Salomon van Rusting: De quacksalver op de marct. 1700.
Uitgegeven door Marti Roos
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Facsimile bij Ursicula
Bewerking van de tekst in Rusting: De volgeestige werken, Amsterdam1685. Voor deze bewerking is vermoedelijk de eerste druk uit 1685 gebruikt, omdat de corrupties in de de herdrukken van 1693, 1699, en 1712 in ken/kan, hete/hele, iwaiponama/ilwaiponama en tantjens/tanjens (deze laatste wel hersteld in 1712) hier niet zijn aangetroffen.
Facsimile via catalogus KBH, 1756 D 101 : 4, ingebonden bij Pieter Rembrantsz van Nierop: Almanak, na den nieuwen en onden-stijl, op het iaar onses Heeren Jesu Christi, anno 1700.
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[
fol. A1r]

DE

Quaksalver

Op de Marct, seer
vermakelijck om te leesen.

[Titelvignet]

Gedrukt om te lachen.


[fol. A1v]
SIe zoo, zie zoo, zie zoo, zie zoo
Hier is de konst in Folio,
Kom hier by my al die wat schort
Op dat gy nu geholpen wort.

(5) Hier is geen Doctor noch Chymist
Al had hy noch veel verquist,
Noch ook geen meester Chirurgijn
Noch Anatomisch* practicijn.
Wiens grootste kennis conpareert

(10) By ’t slegtste dat ik heb geleert.
Want mijns gelijcken van verstant
Was nimmer hier in ’t gantsche lant,
’t Zijn al denbruy maer broddelaers,
Niet een van alle ken wat raars,

(15) Maar ick byget, ick ben een man
Daar heb ick veel Attesten van,
Wat landen heb ick niet bezocht,
Ja daar geen Schrijver ooyt van

[fol. A2r]
dogt, wat verr’ van daankomt, dat is
wis,
(20) Dat geen stront of drek en is,
’k Heb al de werelt door, myn konst
Betoont, en won der menschen gonst,
Van klein en groot, van jonk en out
Vermits my alles wiert vertrout,

(25) Geen accident dat ick niet strak
Of in het kort help met gemack,
Geen plaeg ter werelt is soo groot
(Behalven maer alleen de doot)
Die niet voor mijn experiment

(30) Moet wijken, alst ’er komt ontrent,
Daar praat ick van! is ’t lest nog niet
In ’t Keyserrijck Japan geschiet,
Daar was een Neger die was maer
Gehouwen midden van malkaer,

(35) Door hooft, en borst, en buyk, enal
Door harssens, lever, long, en gal,

[fol. A2v]
So dat de Kerel, by myn ziel,
Daer in twee stucken neder viel,
Ik liep ten eersten na het Hof,

(40) En vroeg den Keyser om verlof,
Wijl ik hem toonen wou, dat ik
Voor geenerley quetsueren schrik,
Hy gaf my strak consent, soo dat
Ik niet lang by den Keyser zat,

(45) Maer liep soo vaardig als ik kond
Daar ik de vent nog leggen vond,
Maar ’k had’er niet lang by geweest
Of d’armen duivel gaf de geest,
Ik kan niet seggen, hoe ’t my speet

(50) En ’t is byget my nu nog leet
Dat ik hem, als ’t hem was gedaan
Niet strak genas van stonde aan,
So had de Kerel nog geleeft,
Dat is een konst die niemant heeft

[fol. A3r]
(55) Als ik, en so is al myn doen,
Geen Meester in het Lant so koen
Die by hem die Couragie vint
Dat hy hem dat maar ondervint,
Mijn dingen die zyn altyd goet,

(60) Ik helper veel op staande voet,
Geen Heerschop is so groot vanstaat
Die zig niet op mijn konst verlaat
Waar datse komt, maar hier ontrent
Is al myn konst nog onbekent,

(65) In Cappadocia quam lest
Als ik daar was, een groote pest,
Maar wie myn medikament maar
Gebruykte, die leed geen gevaar,
Ik ley het op een kooltje vuyr,

(70) Daar in bestont de heele kuer,
Dien Vapor is preservatief,
En maer een schelling kost een brief,

[fol. A3v]
Ik zweer dat geen medicament
Ooyt in de werelt was bekent,

(75) Als t geene dat gy voor u siet,
Het vraagt na alle siekten niet,
t Zy in, of buiten aan het lyf,
In Barbaryen was een wijf,
Die had de kanker in de borst

(80) So schriklyk dat geen Meester dorst
De Vrouw genaken, door de stank,
Dit had geduert wie weet hoe lang,
Ik smeerden daar, vandit, wataan,
Probatum est, het was gedaan,

(85) Den grooten Turk, had so ik meen,
Nu nog onlangs het vuyr in t been,
Syn Doctor swoer by Mahomet,
Dat been moest strak syn afgeset,
Maar ik quam juyst daar regt van
pas,
(90) Eer datmer nog mee bezig was,
[fol. A4r]
Ik zey terstont het heeft geen noot.
En t heele been dat was al doot,
Maar slegts* een oogenblik drie vier
Dee ik er mee na mijn manier,

