Continue

Apollo of Ghesangh der Musen.

Uitgegeven door drs. Hansje Amelink en drs. Mary Zijlstra-Kröner.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
In deze uitgave is de fraktuurletter in een aparte kleur weergegeven.
De Apollo omvat VIII, 120 pagina’s. Enkele pagineerfouten hebben wij gecorrigeerd. Pagina 1 (fol. A1r) begint in de tekst van het openingsgedicht ’Apolloos aanspraack’.
Gecorrigeerde zetfouten zijn aangegeven met een asterisk.
Gebruikt exemplaar: KBH 10 G 20. Bij books.google staan afbeeldingen van het ex. UB-Gent BL 6080.
Continue
[fol. *1r]

APOLLO

OF

Ghesangh der Musen, wiens
lieflijcke stemmen merendeels in vrolijcke en eer-
lijcke gheselschappen werden ghesonghen.

[Vignet: gravure]

t’Amsterdam, By Dirck Pietersz. Boeck-vercooper op ’t Water, inde witte Pars. 1615.

Continue
[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r]

Apolloos aanspraack totte Neder-
landtsche Jonckheyt.

WYckt met eerbiedicheyt besitters van der aarden,
d’Onsachlijcheyt mijns staats heerlijcke hooge-waarden,
En knielt met ootmoed’ neer, en roept mijn Godtheyt aan,
Als den Mooren-lantschen dancbaren Indiaan,
(5) Die met dienstknechticheyt mijn bidden en aanbieden
Een offer van de vrucht, van vee, van land’ en lieden,
Om mijn grootachtbaarheyt, en Godd’lijck aenghesicht.
Want ick ben ’s werelts ziel, haar eenich oogh en licht,
Ia ’t hert der Hem’len die sich menghelend’ verwarren:
(10) De hooft-man van de Maan, de vader van de* Starren,
De gheest en heylicheyt, die dese schepsels gheeft
Dat tint’lend’ blickren dat soo vrolijck in heur leeft.
Den jeughlijcken Vier-vorst der gheluck-sal’gher salen
Ben ick! en d’opper-Prins der heughelijcker stralen,
(15) Die ’s aard-rijcx boesem stooft en streelt daer soetjens uyt
De weelderighe jeucht van bloemen en van kruyt:
Wiens geylle dart’le tier de velden en Revieren
Met lovers en met loof van groene franje cieren.
Der boomen kruynen en het swoort der berghen hooch,
[fol. *2v]
(20) Dat kruyf ick schoon met blaan, en netse vande looch
Des frisschen vuchtens-dauws versulleverde droppen:
Het welck met weerschijn ciert haar ruyghe groene noppen.
Ick ben’t die ’s morghens vroech verdrijf het droeve swerck,
En toon mijn glans-rijck hooft de spitsen vande kerck,
(25) Doch loopt te post voor uyt den heeten lieve-loosen
Aurora dicht besnuwt van wit en roode roosen,
Ick ben der boeren vriendt, hoe swart dat ickse brandt,
Ick ben al segh ickt self de schoonste van het landt.
Ick ben de klaarheyts merch, dat derf ick my verbooghen,
(30) Noyt sach mijn volheyt mensch met sterffelijcke ooghen.
Ick ben’t die alle dingh door-oogh’ met gauw opmerck!
Wel kundy my noch niet? dat ’s wel een wonder-werck!
’Tschijnt of ghy lieden noyt mijn helderheyt en saghen:
Siedy niet wie ick ben ghy siet my alle daghen?
(35) Ick treck de dampen op, de nevel en de mis,
En ’t swarte kleedt des nachts aklighe duysternis.
Mijn straallen die ontsien de kerckeren der Hellen
Met al haar hof-ghesin van ziellen en ghesellen.
Ick ben een voocht des Luchts die wijders mach ghebien,
(40) Als ick u segghen kan of als u sinnen sien.
[fol. *3r]
’tPalleys daar ick in woon staat op seer hooghe posten,
Ghewrocht van fijnen goudt (onschatt’lijck watse kosten)
’tGhewelfsel is yvoor, ’t voorburch silver, waer of
De konst kost meerder dan de kostelijcke stof:
(45) Want Vulcaan heeft daar in ghegraven en ghegoten
Hoe dat des aarden-kloot met water is besloten,
Hoe sick den Hemel buycht over de wilde Zee,
Waar in de blauwe Goon van lawe liever-lee
Haar naackte boven-lijf vast blickeren en blakren,
(50) En in de kracht mijns deuchds haar roosteren en bakren:
Voornamelijck Triton die de kinckhoren set
Aan sijn watrighe mondt waar op hy wel trompet:
Voorts Protheus wispeltuur in ’t koellen en verwarmen.
Daer sietmen Egeon met sijn seer langhe armen
(55) Omhelsen vriendelijck de Wallevisschen groot:
Hier gheeft haar Dooris oock met al haar dochters bloot,
Van welcker schijnt een deel op Dollephijns te swemmen,
En andre haar groen hayr te droghen en te kemmen:
Al zijn sy onderlingh wat onghelijck van schijn
(60) Nochtans ist wel te sien dat sy ghesusters zijn.
Oock isser in ghebootst uyt gulle gheests versieren
[fol. *3v]
De aarde, machtich, rijck, van menschen en van dieren,
Van allerhande slach, van beecken en van landt:
Ach! watte wonderheen begrijpen hun verstant,
(65) Die al den ommeloop soo weten na te reecknen,
En stellen op sijn plaats des Hemels twalef teecknen.
    In dees vermaalde troon soo sit ick in mijn kracht,
Wel rijcklijck opghetoyt, van Purper is mijn dracht,
Mijn mantel is bestickt met dierbare ghesteente,
(70) Daar by ben ick omringht met dese mijn ghemeente,
Te weten, eerst het jaer, en gantsch de maenden al,
De daghen kort en langh, de uyren groot van tal,
De nieuwe Lenten met sijn krans van groene blaren;
De Somer moeder-naackt met al haar rijpe aren;
(75) De gruysighen Herefst vollijvich laar en vet
Van al de druyven dien hy opghegeeten het;
De Winter gants in’t bont doet niet dan klipper-tanden,
En uyt kout-vorsticheyt staach blasen in sijn handen.
Dit zijn mijn trauwanten, mijn krijsch-lien, en mijn stoet,
(80) Die van mijn schatten meest zijn ’t saart en wel ghevoedt.
Mijn hooghe af-koomst trotst’ de Goden allegader,
Want Iupijn is mijn vaer, Saturnus mijn groot-vader,
[fol. *4r]
Mijn moeder Latona van tweelinghen ghelach,
Een dochter met een soon, de gloor van nacht en dach.
(85) Waer van het maaghdekijn int baren van haar broeder
Een vroede-vrouw verstrack, haar swacke swangre moeder;
De seld-saamste gheboort daarmen van lesen mach.
Doch is het oock al vreemt dat Iuno met een slach
Die sy vertoorent smeet op ’s aardens harssebecken
(90) De Typhon straf en streng oon mans hulp gingh verwecken?
Om dat der Goden smit Mulciber had gheklooft
De wijse Pallas uyt het breyn van Iupijns hooft:
Maar waar toe loop ick uyt het spoor van mijne reden,
En kundich u niet voort al mijn naamhafticheden?
(95) Gheen roem en prickelt my tot eyghen lof en prijs,
Van tytels sonder endt: doch dat ick hier bewijs
De grootheyt van mijn macht is om u aan te leyden
Tot een erkentenis van u ondanckbaerheyden:
O moeder onverlicht! swaar van begrip, en traach
(100) Tot die goetwillicheyt en gunst dien ick u draach;
Maar yverich en snel int soecken van u schaden:
Ick sal noch andermaal de voorighe weldaden
Met nieuwe deuchden u herdencken doen: misschien
[fol. *4v]
Of ghy dan overtuycht u feyllen quaamt te sien:
(105) En dat de billicheen u herten soo beroerden
Dat sy aandachtich u tot innicheden voerden;
Doch waar u wel van nood’ dat ghy eerst wel bekent
De ghene die ghy meest te dancken schuldich bent;
Siet daerom sal ick u mijn namen meer belijen,
(110) Ick ben de voorste Vorst en Godt der Artsenijen,
Aesclapius was mijn soon dien ick by Chiron sant,
De welck hem queeckten op met mellick van verstant.
Mijn naaste maaghschap voorts, als neefs en bloedt-verwanten
Zijn tolcken en taal-lien der Goden: ja ghesanten
(115) Des hooghen Hemel-rijcks die door haer ed’le gheest
By volcken sijn ghe-eert, by Prinsen sijn ghevreest.
Als toom der Vorsten, en als schrick der dwinghelanden,
Die de bloedt-honden straf recht in het voor-hooft branden.
Brandt-mercken van haar schand’, smaat-drucken vuyl veracht
(120) Tot eeuwich lasteringh van hem en sijn gheslacht:
Dies schijnen veel uyt vrees ghedweeghe sachte mannen
Die in haar hert nochtans zijn wreede snoo tyrannen,
Dan doch de ware Prins die uyt liefd’ mint de deuchdt
Die bruyckt mijn waardich volck tot sijn vermaack en vreuchdt,
[fol. A1r, p. 1]
(125) Als hy haar rijmen doet der vromer helden daden,
Der vrienden seghe-winst, en der vyanden schaden,
De hitten vande krijch, ’t bloedt-storten inde slach,
De neder-laagh soo naackt ofment voor ooghen sach,
’T uytschudden vande kle’en, het plund’ren, ’t ondersoecken,
(130) Der befreysemde liens verholen knoppel-doecken.
Het welcken alles werdt soo levend’ afghebeeldt,
Soo dat de Schilder vaack sijn stoffe van haar steelt.
    Mijn dichters zijn vernoecht meer als de rijckste menschen,
Niet hebbend’ zijn sy rijck, en hebben wat sy wenschen.
(135) O Koninghlijck gheslacht van’t suyverlijckste bloedt,
Die heymlijck by u draacht het alderbeste goedt.
Ghy die door eyghen deuchdt soeckt eerelijck te schijnen:
Ghy die de menschen wijst de kostelijckste Mijnen,
Niet in het inghewandt der aarden vuyl en grof,
(140) Maar inden Hemel schoon van klaarheyt en van stof.
En hoe elck in sijn selfs kan goude berghen vinden,
Wil hy maar innerlijck ’t opmercken onderwinden,
Van sijn ghedacht’ en doen, en overlegghens’ met
De wetten die ons Godt en de nature set;
(145) Dan speurtmen na het goed’, dan leertmen ’t quaat verniellen,
[fol. A1v, p. 2]
Dan krijchdy in u hert de schatten dijner zielen,
Dien ick u alle gun, o suyverhertich volck,
Die meer de pen ghebruyckt als de vervloeckte dolck,
Der menschen moorders lust: dan, u vermaackt de reden,
(150) De moeder van d’eendracht, de stichster vande steden;
De sadichster van twist, de herte-stroockster soet,
De hoochste Koningin van’t menschelijck ghebroet,
Waar na sich kleyn en groot ghesamentlijck moet setten,
Sy stelt de keuren en de burgherlijcke wetten,
(155) Die yder int ghemeen moet wesen onderdaan:
Tot voorstant vande goen en straffe vande quaen,
’T ghemeene-best te nut, als oock het ’slandts welvaren.
Dit was Amphions konst, waar met hy de Barbaren
En wilde woeste lien soo wijslijck heeft gheleyt,
(160) Tot eenicheyt van wil en tot ghehoorsaamheyt.
Als so de hoofden kloeck het groote lichaam meenen,
Meer als de eyghen-baat soo voeghen sich de steenen
Eendrachtelijck te saam, yder doet sijn behoort,
Soo vestmen wallen, en soo metstmen muyrr’ en poort.
(165) En ghy mijn eyghen-kroost, wel! sal ick u vergeten?
Die om mijn dienst te doen soo veel tijdts hebt versleten:
[fol. A2r, p. 3]
Wanneer als ghy met vlijt my uwe deuntjens schonckt,
Als ghy in u kantoir of yewers wand’lend’ songht,
Hoe u de kleyne Godt der Minnen heeft gheschoten?
(170) Ick wil het lochnen niet, ghy zijt uyt my ghesproten:
Want siet u werck en gheest my gheensins oock vesaackt.
Voorwaar het eelste hert werdt aller eerst gheraeckt:
Hoe dickwils sucht ick hier uyt vaderlijck mee-lijen,
Als ick de klachten hoor van ’t ongheluckich vrijen.
(175) Dat ghy somwijls te kroes uyt eyghen-wil bestaat,
En vollicht meer de lust als de ghegronde raat,
En ghy blijft even sterck gheketent aent versotten,
Tot haar een ander krijcht, en ghy het spijtich spotten.
Of als ’t laf-beckje jongh slinghs met u omme gaet,
(180) En doet u minnen een die u van herten haat,
Ghelijck als Daphne, die mijn schichtich pleech te schuwen:
Hoc bitter ist, helaes! die wonden te vernuwen?
Maar ghy Sangh-meesters eel, bekranst, belauweriert
Met eeuwich bloeyend’ groen, ten alderbraafst verciert:
(185) Ick sal u danckbaarheyt en u ghewoone klachten,
En u vermaarde naam onsterffelijck doen achten,
Tot een vergeldingh van u weldaadt en u deuchdt,
[fol. A2v, p. 4]
Op dat u volgh’ int goed’ de nakomende jeuchdt.
De liedtjens die ghy hebt ghesonghen en gheschreven
(190) Ter eeren van u lief, was ick ghesint te gheven
De blije werelt, maar ick heb mijn nu bedacht
Die te vereeren aan het Maaghdelijck gheslacht:
Dat vriendelijcke volck heb ickse willen schencken,
Op datse an u leyd’ en lijden leeren dencken,
(195) Op datse al u smert, op datse al u pijn
Met lieve weder-loon u soo ghedachtich zijn,
Tot dat sy zijn bekoort u selven te verlichten,
Sulcx dat ghy haar en mijn moocht loven met ghedichten.
    Nu ghy sacht-sinnich volck, ghy Venus borghery,
(200) Neemt dese gaaf in danck, al waar kleen haar waardy,
Soo werdtse u nochtans ghejont en aangheboden
Van my Apollo! self een vande grootste Goden,
Die al de heerschappij des Hemels over siet,
En watter op den grondt des aarden-kreyts gheschiet.
(205) Ontfanght mijn gift in goed’ ick gheef gheen quade gaven:
Het is den offer van u seer verliefde slaven,
Die na u hoochste eer, die na u vroomheyt staan,
En die ghy daeghlijcx siet om uwent wil vergaan;
[fol. A3r, p. 5]
En lijck wel met de Swan de droeve jonghelinghen,
(210) Haar hertelijcke smert, en eyndel-vaersen singhen,
Met blijder keelen uyt: ’t valt swaar, al waart maar schijn,
Van binnen droevich en van buyten bly te zijn.
    Doch ghy o Maaghdekens moocht wel vrypostich lesen,
Haar rijmkens soo gheschickt, dat ghy niet hoeft te vreesen,
(215) Noch dorperheyt, noch schand, noch wissellingh van bloedt:
Ten syse u de Min al prickellende doet:
Wanneer als ghy daar siet beschildert en beschreven,
D’ ellende van u liefs rampsalich stervend’ leven:
Veroorsaackt door u strengh en onghenadich hert,
(220) Dat door haar staagh ghebedt niet eens beweeght en wert:
Die daarom alle uyrs een nieuwe doodt ontfanghen,
Om dat sy missen daar sy ’t meeste na verlanghen.
De strafheyt voecht u niet, Venus is sacht van aart,
U moeders warent oock, van wien ghy zijt ghebaart.
(225) Of wildy beter zijn als oyt de vrouwen waren?
Dat’s een vermeetle wil, ten aansien van u jaren,
Ghebruyckt u jonghe jeucht, het is u beste tijdt.
Ghedenckt de gheene dan die u van herten vrijdt;
Bemint die u bemint, ghy lieffelijcke lieden,
[fol. A3v, p. 6]
(230) Doet andren als ghy woudt dat u selfs sou gheschieden.
Indien ghy by gheval soo doodtlijck waart ghewondt,
’T gheen ghy dan soecken soudt nu aan u dienaars jondt:
Nu aan u dienaars jont die ghy lie hebt by scharen,
Die u lof-singhen hier op sangherighe snaren:
(235) Soo deftich en soo grootsch, soo heerlijck en soo eel,
Van wien ick gheen en noem om datse zijn soo veel,
Dats al onnoemlijck zijn, want soo’ck maar een’ghe roemde,
Ick deed’ groot onghelijck die ick dan niet en noemde.
Sy zijn ten minsten u stil-swijghent wel bekent,
(240) Vermidts ghy Iuffertjes de stijl wel zijt ghewent
Van u beminners konst, en minnelijcke klaghen:
Indiens’ u smaken wel, of soo s’ u soo behaghen
Als sy u doenmaal deen, dat ick niet reppen mach,
Soo sal ick u eer langh meer brenghen aenden dach.
(245) Of sydy nu soo grof dat ghyse gaat verachten,
Soo wilter voor een wijl gheen andere verwachten,
Neemt dese dan voor lief: het is mijn beurt te gaan,
Want in mijn plaatse dringht de silver-verwe Maan:
                                                       ’T kan verkeeren.
                                                                G.A. Bredero.



[fol. A4r, p. 7]

Register van alle de Liedekens.

A
ALderbequaemste schoone Maeght.Fol. 14
Al lijd mijn blijde ziel van blijdtschaps.fol. 20
Al mijn hert en oock mijn sin.fol. 59
Ariadna schoone Maeght.fol. 63
Als helder klaer Diana schijnt.fol. 62
Adieu schoonheden preuts vol sachte.fol. 97
Arch Venus wicht.fol. 100
Aemtocht mijn hertjen.fol. 105
B
Blinde Godt der Min.fol. 108
C
Corts als de vaeck en slaep mijn oogen vast bestreden.fol. 44
Cupidoos loose pijlen.fol. 21
D
Demophoon, hoewel de Son.fol. 11
De wijn die hy ons mildlijck gheeft.fol. 14
Dat Venus jonghen dus is gheschent.fol. 18
Dianira ick kent u wesen.fol. 24
Dat u mijn liefd’ bevingh.fol. 30
Den Hemel wil ghetuyghen.fol. 41
De reden door den tijdt bevindt.fol. 46
Den langh ghewensten tijdt.fol. 108
De winter kout is nu eerst ontslapen.fol. 116
E
Eylaci, eylaci, wat droefheyt komt my aen.fol. 30
Een Heeremijt wil ick worden.fol. 73
Een Ionckvrou die my ’t hert doorwont.fol. 117
G
Ghy lodderlijcke Silvia.fol. 25
Ghy wackre Nimphjens en Driaden.fol. 37
Gheluckigh leeft den blijden mensch.fol. 55
Ghelijck een Iagher in het veldt.fol. 60
Galathea siet den dagh komt aen.fol. 60
Ghy lustelijcke May komt voren.fol. 68
Goddinne der Goddinnen.fol. 69
Ghy zijt schoone Maghet.fol. 76
Goddin die mijn herte verheucht.fol. 111
H
Het oude Roomsche Rijck vol hemelsche verstanden.fol. 15
Hoe langh sal ick verduldich.fol. 26
Had den Hemel niet bescheyden.fol. 27
Hoe werdy dus beloghen.fol. 28
Het Venus kindt door sijn loose treken.fol. 33
Hebt deernis met een knaepjen jongh.fol. 54
Hoe wel ick onberadich.fol. 62
Hoort Iupiters scholieren.fol. 107
I
Ick Cupido Goden Godt.fol. 20
In ouder eeuwen langh.fol. 34
Ioffrouw ick kan niet winnen.fol. 48
Ick kniel Iuffrouw in uwe dove stoep.fol. 61
Int midden van dit laghe Neder-landt.fol. 78
Ick bid mijn Heer den Medecijn.fol. 87
Ia noodich acht ick nu te roemen.fol. 109
Ick weet een schoon Goddin.fol. 109
In armoed leef ick onbenijdt.fol. 108
K
Koomt my Nymphe doch te baet.fol. 110
Koomt helpt mijn klaghen Goden al.fol. 112
Koomt Voestersse van mijn hert.fol. 113
L
Lenten doet de aerd ontluycken.
fol. 16
Lustich Hymen als een man.fol. 18
Lieffelijcke Goon bestort met Goddelijcke.fol. 72
Lief als ick sagh u godlijckheyt.fol. 90
Laest gingh ick in het woudt.fol. 90
Lurio schoonste van u buyrenfol. 95
[fol. 4v, p. 8]
M
Mi alma brusle par ta grand beauté.fol. 29
Mijn hert laet vryheyt varen.fol. 32
Marten Aepjes eer je gaet.fol. 49
Mach dit vroegh begonnen vyer.fol. 64
Mijn hert eylaes versucht verscheyden.fol. 65
Mijn veylich levens lusten.fol. 104
N
Nifje, Nifjen o je dingh.fol. 50
Naer dien mijn ooghjens klaer.fol. 91
O
O dartle Nimph, jentile Maeghd.fol. 102
Onse Lobbrich is soo blijdt.fol. 53
O suyverlicke Maeght.fol. 65
O groot vermoghen Min.fol. 67
O schoone Maeght.fol. 84
O schoonste soon Iupijns Apollo.fol. 11
O nacht jaloursche nacht.fol. 23
Och voedtster van mijn leven.fol. 28
O schoone Phoenix vooghdesse van mijn ziel.fol. 32
Onlancx heb ick belacht.fol. 38
Onlancx vroegh int morghen-root.fol. 39
O schoon Goddinne schoon.fol. 98
Onlanghs ick my vermeyde klaer.fol. 106
P
Periosta die met traghe stromen glijt.fol. 9
S
Schoone die mijn hert en ziele heeft ghewondt.fol. 31
Sint dat mijn ghedachten.fol. 42
Soo haest Gijsien had vernomen.fol. 53
’S nachts doen een blaeu ghesterde kleet.fol. 57
Schoon Goddinne waert ghepresen.fol. 66
Sint dat ich schoon Maghet.fol. 73
Spint Lachesis wel ruygher draet.fol. 81
Sederboom schoon, soet bloeyende spruyt.fol. 93
Snel-wieckich wicht der liefden.fol. 97
Staech soeckt het welich hof.fol. 110
T
Tityrus is alleen beswaert.fol. 13
Thetis ghy zijt al te schuw.fol. 39
’T is waer ick lijd mijn lijden.fol. 47
’T ghetopte vols als gantsch ghemeen.fol. 69
’T reghent en de Sonne schijnt.fol. 88
V
Vaert wel Scepters, vaert wel.fol. 119*
W
Wat suft ghy Amsterdam.fol. 10
Wat wensch kan ick u doen.fol. 22
Was ick niet berooft van sinne.fol. 25
Wat woelter in mijn hert en quelt.fol. 29
Wat baet dat u coralen.fol. 43
Wanneer Neptunus krachtelijk.fol. 56
Wel op mijn hert, wel op mijn ziel.fol. 63
Waerde Maeghden hier versaemt.fol. 89
Waerom laet ghy jonghe jeucht.fol. 92
Wel op mijn droeve gheest wilt u vermaken.fol. 96
Wonderbare echtens stricken.fol. 106
Wijs zijnse dier begheven.fol. 109
Z
Zephyrs gheblas de lindekens cieren.fol. 100



Misstellinghe.

