingebragt is; Sout werd ook onderscheiden in ruuwsout, en witsout; want het sij het gehaald werd uit de Soutbergen, of uit de Soutpannen die aan see sijn; egter het Sout, dat wij gebruiken in onse huishouding, dat werd eerst gesuiverd, en opgekookt, en die plaats, daar dat geschied, noemen wij een Soutkeet, of ook wel een keet, het welk op sijn plaats te sien is; een Soutpan in een Soutkeet, is de pan, daar het Sout opgedroogd werd; een Soutsak beteekend, een sak, daar Sout in gedaan werd; dit werd ook een log mens toegepast, als men seid; hij is maar een regte Soutsak; sij sit als een Soutsak; van souten komt het saamen gestelde woord ongesoute, dat is, niet gesouten, daar geen Sout bij gedaan is; en oneigendlijk werd het genoomen, in het volgende: iemand iets ongesouten seggen; dat is, iets soo seggen, als het een mens op het hart leit, sonder verschooning, rond uit; het welk ook ongewassen genaamd werd; ik sei het hem soo ongewassen! bij gelijkenis werd een schip, dat met Sout gelaaden is, een Soutsak genoemd (gelijk bekend is) ens. van Sout komt souten; als, vlees souten; het vlees is wel gesouten; hoe sout gij uuw vis? op drie bier, of een vaan? dat is, hartig; dat’er een dronk op smaaken kan; iemand iets souten; beteekend iemand iets duur aansmeeren; ik meen, dat ik het hem wel gesouten heb!
    SPAAK, of handspaak; dit is gemeenelijk een end houts, daar meede een braadspit omgewonden werd; hoewel het tot stuuwen, en andere dingen, meede gebruikt kan werden.
    SPAAN, is een oud Duits woord, en het welk in spaander heedendaags veranderd is, waar van spaanders; een spaan nu is eigendlijk (gelijk wij weeten) een dun stukje houts, dat nergens toe bequaam is, als om te branden; hoe wel de tijd de menssen geleerd heeft, dat sij van de spaanen iets hebben weeten te maaken, en daar van een schuimspaan, daar de vuiligheid van de keetels werd afgespaand, vis, en vlees, ens. werd opgeschept; een booter spaan, daar booter mee’ gespaand werd; van spaan komt spaanen; spaan booter! het welk met een boerser manier van spreeken gesegt werd, [p. 273] spit Booter. Spaanders nu in het getal van veele verschaft eenige spreekwoorden, als, spaanders raapen, beteekend oneigendlijk, steenen raapen: daar men hakt, daar vallen spaanders: dat is, daar men kaats, daar moet men bal verwagten: of om klaarder te gaan, dat loopt’er op, dat hebjer van te verwagten: het boontje komt om sijn loontje, ens. een spaandermand: haal een mand vol spaanders: een spaanderhaak, een haak daarmen op de scheepstimmerwerven* de spaanders meede bij een schoffeld, sie of mende afbeeldsel bij W. pag. 185. N. 2.
    SPAANSVAARDERS, een schip, of schipper, die op Spanjen vaart.
    Spaanse stag, sie, stag.
    Spaans toppenant, sie, toppenant.
    SPAND, waar van spandregten, of, het spand opregten: het welk in mijn ooren luid, als of men sei’ de spanning, daar de steeven mee’ vast moet geset werden, spannen: en daar dit meede geschied een spandstut, dat is, een oplang: hoewel daar toe meer dingen vereist werden.
    HET SPEEL, sie, boog.
    speelen is een aangenaam woord voor de kinderen: want die doen niet liever, als SPEELEN: en soo speelsiek, seer geneegen tot speelen: waar van spel, of op sijn Amsterdams spul: willen wij een spul speulen? hij speuld sijn spul wel! sie, rol: dog dan werd het verstaan van een tooneelspel, of klugt. wanneer sullen de tooneelspeelders (dat is, Comedianten) speelen? soo ook werd het op koordedansers, en andere aaperijen gepast: soo dat het woord spel met de kindsheid begint, en de menssen tot de dood toe bij blijft: speelen beteekend ook op alderhande sangmaats werktuigen afgerigt, en daar meede beesig sijn: soo seid men, die man speeld wel op de fluit, viool, orgel, ens.: en werd daarom (soo hij de kost daar mee’ verdiend) een speelman genaamd: en de werktuigen, speeltuigen: voorts beteekend speelen, dobbelen: om hoe veel speelje? uuw spel en deugd niet! dit beteekend oneigendlijk, die waagen gaat niet regt: het spel verlooren geeven: oneigendlijk, de moet gants en gaar ver- [p. 274] looren geeven: speelen werd ook de honden, konijnen, haasen, en andere dieren, toegeschreeven: gelijkde hondemelkers, ens. wel bekend is: als sij met het voortteelen beesig sijn.Endelijk beteekend speelen, vermaak scheppen: waar van, uitspeelevaaren; speele vaaren is een bilslag waard; dat is, als menuit speelevaart, soo moet men het soo effen niet neemen, of men wat ongemak lijd: van dit speelen komt een speeljagt, een speeljagje, in teegenstelling van een oorlogs jagt: een speelschuit, een speelwaagen, of speelwaagentje, ens.
    SPEEN beteekend op sijn boers de pram, of mam van een beest, en soo werd het tot het vrouwvolk oover gebragt: sie Hoofd in sijn sangen van Roosemond: ag! ag! ag! de speen is of! speen dan, of teepel: en hier van speenen: ablactare: het kind is gespeend: oneigendlijk beteekend het, sig onthouden ergens van: ik moet mij wat speenen: dit werd ook geseid van de vis, die in een korf, of beun geleit werd: om niet grondig te smaaken: het is gespeende vis.
    SPEEREEP, ofmisschien spiereep: een reepje, of touwetje, daar de dobber vande haaringnetten aan vast sijn, sie, spie.
    SPEIL beteekend twee dingen, eerst een stut, of dwarsboom, dat geset werd om te stutten: tent weede eenige ringetjes van ijser, daar men de bouts (als sij te lang sijn) meede sluit.
    SPEK beteekend de vettigheid van varkensvlees: waar van, het is soo vet, als spek: dit woord werd ook bij verwijting de Spanjaards en Portegeesen toegedouwd, als men seid, spekjan! dat is, Jan eet spek: een walvis werd ook spek toegeschreven: en soo werd die geen, die een walvis aan stukken snijd, een speksnijder genaamd: een spekeeter werd oneigendlijk genaamd een bloedeloos dier, dat om de kaars vliegt, hebbende de gedaante (dog is schraalder, en min schaadelijk) van een puiste, of schalbijter: van spek komt spekken: en beteekend oneigendlijk wel versien sijn: mijn beurs is wel gespekt: mijn beurs is teegenwoordig niet wel gespekt.
[p. 275]
    SPIE is een bekend ijser werktuig, het welk in de enden van de ijsere bouten gesteeken werd: en hier van werden de gaaten van de bouts spiegaaten genaamd: dog dit woord werd ook te scheep gebruikt voor de gaaten, die in het boord van het schip booven de waaringen werden gemaakt, op dat daar door het waater, daar de scheepen meede gespoeld werden, soude van selfs weg loopen: dog in een scheepsgevegt gebeurd het wel, dat het bloed van de gequetsten, en dooden, als waater, de spiegaaten uit loopt: een spiegat werd door gelijkenis gesegt van de oopening, die aan weedersijden van een schoen is: waar van, schoenen met kleine, of groote spiegaaten: spie beteekend ook een spion: waar van spieden: en verspieden, een verspieder: want sulke luiden, latent post carecta, en sien door de gaaten: van de Latijnisten werden sij, speculatores genaamd van speculari: waarvan Ulysses lib. 13. Metam. seid.
                        Nec quid speculabar habebam.
verspieden beteekend ook bij gevolg verklikken: wij sijn verspied! wij sijn verspied!
    SPIEGEL, indien ik sei’, dat dit woord quam van speculum, het sou’ misschien veele vreemd dunken: en derhalven laaten wij het voor een goed Neerduits woord aanneemen: dewijl het al lang sijn poorter regt gekogt heeft, of om beeter te spreeken, hem het burgerregt al lang in deese landen opgedraagen is: de bekendste beteekenis is, dat het beteekend een werktuig, daar men sig in spiegelen kan: het werd ook gesegt (om reedenen hier niet te noemen) van een waaterpot: endelijk werd het te scheep gebruikt, voor dat agterste gedeelte van een schip, waar in het waapen, of het merk staat, waar aan men het schip kennen kan: en daarom sijn kaapers en seeroovers wel gewend haar spiegels te behangen, als sij niet willen weeten, wie sij sijn, gelijk sij sulks ook doen door het veranderen van haar vlaggen, ens. van spiegel beteekend ook een voorbeeld, dat tot leering kan strekken: neem daar een spiegel aan: dat geschied tot spiegel van andere: het tijdwoord van spiegel is spiegelen: sig spiegelen in een spiegel: sig aan andere spiegelen: waar van on- [p. 276] eigendlijk, hij spiegeld hem sagt, die hem aan een ander spiegeld: dat is, hij leerd buiten sijn schaa’ en schande: en met regt dan mag men seggen.
        Felix quem faciunt aliena pericula cautum.
Voorts is’er nog het woord bespiegelen, daar het nieuw gemaakte woord bespiegeling afkomstig van is: en beteekend, sijn sinnen ergens meede beesig houden: of met een Onduits basterdwoord, speculeeren, speculatie: afkomstig van het woord speculari, koomende van specula, een wagttooren, soo siet men bij Virgilius Lib. 4.
        Regina è speculis ut primum albescere lucem
        Vidit.
en bij den selven, te scheep het kompagne: Lib. 6. Aeneid.
                    Speculâ palinurus ab altâ.
    Spiegelworp, ens.
    SPIER, is een gedeelte aan een lighaam, dat vleesagtig is, en sonder been: waar van men seid: het is soo wit, als een spier, het is spierwit: het gedeelte genoomen voor het geheel: soo seid men, mijn spieren jooken: dat is, ik ben geneegen tot vegten: gelijk men anders seid, mijn handen jooken, te scheep beteekend het spier, de gijk, het welk op sijn plaats te sien is.
    Spiering, of spierling, een visje soo dun, en wit, als een spier: dog heeft een seer viese lugt oover sig: voornaamendlijk, als het dood is: waarom de selve stinkvis genaamd werd: van spiering komt het seggen: een spiering uitwerpen, om een kabbeljauw te vangen: dat is, oneigendlijk genoomen: iemand iets kleins vereeren, op hoop van iets beeters weer te krijgen. De spiering doet de kabbeljauw afslaan: dat is, de slegtste waar is de oorsaak, dat de beste somtijds goed koop moet verkogt werden.
    SPIJKER, in sijn eige en gemeene beteekenis, soo beteekend het een ijsere naagel: waar van, de spijker op het hoofd slaan: dat is oneigendlijk, een saak oordeelen, sooals sij waarlijk is, de Latijnisten noemen het: rem acu tangere: voorts, weet ik een spijker, hij weet een gat! en betee- [p. 277] kend oneigendlijk: hij weet altijd eenige uitvlugten te vinden: hij is voor geen een gat te vangen: hij is soo hard als een spijker: hij is seer sterk van lighaam, en weet van geen siekten, of ongemak: een spijker werd ook genaamd een pakhuis, en misschien dat sij eertijds van hout te saamen gespijkerd wierden: gelijk ook als nog op veel plaatsen van de Oostsee geschied, daarenbooven noemen wij bij gelijkenis de snot, die de kinderen uit de neus hangt, een spijker: doe die spijker uit uuw neus: van spijker komt spijkeren, en beteekend met spijkers vasthegten: spijker dat eens vast! de hoed staat hem soo vast op sijn kop, of sij daar op gespijkerd was: dat is, het is een onbeleefden buffel: hij neemt voor iemand de hoed af: van spijkeren komt verspijkeren: het welk twee dingen beteekend: eerst al spijkerende verbeesigen: timmerman hoeveel spijkers heb je al verspijkerd? ten tweede verspijkeren beteekend dat geen, dat quaalijk gespijkerd is, weederom ter deegen spijkeren: timmerman die planken moeten werden verspijkerd! ens. een spijkerboor, een spijkerhaamertje, een spijkerijser, sie de afbeeldsels bij W. pag. 115. N. 1.
    SPIL, is een werktuig, door welkers behulp het kaabeltouw, of kaabelaaring, ens. kunnen ingewonden werden: sie de afbeeldsel bij W. p. 56. N. 16.bij de weevers beteekend ook een spil, waar door men al gaande en staande kan wol spinnen, fusus van de Latijnisten genaamd: en hier van, daar leggen wij nu met de spillen in de as: daar leggen wij nu met de billenbloods hoofd: daar is nu het werk gans en gaar verbrod: van spil komt spillebeen: een die strooje beentjes heeft: hij lag daar te spillebeenen, dat is, te spartelen: en gaf den geest: spillen beteekend verquisten: hijspild een grouwsaam geld: soo ook verspillen, van spillen komt ook een spilpenning, prodigus, een verquister, spilpenningen: speldegeld, geld, dat iemand om te verquisten gegeeven werd.
    SPIT heeft verscheide beteekenissen: de gemeenste, en bekendste is, waar aan men alderhande vlees braad: waar van, een hoen aan het spit braaden: het spit in de as wenden, het werk verbrodden: hij leit in ’t onderspit: hij is aan lee- [p. 278] ger wal: hij wierd met het spit gesmeeten : en hij heeft van het gebraad nietgegeeten: dat is, hij komt altijd in het hoekje, daar de slaagen vallen: detweede beteekenis is een werktuig voor op de plegt van een schip; sie, braadspit: de derde is een soort van een ongemak in de rug, en lenden, waar door iemandsig niet kan buigen; en werd het spit genaamd: hij heeft het spit in sijn rug, hij kan sig niet buigen: de vierde is, een opdelving, dat met een spaa geschied: waar van, het onderpit delven: oover een koomende inbeteekenis, met in het onderspit leggen: van ’t laatste komt spitten, delven: waar van afspitten, omspitten, ens.: een speetje, een dun en lang stokje, of ijsertje, gelijk een spit: een speetje paaling: een kaars speetje: speetjes darmen, darmen, die met een speetje werden omgekeerd, ens.
    SPLEET, komt van splijten, van een rijten: waar van, het is gespleeten, en gereeten, soo dat een spleet, een reet, en scheur, beteekend, een splinter, een brokhouts, dat van het andere af springt, en splijt: de splinters doen meer quaad, als de koogels: men siet de splinter in een anders oog: maarniet de balk in ons eigen oog: het welk oneigendlijk beteekend: dat wijaltijd meer quaad kunnen sien in een ander, als in ons selfs: van splinter komt splinterig: het is splinterig hout: en dit woord splinterig werd ook van Hoofd ergens in sijn Neederlandse Historien gebruikt voor schurfd, en gevaarlijk: het was een splinterige saak, ens.
    SPLIT, of spleet, en hier uit blijkt, dat ik uuw alleen in het oor bijten sal: een splitruiter: die het niet en weet, die sal het niet klappen.
    SPLITSEN, of splitten beteekend het selve met splijten, of, doen splijten: splitsen nu is een scheeps woord, en beteekend eerst de enden van de touwen losmaaken: en dewijl dit geschied om weeder in een te vlegten: soo beteekend dit woord bijgevolg aan een vlegten: dat touw is gesplitst: de enden aan een splitsen: een splitsgang een gang, dat is, een plank, die gespleeten is: een splitshaamer een haamer, daar men meede splitst: en derhalven heeft de selve aan de eene sijde een scherpe punt, gelijk een splitshoorn, daar [p. 279] toe gebruikt werd: een splitstong, de scherpe enden van een wimpel, of vleugel, dewelke aan de enden gespleeten sijn.
    SPOED, spoedigheid: de grootste spoed, is selden goed: dat is, al te groot een haast isquaad: van spoed komt spoedig, vaardig, wij quaamen spoedigoover: spoed beteekend somtijds het saamen gestelde woord voorspoed: waar op slaat in een quaaden sin teegenspoed: op het woord voorspoed, en spoedig, sie, Hoofd in Velsen act. 5. sc. 5.
        O voorspoed spoedig! des mij ’t wonder doet verstommen!
van spoedig komt voorspoedig: gelukkig: die luiden sijn voorspoedig in al haar doen: in tijd vanvoorspoed moet men denken om teegenspoed: dit is een wijse les, en werd vande liersanger op sijn scheeps uitgebromd.
        Contrahes vento nimium secundo
                                Turgida vela.
voorspoedig beteekend ook tierig, en groeisaam, dat is een voorspoedig kind! dewijlhet niet veel stooten van siekten, of andere ongemakken, heeft uitgestaan: voorts van spoed komt spoeden, of liever naa de gemeene spraak spoejen: want dat is ons taal eigen, dat sij de D, in tijdwoorden, of gants weg werpt, of in een J veranderd: waar van in onse spelkonst: spoejen dan beteekendhaasten: en soo seid men, spoei uuw wat: gij moet uuw wat spoejen: ens.
    SPOELEN, is een seemans woord, en werd de see, en het waater in het gemeen toegeschreeven: van de see seid men, dat die teegen het strand, dijk, hoofd, stad: ens. aanspoeld: spoelen beteekend ook door het spoelen van het waater schoonmaaken: spoel het schip: kleeren spoelen: een roemer spoelen: de voeten spoelen, oneigendlijk, iemand buiten boord in see werpen: gelijkeertijds bij de Duinkerkers, en daar naa in weerwraak bij de Seeuwen in gebruikgeweest is: sie, haaring, en daar in, van Duinkerken tenhaaring vaaren: spoelje mond, dit werd oneigendlijk gesegt teegenluiden, die vuile klap uitslaaan: een spoel beteekend ook een weeversspoel: of schietspoel, om dat hij door het web geschooten werd: van dit werktuig komt ook spoelen: dat is het gaaren, of de keeten, op de spoel winden: soo is het de ge- [p. 280] woonte, dat een weever weefd, en de vrouw (om geen tijd te verletten) de spoelen spoeld: van spoelen in de eerste beteekenis komt spoeling, te weeten datnat, daar een kuip, of tobben meede omgespoeld is: en ten platten landeis dit gemeenelijk de drank, of voeder, voor de varkens: weshalven het niet teverwonderen is: dat boeren, gewoon sijn te seggen: veel varkens maaken despoeling dun: het welk van de steelui oneigendlijk gebruikt werd (dog sonder gelijkenis gesprooken) voor daar veel kinderen sijn, daar smaldeeld het geweldig: en derhalven komt het daar soo ruim niet om: van spoelen komt aanspoelen, al spoelende naaderen, of raaken: af spoelen, door spoelen af neemen, en verminderd werden, af wissen: sie hier de spreekwijsen: de Seeheeft dat land af gespoeld, of ook, weg gespoeld: de landerijenspoelen af: spoel de vuiligheid af! spoel de vuiligheid door! laaten wijde swaarigheid eens van het hart spoelen: dat is, laaten wij de swaarigheideens van het hart af drinken: inspoelen, invloejen: omspoelen,rondom schoon spoelen: verspoelen, uitspoelen, wegspoelen, ens.
    SPONNING beteekendde keep, die in de kant van een plank werd ingevoegd: om een andere plank daarin te doen sluiten: oneigendlijk beteekend het de optree’ van een bedstee’, waar op de bedplank rust, van sponning komt sponningschaaf, sie, schaaf, en W. 185. N. 1.
    SPOOR heeft verscheide beteekenissen, en dewijl die veel van den anderen verschillen, soo sal het niet ondienstig sijn, de dubbelsinnigheid van dien op te lossen: spoor nu beteekend voor eerst bij de liefhebbers van paarden, een ijser werktuig, waar meede een paard (des noods sijnde) geprikkeld werden kan; waar van de spreekwijsen: het Paard den spoor geeven: iemand geeven een spoor, en prikkel; dat is oneigendlijk, iemand aanmoedigen: iemand met spooren noopen; dat is, iemand tot sijn pligt dwingen. Een haan werd ook een spoor toegeschreeven; gelijk de haanemelkers genoeg bekend is. Spoor, of speur beteekend het waagenspoor, dat is, daar aan men speuren kan, waar waagens gereeden hebben: want speuren beteekend naavorssen: [p. 281] waar van, ik heb wat op’t speur; een speurhondje, of spiljoendje: ik speurde aan hem, dat is, ik merkteaan hem: voor bespeuren, merken; opspeuren; naa vorssen: wij hebben hem opgespeurd; opgesogt, ens. endelijk het beteekend het spoor, of een gat ineen spoorbalk, dewelke is seer swaar op groote scheepen, waar door de masten tot de hel toe needersakken: waar vande verscheide naamen van, het grootespoor, fokkespoor; spilspoor, ens. van dit woord spoor komt het scheepstimmermans woord spooren: dat is, beesig sijn met spooren te maaken.
    SPREIDEN, en breiden schijnen mij deselve woorden, alleen verschillende in spelling: want wie van de liefhebbersder spelkonst weet niet, dat een b ligtelijk in p kan veranderd werden?daarenbooven dat somtijds de letter s (gelijkerwijs in sneb en neb getoond is) oovertollig is. Bij versetting van eenletter, sie, seil veranderd in siel. Soo seid men sprieden, waar van een sprie’, of, bedsprie’: om dat het boovenoover een bed gespreid werd: van spreiden komt verspreiden, verbreiden: dat gerugt heeft sig verspreid: uitspreiden, uitbreiden. Spreiden nueen seilmaakers woord, beteekend gillen: waar van op sijn plaats gesprooken is. Spreidsel beteekend seer dun gesaagd hout, weshalven het sig seer verspreiden kan.
    Spriet is een soort van een lange mastboom: waar aaneen seil uitgespreid werd: hier van, vaarenmet een loopende spriet: vaaren meteen geschooten spriet: dat is, swigten: sie, Roemer Visser: en hier van meede sprietoogen: dat is, staroogen: om dat de schippers haar oogen geduurig omhoog naa de spriet gestrekt houden: van spriet komt boegspriet, de spriet, die voor op de boeg uitsteekt: gelijkaan boejers, smakken, jagten, ens. te sien is: haar gebruik is, om daar aan defok op te hijssen, sie, boeg.
    SPRINGEN is een woord oovervloedig van beteekenissen. Springen in sijn eerste beteekenis beteekend van de aarde opwippen: soo seid men, springen oover een sloot: springen in het touwetje: en hier van een springstok, of pols: een sprong, op het Latijn saltus: en Rhodus! en saltus! [p. 282] een boksprong, soodanig een sprong, als een bok maakt: oneigendlijk, grillen, parten, ens. soo ook, een tweesprong, dat is, twee weegen, diein een loopen: de Latijnisten noemen het bivium: nuu staa ik op een tweesprong, dat is, oneigendlijk, nu ben ik in twijfel, waar ik mij keeren: soo ook een driesprong, trivium: springen beteekend ook het werk, dat een hengst in het teelen doet: waar van een springhengst: soo werd ook een merrie geseid besprongen te sijn, ens.daarenbooven beteekend springen, vertrekken, bankrot speelen: die koopmansal moeten springen: van goederen seid men ook, dat die moeten springen: dat is, die sullen moeten verkogt werden: springen beteekend ook splijten: de mast isgesprongen: soo ook barsten: het geschut is gesprongen: in de lugt vliegen: het kruidhuis is gesprongen: Springendvuur, een ongemak aan het lighaam, dat als met een sprong het vel ontsteekt: van springen komt afspringen, van booven naabeneeden springen; omspringen, rondom springen: met iemandomspringen beteekend oneigendlijk, leeven met iemand naa sijn welgevallen: hij springt met hem om, als de kat met demuis: opspringen: van vreugd opspringen: opspringen beteekend ook oopen springen: het slot sprong op! uitspringen beteekend oneigendlijk, soo goed als men kan, sig redden: ik sprong’er uit: eindelijk werd het waater ook het springen toegeschreeven, waar van springvloed, dat is, als het waaterschielijk seer hoog opgeperst werd: gelijk sulks door de volle maan, en een sterke wind somtijds geschied: de BruinEmbl. Pag. 324.
    SPUI, waar van spuien, een plaats, daar hetwaater gespuid werd: een kolk, ofwaaterloosing: hier uit blijkt, waarom de gragt in den Haag, het spui genaamd werd: van spuien schijnt te koomen spuiten: want seg eens spui het! en trek dat te saamen in eenlettergreep, soo is het spuit: gelijk daarom de gebiedende wijs, of imperativus bij ons (door onkunde) in veelderhande voorvallen seer quaalijk gebruikt werd: want dat is bij mij een staale wet, dat als het woord in de onbepaalde wijsgeen d, of t, en heeft, dat ook in de gebiedende wijs geen d, veel min een t, behoord ge- [p. 283] schreeven, of gesprooken, te werden: als bij voorbeeld, beminnen, heeft bemin, niet bemind: maaken, niet maakt: maar maak, en soo in andere: dog hier van in onse Analogia, of oover een stemming: soo dan spuiten het selve mogt sijn met spuien: soo sou’ een spuit van een beteekenis sijn met spui: dog het gebruik ishier in de baas: en een spuit beteekend een houte, of koopere buis, ens. daar men meede spuiten kan: waar van een brandspuit: een waaterspuit, ens.
    STAAF is een smits woord, en beteekend bij haar een lange en platte, dog smalle strookijsers; gelijk bekend is: dog het woord staf beteekend een schepter, of kooninklijken staf: gelijk men weet, dat een schepter van het Griekse woord Σκήπτρον, en daar van het Latijnse sceptrum, afkomstig is. Van dit woord staf komt staaven, dat is, met den staf bevestigen: gelijk te sien is bij Hoofd in Velsen act. 2. sc. 3. alwaar Gijsbert van Amstel Graaf Floris dit voorhield.
        Gij swoerd met daaging Gods, en bijgestaafden eed:
van staaven komt verstaaven, dat is, aan duigen vallen: de vaaten sijn verstaafd, en soo sou’ men kunnen seggen, dat een staf wel eer een duig beteekend heeft: een staaf koogel, soo een koogel, daar een staafje ijsers door gaat.
    STAAG: sie, stag: want het sij men segt, oover staag smijten, of werpen, of oover stag: het is van een en de selve beteekenis: van staag komt; eevenstaag, elke reis weederom: dat sou’ wel eevenstaag geschieden.
    STAAL genaamd Chalybs een Grieks woord, waar meede het ijser getemperd werd, is een bekende stof: en hier van: hij is soo hard als staal: van staal verstaalen, weederom met staal vernieuwen, en ook verharden: gelijk blijkt: verstokt, versteend, verstaald, ens. Staal, of staalgrond beteekend een plaats, die met bagger, of modder, werd opgehoogd: gelijk dat bij de Leienaars bekend is: de Bruin in Embl. Pag. 60. en 246. gebruikt deese spreuk: nog grond; nog staal.
    STAANDBLOK: sie, knegt.
