Dichtlievende verlustingen, van Bernardus de Bosch Derde deel. Te amsterdam by Gerrit Warnar MDCCLXXXI  Door Bernardus de Bosch,Pieter Nieuwland,Hendrik Schim,Antoni Hartsen http://books.google.be/books?id=rwIUAAAAQAAJ&printsec=frontcover&hl=nl&source=gbs_ge_summary_r&cad=0#v=onepage&q&f=false Bevat drie heldinnenbrieven. p. 212 Probus aan Priscillus p. 220 Eduard aan zynen vader p. 230 Menalkas en Alexis PRISCILLUS. PRISCILLUS, die, met my van kindsbeen opgevoed,
Uw vriendschap my betoonde in ’t opgaan onzer jaaren,
Gy ligt my na aan ’t harte: ontfang myn gulle groet,
En zie in dit geschrift wat Probus is weêrvaaren! Het is, verhaalt men my, reeds schetswyze u gemeld, En gy, die Holland noch uw vrienden kunt vergeeten, Maar wezenlyk belang in hunne welvaart stelt, Begeert myn wislend lot omstandiger te weeten. Al schynt, daar ’s levens pad met doornen ligt beípreid, Niets ovrig dan zich flechts tot taai geduld te wennen, Nooit staat nochtans voor ons, door Gods voorzienigheid, lets hoopeloos. Dit zultge, op myn bericht, ?rk?nn?r? Ik heb, Priscillus, sints ge uw’ vaderlandschen grond En ouden vriend verliet, in ’t huwlyk my begeeven. De schoone Elize was’t, aan wie ik my verbond. Zy was zo minzaam als voorbeeldelyk van leven. Elize, schuw voorpracht, vervreemd van ydlen waan, En vrolyk, kon ons huis my tot een’ lusthof maaken, En nyvre koopmanschap verschafte een ruim bestaan. Dus mogt ik ’t lieflyk zoet van vredc en voorfpoed smaaken. §De milde vruchtbaarheid breidde ook haar handen uit. Elize baarde my twee dochters en drie zoonen. §Een vyftal, dat zo schoon den knop der jeugd ontfluit, Dat al de aantreklykheên der moeder zich vertoonen. §Wat aangenaam gezin, bevryd van wrangen druk! Ik kan u naar den eisch ’t genoegen niet beschryven. ’t Was alles liefde en trouw. Hoe groot was ons gelukf Maar mooglyk veel te groot, om lang in stand te blyven. §My had de snoode Arfuil, dien ieder my beschreef Een man van doorzicht, trouw en kloek beleid te weezen, Een onderneeming in den handel, dien hy dreef, Voor hem alleen te zwaar, op ’t vriendlykst aangeprezen. Dit, van een goed gevolg, was oorzaak, dat ik my Voorts naar zyn’ raad gedroeg. Hy had myn hart gewonnen. ’k Trad op zyn aanzoek zelfs met hem in maatfehappy, En liet hem ’t gantsch bewint der zaaken, te onbezonnen. Maar ’t kwam van jongs af aan, misschien dat u ’t nog heugt, My allerhaatlykst voor dat iemand argwaan voedde. Dd 3 Be Befpeurde ik immer iets, dac met een strenge deugd En eerlykheid niet strookte, ik duidde ’t ligt ten goede. Deeze aangeboren aartileef de onvoorzichtigheid, Waaraan ik te onbedacht my dwaaslyk schuldig maakte. De loosheid van Arfuil had my een’ strik gefpreid, Waardoor ik, onverhoeds, welhaast ten val geraakte. De ontrouwe Arfuil ging door, en nam het tydstip waar, Dat flechts een kleen getal ons schuldig was gebleven. Hy wist zich zo ter vlucht te hoeden voor ’t gevaar Van onze ontdekking, dat men ’t fpoedig op moest geeven. Dit trof my, maar vooral myn deugdzaame Echtvriendin. ’k Zag myn bezitting tot aan ’t derdedeel verminderd, En echter had dit nog den bloei van ’t lief gezin, Hoe hard my ’t vallen