(95) En daar mee was het been fiat,
So dat hy weer ging op een pad.
In Lap-lant vond ik een Polak,
Die liep gedurig aan de Kak,
So dat hem eindlyk, waar hy gonk,

(100) Een vaam darms lang ter aars uyt
honk, Sie daar, ik zweertje by myn
keel, Hy had dat entje darms te veel,
En daarom sneed ik t met myn mes
Knaphandig van zyn Porte fles,

(105) En k naayde by den accre mast,
t Geen binnen bleef, aan t aarsgat
vast, Dat is een konst, die geen Doc-
toor my na doen sal, ik doethemvoor,

[fol. A4v]
Ik vond te Neurenburg een meit,
(110) Die raakten* wel veel wormen quyt,
Maar eene leyd haar om het hart,
En baarden* daar een groote smart,
Ik gaf haar hier wat van in t lyf,
De droes, wat scheet dat Vroumens
stijf,
(115) k Meen dat die worm, na myn
geloof wel drie vaam door de glasen
stoof: wie doet my dese konst eensna,
Die spreek nu wyl ik hier nog sta,
Ik zeg rond uit dat myns gelyk

(120) Noit was in eenig Christenryk,
Ik ben een Doctor wyd vermaart,
Wiens weerga nimmer was opaard
De Chimy, met de Pharmacy
Versta ik, met de Chirurgy,

(125) k Versta my op extractio,
En op de Putrefactio,

[fol. A5r]
En op de Destillatio,
En op de cohobatio,
So wel als maceratio,

(130) k Versta de coccinatio,
En de stratificatio,
En dan de gementatio,
En heete desiccatio*,
En de reverberatio,

(135) Als ook de sublimatio,
En de coagulatio,
En de precipitatio,
So wel als de filtratio,
Ik ken d’Amalgamatio,*

(140) Daar by de fumigatio,
En de rectificatio,
Als ook de circulatio,
So dat ik zeggen wil, aldus
Te zyn een expert chimicus;

[fol. A5v]
(145) Ik kan uyt animalibus,
En uyt de mineralibus,
En de vegatibilibus,
En die Subbellectilibus,
Bereyden aller wysen steen,*

(150) Gelyk een boer de turf uyt veen,
En dat ik daar geen goud* uytmaak
Dat laet ik maer om dese saak,
Het goud word nu als goud bespaert
En dan wastligt soo veel niet waart,

(155) Al wat men heeft in overvloet
Dat schopt de werelt met de voet,
Ik ben geheel rationael,
Tot onderscheyt van ’t beestiaal.
Ik ken de despumattio,

(160) En de clarificatio,
Die doet men door colatio,
Of ook wel door cribratio,

[fol. A6r]
Ik Versta my op expressio,
En konstige digestio,

(165) Als ook op de nutritio,
So wel als de conditio,
Ik weet ook van confectio,
En van de venesectio,
Die dient tot een revulsio,

(170) Ook weet ik van emulsio,*
En van de Cathaplasmata,
Al schynent maer phantasmata,*
Een Apophlegmatismus is,
Niet als een epitematis,

(175) Ik maak suppositoria
Expert voor de memoria,
k Houd meer van de Cibaria,*
Als van d’electuaria,*
k Versta my de julapia,

(180) Als ook de sparadrapia,*
[fol. A6v]
Ja in dApteek is geen Ungent,
Of was over lang bekent:
Want ik ben door en door geleert,
En daarom ook gepromoveert,

(185) Maar hier in dit lant niet, o neen,
Hier is promotie gemeen,
Ik reys en zwerf van land tot land,
En daar door krygt een* man verstant
Geen landschap daar men ooyt van
leest,
(190) Daar ik niet dikwils heb geweest*
Ik heb Europa, Asia,
Africa, en America
Geheel door-reyst, ja selfs het Lant
Dat even als een oven brant,

(195) Den Sona torrida, en t geen
De Son des winters niet bescheen,
Het onbekende Suiderdeel
Is my bekent, in zijn geheel,

[fol. A7r]
Daar vint men swinter dOyevaers
(200) De Walvis is daar stekel baers,
Men vint daar vry wat grooter vis,
Die aan den haek gevangen is,
Die braat, of bact men in de pan;
En wie het lust die eter van,

(205) Een man mag daer een pan vol op,
De droes wat heeft dat volk* een kop;
Want yder mens is daer een Reus,
Een roede lang is yder neus.
En die is noch na t lijf te kleyn,

(210) Maar in dat lant is lek’re wijn,
Die sag ik schenken in een glas,
Als t Heydelberger wijnvat was,
Een kind dat nog geen tantjes had,
Was also groot als Goliath:

(215) Het had een stem gelijk een koe,
En schreyd en schreeud, ik weet niet hoe
Daar is een Universiteyt,
Veel beter als in Christenheyt:
Daar groeyt en bloeyt de wetenschap