[p. 284]
    STAAPEL beteekend uit sijn eige kragt een plaats, daar iet gestaapeld, of opgehoopt, of geplaatst, kan werden: en soo kan een helling, of timmerwerf, een staapel, genaamd werden: soo seid men; een schip op staapel setten: het schip staat opstaapel: een staapelblok, een blok, waar op de kiel op het staapel werd gesteld. En soo hebben wijdaar van (dog oneigendlijk) deese spreekwijs: daar is wat op staapel: dat is, daar is wat gaans, daar is wat inde moolen: en in een smaakelijker sin: hansken is in de kelder, en maiken in schapraiken: staapel daarenbooven beteekend het geen gestaapeld is: en bij gevolg een meenigte: daar is de staapel van alles: daar is verschiet: van staapel komt het Dortse woord staapelregt: het welk een regt is aan Dordregt weleer vergund, en nog gebruikelijk: waar door de waaren, in het staapelregt, uitgedrukt, daar moeten gelost, en opgeveild werden: sie de beschrijving van Dordregt: en in het besonder de keuren van het staapel regt, ens. staapelen, stuuwen, ophoogen: is de turf wel gestaapeld?
    STAART genaamd van de Latijnisten cauda, sijnde het agterste gedeelte voornaamendlijk van viervoetige gedierten, en voogelen, en daarom werd het gesteld teegen het hoofd, waar van daan: ik weet’er hoofd, of staart aan te vinden; dat is, alles is seer verward: hij loopt naa sijn staart om; dat is, hij is seer te onvreeden: dat muisje heeft een staartje; dat is, daar schuild meer swaarigheid, als men wel sou’ denken: en gelijk het hoofd genoomen werd voor de voornaamste, gelijkerwijs men seid: hij is het hoofd van de heiligen: alsoo werd de staart genoomen voor de geringste: de staart komt agter aan; dat is, de sleep, de trein: soo ook een staartje bier, of wijn, dat op een vat is; dat is, het laatste, ens. een groot hart, en een kleine start: dit werd gesegt van iemand, die groots in sijn waapen is, en sonder goed, gelijk* de kaale aadel. Van staart komt staartrib: sie, rib, en W. pag. 4. N. 11. een staartstuk, een stuk vlees ontrent de staart, of stuit van een beest, ens.
    STAG, een swaar touw, dat de mast vooroover houd: sulke sijnder verscheide, als bakstag, waar van op sijn plaats [p. 285] gesprooken is. Spaanse stag, daar de ree van het blind aan de boegspriet meede vast gebonden werd: het oover stag smijten: schielijk wenden, en teegen de wind inkrimpen: iemand ooverstag werpen, beteekend oneigendlijk, iemand de voet ligten: oover stag loopen; dat is, buiten nood de hoogte soeken, of loeven: een stagkraag, de kraag van de stag, soo ook het stagseil: het stagtouw, ens.
    STAMPEN beteekend eigendlijk met de voeten kloppen: waar van stampvoeten: en dewijl dat veeltijds uit boosheid geschied: soo werd het genoomen voor soo boos sijn, dat iemand van boosheid met sijn voeten op de aarde stampt: hij stamptvoete van boosheid: voorts werd het genoomen voor stooten: gelijk men seid: eenige waaren in een ton, of vat stampen: soo werd ook het buskruid in een roer, of geschut, ens. gestampt, en het werktuig, daar het meede geschied, werd een stamper genaamd, en in ruimer sin de stampers van vijsels, van straatemaakers, toebakverkoopers, daar sij al stampende de slegte toebak mee’ kerven: stamprijen, stampstooten, rijen, en stooten, dathet stampt: een stampsee, een baar of golf, die soo teegen de boeg aanslaat, alsof’er teegen gestampt wierd: een stampsteeven noemen sommige een breede steeven, oovermids het waaterdaar teegen swaarder aan stampt, als teegen de smalle: van stampen komt instampen: het welk oneigendlijk beteekend iemand iets, als met alle kragt, en geweld, doen begrijpen: hij sogt hem dat in te stampen: uitstampen beteekend oneigendlijk iemanddoor stampen begekken, soo dat hij genoodsaakt is weg te gaan, waar in de wittebroods kindertjes, en andere melkmuiltjes, uitmunten: als een teeken van haar kindse onnooselheid, of onnoosele kindsheid: waar van haar swetsen: wij hebben hem uitgestampt, ens.
    STAR, of ster, stella op het Latijn: waar van, de starren blinken; de starren schieten, dat is, met een graadboog neemen de hoogte der starren: daar verschiet een star! het welk een gevoelen van onkundige menssen is: die niet weeten, datde selve maar dampen sijn, die ontsteeken werden, en alsoo als starren door de lugt needer schieten: een star [p. 286] werd ook genoomenvoor iets, dat de gedaante heeft van een star: en voornaamendlijk voor dat kooninklijk teeken, dat een koonink, of die vankooninklijken bloede sijn, op haar borst draagen: voorts werd ook de kol van een paard, of rund, ens. een star genaamd, om dat de haaren aldaar sig, als een star, verspreiden: en ruimer het voorhoofd van een mens: ik sloeg hem voor sijn star, ens. van star komt ook staroogen, het welk de Grieken noemen ’ατενίξειν. Staroogen dan is het selve met sprietoogen, waar van sie het woord spriet.
    STEEK komt van steeken, en beteekend op het Latijn punctum ferire, dat is,met de punt, of de scharpte iets in drukken: soo is een steek van een mes, of deegen: iemandeen steek brengen, een steekversetten (gelijk de schermmeesters spreeken;) een steek werd ook oneigendlijk gebruikt voor een bokking: hij gaf hem een steek: een steek beteekend ookeen staaketsel van paalen, waar door de salmen, en steuren, ens. gestuit werdenin haar loop, en als in de fuiken gedwongen werden. De steek beteekend (ook bij de breidsters) de kennis, om de saajet omde breiijsers gevoegelijk te breien: waar van het seggen, ik kan de steek: dat is, ik heb de slag al weg, om een steek te maaken: een steek beteekend ook een end van een kaabel, dat door de ring van een ankeroog gesteeken werd: een steek werd ook gesegt een pompsteek, dat is, het neederdrukken, enbij gevolg ook het ophaalen van de pompstok: hoe veel steeken hebje al gedaan: hoe veel steeken hebje al gepompt? een steeksaag, een saag, die van twee getrokken werd: dog als steekende: en verschild derhalven van een raamsaag, sie, W. p. 185. N. 1. steeken beteekend ook (bij gevolg van sijn eerste beteekenis) ophouden: gelijk te sienin de spreekwijs: het werk blijft steeken: hij bleef daar in steeken: hij kondat niet wel uitvoeren: hij kon dat niet wel rondschieten: en soo moet ookgenoomen werden het woord steek insommige manieren van kaartspeelen: ik hebde steek, dat is, ik heb de leste trek. Voorts van steeken koomen veel te saamengestelde woorden, als voor eerst [p. 287] aansteeken, welkers beteekenis klaar is in: een kaars aansteeken: dat is, ontsteeken: doen branden: afsteeken, afvaaren, om dat de schipperhet schip door behulp van een haak, of boom, van het land, ens. afsteekt: besteeken, dat is, rondom met bloempjes, of iets anders, besetten: mijn dogters wierden (te weeten op haarverjaardag) besteeken: in haatelijkersin werd het genoomen voor bekuipen: sij hebben dat soo besteeken: dat is besteeken werk: doorsteeken ergens doorsteeken: ik sal hemdoorsteeken (seid een dronke boer) als een hond: insteeken: steeken ergens in: oneigendlijk raaden, oorblaasen: wie heeft uuw dat ingesteeken? sig ergens insteeken, dat is, sigergens mee’ bemoejen: waarom steekje uuw in een andermans saak? in schulden steeken: hij steekt tot de ooren toe in schulden, animam debet: biersteeken, waar van een biersteeker, een biersteekerij, een plaats daar bier, dat op een ander gebrouwen is, bijkleine, en groote vaaten, verkogt werd: ontsteeken: waar van, een vat ontsteeken: ons vat is nog niet ontsteeken: ontsteeken beteekend ook toornig sijn: hij ontstak in sijn aansigt: het werdook gesegt van een wond, die verslimmerd is, die wond is seer ontsteeken! opsteeken, waar van op sijnplaats in het breede: gelijk ook ooversteeken: ondersteeken beteekend (in krijgssaaken) bij een ander voegen, en alsoo van twee een maaken: de Compagnien, de Regementen sijn ondergesteeken: van ondersteeken komt een ondersteek doen: dat is, iemand de schoen uit de voet treeden: iemand voorkoomen, ens. een ondersteeksel, een kinder luier, die een kind onder aan het lijf (tot verschooning) gesteeken werd, ens. versteeken, verbergen: sij hebben hem, of die goederen, versteeken: versteeken sijn van een saak: dat is, iets moeten missen: ik ben van mijn voorneemen, of hoop, versteeken: ik ben versteeken van die erfenis: in een quaad velsteeken, beteekend ongesond sijn: dog inpriapeiis werd het verder getrokken: dat egter onse uitleg niet van nooden heeft, endelijk komt voor den dag uitsteeken: waar van deese spreekwijsen, steek uuw hand uit; dat is, strek uuw hand uit! en bij gevolg te raaden geeven: steek’er om uit; dat de Amsterdammers noe- [p. 288] men, wat raaje? eeven, of, oneeven? uitsteeken beteekend ook uithangen, wat steekt daar uit? maar het beteekend ook iets met een punt vaneenig ding beneemen, iemand de oogen uitsteeken, het welk ook oneigendlijk beteekend iemand omkoopen, en dehanden salven, op dat hij soude sijn siende blind, of hoorende doof, steeken is ook een liefhebberswoord, welkers beteekenis genoeg bekend is uit het seggen; hij is een goede steeker onder de hennen: een steeker beteekend ook een rib, of inhout in het sog, welkersafbeeldsel te sien is bij W. pag. 55. N. 8.
    STEEL beteekend eerst dat endje, daar aan de vrugten hangen: waar van, het steeltje is nog groen: het welkwanneer het van een grijsaard gesegt werd, soo heeft het een seer kragtigebeteekenis: ten tweede beteekend door gelijkenis dit woord, het handvatsel vaneen bijl, of haamer: de bijl vloog van desteel: van steel, en wel in deeerste beteekenis komt steelen: want steelen gelijk wij weeten, beteekendheimelijk, en dien volgens teegen wil, en dank, iemand iets ontneemen: nu kunnen de vrugten niemand heimelijker ontstoolen werden, als wanneer die (met steel metal) weg genoomen sijn: en hier van besteelen: wij sijn seer bestoolen; ontsteelen; sij hebben ons dat diefagtig ontstoolen: maar daar is een soort van steelen, dat men egter oordeeld geoorloofd te sijn, te weeten, dat men iets den eigenaar ontsteeld, en laat hem het sijne houden; dat is, dat men iemand de kunst afsiet: dat gaauwe dieven haar werk is: ten tweede kan iemand met steelen eerlijk de kost winnen: wanneer sij naamendlijk, als eerlijke luiden, de steelen wel gebruiken: soodaanige sij al die eerlijke ambagtslieden, die bijl, of haamer, gebruiken, ens.
    STEEVEN werd verdeeld in voorsteeven, en agtersteeven: gelijk bij de Latijnisten prora, en puppis. Steeven nu is afkomstig van stijven; dat is, hegt, en sterk maaken: soo dat de steevens sijn de sterkte van een schip: waar van een buiten, en een binne steeven, als ook een loose steeven: welk laatste beschreevenwerd te sijn een klamp, die aan een steeven, die voor, of agter te smal is, geslaagen werd: [p. 289] wat nu stijven aan gaat, behalven sijn eerstebeteekenis, soo sijn’er nog besondere, die van de eerste haar afkomst hebben;als stijven, dat is, met stijfsel (waar van een stijfster) stijfmaaken; daarenbooven stijven beteekend ook vermeerderen; dat stijfdeen boel, of boedel; het is een stijven boel: het is een stijf man: voorts stijven, iemand het hart onder de riemsteeken: iemand in sijn boosheid stijven: het beteekend ook helpen, als, dat kandie man veel stijven, ens.: Steevenen, de steeven van een schip ergens naatoe wenden: waar van besteevenen: ende spreekwijs: hij sal wel beseilen, dat hij besteevend heeft: dat is oneigendlijk, hij sal wel tot sijn oogmerk geraaken: sie Hoofd Hist. pag. 93.voorts wat steevenhaaken sijn, wijstaan W. pag. 185. N. 2. ens.
    STEIGER komt van steigeren, dat is, verhoogen, klimmen, stijgen: gelijk hij steigerd, als een quaad paard: het welk oneigendlijk beteekend, hij toond sig booven maaten verbolgen: de graanen, de waaren steigeren, dat is, de selve werden merkelijk duurder: een steiger beteekend een plaats, en voornaamendlijk een opslag van hout, daar men uit een schip op stapt te land, gelijk het de Amsterdammers ten oovervloed bekend is: waar van ook bijuitneemendheid, de kampersteiger: van wat steiger vaart de schuitvoerder af? ens. steigeren werd ook van de metselaars gebruikt, als een steigering maaken: waar van de spreekwijs: ik heb soo veel van steigeren, als van metselen: dat is, ik heb soo veel van het eene werk, als van het ander: het welk een onvernoegde manier van spreekenis: dewijl het loon van steigeren (als gevaarlijker) dubbeld is: van steiger komt een steigerschuit, dat is, een schuit, het sij roei, of seilschuit, dievan een steiger afvaart: waar van een steiger schuitevoerder: een seesteiger, door welkers behulp men uitsee te lande steigerd: soo noemd Hoofd Hist. pag. 10. Cales de seesteiger der Engelsen in Vrankrijk, ens.
    STEL komt van stellen: haar plaats en afbeeldsel, sie bij W. in het elfde hoofdstuk; en soo ik geloof hier van, het geschiede op een stel en sprong: met een vaart: ik ben niet [p. 290] op mijn stel: ik ben niet op mijn dreef: mijn huis is niet op sijn stel: mijn huis leit oover hoop, het is nog niet opgeschikt: stellen beteekend plaatsen: stel dat boek daar: stel die post op mijn reekening: en soo siet men ook, wat dat een stelhout is: te weeten, een hout, dat onder het geschut op de rampaarden gelegt werd, om die naa tijds geleegendheid, te doen rijsen, en sakken: een stelling beteekend bij de timmerlieden een stellaadje, eenige planken, die gesteld sijn, om daar op te doenhaar werk: gelijk ook in de huishouding een stelling (of van haar gewoonelijk gebruik) een bierstelling: daar de halfvaaten bier, ens. opgeleit werden: een stelling beteekend ook iets, dat iemand steld, als bij hem aangenoomen voor de waarheid: het welk met een Latijns woord van haar genoemd werd positio: stellen beteekend ook beraamen: de mart stellen, dat is, eigendlijk de waaren stellen op soo een prijs, alsiemand beliefd: ik meen, dat ik wat testellen heb! ik meen, dat ik werk genoeg heb! maar oneigendlijk werd hetook genoomen voor iemand de wet testellen: iemand naa sijn hand setten: ordestellen, hij steld deese en geenebeampten, ens. stellen beteekendook oneigendlijk tuigen: hij kan het welstellen: hij kan het niet wel stellen, misschien genoomen oneigendlijk voor klaar maaken: gelijk men seid, een orgel, of viool, of ander snaarenspel, en klokken stellen: waar van een klokkestelder: en debeteekenis daar teegen strijdende: ontstellen, van sijn stel helpen: wie heeft de snaaren ontsteld? en sooook oovergebragt tot het gemoed, iemand ontrusten: waar van ontsteldheid, ontsteltenis: gelijk men seid, daarwas groote ontsteltenis: die luiden waaren seer ontsteld, ens. van stellen koomen veele te saamengestelde woorden, als aanstellen;en beteekend neevens stellen: oneigendlijk iemand een plaats geeven te bedienen: hij wierd tot dat ampt aangesteld: dog, hoe steld hij hem aan? beteekend, hoe draagt hij sig al? wat gelaat, wat gebaar toond hij? hij steldehem aan, of hij dol was: bestellen, de beteekenis van dit woord sal klaar blijken uit de volgende spreekwijsen: een brief bestellen: iemand een brief behandigen: oneigendlijk een soopje [p. 291] met een vaart opneemen, met’erloop, gelijk een brievebestelder, of briefdraager, een brief besteld: ik sal dat wel bestellen: ik sal dat wel verrigten: en spotsgewijs, gij hebt dat wel beschikt! curasti probe! bestelling, verrigting: het is een slegte bestelling: beteekend, het is daar slegt gesteld: bestellingbrieven, ens. voorts instellen, iets ergens in stellen: oneigendlijk deeerste sijn, die iets bied, of gebied: hoeveel stel je deese waaren, of boekenin? wie heeft die gesondheid ingesteld? wie is daar de instelder van? waar van instellingen, ordeningen, ens. ontstellen hebben wij te voor uitgeleit: opstellen, iets ergens booven op setten: oneigendlijk chartis mandare, wie heeft deese brieven opgesteld? dat ook voor, ingesteld genoomen werd: dat is, wie heeft deese brieven ontworpen? daarenbooven beteekend opstellen, verswaaren: daar is een pagt opgesteld: opstellen beteekend ook het selve met oopen stellen, of oopen setten: verstellen, vermaaken: de kleermaaker versteld mijnkleeren: mijn kleeren sijn versteld: versteld beteekend ook oneigendlijkverbaasd sijn: ik stond versteld, doen ik het hoorde: uitstellen, differre: wij sullen de saak wat uitstellen, opschorten: uitstel is geen quijtschel: lang borgen is geen betaaling: uitstel geeven, uitstel neemen: teweeten, van tijd: voorstellen, iets stellen voor een ander: sij stelden hem voor, oneigendlijk iemand voordraagen: hij wierd de heeren voorgesteld: die saak stelde ik soovoor: voorstellen dan beteekend, voor oogen stellen, ens.
    STELT een hout werktuig, waar op de knie van een verminkten rust, en steund: enhier van, hij gaat op stelten: hij klost met sijn stelten: sie Hoofd in sijn Historien pag. 374. alwaarhij met korte woorden aldus de gasten beschrijft, die uit Seeland tot hulp, enontset van Leiden gekoomen waaren: agthonderd matroosen, rapse gasten, kroes van opsigt, en ijslijk in’t oog: deesenwas de eene arm geknot; die den voet, of het been quijt, en kloste op stomp en stelt: d’andere leeden doorhakt, doorboord, en de huid t’saamen genaaid met litteekens der uitgestaane strijden: een stelt beteekend ook een werktuig van hout, en is een lange stok, die een voet, oftwee, booven de aarde een klam, of suppedaneum[p. 292] heeft, waar op iemand met sijn voet steunen kan: op soodaanige twee stelten gaan somtijds de jongelingen omkorswijl, en om eenige grillen aan te regten: wanneer men dan segt: de weereld rijd op stelten: het geheele huis ree’ op stelten, soomoet dat oneigendlijk verstaan werden, te weeten, dat wonderlijke kuuren in deweereld, of het huis, sijn aangeregt: een steltlijn: sie, speereep.
    STENG, of stang: want een stang is eigendlijk pertica, een lange stok: waar van, loopen met de lijmstang, dat is, loopen met een stok, daar lijm aan gesmeerd is: waar meede gekken wel eer liepen, omvoogeltjes te vangen: gelijk men nu de kinderen wijs maakt, dat men de selvewat sout moet leggen op de staart, waar aan men dan haar onnooselheid sien kan: lijmstang werd ook op een mens gepast, die een lijmer, of praatvaar is: een steng dan is meede een langestok, of mast, of spriet, die booven op de regte mast geset werd: waar van bramsteng, waar aan de ree’ van debramseilen: kruissteng, waar aan de ree’ van het kruisseil vast is, ens. desteng schieten, dat is, laaten sakken, dat in storm noodig is: vaaren met een geschooten steng: ter halver steng: een stengstag, de stag van de steng: sie, stag.
    STIEREN, stierboord, stierman, ens. sie, stuuren.
    STIJL komt buiten allen twijfel van stilus, een grifje, sijnde eigendlijk bij de Latijnisten, een ijser werktuig, waarmeede de selve schreeven, hebbende de gedaante bij naa van een kleine vijl: want onder was een scherpe punt, waar meede de letters in het was wierdeningedrukt, en booven een plat plaatje, welkers gebruik was, de letteren, enwoorden, die quaalijk geschreeven waaren, uit te plakken, dat op die wijsligtelijk konde geschieden: en daarom werd het van haar genaamd, stilum vertere: van dit woord stijl komt, hij heeft een goede stijl van schrijven: dat is, een goede swier, en handeling: soo ook in de koopmanschap: hijmoet maaken, dat hij een goede stijl heeft: het welk ook ruimer genoomen werd, voor, hij moet maaken, dat hijeen goed middel bij der hand heeft, waar meede hij met God, en met eere, doorde weereld kan geraaken: dat is [p. 293] geen stijl van doen, beteekend, dat is geen goede manier van doen: van stijl komt stijleeren, dat is onderregten: hij moet hem wat stijleeren: hij is nog niet gestijleerd, ens. een stijl werd ook gepast voor een steunsel, waar aan, of waar op, een deur rust: en derhalven verstrekt het als eenpilaartje: en soo segt men oneigendlijk, hij is de stijl van het huis, ens. stijl beteekendook een een speereep, waar vanop sijn plaats gesprooken is.
    STIKLIJN komt van lijn, en stikken: stikken nu beteekend somtijds al naajende besteeken: of ook doorhet toesluiten van de keel smooren: waar van de spreekwijsen, ik stik van dorst; hij sal aan die brokken stikken: van dit laatste komt verstikken: de kelder is verstikt, muf, en duf: dewijl sij toegestaan heeft, enniet verlugt is, ens.
    STINKPOTTEN, dit woord is te saamen gesteld van een pot en stinken: stinken nu is een vuilen stank van siggeeven: waar van, hij stinkt als een bok;hij stinkt als een bunsem: en eenoovertollige manier van spreeken is het, als men seid: hij stinkt seeve vaâm in de wind: en hier van een stinkerd, het aars gat, en bij gevolgeen stinkbok: het beteekend ook een vuile saak: dat sal een geweldigestinkerd geeven: het sal daargeweldig stinken: hij stinkt daar al: hij is daar niet aangenaam: en dat daarom, om dat hij sig stinkende heeft gemaakt. Een stinkende storm, een geweldige harde bui, of onweer: een vuile en stinkende mist: een stinkpot dan is een pot, daar een vuile stank uit komt: de selve werden in de see oorloogen gebruikt, om als men ge’enterdheeft, de vijand uit hut, kajuit, en andere voordeelige plaatsen, door de stank te doen verhuisen, ens.
    STOEL heeft een seer gemeene beteekenis: sijnde een werktuig, daar men op sit, en voor soo ver is een bank meede een stoel: maar wij neemen het in enger beteekenis: gelijk als men seid, spaanse stoelen, mattestoelen, waar van, stoelemat, ens. daar was niet een stoel in huis, om op te sitten: iemand een stoel setten, beteekend oneigendlijk, iemand de voet dwers setten. Gij sult daar mee’ een stoel in den Heemel verdienen: dat is, gij sult werken van karitaaten doen: een seer verdienstelijk werk. Stoel beteekend ook een preek- [294] stoel, soo daar de vrouwlui in de kerkop sitten, als op de welke de preedikant staat, als hij preekt: is de preedikant al op stoel? soo ook de stoelen der professooren: is de professor al op stoel? van stoel komt gestoelte: een plaats, daar veel stoelen, of sitplaatsen aan een gehegt sijn: waar van, der heeren gestoeltens, vrouwe gestoelte, mannen gestoelte, de paapengestoeltens, monniken gestoeltens, ens. en het doophuis, of het hekje van preedikanten, en ouderlingen, diakonen, ens. om dat die heeren in een huisje, of hekje, afgesonderd sitten: de schijf van een artisok werd ook een stoel genaamd (soo ik geloof) om dat de blaaren, daar op als sittende vast sijn: enis het ook te gelooven, dat de stoel van de vlagge spil een stoel genaamdwerd, om dat de vlagge spil in dat lange hout, als in een stoel vervangen werd: en daar sijn steunsel soeken moet, ens.
    STOKVIS, is een vis, die soo hard isgedroogd, als een stok: een stok nu is een dun en langwerpig hout, daar men meede slaan kan: baculus, of baculum: waar van bacillus een stokje: en hier van stokslaagen: slaagen: die met een stok gegeeven werden: daar souden stokslaagen op passen; een stok in ’t wiel steeken, is een voermans woord, het welk oneigendlijk beteekend een saak verhinderen: een saakin de wal schuiven: want als men een stok in een wiel, of rad van een waagen, steekt: soo kan de waagen niet voortrijden: maar moet stille staan: stok in’t honderd: dat is, te grabbel werpen, en die het raakt, die raakt het: als men een hond wil slaan, soo kan men ligt een stok vinden: dat is, als men iemand plaagen wil, soo kan men daar toe ligt een oorsaak vinden: want die varken hiet (naa het bekende loopje) die moet op het schot: de stok staat daar agter de deur: dat is, soo gij daar komt, gij sult daar niet welkom weesen: ik weet daar uuwvangst: van stok komt verstokken, iemand soo hard maaken, enonbeweegelijk maaken, als een stok: soo seid Moses, God verstokte het hartvan Pharao: Exodi cap. 10. vers1. het beteekend ook verstokt werden: verharden: waar van de verstokte Pharao, sie, staal: maar om weeder tekeeren tot ons voorgaande: stokvis noemd men in het be- [p. 295] sonder gedroogde kabbeljaauw, en lengen: de andere noemd men gedroogde vis: en omdat de stokvis soo hard is, soo ishet noodig, dat men die (gelijk men seid) klopt, of beukt: want soo spreekt men: stokvis kloppen: stokvis beuken: waar van, beukt’erop als stokvis, een beuker, en beukhaamer: maar nu heeft de ondervinding al een andere konst geleerd, te weeten, dat men de selve in de kalandermoolen laat weekmaaken, dat minder moeiten is, en de stokvis minder brokkelen, en kruimelendoet: stokvis sonder booter, is eenloopje, waar door men verstaat: iemand wat stokslaagen, of wat op den huid geeven: maar stokvis, die wel gebooterd is: doet deliefhebbers waatertanden, en daar smaakt ook wel een dronk op: maar voor mij, ik sou haar niet gaarn mijn maag leenen: dewijl de mijne tot sulke lekkernijenniet gewend is.
    STOMP, werd gesteld teegen scharp: het is een stomp, of bot mes: daarenbooven beteekend het, niet spits: dat is, een stompe toorn: wat wonderdan dat een mast, daar een stuk booven af is, een stomp genaamd werd? een stomp, of, stompje beteekend een arm, of, been, daar de hand, of voet, af is: stoot toe met jouw stompje! maar de schrijver van de tien vermaakelijkheeden des houwelijks heeft een seer aardige vertelling van het stompje: dog de plaats (hoe wel ikse wel weet) sal ik hier niet aanwijsen: is iemand nieuwsgierig, hij salse in het leesen wel vinden: dog dat is maar om te lagghen: een stompje beteekend ook bij de Amsterdamse jongens een stuiver, hoe veel hebje? een stompje.