mogt, niet te eenemaal verhinderd. Ik had ligt, door myn vlyt, eerlang die schaê geboet, Indien geen uitlands vriend te schandlyk had gebroken. ’k Drong op voldoening in myn’ droeven tegenfpoed, En vond my van een’ schat, hem toevertrouwd, verstoken. Een vloed van traanen schoot Elize langs ’t gezicht. Ach! fprak ik, moeten wy het zichtbaar heil verliezen, Myn Lief! ’t ontzichtbaare is van eindloos meer gewigt. Hoe verre is ’themelsch niet voor ’t aardsch geluk te kiezen! Maar Maar onder naare zorg te jammerlyk gebukt, Viel ze op het krankbed neéï, en wierd, na weinig dagen, Voor altoos, ach! wat flag! uit mynen arm gerukt. Hoe treurig heb ik haar naar ’t aaklig graf zien draagen! Hoe fmolt myn teder hart,by’t schreijend kroost, van rouw! ’t Gerucht verfpreidde vast wat schade ik had geleden: Dit gaf de wantrouw voet. Hy, die my troosten zou In ’t fmartelyk verlies, scheen rustloos en te onvreden. Welhaast viel elk my aan, die wat te vordren had. Men ried me, op ’t sterkst, met hen een vergelyk te treffen, §Opdat ik, niet ontbloot van all’ wat ik bezat, Een’ steun behouden mogt, waarby ’k my op kon heffen. ’k Verwierp dien raad. ’k Verkocht straks alles,los en vast, En zag met blydschap dat ik ieder ’t zyn’ kon gee ven. ’k Haalde adem met myn kroost, my geenszins tot een’ last. In ’t huis, dat, onverkocht, my ovrig was gebleven. Wat huis? een hutje flechts, by ’t geen ik had bewoond. Doch ’k vond my niet misdeeld van ’s Hemels dierbren zegen. Ik had de waereld nu myn eerlyk hart getoond: Veel’ braaven waren my hierom ter hulp genegen. Maar ach! wat nieuwe ramp, die ’t uitzicht my benam Der pasherboren hoop !..Eer iemand iets vermoedde, Sloeg Sloeg uit myns buurmans huis een ysfelyke vlam, Die, door den sterken wind, op ’t alleräakligst woedde. Die felle vlam had reeds myn dak en zoldering In vollen brand gezet, toen ’k uit den flaap ontwaakte. Nog beef ik... denk, myn Vriend ! wat doodsängst my beving, Daar ’k met myn kindren naauw’ in veiligheid geraakte! Myn fober overschot lag nu in puin en asch. Ik borst, verbysterd, by het wringen van myn handen, In jammerklagten uit, terwyl ik raadloos was, En vol ontroering, om myn dierbre liefdepanden. ô Panden myner trouw! waar wil het met u heen! Ik fidder !.. de Armoê heeft u vreeslyk aangegrepen! Haar yzren vilist valt zwaar, en ’t geen ik meest beween, Is, dat ze u mooglyk door bekooring weg zal fleepen. Zy zoekt zich vaak door list te redden uit den nood. Ach! zoud gy u met haar van ’t pad der deugd begeeven! ô Neen! al voed zy u met bitter traanenbrood, Daar is, houd dit in ’t oog! een leven na dit leven. Dus fprak ik menigmaal myn Heve telgjes aan, Of ’k boog my diep in ’t stof, en bad, met weenende oogen,’ Den goeden Hemel hen genadig by te staan, En in den bangen druk hun traanen af te droogen. By By ’t kermen nacht en dag, viel ’t moederlooze kroost, Met myne fmart begaan in ’t overmaatig treuren, My teder om den hals, om, door gevlei en troost, In kindsche onnoozelheid, myn’ moed weêr op te beuren. My heugt, dat de oudste my dus rustig onderving: Myn vader, wee op wee heeft u ter neêrgeflaagen. Wat bange boezemstryd! wat felle