Fol. 9 l. 8. leest, verschroken deed. fol. 14. int Sonnet, l. 9. voor Minnaar, leest nimmer. fol. 118 achter liedeken,
Vaert wel Scepters etc. doet uyt het advijs, en leest, Veranderen kant. De andere soo verlanghde als verkorte
sillaben sal de nausiende leser licht konnen helpen en te recht brenghen.




[fol. B1r, p. 9]

Sangh.

PERIOSTA, die met traghe stroomen glijt,
Door d’Ackers vet, ende ’t immer-groene velt,
Die Spieghel voor de laghe boomen zijt,
Wel dicht op u begraesde kant ghestelt,
(5) Ach! stondt ick oock op uwen oever groen
Soo groeyd’ ick mee, ghelijck u Elsen doen.
    Niet om dat ick mijn voeten spoelen souw
Als ’smiddaghs brandt verschroken deed* mijn hoogt,
Of dat ik op u soete koelen douw
(10) Verleckert ben, om laven mijne drooght,
Noch om dat met uw vochte sauce mijn,
Aerdtrijck vermenght, souw vetter voedtsel zijn.
    Maer om dat ghy mijn Vrou te stade staet,
Als sy haer spieghelt in uw loome vloet
(15) Sorchvuldichlijck met u te rade gaet
Hoe dat haer past een stroon of Roosen hoet
En ghy verbeeldt haer oogh en aenschijn hiel,
Geen aenschyn niet, geen ooghe niet, haer ziel.
    Haer ziele die bereyde slaven baert
(20) In’t sprekent oogh, en’t duydende ghelaet
Met pronck wijs op ghespreyde gaven, waert
Kloeck, edel, wijs, soo braef ten toone staet,
[fol. B1v, p. 10]
Dat ick verwert met al mijn sin in die
Niet van haer oogh noch van haer aenschijn sie.
    (25) ELECTRA, ’tsint der Goden waerde Min,
EPHIGENE ons allen heeft ontschaeckt,
Sagh ik hun noodt gheboden nader in,
En vandt u erf haers machts op my ghemaeckt,
O brave die u braef geslachte slacht,
(30) Van vrome werden vrome voortghebracht.
    U Vader wast, die moste stieren veel
Volcken, met sijn treffelijck ghebiet,
Niet hy die daer verwoeste ’tvierendeel
Des werelts, Neen? die AGAMEMNON niet,
(35) Maer die natuer tot heerschappie schiep,
Of schoon ’tgeluck niet hoogh genoech hem riep.
    O Coninghlijck grootmoedigh hooghe saet,
Van moeders sijd’ ook vol voor-ouders deught,
Indien dat ghy u goedigh ooge slaat
(40) Op’t hert dat sich om u te vieren veught,
Soo sal’t versmaen, leet, naerheyt doodes pijn,
Ende ghy mijn lief, mijn licht, mijn leven zijn.



        Niet minnen dat is smert,
        En’t minnen valt oock herdt,
        Maer’t alderherdst om vinnen,
        Sonder ghenot te minnen.



Bruylofts-Sangh.

Voys: Esprits qui souspirez.

WAt suft ghy Amsterdam, om ’tongewoon verbreden
Van s’avont-sterren glants, of waendy ’t ’sHemels stem
(Die ’t onderworpen aerdtrijc dreygt met nieuwicheden,)
Soo ’t plach, maer dese reys, regeert het aerdtrijck hem.

    (5) ’Tis dat de ster ghelockt, door ’t minnelijck vergaren
Van twee ghelieven, die sy wijsen comt te bedt,
Nauw wachtende op haer dienst in d’ure te verklaren,
Meer als ghemeene torts in’t heldre westen set.
    Die Maget licht sy toe, die uwen roem van Vrouwen,

(10) Hippelend’ by der aerd’, en schreumich voor de vlucht,
Eerst hert ghegeven heeft, haer vleugels te vertrouwen,
En roeren boven’t hooft des Arents in de lucht.
    O brave moeders brave dochter in den sinnen
Des eedlen jeughds vergood,
Ida Ida Quequels bloet,
(15) Gaet henen, gaet ghetroost, u dienaers smert en minnen,
Te boeten woecker-wijs met langh verlanghet goet.
    Vlammende Bruydegom, siet hoe de tedre kaken
Des welgeboren Bruyts, de schaemt met rootheyt sprengt,
Dits uwen Avondt-ster, die d’ure siet te naken,

(20) Die soete wrevelheyt, met bitse vriendtschap menght.
    Dus lange ghy in ’t gros haer gaven placht te vieren,
T’aensienelijck ghelaets groot achtbarende strael,
Haer lichaam schoon van snee, vol edele manieren,
En wijsheyt voort ghebracht met d’aldersoetste tael.

    (25) Maer in een overvloet van duysent schoone dinghen
U vratighe ooghen nu te weyde sullen gaen,
U dertel handen en u klevende lippen springhen
Sien ick van’t een op’t aer, ay later doch wat aen.
    Van vlechten, lippen, hals, op dat, ick niet wil noemen

(30) ’Thans keerende op het gheen dat ghy nu overslaet,
[fol. B2r, p. 11]
Soo d’werelt wuste Bije, in eenen hof vol bloemen,
Van d’een op d’aer, tot dat sy niet on ontgonnen laet.
    In ’t flonckeren van de Min ende ’slichaems weelicheyden
Belonckt het opghetoghen oogh van u verstandt,

(35) Haer siele deftich, vroom, rechtveerdich, heusch bescheyden
En splis u hert aen’t haer, met stantvastighe brandt.



Clachte.

DEmophoon, hoe wel de Son, ’t sint hy ontfing sijn stralen,
Noyt vrou bescheen, die meerder reen, had op haar leet te malen,
Als ic eylaes, ô Phillis dwaes, nochtans mijn hert vol wanen,
Te weten haeckt, wat dat ghy maeckt, dewijl ic baed in tranen.
    (5) Ontrouwe fel, bedocht ghy wel, nu mijn ’tgeluc loopt tegen
Hoe ’t met mijn is, het soud gewis, u stalen ziel bewegen,
Maer u gemoet, is heel verwoet, dat kan ick niet verwachten,
Op mijn te sien, en comt misschien, niet eens in u gedachten.
    Of mogelijck, so dedy blijck, met onverwachte reden,
(10) Van u bedroch, als loflijck noch, en overgeven eeden,
Aen yemandt die, ghy op een nie, wilt met u clucht verheugen
Die haer daer door, ghewaerschout voor, u trouw sal houden meugen.
    Verrader wreet, gaet u mijn leet, en lijden soo ter herten,
Dat ghy u veught, om u geneught, te suygen uyt mijn smerten,
(15) Dewijl mijn eer, door u ter neer, geraeckt in alle monden
En ic moet gaen, mistroostich aen, mijn schaemte vast gebonden.
    Dits niet genoech, maer laet en vroech, ghy andren gaet verbreyden,
Dat nevens dy, ’shadden van my, de jonst bekent ons beyden,
Die ghy alleen, maer duysent een, van trouwheyt hebt genooten,
(20) Wast valscheyt doen, wie sou vermoen, van tranen uytgegoten.
    U dieren eedt, was die my deedt, my self om u vergeten,
Noyt sint dat pas, bly geestich was ick als ick plach te heeten,
Maer heb beproeft, dat ick bedroeft, in sorge was gesteken,
Ende dat de vreucht, van mijne jeucht, heel verre was geweken.
    (25) Ghy Maeghden teer, daer ic wel eer, mijn onder plach te vlijen,
Mijn druc versacht, so ghy mijn clacht, aenhoort met medelijen
Ende so ghy haet, die my verraet, dat bid ick u gemeyne,
Die mijn bedrooch, met dese tooch, de la race Vilaine.


SONNET.

Nijdighe tijdt waerom ist dat ghy u versnelt
Meer dan ghy zijt ghewoon? laet ghy het u verdrieten,
Dat ick den Hemel van Liefs by zijn mach ghenieten?
Wat schaedt u mijn gheluck? dat ghy u daer in quelt.

    (5) Een grijsaert zijdy tijdt, en proefde noyt ’t gheweldt
Van ’t gheene datse liefd’ en soete weerliefd hieten.
Helaes! de tranen blanck over mijn wanghen vlieten,
Als ick aen’t uyrwerck denck, dat qualijck was ghestelt.
    Och meester die de tijdt met uyren af kundt meten,

(10) Gist’r avondt misten ghy en hadt u konst vergheten,
Want driemael sloech de klock in min als een quartier.
    Maer na mijn Liefs vertreck, door dien’t begon te dagen,
En heeft de klocke boven ses mael niet gheslaghen,
In eenen tijdt (docht my) van twalef uyren schier.



BRUYLOFT-DICHT.

O Schoonste soon Iuppijns Apollo, die van allen
D’aensienelijckste croon te beurt is toe gevallen,
By soo veel Goden, als den Hemelt stelt te pronck;
Met uw aenschijn vol glans en altijdt even jonck:
(5) Die, naer uw oordeel rijp, vermengt met blijde soetheyt
Van dicht, en sang, en spel, uw albescheyden vroetheyt:
Latonaes waerde vreuchdt, Dianaes toeverlaet,
Of u van Daphne schoon noch yet te voren staet?
[fol. B2v, p. 12]
Doe’t poeselachtigh blanck haers lichaems wel besneden
(10) U in uw ooghen sloech, en vloogh door al uw leden.
Uw Godlijck harte claeghde’ en quynde’ ick weet niet hoe:
’Tverlanghen soop het uyt. Dus is nu, PLEMP te moe.
Gheswinde flits, van ’t kindt op handel sijner booghen
Te seer goeddunckend’, is sijn ribben door ghevloghen:
(15) En baten mocht hem niet dat hy u, voor altijdt,
Sijn handen, lippen, en zijn hart heeft toeghewijdt;
Noch, dat gh’hem inne blaest gedichten hoogh van waerden,
Waer door hy treedt ghelijck uw levend beeld op Aerden.
Hy peynst, hy vreest, hy weent, hy sorght, hy sucht, hy steent,
(20) ’Tin-etend gift verteert hem’t merrech in’t ghebeent.
    Gaet heen verwoede Min belust op stadigh plagen
En spant de Swanen vry voor u vrouw-Moeders wagen;
De smydige’ halsen van’t gailachtighe gediert,
En self de gouden Car met Mirthentelgen ciert,
(25) Der welcker bloeysel smett’ met reuck aen allen enden,
Den asem van de lucht, waer sy haer hene wenden;
En tot volvoeringh braef van u triumphe groot,
Soo set u op het pruytst in uw vrou-Moeders schoot.
Een treffelijcke roem, een heerlijcke vermaertheyt
(30) Is’t seker voor een Godt, te quellen met vervaertheyt
Het menschelijck gheslacht, en ’tharte schieten fel
Te pleghen voor sijn lust, en ’tbranden voor sijn spel:
Al of ’tonsterflijck vleesch daer mede waer te voeden.
Hecht sulcken bitterheyt in d’Hemelsche ghemoeden?
(35) Indien u lof vermaeckt, is’t om u eer te doen,
Soo keert u sinnen om, houdt eenmael op van woen.
In stucken breeckt uw boogh, daer’t alle voor moet swichten,
En knackt tot splinters toe uw koker en uw schichten,
Verbrandtse met uw vlam gelijck verwesen buyt:
(40) En daer nae dooft uw toorts in Minnaers tranen uyt.
Dan valt het u te soet de Schutter-konst te’ hanteeren?
Soo schiet in Venus naem de pylen tot de veeren
In menschelijcke borst; maer als den Minnaer blaeckt,
Soo draeght wel sorghe dat ghy sijn beminde raeckt:
(45) En niemandt is soo woest, dat hy op u vergrammen
Sal met een oevlen moedt, als uw vermoghen vlammen
Van d’een en d’ander zijd’ ontsteecken ’tinghewandt,
Ghelijckelijck met een onslisselijcken brandt.
Ick laster niet soo seer uw Godtheyt hoogh vermogen,
(50) Om dat ghy, aen elck aér, de hoornen hebt getogen
Van uwen tayen boogh, doe van uw pylen ros
De scharpste gingh op’t hart van ons’ Apollo los,
Als dat ghy Daphne, wiens gedaente staech gevloten
Door sijn gedachten comt, liet coudt, of ongeschoten.
    (55) Apollo seg ick, onse’ Apollo; want den Man
En roerde’ Apolloos const niet uyterlijcken an;
Maer paste door de schors in wijsheyts pit te dringen.
’Tverborgen onses Aerts; ’tgecrieuwel van de dingen,
Al heeft hy’t doorgeboort. Het Recht verwart in naer’
(60) En diepe duysterheyt, is voor sijn oogen claer.
De Godtheyt grondeloos heeft hy sich onderwonden
Na Mensch-vernuft van ver eerbiedelijck te gronden.
Den aert der sieckten is hem oock niet onbekent;
En wat, daer tegens, weer moet worden aengewent,
(65) Tot lichting en tot baet der neergeslagen luyden,
Van berg-werc, van gewas, en drooge’ uytheemsche cruyden.
De Sang-Goddinnen zijn hem onderdanigh; haer
Bindt hy aen tijdt en maet, al of hy Phoebus waer.
Hy streelt het lecker oor, met uytgelesen ciersel
(70) Van treffelijck gedicht, en overschoon versiersel.
En troont sijn handt geleert, met vingers wis en snel,
Vlaeyende wysen, uyt het sangrich snarenspel.
    Van soodanighen Man hebt ghy ontroert de sinnen,
O Min, en doedy hem niet van sijn lief beminnen?
(75) Ach! leght op Geertruyd an uw boogh, en voeghter op
Een welgeveerde pijl met een ghewette dop,
[fol. B3r, p. 13]
En vergt u spieren wat, eer ghy de pijl laet glippen,
Dat immer diep het riet mach in haer harte slippen:
    O blancke Daphne schoon, vervollechde Godin,
(80) Houdt, schorst uw vluchte wat, begeeft u geensins in
De spiegel-clare vloedt van ’t altijdt coele Sparen:
Uw sorg is late sorg, dus laet u sorge varen.
De Min heeft u geraeckt, het Sparen noch het Ty,
Noch ’t onverswelchbaer nat des holle Meers daer by,
(85) En is het in haer macht uw schoonen brandt te blussen.
Maer sachten salse best uw trouwe Minnaers kussen.
    O Min, ick seg u danck dat ghy, na mijn gebedt,
Tot doel van uwen boogh, dees lieven hebt geset.
    Den Hemel segen, ô geluckig paer, u dagen.
(90) Dat nemmer ghy van ramp, en minst van Min moocht clagen.

                                                                P.C.H.


Pastorelle. Vluchtige Nimph.

TItyrus, is alleen beswaert,
Caralena die ist waert,
Liever sterven,, dan te derven,
Haer gheselschap op een aer,

(5) Willighe last en valt niet swaer.
    Als ick souw kiesen na mijn sin,
Coninck zijnd’ en Coningin,
Soud ick toonen,, door het croonen,

Caralena dat ick u,
(10) ’Tmeeste bemin, doet ghy het nu.
    ’Tcleene verschil van onse staet,
Liefje doet dat soo veel quaet?
Dat u Minnaer,, gheen verwinnaer,
Die nochtans so seer houdt an,

(15) Van Amulina worden can?
    Of ick noch
Amulina con
Winnen, en daer na noch won,
Lief u herte,, waer mijn smerte,
En mijn suer pijn die ick moet

(20) Eeuwelijck draghen niet wel soet?
    Ick soetse nu met dese hoop,
Hope datse beter coop
Noch sal gheven,, canse leven,
En dat
Lentula sal sien
(25) Teghen haer wil dit huwlijck schien.



[fol. B3v, p. 14]

Pastorelle.

Stem. De Mey die ons de groente geeft.

DE wijn die hy ons mildlijck gheeft
Doet wel het hert verheughen
Van een die sonder minne leeft,
Maer mijn, hoe souse meughen?

    (5) Ick weet van liefd’, ick ken haer kracht,
Ick hoor veel minnaers claghen,
Als haer haer liefjen niet en acht,
Maer ick wilt al verdraghen.
    Noch had ick liever meerder pijn,

(10) En om haer meer te dencken,
Als door onkunde vry te zijn
Van smerten die mijn krencken.
    Het huwlijck maeckt twee lieven een,
Maer liefd’ vereent twee zielen,

(15) Dies lijckheyt trouw en anders gheen
Ons liefs trouw sal vernielen.
    Ons zielen aengheboren min
Doet elck aers pijn ghevoelen,
Soo dat wy twee met eenen sin

(20) Zijn dickwils ’sanders boelen.
    Ick sie mijn lief al isser niet,
Ick voelse met ghedachten,
Het gheen mijn waken dick verdriet
In dese langhe nachten.

    (25) Ghedachten die niet stil en staen
Door-loopen alle dinghen,
Die doen mijn leyt en vreuchde aen,
’K had vreucht con ickse dwinghen.



SONNET.

Indien ick waer Iupijn, ick sou me vrou verklaren
Voor Iuno mijn Goddin, indien ick had ghewelt
Als Coningh van de Zee, mijn vrou sou zijn ghestelt
Als Thetis Coningin, bedwinghster van de baren.

(5) Viel ’t aerdtrijck my te deel, ick sou met u my paren,
U maken Keyserin van ’s werelts weeldich velt,
Ghy door u vlechten blont, soudt voor Goddin ghetelt
Zijn, rijdend op een Koets verwondert van de scharen.
Maer laes ick ben gheen Godt, end’ nimmer* wesen kan,

(10) Den Hemel ’t uwen dienst alleen my’t leven nam,
Al mijn gheluck dat hanght, mijn vrou, aen u ghenade.
Ghy zijt mijn goet, mijn quaet, ghy zijt het alles: dan
Soo ghy my weerliefd’ toont daer leeft gheen blijder man,
’K ben Coningh, selfs Iupijn, met rijckdom overladen.



Stem. Windeken.

                        1
ALderbequaemste schoone maeght,
Eerbaer, wijs, en jongh ghedaeght,
Costlijck, waerdigh,
Heusch en aerdich,
(5) Gheestich, vrolijck, sacht en soet,
Treffelijck, maer niet hoogh van moet.
                        2
    Niet stuyrs noch wreedt van hert en sin,
[fol. B4r, p. 15]
Croonens waert als Coningin,
Oock by cleene
(10) Recht ghemeene
Nimmer anders dan de lien
En machmen frayer NIMPHE sien.

                        3
    Lichter als PHOEBUS stralen licht
Is u suyverlijck ghesicht,
(15) Schoone roosen
Doet ghy bloosen
Onder dat sneewitte vleys,
Costelijck, cierlijck noch een reys.
                        4
    Heusch en beleeft van spraeck en mondt,
(20) Teer van handen, ’taensicht rondt,
Ranck besneden,
En u leden
Daer de cleeren soo om staen,
Al ofs’ een Schilder had ghedaen.
                        5
    (25) Soo’t u Princesse maer gheviel
Dat mijn opghetrocken ziel
U te deghen
Con beweghen
En ghy my u dienaer kent,
(30) Soo blijft mijn blijdtschap sonder endt.


Lof van Iohannes Secundus.

HEt oude Roomsche rijck, veel hemelsche verstanden,
Met
Pindus sap bevloet, ghebracht heeft op die baen
Die Napelsche Meermin, de Venusijnsche Swaen,

Tibul ende Martiael bekent in alle landen.
    (5) Maer heeft dan yemandt oyt, met recht vermocht te dragen
Den Mirten krans op’t hooft, sulcx heb ghy sonder fael
Voor al vermoght te doen, o eenich Nachtegael!
Des Hollantschen prieels, ’twelc men noemt
’s Graven-hage.
    Want so veel d’ouden roert, men geen van dees sal vinden
(10) Die niet met oordeel rijp ende sinnen wel besaet,
Door matigh ouderdom de Rijm-konst op die maet
Oyt sich in ernsten moet, heeft derven onderwinden.
    Wat? ist niet wonder groot, dat ghij ’tgeen aen dijn jaren
Was seylend’, hebt vervult door overvloet van gheest?

(15) So dat ghy al’t ghesangh, daer van soo groot een feest
Gemaect werdt, overtreft door ’t klincken dijner snaren.
    ’Tzy ghy die ziel ophaelt, uyt
Elisijnsche weyen
Des Roomschen
Callimachs, of met trompet gheschal
In’t veldt allarme maeckt, of door het Haeghsche dal

(20) Met dijn schoon lief gepaert, u selven gaet vermeyen?
    Of dat ghy constigh roert, die
Pindarische Liere,
Of met d’Andijnsche klock, dijns Keysers lof uyt met,
Of dijns Heer vaders graft, met ware tranen bet,
Of met den kroon opt hooft, ’tvelt crachtich gaet vercieren.

    (25) O! voor wien Naso selfs sijn hooghe moet laet sincken,
O! die den Mey-boom eerst in Hollandt heeft gheplant,
Ja boven den Laurier, dees wijdt ghemaeckt bekant,
Dijn lof wil ick alom ten Hemel toe doen klincken.
    O
Phoenix onser eeuw door Cypris neer ghesonden!
(30) O die ’t graef-yser fijn noch nauwelijcx ghebaert!
Hebt met den gulden Luyt soo schickelijck ghepaert,
Wat isser dijns ghelijck ter werelt oyt ghevonden?

[fol. B4v, p. 16*]
    O eer des Vader-landts, spijt alle Idioten,
Och! cost ick treden na u voet-stappen van veer,

(35) En volghen op het spoor, och! mocht ick hebben d’eer
Te wesen van u Bend, met kuskens overgoten.
    Welc ghy hebt alder eerst doen, uyt den Hemel douwen
Op’t Menschelijck gheslacht door
Venus jonste mildt,
Tot laef’nis van ons hert, tongh, lever, nier, ende milt

(40) O Montaes suycker soet, spijs sacht om te verdouwen.
    Hy draeg sich trots die wil, van wijt beroemt te wesen,
Door sijn pen of sijn tong, staet, Rijckdom, Oordeel grijs
Laet ons te vreden zijn dat u den hooghsten prijs
Der Roomscher Poësij, van
Bees is toeghegheven.

                                                                Ianus Dousa.


Pastorelle.

Lenten.