    STOOKER, komt van stooken het welk, ofeigendlijk, of oneigendlijk werd gebruikt: eigendlijk beteekend het een vuur stooken: waar van, is de kagghel gestookt? is den ooven gestookt? wanneer sulje stooken? en hier van een stookebrand, stookebranden: oneigendlijk beteekend het ophitsen: gaande maaken: hij stooktehet vuur van oneenigheid: wie heeftdie onlusten gestookt? en dan beteekend een stookebrand, een oorblaaser, hortator scelerum: stookebranden: oorblaasen: hier van daan komt in de seevaart een stooker, dat is, een wind, die door de eene, of andere oorsaak,[p. 296] aangeset werd: het is een stooker van een wind, te weeten, die de seilen (om soo te spreeken) lustig voortstookt: het woord schijnt mij afkomstigvan steeken, waar van ontsteeken, en in de voorleeden tijd ontstooken, ens. van stooken komt beneevens andere woorden, opstooken, stook het vuur lustig op! oneigendlijk gaande maaken: hij stookte het vuur van oneenigheid lustig op: Hoofd in Granida act. 2. sc. 3. schrijft dit ook den trompet toe, als hij seid:
        De dulle trommel, en d’ opstookende trompet.
    STOOTEN beteekend een stoot geeven: waarom stootje mij? een stoot beteekend ook oneigendlijk een siekte: ik heb een swaare stoot gehad: stooten beteekend ook teegen aan stooten: ik heb mijn voet gestooten: te scheep beteekend het, stampen: het schip stoot geweldig: aanstooten oneigendlijk door stooten opwekken, en vermaanen: aanstoot lijden, ongemak lijden: die aan de weg timmerd, heeft veel aanstoot: dat is oneigendlijk, die sig onderwerpt het oordeel van andere, die heeft veel teegenspreekens te verwagten: en voornaamendlijk van die geene, die het minst bequaam sijn, om daar van te oordeelen: dit weet ik wel, dat mijn lot mee’ sal weesen: maar wat raad: jam jacta est alea: maar ik wil hoopen, dat den Heemel mij sal bewaaren voor die geen, die maar een boekje geleesen hebben: want dat is seeker, dat ik daar voor sal sijn een steen des aanstoots: afstooten van booven neer: instooten ergens in: omstooten, om ver stooten: wie heeft dat omgestooten? het welk oneigendlijk beteekend, wie heeft dat belet? op, of oopen stooten: verstooten, weg stooten: iemand verstooten, iemand verwerpen: een vrouw verstooten, uxorem repudiare: gelijk bij de Jooden, en Romeinen seer gebruikelijk is geweest, sie, Ovid. in tristibus lib. 4. Eleg. 10.
        Pene mihi puero, nec digna, nec utilis, uxor,
        Est data, quae tempus per breve nupta mihi.
        Altera successit, quamvis sine crimine conjux,
        Non tamen in nostro firma futura thoro, ens.
Dog wat de Jooden aanging, dat en was Gods uitgedrukt bevel niet: maar het was haar maar ingeruimd, om de har- [p. 297] digheid haarer herten, Matth. Cap. 19. vers 8. uitstooten, oneigendlijk iemand de voet ligten: sij hebben hem uit sijn ampt, uit sijn welvaaren gestooten: iemand uit het huis stooten: dog driemaal ongelukkige! die haar selven dit ongemak op den hals haalen. Uitstooten beteekend ook uitlappen: wat mag hij uit sijn kruin stooten, ens. van stooten komteen stooter, het welk op sijn Amsterdams beteekend een Leidse vijf groot, of vijf vriese botjes: dat is, halve stuivers, en hier van: botje bij botje: elk leg eeven veel toe.
    STOP, en stopsel, komt van stoppen: of het laatste van het eerste: een stop nu beteekend een tap, of op sijn Amsterdams een deuvik, waar mee’ men een gat, daar men de kraan in steeken moet, toe stopt: een stopmes, een mes van wijnverlaaters, daar sij de reeten, en spleeten mee’ kunnen toestoppen: hij gaat met een stopmes op sijn gat: dat is, hij is een wijnverlaater: wat voorts een stopmes inre venereâ beteekend, kan nu voor die geen, die het weet, niet onbekendsijn: stoppen beteekend een soort vannaajen, waar van een stopper, en stopster: als laaken, kousen stoppen: het werd ook gesegt van glaasemaakers, als sij glaasen toe maaken, diegebrooken sijn: hoe veel glaasen heb jegestopt? voorts stoppen beteekendook vol doen, of betaalen: dat gat isniet te stoppen: sie, gat: van stoppen komt het woord, toestoppen: dat van de selve beteekenis is: verstoppen: niet kunnen loosen: de goot is verstopt, mijn hoofd is soo verstopt, ens. een stopanker, een daagelijk anker.
    STORM, tempestas, een bui, een vreeselijkeverheffing van wind: waar door de see heemel hoog opstijgt: en weederom tot denafgrond needer sakt: sie, Ovidius intristibus libr. 1. Eleg. 3.
        Me miserum! quanti montes volvuntur aquarum!
        Jam jam tacturas sidera summa putes!
        Me miserum quantis subsidunt aequora ventis!
        Jam jam tacturas tartara nigra putes!
En hier van bijuitneemendheid: een heevige storm; een vliegende storm; een stinkende storm: soo ook, de storm beliep [p. 298] ons: wij wierden van een storm beloopen: dat is, verrast, en oovervallen: wat anders beteekend storm in den oorlog, teweeten, een aanval: impetus, en daarvan stormen, een storm aanvoeren; een storm afwagten; een storm afslaan, ens.stormen, buien, onweer maaken: het stormd geweldig; stormen heeft ook een oneigendlijke beteekenis, als men seid, dat stormd mijteegen de neus aan: dat is, het is teenemaal teegen mijn heug, en meug: een plaats stormender hand inneemen: expugnare, urbem vi capere: een stormhoed, te weeten, van ijser, die men in het stormen plag te gebruiken: een stormleer, een ladder tot den storm noodsaakelijk: van storm komt bestormen, met geweld aantasten, ens.
    STORTEN, plengen, stort niet! het beteekend ook met geweld needer werpen, gelijk het koorn gestort werd in een brouwkeetel: waar van: hoe veel heb je gestort? bloedstorten, bloedvergieten: bloedstorting; dat sal sonder bloedstorten niet toe gaan: het is ook bekend, dat de baaren gesegt werden te storten; als sij omhoog geweest sijnde, te grondewaarts needer storten: een storting, een miskraam: van storten komt stortreegen te weeten, een slagreegen, die uit den Heemel neederstort: als of het waater uit emmers, en geheele reegenbakken uitgegooten werd: voorts koomen van storten eenige te saamengestelde woorden, als afstorten, instorten, omstorten, uitstorten:Dog dewijl die beteekenissen klaar sijn, en niet sonderlings in sig behelsen: soo sullen wij ons met het geseide vernoegd houden.
    STOUWEN: sie, stuuwen.
    STRAND de oever van de see: de scheepjes staan op strand; de scheepjes steeken van strand af; aan strand woonen, rijen, ens. van strand komt strands, dat tot het strand behoord: soo seggen de Amsterdammer viswijven; het is strandse vis; dat is, die van sandvoord, of wijk op see, aldaar seer vers gebragt werd: want dat die vis bij haar soo is in agting, en nog meer is geweest, daar is de oorsaak van, dat sij voor deese met tesselse, en vlielandse kaagen niet anders en kreegen, als oubakke vis: maar nu (door behulp der beunen) is dat ongemak vrij verbeeterd: maar niet [p. 299] teenemaal weg genoomen: een strandheer, en strandregt: want soo een heer opsigt heeft, om het strandregt te bewaaren: welke regten, en keuren voor de liefhebbers kunnen naa gesien werden: stranden, op het strand vervallen, en aldaar blijven, en verongelukken: daar is een schip gestrand: wij waaren in nood van stranden.
    STREEK is sonder twijfel afkomstig van strijken, wiens beteekenissen wij in het vervolg sullen ontvouwen: een streek nu beteekend een sagte, en lange aanraaking, gelijk van een hand, of strijkijser, ens. kan gegeeven werden: en indien het van een beesem geseid werd, soo seid men een veeg, van veegen: gelijk het alsoo op beide wijsen gebruikt werd: hij kreeg een streek, of, hij kreeg een veeg, uit de pan: het welk oneigendlijk genoomen, soo veel beteekend: als hij had’er meede sijn voordeel van: maar spotsgewijs genoomen, hij kreeg mee’een duuw, of bokking: dat sijn streeken! of, treeken! ik kan sijn streeken: dat waaren slimme streeken! kunsjes, en praktijken: het woord streek beteekend in de seevaart het geen de Latijnisten noemen cursus, of het Franse woord cours: en hier van regtstreeks: sie, de Bruin in Embl. pag. 64. dat is, regt door see. Streekhouden; waar van; het kompas houd geen streek; dat is, het kompas is niet wel met den seilsteen bestreeken: streek beteekend ook een landstreek: hier omstreeks woond niemand: in wat streek woon je? ik woon in de streek? het welk een landstreek is ontrent Enkhuisen: waar van de raapen, die daar wassen, streeke (of om beeter te seggen) streekse raapen genaamd werden Streeken hebben wij gesegt komt van strijken: strijken heeft verscheide beteekenissen: de eerste is iets met een hand, ens. sagjes vrijven: strijker met uuw hand eens oover: bij het vrouwvolk nu strijken, linden strijken: waar van die het doet, een strijkster, en het werktuig, waar mee’ het geschied, een ijser, en strijkijser genaamd werd: het seil strijken, sie, seil. De vlag strijken, sie, vlag. Strijk! strijk! de mast strijken. Strijk dat geld naa uuw: waar van, strijkgeld, trekgeld, voor het hoogste bod. Iets met planken bestrijken: dat is, met planken beschieten. Van strijken [p. 300] koomen verscheide tesaamen gestelde woorden: dog waar in weinig aan te merken staat, als aanstrijken, afstrijken, instrijken, opstrijken, verstrijken: dog uitstrijken beteekend oneigendlijk iemand bedriegen: sij hebben hem seer uitgestreeken: uitgesoopen, ens.
    STREKKEN, trekken, rekken: die sei’, dat sij alle van een beteekenis waaren: wie sou’het selve durven looghenen? eevenwel de gewoonte maakt eenige verandering, en die bind ons, om besondere spreekwijsen op te soeken: de eerste, die ons voorkomt, is: de kust strekt sig sui’en en noorden: daarenbooven werd strekken genoomen voor schaarser schaffen: wij moeten de kost wat strekken: wat doen strekken: die kost en strekt niet genoeg: dat is strekkelijke kost! bloedbeulingen (te weeten) in de peekel geleit: voor mij, die se lust, eet se met sijn vrinden: de gierigheid (sei’ de man) bedriegd de wijsheid: van strekken komt verstrekken, het welk beteekend verschieten: hij heeft hem geld verstrekt: datverstrekt een praatje! dat is maar om korswijl: uitstrekken, uitbreiden: active & passive, dat gebied strekt sigver uit, ens.
    STROO de halm van het kooren: breng het stroo weg! op stroo slaapen: slaapen sonder een bed onder het lijf te hebben: iemand op het stroo leggen: dat is, iemand (volgens onse gewoonte) dood sijnde, op het stroo (als op een bed van eer) ten toon leggen. Stroo nu beteekend aldaar, bedstroo: waar van, iemand met bedstroo betaalen: geen huur betaalen: maar met de noorder son verhuisen: de gunst van de gemeente (segt elders Hoofd in sijn Historien) is een vuurtje van stroo: dat is, de gemeente is wispeltuurig, en haar liefde gaat haast oover: een stroo jonker, een kaale jonker: hij laat hem aan een stroo binden, ik heb hem geen stroo in de weeg geleit: van stroo, een strooienhoed: een stroowis, het laatste werd te saamengesteld van een wis en stroo: wissen nu beteekend afveegen; een stroowis dan beteekend iets van stroo, waar meede iets afgeveegd, gereinigd, en schoon gemaakt kan werden: en hier van het seggen, hij is hier op een stroowis [p. 301] koomen drijven, of, aandrijven; dat is, hij is hier met sijn kaale gat gekoomen: dog (met verlof) de inboorlingen valt dit selfs te beurt: maar niet de vreemdelingen. Het woord stroo spreeken sommige uit strooi: waar van, stroojen, bestroojen: strooi de bruid! strooi de bruid! dit nu geschied bij ons met maagdepalm, tot bewijs van haar reinigheid: en derhalven is het een verwijt van oneerbaarheid, indien het gebeurd, dat men gekapt stroo voor de bruids deur strooid: het pad stroojen, beteekend het pad bereiden: oneigendlijk de weg baanen, en de saaken soo veel ten besten schikken, als immer doenlijk is. stroojen werd ook oneigendlijk genoomen voor spillen, verquisten: die het sijne strooid, die kan het niet al op raapen; dat is, al te mild is schaadelijk. Van stroojen komt bestroojen, instroojen, opstroojen, alle van een gemeensaame beteekenis: voorts verstroojen, het welk oneigendlijk beteekend, den een hier, den ander daar jaagen; wij verstrooide den vijand; verstrooide gedagten, gedagten, die opgetoogen waaren. Uitstroojen, oneigendlijk verbreiden; sij strooiden dat uit. Uitstroojing, uitstrooisel; het is maar een uitstrooisel, ens.
    STROOK, strookje, dat is een smal stukje: het sij linden, het sij seildoek, ens. van strook komt strooken, dat oneigendlijk smeerschoenen beteekend: soo seid men, strooken en streelen: bij de scheepstimmerlieden beteekend strooken maaken: dat schip strookt wel, ens.
    STROOM, de beweeging van het waater, soo als het af, als op loopt: dat is, soo wel van eb, als van vloed: waar van, vaaren voor stroom, voor de stroom af (of met de stroom) in stroom, teegen stroom, teegen de stroom op, een doode stroom werd genaamd eigendlijk wanneer der weinig, of geen tij gaat, gelijk tussen de naavloed, en vooreb: en in het besonder tussen de oude, en nieuwe maan: en gelijk het gemeenelijk gaat, wanneer der ontrent see plaatsen geen stroom en is, soo verneemt men daar ook niet soo veel scheepen, als anders: en derhalven werd het ook oneigendlijk genoomen; voor, hier en valt niet te doen, hier is het stil en doods: soo neemt het Hoofd in Velsen Act. 3. Sc. 4.
[p. 302]
                                                        De winden sonder toom
        Aan ’t rennen, schut ik kort; en maak een doode stroom.
Van stroom komt, op stroom leggen: soo vraagd men; waar leggen de scheepen? op stroom: en de rievieren selfs werden stroomen (fluenta) genaamd: sijn de stroomen wel bewaard? de uitleggers sijn geleit oover al op onse stroomen. Van stroom komt ook stroomen: het waater stroomd lustig: stroomende waateren; dat Virg. lib. 2 Aeneid noemd, flumen vivum,
                                        Donec me flumine vivo
        Abluero.
Van stroomen komt ook oover stroomen, dat is, door de stroomende waateren ooverrompelen: het waater ooverstroomde het geheele land, als een sundvloed.
    STROP, of strik: een touw, daar men iet meede, als aan een strik vast maaken kan: en wanneer het van basten van boomen gemaakt werd, soo heeft het de naam van een bast: een bast om uuw hals! hangebast! het werd ook wel een koord genaamd; sie, koord. Jaa selfs met beide deese woorden: stropkoord, stroptouw.
    STUINDER schijnt mij het selve te sijn, als of men sei’ steunder, om dat het is een rib, of hout; daar iets op steund, of sijn vastigheid van heeft, sie, W. p. 54. N. 4.
    STUITEN, wat beteekenissen dit woord heeft, dat sal blijken uit de volgende spreekwijsen: iemand in sijn loop stuiten, dat is, iemand beletten, ophouden: oneigendlijk, iemand de voet dwars setten: wie heeft dat werk gestuit? dat is, doen stil staan: dat werk dat stuit, dat heeft geen voortgang, dat wil niet wel deur. Stuiten beteekend ook ergens teegen aan stooten, en bonsen: waarvan een kinder stuiter, een stuitknikker, ens. een stuitwind, dat is soodanig een wind, die ergens teegen aan slaat, en soo weederom te rug gedreeven werd: afstuiten, dat moet’er soo op afstuiten, dat moet’er soo mee’ deur: laat dat maar op mij afstuiten, leg maarde schuld op mij.
    STUK (in sig selven aangemerkt) beteekend een gedeelte: soo seid men, bij stukken en brokken: een stuk broods; om stukken gaan, beedelen gaan: van stuk tot stuk, van stuk [p. 303] tot beetje: men sorgd voor een brood, en aan een stuk heeft men genoeg, dat is,men is bekommerd, hoe men veel sal bij een schraapen; en ons leeven is kort, soo dat wij sulks niet van nooden hebben: mag dan de lierdigter niet welsingen?
        Quid brevi fortes jaculamur aevo
        Multa?
Een stuk beteekend ook sijn pligt, werk, handel, ens. hij verstaat sijn stuk wel: op sijn stuk letten: iemand van sijn stuk helpen: ik ben van mijn stuk af: het welk oneigendlijk beteekend, ik ben van mijn voorneemen versteeken: op sijn stuk staan, hij bleef stijf op sijn stuk staan: sijn end houden, drijven dat men drijft: een stuk te scheep beteekend ook geschut: waar van, een stuk geschuts, voet bij ’t stuk setten: het welk eigendlijk beteekend, de voet setten bij het geschut, en dewijl ditals een teeken van onversaagdheid gereekend werd, soo daagd de eene konstaapel den ander wel eens uit: seggende, soo gij een braaf kaarel sijt, en moed en couragie hebt, maak niet veel praats! maar, set voet bij ’t stuk! het welk ook oneigendlijk genoomen werd, voor sijn woord gestand doen: bewijsen met’er daad, dat men gesprooken heeft: voorts seggen de kooplieden, en weevers, een stuk laaken, dat mij voor komt, als een laaken: gelijk men vraagd: hoe veel het stuk van die appelen, peeren? ens. en soo ook stuk goederen, waar door verstaan werden soodaanige goederen, die stuk voor stuk werden aangegeeven, en ook soo haar vragt betaalen: en dat in teegenstelling van die geene, die bij de last ontfangen, en aangegeeven werden.
    STULPLUIK, dit woord werd te saamen gesteld van stulp, en luik: stulp komt van stulpen, en beteekend ooverdekken: gelijk blijkt aan de stulpen, die oover de heete as gestolpt werden: en derhalven is een stulpluik soodanig een luik, dat oover een gat, als een stolp, gestolpt werd, sie, luik.Van stulpen, of, stolpen komt ooverstolpen: ooverrompelen, oovervallen: wij wierden ooverstolpt, ens.
    STUT, en stutten sijn woorden van een oorsprong: en dewijl stutten beteekend schooren, onderschraagen, soo is [p. 304] een stut niet anders, als een hout, dat iets schoord, en ondersteund, sie, W p. 56. N. 15. en p. 58. N. 20. alwaar afgebeeld staan een stut aan de halsmast; en op de laatste plaats een stut in ’t kruis: daar is nog een verkeerde stut, dat een kromme rib aan het agter schip is, ens. van stut komt op stutten rijen, dat is, op stelten rijen, sie, stelt: het woord stut beteekend ook oneigendlijk, steun, steunsel: gij sijt mijn stut, en steun; ik heb een groote stut aan hem: stutten behalven dat het beteekend schooren, soo beteekend het ook beletten: en vooreen Amsterdams jongens loopje, stutten loopen, schaabullen, piereweien, ens.
    STUUR, andere noemen het stier, waar van op sijn plaats gesprooken is: met een ander woord werd het genaamd het roer, van roeren, beweegen: dewijl het stuur niet stuuren kan sonder beweegen: hij is het stuur van ’t schip: het welk oneigendlijk beteekend, hij is de man, die alles beaamen en bestieren moet: hij is het stuur quijt, hij is de klem quijt: ooverstuur drijven, agter uit drijven: oneigendlijk agter uitteeren: de saasten drijven ooverstuur;soo ook, het loopt ooverstuur; daar is veel ooverstuur; daar is groot verlies. stuurlastig werd van een schip gesegt, het welk al te veel naa agteren gelaaden is: van stuur komt stuuren: stuurregt! hetwelk oneigendlijk beteekend, gaa regte gangen! want het de dronkemans aard iste swieren, en met een nat seil te loopen: stuuren beteekend ook bij de Amsterdammers senden: ik sal dat stuuren: sult gij de knegt,* of meid, stuuren? iemand uit stuuren: iemand uit senden: oneigendlijk subornare aliquem: iemand senden om te verspieden.
    Stuurboord beteekend te scheep de regtersij’ voor de man, die te roer staat, en hier van het seggen, iemand stuuren van stuurboord tot bakboord, dat is oneigendlijk, iemand houden voor ’t lapje; iemand senden om een dagscheer: slingeren van stuurboord tot bakboord, ens. Stuurmal: het patroon van een stuur, sie, mal. Stuurlui, stuurlui; luiden, of een man, die sig op stuuren verstaat: en hier van het seggen: de beste stuurlui sijn aan land: het welk oneigendlijk [p. 305] beteekend: dat het ligter is te berispen, als te verbeeteren: stuurman door gelijkenis beteekend ook de laatste, de agterste: hij is voor stuurman op gegaan (seggen de jongens) ens. Stuurmanschap, de kennis, en konst, om een schip te stuuren. Stuurplegt, de plegt, daar de stuurman op staat, sie, plegt.
    STUUWEN, digt in een pakken: waar van, sijnde waaren wel gestuuwd! dit woord werd ook oneigendlijk genoomen, als men segt, die man kan wel stuuwen: die man kan wel een braaven roemer bij sig steeken, of op sijn seemans, die man is stijf onder seil: van stuuwen komt voortstuuwen: voortdrijven: wij stuuwden hem voort, ens.
    SUID,suiden: gesteld teegen noord, en het noorden, vaaren om de suid, noemen onse seelui, vaaren naa de west: een suidewind, die uit het suiden komt: suiderson, des middags, als de son in het suiden is: suidoost, suidwest: als de wind, of tussen het suiden, en het oosten, of tussen het suiden, en het westen is: de suidpool bij de sterrekijkers genaamd polus antarcticus: dat is, de pool, ofas, die in het suider gedeelte van deweereld verbeeld werd te staan.
    SUILEN, sie, seulen.
    SUKKELEN, beteekend swerven, teegenspoed hebben: die luiden hebben veel gesukkeld: die luiden sukkelen geweldig: een sukkel, een sukkelaar: sukkeling, ens.
    SWAAJEN, swenken, draajen, omdraajen: waar van, het schip wil niet swaajen: met een swaai, met een draai: met een slingerslag, met een slagboeg, ens.
    SWAALUW, is een bekende naam van een voogel: en bij gelijkenis werd iemand een naakte swaaluw genaamd, die kaal, enberooid is: van de staart van dit dier: hebben de smids, en timmerluiden ontleend het werktuig, dat men een swaaluwstart noemd: sijnde een ijser, of houtje, dat voor scharp, en agter breed, en plat, is: dog haar gebruik moet bij geleegenheid naagespeurd werden.
    SWAARD, dit is eigendlijk een bekend krijgsgeweer, waar van koomen verscheide spreekwijsen: als men seid, een swaard trekken: de dienaars met den swaarde: iemand [p. 306] met den swaarde straffen: of dat het selve is, iemand ten swaarde veroordeelen: en hier van een swaardveeger (gelijk bekend is,) te scheep beteekenen de swaarden, die beweegelijke houte werktuigen, die tersijden buiten aan het schip werden aangehegt, om door haar behulp bequaamelijk met klein, en middelbaar vaartuig, te kunnen laveeren: welke kunst nu met groote scheepen soo seeker gaat sonder swaarden, dat’er in het minste niet aanen haaperd: en bij gebrek van deese handeling is de seevaart der ouden soo gebrekkelijk geweest, gelijk wij weeten, dat sij nooit af en staaken, als meteen voor wind, dewelke ook met kragt, en naadruk, genaamd werd ventus ferens.
    SWABBER, beteekend eigendlijk een langwerpige dweil, aan een stok vast gemaakt: om iets op te dweilen: dat men ook swabberen noemd: en daarom werd ook die geen een swabber genaamd, die soodaanig een swabber gebruiken moet: waar van het seggen: voorswabber vaaren: het welk een van de geringste diensten te scheep is.
    SWAK, beteekend in sijn oorsprong buigsaam: gelijk men seid, een swak tientje, of rijsje: en daarom dienstig tot een swiep, of sweep: waar van swiepen, sweepen: een swieping: en beteekend swak te scheep een buigsaam touw, omdoor sijn behulp, een dikker, en min buigsaam aan te beleggen: wat voorts swak in het gemeen beteekend dat isbekend, en blijkt uit het volgende: als, ikben soo swak, dat ik op mijn beenen niet staan kan: hij is een swak mens: de sieke man is nog swak: de vrouwlui sijn swakke vaatjes: swak beteekend ook, klein, of weinig in getal: wijsijn swak van volk, ens. waar van, verswakken, swakker werden, en ook swakker maaken, ens. swakheid, kragteloosheid: en ook oneigendlijk een swakheid des gemoeds: swakheid beteekend ook onkunde in eenige saak: waar van, ieder moet sijn swakheid kennen: en iets naalaaten te doen: ex conscientiâ imparitatis.
    SWEMMEN, baaden, en swemmer, aanswemmen, naa toe swemmen, en daar van, inweelde swemmen: sig teenemaal tot weelde oovergeeven.
[p. 307]
    SWERVEN, beteekend sukkelen, van de eene plaats naa de andere: hij sal altijd moeten swerven: waar vaneen swerver, die dit ongeluk ooverkomt: soo ook ter see, wij hebben lang opsee gesworven.
    SWIEP, swieping, sie, swak.
    SWIGTEN, beteekend kreuken, en het seil inbinden, of huiken, voor een storm, dieons te magtig is: al de scheepen, en moolens swigten: vaaren, en maalen met geswigte seilen: oneigendlijk beteekend het sijn bek snoeren, en swijgen voor iemand, die uuw oover mag: ik wil voor uuw niet swigten: en bij Hoofdin Velsen act. 2. sc. 3.
        Wie voor geen vreese swigt:
        Maar dapper is van deugd, hij op sijn hoornen ligt.
        En wie dat lastig pak ontfangt met heelenlijve,
        Daar is ’t laad op, laad op, tot hij daaronder blijve. ens.
    SWIJMEN, beteekend soo flaauw werden, dat men beswijkt: waar van: ik sweem soo stijf, als eendeur: in swijm leggen: leggen in kat swijm, dat van de katten ontleend is: swijmen beteekend ookergens naa gelijken: hij swijmd naa sijn vaader: Hoofd in Granida act. 1. sc. 3.
        Uuw stem nog aanschijn sweemd geenmensselijk geslagt:
    TAAKEL, beteekend een dun slag van een touw, waar meede de goederen in, en uit het schip, gehijsd werden: van taakel komt taakelen, dat is, touwen aanslaan: en hier van toetaakelen: het schip van touwwerk versien, om see te kunnen kiesen: soo seid men, de scheepen werden toegetaakeld: daar is veel toetaakelens aan vast: in het gemeen werden deese woorden genoomen voor klaar, en gereed maaken: een schip onttaakelen: een schip sijnstaande, en loopende wand, afligten, tot een teeken, dat het werd opgeleit, omvoor eerst niet in see te gaan. Taakelblok, een blok aan een taakel. Taakelgaaren, gaaren, daar een taakel mee’ bewoeld werd. Taakelhaak, een haak, en als een ijsere hand aanhet end van een taakel, ens.