foltering! Ach! voelt gy u te zwak om ’t leed te kunnen draagen! Herstel u, en bedenk dat Gods voorzienigheid Dit over u gehengt! laat dit uw’ geest versterken! Zie hier uw’ zoon! hy heeft, tot uwen dienst bereid, Gezondheid, lust en kracht, en handen, om te werken. Dit ’s meer, dan al het goed, waarvan ge u ziet beroofd. Die taal verzoette my de bitterheid van ’t leven. Hy heeft ook ’t jonger kroost, als hun bestuurend hoofd, Een treflyk voorbeeld van oprechte trouw gegeeven. ’k Vond, door zyn toezicht, van veel huiszorg my ontlast. Hy is my liefderyk alszins te hulp gekomen. In deezen toestand wièrd ik wonderlyk verrast Door Altus, die myn leed ter harte had genomen. Hymeldde, datArfuil, die listig my bedroog, Na lange kwyning, ņorts vol wroeging, by zyn sterven, ?? Myn’ Myn jammerstaat zyn’ oom gebragt had onder ’t oog, Of hy van hem voor my vergoeding mogt verwerven. Deeze edelmoedige oom verloor in deezen neef, Wiens eereloos gedrag met afschrik was te doemen, Zyn’ laatsten bloedverwant, dat hy met nadruk schreef, En wilde my nu tot zyn’ erfgenaam benoemen. Dien brief bragt Altus, door wiens hand ik kort daarna De tyding van ’s mans dood, en de erfnis heb gekregen. Deeze erfnis was een schat, die myn geleden schaê, (Wat onverwacht geluk !) ruim dubbeld op kon weegen. Venetië, uw verblyf, van talryk volk bewoond, Verneem’ dit uit uw’ mond! ’t leer hem ’t geluk mistrouwen, Wien blyde voorfpoed streelt, en hem, die, felgehoond, Door rampfpoed schier bezwykt, van wanhoop zich te onthouên.’ Het is de Algoedheid, die der menschen harten buigt. Zy zend weldaadig ons haar’ bystand uit den hoogen, Daar zy den booswicht van zyn misdryf overtuigt, En ’s vroomen neiging leid tot teder mededoogen. De fnoode w.aereld trekk’, door weelde en weidsche pracht, Het oog der jongkheid, die, niet denkende aan gevaaren, Zich ligt betoovren laat, daar ’t alles vleit en lagcht; Bedachtzaamheid en ernst zyn eigen aan uw jaaren. Maar Maar zietgy nog met lust de driften van de jeugd, Wanneer ze, oprecht en teêr, verliefde zinnen streelen, En waarlyk zyn gericht naar de infpraak van de deugd, Zo heb ik u, myn Vriend, dit nieuws ook mee te deelen. Myn zoon bemint Laurette en word van haar bemind. Hy zag zich telkens door haare ouders afgewezen, Doch ziet, nu hy tot haar een’ vryen toegang vind, Door myn’ herstelden staat, zyn hoop in top gerezen. Wat blydschap zal ’t my zyn, wanneer ik ’t waardig Paar De handen plegtig door den echtknoop t’faam zie voegenl pRisCiLLusî’k wensch niet min dat u de Hemel fpaar’. Vaar wel, en leef, als ik, in dankbaar vergenoegen! AAN ZYNEN VADER. Hoe wenschlyk waar’ het my, u, vry van zielverdrieten,
De vruchten van uw vlyt in rust te zien genieten!
Myn Vader! ach! hoe gaarn’ maakte ik, in tegenspoed,
Uw alsem honigzeem, uw levensbitter zoet!
Nooit trof u eenig leed, oft griefde op ’t felst my ’t harte,
En ik bewerkte u niets dan droefenis en smarte.
Wat tegenstrydigheid! Nog komt gy met uw’ raad
En vaderlyke zorg trouwhartig my te baat
Gy hebt my van de vrees voor uwen toorn ontheven,
En zou ik aarzlen u een waar bericht te geeven?
Neen, Vader! lees dit schrift van Eduard, uw’zoon!