LENTEN doet de Aerd’ ontluycken,
Die de coude Winter sluyt,
Levert bloemen die soet ruycken,
Deckt de Aerd’ met gras en cruyt;
(5) ’Tvogheltje singht overluyt,
Maeckt sijn nestje in de way,
        Of aen tacken van het woudt,
        Daer het hem met vreucht onthoudt
        Om in vreen te broen sijn ey.
                            Somer.
    (10) SOMER koockt des Lentens vruchten
Door der Sonnen heeten brandt,
Die ons doet des middaeghs vluchten
Uyt het onbeschaduut landt,
In het bosch, of op de strandt,
(15) Daer het windtje coeltjens wayt,
        Ruysent soetjens door de blaen,
        Dringht het water of en aen,
        Na des luchts beweeghlijckheyt.
                            Herfst.
    HEREFST doet de schueren open
(20) Als de heete Somer endt,
En haelt in daer wy na hopen,
’tCooren, eert te velde schendt,
Perst de wijnen excelent,
CERES backt, en BACCHUS brout,
        (25) Ellick om de grootste prijs,
        D’een gheeft dranck, en d’ander spijs,
        Tot des Menschen onderhoudt.
                            Winter.
    Maer de WINTER comt op’t leste
Vinnigh met haer nieuwe Iaer,
(30) En gheeft anders niet ten besten
[fol. C1r, p. 17]
Dan koudt, haghel, winden swaer,
Dat wordt d’arme mensch ghewaer
Die niet wel sit in de wol,
        Noch versien van spijs en dranck,
        (35) Als wy zijn, dies Godt sy danck,
        Die ons gheeft de schueren vol.


SONNET.

AErdtsche Goddin alleen besitster van mijn hert,
En ziele van mijn ziel, meestersche der ghedachten,
Wiens schoonheyts klaren glants, en heusheyt my verkrachten,
Als in den blonden strick mijn hert ghevanghen wert.

    (5) Soo ghy niet aensien wilt de wreedtheyt van mijn smert,
En stoppen u ghehoor voor mijn bedruckte clachten,
Van my hebdy dan niet als droefheyt te verwachten,
En afghesloofde dood, daer in ick blijf verwart.
    Maar gaedy tot ghenae u goedertieren wennen,

(10) En wilt de trouwe Min uws dienaers recht bekennen,
Dan sal ick zijn verlost van droefheyt, sorgh en pijn.
    Mijn hert dat stadelijck en altoos sou verteeren,
En sal dan nimmermeer in assche konnen keeren,
Maer in een soeten brandt altoos onsterflijck zijn.




[fol. C1v, p. 18]

Voys: O Roosken root.

DAt Venus Jonghen, dus is gheschent
Met duysent tonghen, maeck ick bekent,
Dewijl den dief, sliep nam mijn lief,
Sijn boogh

(5) En al sijn pijlen die sy met haer droegh.
    Sy nam de banden, tot sijnder schandt,
Die sy noch an den, pijl-koker vandt,
En bondt bequaem, sijn handen t’saem
Aleer

(10) Dat hy ontwaken cost en bieden weer.
    Als hy te spade, hem sagh verheert,
Heeft hy ghenade, aen haer begeert,
Hy boogh sijn knien, maer sy ginck vlien
En liet

(15) Den lecker blijven in dat groot verdriet.
    Dies sy terwijlen, besat sijn macht,
Sy kent sijn pijlen, ghebruyckt haer kracht,
Ten is by loo, gheen
Cupido
Die doet
(20) Dat ick op haer altaer dus stoocken moet.
    Wech, wech, ghy blinde, verlooren soon,
Want mijn beminde, stelt my gheboon,
Sy stiert mijn sin, als mijn Goddin
Altijt

(25) Dewijl ghy maer een o in’t Chijpher zijt.
    Vliecht winden snellijck, en blaest haer lof
In’t oor van ellijck, nu hebt ghy stof,
Maeckt datter gheen, meer zijn ghebeen,
En stroyt

(30) Door desen naeckten benghel gantsch beroyt.

                                               Vrede baert rust.


SONNET.

SChoon oogen; die vermeught te nemen en te gheven
De ziele die ghy wilt, door uwen harssen strick,
Die met het spelen van een vriendelijcke blick
Soo vaeck ontsteeckt, en blust de vlamme van mijn leven.
    (5) Ach! in wat dampe moet mijn ziel onseker sweven,
Door wrevle nijdicheyt, en ’t ongeval vol schrick,
Met haer verbolgen storm en swarte wolcken dick,
Sint datse tusschen mijn, en u, mijn Sonne, dreven.
    Me vrou, in desen nacht, in desen hel vol smert,
(10) Neem ick mijn toevlucht tot u beeld, dat in mijn hert
Soo groot verheven staet, en vult alleen mijn sinne.
    Maer uyt haer klaerheyt, (laes!) my geen verlichtingh rijst,
En sy doet meer niet dan dat sy mijn annewijst
Hulpe-loose afgodin, op u alleen godinne.


Vreugh-liedeken der neghen Sang-Goddinnen,

Op de stem:

Schoonste Nimphe.

                        Clio.
LUstigh HYMEN als een Man,
            Dapper an,
Slae tapijten aen de wanden,
Ruym de schoone Bruylofts-sael,
            (5) T’eenemael,
[fol. C2r, p. 19]
Laet dijn fackels luchtigh branden.
                        Melpomene.
    Want het puyckjen van ons Ieughd
            Dat in deughd
Als de Sonne plagh te blincken,
(10) Wil haer maeghdelijcke bloem
            Aen de roem
Van de Iongh-mans, nu verschincken.
                        Thalia.
    Nodight op dees Bruylofts-feest
            Aldermeest,
(15) Die na VENUS rechten leven,
Want sy heeft aen haren soon,
            Voor sijn loon,
Nieuwe wetten voorgheschreven.
                        Euterpe.
    Kroont ons Bruydegom en Bruydt,
            (20) Vlecht van kruydt,
Mirten kranskens en Lauwrieren,
Lovers stroyt en Maeghde-palm,
            Laet de galm
Vreughdigh uyt u keelkens swieren.
                        Therpsichore.
    (25) Roept LUCINA by haer naem,
            Tot de kraem,
En om’t pluymich bed te spreyen:
Snellijck vliegh na CYNTHIA,
            Dat sy drae
(30) Thien mael haren krinck wil drayen.
                        Erato.
    Houdt des Eendrachts touwen bandt,
            Als een pandt
Vast gheschakelt in u herten:
Bruyckt des Tortel-duyfkens sin
            (35) In de Min,
Soo verdwijnen uwe smerten.
                        Calliope.
    Drijft het vuyle snoo ghespuys
            Uyt u huys,
Herberght wijsheyt in u deuren,
(40) Dan sal d’uytgheteerde Nijdt
            Tot haer spijt
Haer verschroockte kaken scheuren.
                        Urania.
    Heyligh zy dees Bruylofts-dagh,
            Daer men magh
(45) Vreughd’ in reyne liefde pleghen:
’K wensch dat ’sHemels opper-sael
[fol. C2v, p. 20]
            U bestrael,
Met der Goden milden seghen.
                        Polyhymnia.
    ’K wensch voorts dat dees jonghe schaer
            (50) Over jaer
Mee mach sitten in dees vreughde:
Ey omhelst de soete Min,
            ’T is u sin,
Alst gheschidt in eer en deughde.



Stem. O wreeden Atropos.

AL lijdt mijn blijde ziel, van blijdtschaps wegen smerte,
Sint dat het u gheviel, besitster van mijn herte,
Te zijn d’eerwaerde vrouw, diens wetten dat ik houw
Stantvastigh en ghetrouw, in vrolijckheyt en rouw,

(5) Soo staen mijn sinnen
Als steyle rots gheplant, en blincken in de brant
Van weder-minne.
    De lang geleden druck, doet vreuchde grooter schijnen
En selden groot gheluck, verkrijghtmen sonder pijnen,

(10) Die noyt gheen hertseer leet, van vreuchde niet en weet,
Of wel die niet en sweet, van arbeydt die hy deed,
En kan naeu rusten,
Ick wracht in mijn ghemoet, mijn rust is dobbelsoet,
Ach soete lusten.

    (15) Mijn hert is soo verblijdt, Joffrou door u vernoegen,
De vreuchde my bestrijdt, mijn hert in duysent voeghen,
So dat ick sucht van weeld, wanneer ic mijn voorbeeldt,
Hoe my u vriendtschap streelt, en ’tlieve leven steelt
Dick mijn ghedachten,

(20) Als ick mijn lust ghemenght, uyt d’uwe vind gestrenght
Door weer-liefds krachten.
    Mijn opghetrocken geest, verselt u ziel ghestadigh,
Die mind’ u en die vreest, u wesen soo ghenadigh,
Ghy hebt mijn clacht ghesust, mijn arbeydt is mijn rust

(25) Wanneer met lieve lust, mijn mondt u lipkens kust
Al goedertieren,
Alwaer de vriendelijck, Goddinne siennelijck,
U wil ick vieren.
    Vreuchden-rijcke bedt, sal ick mijn altaer noemen,

(30) En stroyender te met, veel lief en waerde bloemen,
Den drangh van mijn ghebeen, die send ick u voor heen
Met duysent lieve reen, dees comen in’t ghemeen
U borst verwermen,
Dieder na verlangt, mijn suchten sacht ontfanght,

(35) Met open armen.


Triumph-Liedt van Cupido,

Op de voys:

Schoonste Nimphe.

                        1
ICk Cupido Goden Godt,
            Die versot
D’aldersterckster mannen herten

[fol. C3r, p. 21]
Iae het cloeckste dat men vindt
            (5) Maeck ick blindt,
Door mijn Wulpse dertel perten, Door mijn &c.

2 Ist my eer, dat ick een Landt
            Steeck in brandt,
Als ick werck
Helenae treken,
(10) D’Hemel kennet mijnen schicht,
            D’Hel onlicht
Can ick met mijnen vyer ontsteken, Can ick &c.

3 Waerom mimert Phoebus soo,
            End’
Pluto,
(15) Waerom giert Pan door de berghen?
Selfs mijn Moeder treurich is
            Alles wis
Can ick met mijn boghe terghen.

4 Als ick schiet maer eenen pijl
            (20) Metter ijl
Can ick haest de Ieucht ontstellen,
Ionghmans krielen dan terstont
            Om den mont
Van de Meyskens diese quellen.

(25) 5 Menich Paris noch by nacht
            De deur wacht
Van sijn soet-suur uytvercoren:
Oock soo kan ick het ghemoet
            Door mijn gloet

(30) Van die weygher-Meyskens storen.
6 Doch dit alles acht ick kleyn
            End’ ghemeyn,
Wilder oock gheen eer af trecken
Dat ick
Hercles minlijck ree
            (35) Spinnen dee,
Oft oock Goden kan verwecken.

7 Meerder eer verdien ick nu
            Dat ick u

Anna, die wel seven jaren
(40) Mijnen boghe volder kracht
            Hebt veracht
Eyndlijck noch met
Pauw doe Paren.
8 Dijne pruytsheyt, dijn beval
[fol. C3v, p. 22
            Liefghetal
(45) Is nu eenmael t’ondercomen:
Wat voor Meyskens zijnder noch
            Die ick toch
Nu voortaen niet en sal toomen?

9 Noch een Anna isser, welck
            (50) Trots van elck
Oock mijn pijlen derf versmaden,
Die ick doch eer langhen tijt
            Sal te spijt
Met mijns Liefdens dauw versaden.

(55) 10 Vlecht my Flora eenen Crans
            Dat ick dans
Met dees lieves Bruyts soet wesen,

Bruydgom Pauw, daer is u Bruyt
            Die ick uyt
(60) Ander, voor u hebb’ ghelesen.
11 Treckt in uwen Ruytenborgh,
            Sonder sorgh
Om mijns pijlens loon te smaken,
Dommelt, stommelt vrolijck daer

            (65) Lieflijck paer,
Ofter schoon wat
Ruyten braken.
12 Ghy zijt t’saem wel, ick vertreck
            Tot verweck
Van dees ander Bruylofts karen:

(70) Bruylofts-gasten rontsom kust
            Metter lust,
Kuskens mach men doch niet sparen.


                                    Maugre Envie.


Stem. O nacht jalourse nacht.

WAt wensch kan ic u doen, wat goet kunt ghy verwachten
Van die niets goets en heeft, dan van u milde handt?
Ontneemt ghy my mijn vreucht, neemt ghy my mijn gedachten?
Wat blijft my meer alst vyer, daer in mijn hert verbrandt?
    (5) De hooghste groet daer ick u mee sou konnen groeten,
Het middel en de trap is dat ick u beweegh,
Dat my van u alleen ’t vermogen mach gemoeten
Tot teken van de gonst, en ’thert dat ick u dreegh.
    Laet u gekroonde deucht tot my in’t herte stralen,
(10) Op dat mijn ydel hoof van hertseer uytgeteert
Van u genae vervult mach nieuwe krachten halen,
[fol. D4r, p. 23]
En dat ick my beroem van u te zijn verheert.
    Laet my u schoone handt uyt lust tot goet doen cieren,
U soeten asem blaes op mijn zijn grooten Geest,
(15) U tongh gebenedij de Minnaer goedertieren,
Die eer hy was gebaert u dienaer is gheweest.
    Versmaet ghy doch mijn dienst, en mijn vermogen teeder,
Geeft my mijn hert en ziel, die gh’ alle beyd besit,
Stoort u mijn slavernij, geeft my mijn vryheyt weder,
(20) Of jondt my maer de gaef daer u mijn hert om bidt.
    Ghy weet ick niet en ben dan door u soeten segen,
De schadu van een roock is thien mael meer als ick,
Leert my daerom waer mee dat ick u mach bewegen,
Leert en verleent my kracht om volgen ’t geen ick schrick.
    (25) Ick heb de goede wil, verleent my toch ’tvermogen,
Te wenschen dat u oogh ootmoedigh eens aenschou,
Die u de knye sijns herts soo dickwils heeft gebogen,
Of houdt mijn vleys te goe, soo’t wanhoopt aen mijn vrou.


Stem. Esprits qui souspirez.

O Nacht jaloersche nacht, die teghen my versworen,
Den Hemel ’t mijnder spijt, een nieuwe glants bereyt,
Heb ick u dan van daegh so dick ghewenst te sporen,
    Tot hinder van mijn hoop en groote vrolijckheyt.

    (5) Eylacy ’k had ghehoopt dat ghy soudt overkomen,
Met doncker verwigh kleedt, en swerte grijns vermomt
Maer als een somer dagh hebt ghy mijn hoop genomen,
Door u ghesterden sleep daer ghy meed’ overkomt.
    En ghy
Sols suster, comt neven de aerde snuyven,
(10) Om my ’tondecken slecht toont ghy u aenschijn blanck,
Ontsteeckt ghy so dijn licht, als ghy al stil gaet schuyven,
By die ghy soetlijck kust, met vriendelijck ontfanck.
    Indien ’t u maer gedenckt, verliefde schoon Goddinne,
Wat vreuchde ghy ghenoot, als ghy hem hebt ghekust,

(15) Terwijl ick nu uytgae om kussen die ick minne,
Laet u vergulden glans soo langh wat zijn gheblust.
    De fabel mach men wel voor onwarachtich houwen,
Die seyt dat noyt de liefd’ u borst verwarmen kon,
Want
Pan heeft u bekent, ghelijck als ander vrouwen,
(20) Dewijl hy met een Vlies u suyverheyt verwon.
    Heeft u het schoon gesicht eens Herders schoon ontsteken,
En hebt ghy hem ghemint, gelijc men vast gelooft,
In uwe hitte groot is u seer wel ghebleken,
Dat liefdens soete vreucht bedeckt wil zijn gherooft.

    (25) Doch doet na uwen lust u silvre hoornen blincken,
En laet u raders vry op ’t wijdtste zijn ghestreckt,
Met u gheleende licht sult ghy wel langh staen quincken,
Eer ghy mijn liefde trou aen eenich mensch ontdeckt.
    Och wat een moeylijck volc, o! watte sno manieren,

(30) Dus laet op straet te zijn, alleenlijck om ’t gheklap:
Vertreckt u uyt de mist, die u den hoest kan stieren,
Den nacht gaet over gaet, en rust voor u ghesnap.
    Ick gae, ick kom, ick vlucht, ick luyster en ick wandel,
Mijn oogh dat draeyt altijdt na de ghewenste plaets,

(35) Maer ick en vorder niet, ontdeckt is al mijn handel,
Van moeylijc volc, jaloersch, wangunstigh en vol haets.
    Mocht ic eens Coninc zijn, ick deed’ terstont verklaren
Dat niemandt op de straet sou moghen zijn by nacht,
Alleen de Minnaers slecht, woud’ ick toelaten garen,

(40) Soo yemandt anders deed’, ick straften hem onsacht.
    O slaep o soeten slaep, rust van ghewoone wercken,
Die de ghedachten sluyt, door uwe soete vreucht,
Begoochelt
Argus hooft, dat al mijn doen sou mercken,
En schutten soo de lust die hert en sin verheucht.

    (45) Maer ongheluckigh ick verlies de tijdt en woorden,
Mijn slaep verslonden is van ’t ongherust ghemoet:

[fol. C4v, p. 24]
Terwijl ic aldus klaeg so duyckt de nacht nae ’t Noorden,
En
Aurora alree, den Hemel open doet.
    Ick gae om in te gaen, maer niet om te doen blijcken

(50) Wie dat ick ben, ick wil mijn mantel voor my slaen,
Maer laes ic werd’ gewaar, dat s’ al op my staen kijcken,
Sonder ontdeckt te zijn kan icker niet in gaen.
    ’K en vreesde niet voor my, ick brack een legher open,
Om treden in’t vertreck, dat oyt mijn lust verborgh,

(55) Maer siet ic vrees mijn vrou mocht dit met blaem bekoopen
Wiens rust ick duysent mael voor eyghen rust versorgh.
    Wat sal ick? wil ick gaen? wat soud’ ic anders maken,
Ick sie van langher handt den dagh op komen spoen,
Bedrieghelijcke hoop, gheluckigh zijn die smaken

(60) Een ander loon van liefd’, als quaet voor dienst te doen.


Sangh. Op de stem:
Ne vous offences Madame.

DIANIRA ick kent u wesen,
Trotst des Hemels Goden hoogh,
En u ooghen hoogh ghepresen
Trotsen ’t eenigh werelts oogh.
    (5) Lelien en Roosen t’samen
Op u wanghen zijn ghemenght,
En u vlechten ’t gout beschamen
Dat men uyt Milanen brenght.
    Ick beken ’t zijn groote krachten,
(10) Doch gheen wonder gheeft het mijn,
Dat sy niemandt t’onder brachten
Want sy niet ghewapent zijn.
    Hoogh en uytghenomen sinnen
’T herte dat de minne vliet,
(15) ’T wapen daer’t mee is te winnen
Is beleeftheyt, anders niet.
    Veele vrouwen die gheboren
Zijn gheweest van krachten slecht,
Hebben in het ziel bekoren
(20) Hier mee wonder uytgherecht.
    Die aen schoonheyt haer vergapen,
Of aen’t wesen hoogh gheacht,
Dunckt my dat haer sonder wapen
Laten winnen van de kracht.
    (25) Ghy versuurt uwe manieren
Met u trots en hoverdy,
Hoe veel d’ander gaven cieren
Alsoo veel ontcieren zy.
    Ghy moocht ander gaen vermaken
(30) Die soo schoon u selven vijndt,
IULIETTE doet my blaken
Die my veel volmaeckter schijnt.
    IULIETTE dunckt my waerdich
Datse mensch en Goden brandt,
(35) Die met haer beleeftheyt aerdich
Ciert haer edel heus verstandt.



[fol. D1r, p. 25]

Wijse: Tusschen hemel
ende aerden.

WAs ick niet berooft van sinnen
Doen ick Venus heb’ ghelooft,
Met het blinde kindt der Minne,
Dat alleen geen vryheyt rooft,
(5) Maer wanneert een hert doorwondt
Schijnt de ziel schier ongesondt.
    Suchten, duchten, clagen, treuren,
Weenen, steenen, druck, en rou,
Quam mijn sachten slaep versteuren,
(10) Tot verlusting van mijn Vrou,
Die veel duysent vreuchden soogh
Wt de smerten die ick droogh.
    Sy belachten al mijn leven,
En hiel met my doen de spot,
(15) Doch dat is haer nu vergeven,
Want ick weet, ick was soo sot,
Dat ick meende, Venus kindt
Was die’t alles hier verwint.
    Hoewel datmen op der aerden
(20) Dickmael leert met schae of schandt:
Schandt noch schae en openbaerden
My van liefd’ het recht verstandt,
Dat wanneermen d’oorsaeck schout,
Liefd’ wel self verwonnen houdt.
    (25) Wanhoop my de vryheyt teelde,
Vryheyt is mijn hooghste goet,
’T hert in’t lijf my danst van weelde,
Lust en vreucht in overvloet,
My de schoone vryheyt sendt,
(30) ’T sedert mijn liefd’ nam een endt.


Pastorelle, of Herder-Sangh.

Voys alst begint.

Coridon. GHy lodderlijcke Silvia
Hoe kijckt ghy dus rontommen?
S. Jae, Coridon ghy weet waer na
Vijf schapen zijn my nommen.

(5) C. Silvia kom, kijckt niet meer om,
’T verby sal niet weer kommen.

    S. Ja Coridon daer water was
Daer komt wel water weder,
Het rijpt op een oudt ysjen ras,

(10) De wulpse lust is teder:
Ey
Coridon, schuylt voor de Son,
En set u by my neder.
    C. Ey Silvia lockachtigh haer
Hoe kundy d’Herders vleyen,

(15) Ey siet ons schaepkens door malkaer
Dwalen in woeste weyen?

Silvia drae, let op u schae
Wie salse t’avondt scheyen?

    S. Ey sinnelijcke Coridon,
(20) Coridon soet van tale,
Ick wou dat ick soo vrijen kon.

C. Ghy jockt het al te male:
S. Coridon stil, ’t is doch u wil,
Dus laet de schaepkens dwalen.

    (25) C. Nu laetse dwalen gins en weer,
Wie soumen soo niet vanghen?
Wy dienen bey doch eenen Heer
Dach en weeck even langhe,

Silvias min, is Coninghin
(30) Daer d’Herders na verlanghen.
[fol. D1v, p. 26]
    S. Ghy Coridon met u ghedicht
Betovert d’Herderinnen,

    C. Ghy Silvia met u ghesicht
Betovert d’Herders sinnen,

    (35) S. Dat Coridon, Silvia won,
Waer soumen d’oorsaeck vinnen.

    C. Nu dertel Herderin betaelt
De schaepkens menichvuldich,
Die ghy my in de Lenten staelt.

    (40) S. Wel Herder onverduldich!
Herdertjen stout, niet al te bout,
Ick bleef u noch wat schuldich.
    Die
Coridon heel Spagnien gaf
En
Silvia Vranckrijcks kroone,
(45) Sy ruyldent om sijn Herders staf,
Hy om de bloeme schoone,
Waer meed’ hy wou, waer meed’ sy sou.
Hem kroonen, hy haer loonen.
    Mocht
Silvia, mocht Coridon
(50) Des Hemels loop bestueren,
Sy maeckten drie mael middaghs Son
In vier en twintich uren,

Silvia kom, morghen weer om,
Wie weet hoe langh ’t sal dueren.