    TAALIE, een touw, daar men iets meede naa sig toe haald: gelijk het daarom ookeen taaliereep genaamd werd: waar vanook een halstaalie, gelijk op sijn plaats te sien: [p. 308] voorts beteekend (bij de Leienaars, en andere) een sestiende deel van een el: van taalie, taalien, naa sig toehaalen: waar van het seemans woord: taalie aan! taalie aan! een taaliehaak: dat is een haak, die aan een taalie vastgemaakt werd, ens.
    TAAN, een soort van verf. die van run, of ijke schors gekookt werd: waar van een taankeetel: taanen met taan verven: een getaand seil: hij siet’er (soo geel) uit, of hij getaand was.
    TAND,Dens: waar van, tandeloos, sonder tanden: van tand komt tanden, dat is, tandenkrijgen, dentire: ons kind krijgt tanden: tanden beteekend ook met ijsere haaken, als tanden, een vaartuig ooverhaalen, tot Leiden sijn ook ijserepinnen, die sij noemen, Barnevelds tanden; om dat die in die tijden (gelijk bekend is) gebruikt sijn. getand sijn, beteekend sijntanden wel durven laaten sien: ofwel juffer durven spreeken uit de mond: het geen een bootsgesel sou’ seggen: boe en baa weerom durven seggen, hij is wel getand: hij sal sijn kaas en brood niet laaten neemen, ens.
    TANG, dit is of een ijser werktuig, dat men gebruikt aan den haard: waar van, sij sijn soo smeerig, dat men haar met geentang sou’ durven aantasten: dit is een oovertollige manier van spreeken, enbeteekend, dat die menssen seer vuil en smeerig sijn. Maar een tang beteekend ook een nijptang (gelijk bekend is) en op een scheepstimmerwerf siet men ook, W. p. 185. N. 2. en pag. 147., ens. N. 3. de afbeeldsels: waar meede voor teegenwoordig mij vergenoegd hou’: het sluit als een tang op een varken, dat spotsgewijs geseid werd, als hebbende gants geen slot: en daarom het is een sotte praat.
    TAP, beteekend eigendlijk het geen de Amsterdammers noemen een deuvik: speel om deuviken, die kunje weer vissen: dat is, bij veragting van iemand, die niet veel te verliesen heeft: speel omouwe dollen: waar van deuviken, dat ook in priapeiis, oneigendlijk genoomen werd: een tap dan is een rond stopseltje, dat in het gat van een ton geslaa- [p. 309] gen werd, daar de kraan moet ingesteeken werden, hij beeterd hem, als scharbier op den tap: dat is, hij werd hoe langer, hoe slimmer: en soo sou tappen eigendlijk sijn, de tap uit het vat haalen, het welk bij verleegendheid van een kraan geschied, als menniet wil, dat’er geduurig aan het vat sal gegaan werden: maar de gewoonte heeftal onderscheid tussen deuviken, en tappen gemaakt: soo dat tappen nu algeschied met een kraan! tap waard! tap! waar van een tapper, een herbergier: het tappers gild, een tapje opsetten, ens.
    TAS, in het gemeen genoomen een leeren sakje: waar van een koegeltas: hoe wel bij het vrouwvolk (gelijk bekend is) de tassen van veelderhande, en selfs kostelijke stoffen, gemaakt werden: de hond sit haar op de tas, sij is gierig: waar van ook een beugeltas: een googheltas, ens. het woord tas werd ook op een vrouwmens gepast, als men seid: het is een braave, en lustige tas, van een vrouw.
    TEER is een soort (naa ons dunken) van pik: dog dunner, en als gesmolten: en hiervan een teerkooper: een teerkeetel: een teerquast: een teerton: een teertuin, een afgesloote plaats, of werf, daar teer leit: en hier vanbij de Amsterdammers: de oude, de nieuwe teertuinen. Van teer komt teerig, dat met teer besmeerd is, of dat daar naa ruikt: hij heeft een teerig broekjen aan: sijn handen sijn soo teerig: hoe ruikt hethier soo teerig? ens. Teeren voorts beteekend met teer smeeren: een schuit, schutting, brug teeren: en oneigendlijk slempen, brassen: waar van daan het spreekwoord: de burgers sullen teeren: hij doet niet, als teeren, en smeeren: en hier van teergeld, een teerpenning: maar om de klugt raad eens, wat seggen wil dit volgende, ons bij deese geleegendheid uit de pen gevallen.
        Die meer verteerd, als wind, verteerd en schip, en schuit:
        Hoe meer dat ik verteer, verteer ik wel een duit?
Van teeren, brassen, slempen, komt teering: gelijk men seid: men moet sijn teering setten naa sijn neering: of bij verkorting: men moet sijn teer setten, naa sijn neer, dat is, pro quaestu sumptum facito: tuo te pede metire: spring niet verder, als uuw pols lang is: teering beteekend ook een siekte, [p. 310] waar door een mens al sijn vlees, en bloed, als verteend: want hoe wel verteeren eigendlijk beteekend de teer verbeesigen: en oneigendlijk met slempen, en dempen (jaa ook selfs nuttelijk besteeden: gelijk men weet het seggen: hoeveel verteerje daar in de kost? hij heeft meer als hij sijn leeven sal kunnen verteeren, ens.) door brengen: egter bij gelijkenis werd het ook op deese soort van siekte toegepast: en soo seid men ook uitteeren: die mens die teerduit. Teeren beteekend ook oneigendlijk kooken, of om kragtiger te seggen digerere: gelijk men seid mijn maag teerd niet wel: de gelijkenis (soo ik geloof) genoomen van hout, datde teer niet wel kan indrinken, of vatten: gelijk ook daar van komt: ik kan die spijs niet verteeren, dat is, verdouwen.
    TIJ, of getij’: of volkoomender, dog min gebruikelijk, getijde: dit is (gelijk wij in getij’ gesegt hebben) de beweeging van op, en afloopend waater: dewelke gemeenelijk komt op haar gesette tijd: dog wind, en maan brengen somtijds eenige verandering: het tij is goed, het tij verloopt, mijn tij is verloopen, dat is, oneigendlijk, ik heb mijn tijd gehad: mijn saaken sijn gedaan: tij stoppen, blijven leggen, om dat het tij verloopen is: tijkaavelen, gissen, wanneer het getij goed, of quaad sal sijn: en hier van het seggen: ik weet wel tij te kaavelen, dat is, gissing, en goede ooverslag te maaken, en mijn slag waar te neemen, alle tijen hebben haar weertijen: of soo anderen willen: alle tijden hebben haar weertijden: dat is, de kans kan keeren, en veranderen: want naa hooge vloeden koomen laage ebben, sie, eb: het tij breekt den hals: dat is, het tij verswakt: het tij vergast (de gelijkenis genoomen van iemand, die te gast is, en sijn dingen laat drijven) beteekend, daar en is geen tij: nu is het stil waater, een tijanker, een daagelijks anker: een tijglas, een sandlooper, daar men aan weeten kan, hoe lang het tij nog duuren moet, of ook geduurd heeft: de tij weg, noemd W. p. 510. daar de stroom het alder hardst voortschiet.
    TILLEN, is een woord, dat seer naa aan komt aan het Griekse woord τίλλειν, vellere, evellere: uittrekken [p. 311] uithaalen: het welk sonder tillen niet wel geschieden kan: dog het sij, wat het sij: tillen beteekend bij ons opligten: til op! hij kan heffen, nog tillen: dat is oneigendlijk, hij deugd nergens toe: tillen beteekend ook oneigendlijk swaarigheid maaken, sig bekommeren, sig quellen: gij moet daar aan niet tillen: gij moet dat niet agten, gij moet dat in de wind slaan: van tillen komt het duivemelkers woord een til op het Latijn, decipula, het slag: en hier van: daar is wat op ’t til, dat is oneigendlijk, daar is wat gaans: daar is wat op handen: daar is wat in de moolen, tillen gebruikt ook W. pag. 510. als een scheepstimmermans woord voor smal en scharp van onderen rijsen: van tillen komt voornaamendlijk: optillen, opbuuren: vertillen: maar bij uitsteekendheid sig met tillen beseeren: ik heb mij vertild: maak, dat gij uuw niet vertild: uittillen, uitheffen, uitligten, ens.
    TIMMEREN, is een woord, dat op huis, en scheepstimmeren, gepast kan werden: waarvan een huistimmerman, een scheepstimmerman: en daarom kan men seggen: ik timmer op deese werf, dat ook beteekend, ik laat mijn schip timmeren: quod enim quis per alium facit hoc ipse facere videtur: timmeren werd ook van een sieke* gebruikt, als de koorts naa de harssenen stijgt, en dan seidhij, ik heb sulk een getimmer in mijn hoofd alle hout en is geen timmerhout: ex* quovis ligno non fit Mercurius. Een timmerman, die sig op het timmeren verstaat: een Timmerwerf, een plaats tot het bouwen van scheepen, of huisen, bequaam gemaakt: en daarom ook de werf in het gemeen, de stadstimmerwerf, de scheepstimmerwerf, een getimmer, een gebouw, het is een wonderlijk getimmer: een timmering, bouwing, timmeraadje, ens.
    TINGEL, wat voor een strook houts dit sij, sie, W. p 55. N. 9.
    TOELEGGEN, dat dit woord komt van toe en leggen, daar aan twijfeld niemand: nu toeleggen beteekend (selfs bij de kinderen) bijleggen, leg wat toe, botje bij botje (op sijn Fries) in oorlogs saaken, en andere beteekend dit [p. 312] woord een aanslag maaken: als bij voorbeeld: sij leggen daar op toe: en soo een toeleg, een aanslag: bij scheeptimmerlieden beteekend toeleggen, op staapel setten: dat is, een aanvang maaken, en daarop toeleggen, om een schip te bouwen, sie, leggen.
    TOEROEDEN, dit woord komt van toe, en roed: roed nu beteekend of de vuiligheid, of liever vettigheid in een schoorsteen: ten tweede de vettigheid in een beest: want roed in oud Duits beteekend reusel: toeroeden dan beteekend een stuk geschuts met roed, of smeer digt maaken: waar van ook oproeden, dat op sijn plaats te sien is, ens.
    Toeschaken, sie, schaaken.
    TOESORREN, met geweld toerukken, sie, sorren.
    TOGT, beteekend in sig selven, een beweeging, en voornaamendlijk van wind: hier is groote togt: in de togt sitten, en hier van togtig: dit is een togtig huis: dog misschien door gelijkenis werd een koe gesegt togtig te sijn: die geneegen is (gelijk Horatius seid)
                                Tauri ruentis
    In venerem tolerare pondus.
waar van het ook tot de menssen oovergebragt werd: als men seid, die lui sijn seer togtig: schigtig, jagtig, haastig om iets te bekoomen: voorts beteekend een togt, een reis en bij verkleining een togje, een klein, of kort reisje: wij gaan op een togt: ik sal uuw geen togt weigeren: ik ben gereed, als gij gereed sijt: en als gij een roemer drinkt, ik salse ook drinken: een togtschuit, een schuit, die voor geen storm en swigt: en hier van, vaaren met een togtschuit: togten, jagten, sig haasten: hoe togt hij soo? togtvallig,* die door de minste togt, of wind, eenig ongemak lijd: van togt komt ook een optogt, expeditio: wanneer sal de optogt geschieden? waar uit blijkt, dat deese woorden afkomstig sijn van tijgen, aantijgen, beschuldigen, waar van aangetoogen, aangeroerd, vermeld: gelijk in de aangetooge plaatsen te sien is: en hier van, aantogt, in aantogt sijn: koomen aantrekken, en naaderen: hoe wel de voortogt behoorde te hebben, aamtogt: geef aamtogt om geld: de hindertogt: [p. 313] de sleep, destaart, die agter aan volgd: de voortogt hebben: (op sijn Frans) hebben de avantguarde: de hindertogt hebben: de arrier guarde, den aftogt blaasen, classicum canere, de uittogt, exitus. ens.
    TOLK, een maat, of duimstokje, het welk tolkt, of aanwijst, de groote van eenig ding: want een tolk beteekend, een taalman, die onderregt, wat’er gesprooken is: en hier van, vertolken, vertaalen, interpretari, ens.
    TOL, beteekend twee dingen: eerst een kinderlijk werktuig, dat rondom beweegd werd: waar van een werptol, die met de hand geworpen werd: en een drijftol, die met een sweep, als sij opgeset is, voortgedreeven werd: en hier van, mijn hoofd draaid mij, als een tol: van tol komt tollen, met een tol speelen: maar de tweede beteekenis van tol is, pagt, waar van, de tol eissen: de tol ontfangen, en hier van een tollenaar: een tolhek: de Franse quaamen oover aan het tolhek.
    TON, beteekend in het gemeen een vat, dat rond is, en twee boodemen heeft: ik ben soo dik, als een ton: en hiervan, in het besonder, een vat op seekere maat, en groote gesteld, als, een ton bier: een ton turf: waar van, tonnen, de tonnen vullen: gelijk daar toe geswoore tonders, en tonsters, aangesteld werden: een ton beteekend ook bij de seelui, een baak in see geleit, of die op een staak, op kaapen, en uitsteekende hoeken lands, geset werd: waar van het seggen: wij sijn bij de eerste, of tweede ton, ens., sie, Roemer Visser in sijn 3. schok het 15. sinnebeeld. Een tonneboei, een boei, die van een ton, of tonnetje, gemaakt, en toegesteld is, sie, boei: tonnevlees, vlees, dat gesouten in tonnen bewaard, en versonden werd.
    TOP, of als andere spreeken, het sop: dit beteekend in het gemeen het hoogste van eenig ding: hij sat op het top van ’t huis: het seil in ’t top setten: het welk oneigendlijk beteekend, onder of oover: sijn staat soo hoog setten, als het immer moogelijk is: een topseil, waar van, topseils koelte, een gemeene koelte, als men de hoogste seilen voeren kan: van top komt toppunt, en beteekend de hoogste staat: hij is [p. 314] gekoomen tot het top, en de toppunt, van alle roem: van top komt ook toppen, de toppen af hakken.
    TOPPENANT, een soort van een touw, dat aan de top, of nok, van de ree gebruikt werd: een toppenantsblok een blok, dat tot de toppenant dienstig is. Topreep, een reep* touws, dat vier dubbeld om de toppen van de masten gehegt werd. Een topstander een vlag, die van de boovenste steng afwaaid.
    TORN, komt van tornen: tornen nu beteekend in het gemeen, de naaden lossnijden: gelijk een naajer, of naaister seid: lostornen, onttornen: een torn nu beteekend oneigendlijk een geschil, of gevegt: waar van het seggen, ik heb meenigen torn uitgestaan: sij moeten aan mij niet tornen: dat is, sij moeten aan mijn stokje niet koomen blaffen: ik moet nog een reis een torn doen: ik moet nog een reis een kansje waagen: bij scheepstimmerlieden beteekend tornen weederhouden, beletten, te weeten, dat een schip in het afloopen, niet al te veel vaart maakt: het welk door een torntouw belet werd.
    TOUW, beteekend, al het geen van kennip, of hennip, gedraaid, of geslaagen werd, om tot koorden, lijnen, seelen, kaabels, ens. gebruikt te werden: hier van daan al die naamen, die volgens haar gebruik, haar eige besondere beteekenissen gekreegen hebben: als in het besonder de hoofdtouwen, dat sijn de swaare touwen, die booven aan de mast, en aan de juffers, ontrent de rusting gespannen sijnde, de mast staande houden: kaabeltouw, dat touw, dat aan het anker vastgemaakt werd, en door de kluis met behulp van de kaabelaaring, in groote scheepen, uit en in gehaald werd: voorts sie op haar plaats, bootstouw, gijtouw, haaktouw, plegttouw, poorttouw, putstouw, rakdertouw, sortouw, swabbertouw, torntouw, ens. van touw komt touwen, met touw beesig sijn, oneigendlijk, met een touw iemand afrossen: ik sul’er optouwen, touw der op! bij leerbereiders werd het genoomen voor het woord leertouwen, en leertouwer (om de kortheid) touwer, die geen, die ooverleer bereid, want touwen, en bereiden, van een be- [p. 315] teekenis sijn. Het woord Touwetje beteekend een klein, of dun touw, als marling, ens. een touwetje uitwerpen, de Bruin Embl. 40. oneigendlijk, swaarigheid, ongemak, als in de volgende voorbeelden, hij heeft het touwetje al aan sijn been: dat is, hij is al in de knel: dat was een touwetje! dat is, dat was een werkje! daar was wat te doen! voorts beteekend het selfde woord een verbintenis, gelijk ook soo het woord lijn, en lijntje, genoomen werd: als het touwetje is aan stukken, de vrindschap is gebrooken: aan het touwetje trekken, is een saak roeren, een saak leevendig maaken: gij moet aan dat touwetje niet trekken, sie, lijn. Touwbogt, de bogt van het touw. Touwscheeren, het loopend, en staande, wand spannen, en vastmaaken. Touwslaager, een lijndraajer, hoe wel het in naauwer sin genoomen werd, voor een, die swaare touwen slaat, en meede een lijnslaager genaamd werd. Touwwerk, alderhande slag van touwe, en het geen van touw gemaakt werd.
    TRAALIE, een bekend werktuig (het sij van hout of ijser, ens. dat voor een venster verstrekt: dog is kruislings met latten, of ijsere plaatjes, vastgehegt: hoe wel in gevangenissen de selve wel deegelijk van dikke stijlen gemaakt werden: en hier van niet alleen: staan voor de traalien: kijken door de traalien: maar ook, sig selven door de traalien eeten: dat is, soo lang gevangen blijven sitten (verstaa dit van gijselaars) tot men soo maager is, dat men door de traalien uit koomen kan: en dewijl dit onmoogelijk is, soo verstaat men daar door, dat die man daar voor sijn leeven sal moeten blijven sitten: traaliewerk, alderhande werktuig, dat de gedaante van een traalie heeft: soo ook een traalieluik, sie, luik.
    TRAAN, lacrima, waar van, traanen laaten: traanen storten: de traanen, of traantjes rolden oover haar wangen: waar van dat aardig lied (onder al die andere sin, en geestrijke, deuntjes van P. C. Hoofd) als hij singt.
        De traantjes rolden needer van d’ een en d’andre wang.
        De traantjes rolden needer, rolden needer.
        En hebben teedre traantjes (sei sij) soo groot een kragt? ens.
[p. 316]
van traan komt traanen: traanen voortbrengen: mijn oogen traanen: en soo een traanoog: maar om tot ons oogmerk te koomen, traan werd ook een vettigheid genaamd, die uit walvisspek voornaamendlijk voort komt, en dan aldermeest, als het begint te rotten: en misschien daarom traan genaamd, om dat het als een traan uit de oogen, alsoo deese vettigheid uit het walvisspek uitsijperd: deese traan werd in plaats van raap oolie in lampen gebruikt, dog om haar quaade stank bij veele niet gebruikelijk: waar van een traanbok, een die in de traan arbeid: een traankeetel: daar de traan ingekookt werd: ens.
    TRAAVEN, sie, duiveljaagen.
    TRAVAADE, een uitheems woord, waar door een schielijk onweeder werd verstaan: en van de gemeene stormen onderscheiden, om dat het haast weeder bedaard: en naa het seggen van bevaare lieden, soo heeft men die veel in bergagtige plaatsen, alwaar de see, en landwinden somtijds teegen malkander aanbulderen.
    TREK, komt sonder twijfel van trekken, het welk beteekend haalen, een trek dan is een haal: die trek (te weeten van een visnet) was goed! dat is, wij hebben met het net veel vis naa ons toegehaald: elke trek is ’er een: dat is, ieder reis vangen wij seer veel, de dobbelaars seggen, die geen trek heeft, die is beest: het welk oneigendlijk gebruikt, beteekend, die niet toetast, die krijgt niet: elk moet passen, dat hij gaauw is: het woord trek beteekend ook een streek, en loosheid, en werd ook anders genaamd een treek, dat was een slimme trek: iemand een trek speelen: voorts trek beteekend ook een geneegendheid, en lust om te eeten: ik heb groote trek daar naa: ik heb nergens trek toe: soo ook seid men, daar is goede trek in de waaren: de waaren sijn wel gwild, daar is goede aftrek: en soo, de waaren werden wel getrokken, ens. trekken hebben wij gesegt te beteekenen haalen: trek! trek! haal! haal! turf trekken, turf baggeren, en met het baggernet modderen: een trekpad: een trekschuit, een trekvaart: al te saamen bekende woorden: trekpleister, een pleister om te maaken een oopening, on- [p. 317] eigendlijk seggen de vrouwtjes dit van een stoof, dat het sijn regte trekpleisters: als die haar langer kunnen doen blijven sitten, als sij wel gemeend hadden: dog of de vrouwlui selfs geen trekpleisters sijn, daar aan geloof ik niet, dat een regtschaape kaarel twijfeld: sie, Cats Embl. 19. Parte prima sileni Alcibiadis.
        DUM TRAHIMUS TRAHIMUR.
Insgelijks Hoofd in sijn minnesinnebeelden,
        Van soo veel schoonen, die des weerelds dop bedekt.
        En is ’er niet dan een, daar hart en sin naa trekt.
Trekken beteekend, ook looten, het lot trekken: wie wil voor mij trekken? van trekken koomen seer veel te saamengestelde woorden, als aantrekken: aan doen: trek uuw kleeren, hemd, schoenen, ens. aan: oneigendlijk ter herten laaten gaan: waarom trekt gij uuw dat aan? aftrekken, af haalen, trek hem de hoed af! oneigendlijk afkorten: trek hem soo veel geld af: voorts iemand van een ander aftrekken, dat is, iemand omkoopen: intrekken, inhaalen, oneigendlijk naa sig neemen: hij heeft soo veel ingetrokken: omtrekken, omhaalen, omreisen: de burgerij trekt om: ondertrekken, onderhaalen: optrekken, oopentrekken, of ook om hoog trekken: oneigendlijk optrekken: als ook ligtmussen: hij trekt lustig op, waar van een optrekker: het kind trekt op, het kind is onrustig: optrekken beteekend ook opvoeden: hij trekt sijn kinderen wel op: vertrekken, verreisen: vertrek! hij vertrekt morgen, vertrekken van sijn plaats haalen: hij vertrok niet eens sijn mond om te lagghen, dat is, hij was seer staatig, vertrekken beteekend ook verhaalen, vertellen: hij vertrok ons wonderlijke geschiedenissen: uittrekken, uithaalen, trek uuw kleederen uit! oneigendlijk een doo’ uittrekken, waaden op sijn leids: wie sal hem uittrekken? voorts beteekend dit woord, uitreisen, uitmarcheeren: wanneer sijn die volkeren uitgetrokken? voorttrekken, wegtrekken, ens. het beteekend ook oneigendlijk ontfangen, genieten: ik trek daar niet van: ik heb daar nooit van getrokken: gij sult niet [p. 318] trekken: waar van trekgeld: te weeten sulk geld, dat men geniet, om het hoogste bod, of de verhooging, die daar op volgd. Trekken beteekend ook reisen: Hoofd in Baeto act. 4. sc. 8.
        Wij trekken in een ommering
        Van moeiten en bekommering, ens.
Ik trek naa ’t oosten, waar van, vertrekken, uittrekken, omtrekken, waar van hier naa breeder.
    TREIL noemen de seelui een lijn, daar men een schuit mee’ voort trekt: en hiervan het seggen: ik verkoop uuw de schuit met seil, en treil, dat is, soo als sij rijd, en seild: het een met het ander.
    TRIJSEN, of treisen beteekend iets door een gaate blok, of treisblok aanhaalen: soo dat het van taalien verscheeld, het welk geschied, door behulp van schijven, dat veel gemakkelijker in sijn werk gaat: waar van een taalieblok, een blok, daar een schijf in is, sie, taalie.
    TROMMEL, en van andere korter trom: de trom, of trommel roeren (te weeten) om volk te werven: hij is soo wild, of hij met een trommel in ’t bos gevangen was: waar door in het gemeen verstaan werd, hij is wilder als wild: maar ik geef den leeser te bedenken, of dit niet een spottelijke manier van spreeken is: voor gans tam, en mak: eeven gelijk men seid: soo wreed, als een schaap: soo doof als een quartel, of quakkel: daar wij weeten, dat een schaap niet minder dan wreed: en een quartel niet minder dan doof is: te meer, dewijl men seid, haasen met trommelen vangen: voor iemand tijdelijk waarschouwen: gelijk de haasen (soo doende) gewekt werden, en om een goed heen koomen sien. Voorts, hij kan met al sijn vrinden wel op een trommel, of ton dansen, dat is, hij heeft seer weinig vrienden. Van trommel komt trommelen: den trommel slaan: maar oneigendlijk werd het genoomen, als men seid: ik sal er op trommelen: ik sal uuw op den bek trommelen: trommelslag, waar van, iets bij trommelslag verkoopen: dat onder de krijgslui, en voor al bij het voetvolk gebruikelijk is: een trommelslaager, of tamboer: een trommelstok, ens. Een [p. 319] keeteltrommel, een trommel van kooper, of (gelijk het woord luid) van een keetel gemaakt: het welk onder de Hoogduitse seer aansienelijk is.
    TROMP beteekend twee dingen: eerst, en voor al, het mondstuk van een loop, het sij van een roer, of geschut: en hier van seid men, iemand de tromp op de borst setten: dat is, sig soo aanstellen, of men iemand soo terstond doorschieten wilde: want dat is kennelijk genoeg, dat door de tromp aldaar het geheele roer verstaan werd: ten tweede werd tromp genoomen voor een muiltromp, dat is, een ijser werktuig, dat in de mond (want muil ten besten genoomen, een mond beteekend) tussen de tanden geset werd, en door het tongetje, dat in ’t midden is, eenig aangenaam geluid verwekt werd: waarvan daan nu onse seehelden haar naam genoomen hebben, dat laat ik daar: dog waar sij soo vermaard geworden sijn, dat is al de weereld bekend, als sij maar weeten, dat’er een Marten Harpertsz. Tromp in de weereld geweest is: waarvan nog de heldhaftigheid in sijn soon Cornelis Tromp ens., uitblinkt.
        Fortes creantur fortibus.
Van tromp komt trompen, dat is oneigendlijk, bedriegen: gelijk op geen een plaats bij Hoofd in sijn Hist. te sien is.
    TROMPET, bij de Latijnisten tuba en beteekend in het gemeen een kleine tromp, dat is het gewoonelijk werktuig onder de ruiterij gebruikelijk, om de gemoederen tot een gevegt aan te moedigen, of gelijk het Hoofd in Granida act 2. sc.3. noemd opstooken: op de trompet blaasen, dat ook de trompet steeken, bij Hoofd in het selve spel genaamd werd, act. 3. sc. 2.
        Dan sou’ hij daar wel sijn: soo wil tot bloedig teeken
        Van den aangaande strijd fluks de trompetten steeken.
Van trompet komt trompetten, een trompetter.
    TROS, heeft verscheide beteekenissen, en daarom sullen wij van de bekendste beginnen: een tros beteekend een bos: waar van, een tros druiven: en misschien daarvan (door het omsetten van een letter) torssen: bajulare, voornaamendlijk, als iemand soo een tros op sijn schouders [p. 320] draagt, als de Israëliten bragten uit het land Canaan. Ten tweede beteekend een tros een bundel: en soo, pak en sak, en daarom in het Latijn impedimenta met regt genaamd, om dat sij in het trekken een groote verhindering aan een leeger aanbrengen: gelijk ook de tros van de trosboeven, en hoeren, die het leeger volgen, ens. te scheep beteekend het een tros van touw, ens.
