Pamflet: Leger-praetjen tusschen ses persoonen. 1672.
Uitgegeven door dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Gebruikt exemplaar: UBL Thys. pamf. 9168
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd
met een asterisk. De fraktuurletter is in een aparte kleur weergegeven.

Continue

[fol. A1r, p. 1]

LEGER-PRAETJE,

Tusschen ses Persoonen,

JAEP SOET, KLAES SWAER-
HOOFT en JAN GOET-HART,

Zijnde drie Boeren; met

KEESJE MAET en BROER JOCHEM,
Varende Luyden, met een BODE;

Over den toestant van ons

RUYTERS en SOLDATEN.

[Fleuron]

ANNO 1672.

Continue

[fol. A1v, p. 2: blanco]
[fol. A2r, p. 3]

LEGER-PRAETJE.

    Jaep Soet. GOede morgen Klaes Buer, hoe siejer dus verwarret uyt? hebje te nacht niet geslapen? of heb je gister avond droncken geweest?
    Klaes Swaer-hooft. Wat ’s hier te vragen? dat ick droncken soude geweest hebben? ghy hoort beter te weten; hebje mijn jou leven wel droncken gesien?
    Jan Goet-hart. Wort ’er niet quaet om Klaes Buer, dat Jaep Buer dat vraegt; ick sie met verwonderingh toe, datjer soo drolligh uyt siet, wy zijn ’t van u niet gewoon, een van beyden moet waer wesen, of dronckenschap of onrust; heeft u de slaep belet? of willen wy u een Spiegel halen, om jou selven te besien?
    Klaes Swaer-hooft. Dat behoeft niet, ick heb selfs het gevoel, dewijl ick eenige weecken door de duyvelsche Ruyters en Soldaten, mijn huys heb moeten ruymen, Wijf en Kinderen verlaten, die ick op een ander heb moeten brengen; mijn Beesten worden uyt mijn Landt gejaeght, of wech-genomen; ick heb mijn Landt doen Maeyen, en de Ruyters halen ’t Hoy wech, soo dat de Koeijen die ick heb, (soo se mijn niet voort ontnomen worden) aenkomende Winter van honger sullen moeten sterven: En klaegh ick aan de Overigheydt, daer is geen gehoor, de groote duyvels zijn noch slimmer als de kleyne; want soo die beter waren, ’t sou wel beter gaen.
    Jaep Soet. Hoor Klaes Buer, swijght ghy nu maer stil, en leght jou hooft wat saghjes neer, en slaept eens uyt; alle dingh sal nu wel ten besten komen, ghy hebt altijdt een swaer hooft gehadt: Doen de Staten regeerden, doen hadje veel te seggen, ’t was doen nimmermeer van pas, de Prins most Stadthouder wesen, en Capiteyn Generael te Lande, en Admirael ter Zee, en hebben de Patenten en Militie in sijn handen, gelijck sijn Voor-vaders die gehadt hebben, dan sou het alles wel wesen; nu heeft de Prins al eenige weecken Stadthouder geweest, en alles in handen gehad, is ’t nu noch niet wel?
    Klaes Swaer-hooft. Dat ick om verandering van regeering heb gewenst, wil ick wel bekennen, want ick hoorde alle man so praten; selfs onse Predikant, die maeckten ons wijs, dat de Staten, yder op sijn eygen proffijt, en niet op ’s Lants welvaren dachten, dat schatten en scheeren geen eyndt soude hebben, soo langh die regeeringh staende bleef; dat veel hoofden, veel sinnen hadden, en dat elck sijn strengh wou trecken, en lieten ondertusschen ’t gemeene Landt verloren gaen. Dat de voornaemste Regenten haer eygen sacken, met ’s Landts geldt hadden gevult, en buyten ’s Landts gesonden: En ick weet niet wat duyvelsche praetjes meer, als dat men de Gereformeerde Religie niet en achte, dat men Arminianen, Socinianen, halve Menisten, ja Papisten in de regeeringh indrongh; dat de Predikanten mosten bidden, en preecken, na ’t goet vinden van dese Heeren en Meesters; soo dat ick geloofde dat van die Regeeringh niet goets en was te verwachten; want sy voeghden daer by, dat wy ons al t’samen schuldigh maeckten aen Godt, van ondanckbaerheydt tegens het Huys van Oranjen, indien wy met alle krachten, desen Prins van Oranjen niet en braghten, in den Staet daer sijn Voorvaders in geweest waren. Wat duyvel sou ick doen, ick was niet wijser als de rest; ick meende dat men de Predicant behoorden te gelooven. Maar nu; soo sie ick, dat het schaep-scheeren eerst sal aengaen.
[fol. A2v, p. 4]
    Jan Goet-hart. Mijn lieve Klaes Buer, om dat je met de Staetse Regeeringh niet te vreden zijt geweest, maar om een Stadthouder hebt gebeden; ja die (soo veel in u is) hebt helpen bevorderen; soo weest nu met dese Regeeringh te vreden en lijdt geduldigh. Hanght de zegen des Heeren aen de regering van de Prins, soo sal ’t bladt haest om slaen. ’t Is dan hoe ’t is, ghy lijdt alleen niet, wy hebben oock ons deel, en dat wat ruym: ick heb mijn selven met de Regeeringh noyt gemoeyt; ick dacht de Bouw-neringh dat was mijn ampt; ick heb voor desen mijn Landen besaeyt, mijn Koeyen waer genomen, en alles ten oyrbaer gebraght: De schattingen mijn opgeleydt, betaelt: Nu valt my den Oorlogh dus onverwacht op ’t lijf, soo dat een ander nu mijn Huys bewoont en mijn Beesten rooft; dat se ’t nu maer wel bewoonden, maar sy raseren alles watter is; de beste Kamers, daer wy een bed hadden, om een Vriendt op te leggen, setten sij haer Paerden; en dit seyt men sijn onse Vrienden, die ons voor onse Vyanden sullen beschermen. Soo de Vyanden het tot Uytrecht, Gelderlandt of Over-Yssel noch slimmer maken, soo weet ick niet hoe de Luyden daer konnen woonen.
    Jaep Soet. Ick beken, dat ick de Staetsche Regeeringh altijdt heb voorgestaen, en geoordeelt, dat het Landt onder soo een Regeeringh geluckigh was; alhoewel dat Klaes Buer veeltijdts een swaer hooft hadde. Maer onse Inwoonders in het generael, hebben die gulde tijden misbruyckt, en zijn ondanckbaer geweest tegens Godt: In plaets van Godt te dancken voor sijn weldaden, soo hebben wy den Duyvel gedient, in nijdigheydt, gierigheydt, hovaerdigheydt, dronckenschap, hoererye en alle wellust des vleeschs. Als ons Botter, Kaes, Hennip en vette Verckens veel geldt op brochten, dan speelden wy den baes, en teerden als Graven: Doen ons dat ontviel, doen murmureerden wy over de Vrede, en men riep om Oorlogh en dieren Tijdt, en men wierp de schuldt op de Regenten; maer in der daedt de schuldt is by ons, en ick vrees dat nu ’t gevoel eerst sal beginnen. Tot nu toe hebben wy konnen leven, alsooder wat voorraedt by sommige was; maer nu is de voorraedt op, en wy konnen niet winnen, en wy zijn met Ruyters en Soldaten belast. En gelijck Klaes Buer wel seydt, wy maeyen het Gras, en de Ruyters halen ’t Hoy wech, en sy spotten noch met ons toe: Want daer komt een van mijn goede bekende tot Bodegraven, ghy kent ook de man heel wel: Daer komt een Ruyter by hem, die spreeckt hem aen en seyde, wat onbeleefder Heerschap zijt ghy, ick heb mijn leven soo een Heerschap niet gedient. Mijn Vriendt die vraeghde, wat onbeleeftheydt heb ick u getoont; hy antwoorde, ick heb u Landt gemaeyt en het Hooy wegh gedragen, en ghy hebt ons niet eens te eeten of te drincken gegeven. Een ander Vriendt die klaegde aen een Ritmeester, dat de Ruyters die hy in Huys hadde, hem groote overlast deede: Hy worde van d’een op d’ander geweesen; ten laetsten kreegh hy tot antwoordt, de Ruyters moeten wat wil hebben. ’t Schijnt dat Hollandt nu tot roof is gegeven, aen Ruyters en Soldaten: Soo dat ick een bedroefde Winter te gemoet sie.
    Klaes Swaer-hooft. Ick beken dat ick de Staetsche Regeering een groot vyandt heb geweest, en ick worde in dat verstandt door onse Predikanten gestijft. Maer terwijl het Leger aen den Nieuwer-Brugge heeft gelegen, ben ick geheel verandert; ick heb nu gehoort en gesien, het geen dat ick te voren niet hebben willen gelooven. Ellendigh Mensch, dat ick soo moetwillens blindt heb geweest, en om mijn eygen verderf soo heb gewoelt: By de Heeren Staten, daer had een Burger noch gehoor, want hy was gemaeghschapt in de gemeenten; maer nu by dese [fol. A3r, p. 5] Jonckers, daer is geen gehoor, sy nemen onse Huysen, en drijven ons Vrou en Kinderen daer buyten; wy moeten de rovingh onser Goederen, al lacchende aensien, of wy worden geslagen; wy hebben een menschelijke regeeringh gehad, maer ’t schijnt nu verandert in een duyvelsche regeeringh.
    Jan Goet-hart. Weest te vreden mijn lieve Klaes Buer, ’t sal noch wel ten besten komen; ick wordt nu een out man, ick heb al wat veranderingh in de Regeeringh gesien; maer mijn Vader had een ander tijdt beleeft: Daer de Legers over gaen (seyt het oude spreeck-woort) daer vreeten sy Gras en Kooren op: en daer sy stil leggen, daer trecken sy de Wortelen uyt; soo dat de Landen kaelder zijn, dan of se omgeploeght waren. Doen onse Voor-ouders, nu hondert jaren geleden, den Oorlogh met den Koningh van Spanjen begonnen, doen gingh het oock alsoo toe, Vrienden en Vyanden, hadden gelijcke deel, want elck was de voorste in het rooven; de troost die de Boeren kregen, was, ’t is noch beter aen ons als in de handen der Vyanden; soo gaet het hier nu mee toe.