    (55) S. ’T wordt laet besorghde Coridon,
Ey wilt ghy’t Vee niet scheyen?
    C. Ey schaepkens lief, ey spade Son,
Ey wilt een lutjen beyen.

    S. Ey Coridon, ’tschuyl voor de Son,
(60) Can u dat soo verleyen?
    C. De schaepkens aen der heyden spae
Sijn wisse wolven proye,
Gaet t’huys ghevoede schaepkens drae,
Gaet t’huys-waert ’t eender koye,

(65) Coridon blent, Silvia kent
Gheen ramken voor den oye.



Liedt op de wijse:

Sal nummermeer ghebeuren my, Dan na desen stondt.

                    Crisus.
HOe langh sal ick gheduldigh
Lijden en suchten mee,
Mijn traantjens menichvuldigh
Wtstorten tot een Zee,
(5) Och sal ick voor mijn sterven
Niet verwerven.
                    Dina.
    Mijn teer medooghent herte
U lijden is bekent,
En overgroote smerte,
(10) En wenst daar van een ent,
Ia hoopt op u verblijden
Voor het lijden.
                    Crisus.
    Sal ick o fleur der wijven
Fortuyns quaatwillicheyt,
(15) Of den tijdt dat toe schrijven,
[fol. D2r, p. 27]
Of mijn onwaardicheyt,
Dat ick met ’t bitter strijen
Niet bedije.
                    Dina.
    Mijn ouders heel t’onvrede,
(20) En die de oorsaeck zijn,
Mijn vrienden willen mede
Oock gants niet helpen mijn,
Daar teghen al mijn praten
Mach niet baten.
                    Crisus.
    (25) Laet ons lief stil vertrecken
Dan in een ander landt,
Tot spijt die met ons gecken,
Houdt daar, daar is mijn handt,
Ick sal u tot mijn Vrouwe
(30) Daar dan trouwen.
                    Dina.
    Ick vrees te seer ’tverbolgen
Mijns ouders sinnen quaat,
En oock het achtervolghen
Al op de versche daat,
(35) Dan souden wy veel plaghen
Moeten draghen.


Liedt op de stem.

HAd den Hemel niet bescheyden
Tot een vaste echt ons beyden,
Ick had mijn soo niet verstout
Uwe schoonheyt te beminnen,
(5) En u hertjen te gewinnen
Door mijn tranen menichfout.
    Droeve gheest wat raadt u saken,
Banghe hert wat sult ghy maken,
Levens cracht u heel ontvalt,
(10) Hebt ghy wel dees suyver vrouwe
Oyt bewesen valsch ontrouwe,
Neen mijn vrou, noch oock ’k en salt.
    Mach mijn onschult noch de reden
By u plaatse vinden mede
(15) Van mijn trou onnoselheyt,
Soo mach ick dan wel gaan doolen
In de berghen, bosschen, hoolen,
Leven daar in treuricheyt.
    Dese sullen mijn beschreyen,
(20) Oock mijn ongheluck verbreyen
Na mijn doodt noch menich Iaar,
Alsmen daar ’tgebeent siet legghen
Sal men van haer hooren segghen,
Dit is van die trou minnaar.
    (25) Adieu Princes wilt hier ontfanghen,
Dese clacht met natte wanghen
Voor u altaer uytgestort,
Soo veel vreucht en soet verblijen
Wensch ick u tot allen tijen,
(30) Als mijn siel ghepijnicht wort.



[fol. D2v, p. 28]

Liedt op de stem.

                    1
OCh voester van mijn leven, o puyck van onse jeucht,
Hoort nu eens aan, Hoort nu eens aan
Mijn klachtig droef en leedt vermaan,
Op dat mijn ziel mach troost ontfaan,

(5) En leven eens in vreucht.
                    2
    Gaan ick voorby u deure soo ghy daar neemt op acht,
Mijn ooghen siet, Mijn ooghen siet
Verdraeyen noch en wenden niet,
Voor dat s’ u vrou hebben bespiet,

(10) Mee draghend’ levens cracht.
                    3
    Ontmoetend’ u op strate alleen of met mijn tween,
Van schaemten haast, Van schaemten haast
Word ick heel root en soo verbaast
Dat ick daar door vergheet ten laast

(15) ’T ghedacht, en al mijn reen.
                    4
    Eer sal de Winter laten sijn haghel sneeu en kou,
Oock by gheval, Oock by gheval
De bosschen, velden, boomen al
Haar groene lof, eer ick dan sal

(20) Laten dees liefd’ o vrou.
                    5
    Ick bid u tot vergeldingh van mijn ghediensticheyt,
Ontfanght mijn dan, Ontfanght mijn dan
Tot een ghetrouwen dienaer an,
(Door enckel gonst uws herten) van,

(25) Uwe eerwaerdicheyt.


Chant, au moins, si so sit dire.

HOe werdy dus beloghen
O VENUS dertel kindt,
Ghy siet met hondert ooghen,
Nochtans men noemt u blindt:
(5) Maer seyd’ men, ghy waert doof,
Dat gaf ick best gheloof.
    Waer u ghesicht verbonden,
Ghelijck men valschlijck seyt,
Gh’en hadt my niet ghewonden,
(10) En dus als slaef gheleyt,
Ick waer al dit ghesucht
En oock u pijl ontvlucht.
    Doen ick my socht te schuylen
Tot onder d’aerd’ bykans
(15) In d’alderdiepste kuylen,
Soo vondt ghy my nochtans:
Hier bleeckt wel dat ghy siet,
Maer ghy en hoort gantsch niet.
    ’T zijn nu alree ses jaren
(20) Dat eerst mijn hert aen hief
Te roocken u altaren,
Op dat het u belief
Al ’t gheene dat ick ly
[fol. D3r, p. 29]
Mijn lief deelachtich zy.
    (25) Verhoort ghy dees mijn bede,
Soo loof ick u ghehoor,
En siet ick tuygh alreede
De heele werelt door,
Van u ghesichte klaer
(30) In desen nieuwen jaer.


Courante Serbande.

MI Alma brusle par ta grand beauté
Digo por qué moet ick zijn delaisse,
Ghy zijt por qué ick sterven sal,
E me laissé bederven al,
(5) Haga merced par voz beaux jeux,
Dat ick magh zijn comme les Dieux.
    Car de vos ojos blinct een so vlammich vyer
Quod consumit mon sang buyten manier,
Semper paratus endurer,
(10) Por que me pouves gheven weer,
Mijn liberta in groote vreught,
Ey prey jou doetet par jou deught.
    Brenght nu mijn
Vida, mijn alderliefste lief
Un bon remede contra desen dief,
(15) Er hatt hurtado mein plasier,
Me’ aviendo puesto in het vyer,
Tousjours je seray met ghequel,
Fac ut possum ghenesen wel.
    A Dios Vida ick lijde grand douleur
(20) Porque non quereys changer ton humeur?
Car vous Diane & Actaeon
Non quod d’amour nous changeron,
Brenght my (o lief in u secreet,
Ut quaerat ’tgheene dat men weet.


Op de stem:

Volez, petit archer droit a Madame.

WAt woelter in mijn hert en quelt mijn sinnen,
Wat woelter in mijn hert en quelt mijn sinnen,
Wat oorsaackt my mijn pijn en brandt van binnen,
’T is innerlijcke sieckt, of brandt van minnen.
    (5) Als ick te rusten meen by nacht of dagen,
Als ick te rusten &c.
In stee van slapen sacht moet ick stil clagen,
Tot dat soo overgaan de heetste vlagen.
    De bleecke dorre doodt moet t’mywaarts wenden,
(10) De bleecke &c.
En haast mijn jonge jeucht onvaylich enden,
Ten sy de Goden mijn haar hulpe senden.
    De kouwe natte traantiens ’t niet vercoelen
Die kouwe &c.
(15) Die uyt mijn oogen lancx mijn wangen spoelen,
Maar doen mijn bange ziel noch meerder woelen.
    Onlancx soo seyde mijn de schoonste vrouwe,
Onlancx soo &c.
Dat liefd’ mijn deedt dees pijn en groote rouwe,
(20) En dat ick goeden moedt en hoop sou houwen.
    Helpt dan o schoonste vrou en eel Goddinne
Helpt dan &c.
Dat ick verwerven mach en overwinnen
En dompen soo dees brandt van trouwe minne.



[fol. D3v, p. 30]

Courante Serbande.

ELacy elacy wat droefheyt comt mijn aen,
Mijn dunckt ick moet in desen brandt vergaan,
Ick voel een onghewoone smert,
Die noyt ghevoelt heeft een jongh hert,

(5) Vrees, anghst, benaeutheyt, druck en pijn,
Mijn dunckt ’t moet om mijn leven zijn.
    Ick placht te leven gherust in mijnen geest,

Cupidoos pijlen had ick noyt ghevreest,
Ick plach te leven altoos bly,

(10) Van fantaseren was ick vry,
In vreuchde passeerd’ ick mijnen tijt,
Maer ’t is verandert seer subijt.
    Ghy zijt mijn leven, maer laat my in ’t verdriet,
Ghy hoort mijn clagen maer ghy en acht my niet

(15) Is dit niet een natuere wreet,
Saturnus moet zijn u Planeet,
Waar in dat ghy gheboren zijt,
In plaats van liefde draaght ghy nijt.
    Wat wil ick claghen ist nu met mij ghedaan,

(20) Neen, neen, ick wilt noch eens beproeven gaan,
Of haar mijn clacht beweghen mocht,
Wat schaadt het oock noch eens versocht,
Al waar mijn hert gheheel verteert,
Misschien fortuyn sal zijn ghekeert.

    (25) Want ick aenmercke dat op der aerden wis
Gheen dingh soo vast ofte ghestadich is,
Men siet wanneer de Son opgaat
De Maan haar licht terstont verlaat,
Men siet veel dinghen vallen haast

(30) Die men voor eeuwich acht by naast.
    Hierom Princesse van u wreedtheyt afstaat,
Sachtmoedich uwen aart wesen laat,
Aansiet eens of ick dit verdien,
Want onghesien dat kan gheschien,

(35) Misschien of ghy sult hebben rou
Dat u dienaer leeft in benou.



Liedt, op de stem.

Amour a quite les cieus.

                        1
DAt mijn u liefd’ bevingh
Deed niet u braaf ghesingh,
Noch schoonheyt sonderlingh,
Veel min mijn vrou
(5) U fraeye ganck, spraack, taal en konst,
Noch groote staat, gheslacht en gonst.
                        2
    U seedich-wijs ghelaat,
En deftich kloecke praat
Van hoogh en leeghe staat:
(10) Maar boven al
U deucht en gheesticheyt gheviel
Tot dese liefd soo wel mijn ziel.
                        3
    En doen de groote Goon
Uyt haren hooghen throon
[fol. D4r, p. 31]
(15) In mijn ghemoet ontboon,
Ons echts besluyt,
Soo heb ick staach, ghetrou en vry,
U vrou ghemint, gherust, en bly.
                        4
    Ay glans van onse jeucht,
(20) Ay kroonster vande deucht,
En voester van ons vreucht,
Toont weder-liefd’
En vailicheyt, die u dus mint
En meerder als sijn ziel besint.
                        5
    (25) Weet ghy niet dat gh’ u tijt
Seer achteloos verslijt
Met al’t uytstel, respijt,
En acht niet op
Het achterclap en weder-raan,
(30) Want valscheyt ist, en quaat vermaan.
                        6
    Soo langh mijn ooghen staan,
Mijn beenen konnen gaen,
En tongh gheluyt kan slaan,
Soo blijf ick lief
(35) U dienaer, slaef, en trouwe knecht,
En in dees reyne liefd’ oprecht.


Op de stem:
Belle qui m’avez blessé; &c.

    SChoone die mijn hert en ziele heeft ghewont,
Door u ghesicht maack weer ghesont,
Eer dat mijn leven door droefheyt ende smert
Iongh afghehouwen wert.
    (5) Ziele van mijn ziel, Goddinne van mijn vreucht,
Waar toe verslijt ghy dus u jeucht,
Daar u u gaven van ’s Hemels schoonicheyt,
Raen tot bermherticheyt.
    Condt ghy mijn verbien te minnen u gesicht,
(10) Daar in mijn ziel besloten licht,
Al u afwijsen te nemen in den sin
Voor de weer-liefd’ en Min.
    Waerom acht ghy doch de hoogheyt alsoo seer,
De grootse pracht en yd’le eer,
(15) Dat ghy versmadet eenen die hem bevint,
Met deuchden, en u mint.
    Haat ghy dus u vriendt die boven al dat leeft,
U in sijn hert gebeeldet heeft
Wat doet ghy dan u vyandt die u haat,
(20) En toewenst alle quaat.
    Gunt mijn maar o vrou mijns levens onderhoudt,
Dat ick u eens, niet menichfout,
Mijn droeve klacht en innerlijcke rou,
Vertellen mach o vrou.



[fol. D4v, p. 32]

Op de voys van ’t Engels Siesken.

O Schoone Phoenix voochdesse van mijn ziel,
Voor wien ick gestadigh my buygend’ neder kniel,
Sint dat ic mijn ooghen, op u beroemtheyt sloegh,
            Helaes ontdroegh

(5) Ter schicht, ’t gesicht, ’t herts vryheyt vry, terstont van my,
Het welck by dy, in slavernij, sich willich hem verplicht.
    Mijn borst geplondert wert door u schoonheyts vlam,
Als uyt u ooghen de Min gheblixemt quam,
Door ’t bloedt verkrompen de verwe my ontweeck,

            (10) Mijn tongh besweeck,
De reen, alleen, behielt ick maer, dees kracht in haer,
Te uyten swaer, mijn ramp spoet daer, ic steedts in werd bestreen.
    Met droeve stemme verheven van gheluyt
Drangh my het suchten ten banghe bosem uyt,

(15) Het klaghen vloogh in d’ooren van mijn vrou,
            Beweeght met rou
Soo wert, haer hert, dus sy my set, door mijn ghebet
Een soeter wet, en heeft ghelet, op al mijn wreede smerte.
    ’T ghemoet weerstreefde teghens der minne bandt

(20) Die diep ghedoocken sat in mijn inghewandt,
Dus te laet gewapent ic met het harrenas, van reden was
Hier door, ick koor, u dienst en sal, mijn euws ghetal,
U stadigh al, zijn te gheval, soo ick u bij eede swoor.
    Lof o Princesse ’t leet ick om u besuyr,

(25) Werdt weder ghesalft door goetheyt der natuyr,
Met u lieve jonste die minnelijck tot my vloeyt,
            En my ontboeyt
Wt ’t juck, vol druck, dus u persoon, verdient tot loon,
Een Lauren kroon, dat ghy o schoon, my gunt soo groot gheluck.


                                                        Deughd verwint.


Stemme: La Durette.

MYn hert laet vryheyt varen,
’T beschermen is te laet
Want ten mach u doen gheen baet,
Het soud’ mijn pijn beswaren,
(5) En oock mijn straffe fel
Door die mijn doet dit ghequel.
    Niemandt sonder sijn schade
Die Goden oyt aensach,
Alsoo doen ick mijn gheklach
(10) Door ’tghesichte beladen
Van mijn liefs schoonheyt wreet
Komt mijn nu alleen dit leet.
    Yemandt door blixems slaghen
Somtijdts beschadicht werdt,
(15) Ende is verbaest in ’t hert
Als die niet kan verdraghen
Het groote Hemels licht,
Soo straelt op mijn haer gesicht.
    Haer keeltjen claer om singhen
(20) Veel soeter is ghestelt
Als des Nachtegaels op’t velt,
Om d’herten te doordringhen
Met lieffelijck accoort
[fol. E1r, p. 33]
Van een yder die het hoort.
    (25) Als ick u deuchden poghe
Te schrijven altemet,
Liefjen hier doch eens op let,
Soo vind’ ick mijn bedroghen,
En prijs u altijdt min
(30) Als ghy waert zijt in mijn sin.
    Ghy Prince van hier boven
My dees Princesse gheeft,
Die om haer te dienen leeft,
Op dat ick u mach loven
(35) En dancken vroech en laet,
Tot spijt der benijders quaet.


Op de stemme:

Est ce Mars le grand Dieu.

HEt Venus kindt door sijn loose treken
                Heeft geraeckt
Een die met minne noyt was onsteken,
                ’T hert nu blaeckt,
(5) En nu siet, ’tgroot gebiedt
Hy in de werelt stelt, door sijn gewelt.

    Men hoort van liefd’ de Coningen rasen
[fol. E1v, p. 34]
                Op der aerd’
En doet de Goden loopen als dwasen,
                (10) Wijs vermaert:
Iupiter, selfs van ver
Comt uyt den Hemel hier, door ’t wichts bestier.

    Dit boefjen wist sijn boochjen te trecken
                Alsoo snel,
(15) Waer door het Pluto ginck selfs begecken
                In de Hel,
Heeft sijn hert, soo verwert
Dat die in’t gloeyend’ sweeft, heel vlammich beeft.

    ’T gevogelt doet hy seer geylich quelen
                (20) In de Mey,
En in het water de visjens telen
                Veelderley,
In het wout, oock seer stout
Temt al het wildt gediert, ongemaniert.

    (25) Stoutelijck gaet hy dan nedervellen
                Dat hier leeft,
Noch doet hy minnelijck na hem hellen
                ’T geen d’aerd’ geeft:
Als hy stil, micken wil
(30) Na die ick heb besint, dan is hy blindt.

Princesse ghy die vereenigen kent
                D’herten haest,
Cupido listelijck eens neder sent
                Onverbaest,
(35) Opent noch, sijn ooghen doch,
Op dat hy klaerder schiet, die ’t hert ghebiet.


BRUYLOFTS-GIFT,

Eensdeels ’t lieflijcke gast-mael
Platonis na-ghebootst.

IN ouder eeuwen langh voor veele duysent jaren
Ter werelt driederley ghestalt van Menschen waren:
Te weten, Man en Wijf, oock alle-bey te saam,
Die by ons maar bekent alleen zijn met de naam.

(5) Dit volck, dit vreemde volck, (soo de Poëten schrijven)
Had dubb’le hoofden, en vier voeten met twee lijven,
En handen twee-mael twee, en ooghen oock soo veel,
Van alle leden had een yder dubbel deel.
Dit seltsaam Schepsel rondt was ruggelingh gewassen

(10) Aan een heel wonderbaar, gantsch sonder naad of lassen,
Dit monster ronde volck dat pratten met haar macht
Van Sayelinghen kloeck en wonderlijck van dracht,
Die ’tbange Aarden-creyts een groot schrick an joegen;
De Hemel trilde self, de Hel had gheen ghenoeghen

(15) Aan dit wanschapen goet, van dubbelt klem en geest,
Want onlangh was te voor
Iupijn bestoockt gheweest
Van het verwaant gheslacht der Reusen grof en groot,
Die ’t oorlogh eynde met haar schandelijcke doot.
    Den Opper-hemel-voocht heeft in der ijl ontboden

(20) Sijn mind’re, niet te min, aensienelijcke Goden:
In sijn besonden saal quam
Mars fel en verwoedt
En lickten van sijn swaart het glibberighe bloedt,
Om dattet in de schee soud’ uytslaan noch verroesten:
Sijn ooghen branden om te moorden en verwoesten.

(25) Neptunus met sijn verck, en Liber met gheweer,
Hercules met zijn knods, en Pallas met haar speer,
Apollo dicht bestuwt met neghen sijn Godinnen
[fol. E2r, p. 35]
Tradt met dit selschap voort ter gulden Camer inne:
De gheestighe
Vulcaan’ met sijn verlemde voet
(30) Quam hinckepincken an en roock van roock en roet,
En sijn verschroockte borst van anghsten dapper trilden,
Hy meenden datmen weer den Hemel stormen wilden,
Hy droppelde van vrees dat naare koude sweet,
De Goden gantsch verhit gheraackten voeghlijck ’t seet:

(35) En kort daar op, Iupijn is in sijn Throon ghesteeghen,
Dies tot erkentenis sy al eerbiedigh neeghen.
Drie-maal zo hemden hy, versetten sich drie-maal;
En inde leste schick doen sweech de gantsche saal.
    Ghy Hemel-Vorsten, ghy onsterffelijcke scharen,

(40) Van eeuwich-duurend’ zaat; d’oorsaack van dit vergaren
Is groote swaricheyt, die ick met reden maack,
En roep u rijpen raadt in dese sware saack.
De Mensch, de dubb’len Mensch van sinnenen gedachten,
Van preutscher herten, wert stoutmoedig op sijn krachten.

(45) Sy dwinghen ’tAardtrijck vast, sy kruycen vast de Zee,
Sy driesschen vast de Hel, ja selfs den Hemel mee;
Soo wy haer opset stout niet breydelen en knuesen,
Sal’t argher gaan met hun als met de fortse Ruesen.
Ghy Helden hoogh verlicht, almachtigh int bestaan,

(50) Wat middel dunckt u best in dese saack ghedaan?
    De hoofden gingen t’saam, ’t ging op een ondervragen,
Op redeneeren en op wijsselijck raadtslaghen:
Het meerderdeel heeft nut en noodigh oock gheacht,
Men soude roeyen uyt het Menschelijck gheslacht.

(55) Het vonnis wierdt beweert, met dat sy inne brachten,
Soo hebben wy van haar geen muytery te wachten.
De schrandere Mercur’ loos van begrijp en sin
Weerhield dit oordeel strengh:
Iupijn viel daar op in.
Heylighe Princen, houdt; de Goddelijcke wetten

(60) Vereysschen groot ghesicht om op elck punct te letten:
Merckt: doody nu den Mensch (gelijck ghy-lien besluyt)
Soo is al onsen lof en al de Gods-dienst uyt.
Ick heb ghedacht, en sal (doch met u wel ghelieven)
Den drijsten dubb’len Mensch verenckelen en klieven,
(65) Soo werdt het off’ren meer, en minder hare kracht:
Dit wiert stracx goet gekent, geboden, voort volbracht.
Daar stont den openMensch van sijn weerhelft gescheyden,

Prometheus met een naald de rugh weer t’samen nayden,
Herstellende het hooft en alle dingh beknopt,

(70) En heeft een blakend’ vuyr voort in de borst ghestopt.
Daar was een woest ghesnor, men sach van blijdtschap weenen,
Elck socht (ghelijck als nu) op’t naaste te vereenen:
Sy seyden onderlingh wy willen wesen stil,
En niet weer-streven meer den Donder-man sijn wil,

(75) Hy mocht ons anderwerf smaldeelen en door-kloven,
Of met sijn blixem snel dit soete leven roven.
Sy juchten voort van vreuchd’ sy hippelden om strijdt,

Hermaphroditi volck dat was te wonder blijdt,
Als’t aan een ander quam te paren en te echten,

(80) Dees comen noch als voor gheheellelijck ten rechten.
    Ick heb des wetenschap uyt
Venus boeck ghehaalt,
Om dat ghy weten soudt van wien ghy zijt ghedaalt:
    Brandende Bruydegom uyt dit gheslacht ghesproten,
Van d’Hemel met gheluck begifticht en begoten,

(85) Siet hier u lieve helft, siet hier de schoone ziel,
Siet hier u suyv’re Bruydt die u soo wel beviel:
Siet daar u lieve helft die barst van vuyr’ghe voncken,
Sy brandt en blinct van Min, haar oogenzijn beschoncken:
Sy voelt dat levend’ vuyr vast krieuw’len in haar borst,

(90) Sy wenscht en snackt om u, o! die het segghen dorst.
Blakende Bruydegom dit vuyr dat deed’ u jachten,
En wenschen om u Lief die leyder-langhe nachten.
Hoe menichmaal, helas! ghevoelden ghy de smert,
De soete prickelingh in u ghesaaghde hert?