    T’SORREN, waar van toesorren, rukken, toerukken, ens.
    TUI, soo ik sei’ dat het quam, of van tij, of van touw: wie sou seggen, dat het gants misgeraaden was? want van dit woord komt een vertuianker, een tuitouw: het welk een touw, of kaabel, is, daar meede men een schip vertuid, dat is, vastmaakt: wij laagen vertuid, dat is, met een kaabel voor en agter uit.
    TUIG, alderhande werktuig, dat ergens toe noodig is, wat is dat voor tuig: oneigendlijk, wat sijn dat voor vodden: te scheep beteekend het al wat tot een schip noodig is: hou’ je tuigje fiks: wees kant op alles: en voornaamendlijk, je weet wel: een tuig noemen de vrouwlui, en voornaamendlijk de boerinnen, een sleutelreeks, ens. dat sij op sij draagen, en de barbiers haar kooker met haar gereedschap. Waar van tuigen, een schip met staand’, en loopend wand voorsien: het schip is hoog getuid: voorts van tuigen koomen deese spreekwijsen: hij kan dat wel tuigen: ik kan dat quaalijk tuigen, dat is, hij kan daar aan wel, of quaalijk behouden blijven. En hier van tuigen, getuigen: testari, en testes, die getuigenis geeven, of draagen, van een saak, ens.
    TUIMELEN, rondom rollen: waar van hier vooren: een tuimelbank, welkers rugsteun kan omgeset, en omgetuimeld werden.
    TURK, is een bekend woord, en beteekend een vreed mens: waar van: gij sijt een regte Turk, of beul: de oorsprong is, om dat de Turken, of Mahumetaanen (gelijk wel eer de Spanjaards bij ons) bij de Christenen voor vreede menssen gehouden sijn: waar van, de groote Turk: de Keiser van Turkijen: hoe wel die naam bij haar haatelijk is. [p. 321] Dewijl het woord Turk bij haar een landlooper beteekend: soo dat sij liever naa haar Propheet Mahomet Mahumetaanen genaamd werden: te scheep beteekend een Turk een stelhout, waar van op sijnplaats gesprooken is.
    TWEEBAK, op sijn Noordhollands, en in goed Neerduits beteekend het brood, dat tweemaal gebakken is. Panis (quasi) biscoctus, waar van het Franse woord biscuit: en dienvolgens ons gebrooke Neerlands bisschuit: dat in Suid-holland bekender is: een bischuitbakker, ens.
    VAAREN, beteekend bij de Hollanders, en alle seeluiden, te scheep vaaren: hij roept lui, en hij vaart voor morgen niet: het welk eigendlijk beteekend de veerman roept wel hard en stijf, als of hij vaaren sou’: maar hij heeft het van daag niet in den sin: oneigendlijk, hij is soo quaad niet, als hij wel lijkt. Maar bij de Stigtse, Gelderse, en Ooverijselse beteekend het meede op een waagen rijden: soo seggen sij: voerman wanneer sult gij met de waagen afvaaren? oneigendlijk werd dit woord, gebruikt, als men seid, hoe vaar je? hoe vaarje al? hoe is het met uuw gesondheid: dog dit woord vaaren werd ook in een quaaden sin genoomen, als men seid, het vaart mij soo! ik ben dat soo ongewoon: het sal mij magtig vaaren: soo moet gij vaaren! soo quaalijk moet het uuw bekoomen! naa de Voolewijk vaaren, parturire, een bekend spreekwoord bij de Amsterdammers: die lui vaaren wel! die luiden sijn welvaarende, hoe vaar je? een quaalijk vaaren krijgen, welvaaren, welvaart, aanvaaren, naa toe vaaren, vaar daar eens naa toe: daar is neering en welvaart: daar bestaat lands welvaart in. vaarbaar, navigabilis, het is vaarbaar weer, het is geen vaarbaar weer, het is weer, of geen weer om te vaaren: afvaaren, invaaren, omvaaren, ontvaaren, opvaaren, vervaaren, naa een andere plaats vaaren: waar is hij vervaaren? Waar is hij gebleeven? vervaaren beteekend ook vervaard maaken: dog werd in de onvolmaakte, en volmaakte tijd, anders geboogen (gelijk bekend is) egter oordeelen wij, dat het niet dienstig is, de beteekenis van beide op te lossen: van dit vervaaren, komt ook vervaard, schrik- [p. 322] kig, of angstvallig sijn: soo ook vervaarlijk, hij sag’er soo vervaarlijk uit! vervaarlijkheid, ens. uitvaaren, op reis gaan: wanneer is uuw man uitgevaaren? met wie voer hij uit? uitvaaren vaaren, dat is vaaren om een speelreisje: voortvaaren, niet ophouden van vaaren: waar van, voortvaarend, oneigendlijk, naarstig, ijverig: voortvaarendheid: hij doet dat met sulk een voortvaarendheid: wegvaaren, ens.
    VAARENDMAN, Vaarendgesel, een man, of gesel, die sig erneerd met vaaren. Vaart, werd in een ruimen sin genoomen voor alle plaatsen, daar men vaaren kan: in enger beteekenis voor alle gegraave gragten, en veeren, daar trekschuiten vaaren: de Haarlemmer vaart, ens. insgelijks werd het genoomen voor de oefening, en den handel selfs: de vaart is goed: de vaart is slegt: de vaart is verbooden: de vaart is oopen gesteld. Vaart, vaardigheid: met een vaart, sneedig, vaartmaaken, goeden voortgang maaken. Vaartuig, beteekend alderhande slag van scheepen, groot, en klein sonder onderscheid: hoewel het woord naa sijn oorsprong maar beteekend, het gereedschap, dat tot een vaartuig behoord. Vaarwaater, het waater, daar men vaart, hier van daan de spreekwoorden: hij leit altijd dwers in het vaarwaater: sij sijn malkander altijd in het vaarwaater: dat is, sij sijn malkanderen altijd hinderlijk, en leggen altijd met malkanderen oover hoop, sie, Hoofd Hist. pag. 95.
    VAASEN, of fnaasen, feesels, en oneigendlijk grillen: te scheep beteekend het eenig touwwerk, dat ergens geleit werd, om het schuuren te beletten: het sijn maar viese vaasen, oneigendlijk het sijn maar parten, fratsen, grillen.
    VAL, dit woord (als ook vallen) heeft in de Neederduitse taal veele beteekenissen: dog de grond beteekening is, daalen, sakken, needersijgen: een val dan beteekend een struikeling, neederdaaling, neederstorting, Casus in het Latijn genaamd, en oneigendlijk een verneedering, en ondergang: als men seid, hoogmoed komt voor den val, anders word het genoomen in het bekende spreekwoord, daar is een ouwe rot in de val: want het daar genoomen werd, of eigendlijk voor een knip, daar men rotten in vangt: of [p. 323] oneigendlijk voor listen, en laagen: maar op sijn scheeps beteekend de val, de valreep: voorts wat vallen aangaat: het heeft sijn gebruik te scheep, als men segt: laat vallen! laat sakken! te weeten, of het blind, of fok, of eenig ander seil: in de boot vallen, geswind needer glijden, val! val! het schip wil niet vallen, het schip wil niet wenden, gelijk het behoord: waar van daan het spreekwoord: ’t en heeft geen val, oneigendlijk, ’ten heeft geen swier, of, aangenaamheid: vallen beteekend ook gelukken, als, daar sal niet van vallen, dat en sal niet gelukken: wat de saamengestelde woorden belangt, die sijn veelderlei: als aanvallen, een aanval doen: impetum facere: val aan als leeuwen! wij hebben grooten aanval: wij hebben groot besoek: afvallen, afwenden, oneigendlijk, iemand verlaaten: sij sijn den Kooning afgevallen: dat valt mij af, dat valt mij teegen, afval, afvalligheid: maar in enger beteekend werd het gesteld voor den afval der beesten, als hoofd, pens, darmen, pooten, ens. waar op Hoofd in Velsen speelende seid act. 5. sc. 5. bij ’t afval van ’t genot. Bevallen, gelukken en dienvolgens behaagen: de os is wel bevallen: dat bevalt mij wel: bevallig, goelijk, aangenaam, het is een bevallig kind: bevalligheid, lieflijkheid, minsaamheid: hij spreekt met een groote bevalligheid: soo ook, mijn huisvrouw is in de kraam bevallen, dat is, gekoomen van een jonge soon: daarenbooven: gevallen, gebeuren: indien het geviel! het geviel soo: een geval, waar van, bij geval, casu: ik laat mij dat welgevallen, het behaagd mij: het is mij aangenaam: ik nam daar een welgevallen in: ik schepte daar vermaak in: invallen: val in de boot: het beteekend ook neederstorten, het gantse dak is ingevallen: maar oneigendlijk als men seid, dat sal mij wel invallen, dat sal mij wel in de gedagten koomen: hier van daan, ik kreeg een inval: daar en booven beteekend inval, ook aanval, daar is den soeten inval, een inval doen: een aanval doen: omvallen: beteekend omslaan, het schip viel om: ongeval, ongeluk, ongemak: ik vrees voor ongeval: ongevallig sijn, siekelijk sijn: ongevalligheid, siekte. Ontvallen, gevallen sijn: die boeken moeten [p. 324] hem ontvallen sijn: oneigendlijk beteekend dit woord vergeeten: ontgaan: dat is mij ontvallen, het welk ook beteekend onbedagt iets spreeken: maar vooral beteekend het onverwagt afsterven: soo seid een vrouw, indien mijn man mij quam te ontvallen. Uitvallen, een uitval doen: van vallen komt valreep, hetwelk een reep, of touw is, waar langs het bootsvolk uit het schip in boot, of sloep afglijd, dat sij vallen noemen (gelijk gesien is) maar nu werd tot gemak van reeders, en andere heeren, ens. die aan boord gelieven te koomen, een ladder, naa het beloop van het schip gemaakt, uitgehangen, waarlangs men met gemak op en af klimmen kan: een valblok.
    VANGEN, is een woord van een gemeene, en bekende beteekenis: en beteekend iets in sijn geweld krijgen, en gelijk wij weeten, die middelen sijn veelderhande soo met netten, schietgeweer, hoeken, honden, listen en laagen, en ontallijke andere middelen meer: vis vangen, voogelen vangen: wild vangen: dieven vangen, ens. en hier van, is de vangst goed? wij hebben een slegte vangst. Ik weet uuw vangst: het welk oneigendlijk, en drijgender, of spotsgewijs, geseid werd, en beteekend ik weet, dat je bakhuis, ens. vliegen vangen sal: dat uuw iets quaads is naakende: het woord vangst beteekend ook aan een Os, ens. dat vet, dat in de keep tussen de buik, en agterste pooten, af hangt: en hier van, de Os heeft een goede vangst: vangen beteekend ook oneigendlijk iemand verschalken: hij meende mij soo te vangen: daarenbooven beteekend het ook winst doen: hij meende, dat hij daar een Haas gevangen had: het is daar niet tevangen, endelijk van vangen komt vervangen: dat is, verpoosen, of de beurt van een ander waarneemen: die luiden moeten malkanderen vervangen: mutuam praestare operam, ens.
    VARKEN, onder de viervoetige dieren weeten wij alle, wat dat is, en het selve werd van veele een swijn genaamd: hoewel het een het mannetje, en het ander het vrouwtje beteekend: dog soo werd in het Latijn meede gesegt, procus, en sus, sonder onderscheid van geslagt. Van [p. 325] varken dan, een varken slaan: een varkenslaager: die varken hiet, die moet op ’t schot, dat is oneigendlijk, als men een hond wil slaan, soo kan men ligt een stok vinden. Een varken beteekend ook een mens, die varkens manieren heeft: te scheep werd door een varken verstaan, een kleine legger, of waatervat: als ook een werktuig van veel schrobbers aan een, en alsoo is varkenen een schip met schrobbers schoon maaken. Een varken in huisselijke saaken, is een haare borstel, dog langwerpig, en met een handvatsel, daar de vloeren, glaasen, ens. meede werden afgeveegt. Een varkenstaart is een ijser werktuig, waarmee de de loopen van roers, ens. werden schoon gemaakt, want het kruld gelijk een varkenstaart, gelijk men alsoo van sommige luiden haar baard, of haar, spreekt.
    VARSEBAALIE, dit woord komt van vars, en baalie: een baalie hebben wij voor heen getoond, dat beteekend een kuip, of tobben: wat vars aangaat, beteekend onlangs geplukt, geslagt, gevangen, geleit: varse vis, vars vlees: soo is dan een varsebaalie, of de tobben, daar het soutevlees, spek, vis, in vervarst werd: of die geen, die dat ampt waar neemt: hij vaart voor varsebaalie: vervarssen, varsser maaken, beteekend drinken: lusje uuw niet te vervarssen? ens.
    VAT koomende van vas, of wel van vatten, begrijpen: ten sij men oordeelde, dat het laatste van de selve oorspronk was: een vat dan is, daar iets in gekuipt werd: een groot vat, een klein vat, het Heidelberger vat, het welk vanweegen sijn groote seer vermaard is, en te Heidelberg kan gesien werden. Ik weet niet, in wat vat ik het gieten sal: dat is oneigendlijk, ik weet niet, wat ik doen sal: in alle vaaten gieten, op veel’erhande wijsen besoeken: dat in het vat is, dat en versuurd niet: quod differtur non aufertur. Vaatwerk, daar is alderhande vaatwerk te koop. Vatgeld, een seekere belasting, die op ieder vat wijns (dat vier okshoofden behelsd) geset werd. Vaaten werden somtijds verdeeld in heele, en halve vaaten: soo is een halfvat de helft van een ton: waar van: hij heeft soo veel te seggen, als een jongen, die een halfvat t’huis brengt, dat is, gants niet:[p. 326] hij is voogd, daar de turf leit, ens. Van vat komt vaaten in het veeltal: waar van, vaaten wassen. Vaaten seid men ook van de brouwers, alssij het brouwsel in vaaten doen: wanneer sullen sij vaaten? en soo vatten, of vaaten, begrijpen, omvangen: daar is geen vat aan! het welk beteekend (dog oneigendlijk) daar hebben sij nietop te seggen: dat raakt, dat roerd haar niet. Vatten, en vaaten beteekend ook oneigendlijk, verstaan: ik kon dat niet vatten: ik kon dat niet vaaten. Van vatten, of vaaten: aanvatten: vat dat aan! ik weet niet, hoe ik het aanvatten sal? dat is, ik weet niet, hoe ik het beginnen sal. Omvatten, omvangen, ik kan het met mijn handen omvatten: vervatten: hervatten beteekend van nieuws op iets aan vatten: oneigendlijk herdoen: gij moet het eens vervatten: gij moet mij op een andere geleegendheid nog eens koomen besoeken.
    VEEM, gemeenschap, verbindtenis, gild: soo vraagt men naa een waagdraager tot Amsterdam: in wat veem is hij?
    VEER, vaart, trajectum: en hiervan, dat is een goed, dat is een slegt veer: hij kan alle veeren oover, hij kan lustig oover der heiden: een veerman, een veerwijf, die tot het oovervoeren van de luiden gesteld is: en dewijl sulke veerwijven (gelijk mens seid) geen kerkmeesters sijn: soo werd het genoomen voor een helleveeg, een haaibaai: waar voor de Rotterdamse helleveegen vermaard sijn, als slaande een onbehouwen geluid, haai, baai, ens. een veerschip, een veerschipper, een schip, of schipper, die op een gesetveer vaart.
    VENSTER schijnt ons te koomen van fenestra: en soo een houte venster: venstersiek sijn, dat is, niet doodsiek sijn: hij is venstersiek, en niet deursiek: want de dooden niet door het venster, maar door de deur uitgedraagen werden: hoewel in het woordje deur nog een dubbelsinnigheid schuild: want dat beteekend somtijds gants en gaar, geheel en al, teenemaal: soo dat deursiek ook beteekend, gevaarlijk siek, krank: het spreekwoord dan, wil seggen: hij heeft geen nood van sijn lijf, hij sal van die siekte niet sterven: te [p. 327] scheep sijn ook vensters in de kajuit, en die noemd W. p. 55. Vensters op sij’ N. 11. ens.
    VERBINDEN beteekend saamen binden, vereenigen, en hier van verbindtenis, vereeniging. Binden beteekend bij de Boekebinders, een boek op nieuws binden, en in een quaaden sin, quaalijk binden: dat boek is verbonden: bij heelmeesters is dit woord gants gemeen: een wond verbinden: wanneer sijt gij verbonden? ens.
    VERBOODEMEN, de waaren van het eene schip lossen in het ander: gelijk volgens de keuren van het staapelregt geschieden moet, sie, boodem.
    VERDEK komt van dekken, en soo is verdek, een deksel, daar iets veilig onder schuilen kan, en hier van een half verdek, of sondek, sie, dekken.
    VERDIEPEN komt van diepen, dat is, dieper maaken: en soo is dan een verdieping: wanneer de modder uit de grond dieper als te vooren uitgehaald werd: in een huis spreekt men ook van een verdieping, te weeten, de hoogte van de vloer, tot de solder: waar van, de eerste, tweede, ens. verdieping: het is geen man van hooge verdieping: beteekend, het is geen man van groot verstand, sie, diep.
    VERDUBBELEN komt van dubbelen, twee tot een maaken: waar van dubbeld, hetwelk somtijds beteekend een copij: en somtijds vals, geveinsd: waar van, dubbelhartig, dubbelsinnig, dat tweesins kan verstaan werden, en soo dubbelsinnigheid: voorts dubbeld komt ons voor, als of het quam van duplum, waar van duplicare, ens. verdubbelen dan werd met regt te scheep genoomen, voor een dubbelde huid om een schip spijkeren, en een verdubbeling.
    VERHEFFEN beteekend twee dingen, of met heffen beseeren, gelijk ook met tillen: of omhoog tillen: en daar van oneigendlijk iemand verheffen: hij verheft sig al te veel: de wind verheft sig, sie, opsteeken. Verheeven, verheeven sijn, of werden: hij sit verheeven, als een pad op een kluit, dat is een spottelijke manier van spreeken, waar door men te verstaan geeft, dat het een laatdunkende sot is, en dat hij de aapen slagt, die, hoe sij hooger klimmen willen, hoe men meer- [p. 328] der siet haar naakte billen, ens. Een verheffing, verhooging: als ook verslimmering: een verheffing van een koorts, ens.
    VERHENSEN komt van hensen, en beteekend iemand als burger maaken, op een plaats, daar hij nooit te vooren geweest is: het welk gemeenelijk geschied, door eenige lasten van geld iemand op te leggen, of iets te eeten: maar wel voornaamendlijk met het uitdrinken van een hartigen teug: waar toe een hensbeeker bewaard werd.
    VERHANDREIKEN, van hand tot hand oover reiken: behandigen, sie, hand.
    VERKERVEN, sie, kerven.
    VERKLIKKEN, dit woord komt van klik, het sij men dit neemt voor een slag, of een houte kolf, daar meede geslaagen werd: want klik dit beide beteekend: en hier van klikken geluid maaken: en soo ons bekend woord verklikken, bekend maaken, en in een haatelijken sin kraajen, waar van verklikker, kraajer: en daar van een verklikkers daghuur, te weeten, seeven stuivers van ouds: het welk Hoofd ook in sijn Historien aanteekend, dat sij seeve stuivers lui genaamd wierden: te scheep beteekend een verklikker, de boe, of boeflijn (waar van op sijn plaats gesprooken is) soo dat het te gelooven is, dat het bootsvolk daar door gewaarschouwd werd, of ook iets onklaar is.
    VERLAAT, afkomstig van laaten, het welk van seer veel beteekenissen is: laaten voor eerst beteekend, niet besorgen of meede neemen: ik laat dat daar, het welk oneigendlijk beteekend, ik wil daaroover niet knibbelen: waar van af laaten: laat af! dit woord beteekend ook aftrekken, verminderen, waar van de aflaaten des Paus, ens. naalaaten, en hier van naalaatig, die niet en doet, dat hij behoord te doen: naalaatig sijn, naalaatigheid: naalaatenschap, ea quae post mortem reliquit, aut ab eo reliquenda sunt: laaten beteekend ook toelaaten, en soo is het bij ons een vlijend woord, en werd bij de tijdwoorden gevoegd, gelijk bij de Grieken de modus optativus: laat dat geschieden! laat ik dat doen! en gelijk blijkt, het beteekend eilieven! daarenbooven beteekend dit woord: genoomen: het sij soo! laat dat soo sijn! laa- [p. 329] ten beteekend ook aader laaten: ik ben gelaaten, en spotsgewijs: laatenis goed voor het hangen: want daar in een dubbelsinnigheid schuild. Van laaten koomen inlaaten, dat is, in huis laaten, laat mij in: oneigendlijk sig in eenige saak inlaaten: dat is, sig met eenige saak bemoejen: ik laat mij in die saak niet in: ontlaaten, minder op sijn stuk staan: het weer ontlaat: het weer is soo guur niet als te vooren. Uitlaaten, laaten uitgaan: wie heeft hem uit gelaaten? uitlaaten, sig oopenbaaren: hij laat sig niet uit: uitgelaaten sijn, ferocire, die luiden sijn uitgelaaten van vreugden, ens.
    VERLEGGEN, beteekend of van de eene plaats leggen op de andere, of soo leggen, dat men niet weet, waar men iets geleit heeft, sie, leggen.
    VERLOOPEN, door loopen verliesen: en daar van komt: hij verloopt al sijn vet, hij verloopt al sijn tijd: verloopen beteekend ook op een andere plaats loopen: het getij’ verloopt, de neering verloopt: het is met die luiden seer verloopen, dat is, die luiden sijn seer verarmd: soldaaten werden gesegt te verloopen: deserere signa: van verloopen komt verloop, en soo seid men, naa verloop van veele jaaren: alsoo, daar is een groot verloop van saaken, dat is, verval, en verslimmering.
    VERLOOREN, komt van verliesen (soo men nu spreekt) maar mij dunkt (onder verbeetering) dat het komt van het enkeld woord looren, niet agten: als afkomstig van het woord leur, dog (het sij, hoe het sij) de beteekenis is genoeg bekend: want verlooren beteekend, dat men door eenig toeval quijt geraakt is: daar is een kind verlooren, of verlooren geloopen: een verloore reis doen, dat is, sonder winst te doen: een verlooren man hebben, die geen geld ’t huis brengt, maar wel verteerd: soo ook, die kinderen hebben een verlooren Vaader, ens. een verlooren lip noemd een scheepstimmerman, daar geen weergaa toe te vinden is, ens.
    VERMANNEN, sie, mannen.
    VERNAAGELEN, sie, naagel.
    VERPOOSEN, sie, poos.
[p. 330]
    VERPREIEN, beteekend te scheep, iemand inwagten, om met hem te spreeken: wij hebben die scheepen verpreid: wij wierden verpreid, ens.
    VERSCHIETEN, sie, schieten.
    VERSEILEN, sie, seil.
    VERSETTEN beteekend eigendlijk van de eene plaats setten op een ander: een stoel versetten: ik wil ’er niet een voet om versetten, dat is, ik wil ’er gants geen moeite om doen: ik mag niet een voet versetten, dat is, ik mag mij niet verroeren: versetten beteekend ook oneigendlijk veranderen: soo seid men al drijgende, ik sal uuw die kop versetten! die man is niet te versetten, niet te beweegen, niet te vermurwen: een steek versetten: een steek afkeeren, en met een kunstwoord, paréren: voorts de droefheid versetten: soeken te vergeeten: het beteekend ook verpanden: hij heeft sijn kleeren, boeken, goud, silver, ens. verset: ik heb geen verset, ik heb niet, dat ik verpanden kan: en oneigendlijk, ik heb geen hulp, of bijstand.
    VERSTAAVEN, sie, staaf.
    VERSTEEKEN, wegsteeken: verbergen.
    VERSUIPEN, komt van suipen, het welk gulsig drinken beteekend: waar van, hij suipt stark: een soopje, een slokje, te weeten, sterken drank: willen wijeen soopje drinken? ik heb geen soopje in huis. Versuipen nu beteekend door suipen verquisten, en verteeren: hij heeft al sijn geld versoopen: oneigendlijk beteekend het, sig door suipen te buiten gaan, die man versuipt sijn selven: dat is een versoopen bloed, hij siet’er seer versoopen uit: endelijk beteekend versuipen, verdrinken, in het waater smooren: die man viel buiten boord, en is versoopen, ens. Voorts uitsuipen, door suipen leeg maaken: wie heeft de kan uitgesoopen? oneigendlijk werd het genoomen in het volgende, iemand uitsuipen, iemand kaal en berooid maaken: lorsen, en borgen, en niet betaalen: het is een regte uitsuiper, het is een regte uitsuipster, ens.
    VERTEEREN, sie, teer.
    VERTIEREN, komt van tier, het welk beteekend [p. 331] lust, vermaak: hij heeft geen tier: soo ook tieren, welvaarend sijn: dat Vee wil hier niet tieren. waar van tierig, het Vee is tierig, dat is, welvaarend: soo ook tieren, baaren, raasen: gelijk de gewoonte is van menssen, en vee, die tierig sijn, ens. vertieren nu beteekend versenden, verkoopen, sig weeten quijt te maaken: soo ook vertiering, die luiden hebben groote vertiering, groote neering.
    VERTUJEN, sie, tui.
    VERTUININGBLAD, een blad, of plank, die iets bedekt: want tuinen beteekendbedekken: en soo is een vertuining bij uitneemendheid te scheep die plank, die booven het reehout komt, sie, reehout.
    VERVAAREN, sie, vaaren.
    VERVANGEN, sie, vangen.
    VERWAAID, sie, waajen.
    VERWEERD, sie, weer.
    VERWIJDEREN komt van wijd, en beteekend het niet anders, als een grooter af keer hebben, als te vooren: en daar van verwijdering: de gemoederen verwijderen: om alle verwijdering voor te koomen, ens.
    VICE ADMIRAAL, of gebrooke Vies Admiraal: die de naaste plaats aan den Admiraal bekleed: gelijk een Viçerooi een onder Kooning; qui est vice regis.
    VIEREN, om alle dubbelsinnigheid weg te neemen, soo sal ik voor af seggen, dat ik het woord niet afkomstig reeken van vier, dat de Latijnisten ignis noemen, dat is vuur: en derhalven soo noem ik vieren hier niet een vuur ontsteeken: maar op sijn scheeps, voor bot geeven, gelijk het alsoo ook Hoofd neemt (dog oneigendlijk) in sijn Historien. pag. 47. als hij seid, vieren, en aanhaalen: een touw, of kaabel vieren: de schoot vieren: oneigendlijk werd het genoomen, als men seid: een dag vieren, dat is, heiligen, tot een heilig gebruik besteeden: waar van het seggen (als men iemand vleien wil) ik sal uuw vieren, als een heiligen dag: dat is op een andere oneigendlijke wijs, ik sal uuw seer ontsien: ik sal naa uuw oogen om sien: de toontjes pluisen: als ook verschoonen. Baaker! je moet de kraam- [p. 332] vrouw wat vieren! dat is, gerak, en gemak aandoen, ens.