Myn veel te driftige aart, gy weet het, duld geen’ hoon,
En Archibald dorst, zelfs in ’t midden van myn vrinden,
Schoon fluistrend, zich zo los als schaamtloos onderwinden
Uw’ naam te ontëeren. ’k Wierd ten uiterste verstoord; Dochveinsde, en niemand dacht, dat ik het had gehoord. ’t Gezelschap scheen, vol vreugd, niet meer op my te letten, Daar ’k op een middel peinsde om ’t hem betaald te zetten, Totdat hy koel vertrok. Ik vloog gezwind hem na, En greep hem lüy den arm: Faamroover! fprak ik, staa! Herroep uw lastertaal! ik heb te lang gezwegen. Gy zult my nu voldoen, of ’k eisch u voor den degen. Hy lagchte fpotsgewyze, en antwoordde: ArmeBloed! Indien gy vechten wilt, ’k weet raad dan: maar houd moed! Ik zal op ’t oogenblik hier myn’ tamboer doen komen. Toen borst myn gramschap uit. Ik heb u niet te schroomen. ’k Lagch om uw meerderheid. ’k Lagch om uw krygmans eer. Hervatte ik straks, en floeg de hand reeds aan ’t geweer. Nog voer hy voort met scherts, als ware ik te onbedrevcn. Waarop ik hem een’ flag dreigde in ’t gezicht te geeven. Toen graauwde hy my toe: Welaan ’k zal u doen zien, Wien ge, in uw dolle drift, verwaand het hoofd durft bien. Wy zochten de eenzaamheid, ter stadspoorte uitgetreeden. Maar, Hemel! langs wat weg! hoe wierd myn geest bestreden! ’k Begon te siddren, door ’t vooruitzien op myn lot. ,, De zege kon my wel doen sterven op ’t schavot; ,,En beef, myn ziel! wat hebt ge in de eeuwigheid te wachten, ,,Wanneer hy my doorstoot!" Dit waren myn gedachten, ?? 3 En En echter trad ik voort. Ach! de infpraak van de Deugd ITeefr. geen vermogen op de trotschheid van de jeugd. Hoe! fprak ik by myzelv’: is dan myn moed bezweken? Iioe Í champer zal men van den laffen bloodäarfe«fpreeken! Dit kreeg nu ’t overwigt. Wat durfde ik niet bestaan! Ik riep den Hemel in myn hart om bystand aan, Terwyl ik ’t staal ontblootte, om ’s naasten bloed te plengen, Waarop my Archibald een’ stoot zocht toe te brengen. ?y vocht vol vuurs en scherp. ’k Verweerde my bedaard; Nam hem voorzichtig waar, en had myn kracht gefpaard, Waardoor het my in ’t eind’ gelukte hem te treífen. Hy viel ’k Sprong yllings toe, om hem weêr op te heifen, En zag dat uit zyn wonde een gantsche bloedstroom vloot. Verbaasdheid greep my aan. Straks scheurde ik, in dien nood, Het linnen my van ’t lyf, om ’t gudzend bloed te ilelpen. ’k Verzuimde niets, om waar’ ’t my mooglyk hem te helpen, En bragt, vol angst en vrees dat hy me ontvallen zou, Hern t’huis, terwyl my ’t hart verscheurd wierd door beroiiw. Maar hoe verderflyk is ’t naar vleijery te hooren! Het heiligst opzet weet ze in ons gemoed te fmooren. Men wenschte my geluk.- Men prees my in ’t gezicht. Als had ik, -’t Land^ten.nutte, een heldendaad verricht. :. - Myn Myn geest, in trotschheid door die loffpraak opgeblaazen, Dorst waanen, dat nooit iets zyn stoutheid kon verbaazen. Waarop ik heimlyk van den wondàïts zelf verilond, Dat, daar hy Archibald in doodsgevaar bevond, ’t Wel’t veiligst weezen zou niet langer my te waagen. Ik beefde: een koude schrik was my om ’t hart geflaagen. Myn hoogmoed was verkeerd in raadloos zelfverwyt. Ik heb hem, dacht ik nu, gedwongen tot den flxyd. ’t Geen hy tot nadeel van myn’ vader heeft gefproken, Verdiende geenszins, dat het grimmig wierd gewroken. Ach! had ik hem bedaard en vriendlyk ondergaan, Ligt had hy, overtuigd, grootmoedig my voldaan. Nu buk ik onder ’t wee, naardienik, onberaaden, Een zwaare bloedschuld my heb op den hals gelaaden. ’k Vertrok naar Amsterdam, waarvan ’k u kennis gaf, ’k Óntfing daar ook uw’ brief, meer vaderlyk dan straf, ’k Heb voorts ’s Lands zeekaptein, myn’ vriend, die, ter geleide Der koopvaardyvloot, flechts