    Klaes Swaer-hooft. Dat bevinden wy alle dagen, dat wy meer van ons eyghen Volck geplaeght zijn, als de Stichtse Boeren van de Franse geplaeght worden. ’t En is voor ons hier niet langer te houden, hadt ick halve waerdye van mijn Koeyen en Paerden, ick soude mijn Huys verlaten, en gaen op een ander woonen; want wy konnen geen Hooy voor onse Beesten winnen. Daer is ons Buerman Dirck Dammis, die hadt wat vroegh gehooyt, hy hadt wel Hooy voor 25 Koeyen, dese Duyvels hebben ’t hem altemael in drie of vier dagen afgehaelt: waer sal dese goede man, aenstaende Winter, sijn Koeyen mee voeren; en soo is ’t den geheelen Rijn langs, van de Nieuwer-brugge tot aen Alphen, ’t wordt haer alles berooft wat los mach; ’t is om de Boeren altemael dul te maken, om een oproer in ’t Landt te krijgen; en terwijl dat wy dus onder malkander knorren en morren, en malkander om de ooren slaen, so soecken ons partyen de Franschen hier in ’t Lant te brengen. Wat duyvel hebben de Ruyters hier aen de Rijn te doen? als om ons op te vreeten: want de Ruyters en konnen hier niets uytrechten: hier sijn geen Wegen daer door de Ruyters eenige afbreuck op de Fransche konnen doen: sy hebben oock, in al de tijdt dat se hier geweest zijn, niet uytgerecht, als ons Boeren bedorven: En ’t vierdepart van de Soldaten, sijn machtigh genoegh, om onder een getrouw Colonel, de Posten aen de Nieuwer-Brugge, en Jan Goeverwellen Sluys te bearen; sy mochten tot overvloet 2000 Boeren of Burgers daer by doen; dan waren beyde die Posten wel dubbelt bewaert: soo mocht de Prins dese Ruyters en Soldaten, die nu ons Boeren opvreeten, na den Bos, Breda en Heusden gevoert hebben, soo hadt men Creveceur en meer andere Plaetsen wel behouwen, en wy hadden ons Landt en Koeyen behouwen, en hadden geldt gehad om onse schattingh te betalen; maer nu den bruy op is, nu wil men noch de schattingen van ons hebben; en men stuert ons de briefjens om den tweehondertsten Penningh op te brengen, waer Duyvel sal men ’t halen?
    Jan Goet-hart. Dat de schattingen niet opgebracht konnen worden, daer heb ick mede het gevoel van; maer wat kan men daer in doen? Of wy ons selven daer al ongerust in maken, ’t kan niet helpen, ons past niet anders als gehoorsaemheydt; dat wy niet en hebben, dat konnen wy niet geven; de Heeren sullen noch wel medelijden met ons hebben, om onse schade in afrekeningh te laten komen. Maer siet eens om, hier komen onse Bueren, Keesje Maet en Broer Jochem, wat of se ons uyt de Vloot al voor goedt nieuws sullen getuygen; ick [fol. A3v, p. 6] moet haer eens aenspreken. Welkom mijn goede Buertjes, ick ben verheught datje soo gesont t’huys komt, ick vreesde datje mede in ongemack gevallen waert.
    Keesje Maet. Wat goedt nieuws soud ick uyt de Vloot brengen, want daer is in 8 of 10 weken niet uytgerecht; na dat wy de eerste dagh geslagen, ick mach wel seggen malkander vermoort hadden, soo raeckten wy ’s avondts weer by malkander, en elck was doende met splissen en knoopen, om weer klaer te maken, op hoop dat wy ’s morgens ons gevecht souden hervatten; maer ’t schijnt dattet Godt niet en heeft belieft, want de Engelsche waren op haer eygen Kust geweken, en hadden de Loef, soo dat wy beneden de wint zijnde, by haer niet konden komen, en ’t schijnt dat sy geen lust hadden op ons af te komen, en ick geloof, indien wy haer op haer eygen Kusten niet hadden besocht, dat sy ons noyt gesocht souden hebben, gelijck het op de tweede dagh is bevonden, dat se by ons konden komen, en ’t niet en deeden; maer ter contrarie, doen sy sagen dat wy haer sochten, doen setten ’t de Engelsche op een loopen, na haer Havens, en wy konden, wat devoiren dat wy deeden, by haer niet komen, en in haer Havens haer te besoecken, en vonden wy niet geraden, alsoo wy met onse ontramponeerde Schepen (want daer men houwt daer vallen spaenders) tegens twaelf oogen souden gedobbelt hebben.
    Jaap Soet. Sy seggen hier dattet den Ruwart van Putten, met kracht heeft belet, datter den tweede dagh niet gevochten wierde, soo dat de Ruyter van boosheydt, den Ruwart van Putten wat om de ooren heeft gegeven, en in sijn arm gequetst.
    Keesje Maet. Dat sijn altemael opgesochte en versierde logens, de Heer Ruwart van Putten heeft hem in alle gelegentheydt getoont, dat hy was een Soldaet die sijn vyandt niet en vreesde, en wanneer datter by den geheelen Krijghs-Raedt resolutie tot vechten was genomen; soo deedt hy aen ons Kapiteynen, elcks apart, een bysondere vermaningh tot kloeckmoedigheydt, en dat elck sijn eer en eedt soud betrachten; dat het Landts behouding, aan ’s Landts Vloot was gelegen; soo dat hy in alle gelegentheden heeft getoont, dat hy sijn leven voor het Vaderlandt wilde overgeven, gelijck Broer Jochem beneffens mijn heeft gehoort en gesien.
    Broer Jochem. ’t Geen Keesje Maet aengaende den Heer Ruwart van Putten heeft verhaelt, dat is altemael de waarheydt, en dat dese Jonckers, ick mach wel seggen Schijtebroecken en Landtverraders, haer soo wel te Lande, als den Heer Ruwart van Putten hem te water heeft gequeten, en haer Posten waer genomen, de Fransche en souden soo veel Steden niet verovert hebben; maer den Franschen Koning hadt met al sijn hulpers, alweer na Vranckrijk met schande gevlucht geweest; maer de Duyvels die ’t hier verbruyt hebben, en ’t Landt aen de Fransche en Engelsche verpandt hebben, om de Prins Graef van Hollandt te maken, om onse vrye Hollanders tot slaven te maken, die soecken nu haer vuyl op den Ruwart van Putten, en sijn broeder Jan de Wit, en meer eerlijcke luyden te werpen; om die door haer duyvelsche leugens van kant te helpen, om soo Heer en Meester van Hollandt te worden. Het worden ons in de Vloot geseyt hoe duyvels dat ’et hier in ’t Landt toegingh; wy hadden ons tydt uytgedient, alsoo ons Branders besteedt waren; Keesje Maet en ick, wy seyden tegen malkander, wat bruyt het ons, wy willen ons hier nu niet laten vermoorden, den Heer Ruwart van [fol. A4r, p. 7] Putten sit als een schelm gevangen, sy mogen de Heer de Ruyter van ons boordt afhalen, en brengen ons dien dollen Duyvel in de plaets, die in ’t jaar 1666 soo veel menschen in de Vloot liet vermoorden, soo dat wy ons van de Vloot na het Landt begeven hebben; maer tot Rotterdam komende, vonden wy de saeck veel slimmer als wy oyt gedacht hadden; daer worden ons geseydt dat de malle Burgerye van Rotterdam de voornaemste Heeren van de Stadt na ’t leven hadden gestaen, en Kievit, die in den voorleden Engelschen Oorlogh soo veel quaedts had gebrouwt, nu als een eerlijck man hadden ingehaelt: Soo dat wy hier bevonden hebben, dat wy met ons eerlijck vechten niet als ondanck hebben behaelt; en dat dese Jonckers, die ’t Landt, om de Prins groot te maken, dus schandelijck verkocht, en verradelijck overgegeven hebben, ons vrome Opperhooft als een schelm aenklagen.
    Jan Goet-hart. Mijn lieve Buertjes spreeckt soo qualijck niet, ghy komt eerst vers uytter Zee, je weet noch niet watter omgaet, ’t is dese Jonckers haer schult niet dattet soo qualijck gaet; maer onse Regenten hebben ’t soo grof gemaeckt, dattet niet langer door de naelde kon: Of den Ruwart van Putten schuldigh is, daer weet ick niet af; maer dat heb ick wel gehoort, dat het gemeene Landt by soo een Regeeringh niet en kon bestaen. Men heeft over al den baes willen speelen; men ontsagh Keysers noch Koningen; men heeft groote Ambassaden gemaeckt, en veel gelt verspilt met Alliantien te maken; men heeft ons doorgaens getroost met de hulp van de buyten-Vorsten, Brandenburgh heeft soo veel Millioenen getrocken, Denemarcken en Sweden van gelijcken, nu ’t daer op aen komt dat wy volck van nooden hebben, nu komter niet of: Hadden onse Regenten het gelt, dat se verspilt hebben met haer Ambassaden aen vreemde Vorsten, en Alliantien, met deselve te maken, hier binnens Landts besteedt en volck daer voor aengenomen, en die wel betaelt, gelijckse dat wel gedaen konden hebben: Hollandt alleen had macht genoegh gehadt om alle onse vyanden af te weeren, en noch souden sy macht genoegh hebben om de Engelsche, Fransche, Keulsche en Munstersche te dwingen datse om vrede sullen komen bidden; maer onse Burgers en Boeren mosten eerst wat wyser worden, en wesen met onse Magistraten te vreden, moeyen haer niet met saken van Staet, maer met haer Koophandel en handtwerck, en maken Huysen en Thuynen soo kostelijck niet datse boven de Burgemeesters uytmunten; maer geven het overschot aen de Regenten tot des Landts dienst, en maken Huysen, Kleederen en Tafels Burgerlijck, soo soud ons Hollandt toenemen in krachten, dat geen vyanden ons eenigh leet soud soecken te doen; maer wy souden van onse nabueren gevreest en van een yder bemint worden, Hadden onse Regenten, eer dese verbitteringh en tweespalt in ’t Landt quam, den Prins van Orangien tot Stadthouder, Kapiteyn en Admirael ter Zee aengenomen, en op sijn naem gegouverneert, gelijckse ten tijden van de Graven van Hollandt gedaen hebben, ’t sou misschien beter gegaen hebben; maer die tijdt is nu voorby, na ’t gesproken vonnis is ’t te laet veel te seggen, ’t is noch tijdt om toe te sien, laet yder mensch sich selfs tot rust begeven, en doen sijn werck, en wesen de Magistraten gehoorsaem, ’t sal noch wel ten besten komen; maer ’t doet my wee, dat den jongen Prince van Orangien dus gelastert wordt, als of hy dese verraderyen soude helpen voeden.