[fol. E2v, p. 36]
(95) Hoe menichmaal, helas! en wist ghy wat u deerden,
Of wat u lusten, ach! veel min wat ghy begeerden?
Hoe menichmaal, helas! ghetuychden u ghemoedt
De lieffelijcke smert door ’t wandelen van’t bloedt?
O pijnelose pijn! beulinne der verstanden,

(100) Hoe dicmaal deed’ ghy ’t hert van Trijntjen Stanssen branden?
Hoe dickmaals branden sy van Maaghdelijcke schaamt
Als
Wynant Bartelszoon sijn naam maar wiert ghenaamt?
Hoe dickmaals woud’ sy niet bekennen noch belijen
Haar heymelijcke Min, en stille vrijerijen.

(105) Hoe dus? Vrou-Bruyt, hoe dus verwondert en ontstelt?
Wien my u suyv’re jonst soo levend’ heeft vertelt,
En d’eyghenschappen van u swijghende verlanghen?
(Daar wassen Rosen aan haar silver-witte wanghen)
Dat kleyne knuebesie dat steedts sijn Moeder vleyt,

(110) Dat heeftet my al stil soo eyghentlijck gheseyt.
Vierighe Bruydegom, en siedy niet het loncken
Dat onder ’t prijcken u soo minlijck werdt gheschoncken?
By vlaghen snapter oock een hong’rich suchtjen uyt:
Nu weyd dijn ooghen in schoonheyt van de Bruydt.

(115) Siet haar verweende ziel verciert met goede seden,
Hoe lieflijck vloeyt haer mondt van aanghename reden.
O deuchden sonder tal! o wel-gheschapen Maaght!
Die op u waardich hooft de Kroon der eeren draaght.
Bemint u Bruydegom met ware liefd’ en trouwe,

(120) Hy sal u neffens Godt in hoogher achtingh houwen.
Be-leeft het gheen ghy weet, en doet soo ghy behoort.
Lieft God, u lief, en elck, dit is Gods eyghen woort.
Ick wensch u dat ghy wenscht, dat wenschbaar is te wenschen,
Gherustheydt van ghemoedt, en vrede met de Menschen.

    (125) Wel Rijmer wat is dit, zydy verrockt of sot?
Eerst meldy van de Goon, nu spreect ghy weer van Godt.
Sacht;
Argus wickt u werc: mijn gunst heeft my verleyt:
Ick ben Poëet noch Klerck, ick bruyck mijn vryicheyt,
    Schoone Speel-maaghden wilt een weynich opwaert rijsen,

(130) Ghelieftet u de Bruydt die heusheyt te bewijsen?
Denckt by u eyghen hert, en is het noch gheen tijdt
Dat sy begheeft haer tot die minnelijcken strijdt,
Die soete lieve strijdt van ’t lieffelijck versamen.
Nu Bruydegom gaet aan, vereenicht u lichamen:

(135) De deelen die soo langh verscheyden zijn gheweest.
Helas! de Bruydt verbleeckt, hoe nu? zydy bevreest
Om sotte klapperny oft malle vollicx praten,
Dat ghy u Maaghdom daer te pandt sult moeten laten?
Wat dat de Maaghdom is dat heb ick noyt verstaan:

(140) Ist Vis, of Vleys, of niet? ick gis het is een waan.
Het is dan wat het is: soudy u lieve leven
U waarde Bruydegom niet wel op woecker gheven?
Wat vreesdy voor een dingh dat niemandt heeft ghesien,
Noch selfs ’t waanwijse volck en spitsinnighe Lien,

(145) Die met de vreemde kunst van nieu-ghevonden brillen
Door Hemels driemael drie doorsichtich kijcken willen?
En tellen op haer duym de fackels die daar staan,
Of hoe veel werelden daar legghen in de Maan?
Of hoe-men op een prick met tal van graden meten,

(150) Der ronder Sterren loop, of grootheyt der Planeten.
Gheeft uwen Bruydegom nu uwen Maaghdom dan,
Die van een Maaghd alleen veel Maaghdenmaken kan.
    Siet daar
Aurora selfs bedoven in de Roosen
Stuyft uyt het pluymich bed, en laat den liefde-loosen

(155) Titon: sy spant, sy spaant de roode Paarden in:
Siet daar vrou
Venus Koets met Anteros en Min
Die in het Bruylofts bed u komste gaan verbeyden.
Suyv’re Speel-maagden wilt de Bruydt te bedde leyden:
Ghy Speel-knechts danst noch eens op Bruydegoms begheert,

[fol. E3r, p. 37]
(160) En draaght haar binnen soo de flaauwe Bruydt haar weert.
Speelnootjes staat wat af, en wilt met ons niet kijven,
Voor ’t leven van de Bruydt wil ick wel borghe blijven.
De Bruydegom die gaat nu in sijn soete doodt,
Daar ’t graf sal wesen, ach! sijn lieve liefjes schoot:

(165) Och mochten wy ghelijck oock sulcken endt verwerven,
Hoe willich souden wy die soete doodt gaan sterven?
Vaart wel gheluckich paar, gheluckich recht gheacht,
De eyndeloose liefd’ versel u dagh en nacht.
O heyl’ge
Eendracht! komt met Goddelijcke vrede,
(170) En salicht desen stant van eeuw tot eeuwicheden.
Ghelieven denckt op ons wanneer het u wel gaat,
En komt ons morghen by, doch in een ander staat:
Siet daar den bruyloft-Vorst, den geneuchlijcken
Hymen,
Laat ons (ghelijck als hy) wat boerten, singhen, rijmen.

                                                                G.A. Bredero.


BRUYLOFTS-LIEDT,

Op de wijse:

Sal ick noch langh met heete tranen, etc.

Ghy wack’re Nimphjens en Dryaden,
Raept bloemtjens die hier Flora stroyt
Siet Bacchus schut sijn wijngaart bladen,
Hy clucht, hy singt, hy springt, hy poyt.
(5) Io, jo, Poean jo,, jo, Poean, jo,
Io, jo, Poean jo,
roept Hymen vrolijck uyt:
En huwt de sang aan sijn luchtige Luyt.
    Waer zydy nu, ghy Nuery-dillen
Die menichmael uyt jonsten quaamt,
(10) Dit schreyend’ Wicht met singen stillen,
En steel-wijs uyt het wiechje naamt,
Met deuntjens soet, wel slecht, maer goet,
Met deuntjens soet, van ’tsuye nani pop,
Heft nu u stem tot hooger stoffen op.
    (15) De liefdekens die zijn gecomen
Met haer bevallijck schoon cieraet,
En hebben haer woonstee ghenomen
In’t vriendelijcke soet ghelaet,
Van onse Bruydt, met deuchds vertuyt,
(20) Van onse Bruydt, die wijllen was een kint
Die werdt nu van den Goden selfs bemint.
    Heylige liefde groot van waarden,
U oogen op dees lieven slaat:
Sackt neder op de logge aarde,
(25) En vesticht desen echten-staat,
Dats an haar disch, soo goet als fris
Dats an haer disch kints kindren mogen sien,
Laat haaren wensch en d’onse oock geschien.
                        PRINCE.
    Ghy Vorst des lichts, en Heer der Heeren
(30) Maackt dat de liefde stadich bloeyt,
Wilt tweedracht, twist, van haar af keeren,
Waar door dat alle sonde groeyt,
O Vader goet, u wille doet,
O Vader goet, die goede gaven geeft,
(35) Maackt dat dit paar na dijn geboden leeft.

                                        G.A. Bredero,

                                                ’tKan verkeeren.


[fol. E3v, p. 38]

Op de stemme:

Verdedighende Godt.

ONlancx heb ick belacht
VENUS en haer kindts kracht,
Seer vrolijck en bly,
Seer vrolijck en bly, Seer vrolijck, &c.
(5) Maer nu, seer schu
Ben ick door haer in liefdens slaverny.
    Sy streden met haer tween
Teghens my die was alleen,
’T was een stout bestaen,
(10) ’T was een stout, &c. ’t was een, &c.
Een daedt, seer quaedt
Om met de Goden in den strijdt te gaen.
    Als een Krighs-man fel
Was ick gheharnast wel,
(15) En bleef onghequetst,
En bleef, &c. En bleef, &c.
Soo langh, seer strangh,
CUPIDO in mijn self vloog op het lest.
    Al met sijn pijl en boogh
(20) Hy tot aen ’t herte vloogh,
En stichten een brandt,
En stichten, &c. En stichten, &c.
Seer groot, ’t was noot
Om hulp te roepen, want ick lagh int sant.
    (25) Ick smeet van mijn ’tgheweer,
Want hulp socht ick veel meer
Van een schoone Ionckvrou,
Van een schoone, &c. Van een, &c.
Wiens kracht, heeft* macht,
(30) Mijn weerpartij te brenghen in den rou.
    Niemandt ter werelt wijdt
Kan winnen desen strijdt,
Dan de liefste ydoon,
Dan de liefste, &c. Dan de, &c.
(35) Soo sy bly, nu van my,
Tot melijen beweeght wort van mijn persoon.
    Daerom Princes eerbaer,
Wilt helpen u dienaer,
En laet doch subijt,
(40) En laet doch subijt, En laet doch, &c.
Mijn vrou, dees trou
Van vriendtschap zijn, tot der vyanden spot.



[fol. E4r, p. 39]

Voys: Elaes Amour.

THetis ghy zijt al te schuw,
Al u vechten en verweeren
Tergen my veel meer om u,
Schoone vruchten te begeeren,

(5) Waerom doedy dan soo noo
’T gheen den Hemel wil alsoo.
    Al de listen die ghy doet
Om mijn vlammen uyt te blasen:
Siet, het is al nieuwe gloet

(20) Die mijn sinnen meer doen rasen,
Niemant kan doch niet ontgaen
’T gheen de Goden soo verstaen.
    Na mijn oogh u heeft ghesien,
Na mijn mondt u lipkens kusten,

(25) Waerom soeckt ghy my t’ontvlien,
’T schijnt mijn lijden moet u lusten,
Hoe wel dat mijn eerste min
Met gheboorte nam begin.
    Maer ’k hoop dat de groote pijn

(20) Die u strafheyt my kan baren
Sal mijn vreucht doen grooter zijn
Als ghy goedertieren garen,
Kennis neemt dat al mijn hoop
Oorspronck krijght van ’sHemels loop.

    (25) Schaemt u niet te zijn beweeght,
Van die al u schoonheyts gaven
Hoogh tot in den Hemel dreeght,
Al sijn hertseer en sijn slaven,
Berghen, rotsen schier verset

(30) Thetis gaen wy vry nae ’t bedt.


Op de stemme.

’t Ruysende beeckjen, &c.


ONlangh vroegh in’t morghen root,
Tusschen het flickrigh daghen,
Porde mijn lust tot jaghen,
Wanneer AURORAS sael ontsloot
(5) En dat de gulden waghen
Werdt aen ’t gareel gheslaghen:
Op ’t rislijck ghehoor
Beliep ick het spoor,
Maer ’t Wichjens vermoor
(10) My juyst quam te voor,
Dat ick steedts hier door
Moet aen mijn oorsprongh klaghen.

[fol. E4v, p. 40]
    Achter een duynjens in het lis
Sach ick wat wreemlich woelen,
(15) Snuyflen in sijn krioelen:
Dies ick met aenvangh buyten gis
Meende mijn lust te koelen
In reyn DIANAAS doelen,
Maer ick vondt my verraen,
(20) In het komen aen
Soo sach ick daer staen
Snoo vrou VENUS haen,
Die mijn droef ghetraen
Meer onlust deed’ ghevoelen.

    (25) ’Twipten int gras en ’t nam sijn pijl
Haestelijck vast in handen,
Waer van mijn vreucht ontlanden
Begrenst, bemuert, al metter ijl
Smoockten mijn ziel in branden,
(30) Onrust quam my op stranden,
Het loech om mijn smert,
Als ick bleef verwert,
Beklemt in mijn hert,
Onghevoelich ghetert,
(35) ’T vlugghe boefjen vert
Vloogh wegh en liet my branden.

    Beweeght door dees geschoten borst
Schrickt my niet met u vluchten,
Loont my met weer-liefds vruchten,
(40) Die dickwils nae u NECTAR dorst
Met diep-gheladen suchten,
Spijst die eens met ghenuchten,
Ick leef op u ghenae,
Ey mijn soetertjen drae
(45) Verrijck weer mijn schae
Met het woordeken, jae:
Lust u lief ick stae
En wacht naer loons gheruchten.

    Gout ghehelmde schoon Princes
(50) Laet my niet heyloos sweven,
Noch in ’t vyer gloeyend sneven,
Al ghebiedtster, mijn voochdes,
Op quickster van mijn leven,
Siet wat hier is bedreven,
(55) Een tockelich leet
Met anghst ende wreet,
Ick swem in mijn sweet,
Sanctin dat ghy ’t weet,
Lief vaert wel, vergeet
(60) Gheen troost u slaef te gheven.



[fol. F1r, p. 41]
[Gravure]

Asteur sei tanto gratiosa.

DEn Hemel wil ghetuygen,
De lichte Maen met al haer gulde sterren,
Hoe wy ons herten buyghen,
Voor ’tlicht dat staech ons sinnen kan verwarren,

(5) Wy roepen al, met bly geschal, de Mey is ons verscheenen,
Die ons uyt minne, dees groote Coninginne
Komt verleenen.
    Hoe kan het landt en d’aerde
Met kruyt, met wijn, met loof, of bloemen croonen,

(10) Ten waer haer dees alwaerde
Met nieuwe kracht en stralen quam verschoonen:
Dit aenghesicht, geeft glans en licht, aen
Phoebus gulde ooghen,
Ons goedertieren, Goddinne die wy vieren
Naer vermoghen.

    (15) Maer wast haer wel behaghen,
Den stranghen winter ende coude reghen
Van al ons droeve daghen
Verdweenen en verlichten door haer seghen,
Wanneer sy lacht, ter middernacht, begint de Son te schijnen,

(20) De banghe herten, en dencken noch aen smerten
Noch aen pijnen.
    De vlugghe voghels quelen
Wanneer sy veldt of weghen gaen betreden.
De sachte winden spelen,

(25) Het woudt verciert thien-duysent dertelheden,
De weyden ’t vee, de dulle Zee, de vischen in de stromen
Vernieuwen ’t leven, het acht haer al even
Wel ghecomen.
    Dees Mey sal altijdt dueren,

[fol. F1v, p. 42]
(30) Hooch-draghend’ volck comt offert u ghedachten,
Hier schijnen jaren uyren,
Hier hebt ghy niet als somer te verwachten,
Dees vlechten blont, dees morghen-stont, dees lipkens root als roosen,
Dit zijn de kaken, die altoos Lenten maken

(35) Met haer bloosen.


Stem.    Schoon lief wilt my
troost gheven.

Sint dat ghy mijn ghedachten
Seer vriendelijck verkrachten,
Soo loos ick sucht op sucht,
Een onghewoone smerte
(5) Bekommert staegh mijn herte,
Terwijl ick hoop en ducht.
    Ick hoop u Hemels wesen
De wonden sal ghenesen
Die ’t selve heeft ghemaeckt,
(10) Door u beleefde seden
En minnelijcke reden
Daer ghy mee zijt bespraeckt.
    Ick ducht ter ander sijden
Dat mijn ellendich lijden
(15) U niet beweghen sal,
Daerom soeck ick te decken
’T geen dat ick doe verwecken
In allerley gheval.
’T is buyten mijn vermoghen
(20) Want mijn verliefde ooghen
Sien altijdt na u deur,
Daer leyt mijn ziel begraven
Dits mijn behouden haven,
Hier leyt mijn ancker veur.
    (25) Seght eens, en seght Goddinne
Of by gheval u minne
Op yemandt waer gheleyt,
Woudt ghy niet insghelijcken
Dat hy u liefd deed blijcken
(30) Tot ware danckbaerheyt?
    Indien ghy’t soudt begeeren,
Laet u mijn suchten deeren,
En draecht mijn wederliefd,
Soo werdt mijn heyl ghekreten,
(35) En ick soud salich heten,
Om dat ghy my verhieft.



[fol. F2r, p. 43]

Au moins, si possi dire.

WAt baet dat u Coralen
Met Paerlen zijn gheciert,
En dat als gulden stralen
U hayr sijn glans versiert,

(5) Dewijl u schoon ghesicht,
In niemants oogh en light.
    Weet ghy niet dat de Goden
Een yder sijnen tijt
Wel te ghebruycken noden,

(10) Dies ghy ghesonden zijt
U schoone jonghe jeucht.
T’ghebruycken nu ghy meucht.
    Want schoonheyt slacht de Sonne
Die ’smorghens vroegh op staet,

(15) En ’smiddaghs komt gheronnen
Tot in sijn hooghsten graet,
Des avondts daelt hy neer
Tot onder d’aerde weer.
    Meent ghy niet dat de vrouwen

(20) Door al te grooten keur
Dick ’t snootst voor ’t beste houwen,
Soo’t valt wel dick te beur
Die door te hooghen pracht
Met yder spot en lacht.

    (25) Die al te hoogh wil vlieghen
Sijn vleughels wel verbrandt.
Goetdunckenheyts bedrieghen
Brenght menich mensch in schandt,
Goddin siet toe, siet toe
(30) Neemt mijn vermaen in’t goe.



Dubble Narcis.

MYn vrouwe bood my twee Narcissen op een stam.
Narcis, door eyghen liefd’, in doodts benauwen quam,
En wy door eygen liefd’, doodts dreygementen missen.
Elck onser, ander lieft, en ander is al een,
(5) So dat sich selve mint elck dubbelt van ons tween,
    En zijn op eenen stam gewassen twee Narcissen.
Maer hem, by feyl van gae, moordt enckel eyghen Min,
Dus comt door wedergae verdubbelt leven in,
    Den strenghsten knoop, die Liefd’ en Minne konnen splissen.



[fol. F2v, p. 44]

Bruylofts-ghedicht.

COrts als de vaack en slaap mijn oogen sacht bestreden,
Bestormden sy mijn hert, bestormden sy mijn leden,
Mijn slappe lichaem liet sijn ampteren bevreest.
Als my de vaack verwan, vervloogh mijn vlugge geest,

(5) Recht als de Toover-riem de Collen doet verscheppen,
Die vlieghen in de schijn, en ’t doode lijf niet reppen.
Soo lach mijn aardtsche-block, soo lach mijn laffe romp
Onweerbaer, af-gheslooft, verstandeloos en plomp.
    Een labber-koele-windt die heeft mijn geest gheheven

(10) Van d’aarde flucks omhoogh, en door de Lucht gedreven
Tot in de hooghste plaats, tot in de hooghste tip,
Van waar ick over-sach t’onmetelijck begrip,
Van waar ick over-sach den grooten Raadt der Goden,
Die juyst op dese tijdt daar waren t’saam ontboden.

(15) Een yeder heeft sich in sijn seetel neer-gheset,
Sy keurden daar een keur, sy stemden daar en wet,
Een lieffelijcke wet, dat al de Dochters souwen
De eerbaar Jongmans reyn vry vriendelijc aenschouwen,
En wie uyt bellich-steckt dat weygherde te doen,

(20) Die souw dat boeten of ten minsten met een soen.
Wie op een goede vraagh antwoorde dreuts of koentjes,
Die mocht dat koopen af met vijf en twintich soentjes.
    De Goden hielden dit den mensch te wesen nut,
Op dat voor alle twist sy souden zijn beschut,

(25) En dooden soo door liefd’ het nijdich fel vergrimmen.
    Cupido ’t kleene wicht gingh op een heuvel klimmen,
Met Boogh en Koker vol van Pijlen hert verstaalt,
Die hy eerst van de Smits nieuws-gierigh had gehaalt.
Gheeft lust (sprack hy, o Goon!) gh’hebt recht in u ghesetten,

(30) Maar reden ist dat ghy voldoet u eyghen wetten.
Sy deunden met het Kindt, en namen’t niet in’t goedt,
Dat Venus haren Soon soo stout had opghevoedt.
    Dit speet hem euvel seer, hy nam een van sijn pijlen,
Die hy op voordeel had drie-cantich laten vijlen,

(35) Hy sleep het vinnich punt, en leydse op sijn boogh,
Die door sijn stijve treck hem snorrende ontvloogh,
Tot in Jupijn sijn borst, daerse vast schuddend’lilden,
Sijn wel-ghetroffen hert stondt als de pijl en trilden.
Hy voelden in sijn ziel een jeuckerighe pijn,
(40) Die maar van Juno kost alleen ghenesen zijn.

    De jeugdelijcke God (begaaft met’t licht der Sonnen,
Die Python ’t ysselijck serpent had overwonnen)
Drangh door de dichte schaar, tradt met een trotse tredt,
En heeft sijn grootsche gangh na Cupido gheset.

(45) (Hy sprack:) douw Hoeren-soon, gheeft hier dijn gulde boghen,
Dijn handen zijn te weeck, te kindts is dijn vermoghen,
Soo groote gaven zijn aan dy doch niet besteedt,
Ick hebbe klem en kunst die die te hand’len weet.
    Cupido nam sijn wraack, van’t smadelijck verachten,

(50) Twee pijlen scherp en spits, doch van verscheyden krachten,
De een ontstack de Min wie hy daar mede schoot,
De ander wien hy trof de Min met anghsten vloot.
De Jonghen sprack, wel-aan, ghy sult tot voor-beeldt strecken,
Der ghener die met mijn, of met de kleyne gecken,

(55) Met schoot hy d’eerste pijl in Phoebus herte diep,
Maar Daphne kreegh de schicht die voor de Minne liep.
Hy moes-janct, klaagt en bidt, die eerst so dapper swetste.
Soo haast Cupido kleyn den braven Schuttter quetste,
Sandt hy een heeten straal na Pluto bles en grijs,

(60) Die zijnde gantsch verdooft, sich elck een waant te wijs.
Het oud’verkleumde bloed en kost dit niet verdraghen,
Hy socht door’t eene vyer het ander te verjaghen.

[fol. F3r, p. 45]
Hy woelden te vergheefs, hy woelden al om niet,
Tot Proserpina quam hem blusschen sijn verdriet.