    VIJSTINGEN beschrijft W. p. 513. te sijn houten, met ijsere bouts doornaageld: binten om de masten steunsel te geeven, en regt in ’t spoor te houden.
    VINGERLING komt van vingeren, als hebbende daar van de gedaante: want het is een ijser aan de agter kiel, daar de roerhaak in haakt, of hangt: andere noemen het een duimling: van vinger komt vingeren, met vingeren aanraaken: gelijk de liefhebbers bekend is: vingerhoed, vingeren.
    VINKENET, een net, dat men spand voorvinken, soo luid de gemeene beteekenis. Te scheep verstaat men daar door los roosterwerk, dat tussen het verdek, en bak, geliet werd.
    VIS, dit woord komt (soo mij dunkt) van pis vis: en daar van, vise eten: vis vangen: ik ben soo gesond, als een vis: dat men noemen mag, soo fris, als een hoen: vis laat den mens, soo als hij is, dat is, vis is niet voedsaam. De groote vissen eeten de kleine, dat is, groote luiden verdrukken de geringe. Een klein visje, een soet visje, soo men seid, waar door te verstaan gegeeven werd, dat men met een kleindje beeter te vreede kan sijn, als sommige met haar groote: want luttel onderwinst maakt groote rust. Die een goed visjen heeft, die mag het wel in de keetel houden, dat is, die eenig verval, of winst gekreegen heeft, laat die dat stilletjes opsteeken, en niet luide roepen, opdat hij dat gerustelijk besitten mag, en het hem niet ontjaagt werde. Van vis komt vissen: en beteekend arbeiden om vis te vangen. In troebel waater is het goed vissen, de reeden is, om dat de vis dan minder uitkijk heeft, om sig te wagten: oneigendlijk werd daar door te verstaan gegeeven, dat men in verwarde tijden, en saaken, de beste geleegendheid heeft, om winst te doen: maar het kan dan eevenwel gebeuren, dat men agter het net vist, dat is, misdobbeld, en niet en vangt: gelijk die geene doen, die vissen voor een vissers deur: want men kan geen spek haalen (naa het gemeene spreekwoord) [p. 333] uit een honds nest. Vissen beteekend ook oneigendlijk ergens naa in het waater soeken, waar werd er naa gevist? soo ook snuffelen, naa speuren: daar wierd geweldig naa die saak gevist. Opvissen, de vis deuntjes opvangen. Uitvissen, naa spooren: een visser, waar van, ongelukkige vissers! Arme halsen! wien het geluk niet en diend. Een vishouer, een viskaar, viskorf, visnet, visnetje, ens.
    VISSER is een scheeps woord, als het genoomen werd voor een dikke plank, daarin het midden een rond gat in geboord is, om de mast daar in te vervangen: de afbeeldsels sijn te sien bij W. p. 54. N. 1. en 3. Vissingen sijn klampen, daar de mast ontrent den ooverloop op rust, ens.
    EEN UIL VANGEN is een bekend spreekwoord bij de seelui: maar ik heb tot nog toe niet kunnen verneemen, waar van het sijn oorspronk heeft: een uil weeten wij, dat een dier is, dat het ligt schuuwd, en bij nagt alleen vliegt, gelijk daarom ook de sommige nagtuilen genaamd werden: hij stond en keek, als een uil, dat is, slegt bij sijn neus neer: het is een uil van een vent, een lomp: jouw uilskuiken! indien nu gissing plaats hebben mogt, soo souden wij gelooven, dat een uil vangen eigendlijk de voogelvangers te beurd valt, als sij haar flouwen teegen den aavond gespannen hebbende, daar in eenige beweeging verneemen: dog meenende iets goeds gevangen te hebben, haar met een uil moeten tevreeden houden: waar door haar werk merkelijk veragterd: soo deese gissing goed was, soo was het niet onaardig op sijn scheeps geseid, een uil vangen, voor niet kunnen wenden, dat veel oover ’t stuur set: soo ook een uiltje vangen, voor buitens tijds, en teegen wil en dank moeten slaapen.
    UITHAALEN, beteekend in het gemeen iets uittrekken: en te scheep een schip van de werf op stroom haalen: sijn de scheepen al uitgehaald? dat schip is hoog uitgehaald, dat is, dat is een duur schip: dat komt den eigenaar hoog te staan, iemand uithaalen, iemand uit den huis, of het school, ens. meede neemen. Uithaalen beteekend ook oneigendlijk winst doen: hij sal daar een goede som uithaa- [p. 334] len: het beteekend ook de tong schraapen: soo seid men, hij meende mij uit te haalen.
    UITHOUWER, of liever uithouder: want het komt van uit en houden: het beteekend te scheep een reep touws, dat gebruikt werd, om het taakel te rug te trekken om alle schaade in het hijsen te verhoeden, ens.
    UITKIJK, dit beteekend de plaats, daar een man gesteld werd, om naa land, scheepen, uit te sien, ens. naa tijds geleegendheid, en werd daarom een uitkijker genaamd.
    UITLEGGER, komt van uit (dat hier buiten beteekend) en leggen: want het is een schip, of vaartuig, dat buiten de haaven, en alsoo op stroom geleit werd, of om wagt op vijanden te houden, of dat’er geen scheepen voor bij en souden vaaren, sonder haar tol behoorlijk betaald te hebben: een uitlegger* is ook een lange rib, of balk, die sig van het begin van het galjoen tot het end toe uitstrekt, sie, W. p. 55. N. 7. Uitleggershoofd, het hoofd, of knop van den uitlegger: wat nu voorts uitleggen aangaat, dat heeft nog eenige beteekenissen, die oneigendlijk genoomen werden: als een hoen is uitgeleit: dat is, leit geen eieren meer: uitleggen, te raaden geeven, leg ’er om uit! soo ook verklaaren, waar van uitleg, uitlegging: ik heb daar den uitleg al van, ens. het beteekend ook wijder maaken: mijn kleeren moeten werden uitgeleit: een stad uitleggen.
    UITLEKKEN, al lekkende leeg werden: dat vat sal soo doende wel uitlekken: oneigendlijk rugbaar werden: die saak is uitgelekt, ens.
    UITLOOPEN, beteekend te scheep uit de haaven in see loopen, gelijk inloopen het teegendeel: wanneer sijn de scheepen uitgeloopen? uitloopen beteekend ook uitbotten, de boomen beginnen uit te loopen: soo werd het ook van seerigheid geseid, dat uit het lijf uitslaat: uuw lippen loopen uit.
    UITLUI’EN, voor uitluiden: dit werd eigendlijk van de klokken gesegt, door welkers geluid sommige dingen werden verbooden: soo werd een jaarmarkt uitgeluid, tot een teeken voor ieder, dat de selve geeindigd is: iemand [p. 335] uitluien, iemand op die selve wijs de stad ontseggen, en uitbannen: in teegenstelling van inluien, indaagen: uitluien beteekend ook oneigendlijk iemand schelden, en oover haalen: ik heb hem uitgeluid, dat de honden geen brood van hem sullen willen eeten: te scheep werd het genoomen voor uithijssen, dewijl sij als aan een klokreep in het hijssen schijnen te trekken.
    UITREEDEN, sie, reeden.
    UITRUSTEN, beteekend twee dingen, eerst door rusten sig verfrissen: waar van, ik moet wat uitrusten: ten andere beteekend het klaarmaaken, gelijk in toerusten te sien is: waar van, toerusting: daar werd groote toerusting gemaakt, groote toestel, ens. een vloot uitrusten: instruere classem: bootsvolk uitrusten: ik sal hem uitrusten: dat is, van alles versien, dat hij op de reis van nooden heeft.
    UITSETTEN, komt van uit, en setten: dat is, buiten setten: soo seid men, iemand uitsetten: iemand aan land setten: schipper set mij eens uit! wiewil hier uitgeset werden? uitsetten beteekend oneigendlijk doen vertrekken: ik sal uuw uit den huis, uit de stad setten: in eerlijker sin werd het genoomen voor ten huuwelijk besteeden, of het gevolg van dien: hij heeft sijn dogter uitgeset: waar van, uitsetting, huuwelijks goed, of uitrusting: penningen uitsetten, dat is, op renten setten: ik heb mijn penningen teegen soo, of soo veel uitgeset: uitsetten beteekend eigendlijk uitdijen, gelijk men seid, dat is een geset, of lijvig man, ens. voortsetten, wegsetten, bij naader geleegendheid.
    UITSTOOTEN, weg stooten, sie, stooten.
    UITVAAREN beteekend in het gemeen, dog oneigendlijk invehi in aliquem: hij voer geweldig teegen hem uit, sie, vaaren.
    UITWERPEN, sie, werpen.
    VLAAG beteekend een bui, waar van op sijn plaats te sien is: bij vlaagen, bij buien: een soomervlaag, een bui, die haast oover gaat: het is een Dorts spreekwoord: Heer! hoe wonderlijk vallen de soomervlaagen! het welk de woorden waaren van een man, die in het waater geleegen had, [p. 336] teegen sijn vrouw, willende haar wijs maaken, dat sijn kleeren door een soomervlaag soo nat geworden waaren, daar het seeker was, dat het dien dag het schoonste weer was geweest, dat men van den Heemel had moogen wenssen: het woord vlaagen beteekend ook door gelijkenis, de wee’ en pijn, die baarende vrouwen oovervallen; sij kreeg vlaag op vlaag: die vlaagen sullen niet oover gaan, ens.
    VLAG, het bekende sieraad booven op de masten der scheepen. Haar gebruik is groot, gelijk W. p. 269. aanwijst, om daar door aan de scheepen, die in de vloot sijn, dit, of dat teeken te geeven: van dit woord vlag komt, de vlag voeren, het welk beteekend de opperste sijn, gelijk ook, de grootste vlag voeren: oneigendlijk werd daar door te kennen gegeeven, dat iemand het meeste swetst, en het hoogste woord voerd: hij voerde geweldig de vlag: hij liet de vlag geweldig waajen: de bloedvlag laaten waajen, een teeken geeven om te slaan: dit geschied in den sttrijd der mannen: maar het is wat anders, als het van het vrouwvolk geschied: veel vlaggen luttel booters, dit beeld Roemer Visser uit, met een schip daar veel vlaggen van waajen, als of het wilde te kennen geeven, dat schippers, die de meeste pronk ontrent haar scheepen gebruiken, het alderslegtst schaffen: en soo trekt hij daar deese gelijkenis uit, dat de meeste blaffers de regte bijters niet en sijn: maar dat luiden, die stil haar dingen doen, meer te agten sijn, als swetsers, en opsnijers: andere weederom duiden het woord vlag op vlaggewaater, dat eigendlijk stokviswaater is: naademaal der in een lok veel booters schijnt te sijn, als het vol is: maar aan de belletjes, en blaasjes, kunnen sij wel sien, dat’er veel waater onder de booter is: en dan souden sij (op Oostindiesvaarders) gewoon sijn te seggen: veel vlaggen luttel booters: dat pronkt, als een vlag op een vullis schuit (te weeten pronkt) het welk een manier van spreeken is, als men met iemand wil spotten, die soodaanig gekleed is, dat het een naa het ander niet en gelijkt: vlaggedoek, het doek, of de gaas, en andere stoffen: selfs ook sijde, daar [p. 337] de vlaggen van gemaakt werden: vlaghek, het hek, of traaliewerk, daar kleine soorten van vlaggen, of vleugeltjes, aan vast sijn: een vlaggeman, een bevelhebber, die in een vloot (bij uitneemendheid) een vlag voerd: een vlaggespil: een vlaggestok, de stok, of de spil van de vlag, ens.
    VLAK, beteekend twee dingen, ten eerste, als men seid, dat is een leelijk vlak in een mooi kleed: het welk oneigendlijk beteekend, dat is een leelijke daad van een fraai man: en hier van vlakken, dat is, vlakken krijgen: dat sal vlakken, of ook vlakken inbrengen: gij sult dat vlakken: vlak niet! vlak niet! vlakpapier, ens. ten tweede beteekend vlak, effen, regt: gelijk blijkt uit de volgende staaltjes: het vlakke veld, vlak uitleggen: vlak voor ’t laaken: vlak voor de wind: leg het vlak neer: vlak leggen: oneigendlijk, maar beeter gesweegen: ik laat het aan u l. oordeel: vlak waater, een vlakke see: een vlakte, ens.
    VLEET, is een soort van rog, die seer groot en grof is: en soo werden sommige vrouwlui door haastigheid genaamd jouw vleet! als niet veel deugende: een vleet beteekend ook een net, dat in see drijft om haaring te vangen: het deugd niet een vleet, dat is, gants niet, ens.
    VLEUGEL, is een gedeelte van een voogel, anders gesegt een wiek: en daarom werden ook de huisvleugels vleugels genaamd, om dat het eigendlijk vleugels van voogels (en in het besonder van gansen) sijn; de vleugelspil, dat is, de spil daar aan de vleugel omdraaid, sie, spil. Te scheep werd een klein vlaggetje (dog gespleeten aan het end) een vleugel genaamd, iemand de vleugelen korten: iemand het hollen beneemen: iemands magt besnoejen: van vleugel komt vleugelen, iemand vleugelen aansetten: maar oneigendlijk iemand de armen vast, of op den rug binden: sij waaren soo gevleugeld.
    VLIEBOOT, een boot, of galjoot, misschien eertijds bij de Vlielanders gevonden, of in gebruik gebragt, sie, boot.
    VLIEGEN, genaamd Volare: een Voogel vliegt: hij [p. 338] vloog weg: hij wil vliegen, eer hij vleugels heeft: dat is oneigendlijk, hij wil meester weesen, eer hij knegt is: en alsoo op het manne kakhuis gaan (honos sit auribus) en door de stil, of bril, vallen: van vliegen komt bij uitneemendheid een vlieg: musca: en daar van (om van geen andere te spreeken) een biervlieg: waar door verstaan werd een bierbuik, die altijd op de bierbank sit: een vlieger, een kinderspeeltuig van papier gemaakt, dat sij in de lugt laaten vliegen: iets vliegen laaten, iets niet ophouden, de schoot laatenvliegen: maar wat is dat te seggen, hij lie’er een vliegen? ’t is een bootsgesels praatje, en dat eerlijke ooren ontstigten sou’: doe het vrij, maar dat het niemand, en hoord: adfert deprensa pudorem.
    VLIET, komt van vlieten, dat is, vloejen, en soo is een vliet niet anders als een vloejend of stroomend waater: en hier van tot Leiden de vliet, als koomende door Delfshaaven, en Delf, vlieten, en stroomen, door Leiden
    VLOED, stroom, en in het besonder wassend waater: wij quaamen met de vloed binnen: daar sijn drie voornaame vloeden bekend onder de gemeene man als de sundvloed, waar door de weereld verging: de alderheilige vloed: waardoor op alderheiligen dag, door een hooge vloed ongemeene schaade in de jaare ... wierd veroorsaakt, en de springvloed, waar van in het woord springen, ens.en daar van, de voor vloed, de eerste vloed: oovervloed, copia: oovervloedig: copiosus, van vloed, behoord te koomen vloeden: maar (gelijk wij elders getoond hebben) de D werd seel veel in het Neerduits veranderd in J: en derhalven seid men vloejen: het waater vloeid, dat is, wast,loopt op: maar al weeder om tot het vrouwvolk: vloejen beteekend bij haar een maandelijke swakheid: dog die strekttot haar gesondheid, ens.
    VLOOT, werd genoomen voor een seeker getal scheepen, die te gelijk ergensnaa toe willen: en dit en kan niet gesegt werden, als van scheepen, die kunnen vlooten, dat is, drijven: soo seid mendan, een vloot uitrusten: de vloet is uitgeloopen: de vloot is binnen: de vloot is geslaagen, ens. [p. 339] een vloot, en vlootje beteekend ook een vlak tobbetje, dat onder de vaaten gelegt werd, om het gee nuit de kraanen lekt, daar te laaen vlooten: de selve naam hebben die van de viswijven, daar sij tot Amsterdam haar bot voornaamendlijk op ten toon leggen, en wat wonder? dewijl sij op de selve wijsgemaakt sijn: een vloot noemen ook de buislui de dobber, die aan een haaringnet gehangen werd om te vlooten de netten, dat sij niet en sinken: en dewijl daar veel toe van nooden sijn, soo werd dit woord ook in het veeltal gebruikt: vlooten een tijdwoord beteekend vlot sijn, driftig sijn: de scheepen kunnen hier niet vlooten: vlooten werd ook oneigendlijk genoomen als men seid, dat sal niet willen vlooten: dat sal niet willen gelukken: dat sal niet door den beugel willen.
    VLOT, een versaameling van balken, dat de Latijnisten ratis noemen, welk woord ook bij haar digters voor een geheel schip genoomen werd: de Amsterdammers gebruiken dit woord in een bepaalde beteekenis voor dat vlot, dat aan de rieviervis mark leit, waar langs de viswijven gemakkelijk aan haar visschuitjes kunnen koomen: van vlot komt het vaartuig, een vlotschuit genaamd, het welk laag bij het waater leit, en alsoo de gelijkenis van een vlot heeft: een vlotschuitevoerder een man, die soo een vlotschuit voerd, of sig daar meede geneerd: vlotten, vlot sijn: waar van vlotgras, dat is soodaanig gras, dat met de vloed rijst, en met de eb daald: het welk voornaamendlijk ontrent Wieringen te vinden is, en dit gedroogd sijnde, werd het wier genaamd, waar van op sijn plaats breeder sal gesprooken werden.
    voer, komt of van voeren, als, dit is bootsgesels voer, sijn eigekoopmanschap meede brengen: en daar van, dat is geen gemeene mans voer: het welk (oneigendlijk genoomen) seggen wil, dat is geen gemeene lui haar kost, dat is al te duur voor de gemeene man: een voer beteekend ook, als het komt van voeden, en te saamen getrokken is van voeder, een groot vat wijns, het welkook een voedervat genaamd werd: een voerhoois, een seekere maat vanhooi, [p. 340] het welk bequaam is om een getal beesten te voeden: endelijk voer beteekend dat geen, dat de beesten, als paarden, koejen, ens.te eeten gegeeven werd: pabulum noemen het de Latijnisten: en voedsel, het geen de mens tot versaadiging verstrekken mag: Hoofd* in Velsen: act. 2. sc. 3. voerd Harmen van Woerden in, teegen Graaf Floris, spreeken aldus,
        Uuw hooge sprongen sijn heer meester nu gedaan,
        Gij sult van nu voortaan der voeren niet meer drijven.
al waar het woord voeren (mijns oordeels) beteekend, parten, fratsen: soo dat hij seggen wil, gij sult sulke dingen naa deese niet meer doen, en dan neem ik drijven voor bedrijven: tanquam simplex pro composito: van voeren komt voerman, een man, die de waaren op sijn waagen, of kar, voert, voeren het tijdwoord beteekend iets op een kar, of met een schip brengen ter bestemder plaats: maar voeren voor te eeten geeven, daar van komt: het is beeter menssen te voeren als varkens: gelijk meiden, die als sij de kinderen iets voor kaauwen, haar selven alderbest seegenen: oneigendlijk, daar is meer voordeel aan vast: want draf te eeten lust niemand, ik laat staan, die beeter kan: voeren daarenbooven beteekend voeren vullen op sijn kleermaakers: soo seggen sij, waar mee’ sal dat kleed, jak, ens. gevoerd werden: als ook voering, die voering is goed: die voering deugd niet: voorts invoeren, toevoeren, ens.
    VOET, een bekend gedeelte van ons lighaam: en waar van veelderhande beteekenissen, en spreekwijsen af koomen: maar om iets te seggen van sijn eigeselfs, soo let op de volgende: dat staat op sijn voeten, dat is, soo als het behoord: iemand voeten maaken, iemand met geweld doen vertrekken: gaa weg! of ik sal uuw voeten maaken! een voetval doen, een knielap haalen, op sijn knieen vallen, en om vergiffenis bidden: iemand een voet geeven, iemand iets inwilligen, iemand aanleiding ergens toe geeven: iemand de voet ligten: dat is, iemand sijn ampt, eer, en aansien beneemen, en op sijn scheeps: iemand buiten boord smijten: iemand de voet dwars setten, iemand een voetje setten [p. 341] teegen iemand dwars drijven, en hem soo veel hinderlijk sijn, als moogelijk is: houd die voet, en gijsult wel leeren dansen! oneigendlijk is dit een bespotting, als of men seggen wilde: eho dum bone vir, curasti probe! het sal soo wel gaan! gij sult’er soo wel koomen! maar het sal wat laat weesen: voorts een voet beteekend een seekere maat van groote, waar van een voetmaat: van voet sijn nog meer woorden afkomstig, als voetboejen, voetboog, voetangel, voetganger, voetknegt, voetpad, voetsool, ens. maar dit spaaren wij tot beeter geleegendheid.
    VOLSTAAN, is een seemanswoord, waar mee’ hij te kennen geeft niet te swigten, nog niet te kreuken: anders gesegt rond staan, het welk oneigendlijk beteekend, men moet geen struif bederven om een ei: laat het dan volstaan!
    VOORBAARIG, sie, baar.
    Vooreb, sie, eb.
    Voorganger, is een die een ander voor gaat, en in het besonder in alleeer, en deugd: want gangen seiden de ouden voor gaan, waar van het woord gang: en nog heedendaags het Noordhollands seggen, sij sijn gegangen, dat is, gegaan, te scheep beteekendde voorganger, het voorste end vaneen touw, of kaabel, om dat het als vooruit gaat, ten opsigte van het geen volgd, ens.
    VOORHAAL, beteekend eerst uithaalen: waar van in de voorhaal sijn, dat is, in de voorbaatsijn, sie, haalen.
    Voor kasteel werd gesteld teegen agter kasteel, en beteekend de voorste sterkte van een schip, dat is de bak, gelijk het agterste* de kajuit: dewelke sij op het schip als kasteelen verstrekken: een kasteel nu te seggen, dat het afkomstig is van het Latijnse woord Castellum, dat weet imnmers ieder wel, als ook dat dit diminutivum afkomstig is van castra, een leegerplaats: dog wij oordeelen (naa het seggen van de regtsgeleerde) abundans cautio non nocet: en ten minsten baat het niet, het en schaad ook niet.
    Voor knegje, de knegt van de fokkemast, sie, knegt.
    Vooronder, een verblijf plaats onder de voorplegt; waar van, kruip in het vooronder!
[p. 342 ]
    Voorscheen klimmen, dat is, met handen, en scheenen sonder weevelingen teegen demast op klimmen, sie, scheen.
    Voorschip, het voorste gedeelte van een schip, ens.
    Voorseil, of fak: om dat defokkemast de voorste is, sie, seil. Voor staartribben, sie, staartribben.
    Voorsteeven, de steeven van het voorschip, inteegenstelling van de agtersteeven.
    voorvloed, sie, vloed.
    VORST, werd hier nietgenoomen voor een opperste, waar van Vorstendom: nog voor de Vorsten, dat sijn pannendie op de nok van een dak leggen: maar voor een vriesende lugt, waar door de waateren toestremmen: waaom Kilianus ook meend, dat Vorst (per Metathesin, door versetting der letteren) gesegt werd voor Vrost, want sommige seggen niet bevrooren: maar bevroosen: dog het sij wat het wil, de Vorst toond al te mets niet dan al te veel, dat hij een Vorst, jaa een strenge Vorst is: voornaamendlijk, als hij aanhoud: daar en teegen als hij aflaat van sijn strengigheid, danseid men, de Vorst heeft gedaan: de Vorst heeft een gat: van welkelaatste manier van spreeken sie het woord gat, ens.
    VRAGT, heeftverscheide beteekenis, en voor eerst beteekend het een last, die in een schip, of op een waagen werd gelaaden: soo seid men, dat is een goed vragje: goedevragt bedingen, of maaken: vaneen vaartuig is ontleend het volgende: gaauit mijn schuit, je bederft mijn vragt: het welk oneigendlijk beteekend, ikwil met uuw niet te doen hebben: vragt beteekend ook het loon, dat men voor de vragt, en het gerief van vaaren, of rijen, betaald: schuitvragt noemen de Latijnisten naulum: waagenvragt, meteen gemeender woord vectura: wat scheeld het mij, het kost mij maar dewaagenvragt, of huur! het welk oneigendlijk beteekend: wat scheeld het mij, ik heb’er niet veel bij te gelden! haalje hart op! vragt vervaaren: vragtverrijden: een vragtschip, een vragtwaagen: van vragt komt bevragten, dat is vragt inlaaden: wie sal dat schip bevragten.
    VRIESEN, waar van ditwoord sijn oorspronk heeft, [p. 343] is seer duister: en derhalven kan ik degissing van Kilianus heel welinschikken, dat vriesen soude een tesamen getrokken woord sijn van ver en ijs, (of soo sommige spreeken) ies, dat sou’ dan sijn in ijs veranderen: gelijk waarlijk niet alleen waater, maar ook bier, wijn, olie, ens. in ijs veranderdwerd: sie de vojagien naa het noorden.
    VRIJBUITEN, rooven, op vrijenbuit uitgaan, en daar van een vrijbuiter, sie, buit.
    VRIJFHOUT, dit woord komtvan hout, en vrijven: als sijnde een hout, dat een vaartuig voor het vrijven, enschuuren teegen andere vaartuigen bevrijd: deese gebruiken de meestebinnelandsvaarders: een vrijpaal beteekend bij de huislui een paal, die men set in de wei’, op dat de beesten daar teegen sig souden vrijven, ens. een vrijver, daar men meede kisten, en kassen vrijft.
    VROEGKOST. of bijverkorting vroekost, den ontbijt, tescheep is dit een gewoonte, dat’er grutte geschaft werd, sie, grutte.
    VUIL, beteekend in het gemeen bestooven, beslikt, begroeid: en daarom werden de scheepen gesegt vuil te sijn, als sij onder waater seer vervuild en begroeid sijn: soo ook vuilen, of plaatsen, en gronden, die vuil en steenagtig sijn: sie, de Bruin in Embl. p. 21.
    VUILENBRAS, of weekbak, het welk is de tobben, of de kuip, daar de varsebaalie het soute vlees, ofsoutevis, ens. in vervarst: en wat wonder dat soo kuip vuil werd? dit woordwerd ook tot kinderen oovergebragt, die ongemeen morsig sijn: soo seid men, jouw vuilen bras!
    VULLINGEN komt vanvullen, de beschrijving van dit woord op sijn scheepstimmermans geeft in het breede W. p. 55 en de afbeeldsel N. 6. dat de nieuwsgierige genoeg sij totnaarigting.
    VUUR, anders genaamdvier: konstaapel geef vuur, schiet: waar van, vuur aanleggen: een vuurstooken: het welk oneigendlijk beteekend twist, en tweedragt rokkenen: hijstookt het vuur van oneenigheid: vuur beteekend ook moed, wakkerheid: daar isvuur in: waar van vuurig, [p. 344] moedig, kittig: hoe wel vuur envoornaamendlijk koud vuur, en vuurigheid: ongemakken sijn deslighaams: van vuur komt vuuren, en heeft verscheidebeteekenissen: voor eerst vuuren beteekend stooken: wanneer sulje beginnete vuuren? een huisselijke manier van spreeken, als het naa de winter gaat: vuuren beeteekend ook een teeken met vuur geeven: gelijk tot dien einde vuur baaken, en vuur boeten, werden ontsteeken: en voornaamendlijk vuurd men in nood, om hulp daar door teversoeken, vuuren beteekend ook, vreugde vuuren ontsteeken, het welkgeschied oover eenige ooverwinning, of vreede, die verkreegen is, de gemeeneman noemd het victorie branden: vuuren werd ook de see toegeschreeven: de seedie vuurd: sie struis in sijn Vojagie p .... van vuur komt verders een vuurslot: waar van, het is soo fiks, als een vuurslot: dat is oneigendlijk, het is soo kant als een dobbelsteen, een vuurkleed, kleeden, die mengebruikt, om brand te verhoeden: als seilen, en die nat gemaakt, soo ookossehuiden, ens.