    Jaep Soet. Ick veracht sijn Hoogheyt den Prince van Orangien niet; maer dattet de Jonckers die ’t met hem houden verbruydt hebben, en noch dagelijcks [fol. A4v, p. 8] achter uyt setten, dat kan men niet verschoonen, daer is, mijns wetens, noch niet eene Stadt overgegeven, of de Prins gesinde hebben ’t gedaen, wat Duyvel meenje dat wy mal zijn dat wy ’t niet en sien? Dese Jonckers zijn alleen daer op uyt om onse Boeren en Burgers kael te maken, op dat sy geen tegenweer en sullen konnen doen, en leggen de schuldt op de Burgerlijcke regeeringh. De Burgers, door een blinden yver, niet siende watter achter schuylt, volgen Absalon, en staen de Vader, die haer alles goeds gedaen heeft, na sijn leven: Want soo gaettet nu alle dagen, ’t is al Prins, Prins, dat men roept, en men siet niet dat de Prins-gesinde ons de keel afsteecken; daer leydt Prins Maurits tot Muyden, wat Duyvel doet hy als alles opvreeten, en de Boeren bederven. Hy heeft de Huysen Kroonenburgh en Loenersloot doen besetten met Soldaten, dat heel wel was gedaen, om Uyttrecht te benauwen, en de toevoer van Hop en Turf te beletten, en Nieuwer-sluys te beschanssen, op dat wy meester van het ronde Veen souden worden: De saeck was goet en heel wel beleydt; maer dien Joncker heeft het weer verbruydt, hy stuert de Soldaten Kruyt, Loot, Geschut noch Ammonicie. De Fransche tot Uytrecht wel siende, indien dat dese plaetsen aen Hollandt bleven, datse dan al half geblocqueert waren, die vallen daer op uyt: Den Commandant op Loenersloot die vocht soo langh als hy Kruyt en Loot had, dien most hy ’t overgeven; maer den Commandant op ’t Duys te Loenen sich selfs sonder Geschut niet machtigh genoegh kennende om de plaets te defenderen, gaf het Kasteel, tegen danck van sijn Confrater Kapiteyn Witsen, over; en de Franschen namen de Kapiteyns en Soldaten gevangen, en brachten haer tot Uytrecht, en sy hebben oock de Dorpen op de Vecht uytgeplondert, datter voor den armen Huys-man niet overgebleven is om van te leven, de Koeyen uyt de Way gehaelt, het Hooy na Utrecht doen voeren, de luyden op het heinde uytgekleedt, ja het hemde van ’t lijf afgehaelt en slagen toegegeven, en dat komt al door dien helschen Joncker, en die blijft ongestraft. Wat Duyvel meenje Goethart datje ons met jou praetjes sult verblinden; neen, soo geck niet, ’t gevoel is een van de beste Leermeesters, wist men ’t vierde part van ’t quaedt dat Maurits gedaen heeft den Ruwart van Putten of sijn broeder Jan de Wit aen te wijsen, men sneed hem aen riemen. Soo geck zijn onse malle Hollanders gewordeb, dat de naem van Prins haer doet verdragen al ’t quaedt dat dese Jonckers ons aendoen: Wat segh ick Hollanders, ’t komt ons van de Hollanders niet; maer van al dien vreemden bruy, die onse Heeren hier in ’t Landt soo vet gevoedt hebben, datse nu haer eygen meesters te groot zijn, en by manier van spreecken, op het hooft schijten: Want daer is in Langen tijdt, hier in Hollandt in Steden en Dorpen, niet een gemeen Offitie of Benefitie voor een Hollander te bekommen geweest, die vreemde duyvels zijnder met wech geweest; ’t een is een Heere-knecht, d’ander heeft een Dienst-maeght getrouwt, Moffen en Moffinen, knoeten, Deenen en Noorluy, Engelsche, Fransche, Walen en alderhande volck, die soo veel liefde tot het Vaderlandt en de Heeren die haer groot gemaeckt hebben, als een oudt Paert tot sijn moer; en dat doet’et dat de Heeren in alle Steden soo weynigh van haer eygen Landts-luyden geacht worden, en dat dese Jonckers, siende dat de Burgers soo weynigh liefde tot haer Magistraten hebben, nu de ooren dus opsteecken, om door ons ondergangh, haer selven meester, niet alleen van ons goedt, maer oock van ons lijf te maken, om daer na ons als slaven en lijf-eygen knechten tot haer dienst over al te commanderen en slagen in plaets van geldt te geven.
[fol. B1r, p. 9]
    Klaes Swaer-hooft. Dat is waer, al ’t verraedt komt ons van dese Jonckers, ick heb soo goet Prins geweest als yemandt mach wesen, en dat ben ick moch; maer ’t gevoel dat heeft de vliesen van mijn oogen afgehaelt. ’t Is, gelijck Jaep Buer heeft geseydt: dese Jonckers zijn geduerigh by de Prins, en dan komen onse Predicanten, die oock niet anders soecken als heerschappye over een anders gemoedt, die bewaren de deur van de kamer van sijn Hoogheyt soo nau, dat sy na de Jonckers het eerste gehoor krijgen, soo dat de Burgermeesers van de Steden achter af moeten staen met de hoedt onder de arm, en sy en konnen geen gehoor krijgen; en de Jonckers en Predicanten zijn de Muysen die de Kaas eten: want elck treckt om meest te hebben, of den Huys-man ’t sijn benomen wordt en droogh broodt moet eten en water drincken, en dat den armen Ambachts-man niet en kan verdienen en gebreck lijden, dese Duyvels speelen met de schijven en drincken de Wijn. Datse nu oprechte liefhebbers waren van het Vaderlandt, sy souden met ons lijden en de gagie een jaer missen, en preecken en dienen het Landt uyt liefden tot dat het Landt weer in standt was om geldt op te brengen; maer treck een reys aen dat touwje, ghy sult hooren hoe datse sullen schreeuwen en ’t Landt in roer stellen: waer uyt dat men kan sien hoe weynigh liefde datse hebben tot de welstandt van ons Landt, want sy willen met de arme Inwoonders niet lyen, maer datse haer ampt nu waernamen, ’t was noch te verdragen, hoewel datse met ons behooren in ’t geluck en ongeluck gemeen te wesen; maer sy voeden de haet der Burgerye tegens haere Wettige Overigheden, ’t welck de grondt-oorsaken zijn dat ons Hollandt tot geen tegenweer op de Engelsche en Fransche konnen komen.
    Broer Jochem. Daer spreeckt Jaep Buer de waerheyt, ick was soo haest tot Rotterdam niet gekomen, of ick kreegh de handen vol blauwe boeckjes, (soo sy seyden) gemaeckt door een Predicant tot Rotterdam, daer in dat hy volgt de manier der oude Geestelijcke van Caiphas en sijn nakomers, gevoedt door den vader der leugenen, door welcke leugen-tael dat hy de vroomste Heeren van ons Landt, die nu eenige jaren herwaerts met groote neerstigheyt de welstandt van ons Landt hebben bevordert, en voornamelijk in den laest-voorleden Engelschen Oorlogh, nu met den naem van verraders gaet beschrijven, en hist door sijn doen de dolle Gemeente, die hy droncken maeckt door den leugen-wijn die hy haer dagelijcks doet drinken, tegen de goede Regenten op, om die te vermoorden, en de Huysen te berooven, op dat de kinderen, door gebreck van levens-middelen, tot armoede sullen vervallen, om noyt te eeniger tijdt tot eenige staet te mogen komen, op dat sijn nakomers (want alle menschelijcke saken zijn veranderlijck) ’t quaedt dat nu aen haar Voor-ouders wordt gedaen, noyt vergolden sou konnen worden. Al de blaeuwe boeckjes nu te noemen of te lesen, en kan de tijdt niet lijden; maer in ’t begin van dit boeckje, genaemt consideratien over den tegenwoordigen toestant van ons lieve Vaderlandt, staet desen Artijckel; hier seydt desen fijnen Priester, na dat hy de neerstigheyt van Prins Maurits met weynigh woorden had gepresen: want op dat aensicht kan soo weynig blancketsel vatten, soo komt hy op Prins Willem den Tweeden: Desen (seydt hy) Wel siende dat wijn vyanden in sijn jonge jaren weder trachten te effectueren, ’t geen in sijn Voorsaetn haer tijdt getracht hadden te doen, heeft daer op niet gerust, of wilde die nijdige onrustige menschen verseekeren, om haren quaden raedt en imaginatien tegen hem en syn huys te stuyten, ’t geen hem eenighsins geluckte; doch het geliefde Godt Almach- [fol. B1v, p. 10] tigh desen jongen Vorst in sijn bloeyende jaren wech te rucken, en sijn Kerck en Land van soo een Bescherm-heer te berooven, nalatende een droeve beswangerde Weduwe. Echter nochtans toonende dat hy is een barmhertigh en genadigh Godt, die voorgenomen had sijn Kercke en sijn Volck Vaderlijck te tuchtigen, liet naer acht dagen sijn Vaderlijck aenschijn over ons lichten, toonende aen sijn Volck een jongen Prins, den tegenwoordigen Willem de Derde. Over de doodt van desen Willem de Tweede was een ongemeene blijdtschap onder die geene welcke door hem waren in apprehensie genomen; en voor al onder de gene welcke hier tegenwoordigh liever Frans als Prins zijn, soo dat haer vreughde soodanigh uytberste, dat men een briefje vondt, ’t geen vergeselschapt gingh met een deel Goudts, in ’t Sackje van de Diakenen der Arminiaensche Kerck:
                    Des Princen doodt, mijn gaef vergroot,
                    Geen blijder maer, in tachtigh jaer.
Dit geldt en briefje is in den jare 1650 in de Gereformeerde Kerck in’t Diakenen Sackje gegeven, en niet in de Arminiaensche Kerck, en misschien door soo een fijnen Priester bearbeydt, om de verdruckte noch meer te verdrucken, gelijck het selve tot dien eynde alhier door hem wordt beschreven, om de luyden door sijn leugens te verblinden, dat se door haer groot achtbaerheyt vervoert zijnde, sonder ondersoeck van saken, de onschuldige van kant sullen helpen, om datse te gemackelijcker tot haer beooghde conscientie-dwangh sullen komen, en daerom dit spreeckwoordt hebben verdicht, om de onschuldige op het lijf te werpen: Liever Frans als Prins, gelijck de Over-priesters propheteerden: Laten wy desen geworden, sy sullen alle in hem gelooven, &c. want haer saeck staet soo kreupel, datse door het swaerdt gestut moet wesen, en dat doet haer nu dese blaeuwe boeckjes schrijven en met leugens vullen, om het blinde volck dus verkeerdelijck tegen haer Wettige Magistraten aen te voeren, soo dat dit Versje seer wel op dese saeck sou passen:
                            ’t Gemeene blindt gespuys,
                            Riep: Christus moet aen ’t Kruys,
                        Dewijl men ’t licht ophitsten,
                            Door Schriftgeleerden nijdt;
                            Een nijdt als nu ter tijdt,