(65) De grillighe Neptun’ Cupidoos Toortsen puften,
Hy spotten met de Goon dat sy soo schielijck suften.
Maar desen snorcker stracks oock klaagden van een wee,
Die hy niet lesschen con met water van de Zee.
Hy dompelde sijn hooft, hy is gheheel ghedoocken,

(70) Sijn brandt de koude vloedt deed’preutelende koocken.
    Dewijl dat dit gheschach, soo gluerden over dwars
Den fortsen Wapen-Heer, den strengen Strijdt-God Mars.
Maar als Vrou-Venus hem eens lieffelijck belonckte,
Sijn Krijghs-bloedt-dorstigh hert vlam-vyerigh hem ontvonckte.

(75) De lacchende Goddin, als sy vermerckte dit,
Bewees hem meerder jonst als haar beroockte Smit.
De sachte Venus door de Troetel-kunst verkeerde
De handen die wel eer de Worstel-grepen leerde.
De handen die wel eer dobberden in het bloet,

(80) Die kreghen doen de weet van’t minne-stoocken soet.
De Moeder naar haar Kint, de Moeder naar haar sluyertje,
Blindthockte so sijn hooft, en sandt hem om een kupertje.
Doe schoot hy blindelingh sijn pijlen in den hoop,
Daar baten niemants vlucht, daar baten niemants loop.

(85) Wat wasser een krioel, men snobbelde, men kusten,
Den Diamanten Saal die brande van de lusten.
Het was my daar te heet, ja dat ick door de vlam
Beangst en wel verhetst weer tot myselven quam.
    Cupido riep my na met vriendelijcke woorden,

(90) Die’k tuymelende naeu, maar dit nochtans wel hoorden.
    Segt uwen Bruyd’gom doch, dat hy sijnlieve Bruydt
Mijn Moeders Wonder-boeck heel naacktelijc beduydt.
En segt de nieuwe Bruydt dat sy nu moet begheven
Den Maaghdelijcken staat om een veel soeter leven.

(95) Hy sprack, ick coom beneen, met daalden hy seer licht
In’t lieffelijck gheslacht haar minnelijck ghesicht.
Nu Bruydegom siet op, siet op’t loer-ooghend glueren,
Die steel-wijs u de Bruydt soo heymelijck gaat stueren.
Siet hoe de suyv’re Maaghd met schaamte sit en prijckt

(100) Haar held’re schoonheyt nu met aendacht wel bekijckt.
Hoe tockelt haar ghelaat, hoe strijen in haar sinnen
De koude vreese en de soete brandt van minnen.
Haar hertje springt van vreuchd, haar hertje angstig trilt
Als sy ghedenckt dat sy moet in het Vrouwen-gilt,

(105) Soo murmelt haar gepeyns met een bedwongen swijgen,
Om dat sy die niet mach dan om haar Maagdom krijgen.
Wat is den Maaghdom doch? Niet anders als een woort,
Dat men van ouder eeuw eens segghen heeft ghehoort.
Vrou-Bruydt weest niet beducht, en twijfelt niet, want diese

(110) Dus eerelijck besteedt, en kanse niet verliesen.
Maar ghy krijgt voor uw’gunst nu weer een heele Man,
,, Die van een Maaght alleen veel Maaghden maken kan.
    Den witten dach die dringt door glasen en door spleten,
Wilt doch Speel-maaghden niet u plicht noch ampt vergheten.

(115) Leyd’die ghekranste Bruydt na het gheluckigh bedt,
De Jonhe-lieven doch haar lusten niet belet.
Stand-op o waardig Volc! Stand-op, stand-op Jofvrouwen.
En wilt ons waarde Bruydt niet langer tegen-houwen.
Sy staat, sy gaat, sy staat, sy schoor-voet, sy staat stil,

(120) Ach! Haar eergierigh hert en weet niet wat het wil.
Sy gaat na ’t lieflijck endt van al ons bitter lijen,
Sy gaat na ’t lieflijck endt van al ons heftich vrijen,
,,Speel-nootjes maacktet kort, geeft haar de leste soen,
,, Het ander dat ghy laat dat sal de Bruydgom doen.

(125)     De Bruydgom sit en peynst met een inwendig malen,
Doe hy sijn lieve Bruydt op’t soetste sal onthalen.
    Daar zijn de Maaghden weer: nu Bruydegom gaat voorts

[fol. F3v, p. 46]
En sweet met vreuchde uyt u sonderlinghe Koorts.
Nu Bruydegom treedt aan en pluyckt de soete vruchten

(130) Van’t daghelijcks gheklagh, van u verliefde suchten.
Nu Bruyd’gom saeyt en plant in u ghewenste Oeghst,
Op dat het vruchtbaar landt verwellickt noch verwoest.
    Vaart wel en leeft met vreuchd’ ghy twee vereende menschen.
Onseg-baar is de gunst die wy u beyden wenschen.

(135) Maar als ghy’t loon gheniet van uwe soete pijn,
Ons arme stryers wilt dan eens ghedachtich zijn.


                                    G. A. Bredero.


BRUYLOFTS-LIEDT,
Op de Toon:
Ghy lodderlijcke Nimphen soet.

DE reden door de tijdt bevijnt,
Dat niets soo vreemt alhier verschijnt
Noch immer is verscheenen,
Of’t streckt om te vereenen.
    (5) Natuer heeft alles wel beschickt
Der dinghen wesen soo verstrickt,
Vermaeghschapt aen de vreede.
Door eendrachtighe seede.
    Hoe striblich, oock nochtans vergaart,
(10) Vyer, Water, Lucht, de swarte Aard
Door onderlinghe krachten,
Haar al tot paaren trachten.
    De Visschen in de wilde Zee,
En’t geyle mennichformich Vee,
(15) Dat joockt al na den ander,
En menght sich met malcander.
    Den over-hooft van al’t ghediert,
De Mensche, met vernuft verciert
Door herts-tocht, en beweghen,
(20) Tot minnen is gheneghen.
    De werelt sou haast ydel zijn,
Ten waar de lieve-leyde pijn
Die wy soo tochtich voelen,
In onse herten woelen.
    (25) Ghy Bruygom hebt ooc wel gesmaact
Hoe dat de Min de herten raact.
De Bruydt kan’t oock ghetuyghen,
Hoe hy ons sin kan buyghen.
    Gaat aan, gaat aan, gheliefde lien,
(30) Ter plaatse daar ’t ghevecht sal schien,
Daar niemandt van u beyden,
Sal roepen om te scheyden.
    Voeght t’saam twee zielen in een lijf,
En komt dan uyt als Man en Wijf,
[fol. F4r, p. 47]
(35) En weest soo de voor-beelden,
Van ons verhoopte weelden.
    Be-yvert doch soo desen staat,
Op dat de werelt niet vergaat.
Blijft ghy In Liefde Bloeyen,
(40) Gods heyl sal u toe vloeyen.

        Door G.A. Bredero.
            ’Tkan verkeeren.


Asteur sey tanto gratioso.

TIs waer ick lijd’ mijn lijden,
En klaech mijn herten leet eylaes ellendich
Mijn lief doet mijn benijden,
Dien ick nochtans een vriendt moet zijn uytwendich

(5) Dan dat de sin, op mijn Goddin
Ghevallen schijnt te wesen
Waer door de klachten, te meer in mijn ghedachten
Zijn gheresen.
    O wonderlijcke plaghen

(10) Hoe twijffelachtich ist hert vol beroeren,
Hoe sal ick hier my draghen?
Wat vreemden krijch komt nu de liefde voeren,
Ick haet die gheen, die in’t ghemeen
Mijn vriendlijck plach te groeten,

(15) En my ghestadich, die my dus onghenadich
Komt ontmoeten.
    Mijn Jofvrou daerenteghen
Gedoocht dat haer een ander raect te spreken
En schijnt hem seer gheneghen,

(20) ’T is my eylaes maer al te wel ghebleken.
Ach jalousie! ach rasernie!
Ick sach dat voor mijn ooghen
Wat groote herten, zijn onder sulcke smerten
Noyt ghebooghen?

    (25) Ick wenschte dick haer bueren
Int slaep te zijn, of noyt te zijn gheboren,
Als t’ op verscheyden uren
Mijn inganck, soo my dochte, wilde sporen,
Nu woud ick dat, den blixsem hadt

(30) Mijn ooghen uytgheslaghen,
Als ick aenschoude, al dat my beroude,
Mocht behaghen.
    De seghen van u gaven
Verberght ghy voor my door u wreede sloten,

(35) Voor my ist al begraven,
Een ander zijn u jonsten toeghegoten,

[fol. F4v, p. 48]
Wiens groot gheluck, mijn grooten druck
In mijn ghemoet gaet baren,
Doch so dit leven, mijn Jofvrou lust kan geven

(40) Ick lijd’garen.

                Amour.


Wijse: Ne vous offences Madame.

IOfvrou ick en kan niet winnen
Op u stuyrsche weesen straf,
’T zijn nochtans gheen kuysche sinnen
Die mijn wenschen doen na ’t graf.

    (5) Ick en kan u niet beweghen
Door mijn heusche liefd’ oprecht,
’T komt nochtans niet uyt hooghdreghen,
Maer door u ghedachten slecht.

    Recht beleefde vrouwen ooren
(10) Menschlijck men beweghen doet,
Maer men kan u niet bekooren,
Want ghy zijt te grof van bloet.

Sonder teken van medoghen
Acht ghy liefde min dan niet,
(15) Puft die pijle snel ghevloghen
Die ons liefd’ in’t herte schiet.

    Al quam liefde selfs u smeken
Met sijn alder sachste reen,
Hy sou slechts sijn hoofd staen breken,
(20) Want ghy zijt so hardt als steen.

Nochtans ist der vrouwen eere
Eens van liefd’ te zijn gheraackt,
Liefd’ kan hooghe saken leeren,
Liefd’ maeckt wijs en wel bespraeckt.

    (25) Aen veel onghebonde reden,
Aen een onbesnoerde tongh,
Aen veel wilde wulpse seeden
Siet men wie liefd’ noyt en dwongh.

    Maer dat schoonste bloedt van allen,
(30) ’T beste, klaerste dun en puyr,
’T hoort door liefde neer te vallen
’T edel teken van natuyr.



[fol. G1r, p. 49]

Boeren-clucht.
Stem: Eylaes amour wat gaet my aen.

MAerten Aepjes eer je gaet
So blijft hier noch ien kleyn beetje,
Ick rae je neefje dat je staet
Noch een lutje by jou peetje.

(5) Gaet dan vry by Branckjes Brecht,
Datsen vryer, datsen knecht.
    Gaet benierlijck over wegh,
Liert jou woordtjes wel belegghen,
Hoort mijn seun wat ick je segh,

(10) Jerstin as je wat wilt segghen,
Siet dat je ghenavent seght,

Datsen vryer, datsen knecht.
    De noom, en ick de sin al klaer,
Gae je moeytjes na jou vrijster,

(15) Datsen man, wat soo mijn vaer,
Trouwe vriendt, je keunt te bijster.
Heer je gaet soo reghel recht,

Datsen vryer, datsen knecht.
    Tis ien wereld vannen man,
(20) Van lijf en leen uytghelesen,
Hy speult soo aertigh mit de kan

[fol. G1v, p. 50]
Dat hy’t puyckjen plegh te wesen
Van Diemen, en van Duvendrecht

Datsen vryer, datsen knecht.
(25) Wel neefjen wilje dan soo voort?
Lustje noch niet wat te eten?
Hem sick Maerten! noch een woort,
Jou sloncksien heb je noch vergeten,
Wel mijn kijndt dat is te slecht,

(30) Datsen vryer, datsen knecht.
    Maerten segh ick koomt in huys,
Benje al vry van Simens Sijtjen,
Van scheele Trijn, van Griete Gruys,
Van Claertje Klonters en van Sijtjen,

(35) Sin jer oock mee in den echt,
Datsen vryer, datsen knecht.
    De jongens hebben lankt noch goet
Daerom schat ick bin je scheyen,
Tot Brechtjens is kley aen de kloet,

(40) Ick sie een hijlick uyt jou beyen,
Gaet mijn seun en maeckt het hecht,

Datsen vryer, datsen knecht.
Macht met Brechtjen niet geschien
Of en keunjet soo niet muyren?

(45) Ick sou niet mier na heur omsien,
Maer ick sou na stee gaen kuyren,
Doet soo Maerten als je pleght,

Datsen vryer, datsen knecht.
    Al quam in stee soo plompen Boer
(50) Als ien kinckel oyt mocht maken.
Al quam Mal Oene met sijn Moer
Had hy goet hy sou an raken,
Siet Maerten dat jey’t wel beleght,

Datsen vryer, datsen knecht.

            G. A. Bredero.
            ’tKan verkeeren.


Boerinne-clucht.
Stem: Eylaes amour wat gaet my aen.

NIfje, Nifjen o je dingh!
Wilje noch niet aen het knechje?
Kluf je Klonters susterlingh,
Sprack my lestent, hoort iens Brechje!
(5) Wat hoe legje staech en neyt
Datsen vryster, datsen meyt.
    Soo mijn moer, wel immers kint
[fol. G2r, p. 51]
Klufje kalde veul van Maerten,
Tis wonder saeghje hoe hy’t pijnt
(10) Soo lief het y jou van haerten,
Brechje sit hy staech en seyt,
Datsen vryster, datsen meyt.
    Heer de knecht is soo e stelt,
En sijn hooft dreyt assen meulen,
(15) Sijn Peet het mijn soo veul vertelt,
Spullen soumer wel of speulen,
Brechje leyt hy snachs en greyt,
Datsen vryster, datsen meyt.
    Is Maerten muruw tis gien noot
(20) Hy het Aapen en Meer-katten,
Sijn Peet het mijn sijn goet e groot
Tis een bom vol Spaense matten,
Iae jy nifjen? eer hy e scheyt,
Datsen vryster, datsen meyt.
(25)     Seght Kees Iongh-kees, en Claes Kloet,
Datser spillen vry op steeken,
Van Pros, van Praal en van Iaep soet
Daer wil ick niet iens van spreecken,
Siet dat jyer jou uyt dreyt,
(30) Datsen vryster, datsen meyt.
    Ie hebt op Baert jou sin e stelt,
Wat sou jyer me beginnen?
Maerten die het lankt en gelt
Dat behoeft me niet te winnen,
(35) Ick rayje dat je noch wat baeyt,
Datsen vryster, datsen meyt.
    Baertje seghje is ien gheest,
Die sijn weetje weet te weten,
Dat hy moeytjens schrijft en leest,
(40) Gaet daer iensjes wat of eten,
Nifje bestuurt jou sinlijckheyt,
Datsen vryster, datsen meyt.
    Brechje volgh je mijne leer
Laet jou Baertje niet bekallen,
(45) Wijsheyt, Godsvrucht, deucht en eer
Is by rijckdom niet met allen,
Siet dan niemant jou verleyt,
Datsen vryster, datsen meyt.
    In de stadt of op het lankt
(50) Wordt de rijckdom miest e presen,
Ter werelt is gien mierder schankt
Dan beroyt van gelt te wesen,
Geeft Maerten tavent goet bescheyt,
Datsen vryster, datsen meyt.

            G. A. Bredero.
                ’Tkan verkeeren.



[fol. G2v, p. 52]

Cluchtich Boeren-Liedt,

ONse Lobbrich is soo blijdt
Onse Lobbrich is soo blijdt
Soo datse over de buert schier krijt,
Hoe dats’ er vryer laet prachen,

(5) Maer sachje hoe dat Robert vrijt
Jy soudt je an sticken lachen.
    Robert is fijn en wel bespraeckt, Robert etc.
Daerom als hy an’t praten raeckt
Kan wonder hy versieren,

(10) O Lobbetjen, seyt hy, wie het je maeckt
Des moye verwiende klieren.
    Sy staen je om’t lijf soo reyn, soo juyst,
Sy staen etc.
O’tis onaertich moy e kuyst,

(15) Ien mens die sou je schaken,
Staet stil seyt sy Breur onbesuyst,
Jy soudtme smeerich maken.
    Robert die mient strix strax al waers,
Robert die mient etc.

(20) Want s’is soo quaet dan assen baers,
En ’tis maer klink-klaer jocken,
Maer dat doet die duer trapte flaers
Om hum noch mier te locken.
    Want als hy hum wat koeltjens houde

(25) Want als hy hum wat etc.
Soo mient sy dat hy is verkout,
En sy kittelt hum in sijn sijen,
Waer door hum Robert dan verstout,
En hy raeckt aldus aen’t vrijen.

    (30) Och Lobbetjen dien ic oyt verhief, Och etc.
Ick heb je soo beseeten lief,
’K en kan my niet bestuuren,
Wech, wech, seyt sy, jy hebt een brief,
Wech met u malle kuuren.

    (35) ’T is met Robert alle daen, ’T is met etc.
Want Lobbetjen hiet hum altijdt gaen,
En dat oock hiel onwaertich,
In sy wordt, soo ick heb verstaen,
Hiel spijtigh en hovaertich.

    (40) Hoort nu alle guysse gaer, Hoort nu alle etc.
Robert vraeght oock niet na haer
Hoe seer hy haer eerst minden,
En isset gien Lobbetjen, ’t is een aer,
Hy sal sijn diel wel vinden.


            G. A. Bredero.
                ’T kan verkeeren.

[fol. G3r, p. 53]
        Boeren-Liedt,
    Ci cest pour mon pucellage.

Soo haest Gijsjen had vernomen
Dat het kermis was in stee,
Nam hy sijn tuych, sijn pop-goet mee,
Om wat eerlijck uyt te komen,
(5) Stack sijn veeren op sijn hoet,
Want de eer is’t waerste goet.
    Gijsjen is naer stee ghevaren
Met Trijn Luls sijn lieve sanckt,
’T was die moeyste Meyt van ’t lanckt,
(10) Dus most hy sijn eer bewaren
Daer hy in was op evoedt.
Want sijn eer is ’t waerste goet.
    As de Kramers Gijsjen saghen,
Riepen sy, kom koop wat waer,
(15) Wil jy niet? ick hou mijn waer,
Maer hy dorster niet na vraghen
Soo eerlijck was sijn ghemoet,
Want de eer is ’t waerste goet.
    Door ’t ghequel en ’t stadigh bidden,
(20) En op Trijntjen Luls versoeck,
Kost hy noch een langhe koeck,
Dien brack hy doe juyst in’t midden,
Denckt wat liefd’ en eer al doet,
Want de eer is ’t waerste goet,
    (25) Gijsjen gingh vast wringhen en duwen
D’hiele koeck in d’holle mont,
Die sacher uyt soo kakel-bondt,
Dat men daer schier of sou gruwen,
Soo eerlijck had hy evroet,
(30) Want de eer is’t waerste goet.
    Onder’t brassen en dit slempen
Wou noch Gijs enckel te bier,
Sus, sey Trijn’t is gien benier,
Stee-luy souwen daer op schempen,
(35) Latet,’t is de beste voet,
Want de eer is’t waerste goet.
    ’S nachts ging Gijsjen Trijntjen prijsen
En hy sey jy bint soo moy,
Was ick nu met jou in’t hoy,
(40) Daer sou ick jou iens bewijsen
Hoe men’t liefje eeren moet,
Want mijn eer is’t waerste goet.
    Sus sey Trijntje, hou jou hangden,
Of ick word aers uyt mijn kraft,
(45) Wil je wat doen soo doet het saft,
Heb je gien eer, wat duysent schangden,
[fol. G3v, p. 54]
’K rae niet Gijsje dat jet doet,
Want mijn eer is al mijn goet.
    Ondert stormen en dit woelen
(50) Seyden hy: wel Trijntjen Luls
Maeck jey hierom dus veul spuls?
Wel je jy meught my wel voelen
Van mijn hoofde tot mijn voet,
Want mijn eer is oock mijn goet.
    (55) Nou sey Trijn, nou laet die worden,
Praet my niet mier van de eer,
Als jey wilt, so komt vry weer,
Ick docht dat je me woudt moorden,
Och het eind dat was soo soet,
(60) Adieu eer, mijn waerste goet.
    Ionghe dochters rijck in eeren,
Soo jey vreest dees schande groot,
Gheeft you doch so ver niet bloot,
Wilt van vrryers niet begeeren
(65) Wil je zijn gheeert, ghegroet,
Want de eer is’t waerste goet.

            G. A. Bredero.
                ’T kan verkeeren.


Op de stem:
Echo die soo menichmael.

HEbt deernis met een knaepjen jongh
Ghy Maeghdens vol deuchden,
Die daer van reyne liefde songh
Verblijdt, verheught, met vreuchden.

(5) Ick min de vrysters hoogh en laegh,
Sy comen niet uyt mijn ghedacht,
Dit schoon gheslacht
Ick een goet hert toe draegh.

    Ghy zijt wat schotigh van persoon

(10) Een Man kent ghy vermaken,
Ick denck met een soo overschoon
Soudt lustigh zijn te waken,
Behalven ’t voordeel van’t verlies
Komt sy in’t reycken wel te pas,

(15) Dees brave tas
Ich voor een ander kies.

    Een meysken kleyn men lichtelijck tilt,
Dies kan sy ons verfraeyen,
En boven dat, sy lustigh drilt

[fol. G4r, p. 55]
Soo wil sy wel uyt vermeyen,
Petite dochtertjens abelheyt,

(5) Krijght van de vryers groote loop,
Ten breeckt gheen koop,
Ick sie na sulcken meyt.


    Of oock dees bolle Truytjens vet,
Gel-veltjens of bruynetjens,

(10) Die maken mijn jonghe sinnen schu,
Met haer aenval’ghe pretjens,
Een blancke vryster is wel schoon,
Maer het bruynetjen Peulu soet
Is wel ghemoet,

(15) Een lodderlijck persoon.

    Princesse jonghe dochters braef
Die my dus kent beweghen,
Ghy zijt daer ick om loop en draef,
Dus laet my niet verleghen,

(20) De vreucht mijns levens leyter an.
Al ben ick jongh verstoot my niet,
U schoot my biedt
En maeckt van my een man.



Stem. Ghy lodderlijcke
Nimphen soet.

Gheluckigh leeft den blijden mensch
Die sich vernoeght met slechten wensch,
En niet meer wil aenroeren,
Meer als hy kan uyt voeren.
(5)     Maer laes die d’alder meest onrust,
Verkiest een plaets van soete lust,
Is ongheluckigh t’achten,
Hoe wel hy’t selfd’betrachten.
    Rampsalich mensch die licht verlaet
(10) Sijn rusten, al het meeste quaet,
Op hoop van aen te raken,
Die niemandt kost ghenaken.
    Wanneer de gulde Sonne schijnt,
En menght sijn stralen in de wijndt
(15) Om ons te wil te vieren,
En d’aerde te vercieren.
    Soo woud hy dat de Mane kon
Gaen drijven d’overschoone Son
Na fijn vergulde waghen,
(20) Tot d’aerd’ begint te daghen.
    Ioockt altijdt na de ware nacht
Die hy maer te bekomen tracht
[fol. G4v, p. 56]
Op hoop van min te smaken,
De vlammen die hem blaken.
    (25) Maer of de blancke Maen verlicht
Haer stralen op sijn aenghesicht,
De deur van sijn Goddinne
Belet hem troost te vinne.
    Of hoort de deur sijn suchten al
(30) En soo ontsluyt, hem te gheval,
Soo dubbelt hy sijn klachten,
Mistroostigh van ghedachten.
    En want sijn lief die hy besint
Een ander beter heeft bemint,
(35) En daer s’hem soeckt te peyen
Met om den thuyn te leyen.
    Gheluckigh leeft den blinden mensch
Die sich vernoeght met slechten wensch,
En niet pooght aen te roeren
(40) Meer als hy kan uyt voeren.