    WAADEN, komt van waade, of nu gesegt een wed, en daar van de watten, loca vadosa, want dat sal mij ligtelijk toegestaan werden, dat de Hoogduitse een T voor onse D gebruiken: immers als haar bekend is, dat de saak met de woorden oover eenkomt gelijk wij weeten, dat deese watten droogtens sijn, van Holland sig noordwaarts aan uitstrekkende: waar van, een watkonvoojer, die de smakken oover de watten inveiligheid geleid. afkomstig van het Latijns woord vadare: het welk niemand vreemd kan dunken, dit weet, dat de V bij haar de kragt heeft van onse W: als vinum, Wijn: vallum een wal, ens. waaden: dan is door het waater lobberen, ens.
    WAAG, komt van waagen, het welk mij dunkt (onderverbeetering het selve met weegen: gelijk de A en E dikwils onder malkander vermengd werden: peerden paarden: sweerdenswaarden: soo is dan een waag deplaats, daar gewoogen werd: gelijk tot gerief van ieder sulke gebouwen in desteeden ens. sijn opgeregt, waar van een waagdraager, een arbeider aan de waag: en werd totAmsterdam onder- [p. 345] scheiden van eenvrij man aan de waag: waaggeld, geld, dat men voor het gerief van het weegen geeven moet, de waag, een waagschaal, de schaal, daar men meede weegt: iets in de waagschaal setten: beteekendoneigendlijk, iets in gevaar stellen: dieluiden stellen haar goederen in de waagschaal: een waaghals, een roekeloos mens, die sijn leeven niet en agt, maarhet selve buiten nood in gevaar steld: hoe seid Lucretia van haar man Collatinus, bij Ovid. in fastis?
                                    Sed enim temerarius ille?
            Est meus, & stricto quolibet ense ruit.
    waagen (gelijk uit de voorgaande woorden) blijkt beteekend somtijds in de waag schaal setten: waar van, die waagd die wind: het moetgewaagd sijn: waagje niet, soo hebjeniet: voorts beteekend waagen inroeren sijn, de geheele stad waagde daarvan: of misschien, de geheele stadgewaagde daar van, dat is, had daar haar mond vol van: want gewaagen beteekend praaten: soo seidmen, ik heb daar van hooren gewaagen, verhaalen, vertellen: waar van, gewagmaaken: mentionem facere.
    WAAGER, sie, balk, en daar in balkwaager: sie W. p. 55. N. 5. en 6 van waager komt waageren, de waagers metnaagels vasthegten, ens.
    WAAJEN, beteekend het beweegen van de lugt: ik agt het soo veelals de wind, die daar waaid! dat is, niet met al: waajen met alle winden: beteekend oneigendlijk, de huik naa de windhangen, faalie vouwen, en voor al ongestaadig sijn: het is mij door het hoofd gewaaid: dat is, het is mij schoonvergeeten: van waajen komt een waajer, een juffers gereedschap, om daardoor bij warm weer eenige koelte door het beweegen van de lugt te verwekken.Voorts aanwaajen, waar van op sijn plaatste sien is: het sal uuw soo niet aanwaajen: afwaajen, hij liet de vlag agter afwaajen, omwaajen, omverwaajen: opwaajen, de wind die wil niet helder opwaajen: verwaajen, van sijn plaats waajen: daarverwaaid niet een blad: dat is, het is gants dood stil, verwaaid door de wind bedorven: enonstuimig: het is verwaaid weer, sie, onweer: de kaars verwaaid: dat is, het [p. 346] kaarssmeer smelt te eer, door dien de wind de vlam teegen het smeerte lijwaarts aanslaat: uitwaajen, laat le vlag uitwaajen, dat is, laat de vlag niet ten deele, maar geheelen al, sonder vouwen uitwaajen.
    WAAKEN, beteekend in het gemeen de wagt houden: en in het besonder des nagts: wie sal van deese nagt waaken? wieheeft bij de sieken gewaakt? waar van, eenwaaker, een waakster: een waaker beteekend ook te scheep een endlond, dat tot gerief van de maats nagt en dag brand. Waaken beteekend ook sorgdraagen, en dat blijkt als men seid, een waakend oog houden: waaken beteekend ook iets te kennengeeven: als een waakende boei, dat is, een boei, die aanwijst, waar het anker leit, sie, boei.
    WAALEN, beteekendwellen, sig verspreiden: en dit werd eigendlijk het waater toegeschreeven: waarom een Waal, en wel, een draaikuil kan genaamd werden: te Amsterdam noemd men de Waal, eenplaats rondom met paalen afgeschooten, daar de groote scheepen voor storm, enijsgang, veilig leggen: waar van een Waalredder, een man, die de Waal red, dat is, opruimd, en klaar houd: weshalven het genoeg blijkt, dat men verkeerdelijksomtijds dit woord hoord veranderen in een Waalridder: ten waar men het spotsgewijs wilde gebruiken, gelijk het woord Ridder in andere geleegendheeden welgebruikt werd: het is een bedroefdeRidder, ens. van kleine scheepen werd het genoemd de jagthaaven: als voor de speeljagjes alleen gemaakt: van Waalen komt het dat men seid, het tij Waald, het tij kenterd, en veranderd: in het gemeen beteekend Waalen ongestaadig sijn, de naald van het kompas Waald: dat is, de naald draaid heen en weer: sij houd geen streek: sie het woord kompas: dit Waalen schrijft ook Hoofd in de voorreeden van sijn Embl. het gemoed toe, als hij seid, door ’t Waalen van sijn moed, ens. soo werd dit woord Waalen ook de menssen toegeschreeven, als sij het warren soeken, en selfs niet enweeten, wat sij willen: waar van hoelegje soo en Waald? waartoe sal datWaalen beduien?
    WAAMEN, beteekend demodder op doen wellen, het [p. 347] welk als het door de stroom, of het tijgeschied, dan seid men, het tij waamd.
    WAARINGEN, komt van waaren, bewaaren: en soo sijn die niet anders als planken, die ietsafschutten, en voor ongemakken behoeden, en hier van legwaaringen, ens.
    WAATER, een bekende hoofdstof, waar uit de see en rievieren bestaan: en naademaal dit woord sigverre uitbreid, soo sullen wij eerst sijn eige beteekenissen, en daar naa deoneigendlijke oplossen: waater werdvoor eerst verdeeld in soet, en brak, of soutwaater: soetwaater is, dat of uit den Heemel neederdaald, dat anders reegenwaater genaamd werd, of uit de rievieren, en putten geschept, of gepompt werd: soutwaater, is, datuit de see is, brakwaater, dat met soet, en sout waater vermengd is: voorts werd het waater gesegt staande, of stroomend, dat is vloejend: staande waaters, dat sijn poelen aquae stagnantes: stroomendwaater, dat geduurig in beweeging is: dog hoe dieper gronden, hoe minder dat de stroom gemerkt werd: waar van, stillewaaters hebben diepe gronden: het welk oneigendlijk beteekend, luiden diestilswijgen, die weeten meer, als die geen die, veel praats hebben: en inquaader sin: sij sien of sij geen vijf tellen konden, en sij hebbender wel tienin de mouw: sij hebbense (seggen sommige) agter haar ooren: daarenbooven werd holwaater, en slegt, en vlakwaater teegen malkander gesteld: het eerste is, als de see, of waateren door de wind ontsteld sijn: het andere, cum placidum ventis stat mare, gelijk Virg. in Eclog. seid, als de dood stil weer is: vallendwaater, wassendwaater, werden ook teegen den anderen gesteld, het een is als het van eb, het ander, als het van vloed is, of komt: soo ook, hoogwaater, laagwaater: hoog en laag naa tijdsgeleegendheid: egter het is hoogwaater, beteekend oneigendlijk, mijn blaas is ooverlaaden: ik ben genoodsaakt te waateren: daar is ook onderscheid tussen binne en buitewaater: binnewaater is, dat binnens dijks, buitenwaater, dat buitens dijk is: beslootewaater, of toewaater, en oopenwaater: beslootewaater is, als het waater toegevrooren is, oopenwaater, als het niet be- [p. 348] vrooren, maar ontdooid is: het is nuweeder oopenwaater: van Waater koomen deese spreekwijsen, wat waater in sijn Wijn doen: en beteekend wat toegeeven: seil minderen, swigten: in sulke Waaters vangt men sulke vissen: dat is, men krijgt loon naa werken: veelWaaters vuilmaaken: groot boohaamaaken: hij is verdronken eer hij Waater kende: dat is oneigendlijk, hij is geknapt, hij heeft seer los te werk gegaan: hij heeft sig vergreepen: Gods Waater laaten gaan oover Gods Akker: fuis laaten wentelen: fioolen laaten sorgen: sig nergens meede bekommeren: booven Waater sijn, geen vrees hebbenvoor schaade: wel te Waater willen, wel onder Waater willen: gaarn met sijnneus in het nat sijn: natgierig sijn. Waaterscheppen: oneigendlijk soo scharp bij de wind seilen, dat het Waater te lijwaart in het vaartuigloopt: soo seid men, wij schepten Waater: veel Waater laaten vallen: het welkdie scheepen gebeurd, die voor breeder sijn als agter: veel Waaters trekken: diep gelaaden sijn: en diep gaan: tussen waater en wind, tussen Heemel enaarde, oneigendlijk waifelen, geen sijde kiesen: de slag van ’t Waater, dat is, het geweld, dat het Waater baard, als het ergens teegen aanslaat: doorwaateren, het Waater indrinken, dat goed is doorwaaterd: inwaateren, verwaateren het selve: uitwaateren, sijn waater loosen, waar van een uitwaatering, een Waaterloosing, ens. de saamengestelde woorden van Waater sijn een waatering, anders gesegt Weetering, een gemeene boesem van polders. Waater beteekend oneigendlijk pis: sijnwaatermaaken: sijn Waater loosen: het Waater besien: sijn Waater ophouden: en hier van een Waaterbordje, een Waatersteen: een waaterpot: ik moetwaateren: Waater, waatersugt: hij heeft het waater: hij is waatersugtig: endelijk waater beteekend sterken drank, ens. lekkerwaater: sterkwaater, waater datinbijtende is: en ten dien opsigte sterk, ens.
    Waaterbord, of halsmast, W. p. 56.N. 14. Waatergang, of lijf hout, oflegwaaringen. Waaterhond, een hond die geleerd is te waater te gaan: en hier van, een goede Waaterhond siet geen modderigesloot aan: oneigendlijk, men moet soo naauw niet schouwen: men moet geen ongemak ontsien.
[p. 349]
    Waaterkant, de kant van het waater, wij woonen aan dewaaterkant, dat is, aan de see, of rievier.
    Waaterloop, de loop van het waater, soo ook een waaterloosing, waar langs het waater geloosd werd.
    Waaterlanders, die in Waaterland woonen: waar van, de Waaterlanders quaamen op den dijk: dat is oneigendlijk, de traanen quaamen in de oogen: want sij sijn niet gewoonop den dijk te koomen, of het moet al groote nood doen: gelijk ook dieschreien, sig inbeelden in groote nood te sijn.
    Waatermoolen, een moolen, die hetwaater uit de polders uitmaald: siehier op de Sinnepop van Roemer Visser: in het eerste Schok, de 40. hoe wel een Waatermoolen ook in priapeiis beteekend naturammuliebrem. Waaterpas, gelijks het waater: waar van, waaterpas schieten. Waaterschip, beteekend eigendlijk een schip, dat waater haald: dog deese sijn totAmsterdam tweederlei, te weeten, de eene, die om soutwaater vaaren, voor de soutkeeten, en de andere om varswaater voor de brouwers, welk laatste ook een Waaterschuit genaamd werd: voort een Waaterschip beteekend ook een schip met een beun, en bij uitneemendheid die geene, die de Amsterdammers de varsse soo’ verschaffen: en hier van daan: het is Waaterscheeps goedje: het sijn Waaterscheepse botjes. Waaterschuit, sie, waaterschip. Waaterseil, een seil, dat dienstig is voor een schip bij stilweer, en voor stroom, om te spoediger voort te geraaken: een waatersteen, of gootsteen.
    WAIFELEN, laveeren,faalievouwen: gelijk Hoofd seid in sijn Neederlandse Historie pag. 183. elk verstond datwaifelen wel: elk verstond wel, dat het geveinsdheid was, ens.
    wak, of swak, swakte, of swakke stee’, of plaats in het ijs: de Amsterdammers seggen een wrak, waar van op sijn plaats breeder: WAK beteekend ook vogtig: hetis wak weer: te weeten, dat het ijs wak maakt.
    WAKKER, werd gesteldteegen slaaperig: en soo seid men, ik benwakker: iemand onsagt wakker maaken: oneigendlijk, iemand sijn schaade, of smart, doen gevoelen: wakker werd ook gesteld teegen lui, enloom: het is een wakkere vent: het is een wakkere vrouw: wakker is ook een woordje om ie- [p. 350] mand aan te moedigen: wakker als man!saa! wakker! lustig! wakkeren beteekend aanwassen, vermeerderen: dewind, die wakkerd: de neeringen diewakkeren. Utinam!
    WAL, sonder twijfelafkomstig van het Latijnse woord vallum: de reeden hebben wij voor heen getoond in waaden: en soo is een wal, een bolwerk, ofschans van een vesting: of een dijk, die teegen het waater leit: hier neemenwij het voor het laatste: van de walafsteeken, wegvaaren: van de wal inde sloot: oneigendlijk oover het paard helpen, quaaden raad geeven: gij sijt van de wal: gij sijt van uuwstuk af: het raakt kant, nog wal, het sluit niet: ten raakt niet: bij de wallangs: oneigendlijk tussen de droppelen deur: en hier van, bij de wal langs, soo vaart men seeker: medio tutissimus ibis, houje wat laag, soo werdje niet geschooten: aan de walblijven: aan land blijven: niet see gaan: van wal komt en hoager wal, en laager wal: aan hooger wal sijn, gelukkig: aanleeger wal sijn, ongelukkig sijn: ietsin de wal schuiven: een stok in ’t wiel steeken, iets verhinderen: van wal komt burgwal, dat ook wal genaamd werd, is eigendlijk een wal van een burg, of slot, en ruimergenoomen van een stad: waar van een Burger, een man, die in een bemuurde plaats woond, en voor al van steeden: en soo een Burge, of Burgermeester: die oover een Burg, en haar Burgers, of inwoonders te seggen, en te gebieden heeft: het Burgerregt, het regt om in een stad te woonen, envoor een Burger erkend te werden: hij is daar al Burger: dat is, hij isdaar al bekend, hij is daar als kind in huis: de gewoonte heeft gemaakt, datmen onderscheid vind, tussen een Burger, en een Poorter, en een Burgers kind, en Poorters kind: een Burger werd gereekend, die het Burgerregt heeft van weegen sijn geboorte, een Poorter, die het Burgerregt, of liever Poortersregt, gekogt heeft, die nu vaneen Burger gebooren werd, is dan een Burgers kind: maar die van een Poorter gebooren werd, is een poorters kind: dog die van een Poorters kind gebooren werd krijgt denaam van Burger, volgens de gewoonte(soo ik meen) van Amsterdam.
    WALVIS, een bekende vis, die sig ontrent Groen- [p. 351] land, ens. onthoud, Juvenalis Satyrâ 10. noemd hem balaena Britannica, is een seer lomp, en log beest, welkers vis (van weegen sijn vettigheid) spek genaamd werd, Walvisspek, waar van traan gekookt werd: de kaaken werden Walvisbeen genaamd, waar van het gemeene woord balijn, als koomende van balaena, of het Griekse woord βαλάινη: als een soort van been, koomende van een Walvis: die geen nu, die uitvaart om Walvissen te vangen, werd een Walvisvanger genaamd: en de daadselfs de Walvisvangst: sie, spek, harpoen, ens.
    WANHOUT, soo men op desaamenstelling van dit woord let, soo sal men bevinden, dat het uit twee leedenbestaat: het eerste is wan, en het ander hout: wat wan aan gaat, ik wil den leeser hier indagtig maaken, dat voorheen op het woord wal gesegt is: waar uit ik besluit, dat wan beteekend, of het selve is, met vanus, de Latijnse uitgang afgetrokken sijnde, (en dat wel aan te merken staat) va en vanus is lang: en soo ook wan, dat is, waan: hout, dat gewaand werd hout te sijn, maar het is bedorven, en geen goed hout meer: want van wan komt wanhoop, wanscheppel, wangelaat, wantrouw: allewoorden, die genoeg beteekenen, en uitdrukken, de kragt van het woord vanus.
    WAND is een woord, dat tweesins genoomen werd: of voor de muuren, en sijden, van een huis, ofgebouw: of voor het touwwerk, dat gespannen, of op een schip los staat, waarvan, staand, of loopend wand. een wandtaalie, dat is een taalie, die in het wand gebruikt werd: voor een muur vaneen huis werd het genoomen, als men seid: hangde schilderij aan de want! hij kleefd aan de wand. ens.
    WANG noemen de Leienaars een koon, en de Latijnisten mala, gena: te scheep beteekend het eenklamp, die naa de mast, ens. aan de eene sijde werd uitgehold, als een wang, of koon: en soo een wang, of wangen, sijn dienstig om een mast, of iets anders, dat swak, ofgebrooken is, te vervangen.
    WANTEN, bootsgeselshandschoenen: trek uuw Wanten aan! trek uuw Wanten uit! ens.
[p. 352]
    WANTIJ, een tij, die van twee sijden komt, endienvolgens in het midden stuit: het woord wan hebben wij in het voorgaande woord uitgeleit, sie, tij.
    WAPPER, beteekend de schop: iemand de wapper geeven: iemand de schop geeven: waar van, wapperen: hoe wapperd het seil soo! hoeslingerd het soo! ens.
    WARLEN, warren, wellen, kenteren onder een de stroom warld, of dwarld: warling, dwarling, en daar van een dwark wind, ens.
    WASSEN, beteekend tweedingen, eerst, met waater schoonmaaken, dat ook spoelen genaamd werd: hoe welbij het vrouwvolk daar nog onderscheid in is: want wassen noemen sij met warmwaater, en seep, iets schoonmaaken: onse kleeren (dat is linnegoed) werd gewassen: onse kleeren sijn naa de was: dewas oover de vloer hebben: de wasopdoen: wij laaten uit wassen: wij wassen t’ huis: ens. van wassen komt een waster, en soo het een man is, een wasser, waar van bij veragting, Jande wasser. Spoelen, in koud waater wassen: spoel een roemer, de rest op het woord spoelen: wassen beteekendten tweede groejen aanneemen vermeenigvuldigen: het Waater wast: de Maan wast: de Boomen wassen, ens.
    WEBSCHEEREN, dit woordbestaat uit twee deelen, te weeten een web, en scheeren: een web beteekend in het gemeen een seekere lengte van linden, en dat in een gerold: waar vaneen web linden: scheeren nu beteekend hier niet afsnijden: maar uitspannen: als mendan seid, een web scheeren: soo werddaar door verstaan, de draaden soo lang uitspannen, als het web weesen moet: naa deese gelijkenis werd ook bij scheepstimmerlui gesegt, eenwebscheeren, als sij de latten spijkeren, waar naa het beloop van het schipwerd aangeleit, ens.
    WEEDER, of in eengetrokken wêer: mooi weer: waar van, mooiweer, en geen haaring: het welk oneigendlijk beteekend, alle ding is meutje, maar de schouw rookt ’er niet van: in troebel waater is het goed vissen, ens. mooi weer speelen, Vioolen laaten sorgen, sijn hart ophaa- [p. 353] len, optrekken, ligtmussen. handsaam weer, schoon helder weer: daarenteegen leelijk weer, vuil weer: nood weer, dat is, waar door veelmenssen, en voornaamendlijk op see swervende, in gevaar koomen, om haar goed, en leeven, te verliesen: wat was het tenagt een nood weer! vogtig, deisig, dik, donker, dookig, mottig, onstuimig weer: sie alles op sijn plaats: weeren wind diend hem: het gaat hem naa wens.
            O nimium dilecte Deo, cui militat aether,
            Et conjurati veniunt ad classica venti.
    Beweeren, door het quaade weer opgehouden werden: wij waaren daar beweerd: weerwijs sijn, sig op het weer verstaan, en kunnen sien, of het mooi, of leelijk weer, sijn sal.
    WEEDER, beteekend somtijds weederom, en soo ook weer: sulje het weer doen? een weerhaan: een werktuig staande op een toorn, hebbende de gedaante van een haan: sie Roemer Visser in sijn eerste schok de 35. sinnepop: het welk met dewind heen en weer gedraaid werd: oneigendlijk beteekend het een mens, die seer veranderlijk van sinnen is: vertumno inconstantior: weerligt het schitteren van de bliksem sonder slag, bij de Latijnisten genaamd fulgetra: waar van weerligten, het weerligt: om dat het dan duister, endan weeder ligt werd. Weerreis, of weederomreis: waar van de weerreisgeeven, sie, reis. Weerstroom, of weederstroom, de stroom die teegen een schip aankomt: slenderhinken seid, dat hij de wedderstroomkreeg: en dat is braaken. Weervaaren, weedervaaren, nog een maal vaaren, of weederom vaaren: oneigendlijk werd het gebruikt in het volgende: denk eens wat mij is weedervaaren! dat is, wat mij gebeurd is! ik moet uuw mijnweedervaaren verhaalen: sie, vaaren. Weertij, een verandering van het getij, waar van alle tijen hebben haar weertijen, sie, tij. Weerwind, een draaiwind, sie, wind.
    WEEREN, is een krijgsman woord, en beteekend afkeeren, dat is, (als men geslaagen werd) weederom durven slaan: en daar van sig teweer stellen: sij weerden haar [p. 354] dapper: en met het tesaamengestelde woord verweeren: weeren beteekend ook sijn best doen: weerje als een man! van weeren mkomt af weeren, af keeren: beweeren met reedenen bevestigen: causam defendere: hij beweerd die saak seer wel: verweeren, te weer stellen, en oneigendlijk, sijn stuk staande houden: hij wist sig nergens mee’ te verweeren: waar sijn de verweerders: hoe is die verweering in sijn werk gegaan: ens.
    WEEKBAK, dit woord komtvan week, en bak: week beteekend driedingen: eerst de tijd van seeven dagen: datheeft soo veel daagen, weeken, maanden, jaaren, geduurd, ten tweede slap,murw, dat brood is week, die peer, appel, pruim: het is een hard man op een weeke kaas: dat is oneigendlijk, hij is, lijkt, of wil lijken, stark te sijn: maar hij is weekelijk van lighaam, een regte weekbak, dat is week gebakken: waar van, weekelijkheid, swakheid: ten derdebeteekend week, geweekt, als koomende van weeken, of op sijn Seeuws, en Vlaams, weiken: waar van, week maaken, en verversen: werd de stokvis geweekt, soute vleesof vis ververst, en daar diend de weekbak, of kuip toe: iemand week maaken, oneigendlijk, iemand gedwee maaken: ikmaakte hem soo week: hij is week inden boesem, het selve: hij is weekin de beurs, sijn beurs is niet wel voorsien.
    WEEVEN (seid men) vooreen spreekwoord, is een goed ambagt: maar schoon het eenig geld opbrengt: eevenwel is het heedendaags in kleinagtig: want de kunst gaat om brood de ouden hebben Minerva, of Pallas de vinding toegeschreeven:Hoe wel de ongelukkige Arachne voorhaar in kunst niet en begeerde te wijken: die meer begeerd te weeten van ditdroevig voorval, die lees Ovid. Metam. 7. Daar sijn’er, die meenen (enniet buiten reeden) soo sij seggen, dat de Weefkunst van Adam door de weereld verspreid is: dog alsoo haar bewijs maar vrouwelijkis, soo laat ik het daar: want voor mij, ik wil wel rond uit bekennen, dat ik geloof, dat’er een boefje schuild: en dat sij al te vrouwelijk om haar hart sijn. Weeven, dan geeft de naam aan een Weever: want schoon de grootste Prinssessen, en [p. 355] Kooningen Keiserinnen eertijds deese konst hebbengeoeffend, het is heedendaags de manier niet: van Weever komt het seggen: hetis of hier een Weever vrijd, te weeten, wanneer een kaars niet wel, ofdonker, btand: soo ik geloof hier uit gesprooten, dat de Weevers, of Weevertjes bij kleine lampjes, en dunne pitjes Weeven: dog soo dit Lucretia, die magtige Dame, tot geen oneer sterkte, als een teeken van suinigheid, sie, Ovid. in Fastis lib. ... alwaar hij seid,
            Lumen ad exiguum famulae data pensa trahebant.
    hoe veel te minder de Weevers, dewelke verscheiden sijn, Linneweevers, Greinweevers: Wolleweevers, Lintweevers, ens. van Weever, Weeverij: Weeftouw, of, Weefgetouw: hij is van het Weefgetouw afgesprongen, hij is van ’t Weeven verlost: hetwoord Weeven is ook te scheepgebruikelijk, en dat blijkt uit Weevelingen, dewelke sijn touwetjes, die tussen de hoofdtouwen gespannen, of geweeven werden, dienende voor debootsgesellen, als, om naa de mars te klimmen.
    WEGDRIJVEN, het woordje weg beteekend van ons af, van ons weg: soo weggaan, wegloopen, wegvaaren, wegdrijven, sie, drijven.
    WEISCHUIT, is een schuit seer ligt, enrank, dat de Weilui gebruiken om geswind door het waater te vaaren, en vaardiglijk oover kaaden, en dijken, gesleept, en door het veld gedraagen te werden: wat het woord Wei aangaat, in de eerste schijn, soolijkt het wel te koomen van een Wei, of Weide, daar beesten geweid werden: maar het woord Weiman geeft gedagten tot iets anders: want een Weiman is een wildschut, endie sijn gewoon de beesten ten eerste te ontweiden: dat is, het gedarmte daar uit te haalen: en derhalven soo geef ik het den leeser te bedenken, of het niet van Weid, dat is, ingewand afkomstig is: immers die seide, dat een Wei’ of Weide, pascua daarom soo genaamd was, om dat sij de beesten haar Weide, dat is, ingewand haar voedsel verschaft, die soude mijns bedunkens niet buiten het spoor sijn, en dan was dit geschil geheel, en al, ter needer geleit: dog ik laat ieder sijn vrijheid om teoordeelen: [p. 356] en soo dit goed is, en iemand een goed Weiman is, die steek het in sijn Weitas, sie, Fokkenburgsklugt van de Weierij, want het sou’ mij soo wel niet passen van de Weierij te praaten.
    WEL, of wiel, draaikuil, enhier van wellen: sig opwaartsbegeeven, sig beweegen: en daarom werd het ook van de saus of doop, of sop, gesegt: meid je moet de saus welwellen! en, als het wel geweld is, dan sal ’t niet schiften: en hier van een Welgrond, een grond, die altijd door kagt van het waater opweld: welsand, drijfsand, sand, dat niet vast leit, maar driftig is.