                        Hitst Christen tegens Christen.
Maer om dat de meeste luyden onwetende zijn, waer uyt de naem van Louvesteynsche Heeren is ontstaen, soo moet ick het gepasseerde na ’t sluyten van de vrede tot Munster van Anno 1647 tot 1651 wat naerder verhalen. Na dat Prins Maurits 1618 door behulp der Kalvijns-gesinde in meest alle Steden hier in Hollandt, buytens tijdts, met verbreeckingh van ’s Landts Privilegien, de oude en getrouwe Regenten uyt de Regeeringh had geset, en jonge en onervaren, oock onbequame tot ’s Landts Regeeringh in des selfs plaets had gestelt, soo geraeckten dese Landen Anno 1622, het twaelf-jarigh bestandt uyt zijnde, weder in een hevigen Oorlogh met den Koningh van Spanjen: waer door dat ons Landt door ’t beleydt van de nieuwe Regenten in de eerste vijf of ses jaren meer ten achteren was gekomen, als in den geheelen voorgaenden Oorlogh: waer over dat Prins Hendrick, na de doodt van sijn broeder Prins Maurits Anno 1625 tot het Gouvernement gekomen wesende, en siende dat het gemeene Landt met sulcke Regenten niet en kon bestaen, soo heeft hy vele van de oude Regenten of hare kinde- [fol. B2r, p. 11] ren (by sijn broeder afgeset) weder in de Regeeringh geset, en door des selfs behulp, soo heeft hy, door ’t innemen van verscheyden Steden en Forten, ’s Lands Palen tot in Brabandt en Vlaenderen wat verder uytgeset, soo dat den langhgeduerden Oorlogh, Anno 1647, door een gewenschte Vrede is ge-eyndight: Doch het Landt was door dien langhduerigen Oorlogh in soo veel schulden vervallen, dat alle de schattingen die ’t gemeene Landt opbrachten, door ’t betalen van de intresten van ’s Landts schulden, uytgetelt worden; soo dat die van Hollandt (indien de intresten van 6 - 5 - 0 tot op 4 gulden niet en waren gereduceert) sy souden in eeuwigheyt uyt haer schulden niet geraeckt hebben. De Vrede in ’t gevoel gekomen zijnde, begonden eenige Provincien de Imposten te verminderen, alsoose van de inlegeringh van de Soldaten bevrijdt waren, en hare Landtgoederen tot grooter profijt konden gebruycken, daer in dat de Provincie van Hollandt geen deel en hadde; daer over dat de Heeren Staten van Hollandt (siende dat hare Gemeentens soo belast bleven) aen de andere Provincien hebben geklaeght, en versocht verlichtingh in haer quota, alsoo die buyten het gemeen Contract, in de Unie van Uytrecht opgerecht, verre boven het bespreck was opgedrongen, soo dat die van Hollandt tot de gemeene Lasten over de 58 gulden ten 100 moeten opbrengen, daer de ses andere Provincien geen 42 gulden te samen opbrengen; maer wat minnelijcke versoecken dat de Staten van Hollandt aen d’andere Provincien hebben gedaen, sy en konden geen verlichtingh bekomen. De Staten van Hollandt, siende datse in de sware lasten van schulden voor eeuwigh versmoort mosten blijven, die heben op andere wegen van ontlastingh gepractiseert; en siende hoe goddeloos dattet in de Militie toegingh, dat de Kapiteynen, (dat veel een vreemde Natie was, oock veel Gelderse en Over-ysselsen Adel) ontrent half soo veel Soldaten in dienst hadden, als sy, volgens het gelt dat sy trocken, behoorden te hebben; en dat de Wachten in alle Garnisoenen met de in-hebbende Soldaten wierden waergenomen, soo hebben die van Hollandt aen d’andere Provincien voorgeslagen, datse alle de Ruyters en Soldaten, die sy niet en hadden, en evenwel mosten betalen, souden afdancken; veel Commissarisen, die in tijdt van vrede onnoodigh waren, afdancken, en een goet reglement onder de Soldaten houden, en geven yder Soldaet 6 stuyvers daeghs; maer tot dit noodige werck en wilden de ses Provincien, noch den Prince van Orangien niet verstaen; doch die van Hollandt, door de noodt gedrongen zijnde, stonden hart op d’afdankingh, seggende: indien de Steden met soo weynigh Ruyters en Soldaten bewaert konden worden, waer toe dan soo veel Soldaten betaelt? Den Prince van Orangien door de ses Provincien gestijft zijnde, en de noodt van de Inwoonders in Hollandt niet aensiende, gaet in Hollandt, vergeselschapt met eenige Heeren, en reyst van Stadt tot Stadt en gaet in de Vroetschappen, om haer Staets-genomen resolutien door sijn authoriteyt door particuliere resolutien te veranderen, en dat tegen des selfs Privilegien; maer de Steden van Hollandt bleven bestandigh by haer Staets-genomen resolutie. Den Prince van Orangien misschien wat anders soeckende, als hy de Staten Generael had bekent gemaeckt, toont hem bysonder verbeten op de Stadt van Amsterdam, alsoo die als hooft-reeder in de Generaliteyt, weynigh min als een vierde moet betalen, en oversulcks wat stijf op het stuck van afdanckingh bleef staen; soo heeft hy uyt een bysondere drift de Stadt van Amsterdam op den lesten July 1650 gesocht te overvallen, en door ’t gewelt van Ruyters en Soldaten, die [fol. B2v, p. 12] hy tot dien eynde in ’t heymelijck in Hollandt had doen komen, die goede Stadt te overmeesteren, om alsoo gantsch Hollandt, en voorts d’andere provintien onder sijn gewelt te brenghen; doch dien wonderlijcken aenslagh is wonderlijck door den Almachtigen Godt belet. Doch den Prince van Orangien, om sijn ongerechtigen handel noch een schijn van recht te geven, voeght in al sijn stucken de voorstandt van de ware Gereformeerde Religie, daer de questie soo veel gelijckheyt met de Religie hadde, als het licht met de duysternisse; en hy doet daer-en-boven ses Heeren, die van wegen hare Steden, als Leden van de Staten van Hollandt op de daghvaert waren, in den Haegh gevangen nemen, en als Verraders op het huys te Loevestein voeren; en hier uyt komt den naem van Louvesteynse Heeren.
    Jaap Soet. Ick heb die tijdt oock beleeft, en ’t gedenckt my noch soo wel als den dagh van gisteren, dat dese ses Heeren hier door ons Dorp van Bodegraven wierden gevoert; ick was doende met wercken, dat ikse selfs niet en heb gesien, onse Bueren Jan ariaensz. Romeyn, en Wouter Heyndricksz. van Swieten, d’een zijnde een Ouderlingh by de Luthersche Gemeente, en d’ander een Ouderlingh in de Gereformeerde Kerck, die waren op het Dorp en hebben ’t my verhaelt, dat sy, staende by de Wagens daer dese gevangen Heeren op saten; terwijl de paerden gevoert worden, soo seyden de ruyters, die haer bewaerden, tegen de omstaende mannen: Ghy mooght verblijdt wesen dat wy dese luyden hier soo gevangen hebben, ’t zijn verraders die het Landt aen den Koningh van Spangien hebben verkocht, sy hebben veel duysent pistoletten op handt ontfangen: dit mosten dese eerlijcke luyden verdragen, en mochten haer onschuldt niet vertoonen; ick heb oock de gedruckte Artijckelen gesien dien sy doen hadden laten drucken, die sy, Amsterdam ingenomen zijnde, aen de Burgerye souden vertoont en omgedeelt hebben, wat verraderyen datse met Engelandt hadden opgerecht, om haer selven Souverain over d’andere provintien te maecken; maer den aenslagh gefailjeert zijnde, socht men die weer te verduysteren; en of dese gantsche handel op soo grove leugens was gefondeert, soo warender veel van onse Gereformeerde Predikanten altijdt hebben voorgestaan.
[fol. B3r, p. 13]
    Broer Jochem. Dat de Wit en vervolgens de Louvesteynse Heeren geen Verraders van ons lieve Vaderlandt; maer de grootste vyanden van den Koningh van Engelandt en Vranckrijck zijn en altijdt zijn geweest, dat geeft desen brief, die den Koningh van Engelandt nu den 28 July 1672 uyt Withal aen sijnen Neve den Prince van Orangien heeft geschreven, te kennen, nadat hy onder andere woorden, daer in hy sijn goede genegentheyt aen sijnen Neve den Prince van Orangien heeft getoont, daer in dat hy betuyght, dat hy in alle handelingen die hy met den Koningh van Vranckrijck heeft aengegaen, dat hy altijdt heeft getracht de Jntresten van den Prince te avanceren, soo veel het de natuer van de handelingh eenighsins heeft konnen toelaten; soo komt hy dan tot de saeck van de Hollandtsche Heeren: De insolentien en continuele machinatien, tegen my van die gene, die eenige tijdt herwaerts soo grooten directie hebben gehadt aen ’t Gouvernement der Vereenighde Nederlanden, hebben my genootsaeckt my te moeten verbinden met den Alderchristelijksten Koningh, dewelcke oock heeft het selve subject van klachten tegen haer. Seydt den Koningh van Engelandt hier niet met klare woorden, dat dese Heeren, die de grootste directie in de Regeeringh hebben gehadt, dat die hem, en den Koningh van Vranckrijck, de grootste partyen zijn geweest, die hem in sijn voornemen gestut hebben; en soo langh als die in Regeeringh blijven, dat hy dan tot die Heerschappe over ons Hollanders niet sal konnen komen, die hy sich selven in den laetst-voorgaenden Oorlogh had ingebeeldt, en dat hy om die oorsaeck nu het stuck met den Koningh van Vranckrijck heeft hervat, om soo t’samen meester over ons diergekochte Hollandtsche vryheyt te worden, hebbende op den naem van den Prince van Orangien, om die groot te maken, een tweespalt in de Hollandsche Regeeringh gevoedt; en den Franschen Koningh heeft, soo ’t schijnt, door sijn gelt-zielen verscheyden Bevelhebbers in de Frontier-steden van haer eer berooft; want soo seydt den Koningh van Engelandt vorder: Ten eynde alleen wy souden mogen ter neder werpen de onverdragelijcke grootsheyt der Louvesteynsche factie, en ons te versekeren voor diergelijcke insulte ofte bespottinge. Wat is dit te seggen, Louvesteynsche factie? Wat hebben dese luyden hem gedaen? dat seydt hy niet, als met dese woorden: Hy wil haer grootsheyt ter neder werpen, op dat hem de Hollanders hier na niet meer en sullen konnen tegenstaen: want hy heeft de kracht van de Hollanders gevoelt, en hy weet wanneer sy eenigh zijn en malkander bystaen, dat hy en Vranckrijck t’samen haer niet en souden konnen overwinnen, en daerom soo heeft hy door sijn Creatueren een Prince factie hier in ’t Landt gevoedt, waerdoor dat hy den jongen Prince met hope heeft gevoedt, om hem quansuys tot hooger staet te brengen; maer in der daedt siet hy alleen op sijn profijt, om ons Hollandt soo kleyn te maken, dat hy ons over al na sijn wil sal konnen gebieden.