Wijse: Wanneer ick laetst uyt
Hollandt voer.

Wanneer Neptunus krachtelijck
My eenen moet ontblies,
Ick voer naer’t Eylandt
Colchos toe
Daer
Iason wan het Vlies.
    (5) Mijn reys en was seer lange niet,
Maer weecken ses mael ses,
En in mijn alderdiepste noodt
Docht ick om mijn Princes.
    Te dencken om mijn Goddin schoon

(10) Bewaerde my mijn smert,
Want sy tot allen tijden hinck
Gheseghelt aen mijn hert.
    Hoewel het dorstigh water koudt,
Het vlammigh vyer uyt spoelt,

(15) Nochtans den grooten Oceaen
Mijn liefde niet verkoelt.
    Ons mast die werdt geramponeert,
En’t last seer haest gheruymt,
Veel beter al het goet te niet

(20) Dan’t leven soet versuymt.
    O jeuchdighe Princessen al
Dit singh ick t’uwer eer,
Wanneer ick het ghesonghen heb,
Soo singht een ander weer.




[fol. H1r, p. 57]
[Gravure]

Klachte van Cupido,
Op de stemme:
Ie diraigi le jour la ra la.

S’Nachts doen en blaeuw ghesterde kleet
Bedeckten’t bruyn ghewelf,
Docht my ick sach een kindt dat kreet,
En’t was Cupido self,
(5) Die sloegh vast sijn ghesicht om hoogh,
En klapten in sijn handen,
Ach seyd’hy! ick wil mijn pijlen en boogh
Van stonden aen verbranden.

    ’T Wicht claegden noch hoe lancx hoe meer,
(10) De tranen borsten uyt,
En rolden by sijn wanghskens neer,
Hy maeckten een gheluyt
Dat’t alderhardtste hert van steen
Sou tranen moeten braken,
(15) Ach seyd’hy! wanneer sal ick het yeder een
Te passe connen maken.

    Sien ick een Herders armoed aen,
En dwingh eens Koningh kint
Dat hy deur liefd’na haer te gaen
[fol. H1v, p. 58]
(20) Met al sijn schat begint,
Soo houd’ick reghel, maet, noch reen,
Ick kan gheen gh’lijcke raken,
Maer hoe soud’ick doch het konnen yeder een
Soo naeu te passe maken.

    (25) Soo ick dan twee ghelijcke voegh
In rijckdom by malkaer,
Soo ist, was hy niet rijck ghenoech
Al vrijden hy een aer,
Een schoon, hoewel van midlen kleen,
(30) So mocht haer aermoed’ staken,
Maer hoe soud’ick doch het konnen yeder een
Soo naeu te passe maken.

    Voegh ick dan t’saem twee ongheleert,
Om ’t smalen eens t’ontgaen,
(35) Soo ist, ey siet dits recht verkeert,
Dees heeft hy niet ghedaen,
Was nu noch een wijs van hun tween,
Die mocht voor d’ander waken,
Maer hoe soud’ick doch het konnen yeder een
(40) Soo naeu te passe maken.
    Soo ick dan die ick’t wijste ken,
Voegh by een slechte Meyt,
Ist voort, nu heeft een wijse hen
Een ey in’t riet gheleyt,
(45) Het gheen hy prijst, sal soo ick meen,
Sijn Wijf wel dapper laken,
Maer hoe soud’ick doch het konnen yeder een
Soo naeu te passe maken.

    Soo ick dan twee gheleerde pijn
(50) Te voeghen, om een prijs,
Soo ist, dees twee die sullen zijn
Een yeder een te wijs,
D’een gheeft hy’t al en d’ander gheen,
Waer mach het Wicht naer haken,
(55) Maer hoe soud’ick doch het konnen yeder een
Soo naeu te passe maken.

    Hier heb ick dickmaels om ghetreurt,
En menich traen ghestort,
Dan ’t my noch lancx hoe meer ghebeurt,
(60) Daer noch gheen endt of wort.
Mijn hooghe lof werdt staegh vertreen,
Men poocht ’t my al t’ontschaken,
Maer hoe soud’ick doch het konnen yeder een
Soo naeu te passe maken.

    (65) Want gh’lijck die aen den wegh yet bout
Veel aenstoots lijen moet,
Soo oock den selfden reghel houdt
’T gheen men in ’t vrijen doet,
Als d’een seyt jae, seyt d’ander neen,
[fol. H2r, p. 59]
(70) Dit zijn al d’oude saken,
Maer ick denck hoe soud’ick het yeder een
te passe konnen maken.

    Oyt wast, midts schoot hy my een pijl,
En teegh voort op de reys,
(75) Hy lachte, dies ick in der ijl
Hem peurde naer sijn vleys,
Maer hy vloogh voor den nicker heen
En liet mijn hert staen blaken.
Komt het dus docht ick dat ghy het yeder een
(80) Niet kont te passe maken.


Stem: Wat gaet ghy brouwen.

AL mijn hert en oock mijn sin
Streckt om eene te behaghen,
Dien ick nacht en dach bemin,
Maer ick hebt verlooft te vraghen,

(5) Of het haer believen souw
My t’ontbinden van mijn rouw.

    Dus soo dunckt my dat ick wil
Haer noch alle nacht gaen vrijen,
Tot sy seyt weest nu eens stil

(10) En ontfanght al het verblijen
Dat ick u toe wenschen kan,
Als een helt soo tiert u dan.

    Soo ick dan op dees manier
Mijn soet-lief niet kan vermaken,

(15) Soo wil ick beloven schier
Al mij vrijen te gaen staken,
En noch wachten seven jaer,
Misschien sy verandert haer.

    Om dees jaren soo ick gis

(20) Al de menschen meest verandren,
Soo mijn hope dan is mis
Laet ick haer alleen gaen wandren,
En verwachten met ghedult
Tot mijn prophetij vervult.


    (25) Die ick eens gheschreven vondt
In de tweed’ oft derde ploye
Van een Pals-rock, daer in stondt,
Dat noch seven Meysjens moye
Souden met haer sleutels kloeck,
(30) Strijden om een Jongmans broeck.




[fol. H2v, p. 60]

Nieu Liedeken,
Op de wijse:
Phoebus is langh over.

Ghelijck een Iagher in het veldt,
Staet vroegh op om ’t wildt te bekomen,
Gheen quaet weer maeckt hem ontstelt,
Noch geen wreedt wildt dat doet hem schromen,
(5) Met Winden en met Bracken voor
Tot dat hy vindt het wildt sijn spoor,
Gheen tijdt gaet daer te loor.
    Aldus moet ick my oock ter jacht
In’t amoreuse woudt begheven,
(10) Ghy Bracken neemt op’t wildt wel acht,
Ghy Winden seer snel daer beneven,
En vanght dat Wildt dat ick dus jaegh,
Dat ick mach nemen een groot behaegh
Te jaghen alle daegh.
    (15) Gaet voort, gaet voort ghy Winden snel,
Mijn Bracken die hebben het wildt ghevonden,
En wilt u niet toonen rebel,
Maer volght haer ras tot allen stonden.
Helaes! Helaes! ick ben beducht,
(20) My dunckt mijn Brack heeft gheen meer lucht,
Het wildt moet zijn ghevlucht.
    Schoon lief ghy zijt het wildt alleen
Dat mijn jonck hert aldus doet jaghen,
Want gheen ander Wildt ick meen,
(25) In mijn jacht neemt toch behaghen,
Mijn lijden is u wel bekent,
Ick hoop ’t sal nemen haest een endt
Te zijn in dit ellendt.
    Mijn Bracken zijn ghestadicheyt,
(30) Mijn Winden moet ick hope noemen,
Ghestadich hopen alsmen seyt
Doet somwijlen gramschap versoenen,
Ghestadich moet ick hoopen siet
Wil ick komen uyt dit verdriet,
(35) Oyt Cupidos ghebiedt.


Stem: Willen dan de koeytjens niet etc.

Galatea siet den dach komt aen,
Och mijn lief wilt noch wat marren,
’T zijn de starren,
Och mijn lief wilt noch wat marren,

[fol. H3r, p. 61]
(5) ’T is de Maen.
    Galate aenschout den Hemel wel
Laes! ick sie den dagherade,
T’onser schade,
Laes! ick sie den dagheraedt,

(10) Ach den tijdt loopt snel.
    Och mijn liefjen komdy tavondt weer,
Laes u moeder mocht het hooren,
En haer stooren,
Maer als sou s’haer stooren

(15) Ick kom even seer.
    Nu adieu mijn lief en blijft ghesont,
Wilt my noch een kusjen gheven,
Och mijn leven,
Jont my toch een kusjen

(20) Aen u rooder mondt.


Stemme: Wanneer ick slaep.

ICk kniel Iofvrou in uwe dove stoep,
Daer ick u met benaude stem aenroep,
De stoep daer ghy te met ,,u needer set,
Al isse schoon van steen,,ick drencker int gemeen,
(5) Ick drencker int ghemeen,,in tranen,
Ach tranen die mijn hert doen banen.
    Vindt ghy u stoep des morghens niet bedout
Als ghy my’s avondts u ghesicht onthoudt?
Ick meen voorseker ja,,sloeght ghy maer ga,
(10) Wanneer ghy’t al verlicht,,met u moedig gesicht
Met u moedigh ghesicht,,Goddinne,
Goddinne, die ick minner vinne.
    Hoe comt het by dat ghy niet eens en acht,
Wat ick u vier, en aenroep dach en nacht,
(15) Ick offer u mijn jeucht,,mijn lust, mijn vreucht,
Mijn vryheyt en mijn tijt,,mijn ziele die verslijt,
Mijn ziele die ick verslijt,,met steenen,
Wee d’uyr dat ghy my zijt verscheenen,
    ’T scheen dat het aerdtrijck kruyt noch gras en droegh,
(20) Als my de blixem van u ooghen sloegh,
In’t coutste van de vorst,,brandt ghy mijn borst,
Als haghel, ys en snee,,of windt en winter mee,
Of windt en winter mee,,doen beven,
Kondt ghy mijn ziel in’t vyer doen leven.
    (25) ’T vyer dat mijn hert in asch verkeeren mocht,
Werdt van de vloet mijns tranen niet bevocht,
Waer isser droever hel,,dan mijn ghequel,
Ick brand’ en ick verdrenck,,als icker aen gedenck
Als icker aen ghedenck,,o schoone,
(30) O al te wreeden liefdens loone.


[fol. H3v, p. 62]

Liedeken, op de wijse:
Al is bruyn mijn couleure.

Hoe wel ick onberadich
My selven ben te goet,
’T en moet niet zijn versmadich
’T gheen ’t hert uyt goetheyt doet,

(5) Want ’t schijnt ick ben gheboren, nou, nou,
Om wesen goet en trou.
    Ick segh die voor mijn ooghen
Altoos mijn vrienden zijn,
De minste waerlijck dooghen,

(10) Sy hebben slechts den schijn,
Want achter mijnen rugghe, seer, seer,
Benemen sy mijn eer.
    Dat alle clappaerts tonghen
Hadden een houten neus,

(15) Die leughens onbedwonghen
Dick lieghen om de leus,
Soo sou mense oock kennen wel, wel,
Sy belieghen een ghesel.
    Die niet weten te praten

(20) Dan van de lieden quaet,
Die mochten wel by maten
Besien haer eyghen staet,
Soo hoefden sy te klappen niet, niet,
’T gheen haer selfs wel gheschiet.

    (25) Ghy Princelijcke gheesten
U reden binnen houdt,
Den minsten met den meesten
Niemandt rae ick soo stout,
Dat sy veel meerder praten fijn, fijn,

(30) Dan dat waerheyt mach zijn.

        Bedenckt u’t is tijdt.


SONNET.

Sy die mijn hert besit die schoonste van de schoonen,
Daer van mijn sware smert’t beginsel heeft ontfaen,
Begint een lachend’ oogh eylaes op my te slaen.
    Soo dra de tranen nat haer om mijn wanghen toonen,
(5) Met eene scheetsche lach gaet sy mijn lijden hoonen,
Als ick haer mijn gheween en klachten doe verstaen,
Eylaes sou mijn dan niet dit quaet ter herten gaen,
    Dat sy my met een sucht niet eens en gaet verschoonen,
Dan dit en ist noch niet’t gheen my op’t hooghste quelt,
(10) Want my behaeght die straf van haer soo soet ghewelt,
Maer och dit gaet mijn gheest en hert om stucken kloven,
Dat sy my weenen siet, en eenen overvloet,
Van tranen uyt mijn oogh: nochtans niet wil ghelooven,
    Dat sy de oorsaeck is die my dit lijden doet.




[fol. H4r, p. 63]

Stem: Nachtegael kleyn vogelken.

Wel op mijn hert, wel op mijn ziel,
Siet hier is u wraeck,
Nu smeecktse die haer ver achterwaerts hiel,
Haer straffe sinnen, beginnen, te minnen,
(5) Noyt vreemder saeck.
    ’T gheen datter t’huys quam en wildese niet,
Sy hiel haer soo trots,
Al lachende gecktse met mijn verdriet,
Al mijn suchten, mijn duchten, voor kluchten,
(10) Verteldese spots.
    Doch bleeffe verhardt al waerse van steen,
Als een statue gheplant,
Haer ooren stoptse voor mijn ghebeen,
Ick verlietse, dat sietse, nu bietse
(15) My self de handt.
    Nu heeft het gheval sijn radt ghekeert,
En sy is vergeckt
Op die haer soo menichmael heeft begeert,
Als huys-vrouwe, sijn trouwe, te houwen
(20) Gants onbevleckt.
    Te laet ist Iofvrou, ’tis veel te laet,
Mijn sin is gheleyt
Op schoonder, en hoogher, en grooter van staet,
En hier neven, wy leven, beyd’ even
(25) Met vrolijckheyt.
    Princesjen indien u yet goets voorvalt
Tast vry blijdelijck toe,
Ghemeenelijck die sijn gheluck vermalt,
Daelt noch meerder, valt veerder, en eerder,
(30) Neemt dit in goe.


Stem: Weet ghy maeghden arm en rijck.

Ariadna schoone Maeght
Waerom draeyt ghy u hooft,
Van hem die ghy meest behaeght,
’K en had dat niet ghelooft:

(5) Op den dagh, dat ick sagh
Dat ghy uyt medoghentheyt
’T gulden licht, u ghesicht
Keerden met soo hooghen leyt
Van een verweesen man,

(10) Ick heb ghepresen dan
’T heeft my veer verleyt.
    Die om snoode schelmery
Veroordeelt was ter doodt,

[fol. H4v, p. 64]
Dies sijn sterven deerde dy,
(15) Beweeghlijck in sijn noodt,
Maer eylaes, of ick raes,
En in hooghe nooden swerf,
Of ick sucht, of ick ducht,
En thien duysent dooden sterf,

(20) ’T schijnt ghy en achtse niet,
Want ghy belachtse siet,
’T loon dat ick verwerf.
    Over een ghevanghen, die
Den doodt dick had verdient,

(25) Blinckt ghy schoone wanghen, die
Ghy’t looft voor uwen vriendt:
En ghy waert, oock beswaert
Door den onbekenden bloet,
Maer ghy vlamt, en vergramt,

(30) Als ghy ’t aenschijn wenden moet,
Wanneer u trouwe slaef
Sijn grootse vrouwe braef
Minnelijcken groet.
    Hooghe schoone lichte Son

(35) Die my soo doodelijck haet,
Ach! die eenmael sterven kon
Daer ghy u vinden laet,
Blijder wensch, had noyt mensch
Die uyt groot ellende quam,

(40) Mijn verdriet, ginck te niet
Als mijn leven eynde nam,
Nu sterf ick alle daegh,
Die voel mijn vallen staegh
In een wreeder vlam.



Voys: Schoonste Nimph.

Mach dit vroegh begonnen vyer, dees manier,
En dees schoone glans vermeeren,
Yeghelijcken sult ghy sien, op sijn knien
Na den Hemel ’t aenschijn keeren.
    (5) Soo ghelijck de Son verschoont, hem vertoont,
Keerend’alle duysterheeden,
Even sult ghy aerds gheslacht, dagh en nacht
Na dees klare sterren leeden.
    Schoone goude vlechten schoon, gulden troon,
(10) Yeder roemt men van Goddinnen,
Maer men slaet eens wacker gae, en siet nae,
Of men schoonder kan beminnen.
    Nieuw verscheenen seltsaem licht, u ghesicht,
Sal die sulcken ras bewijsen,
[fol. I1r, p. 65]
(15) Dat sy qualijck besint, en verblint
Om dat sy ’t onwaerde prijsen.
    Kont ghy, houdt u eyghen sin, stadigh in,
Hoedt u schoon ghesicht’t aenschouwen,
’T gheene Narcis heeft gheschendt, kon in’t endt
(20) Eenichsins u borst benouwen.
    Raeckten u u eyghen toorts, ghy mocht voorts
Al u heerlijckheyt bederven,
Eyghen liefd’, weldunckeyt, die verleyt,
En doet ongheluckigh sterven.


Stem: Esprits qui souspirez.

MYn hert versucht eylaes, verscheyden vande menschen,
Verbannen van de gheen die my dus suchten doet,
Goddin is dit u lust, Goddin is dit u wenschen?
Gheluckigh is de mensch die al sijn lusten boet.

    (5) Ghy stiert my van de wegh, naer vriendelijc ontfangen
Ghy sendt my op de Zee, daer ick de baren smeeck,
Ghy sendt my in mijn graf, daer singh ick droeve sangen,
Elck bootst mijn klachten naer, en spot met’t gheen ick spreeck.
U onghestadicheyt was hier aendoch niet schuldich,

(10) Ghy hebt my noyt bemint, ghy veynsden van’t begin,
Maer u natuer verkeert, ick leed mijn smert gheduldich,
Maer’t minste dat ghy seyd, en had ghy noyt in’t sin.
    Jofvrou hoe wel wist ghy, hoe wel kost ghy bedencken,
Als ghy my straf gheboodt dijn aenghesicht te vlien,

(15) Dat u afwesen my meest soude konnen krencken,
Doch in dees harde saeck volbrengh ick u ghebien.
    Wee uwen sachten schijn, daer ghy mee kondt verdoemen,
Wech met dijn Sonnen glans, daer ghy den blixem sendt,
Wanneer ic nimmermeer dijn naem moet hooren noemen,

(20) Soo wensch ick dat my Godt mijn droevigh leven endt.


Stem: O nacht jalourse nacht.

O Suyverlijcke Maeght hoe kundy my dus toomen,
Hoe komt dat al mijn doen tot uwen dienste streckt?
Mijn slapen neemt ghy my, vol lieffelijcke droomen,
Al legh ick schoon te bed, mijn rust ghy my ontreckt.
    (5) Al gae ick over straet, ghy staet in mijn ghedachten,
U liefde my verblindt, ick loop de luy op’t lijf,
Al sagh ick d’alderschoonst, of die men schoonst mocht achten,
Sy zijn my ’t sien niet waert, en dat door u bedrijf.
    Ick overlegh altijdt hoe ick u mach behaghen,
(10) Waer dat ick sit mijn handt rust altijdt onder’t hooft,
Dan wil ick dick mijn druck alleen mijn ooghen klaghen,
Nochtans wensch ick gheluck die my mijn vreucht berooft.
    Mijn pen en tongh altijdt u schoonheyt moeten eeren,
Hoe wel u onghenaed hier dickwijls teghen strijdt,
(15) Woudt ghy u dan tot my nu eenichsins verneeren,
Al wat ick dan vermocht dat was u toeghewijt.
    Mocht ghy mijn waerde vrou in’t eynd noch zijn gheheten,
Ick achte d’aerd te koudt die ghy betreden soudt,
Mijn handen droeghen u, om hoogh waert ghy gheseten,
(20) Veel hoogher als de Maen, haer hooghe wooningh houdt.
[fol. I1v, p. 66]
    De weken souden u hier klaerlijck van ghetuyghen,
O Reynaerts schoon Goddin, ghelijck ick u verbrey,
Hem die rijck zijn van goet, valt swaer soo laegh te buyghen,
Ten zy men acht de trou, Princes in dese Mey.


Stem: Ne vous offence Madame.

Schoon Goddine waert ghepresen
Waerdich is dijn hoogh verstandt,
Waerdich is dijn Godlijck wesen,
Dat in menich vlammich brandt.

    (5) Al u over-schoone daden
Nimmer konnen zijn gheloont,
Nimmer kan ick my versaden
In dijn wesen waert ghekroont.
    Waerdich zijn al u manieren,

(10) Hemels is dijn wesen soet,
Lieflijck is al dijn versieren,
En bevallijck wat ghy doet.
    Konstigh zydy in u neyen,
Konstigh in u schrijven net,

(15) Konstigh in u kanten breyen,
Konstigh in’t borduren met.
    Aerdigh oock in’t glase schrijven,
Godlijck in des Hemels kloot,
Wonder kondy oock bedrijven

(20) Daer men dick Jan Thijssen noot.
    Groots so toonen oock dijn gaven
In het wercken van’t pinceel,
Geestigh condy platen graven,
En van’t swemmen oock een deel.

    (25) Ick bely het sou beweghen
Die de Min ghedurich vlien,
Ende tot den Hemel dreghen,
Mochten u al daden sien.
    Maer u trots hoveerdich roemen

(30) Rooven dijn al dese eer,
En u schempen gaet verdoemen
Dijn vergulden glans noch meer.
    Ander die de heusheyt minnen
Haten u verwaentheyt seer,

(35) Want verweende grootse sinnen
Voegen by gheen Maeghden teer.
    Maeghden voegen sachte seeden,
Nedrich wesen en beleeft,
Niemandt in hovaerdicheden
(40) Eenich welbehaghen heeft.
    Houdt Goddinne, houdt u gaven,

[fol. I2r, p. 67]
Houdt u konsten allegaer,
Houdt u roemen rijcke haven
Tot van’t een in’t ander jaer.



Op de stemme:
Als ick uyt wandlen gae, door
        menich schoon prieel.

