Continue

I. de Clercq H.z: drie heldinnenbrieven

In: Kleine dichterlyke handschriften Derde schakeering.
Amsterdam, Pieter Johannes Uylenbroek, 1790.
Van Watson, uit zyne schuilplaats aan zyn’ zoon.
Gebruikt exemplaar: UBL 1227 C 1: 3.

In: Kleine dichterlyke handschriften Vyfde schakeering.
Amsterdam, Pieter Johannes Uylenbroek, 1792.
Van Segestes aan Arminius en v.v.
Gebruikt exemplaar: UBL 1227 C 2: 1.



Continue
[Derde schakeering, p. 35]

WATSON

UIT ZYNE SCHUILPLAATS,

AAN ZYN’

ZOON.



[p. 36: blanco]
[p. 37]

WATSON

UIT ZYNE SCHUILPLAATS,

AAN ZYN’

ZOON.



Uw schrift, myn zoon! verzwaart myn prangend zielverdriet:
’k Verlaat, hoe zeer ’t u smart’, myn sombre schuilplaats niet:

[...]
[p. 44]
,,Vergeef, indien ’t kan zyn, myn wode en straf te gader.

[...]
Naar het Fransch. IZAAK DE CLERCQ, H.Z.
Continue
[Vyfde schakeering, p. 33]

SEGESTES

AAN

ARMINIUS;

EN

ARMINIUS

AAN

SEGESTES.



[p. 34: blanco]
[p. 35]

SEGESTES

AAN

ARMINIUS.