    Jan Goet-hart. Ghy loopt hier al wat te breedt Broer Jochem, ick houd onse Predikanten wijser, als datse soo blindelingh partye souden kiesen; soo de Louvesteynsche Heeren haer saeck rechtveerdigh was geweest, ons Predikanten souden haer noyt tegen geweest hebben; maer dat ons Predikanten voor het Huys van Orangien of Nassouw zijn, dat heeft groote reden: want sy zijn, naest Godt, de uytwerckers geweest daer door dat wy onse diergekochte vryheyt hebben bekomen, en al was daer anders niet als dat poinct, soo wil ick Prins wesen, spijt al die ’t leet is: want doen de Princen van Orangien regeerden, doen gingh ’t ons Landt wel, zedert de doodt van de Prins isser noyt rust geweest, en schatten en scheeren [fol. B3v, p. 14] en heeft geen eynde, en de Kantoren schijnen sonder geldt, soo dat jou praetjes hier niet en gelden; indien wy de weldaden van de Princen van Orangien met danckbaerheyt erkent hadden, ’t soud beter geweest hebben; en dat onse Predikanten nu op hem passen, om sijn jonckheyt met goede raedt te onderstutten, dat moet ick prijsen: want ’t zijn Godt-geleerde mannen, die tot wijsheyt opgevoedt zijn, en de sorgh voor de ware Gereformeerde Religie die is haer aenbevolen.
    Keesje Maet. Ick hoor met verwonderingh dat men dus yvert voor het Huys van Orangien of Nassouw, en dat het Huys van Bredero wordt vergeten, die nochtans de grondt heeft geleydt van onse Nederlandtsche vryheyt: want doen Prins Willem den Eersten, zijnde een Hooghduytscher en geen Hollander, en hier eerst door Keyser Karel tot een Krijghs-overste gemaeckt zijnde; daer na door Koningh Philippus tot Stadthouder over Hollandt, Zeelandt en Uytrecht was gemaeckt, doen hy in ’t Hof tot Brussel alle Placcaten noch holp maken, of ten minsten met stilswijgen scheen te approberen, doen stelde de Heer van Brederode hem met al sijn krachten tegen de bloedt en moordt-Placcaten. Hy was (soo ick mijn Vaer heb hooren verhalen) een seer verstandigh Heer, en had haest geen weerga hier in ’t Landt in wijsheyt en welsprekentheyt. Hy was oock een oprecht Hollander, afkomstigh van de oude Graven van Hollandt, soo dat hy is een Prince van den bloede; indien dat Hollandt een Graef soud kiesen, soo was hy de naeste, die het recht boven alle vreemde soud toekomen: want de Heer van Bredero, soo men siet op de verdiensten in ’t begin der troublen, soo was hy de voorganger onder de vier hondert Nederlandtsche Edelluyden die de Requesten aen Madame de Parma presenteerden, die door den Heer van Barlaymont uyt verachtingh den naem van Geus worde gegeven. Hy schaemde hem niet den naem van Fielt of Bedelaer te dragen, soo hy het Landt en sijnen Koning daer dienst mede kon doen; daer sagh men den oprechten Hollandtschen aert en natuer in den Edelen Heer van Brederode, die door dese sijne Priesters niet eens gedacht en wordt, doch het is haer te vergeven: want de meeste Predikanten acht ick al mede van vreemt bloed te wesen, en daerom wordt een Hollander oock te weynigh by haer geacht, volgens dit Boere spreeckwoordt, De vreemde Koe, lickt noyt het vreemde Kalf; maer hier komt ons groote kennis, ’t schijnt dat hy van de reys komt. Welkom mijn goede Bode, van waer komt de reys? ghy siet’er soo verbaest uyt, ’t schijnt of u een schrick heeft bevangen, of datje een koorts op de lippen hebt.
    Bode. Ick weet niet wat het is, ’t schijnt of al mijn sinnen op de loop zijn, och waer ick geen Hollander.
    Broer Jochem. Hoe is ’t Bode, ’t schijnt of u hart door benauwtheyt wil barsten.
    Bode. Ach was ick uyt de werelt met al mijn vrienden, soo soud ick Hollandts ondergangh niet sien; maer ick vrees, ick vrees.
    Jaep Soet. Hoe is ’t Bode? zijn de Fransche ergens doorgebroocken? of is ons Vloot geslagen? of isser weer verraderye ontdeckt? wat is dat u schort? wy hebben hier een praetje van ons ellende dat ons alle dagen overkomt, mijn dunckt dat ons dat lastigh genoegh is, hanght ons noch swaerder ongeluck over ’t hooft, soo maecktet ons bekent, als ’t op sijn quaetste is, soo kan het beter worden; in alle geval, die wel heeft gedaen en geresolveert is te sterven, die heeft niet te vreesen, sy mogen hier het lichaem wat temteeren; maer sy konnen de ziel geen hinder doen.
    Bode. Dat is de beste troost die ick noch gehoort heb: dien grooten alvergelder, [fol. B4r, p. 15] diens ooren alles hooren, en wiens oogen alles sien, die sal dit moorden te sijner tijdt wel wreecken, maer wee Hollandt.
    Jaep Soet. Wat is ’er te doen, dat je dus over Hollandt roept?
    Bode. Daer is op Saturdagh, den 20 Augusti, door de Burgers in ’s Gravenhage soo grouwelijcken moorderyen uytgewerckt, dat ick diesgelijcks in geen Historien heb gelesen; anno 1572. den 24 Augusti, zijnde Sinte Bartholomeus-dagh, ’s morgens ten drie uuren, soo is den Admirael van Franckrijck, zijnde onsen jongen Prince van Oranjen, sijn over-Groot-Vader, binnen Parijs vermoort door de Roomsche factie, die noch na hem op dien selven dagh ontrent thien duysent menschen ter doodt brachten, doch hier worde geen Recht gekreuckt; maer dese luyden wierden vermoordt, of uyt jalousie van Staet, of wel meestendeel uyt haet van Religie, daer de Roomsche Papen de bewegende oorsaeck van waren; maer hier hebben de Burgers in den Haegh het Recht veracht, en haer selven tot Rechters opgeworpen, en soo dadelijck als wreede Beuls, ter executie gestelt, en dat over luyden van haer eygen Religie; en sy hebben dese luyden niet alleen vermoordt; maer sy hebben haer, na haer doodt, soo grouwelijck mishandelt, dat men diesgelijcks in geen Historien en kan lesen, dat door eenige Heydensche Natie aen yemandt is gedaen. Ghy hebt, meen ick, wel gehoort, hoe datter nu een tijdt langh een geroep onder ’t gemeene volck is geweest, datter vele van onse Regenten in Hollandt, en oock in d’andere Provintien, zijn, die dit quaet spreeck-woordt souden gebruyckt hebben: Liever Frans als Prins, welcke woorden oock gebruyckt worden by luyden die by ’t gemeene volck in groot aensien waren; waer door dattet gemeene volck, verblindt zijnde, een grooten haet tegens haer Wettige Overigheden hebben opgenomen; en dewijl dat men nu heeft gesien hoe schandelijck dat haer de drie Provintien in soo korten tijdt aen den Koningh van Franckrijck hebben overgegeven, soo worde dit overgeven onse goede Regenten tot schuldt opgeworpen, dat sy alle dese plaetsen aen den Koningh van Franckrijck hadden verkocht; en in wat Steden dat ick heb geweest, en wat ondersoeck dat ick op dit spreeck-woordt heb gedaen, men heeft my noyt by een eenigh man konnen brengen die met goet fondament konde aenwijsen, die Heer heeftet gesendt; maer ’t is al achterklap en uytgestroyde leugens, nergens anders toe voortgebracht, als om tweedracht onder de Hollandtsche Burgerye te verwecken, en een haet op haer goede Regenten; en dese uytstroyers en leugen-sprekers die geven haer selven dien tijtul, datse goet Prins zijn; maer in der daedt soo zijnse, wetende of onwetende, vyanden van de Prins en van de Staet van ’t Landt: want sy berooven het Landt de macht om de vyandt te konnen tegen-staen, en sy verbreecken het Recht, dat de Prins selfs sijn lijf van haer niet seecker is: want daer gewelt de overhandt heeft, en ’t gepeupel meester is, daer regeert de Duyvel, die alles over-hoop werpt, en maeckt geen onderscheydt tusschen Heer en knecht: want als sy nu komen te sien dat de saeck tegen de Fransche soo hardt niet uytgewerckt worden, als sy in haer selven inbeelden dattet behoorde uytgewerckt te worden, soo sullen sy konnen seggen: de Prins is een Verrader, bruyt hem doodt, en snijt hem aen riemen, wat hebben wy met dese Jonckers te doen; was de Prins sijn lijf dan wel seker?
    Jaep Soet. Hoe maeck je soo veel voor-reden? Heb je wat bysonders, soo verhaelt ons watter gepasseert is.