(220) En stygt tot op den hoogste trap,
Daar wierd ik op een dolio,
Gepromoveert in folio,
Daar kreeg ik mijn promotio,

[fol. A7v]
Mijn thesis was de lotio, (225) De stad alwaar dit is geschiet Heet Nusquam, en die kenje niet, Daar hangt de werelt by myn sool Met teen end aen de Zuider-Pool, Gebonden aen een touw, dat daer (230) In tland gevlogten is vanhaer, Daar klom ik eens by op, en sag Waar t land van Winjewanje lag, Daar trok ik doe na toe, en vond Daer seer veel menschen ongesont, (235) Die ik door t lapis aldenbruy, Herstelde tot gesonde luy. Ik trok na Boksdehoe te voet, Alwaar de droes zijn turf opdoet, Dat s net drie mijlen van de hel, (240) Daar staat de droes op sinternel, En overmits de zwavel stank Komt daar geen pest zijn leven lank, Hier klom ik op een Griffioen, Die hier so mak zyn alseenhoen, (245) En reed na iwaiponama, Dats aan de Sone Torrida, Daar nooit geen duivel is geweest, Hier quam ik op dat macke beest, En zag al had ik t noit gelooft. (250) Hier Reusen, en die sonder hooft: Met mond en oogen op de borst, Daar ik niet tegen spreken dorst, So dat ik met mijn voogel vloog* Na boven toe, wie weet hoe* [fol. A8r] hoog, (255) Ik kreeg een duysing, by myn ziel, so dat ik van den vogel viel, En viel juist neder met mijn gat In Noachs Ark op Ararat, En mits die daar in zyn geheel (260) Nog staat, soo ging ik by mijn keel En speculeerden alles af, Dat my geen kleyn bedencken gaf, Te meer, om dat ik daar terstont Juist Noach zijn recept boek vont, (265) Dat ik terstont met blijtschap stak In t aller onderst van mijn sak: Wie sal nu seggen dat ik ben, Een man die niet met allen ken, Dat boek heeft soo veel kuren in, (270) dat ik er al mijn gelt mee win, Daarom bewaar ik t in mijn broek Gestadigh als Begijne koek, En als ik sterf, so weet ik wel Dat niemant my bedancken sel, (275) Voor dat ik t in de werelt laat, Dat overdenken maakt my quaet, die sweer ik dikwils stijf en stark, Ik brengt weer ligtlijk in de Ark. Want om sijn heerelijke kuer, (280) Is t al te waardig voor het vuur, Maar of ik hier al sta en snap, En wapper als een lazarus klap, En of ik veel bravade maak, dat doet geheel niet tot de saeck, (285) Ik ben byget geen Charletan, Daarom Messieurs ik schey er van, Een Konstenaer werd hier begekt, [fol. A8v] Maar zie ik sta op mijn respekt: Ik salje dan ten eersten schoon (290) Gaan relateren waar ik woon, k Woon in de korte Langestraat, daar Otje na de Vliegen slaat, Daar zit de schele blinde man, En haspelt* neutjes in een kan, (295) Een kort, dik, vet lang, mager wijf Woont naast mijn deur, dat ik gerijf Van alles, watje niet begeert, Wijl Nemo daer veel gelt spendeert, Int voor huis brant een leere lamp (300) Die maar gevult is met de damp Van mijne Medicamina: Nu heb ik uyt, adieu ik ga, Maar eer ik nog na huis toe stap Daar is een glasen Wentel-trap (305) Die gaat men op na mijn Studoor: Mijn huis-knecht is een witte moor Die schoon hy doof is all verstaat Was dat een dood man met hem praat: Wie my van doen heeft haal my strak (310) So sal ik loopen als een Slak.
FINIS.

Continue

Tekstkritiek:

Als een regel te lang blijkt, schuift het rijmwoord door naar het begin van de volgende regel, of worden spaties weggelaten. Na pagina A7r realiseert de drukker zich dat de tekst niet meer binnen het katern past en wordt overgegaan op doorlopende tekst in plaats van regels, in een iets kleinere letter.

vs. 8 Anatomisch er staat: Antonich
vs. 93 slegts er staat: slegt
vs. 110 raakten er staat: raken
vs. 112 baarden er staat: baardeu
vs. 133 desiccatio er staat: desicratio
vs. 139 d’Amalgamatio er staat: damalgamatio
vs. 149 steen, er staat: seen,
vs. 151 goud er staat: grond
vs. 170 emulsio er staat: emulso
vs. 172 phantasmata, er staat: phadrasmata,
vs. 177 Cibaria, er staat: Charia,
vs. 178 d’electuaria er staat: delectuaria,
vs. 180 sparadrapia er staat: star adrapia
vs. 188 een er staat: en
vs. 190 geweest er staat: gewest
vs. 206 volk er staat: yolk
vs. 253 het woord vloog ontbreekt; de daaropvolgende tekst is tweemaal afgedrukt
vs. 295 haspelt er staat: haspel