Nu ge, ô Arminius! verachtlyk my laat wachten
    Naar ’t antwoord op ’t verzoek, onlangs aan u gedaan,
Toen ik u vrindlyk vergde, om nevens my te trachten
    Ons door een nut verdrag van ’t oorlogswee te ontslaan,
(5) Zal u Segestes zyn besluit rondborstig melden:
    Weet, dat ik reeds alleen ’t verbond met Rome sloot;
Dat ik my burger noem dier stad, die zo veel helden
    Ten voorschyn heeft gebragt uit haren vruchtbren schoot.
Meestresse van al de aarde, ervaren in ’t regeeren,
    (10) Verlicht zy volk by volk door haar bestuur en raad,
En dwingt een’ vyand zelv’ die eedle deugden te eeren,
    Waardoor zy ’t fierste hart in zagte boeijen slaat.
Myn krygsmagt ligt, vereend met Romes legerbenden,
    Daar, door der Kauchen land, de Wezer bogtig vloeit,
(15) Vanwaar gy ’t gantsche heir zult tegen u zien wenden,
    Zo niet uw hart, in tyds, zyn’ trotschen waan verfoeit,
[p. 36]
Drie legioenen op Augustus last vergaderd,
    Ontzagchlyk in den stryd, en Varus aan hun hoofd,
Zyn hier, in grimmigheid, tot uw bederf genaderd:
    (20) Uw volk bukt onder ’t juk, ten zy gy my gelooft,
’k Ben Romes bontgenoot, dit kan my vergenoegen:
    Ik red myn’ veegen staat, en spaar der helden bloed.
Voorzeker zoud gy u aan myne zyde voegen,
    Zo gy de menschlykheid niet weerde uit uw gemoed.
(25) Uw krygsgeluk doet u het groot gevaar verachten;
    Gy waagt onzinnig u en ’t zuchtend vaderland;
In plaats van, tot ’s volks heil, naar vrede en rust te trachten,
    Verhaast ge uw’ ondergang door ydlen tegenstand.
’t Gezag strekt my tot last en kan my niet behagen,
    (30) Wanneer myn volk hierdoor een reeks van rampen lyd:
’k Verzeker hun geluk, verschaf hen blyde dagen,
    Verzacht hun treurig lot, en schik my naar den tyd.
Zie daar hoe ik myn zucht voor ’t vaderland doe blyken.
    Gy offert alles op voor uw gezag en staat.
(35) De toomelooze drift van u en uws gelyken
    Plengt gantsche beeken bloeds van d’ armen onderzaat.
Zo koopt ge een weinig roems, ten koste van zyn leven.
    Wat heil geniet het volk van ’t wanklend krygsgeluk?
Heeft onze zegepraal ooit voordeel hen gegeven?
    (40) Hoe dikwerf schreide ik by ’t beschouwen van hunn’ druk!
[p. 37]
De rampspoed volgt altoos de bloedige oorlogsvanen:
    ’t Ontvolkte land ligt woest, vertrapt, en onbebouwd;
De honger, ’t staal, de dood, het bang gekerm, de tranen
    Vertoonden zich waar ooit een slagveld wierd beschouwd:
(45) De broeder treurt by ’t lyk zyns broeders, en de vader
    Beschreit het wreede lot van zyn’ geslagten zoon:
Zie ’t zegevierend en ’t verwonnen heir, te gader
    In twyfling, waar de rouw zich ’t akligst spreid ten toon.
Het bly Germanië zal door myn zorg herleven,
    (50) Als ’t bange krygsgeschrel is van zyn’ grond geweerd;
Maar, door uw glorizucht, zou ’t ras den doodsnik geven,
    Schoon ’t u, al te onbedacht, als zyn’ beschermer eert.
Wat zal het einde zyn van al uw vruchtloos woelen?
    Zwicht voor Augustus: ach! ’t is mooglyk reeds te spaê!
(55) Niets zal de grimmigheid van Rome thans verkoelen,
    Dan, dat ge u onderwerpt, en smeekt om Iyfsgenaê.
Dat ryk heeft vorst by vorst verdelgd, onttroond, verdreven:
    Zy, ons gelyk in moed, verr’ boven ons in magt,
Verstrekken ons ten baak om ’t stryden op te geven.
    (60) Wie wederstaat een volk dat alles te onderbragt!
Toen, Rome, in burgerkryg, op eigen grond moest stryden,
    Nu met Antonius, dan met Pompejus zoon,
Toen kon Germanië zyn noodlot noch vermyden,
    Toen streden wy met vrucht, en stond de kans ons schoon;
[p. 38]
(65) Nu buigt al de aarde zich voor Romes hooge wetten.
    Dit is de wil der Goôn; ik heb dien wil geëerd.
Geen sterfling kan een perk aan ’t stalen noodlot zetten.
    Hy stort in zyn bederf die ’t godendom braveert.
Gy zult, dit stel ik vast, dit nut verdrag versmaden,
    (70) Myne eer besmetten door de snoodste lastertaal,
En loos verspreiden doen dat ik u heb verraden,
    Dat ik van ’t heldenspoor van onze vadren dwaal.
Ga voort, en blyf myn’ raad hardnekkiglyk verachten.
    Voed uwe glorizucht met onbezonnen waan;
(75) Maar, zie de wraak gereed, om, met getergde krachten,
    Ten zoen van Rome en my, u yllings neêr te slaan.
En, kunt gy die weêrstaan, dan zal de list u drukken;
    ’t Geduchte Rome heerscht door staatkunde, of door dwang;
Verdeeldheid zal welhaast uw vrinden u ontrukken,
    (80) En in het hart uws volks bereid ze uw’ ondergang.
Ik sluit: ik zal myn telg aan een’ Romein verbinden;
    Gy mint Tusneldis; ja, zy was aan u verloofd,
Indien vermetelheid uw zinnen blyft verblinden,
    Dan word u ras ’t gezag, en ’t leven zelfs ontroofd.


[p. 39]

ARMINIUS

AAN

SEGESTES.