den oostewind verbeidde, In Tesfel opgezocht: gy ried my ’t: ’k trof hem aan, En ben niet lang daarna met hem op reis gegaan. Schoon ons geen storm beliep, ’k voelde echter’t hart benepen, En daaglyks my door angst en wroeging aangegrepen. ’t Gcvaar van Archibald benam my allen lust, En heeft schier nacht aan nacht my in den flaap ontrust. Ik ben nochtans gezond te Lisfabon gekomen, Waar ik myn intrek by een’ gryzäart heb genomen, Die, vroom, oprecht van harte, inneemend’, glad ter taal, Myne aandacht bezig houd. Hy mengt in zyn verhaal De nutste lesfen, die my aan myzelv’ ontdekken, En dikwils fiddring in myn schreijend hart verwekken. Aandoenlyk maalde hy nog onlangs de aardschok af Van ’t vorstlyk Lisfabon, ’t welk my een denkbeeld gaf Hoe allervreeslyk ’t is te vallen in de handen Van de eeuwige Almagt, als haar toorn begint te ontbranden. ’t Geheugen van myn’ vriend was niets daarvan ontgaan. Ik vlei my, dat het by uw’ weetlust zal volstaan, Geliefde Vader, u hier flechts een schets te geeven Van’t geen hy my verhaalde. Ach ! ’k schryf’t niet zonder beeven. ,,Wanneer ik, ving hy aan, het meeste gros beschouw ,,Van 4 woelziek menschdom, ’t leeft alsöf ’tnooit sterven zou. ,,De winzucht giert en jaagt naar onuitputbre schatten; ,,De weelde schaamt zich niet in ontucht uit te fpatten; ,,\ Gej’uich der dartelheid weêrgalmt van.oord tot oord; ,, De eergierigheid toont zich gebelgd op ’t minste woord, ,, En, ,,En, daar zy ’s vyands voet den valstrik tracht te fpreijen, ,,Zwelt ze op van ydlen waan,. als haar de dwaazen vleijen. ,, Maar plotsling overvalt het Godlyk strafgericht ,,Den zondaar. Ach! ik zag ’t. Wat ysfelyk gezicht, ,, Toen deeze koningstad, die, trotsch op haar vermogen, ,, Geen onheil duchtte, door cene aardschok wierd bewogen! ,,Men vluchtte, en gilde, alöm door ’t naar gevaar gestuit, ,,Met deerlyk handgewring, den angst wanhoopende uit. ,,Men liep den Hemel aan, om ’t misdryf nu te boeten. ,,De fplytende aarde ontzonk de wankelende yoeten. Ń... ,,Gebouwen dreigden, van huim’ grondsteun reeds beroofd, ,,De menigte in den drang te florten op het hoofd. -’. v ;’, <. ,, Zy konden, wagglende, ook geen tweede schok verduuren. ,,Wat jammren, by den val van gevels en van muuren!.,. ,,De moeder raakte naauw’, vervaard door’t woest gednris,. ,,Met haaren zuigeling op de armen, buiten 4 huis, ,,Terwyl haar ovrig kroost haar schreijende aan bleef kleeven, ,,Of’t kostte op ’t oogenblik dit lief gezin het leven, ,,Vergeefs was ’t, dat dezoon zyn’ vader bystand bood, ,,Om,-tederhartig, hem te redden uit den nood.. ,,Zy, weinig wegs gefpoeid, bezwymden, daar de zwavel, ,,Met blaauwe vlammen, uit den opgeborsten navel.’ [p. ]
,, Der beevende aarde steeg. ’t Ontheiligd heiligdom ,,Viel tot een steenhoop in. De Priesters kwamen om,
,, Met bygeloovig volk, dat stout ons heeft verketterd.
,, Een gantsch ontelbre schaar wierd door dien val verpletterd.
,,De dikke wolk van stof verdoofde ’t zonnelicht.
,,Hy, die zich redde, stond, met doodverw op ’t gezicht,
,, Verstyfd van fellen schrik; of zeeg in onmagt neder;
,, Of zwoegde, buiten raad, verbysterd heen en weder.
Men hoorde slag op slag. Geen schok, hoe kort gerekt,
Die wyk aan wyk niet had met bloedig puin bedekt.
't Lag overal bezaaid met dooden en gewonden.
Waar bleef de Wellust, die de middernachtsche stonden
Verdanste in dartelheid? waar ’t voorrecht van de jeugd,
,,Van adel, rykdom, geest en sterkte? ’t Was de Deugd,
,, De reine Deugd alleen, die, ’t yslyk wee ontkomen,
,,Ten blyden hemel zich door God vond opgenomen.
,, Daar andren, schoon op ’t veld in veiligheid gebragt,
,, Beklemd van hart, de lucht vervulden met hun klagt.