    Bode. Dat sal ick doen; ghy moetet my ten goeden houden dat ick soo geteemt heb, ’t is anders mijn manier niet; maer nu schijnt het dat door dit grouwelijck [fol. B4v, p. 16] voorval mijn sinnen wat verstroyt zijn geweest. ’t Is, meen ick, u al t’samen wel bekent hoe dat den Heer Ruwart van Putten, niet wel te pas zijnde, uyt de Vloot was t’huys gekomen, soo wierde door het geheele Landt, door eenige quaetwillige luyden uytgestroyt, dat den Heer Ruwart van Putten, en den Heer Admirael de Ruyter malkander wat geslagen hadden, en dat den Ruwart van Putten van de Ruyter, was gequetst; en dat ter oorsaeck dat den Heer de Ruyter, na dat den eersten dagh een bloedigh gevecht tusschen de onse, Engelsche en Fransche Vlooten, met een groote Victorie voor onse Schepen, op de vyanden was geslagen, dat den Ruwart van Putten den tweeden dagh het gevecht, tegens de wil van den Admirael de Ruyter, en oock den Krijghs-raedt, heeft belet; en den Ruyter gedwongen de Engelsche Kusten te verlaten, en te komen met de Vloot voor de Kusten van ons Landt. Hier had met nu ’t geklap van Jan-alleman gaende, Meester Jan de Wit was een Dief en Landt-verrader; den Ruwart van Putten was oock een Landtverrader, die had belet datse met de Fransche Oorlogh-schepen niet hadden mogen vechten, om alsoo Franckrijck in kracht te houden, en Engelandt tot niet te brengen, om alsoo den Prince van Orangien te onderdrucken. Hier over wordt den Ruwart van Putten gevangen en in den Haegh gevoert; die van Dort (vervoert zijnde door de factie die ick u hier na sal beschrijven) geven, tegen haer eygen Privilegie, haer vrome Regenten ten roof van de bloedtgierige Hagenaers.
    Jaep Soet. Wat is dit voor factie die ghy hier na wilt beschrijven? doet dit, behoudens uw propoost, liever aldereerst, misschien sullen wy uw woorden hier na wat beter verstaen.
    Bode. Ick sal het u te geval nu ten eersten doen in Nederduytsche Tael, om dat de Fransche woorden uw verstandt te boven gaen; daer is een oudt aenmerckens spreeck-woordt, door bevindingh in de wereld gekomen, gelijcker meer diergelijcke spreeck-woorden zijn: Een en twee en heeft niet, vijf en ses en geeft niet; drie en vier moet geven, daer een, twee, vijf en ses van leven. Vijf en ses dat zijn de Predikanten, en de Jonkers of Edelluyden, die geven niet, (siet de Previlegie van de Accademie tot Leyden;) de Predikanten, in die Privilegie opgevoedt zijnde, die meenen dattet haer alles toekomt, schrijven en krijten alles uyt wat sy bedencken konnen, tot voorstandt van de Jonckers, om haer eygen intrest over al te vinden, en ryen de Jonckers geduerigh op de rugh, en voeren over al het point van Religie en de eere Godts en voorstandt van sijn Kerck in al haer spreecken en schrijven, soo hoogh, als of haer eeuwige saligheyt aen dat point was gebonden; en maken datse door dit voorgeven ontallijcke eenvoudige goed-meenende luyden tot haer wille krijgen, soo dat die luyden, uyt een goede eenvoudige yver, tot de eere Godts, de liefdeloose Predikanten in haer godtloos werck over al ten dienst staen, en haer goetje met dit fijne volckje verquisten. De Jonckers, of Edellieden, die gebruycken dese sijne Priesters, gelijck als de gemene man (met verlof gesproken) de pispot gebruycken, die, soo haest men die gebruyckt heeft, aen een kant set, en men achtse tot geen ander gebruyck dienstigh, als om sijn vuyligheyt met uyt te dragen. Ick moet u hier een geestigh stuck verhalen, dat ick onlanghs heb gehoort; ghy weet dat de Boden dickwils staen by de Tafels van de groote Heeren; ick zijnde by de Tafel van een Veldt-overste, daer verscheyden Jonckers saten, soo verhaelde een van de Jonckers, hoe dat de Soldaten een Predikants Huys hadden berooft, en een Schilderye, die op grof doeck was geschildert, en veel hondert guldens waerdigh was, van de Lijsten hadden afgebroken, en opgerolt en soo wech-gedragen, [fol. C1r, p. 17] doch de Joncker meende de Schilderye machtigh te worden, alsoo hy wist onder wat Compagnie, en onder Soldaten, dat de Schilderye beruste: Over dit werck, wierdt aen die Tafel seer hertigh gelacchen: en den Oversten seyde, het was een rechtveerdige straf over den Predicant, want dit Volck (seyd hy) en past soo kostelijcken Schilderye niet; soo dat ick wel kon hooren, hoe hoogh de schade die den Predikant had geleden, by haer geacht worde. En dese Jonckers die hebben oock een groote sleep van Menschen, aen haer snoer, die sy na haer goedt vinden over al trecken, daer haer lusten heen draeyen: Dese twee soorten maecken den grootsten hoop, en sy sijn alle beyde de Burgerlijcke regeeringh vyandt: En door dit malle Volck, die de sommige om de Geef-brocken, andere om aen den Roof te komen, en veel die uyt onwetentheydt, de Kerck volgen, en d’ander die aen den Adel vast zijn: soo wercken deze twee soorten, Predicanten en Edelluyden al haer boose practijcken uyt, om de Burgerlijcke regeeringe den neck te breecken. En de Haeghsche Burgers die leven by het Hof, gelijck de luye Boeren ontrent de vette Kloosters, op de Geef-brocken leven: Die hebben nu dese laetste twintigh Jaren, niet als Prins, Prins, geroepen: En zijn soo verbeten op de Burgerlijcke regeeringh, datse blindelingh de boose drift van haer Leer-meesters volgen, die het goede quaet, en het quade goet noemen.
    Jaep Soet. Ick heb’t verstant van u seggen al gevat, dese drie en vier, dat is de Gemeente, die dese onverdraegelijkcke schattingen moeten op brengen, want de Arme, die om de kost arbeyden, of die noch minder zijn, die uyt de Kercken, of andere Huysen haer voetsel halen, en die t’samen wel de grootste helft van de inwoonders van ons Landt uyt maecken; want een Koopman binnen Leyden, die moeten meer als vijftich Huys-gesinnen in ’t werck houden; dese gemeene Luyden, die dickwijls de yverighste Kerck-loopers zijn, die en konnen niet geven: En de Predikanten, en Jonckers, die en willen niet geven; somma drie en vier, die moeten alles Contribueren, daer al dit ander Volckje by sonder de Predicanten, en Jonckers, haer groote Staet op voeren. En uyt dese drie en vier, daer onder dat de voornaemste de Koopluyden zijn, die door Godts zegen, en door neerstige spaersaemheydt, soo machtigh zijn geworden, datse van het gewonnen goet konnen leven; uyt dese worden de Regenten in de Hollandtsche Steden gemaeckt, en dat is onse Burgerlijcke regeeringh, die in de Gemeente gemaeghschapt zijnde, over de smert, met de Gemeente deelachtigh zijn; en dewijle dattet Anno 1650 om verlichtingh van Schattingh was te doen, en dat de Regenten in een eenige Stadt, in Hollandt (gelijck daer is de stadt Amsterdam) misschien meer in de Generaliteyts lasten opbrengen, als de geheele Provintie van Gelderlandt met het Graefschap Zutphen t’samen doen; soo begrijp ick wel wat reden dat Amsterdam in ’t Jaer 1650 gehadt heeft om stijf te staen, op de Reformatie van ’s Landts Militie, daer soo veel toe moeten opbrengen. En in Hollandt heeft men heel weynigh Adel, en dat de oudtste, en voornaemste Edel-luyden, dat zijn de Heeren van Poelgeest, Warmont, Alkemade, Kabau, en meer andere, die zijn Rooms-Catholijck, en zijn haer Voor-vaders, die in de eerste Troubelen, tegen de regeeringe van Duc de Alba hadden opgestaen, in ’t Jaer 1618, onder schijn van Religie, tegens ’s Landts Privilegie, door Prins Maurits versterckt met de vreemde Natie; en de Predikanten, dat meest oock een vreemden bruy is, uyt de Regieringh gestooten; soo heeft Prins Willem 1650 versterckt met den Geldersen, Over-IJsselsen, en Vriessen Adel, door hulp van de Predikanten, de [fol. C1v, p. 18] Hollandtsche regeeringh, door gewelt, gefondeert op leugens, onse Hollandtsche Burgerlijcke regeeringh doen mede willen den neck breecken. Gelijck de Stadthouders in Vrieslandt, door behulp van de Predikanten, Griets-luy en Edel-luyden, daer de Burgerlijcke regeeringh de neck gebroocken hebben. En dat de Predikanten het soo met den Adel houden, dat komt uyt haer duyvelsche nijdigheydt; want de Inwoonders in ons Landt, die bestaen, de eygentlijcke Hollanders, veel uyt Rooms-Catholijcken, en Remonstranten; want die uyt de Hollanders, de Gereformeerde Kerck volgen, die zijn in ’t malle Schrickel-jaer, om de Offitien verandert. En voort zijnder veel Luytersen en Menisten, en om dat die, op de Groot-achtbaerheydt die de Predikanten haer selven, waerdigh achten, soo veel niet en letten; soo hebben de Predikanten, die het minste gedeelte van Hollandts bloedt zijn, en in de Geneefse, of Voetsiaense School onderwesen, oock een haet op alle andere Gesintheden gevat, soo maecken twee, de Predicanten en Jonckers, dese Prince Factie, en noemen al die gene die haer quade practijcken sien, en tegen gaen, Loevesteynse Factie; en noemen de vroomste Heeren die voor de behoudenisse van ons waecken, en alleen die oorsaeck zijn, dat ons Landt in den voorgaenden Engelsen Oorlogh aen Engelandt niet verbruyt en worde; en die nu alleen de behoudenis van ons Hollandt zijn, dattet door dese Jonckers (en Predikanten die dollen yver, door de voorgenoemde nijdigheydt verruckt zijnde) aen de Fransche (die sy ’t om haer selven groot te maecken verkoft hadden) nu niet gelevert is: En geven om haer vuyl op een ander te werpen, dese vroome Regenten, den naem van Loevesteynsche Factie, en Landt-verraders: En dat meen ick is oock de oorsaeck, dat den Koningh van Engelandt, soo verbeten is op de Burgerlijcke regeeringh hier in Hollandt, oock selfs in Engelandt op het Lager-huys, om dat hy, en zijn Jonckers, geen meester van de Kas konnen worden, om de Burgers, maer voornamelijck de Boeren, over al op sijn Oosters, als slaven, na haer wel gevallen te Commanderen. Maer soo ’t u belieft gaet voort met u vertellingh, die ghy hebt begonnen.