    WELVAART, welvaaren, sie, vaaren.
    WENDEN, draajen: en hier van, ik weet niet waar ik mij wenden of keeren sal! nescio quo me vertam! het schip wil nog wenden, nog keeren: dat is, het wil de eene, nog de andere weg: het is de wend teegen de keer: het is dwars teegen de man aan: het is of men met het hoofd teegen de muur wilde: van wenden komt aanwenden, naa toe wenden: en daar van vlijt aanwenden: alle moeite aanwenden: dat is in het werk stellen: af wenden, af keeren: iemand af wendig maaken: iemand afkeerig maaken, en bij gevolg raaden tot afval: afkeeren, afweeren: dit is een woord van een vreedsaam man, die niet smijten, nog vegten wil: maar alleenlijk af keeren wilhet geweld, dat hem werd aangedaan: soo kan men seggen eenvouwdig bij sijn neus neer: ik heb niet gevogten, maar ik heb maar afgekeerd: vim vi repuli: inwendig beteekend het teegendeel van uitwendig: het schort die man inwendig, dat is in de verhoole gedeelten van het lighaam: het schort hem uitwendig: dat is, dat men met de oogen sien, ofmet de handen tasten kan: voorts sij isinwendig net, sij gaat niet opsigtig: sijgaat uitwendig, dat is voor het oog kostelijk: en hier van, uitwendigheid, ens. omwenden, omkeeren: ik wend het om en om, ik ooverleg hetop veelerlei wijsen.
    WENKEN, winken, iemand een teekengeeven: en dewijl dit met de oogleeden, of oogscheelen, geschied: soo kan menwel afmeeten, waarom men wenk, of Wink- [p. 357] breeuwen segt, want winken beteekend nuere, met een wink, nutu: nu breeuwen beteekend digt toestoppen, endat doen de winkbraauwen: want sijbepaalen, hoe ver de oogleeden sig naa het voorhoofd uitstrekken.
    WERF, sie, scheepstimmerwerf: een werfboot, een boot ten dienste van een scheepstimmerwerf, sie, W. p. 185. N. 3.
    WERK (genoomen voor herpluis, of het vuilste van hennip en vlas) is datgeen, waar meede de naaden, en voegen der planken aan scheepen, en bruggen, digtgemaakt, of gebreeuwd werden, de bijtel daar het meede geschied werd een werkbijtel genaamd, sie, W. p. 185. N. 3. daar iswerk als vlas, het welk dubbelsinnig geseid werd: want werk kan genoomen werden voor arbeid, en dan beteekend het, daar is oovervloedig werk: of anders het issoo schoon werk, of het vlas selfswaar.
    WERK, arbeid: werken: arbeiden, nu mannen aan uuw werk! elk weet sijn werk: die niet en werkt, die sal niet eeten: een Wijnwerker: werken werd ook een schip, en wijn toegeschreeven: van een schipwerd gesegt, dat het werkt, als hetdoor het geweld der baaren op en neer springt: en de wijn werd gesegt te werken, of te arbeiden, als sij ruid, enkarteld.
    WERPEN, beteekend smakken, goojen, en daar van een werp, dit woord werd oneigendlijk genoomen voor de dobbelsteenen werpen: waar van, werp weg! hij werpt seer gelukkig, ens. dat is een braave, dat is een slegte werpt: een werpanker nu beteekend een anker, dat bequaam is om terstonduitgeworpen te werden: een werpnet, dat niet uitgespannen: maar met een werp, of worp in het waater gesmeeten werd: van werpen koomen veele tesaamengestelde woorden: als aanwerpen, toewerpen: afwerpen, van booven needer werpen: oneigendlijk voordeel aanbrengen: dat magniet veel af werpen, dat mag niet veel opbrengen: inwerpen, insmijten: omwerpen, om ver werpen: onderwerpen, onder de voet smijten: oneigendlijk onderdaanig sijn, of ook onderdaanig maaken: hij wil sig dewetten niet [p. 358] onderwerpen: hij wil sig niet onderwerpen de magt desKoonings: ontwerpen beteekend, een ooverslag, een schets maaken: wie heeft die saak, of dat geschrift, ontworpen? en soo, een ontwerp van een saak: opwerpen, om hoog werpen: de see, de grond werpt op: werp op! oneigendlijk op de baanbrengen: wie heeft dat eerst opgeworpen? het beteekend sig verheffen, of sig iets onregtvaardiglijk aanmaatigen: hij wierp sig op voor Kooning: hij wierd voor Kooning opgeworpen: verwerpen: van de eenen plaats werpen naa den ander, als ook van nieuwsopwerpen: die werp moet je verwerpen: versmakken, oneigendlijk, veragten, versmaaden: en hier van, hij verwerpt alle goede vermaaningen: men moet sijn oude schoenen niet verwerpen, eer men nieuwe heeft: waar meede te kennen gegeeven werd, dat men Aesopus hond niet moet slagten, dewelke naa de schaadu hapte, en liet het stuk vlees, dat hij in sijn bek had, vallen, uitwerpen, wegwerpen, ens.
    WERVELWIND, een draaiwind: want wat hetwoord wervel aangaat, dat beteekend(gelijk wij weeten) eigendlijk een werktuig van hout, dat men omdraajen kan, omdaar meede iets te sluiten: dit seggen wij daarom, om dat dit woord moetonderscheiden werden van een grendel, die gemeenelijk van ijser is, en nietomgedraaid, maar ingeschooven werd: van dit woord wervel is afkomstig, en daar van te saamengesteld een wervelbeen, dat is een knook aanhals, of rug, die omgedraaid kan werden: wervelsiek, balhoorig: gij soud mij wel wervelsiekmaaken: gij soud mij door uuw lellen, en lemmen wel mal, en sot maaken, sie, voorts Kilianus op het woord worvelsiek.
    WERVEN, soo mij dunkt komt van een werf, of plaats: gelijk geseid is, en dan soude het in sig selven beteekenen van deeene werf op de andere loopen, gelijkde wervers gewoon sijn: maar werven nu beteekend aanneemen: waar van, volk werven: het welk ook uitkorswijl geseid werd, als men eenige vrinden, of gasten, soekt bij een teversaamen: van werven komt werver, werving: hier sijn werversgekoomen, om te werven: sal dewerving voort gaan? [p. 359] van werven komt verwerven, verkrijgen: kan ik dan geen troost verwerven, sie, werf.
    WEST, werd gesteld teegen oost: waar van daan Westewind: en soo werden alle plaatsen ten opsigte van haaregeleegendheid genaamd: West, Suiden,Noorden, Oost, geleegen te sijn: gelijk sulks van veele geleerden, ontrent dewoorden der Euangelisten, dat de Wijsenquaamen uit het Oosten, in haare schriften aangeweesen is: soo ook noemende Grieken Italien (om dat het in opsigte van haar westelijk aan geleegen is) Hesperia van hesperus de Aavondstar, soo seidVirg. Ecl....
        Ite domum saturae venit hesperus, ite capellae.
soo ook bij ons het Noorder gedeelte van Holland werd Westvriesland genaamd, ten opsigte van Vriesland, dat aan de oover sij’ van de Suidersee geleegen is: daar en teegen werd dat land Oostvriesland genaamd, dat ten opsigtevan dit selve Vriesland oover deRievier den Dollard geleegen leit: soo ook Suidholland teegen Noordholland, ens. als dan een seeman seid om de Westvaaren, om de Oost, om de Noordvaaren, soo kan men daar uit niet anders verstaan, alsdat hij vaart naa soodaanige gewesten, die op die streek van het kompas (tenopsigte van de Haaven, daar hij uitvaart) geleegen sijn: soo noemd men ook Westindien, Westindiesvaarder, als gesteld teegen Oostindien, Oostindiesvaarder, ens.
    WIEGEN, komt van wieg, het welk eenwerktuig is, waar in de kinderen gelegt werden, om door het beweegen der selvegesust, en in ’t slaap te raaken: wiegen dan is een wieg heen, en weerbeweegen: iemand in slaap wiegen, beteekend oneigendlijk: iemand onder schijn van vrindschap, en door goedewoorden, en beloften, bedriegen: dit woord werd ook van de scheepstimmerluidengebruikt, waar door sij te kennen geeven een vaartuig, dat op staapel staat, engereed is om af te loopen, los wrikken, en aan ’t glijen helpen.
    WIEL, heeft tweederhande beteekenissen: de eerste is, een rad van eenrampaard, ens. waar van spotsgewijs: [p. 360] hij wierd van een karos met een wiel ooverreeden, dat is, van een kruiwaagen: van wiel komt een wieltros, een tros, die aan een wiel tescheep gebruikt werd, sie tros, een stok in ’t wiel steeken, oneigendlijk een saak verhinderen: voorts wiel beteekend een wel, of draaikuil: endaar van de wielingen eenige droogte, en wellen ontrent de Vlaamse en Seeuwse kust: waar van, de scheepen sijn de Wielingen ingeloopen, sie, de Bruin in Embl. pag. 32
    WIER, beteekend gedroogd vlot gras: of het Latijnse woord Alga, waar van,
        Projectâ vilior Alga.
als sijnde een stof, die nergens toe en deugd: dog dit oordeelen de Noordhollanders, ens. niet: dewelke haar swaarste seedijken daar meede weeten hegt, en stark te maaken: van dit wier heeft het Eiland Wieringen haar naam, als sijn degeleegen op een plaats, daar seer veel wier gevonden werd: daar is een spreekwoord: hijsiet, of hij Wieringen in sou’ (te weeten, moeten inloopen) of gelijk andere willen de Wielingen: dat is, hijsiet of hij Viaanen verraaden had: dog beide komt het daar op uit: datiemand seer te onvreeden is, om dat hij tot sijn oogmerk niet en kan geraaken: want die om de west van daan koomen, in de Maas, of Tessel t’huis hooren: dienkomt het ongeleegen de Wielingen tekiesen: soo ook die uit Tessel of het Vlie, ens. naa Amsterdam willen, dieraaken van haar stuk, als sij op de Reede van Wieringen moeten koomen.
    WIG, of wigge de Latijnistennoemen het cuneus sijnde een hout, ofijser werktuig, waar meede hard, en quastig hout gekloofd werd: want (gelijkwij weeten) het is onder dun en scharp, en allensjes dikker naa booven, op dathet ingeslaagen sijnde met een mooker, of swaaren houten haamer, het hout tebequaamer soude doen splijten: van dit woord wig schijnt te koomen het woord wighart, dat is, soo hard, of die een hart heeft, als een wig: gelijk Alhard gantsen gaar hard, ens. het woord wig, sie, Roemer 1. 34. ens.
    WIJN, op het woord hout meenen wij getoond te heb- [p. 361] ben, hoe dat de V bij de Latijnisten de kragt heeftvan onse W. en daarom oordeelen wij(onder verbeetering) dat Wijn afkomstigis van het Latijnse vinum, te meer omdat de vi in vinum lang is, dat is, als of het geschreeven wierd wijnum: dat nu Wijn is het druivensap, dat is ten oovervlod bekend: want daar vaneen Wijnstok: een Wijngaard: Wijnhuis: Wijnkan: Wijnkop: Wijnmoer: Wijnsteen: Wijnvat: ens. maar een spreekwoord moetik hier nog in lassen, te weeten, iemandverkoopen, en geeven hem van de Wijnkoop te drinken: dat is, soo gaauw sijnbooven een ander, dat hij hem niet alleen buiten sijn weeten sal weeten te verkoopen: maar ook van het geld, datten besten gegeeven werd booven de koop, sal laaten drinken, sonder dat de verkogte het merkt: maar wat het te seggen is: die Wijn voerd, die Wijn drinkt, dat weeten de bootsgesellen alderbest, die ten spijt van kooplui met de Wijn leeven, of het roofgoed, en waater was: hij doet al Waater in sijn Wijn: dat is, hij geeft al beeter koop hij is soo trots niet meer, ens.
    WIK, waar van wikken, beteekend de proef ter naauwer nood kunnen uitstaan: en daarom seid men, het was wik, of wak, dat is, het was sus, of soo: het scheelde weinig of niet: want als ijs niet al te stark is, dan is het wik of wak, of men daar oover, of onder raaken sal: en derhalven soo blijkt de beteekenis van wikken, dat naamendlijk wikken is, gissen hoe veel swaarten ietsheeft: en oneigendlijk: hij wikte dat sooswaar: dat is, hij was daar oover seer swaarmoedig, ens.
    WIL, en willen sijn enden van dik touw, die in de plaats van vrijf houten, voor de boeg van klein vaartuig, gehangen werden, sie, vrijfhout.
    WIMPEL, beteekend een lange, en smalle, en gespleete vlag, en hoe wel haar gebruik tot sieraad voor een gedeelte strekt, soo is’er ook groote nuttigheidin, ten opsigte van opper en onder bevel hebberen in een vloot: van Wimpel komt* bewimpelen, beswagtelen: oneigendlijk, verbloemen, en bedekken, ens.
    WIND, dunkt ons afkomstig van ventus, op dien voet [p. 362] van wijn, en andere woorden: ’t is waar, dat de E in Ide T in D, veranderd werd: maar die het meerder toestond, sou die het minderkunnen weigeren? geensins: Wind nu(gelijk wij weeten) is een sterke beweeging van de lugt, en naa dat de selve sterker, of slapper: mee, of teegen is, soo bekomt sij ook haar naamen: een slappe Wind, een stijve wind, rukwind, stuitwind, wervelwind: een voorwind: een teegenwind: en daar van, vaaren met een voorwind, of voor de wind: vaaren met een teegenwind, ofin de wind, teegen de wind in, of op: bij de wind: beneeden de windsijn: booven de wind sijn: dat is, in lij’, of te loefwaarts: soo ook, dewind ruimd: de wind vierd, scherpt, krimpt in: dat is, de wind werd hoe langer, hoe beeter: en in de laatste voorbeelden, hoe langer, hoeslimmer voor de geen, die vaart: de winddraaid, keerd, loopt, schiet om: alle van een beteekenis: alleenelijk, dat het laatste tekennen wil geeven, dat het de wind schielijk veranderd: de wind quijt sijn, niet voort moogen, en oneigendlijk, niet wel bij sijn sinnen sijn: het niet vast hebben: in de wind houden, in de wind, bij de wind steeken, draagende houden: onder de wind loopen, teegende wind inkrimpen: in de wind opseilen, oplaveeren: oneigendlijk gebruikt het Hoofd in sijn historien pag. 145. voor in weerwil van sijn vijanden soeken booven te geraaken, sie, seil: de wind dood loopen: dat is, soo hard seilen, dat de wind niet volgen kan: het welk ik geloof in soo een geval te gebeuren, als de wind schielijk gaat leggen, en het schip nogtans sijn vaart behoud (permotum à motore impressum) op dien voet spreekt ook Hugo Grotius in sijn gedigten, gemaakt op de seilwaagen van Prins Maurits:
        Vela noti celeres non potuere sequi.
men seid ook oneigendlijk sijn selven dood loopen, dat is, sijn selven in de weeg loopen, niet opdoen, soo ook, dat sal sijn selvenwel dood loopen: schijnende te slaan op de spreekwijsen, iemand dood loopen, iemand dood drinken: hij sou’hem wel dood, en leevendig loopen, drinken, ens. in de wind werpen, in de wind slaan: niet een sier agten: agten iets soo veel als de wind: soogebruikt het de Bruin in Embl. pag. 95. [p. 363] en 259. de windinhouden, vind men bij Hoofd in sijn Hist. pag 29. en beteekendaldaar, sijn voorneemen niet oopenbaaren: niets laaten blijken, niet uitkoomen: hoe seer iemand ons de tong schrapt. Windin ’t hoofd hebben: wind breeken: windklooven: daar is wind aan de lugt! veel geraas maaken, pogghen, snorken: waar van een windbuil, windbreeker: de saaken gaan voor de wind: dat is, voorspoedig: de wind vlak in ’t oog hebben: oneigendlijk het seer quaad hebben, en gantsin de wind, sie, Hoofd pag. 44. vande wind leeven, dat is niet hebben te eeten, of te breeken: en daarom seidmen uit mismoedigheid: ik kan van de windniet leeven: ik help hulp en onderstand van nooden: een schipper mag geen wind verleggen: dat is, een schipper mag geen wind versuimen, sie, de Wisbuise regten 41. aan dewind gran: oneigendlijk, optrekken, ligtmussen, wind vatten, dit werd eigendlijk van de seilen gesegt, als sij doorde wind gespannen werden, oneigendlijk als men seid, ik heb een wind gevat: het kind is gequeld metwinden: het is maar wind! hetheeft niet te beduiden: dog dit sei’ Fop ook, maar hij bestruifde de seilen: van wind komt windrig: het is winderig weer: hoe is hij soo winderig? hoe heeft hij soo veel wind in ’t hoofd? hoe is hij soo woelend? windvank iets, dat wind vatten kan: een seid ter windvank stellen: ens.
    WINDEN, beteekend in sig selven draajen: en misschien gelijk de wind: en hier van een Windas, een as, of spil, daar men iets meede ophijsd: een Windboom, of spaak, daar een Windas meede kan omgedraaid werden: windegeld, dat een schipper toegeleit werd voor het slijten van taalien: een Windhaakje, dat aan de Windreep, vast is: soo ook het Windreepsblok, ens. van winden koomen verscheide saamengesteldewoorden: dog die alle uit haar selven genoeg bekend sijn: en daarom stappen wijdie oover: endelijk komt van winden, windelen, dat is, dikmaals winden, en daar van een windsel, een swagtel, ens.
    WINKEL, beteekend eigendlijk een hoek, Angulus: en daarom noemd men een Winkel, een plaats, daar men waaren in het voorhuis verkoopt, dat daarom een oopenwin- [p. 364] kel genaamd werd, in teegenstelling van een toewinkel, die binnens kaamers gehouden werd: dat nu een Winkel een hoek beteekend, dat leeren ons de Leienaars daagelijk, als sijvraagen, wie sit daar in den hoek? een hoek of hoekbank: een toonbank: daar en booven neemen wij het spreekwoord te baat: daar sijn soo veel schuilhoeken, en Winkels: een Winkelhaak, de haak, daar men de Winkels meede meet: hoe verre sij regthoekig sijn, of niet: want soo de Winkels niet regthoekig sijn, soo seid men, het is buiten den haak: het welk oneigendlijk genoomen, het en gaat niet soo als het behoord: het isbuiten de kerf: Winkelhaakjes ijsertjes, als Winkelhaaken totgebruik, om twee enden houts vast van een te vervangen.
    WINNEN, is een bekend woord en beteekend verscheide saaken, en in het gemeen, voordeel doen: soo seid men, deaanhouder, die wint: dat is, die neemt in het gemoed van die geen, die ietsgeeven kan: wij sullen hem wel winnen: dat is, op onse sijde brengen: wij hebbeneen sieltje gewonnen: de man is ons: geldwinnen: hij wint geld, als slik: tijdwinnen, uitstel neemen: en daar van het seggen: tijd gewonnen, is veelgewonnen: nam interim fiet aliquid: winnen beteekend ook verdienen: de kost winnen: hij kan sijn kost niet winnen: een stad winnen, een stad verooveren: hetregt winnen: wij hebben het regt gewonnen: waar teegen gesteld werd, het regtverliesen: van winnen komt winst, voordeel: dat bied winst: dat geefthoop van voordeel: winst eissen, geeven: winst lokt aan: de winnendehand is mild: dat is, luiden, die wel winnen sijn niet kaarig: van winnen komt aanwinnen of winnen, inwinnen: ooverwinnen, verooveren: waar van, oover winnaar, ooverwinning: het beteekend ook meer winnen, als men verteerd: ik heb al soo een seunoovergewonnen: ik heb al soo veel geld oovergewonnen: en daar van, ooverwinst: dat is de eerste ooverwinst: voorts verwinnen, met de tijd beeteren: ik kan dat ongemak nog niet verwinnen: uitwinnen voordeeliger sijn: datwind veel uit: dat kan niet veeluitwinnen, ens.
[p. 365]
    WISSEN, beteekend afveegen: waar van een wis, een naarswis, een stroowis, het is maar wisje? wasje? dat is oneigendlijk vraagen naa debekende weg: want men kan wel sien, of iemand wist, dan of hij wast, ens. een wisser, een dweil, en in het besonder, waar meede een stuk geschutswerd uitgewist: en hier van een wissersklos, sie, klos, een wissersstok, sie, stok.
    WISSEL, komt van wisselen, dat is, het een geeven, om, of voor het ander: geldwisselen: wissel mij dit geld! soo is dan een wissel een verwisseling, en vergoeding, van het geen men ontvangen heeft, of ontfangen sal, en soo werd het genoomen wisseltrekken: geld opneemen om opdeese, of geene plaats betaald te werden: wisseloover senden: oover maaken, aanwijsen wie, of waar eenig geld ontfangen moet werden: die geen nu, die daarsijn werk van maakt werd een Wisselaar genaamd: en de plaats daar van stads weegen der koopluiden geld bewaard werd, noemd men de Wisselbank: ik heb geld leggen in de Wisselbank: hetwoord Wisselbank werd ook met hetwoord bank alleen uitgedrukt: als: ik heb soo veel in de bank gebragt, uit de bank geligt: en daar van bankgeld in de Wisselbank gangbaar: van wisselen komt wisselvallig veranderlijk, onseeker: het wisselvallig lot: opwisselen, geld oover al opsoeken, endat wisselen: sij loopen het geld oover al opwisselen: verwisselen: veranderen: debeurten wierden verwisseld: verwisseling, verandering, ens.
    WOELEN, beweegen: en soo het eigendlijk beteekend wellen, (gelijk Kilianus schijnt te meenen) soo soude het soodaanig beweegen beteekenen, als men inopwellend Waater siet: woelwaater, Waater, dat altijd opweld, en geduurig in beweeging is: weshalven het ook voor een mens genoomen werd, die altijd woeld, en nimmer stil sijn kan: heer! hoe woelen de menssen: en daar van gewoel: ik ben sulk gewoelniet gewend: woelen voorts werdgenoomen voor bewoelen, dat is, ietsmet een touw berijgen: sijn de wangenalbewoeld? woeling, ens.
    WOLK, een vergaadering van dampen in de lugt, de welke naa haar geleegendheid, of tot wind, reegen, mist, [p. 366] snee, haagel, ens. gedijen: en hier van winderige wolken: reegenagtige, waateragtige Wolken: donkere Wolken, beteekennen oneigendlijk swaarigheeden, die sig als donkere Wolken opdoen, en gevaarlijk, en vervaarlijk schijnen: een Wolkvanger een pij van presenning, die de seelui des noods sijnde aantrekken, en voornaamendlijk bij buiig weer: soo dat wij met regtverwerpen de meening der geene, die meenen, dat men behoorde te leesen, bolkvanger, quansuis om dat het woord bolk een wijting beteekend, enderhalven, dat de vissers die bolk, ens. vangen, aanhadden onder het vissen.
    WORST, beteekend eigendlijk een darm met vlees, of spek gevuld: want dat met bloed, meel, rijs, gort, ens. gevuld werd, heeft de naam van een beuling: een bloedbeuling beteekend oneigendlijk een slegt hoofd, O jouw regte bloedbeuling! jou sullevaar! te scheep beteekend ditwoord Worst, een end oud afgekapt kaabeltouw gelijkenis halven.
    WRAAKEN, schijnt een oud, en goed seemans woord: en beteekend sig ongestaadig beweegen: soo seggen sij, de leelie wraakt, dat is, houd geen streek: dat wij te vooren getoond hebben, waalen genaamd te werden: soo vind ik ook, de Waagen wraakt in het spoor, de waagen slingerd, schokt: bij Hoofd in sijn Neederlandse Historien ontmoet dikwils: de getuigen wierden gewraakt: dat is, de getuigen wierden verworpen, en getoond, niet geloof baar te sijn: en dewijl dit een soort van wreeken is: sou’ het al gants ongerijmdsijn, dat wraaken van wreeken quam, of het selve woord was, verschillende alleen in uitspraak van letteren?
    WRAK, beteekend eerst een schip, dat verongelukt is, wij hebben de wrakken sien drijven: een wrak is een baak in see, sie, baak, hij bergde sigop een wrak: ruimer werd het bij de pottebakkers genoomen, te weeten vooreenig aardewerk, dat niet teenemaal leeverbaar is: en daar van een wrakke pot: het welk oneigendlijkbeteekend een beproefde maagd: en soo kan wrak al meede onder wraaken, of wreeken werden gereekend: om dat wrakke potten gewraakt dat is, verworpenwerden.
[p. 367]
    WRIJFHOUTEN, sie, vrijfhout.
    WRIKKEN, beteekend heen en weer beweegen: en dit is te scheep een soort van roejen met een lange riem, die agter uit een boot werd geleit, en van stuurboord tot bakboord beweegt werd: voorts ontmoeten ons deese manieren van spreeken: het en schrikt, nog en verwrikt niet: dat is, het wierd in het minste niet van sijn plaats bewoogen: soo ook het is onwrikbaar: het kan niet bewoogen werden: ’t is onwrikbaar door sijn last: of swaarre.
    WUIT, W. p. 516. leit het tweesins uit: eerst, dat het is een hout werktuig ontrent de spil, ens. ten tweede om schiemans gaaren op te winnen.
    WUIVEN, beteekend wenken, een teeken geeven, gelijk sulks veel van het bootsvolk met een muts geschied: als ook in tijd van nood met een hemd, ens.daar is een loopje onder de gemeene man: ik weet uuw wuiven wel! het welk (soo sij seggen) van een vrouw gebruikt wierd, die haar man aan een diefse galg sag slingeren (sed fides penes autorem) ten waar het een van dien aard was, daar petronius van spreekt: die haar doode man in de plaats van een galgbrok liet hangen aan de galge des kruisses: dog het was een platter, die soo hoogdraavend was in ’t spreeken.
    WULF, een verwulf, een vierkant Wulf, en daar aan werd de spiegel vastgehegt: soo ook wulf stutten, dat sijn stutten, die tot vastigheid onder het wulf werden geset.
    WURM, andere seggen Worm: een bekend bloedeloos dier, dog sij sijn niet alle van een soort: maar en verwagt niet leeser, dat ik hier in langwijlig sal sijn: want ik haast mij, en slagt de paarden, die haar stal beginnen te ruiken: van een kind seid men, dat het met Wurmen geplaagd is: soo ook een bolwurm: met de bolwurm geplaagd sijn: daar en booven: hij siet soo vriendelijk, als een oorwurm: hij siet nors, en als een bul, die stooten wil: de Wurm is’er in: soo het van papier, ens. geseid werd, soo verstaat men daar door, battas & tineas: maar Wurmen, die de scheepen doorbooren, werden tiredines genaamd: soo seid Ovid. in Eleg. lib...
[p. 368]
        Estur, ut occultâ vitiata tiredine navis.
van Wurm komt het spreekwoord, sij sijn soo arm, als Wurmen: het sijn Wurmen van menssen, sij sijn dood arm: Wurmen, vroeten om de kost: het beteekend ook oneigendlijk, maalen, peinsen, hoe leit uuw dat soo in het hoofd en Wurmd. ens.

                                            END.