,, Als vluchtelingen, in verwarring voortgedreven, , Ontkwamen zy den dood; maar bitter viel hen ’t leven. ,,Door nypend broodgebrek, stond hier de Raad van ’t Ryk9 ,,En zelfs de koning met den schaamlen flaaf gelyk. ,,Dees ,, Dees had zyn Heve gade, en die zyn bruid zien stérven. ,,’t Onnoozel wichtje moest liefhebbende oudren derven, ,, En ouders misten ’t kroost. De vrek riep om den schat, ,, Dien hy met moeite, en zweet, en zorg verzaameld had. ,,Men schreide om goed en bloed, tot in de ziel bewogen, ,,En stelde op ’t aakligst zich den jammerihat voor oogen ,,Van maagen, die, misschien nog levend, halfverplet, ,,Begraaven onder ’t puin, en worstlende in ’t gebed, ,,Zich door den honger, na verloop van weinig dagen, ,,Gedwongen konden zien hun eigen vleesch te knaagen. ,,Deontmenschte nydigäart toonde echter zich verblyd, ,,Omdatzy, wiergeluk, zyn wrevlig hart ten fpyt, t,,H?? lang in de oogen stak, in de armoê moesten deelefi. ,-: ,,Dus weet zich ’s boozen geest met ’s naasten druk te streelen. ,,Ik zelf vond, dwaalende in verbaasdheid door de stad, ,, Een’ wreeden roover met een’ opgedolven schat. r. ,,Hy kon de blydschap niet in zynen boezem fmooren, ’.’ { ,,En lagchte om ’t vreeslyk lot ons Lisfabon beschoren. Hier borst den man een vloed van traanen uit het 00g. Ik stond een wyl verstomd, en voelde, op dit vertoog, ’t Hartbreekende berouw op nieuw in my ontwaaken. "’. ’.l rc Hoe! peinsdeik, zoude ik my dit niet ten mitte maaken? Ff 2 Tk Ik ben het, die myn hand, uit trotschen overmoed, Slechts om een beuzeling, bezoedeld heb met bloed. Minschuldigen zyn hier, in aardschgezinde droomen, Helaas! op ’t onverhoedst, ellendig omgekomen; En leef ik nog ?.. waartoe ?.. hier zuchtte ik", en myn vriend, De vroome Gryzäart, die met voordeel zich bedient Van all’ wat hem ontmoet,deed me opzynhulp naauw’hoopen, Of ’k lei terstond myn hart boetvaardig voor hem open. ,, Schoon vaderliefde u ’t eerst tot deeze daad bewoog,
(Dus sprak hy) ,, ze is nochtans een gruwel in Gods oog.
,, De Schepper heeft alleen het recht op ’s menschen leven.
,, Hy, die, stoutmoedig, zich ten tweestryd durft begeeven,
,, Betwist hem dit: en ach! wat zielschaê, nooit geboet,
,, Voor hem, dien de overmagt ontydig iheuvlen doet!
,, Bedenk dit, Eduard! gy moet u diep veineêren
,, Om ’s Hemels strenge straf nog van u af te weeren.
,,Geen meester van uzelv’, door gramschap aangefpoord,
,,Verheerd door vrees voor fmaad,gingt ge in uw woedevoort*
,,Maar hy, hy is de held, die, wat beledigingen
,,Hem worden aangedaan, zyn driften kan bedwingen,
,, En ’t ongelyk vergeeft. Aan die grootmoedigheid
,,En Christelyke deugd is de eerkroon toegezeid.... [p. ]
,,Doch verre zy ’t van u den moed nú op te geevení
,, Daar is vergiffenis, hoe zwaar ge ook hebt misdreven.
Wat klem had niet op my die mannelyke taal,
Met allen ernst gevoerd op ’t voorige verhaal!
Sints heeft hy daaglyks my gebragt tot nagedachten.
Myn Vader! gy hebt niets nu van uw’ zoon te wachten
Dan’t geen bestaanbaar is met zachtgeaarde deugd.
Zy is my reeds een bron van wezenlyke vreugd.
Ook dient de tyding, die ik gistren heb gekregen,
Dat Archibald herstelt, my tot een’ blykbren zegen
Der hemelsche genaê. ’k Hoop u welhaast te zien,
En om vergeeving my te werpen aan uw knien.

Continue