    Bode. Den Heer Ruwart van Putten in den Haegh gevangen gebracht zijnde, so socht men alles op, wat men kon bedencken, om hem met eenige schijn van recht ter doodt te brengen, het gepasseerde in ’s Landt Vloot hier voor verhaelt, wiert hem te last geleyt; de saeck die word by hem ontkent, den Heer de Ruyter die most daer op gehoort worden. De saeck, den Heer de Ruyter ter ooren gekoomen zijnde; schrijft daer over, aen de Ed: Gr: Mo: Heeren Staten van Hollandt, (gelijck de Brief in openbaren Druck is uyt gegaen) dat hy met verwonderingh heeft gehoort, dat men hier in ’t Landt heeft uytgestroyt, datter tusschen hem, en den Ruwart van Putten, oneenigheydt sou zijn geweest, soo datse niet alleen in Woorden, maer selfs Handt-gemeen souden geworden zijn: daer op dat den Heer De Ruyter in openhertigheyt en waerheydt, voor Godt Almachtigh, en hare Ed: Groot Mog: verklaert, dat alle de Beschuldingen, sijn versierde, en valschelijcke uytgestroyde saecken. Gelijck hy vorder in Conscientie en waerheydt getuycht, dat den Heere Ruwart van Putten, altijdts een grooten en bysonderen yver had getoont, om de Vyanden te bevechten. Gelijck ghy ’t selve in den voorgenoemden Brief in ’t breede kondt lesen. Met dit getuygenis en waren dese Gieren niet te vreden; men heeft alles opgesocht, wat men kon bedencken, om hem aen ’t Lijf te komen, en men heeft niet konnen vinden. De voornaemste beschuldingh daer het alleen op aen komt, die komt uyt een Eer-vergeten Boef, die te voren om ander Schelm- [fol. C2r, p. 19] stucken, sijn straf had moeten dragen, die is Aenklager, en met een Getuygen tegen den Heer Ruwart van Putten, als dat den voorsz Heere hem een goede somme Geldts had aen getelt, en noch meerder had belooft om den Heere Prince van Orangien te vermoorden. Hier had men nie een saeck des Doodts, tegens den Heer Ruwart uyt gevonden. Men stelt hem tegen alle rechten, ter nauwer examen; de Beklaeghde is, en blijft onschuldigh; wat raedt om aen sijn Bloedt te komen? de Beschuldiger blijft by sijn Woordt, want hy blijft buyten pijn, daer hy na stijl van Rechten, niet alleen de pijnbanck, maer selfs de doodt verdient had: ’t Most tegen den Heer Ruwart op draeyen, de Haeghsche burgers hadden de schult al uyt gevonden, ’t Hof most kennis van saecken nemen. Die, na dat se alles hadden overwogen, ’t gene ter materie diende, (soose seggen,) verklaert den Heer Ruwartvan Putten, vervallen van alle sijne Digniteyten en Ampten by hem tot noch toe bedient: Bandt hem voorts uyt den Lande van Hollandt en West-Vrieslandt, sonder daer oyt wederom in te mogen komen, op poene van swaerder straffe; te ruymen deselve Landen met den eersten, ende condemneert hem in de Kosten en Misen van Justitie. Maer om wat oorsacken dat hy van alle sijne Diensten wordt afgeset en gebannen, dat blijft in de pen: Gelijck ghy kont sien in de gedruckte Briefjes, die over al te Koop gedragen worden: met dit Vonnis waren sijn Vyanden niet te vreden, alhoewel dat de wegh van Appel voor den hoogen Raedt open stondt, men wil een andere wegh met hem in. Den gewesen Raedt Pensionaris, die al sijn Beschuldigers, als kaf had doen verdwijnen, en sijn oprechte Handel voor de geheele wereldt had verdeedight; Gaet na sijn Broeder op de Gevangen-poort: de Haeghsche Burgers komen met ses Compagnien in de Wapenen, als mede drie Compagnien Ruyters; de Burgers dringen op de Gevangen-poort, en hebben deze twee Heeren, met veele Wonden en Slagen seer jammerlijck vermoordt, en op de Straet gesleept, met Voeten op haer Lichaemen getreden, de Kleederen van haer Lijf afgescheurt, en de stucken onder malkander gedeelt, of elck die een stuck kon bekoomen, die isser met wegh geloopen; sy hebben de doode Lichamen geschent, Neus en Ooren afgesneden, de Handen, ja Vingers en Toonen afgesneeden, en om Geld verkocht, en het vleesch van de Beenen afgesneden, en de mishandelde Lichamen aen de Galgh gehangen en op gesneden, en het Hert daer uyt gehaelt, om (soo daer wordt geseyt) aen den Koningh van Engelandt en Vranckrijck te vereeren; om misschien, op de Heydensche wijse, in een Triumph of Processie omgevoert te worden, om voor het gemeene Volck, door haer Beestelijckheydt te vertoonen, hoe datse voor hare Creatueren, hare Vyanden op de Naem van goet Prins hebben overwonnen: en Hollandt van haer aldergrootste Voor-standers berooft.
    Broer Jochem. Is dit in in den Haegh gepasseert, so doet het mijn geen wonder, al kondt ghy tot geen spreecken komen. Ik heb veel Boecken gelesen, maer noyt van diergelijcke wreedtheydt; dese stanck sal de geheele Wereld vervullen om met laster tegen de Hollanders uyt te bersten. Ghy vervloeckte Moordenaers, en Vleesch en Bloedt-verkoopers van u getrouste Regenten; ghy zijt niet waerdigh, de naem van een Mensch, veel min van een Christen te dragen. Want de ontschuldige sullen het verwijt, met de schuldige gemeen moeten hebben, en ick vrees datter buytens Landts, uyt dit verwijt, noch veele Moorden sullen ontstaen: Want onse Natie en sullen dit verwijt niet willen hooren, of sy sullen daer opkloppen; is dit het eynde van dien vroomen Heer, die lijf en leven met ons voor [fol. C2v, p. 20] het Vaderlandt heeft gewaeght, en yder tot stantvastigheydt vermaent om kloeckmoedigh voor de behoudenisse van ons lieve Vaderlandt te vechten. Wie sal hier na, sijn leven voor het Vaderlandt willen wagen; als men dus voor sijn goet doen wordt geloont. Mijn hert schijnt te bersten van droefheydt, als ick op al de Elenden denck, die ons door dese Geuse factie, wordt gerockent; het schijnt of het Treur-spel nu eerst was begonnen. Maer wat doet den jongen Prince? doet hy geen vervolgh op de Hant-dadige die dese grouwelijcke Moorderye begaen hebben? mijn dunckt soo ick Prince van Orangien waer, ick soud mijn lijf in den Haegh niet betrouwen, ick soud vreesen, dat de loop, een weer-loop soud hebben; en als ick was als de Heer de Ruyter, ick soud mijn lijf in den Haegh niet brengen. Want daer is, na dat den Ruwart van Putten uyt de Vloot is geweest, en dat sijn Hoogheyt Stadthouder, en Capiteyn en Admirael Generael ter zee is geweest, met dese kostelijcke Vloot niets uytgerecht. Want als, aenklacht, sententie en executie, aen de bloed-dorstige Burgerye staet, gelijck als de Burgers in den Haegh dit door gedruckte Schriften, de geheele Wereldt vertoonen, soo hangen alle saecken aan de swier van haer opinie. Soo dat draeyt, soo draeyt het recht. Hoe is de Prins by sulcke Burgers dan bewaert, en hoe kan het Hof, en vergaringh van Staten daer haer Lijf verseeckert wesen; en dat ick Prince van Orangien, en Stadthouder van Hollandt was, ick soud by provisie, al de Raeden doen verhuysen in een vaste Stadt, en straffen de Misdadige in den hooghsten graedt; op dat ons Landt van die bloedt-schult ontlast mocht worden.
    Bode. Ick hebbe sijn Hoogheyt den Heere Prince van Orangien in der herten lief; en mijn dunckt dat ick een bysonder goet humeur in hem heb gesien. Ick houd oock het Stadthouderschap in dese tijdt ten hooghsten noodigh; Om dat de Raedts-besluyten in de Staets-vergaderingen te langhsaem voortgaen. Maer ick vrees dat hy door de Predicanten, die hem geduerigh op het oor sitten; of door d’ander onervaren, of eygenbaet-soeckende Raets-luy vervoert worden. Of hy nu ondersoeck na dese Moordenaers sal laten doen is my noch niet bekent; dat moet de tijdt openbaren; maer ick vrees voor Hollandts ondergangh, om dat ons dier-gekochte Vryheydt soo jammerlijck leyt vertreden, en dat het Recht, daer soo jammerlijck in Onrecht is verkeert, gelijck ick onlanghs in seecker Brief heb gelesen, geschreven den 8 Julii lestleden uyt s’Gravenhage.
    Jan Goet-hart. Die brief heb ick wel gelesen, de oorsaecken van den tegenwoordigen Oorlogh zijn na mijn oordeel daer vry wel in beschreven. Och of wy al te samen het ter herten namen, om ons leven te beteren; ick heb dit droevigh verhael met tranen moeten hooren. Ick hoop dat Godt de versteende herten, sal verbreecken door den hamer van sijn Goddelijk woort, op dat wy met malkanderen ons onverstant sullen leeren kennen. En dat hy de onschuldige niet en sal straffen, om de schuldt van dese Moordenaers? maer het selve, een yder op sijn eygen kop vergelden. Maer dat de Bode soo goet Prins is, dat bevalt my wel, en dat hy het Stadthouderschap in dese tijdt noodigh oordeelt, dat komt met mijn verstant wel over een. Ick hoop dat sijn Hoogheyt hem met de Burgerlijcke regeeringh sal vereenigen. Want ons Landt, en sal niet konnen staende blijven, by de veranderingh van de Magistraet, gelijck ick de exempelen in Prins Maurits tijden heb beleeft.