Tot driewerf zette ik, ô Segestes! my tot schrijven,
En driewerf slipte my het schryftuig uit de hand, Zo beefde Arminius op ’t zien der wanbedryven, Waarop gy roemen durft tot hoon van ’t vaderland. Ik kon uw schaamtloos schrift niet lezen zonder blozen, Een schrift, dat my de maar’ van uwe schande bragt; ’k Zag my door Romes wrok ten offer uitgekozen, En pleitte noch voor u, die myn bederf betracht. Is ’t mooglyk, dacht ik, kan Segestes my verraden? Die held, zo lang geroemd om zyne deugd, zyn’ moed, Die ’t vry Germanië door grootsche heldendaden, Voor vreemde slaverny, standvastig heeft behoed. Zou hy...? Dan ’t was vergeefs myn hart met hoop te vleijen; Segestes zegelmerk is my te wel bekend; Geen zweem van twyfeling kon langer my misleiên; ’k Zag in ’t vernedrend schrift uw wanbedryf geprent. [p. 40] Ach! ’t is dan waar; gy hebt uw vryheid weggeschonken; Gy buigt voor Rome, ondanks ons plechtig eedverbond! Wat geest heeft u bezield; wat drift kon u ontfonken, Dat gy dus roekeloos uw’ eed, uw pligten schond? Is ’t afgunst? ja, zy is ’t: haar wrok kon niet gedoogen Dat ik u evenaarde in deugd en heldenmoed; Gy wilt geen deelgenoot in ’t vorstelyk vermogen, Maar kiest een’ meester, wien gy siddrend hulde doet. Gy zyt in ’t eind’ verstrikt door Romes list en lagen. ’t Heeft ons verdeeld, om dus ons beiden neêr te slaan; ’t Eert u als bondgenoot, maar om, met wisser slagen, In schyn van vrindschap, u, na my, te doen vergaan. Zo deed het menigwerf; en, waar verdeeldheid woelde, Daar rukt het, ongevraagd, als rusthersteller in; En, schoon de twist verdween, de grimmigheid bekoelde, ’t Blyft heerschen, en zyn dwang buigt alles naar zyn’ zin. De vreê, met recht geroemd als d’allerhoogsten zegen, Is met die heerschappy een jammerpoel van leed. Wat ligt ons aan haar gunst, haar eerbewys gelegen, Indien zy middlerwy! de ketens voor ons smeed? Zodra wy in verbond met Rome zyn getreden, Word ons ons kroost ontrukt, gevoerd naar zynen wal. Daar word die jeugd gewend aan weelde en wulpsche zeden; Zo, raakt der vadren deugd te schandlyk in verval, [p. 41] De Mille zedigheid der eerbre maagdenreijen Word ongeMraft gehoond door hopman en foldaat; De kuische gade, van haar’ echtgenoot gescheiên, Strekt aan de drift ten prooij’ van ieder onverlaat. Zie daar de gunst, die u van Romen is beschoren; Zie daar de vrucht der vreê, waarop gy glori draagt. Bedenk, wat gy verkrygt, en wat gy hebt verloren: Voor vryheid, flaverny: hoe zeer zyt gy verlaagd! Het oosten late zich in gouden boeijen prangen, Misleid door Romes list, verblind door valschen schyn; ’t Germaansche volk wil tot dien prys geen gunst erlangen; Zyn hoogst geluk beMaat alleen in vry te zyn. Hiervoor trekt elk ten Mryde, en schroomt geen krygsgevaren; De vryheid is het doel, waarop elk de oogen (laat; Ja, zonder onderscheid van kunne, Mand, of jaren, Leeft vryheidliefde in ’t hart van ieder onderzaat. De vrouwen zwichten niet in eedle moedbetooning: Elk volgt haar’ dappren gade in ’t bloedig oorlogsveld; De deugd is hare pracht, de legertent haar woning; Haar oog vertoont de rust in al het krygsgeweld. Haar zonen, in ’t gewoel van ’t Mrydperk opgetogen, Zyn van hun vroegfte jeugd aan ’t krygsgeschrei gewoon; Het heldenvuur Mraalt hen by hun geboorte uit de oogen, En’t kinderlyk geluid zweemt reeds naar d’oorlogstoon: [p. 42] De scherpe wapens zyn het (peeltuig hunner handen. Geboren helden zyn al vroeg ten ftryd gereed. Maar gy, gy legt hunn’ moed verachtelyk aan banden, En ’t is Segestes, die voor hen de boeijen smeed! Neen; zo wy eindlyk voor de vryheid moeten Iheven, Dan hebben we onzen pligt aan ’t vaderland voldaan:, ’t Is beter dood te zyn, dan eereloos te leven: Hy fterft met roem, die zich van ’t dwangjuk poogt te ontflaan╚ Gy dreigt my, myne bruid aan een’ Romein te huwen; Doch, ’t is vergeefs dat gy haar trouw en deugd beftryd: Zy zal de dood veelmin dan die verbindtnis schuwen; Zy heeft haar zuiver hart aan my alleen gewyd. Zou ooit haar eedle moed dien schampren hoon gehengen? Neen; ’t is een looze vond door Romes list bedacht -Getergde wraak zal u een nader antwoord brengen, Als gy my ziet aan ’t hoofd van myne legermagt. ’kWacht rustig af uw’ wrok en dien van ’t haatlyk Romen; Myn krygsvolk is geenszins van de oude deugd ontaart:
’t Zal noch Romeinsche goôn, noch stalen noodlot schroomen:
Myn benden zyn in ’t bosch van Teutoburg geschaard.

                                                I. DE CLERCQ, H. Z.
Continue