    Keesje Maet. Ick vrees dat dit moorden noch geen eyndt sal wesen; siet de boeckjes eens na van dien Rotterdamschen Priester, soo hy sijn wil krijght, soo [fol. C3r, p. 21] moeten de Regenten hier in Hollandt noch meest vermoordt of wech-gejaeght wesen; en daer op siet den Brief van den Koningh van Engelandt aen den Prins van Orangien, daer wy hier voor van aengeroert hebben: want hy seydt vorder, Het vertrouwen dat ick hebbe op de vriendtschap van den Alderchristelijcksten Koningh, en de affectie die hy voor uw persoon heeft, en sijne aversie tegen de gene, de welcke haer getoont hebben te wesen mijne vyanden, soo wel als d’uwe, beloven my een goeden uytslagh van alle dese verwarringen in uw reguard. Hier blijckt dat den Koningh van Engelandt den Prince van Orangien soeckt in te boesemen, dat alle die gene, die vyanden zijn van den Koningh van Engelandt, en met een van den Koningh van Vranckrijck, dat die oock vyanden zijn van den Prince van Orangien, om alsoo den Prince van Orangien te voeden met een haet op de Regeeringh van Hollandt; hem versekerende, dat al gene dat hy en den Koningh van Vranckrijck doen, datse dat doen om den Prince van Orangien groot te maken, en daerom sal dien Engelschen Koningh niet rusten, om den Prince van Orangien met verkeerde raedt te voeden, tot dat al de goede Hollandtsche Regenten, of vermoordt, of uyt het Landt verdreven zijn; gelijck hy dit in’t laetste van sijn Brief met klare woorden uytdruckt: En als ick sal gesien hebben dat de affaires gebracht zijn in sulcken staet, dat het niet meer sal zijn in de macht van de selve violente factie of van een andere, alsoo wel malitieuse, om te dissolveren en vruchteloos te maken ’t gene men als nu heeft gedaen, en dat ick sal konnen mijne Onderdanen bevrijden van de oppressien en injurien die sy soo langen tijdt hebben moeten lijden. Hier siet men nu met klare woorden, dat de Koningen van Engelandt en Vranckrijck geen grooter vyanden hier in ’t Landt en hebben, als die gene, die nu den naem van Verraders moeten dragen; en dat de Prins-gesinde, door de Predikanten en Jonckers die Motten en Muysen sijn die het Laken en de Kaes opvreeten, dat die vrienden zijn van den Koningh van Engelandt en Vrankckrijck, en dat sy de vyanden sijn van ons lieve Vaderlandt, die alreede drie geheele Provintien verkocht en gelevert hebben, en die ons Hollandt nu soecken aen den Koningh van Engelandt te leveren, de rest van d’andere Provintien soud dan wel volgen, hoewel datse aen Zeelandt noch wat te knabbelen souden hebben; maer in ’t lest soud ’t sijn selven op-eten, om dattet rondtom van alle kanten benauwt soud worden; wy hebben albereydts het voorspoock tot Rotterdam, daer dien fijnen Priester ’t alsoo verre heeft gebracht, dat de goede Regenten, die het Landt in den laetsten Engelschen Oorlogh beschermt hebben, dat die als Verraders verstooten worden, en overgelevert tot roof van ’t gemeene graeuw, (die anders nergens als op roof uyt zijn) en dat sy dien helschen Kievit tot Burgemeester maken. Wat duyvel heeft Pieter de Groot bedreven, meer als de Heer van Odijck, die met hem in een selve Commissie by den Koning van Vranckrijck heeft geweest, en dien Joncker die blijft over al in ’t spel en speelt de groote meester; die niet al willens mal en blindt wil wesen, soud die dese guytery niet sien? En wat seydt men van den Heer van Gent, dien Gelderschen Joncker, die den Koningh van Vranckrijck tot aen Parijs is gevolght? niet een quaet woordt, ’t mach alles met de Jonckers passeren, maer de Groot die heeftet verbruydt: waerom? hy heeft de Burgerlijcke Regeeringh voorgestaen, gelijck sijn Heer Vader oock dede, en daerom most hy van Prins Maurits lijden, gelijck dese Heeren nu van de Prins-gesinde. Ick geef de Prins geen schult, die is noch jongh, en hy wordt van de jonge en eygen-baetsoeckende Raedtsluy vervoert, gelijck Rehabeam na de doodt van den Koningh Salomon.
[fol. C3v, p. 22]
    Klaes Swaer-hooft. Ick heb uw reden wel verstaen; ick kan oock niet sien waer in dat de Groot meer verbeurt soude hebben als dese Jonckers, die met hem in een selve Commissie zijn geweest. Ick heb oock hooren seggen, (of ’t waer is en weet ick niet) dat den Prince van Orangien, als hy soude gaen ter Vergaderingh van de Staten Generael, dat eenige Hollandtsche Heeren by hem verdacht waren, dat hy die in de Vergaderingh niet mocht lijden: wat Duyvel doen de Geldersche, Uytrechtsche en Over-Ysselsche in de Vergaderingh? ick kan het spul in mijn hooft niet verdragen, ick sie wel dat den bruy niet en deught. In den laetstvoorgaenden Engelschen Oorlogh, in ’t jaer 1665, ons Vloot half geslagen, en geheel verstroyt binnen komende, dattet alles radeloos scheen te wesen; soo gaet meester Jan de Wit met eenige van sijn medestanders en brengen alles weer in goede ordre, en hy gaet selfs mee in Zee, hy waeght lijf en leven voor het Vaderlandt; hy vaert voor Bergen in Noorwegen en haelt de Oost-indis-vaerders of. Godt de Heer, om ons te kastijden, die sendt een boven gemeene storm-windt, waer door de Vloot verstroyt, dattet alles niet na wensch en geluckte; maer Jan de Wit blijft met de Vloot in Zee, en doet alles wat een voorstander van ons lieve Vaderlandt soud konnen doen. Den Bisschop van Munster valt ons onvoorsiens in ’t Landt; den Heer Ruwart van Putten gaet selfs, neffens andere Gedeputeerden, mede in ’t Leger, en sy volgen den Bisschop van Munster op de hielen tot in sijn Landt; de koude Winter doet ons Leger opbreecken; de Gedeputeerden doen rapport in den Raedt, sy vertoonen met klaer bewijs dat Prins Maurits niet had willen vechten; maer de voordeelen die sy op den Bisschop van Munster gehadt hadden, moetwillens had doen versuymen, en nu gaet men dese twee voornoemde Heeren soo wreedelijck vermoorden, en na haer doodt haer lichamen soo schandelijck aen stucken kerven, en haer vleesch onder malkander verkoopen, en haer hert, als een groot Juweel, aen de vyanden wech schencken; wie, een menschen hert (ick swijge een Christen hert) in ’t lijf hebbende, soud soo een ondanckbare vuyle onmenschelijcke daedt niet verfoeyen? en komt ons dat uyt de vijf, ses, die het door de een, twee, die ons de Bode hier voor heeft beschreven, uyt wercken: waeckt op dan vrome Hollanders, siet uyt uwe oogen door een Hollandtsche Bril; daer komen nu soo veel Brillen, voor allerley gesichten, in druck, die dese fijne glas-slijpers nu uytgeven, daer door dat elck na sijn eygen intrest, en niet na ’t gemeene best, siet; set nu den oprechten Hollandtschen Bril, van eygen gevoel, van ’t gemeen verderf, eens op jou neus, ghy sult de geestige Jonckers streecken in uw lichaem wel gevoelen, en door het gevoel sullen u de dicke schillen van uw oogen vallen; mijn bloedt verandert als ick’er om denck; maer raeckt dit spel een keer te nemen, ick sal toonen dat ick een oprecht Hollander ben.
    Bode. Mijn tijdt verloopt, ick moet mijn Reys vorderen, de uren worden my na-getelt, ick moet mijn Brieven bestellen, loopen is nu mijn beurt, hadieu Huys-luy.
    Broer Jochem. Nu de Bode wech is, mogen wy oock scheyden, ick hoop dat alles, na veel armoede en ellende, noch ten besten sal komen; en soo de Prins hem met de Hollandtsche Regeeringh vereenight (de Zeeuwen en Vriesen sullen wel constant blijven om de Fransche en Engelsche tegen te gaen) en dat hy de malle Rotterdammers stuyt, en de Haegsche moordenaers straft, soo heb ick noch wel moedt dat wy de Engelsche en Fransche overwinnen sullen: want het is den Koningh van Engelandt niet te doen om den Prins van Orangien groot te maken, [fol. C4r, p. 23] gelijck hy verkeerdelijck voorgeeft; maer om ons geheel tot niet te brengen, om ons als slaven te senden na de Barbados, gelijck hy sijn Engelsche Ingesetenen doet: En dat blijckt uyt de laetste woorden van sijn Brief van den 28 July, hiervoor aengetogen, als hy heeft gesproken van het uytroepen van onse trouwe Regenten, sijne vyanden, beschreven met de naem, Loevesteynsche factie, soo seydt hy: En dat ick sal konnen mijne Onderdanen bevrijden van de oppressie en injurien die sy soo lange tijdt hebben moeten lijden. Hier klaeght de Wolf over ’t Schaep, ’t welck op de rievier, beneden stroom, drinckende, hem het water troubel had gemaeckt. Hy heeft ons Nieuw-Nederland soo verraderlijck ontnomen, en over al Roveryen, in tijdt van Vrede, op ons gedaen. Nu noch dit Voor-jaer op de kostelijcke Smirnische Vloot, en doen de tijdingh in Engelandt quam, doen protesteerde hy noch tegen den Ambassadeur Meerman, dat hy heylighlyck by de Verbonden, met dese Staet opgerecht, soud blyven, en desen Duyvel heeft noch geloof by de Rotterdamsche Priesters, en daer stelt men den Engelschen Kievit in staet van gebiedt, en men geeft de vrome Regenten tot een roof van ’t Graeuw, en men siet en hoort dat Engelandt ons op het hooghst soeckt te onderdrucken, en daer de Engelsche bedriegeryen en krachten noyt hebben konnen uytwercken ’t geen sijn oogen begeerden. Nu komt hy, versterckt met den Franschen Nebucadneser, die ’t alles (na te zeggen) sijn eygen wijsheyt toeschrijft, versterckt met de Geestelijcke Bisschoppen, om ons soo gesamentlijck tot niet te brengen. Maer wackere Hollanders, treedt op uw voeten, vernedert u voor Godt, door een ware beteringh des levens, Godt sal ons armoede aensien. En dat het Lager-huys in Engelandt, die de Gemeente representeren, het ongeluck dat haer beschooren is, indien dat wy Hollanders verwonnen worden, eens van na-by besagen, alsmede de Hooghduytsche Natie, sy souden een ander manier van leven aengaen, alsse nu doen. Denemarcken, Sweeden en Polen souden oock beter op haer hoede wesen. De Fransche factie heeft Polen al veel onrust gemaeckt. maer ’t schijnt dattet lichaem, ongesont zijnde, noch weynigh gevoel heeft. Ick mach’er mijn hooft niet langer mee quellen, ick heb mijn tijdt verpraet, ick loop na mijn wijf en kinderen, ick denck datse nu van dese Duyvels in mijn afwesen genoegh geplaeght zijn geweest. Goeden dagh mijn lieve Buertjes, elck na sijn nest.

EYNDE.

[fol. C4v, p. 24: blanco]
Continue