1    O groot vermoghen Min!
U dertel siecke lust,
Speelt in mijn hert en sin,
En kittelt sonder rust,
O soete tyranni die my dus weelich jaeght,
Na die, na die, na die, mijn hertjen liefde draeght.
2    De minne quetst my’t hert
Niet pijnelijck noch wreedt,
Ondraeghelijcke smert
Ick noyt in’t minnen leedt,
Of yeder Minnaer klaeght dat hem de liefde doodt,
Daer van, daer van, daer van, heb ick de minste noodt.
3    Int Minnen ick ghevoel
Een oversoete vreucht,
Mijn hert vol bly ghevoel,
En oock mijn frische jeucht
Ick niewers beter doch besteden konnen sou,
Dan in, dan in, dan in, de diensten van mijn vrou.
4    Vervloghen was mijn gheest,
Mijn sinnen en verstandt,
Door’t groot verwondren meest,
Van uwe schoonheyts brandt,
En door mijn keurich oogh, dat op u bleef vergect
ben ick, ben ick, ben ick, tot uwe liefd verwect.
5    Gheseghent is de uyr
Van den ghewenschten dagh,
En wel mijn avontuyr
’K gheluckigh noemen magh,
Als uwe schoonheyts glans, mijn dorre borst bescheen,
Waer uyt, waer uyt, waer uyt, de droefheyt flucx verdween.
6    Dus nu verscheenen Son
Die my soo wel gheviel,
Haer schoonheyts glinster kon
Verquicken haest mijn ziel,
Ghy suyverden mijn borst van droefheyts dampen naer,
Hoe wel, hoe wel, hoe wel, ’t verwert in’t herte waer.
[fol. I2v, p. 68]
[7]    Mijn leven en mijn hert,
Mijn alderwaerste goet
U opgheoffert wert,
Mijn lief, mijn eer, mijn bloet;
Liefd weder o Princes! die u soo troulijck mint,
Dat hy, dat hy, dat hy, daer in gheen eynde vindt.


        Anglese.

Ghy lustelijcke Mey comt vozen hu, hu,
Met bloemkens veel wilt decken’t rozen, hu, hu,
Daer de gelievens heen spantseeren gaen, fa, li, la, la, la, la, la,
Vertoont u daer, en wilt vermeeren graen, fa, li, la, la, la, la.
(5)    De jonghe spruyten staen en bloeyen, hu, hu,
Met spronghen wilt u buyten spoeyen, hu, hu,
Met u lief gaen de velden groen betreen, fa, li, la, la, la, la, la,
Tot toonen u als helden in’t ghemeen, fa, li, la, la, la, la, la,
    Maeck u vry vaerdich ghy ghelieven, hu, hu,
(10) Smaeckt nu hoe aerdich sy gherieven, hu, hu,
Int groene pleyn u minnaers wilt ontlaen fa, li, la, la, la, la,
Haer liefde reyn wilt immers wel ontfaen, fa, li, la, la, la, la.
    Het soet gheluyt laet dan krioellen, hu, hu,
Met Luyt, Bandooren, en Fioellen, hu, hu,
(15) Bedrijft geneucht in desen Lenten tijdt, fa, li, la, la, la, la, la,
Verstijft u vreucht u tijdt by enten vlijt, fa, li, la, la, la, la, la.
    Ghy jachten laet u vlagghen weyen, hu, hu,
Met klachten gaet dan u lief vleyen, hu, hu,
U seylen niet te hooghe stellen wilt,fa, li, la, la, la, la, la,
(20) Maer peylen na de drooghe snellen trilt,fa, li, la, la, la, la, la,
    ’T ghedierte kleen siet men vermeeren,hu, hu,
Ick stier u heen van haer te leeren,hu, hu,
Het weyghren nu met krachte van u smijt, fa, li, la, la, la,
Laet steyghren die met klachte u seer vrijt, fa, li, la, la, la,
(25) Ghy Velt-Goddinnen laet u raden,hu, hu,
Vertelt uyt minnen u liefs daden,hu, hu,
Haer lopen wilt met gunste goet ontfaen, fa, li, la, la, la, la,
Na hopen wilt met jonste soet bystaen, fa, li, la, la, la, la, la.

                Na hoop volght wel jonst.


KLINCK-DICHT.

In dien mijn leven sich soo langhe kan verweeren,
Teghen mijn wreedt gheluck en onghesiene kans,
Dat ick verdooven sie, de Son-ghelijcke glans,
(Vrouw) van u ooghen schoon, door ouderdoms vermeeren,
    (5) En u goud-dradigh hayr in silver-draet verkeeren,
En uwe lust vergaen van sangh, van spel, van dans,
Van soete boertery, van kruydt van roose-krans,
Van geel, van groen, van wit, en incarnate kleeren.
    Soo sal mijn oude min my gheven in de mondt,
(10) Vermaningh van de tijdt die ghy niet recht besteeden.
En of’t dan schoon gheviel dat ghy noch vore stondt,
U merckelijcke schuldt, met woord’, en schijnbaer reden,
Soo sal nochtans een sucht diep uyt uws herten grondt,
Leedt-wesens teken zijn, en ick ten deel te vreeden.



[fol. I3r, p. 69]

Stemme:
Ick ben niet als een pluyme.

Godinne der Godinnen
Hy verschijnt hier voor u deur,
En verneert u hooghe sinnen
Dat ghy hoort hoe dat ick treur,

(5) In dees droeve nachten,, naer,
Neem ick u met klachten,, waer,
In dit leyde nieuwe Jaer.
    Ghy wacht den dagherade
Gantsch vergheetel en gherust,

(10) D’wijl ick in onghenade
Stae, van die mijn stervenslust,
Dan ist u behaghen,, maer
Sendt my dan duysent plaghen,, quaer
In dit leyde nieuwe Jaer.

    (15) Mijn lichaem tot believen
Blijft voor die mijn bloedt begheert,
Door moorders en voor dieven
En werd ick niet meer verveert,
Jofvrou neemt mijn herte,, daer,

(20) Dat bewijst mijn smerte,, claer
In dit leyde nieuwe Jaer.
    De wolcken zijn beweghen,
De sterren draghen rou,
Den Hemel weent met reghen

(25) Om de strafheyt van mijn vrou,
Siet de winden alle,,gaer
Suchten by ghevalle,, swaer,
In dit leyde nieuwe Jaer.
    Doet op, doet op, doet open,

(30) En comt sluyt mijn ooghen toe,
Mijn leven is verloopen,.
Ach hoe is mijn ziel te moe:
Goede Goden wonder,,baer
Leert my sterven sonder,, haer

(35) In dit leyde nieuwe Jaer.


Op de stem:
O heyl’ghe Drijtal wellecom.

T’Ghetopte volck, (als gantsch ghemeen)
Weeck ganghers lancx der strate,
Van Cypres Vrou, en’t Wichtjen cleen
Valt deur-gaens hunne prate,
[fol. I3v, p. 70]
(5) Gheen spieghel hun, Eurotas vliet,
D’verbeeld’ Jupijn, in kennis niet,
’t Schijnt Perseus kracht, hun steygert staedts te bate.
    Achilles mind’ Polijxena,
In ysren slaep door ’t mallen.
(10) Paris, met wil, de Helena,
Tot schaa, des Pryaams wallen.
Dianas glans, dood’ Acteon.
Orpheus
, door min, socht d’Acheron,
Helsch padt bekent, in droefsten druck ghevallen.
    (15) ’T gheblinde Wicht, met yver lockt
’S rondts rijckst vernuft, in stricken.
Hyaena, ’t dier, door stem, verstockt
Den mensch, als Venus, ’t micken,
Door dertel Soons flits, schadelijck,
(20) Als Gorgonis ghesicht, door blijck,
Noch Hemel vreest, maer hoogen Hemel wicken.
    ’T is stout bestaen, ja, Atropos
Vaeck, (als door u) te veyrdich,
Wijckt noch de Goon, maer d’Anteros.
(25) Wicht, noodeloos, onweyrdich.
Hoe? noodeloos soms een tot heyl,
Oft valschen schijn, u schichten veyl,
D’mensch haest bestormst, door snooden lust te eyrdich.
    Vrou Angerona, heerst te strengh.
(30) ’t Wicht raest, by Amstels boomen.
Of Atropos gaf, draets verlengh,
En doodt, in Lethes stroomen,
Denckt ’t eeuwich goet, by ’s werelts snoot,
Hoe ziel, door weeld’, krijcht hardtste stoot,
(35) Tot vrije vreucht, gewenschste heyl den vroomen.
    Waer Pluti schat, ’s menschs roeping wencke
Ziel-heyl, tot scha, verderflijck.
Gelt, gelt, is d’roep; o! schepsel, denckt
Dijn teedre lichaem sterflijck
(40) Schraept’t aerdsch by een: voor cleynen tijdt
Cupido, soms, ’t een deucht toe wijdt
Peyst’t Helsche goet, is snoode sonden erflijck.
        PRINCE.
    Prins,, wien ghy zijt, denckt liefdes pijl,
(45) Bracht meenich in’t beswaren,
’T eerst, gulden schijn, droef metter yl,
Door dreck, doet onrust paren;
Maer reyne min, sluyt in dijn borst,
’T ong’luck, u dan niet terghen dorst.
(50) In deucht bemint, so schuwt ghy’t helsch verwaren.

            P.V.Z.
            Sondich is de mensch.



[fol. I4r, p. 71]

Op de voyse:
A qui me doi je plaindre.

CUpidoos loose pijlen
Mijn ziel in’t droef verstrickt,
De borst, door’t Wicht, somwijlen
Te waan-wijs werdt verquickt.

(5) Bedroch met Ate werckt, ha, ha, ha,
Ziel by Irion stieren,
Ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha!
Wicht, doet het valsch verswieren.
    Besitster van mijn hertjen:
(10) In’t bly, o eens, met u,
O breydel van mijn smertjen.
Borst, aam-loos schier als nu.

Bedroch met Ate werckt, ha ha ha,
Ziel by Irion stieren,
(15) Ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha!
Wicht, doet het valsch verswieren.
    Mays, groen, de quel doet slisschen
Van menich jeuchdich paer.
Ick, u, Princessjen, misschen
(20) ’T valt innerlijck te swaer.

Bedroch met Ate werckt, ha ha ha,
Ziel by Irion stieren,
Ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha!
Wicht, doet het valsch verswieren.
    (25) Mocht ick in Floras hoefjen
Dy vlechten bloemich krans,
Tot spijt van’t
Cypres boefjen,
’K sach
Cythereas dans.
Bedroch met Ate werckt, ha ha ha,
(30) Ziel by Irion stieren,
Ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha!
Wicht, doet het valsch verswieren.
    Nu ’t helaes! gheschiedet,
Help hemels-rijcken raedt,
(35) Druck mijn als schim na vliedet,
In dees heyl-loose staedt.

Bedroch met Ate werckt, ha ha ha,
Ziel by Irion stieren,
Ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha!
(40) Wicht, doet het valsch verswieren.
    In rouw ick hoop-loos sterve
Gheprickelt door bedrocht,
Ghewis ick’t duyster erve
In plaets van gulde locht.

(45) Bedroch met Ate werckt, ha ha ha,
Ziel by Irion stieren,
[fol. I4v, p. 72]*
Ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha!
Wicht, doet het valsch verswieren.
PRINCE.
    (50) Prins? ooght op hooghe Godtheyt,
Ghy dus niet wertst vervoert,

Cupidoos dulle sotheyt,
Vaack, veel ter hel, door boert,

Bedroch met Ate werckt, ha ha ha!
(55) Ziel by Irion stieren,
Ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha ha!
Wicht, doet het valsch verswieren.

                                P.V.Z.
                            Sondich is de mensch.


KLINCK-DICHT.

ZYdy van minnaers smert een onversaedlijck vraetjen
O Min? soo gaet het my noch al voor windt voor stroom,
Hoe naeu men waert mijn lief met grendel, slot, en boom,
Ick stae noch niet met u in ’t alderquaetste blaetjen.
    (5) Ghy komt en steeltse my door’t aldernaeuste gaetjen,
En buyten moeyten van mijn slapend’lichaem loom,
Voerdyse lieflijck by my in een soeten droom,
Ghy zijt versocht van all’s, en zijt een wacker maetjen.
    Teghen u trecken gheldt noch oude wijven raet,
(10) Noch yverighe wacht: dan goude Minne laet
Het, bid ick, blijven niet, by dese kleyne gunsjens.
    Maer dat ghy my int slaep jont, jont my op den dagh,
Dat ick ghenaken eens’s Liefs ware lippen magh,
Ghy kunt wanneer ghy wilt, schud uyt u sack met kunsjens.




Stemme, alst begint.

LIeffelijcke Goon bestort met Goddelijcke reghen
’T salighe lichaem van dees onbesmette Bruydt,
                Wiens ad’ren vlieden uyt,
En spreyen ’t waerde bloedt op al te dorre weghen.
    (5) Ondanckbaer aerde barst, ontluyckt besloten velden,
En ciert u dorre rugh met bloemkens menichfout,
                Op dat ghy werdt bedout
Met onthemeene dou, sy douter alsoo selden.
    Waer blijft de droeve rey van wackre Veldt-Godinnen,
(10) Vrolijcke Nimphjens treurt, vlecht kransjens hoogh beroemt
                Van allerley ghebloemt,
En koomter de Princes van Troyen in beminnen.
    De barre winter gheeft de kruytjens al te karich,
Om met ’t verlepte lof haer vol te doen in eer,
                (15) Dus stort van boven neer
Wt d’Hemel schoonder groent, en toont u Goon meewarich,
    Begraeft haer in de mirt, bedelft haer in de roosen,
Luchtige Venus voeght daer boven aen den dans
                Der Goden gulden krans,
(20) En word ghy ’t hiplen moe, laet sy u dan verpoosen.



[fol. K1r, p. 73]

SONNET.
Het eerste van de Schoonheyt.

VRoegh in den dagheraadt, de schoone gaat ontbinden,
Den gouden blonden tros, citroenich van coleur,
Gheseten in de lucht, recht buyten d’achter-deur,
Daar groene wijngaart loof, oyt louwen muyr beminden.

    (5) Dan beven amoureus, de lieffelijckste winden,
In ’t ghele sijdich hayr, en groeten met een geur,
Haar Goddelijck aanschijn, op dat sy dese keur
Behieldt, van daghelijcx haar daar te laten vinden.
    Gheluckigh is de kam, verguldt van Elpen-been,

(10) Die dese vlechten streelt, dit waardigh zijnd’ alleen;
Gheluckigher het snoer, dat in haar dicke tuyten
    Mijn ziele mee verbindt, en om ’t hooft gaat besluyten,
Hoewel ick ’t liever sie wildt-golvich na sijn jonst,
Het schoone van natuyr passeert doch alle konst.



Liedeken,
Stemme: Rubinette.

EEn Heremijt wil ick worden,
Steken mijn in’t diepe woudt,
En’t naackte lijf omgorden
Met een grove tabbaart oudt,
(5) En eten nimmermeer noch broodt, noch vis, noch vleys;
Maar wortelen na penitentijs eys.
[fol. K1v, p. 74]
    Die uyt mijn ooghen sincken
Door de weenelijcke smert,
Mijn tranen voor mijn drincken
(10) Laven sullen ’t dorstigh hert,
Mijn hert gelijckt d’oorspronck van menich klaar fonteyn,
Die ’t uytghespogen water drincken reyn.

    Mijn bedd’ de koude aarde,
Peuluw’ een vier-kante steen:
(15) In mijn hol ick vervaarde
Rodomont met mijn ghesteen:
Al mijn huys-raat sal zijn een doodts-hooft met een kruys,
Een prickel-geessel in dit doncker huys.

    Drie reysen t’elcker uyren
(20) Rijten sal ick op de huyt,
Dit torment sal my duyren
Tot dat mijne kaars gaat uyt,
Of dat de wreede Maaght melijdich is tot my,
Aansiende al’t gheene ick om haer ly.

                                                    Jonghe Spruyt.


SONNET.
Het tweede van de Schoonheyt.

HEt zijn twee sterren licht, of ’t zijn twee diamanten,
Die vol van tooverij, haar drayen in’t aanschijn,
Of anders gitten smart, of twee smaragden fijn,
Vier reghen-boghen, die aan tween te samen kanten.

    (5) Of wel twee peerlen glat, de schoonste van Levanten,
Neen ’t moeten vlammenzijn, twee Sonnenheet van schijn,
Ick weet wel, en ick voel, hoe sy verbranden mijn;
Of’t zijn twee blixems snel, van Jupiters ghesanten.
    Neen ’t isset al te maal, de gitten zijn omringt

(10) Van twee smaragden groen, daar om zijn ’t regenbogen,
Dan isset diamant, al dit twee paarlen sluyt,
    Sy glinsterenop de wangh, grootachtich puylens’ uyt,
Melijdich van opsien zijn dit mijn vrysters ooghen;
Siet ghyse, vraaght niet meer waar liefde my toedringt.



SONNET.
Het derde van de Schoonheyt.

VAn al ’t ghevoelen is, te weten van vijf sinnen,
En isser gheen soo waart, soo nut, soo wonderlijck,
So Goddelijck en schoon, soo heerlijck van fabrijck,
Als het ghesicht, ’t is klaar voor elck een t’ ondervinnen.
    (5) Wat schepsel als een oogh is hupser te versinnen,
Dat voor sijn middel heeft een glants doorluchtelijck,
Sijn voorwerp isset al, Lucht, Hemel, Aard’, ’t Visrijck.
Voorts niet ten kan, ist niet, sijn kennis niet ontwinnen.
    En d’ooghen toonen ons, dat meer is in hem self,
(10) Wat tusschen d’aarden is en tusschen ’t blaeu verwelf,
Al wat in schoonicheyt men siet veranderinghen.
    Dit isset al te maal, het maackt de menschen sieck,
Ghelijck men siet aan my, dit is sijn lof en klieck,
Dan ’t schijnt wel sonder dat en vindt men gheene dinghen.



[fol. K2r, p. 75]

Liedeken,

Op de stemme: Rubinette.

SInt dat ick schoone Maghet
Van de Goden heb ontfaan
’T gheen dat my meest behaghet,
D’ooghen eens op u te slaan,

(5) Denck ick staach in mijn gheest, ist oock een mens van aard,
Daar heerlijckheyt soo veel in is vergaard.
    Uw’ooghen als twee Sonnen
Blincken in het aanschijn klaar,
Maar meest blijf ick verwonnen,

(10) Door u suyverheyt voorwaar,
Maar als ghy totte spraack u proper mondt ontbindt,
Dan blijcket ghy voor al een Hemels kindt.
    Of ghy moet sijn Diana
Die Goddinne van de jacht,

(15) U naam die wijst oock ane
Voor een dieder wel op acht,
Of seght eens met wat net, daar ghy u garen hanght,
Waar mee dat ghy de wilde herten vanght.
    Seght, seght eens jagherinne,

(20) Wieder oyt heeft onghefaalt,
Als dese jacht-Goddinne
Eenigh hert ter loop onthaalt,
Maar sonder eens uyt u ghewoone tredt te gaan,
Soo hebdy ’t alder wildtste hert ghevaan.

(25) Al mijn rijckdom en goeden
Had ick aan dit hert besteet,
Van jonghs op gingh ick’t voeden
Met al dat een hert liefs eet,
Maar ’t worden alsoo wildt dat het my selfs ontsprongh,

(30) En noyt en wasser yemant die’t weer vongh.
    Eens isset weer ghehouden,
Maar de Parcken lieten ’tlos:
Nu hebdy’t, willet houden,
Stiert het niet weer in het bos,

(35) Wy warent beyde quyt, dan als het so mocht zijn,
Soo gunn’ ick het veel liever u als mijn.
    ’T is van gheen kleynder waarden,
Maer het beste van sijn soort
Zijt ghij Goddin op aarden,

(40) Weten kendy’t onghehoort:
Een hert hoe’t wilder is, soo veel ist beter mee,
In alle dingh is dese reeckningh ree.

[fol. K2v, p. 76]
    Maar ick vrees van de honden,
Als Actaeon onbedocht

(45) Te worden oock verslonden,
Om dat ick het versocht,
Maar mocht ic als hy deed u Godlijc lichaam bloot
Aanschouwen so en was het noch geen noodt.



SONNET.
Het vierde van de Schoonheyt.

O Godt wat isser al, wat zijnder al schoonheden,
Op ’t wijde voor-hooft klaar, van dese jonghe Maaght,
Het is een silvren bergh, ghepolijst die sy draaght,
Verheven uyt het gout van ’t golvigh hayr in ’t breden.
    (5) Bedeckt met witte snee: het steunsel na beneden,
Sijn swerte booghskens twee daar’t Cupido behaaght,
Te schieten mee sijn straal, als hy de minnaars jaaght,
Die boven d’ooghskens staan, wijnbraukens heet men ’t mede.
    Maar ’t schoone voor-hooft is een levendighe steen,
(10) Van marmer, en albast, van porphier dat alleen
De Goden al te maal van sinnen kan beroven.
    Het toont een majesteyt met een Medusaas kracht,
Het toont ons dat de vrou, al isset minst gheacht,
Den macht heeft onghepaart, gaand’ alle macht te boven.


SONNET.
Het vijfde van de Schoonheyt.

Haer enghelijcke mondt, verpurpert twee coralen,
Tot kleyne lipkens soet, die grooten schat bekleen,
Het zijn twee rijkens wit van tanden wel besneen,
Wt diamanten fijn doorluchtigh al te malen.

    (5) Gheheel, ach! blijf ick stom, met dat ick wil verhalen,
Haar tooverlijcke stem, ’t gheluyt van een Sireen,
Voorsichtich haast bereydt is sy tot wijse reen,
Sententieus, nochtans heel suynichlijck ter talen.
    Een amber lieffelijck brenght sy met haren aam,

(10) Door hare lachskens soet blijft liefdens rijck te saam,
Haar treffelijck ghelaat temt alle wilde sinnen,
    Het maackt een loomen uyl heel luchtigh en’ gagljaart,
En al te plompen boer, heel gheestigh, loos van aart,
Gheen wonder doet het my, dan alles onderwinnen.



Liedeken,

Stemme: Alst begint.

       GHy zijt schoone Maghet,
    Van den Hemel onghefaalt,
    Hier neer ghedaalt:
Wie soude men doch vinden
(5) Op aarden, die kan binden
De herten onvertsaghet?
[fol. K3r, p. 77]
Als ghy, die daar niet veel na vraghet.

        Die treffelijckheden
    Die in u klaar aanschijn
    (10) Vergadert zijn,
Die kennen wel doen blijcken,
Dat ghy sonder ghelijcken,
Niet trecket van beneden,
Soo veel Enghelsche schoonheden.

        (15) Als ick aenschouwe
    Het doode tafereel,
    ’T welck een kleyn deel,
Doet stommelijck vertoonen,
Uws lijfs niet om verschoonen,
(20) Dan wordt mijn hert door houwen
Met onuytsprekelijcke rouwe.

        Het moet my rouwen,
    Dat ick niet mach als ghy,
    Van d’Hemel bly,
(25) D’onsterffelijcke Goden,
Als mijn voor-ouders nooden;
Op dat ick mocht Me-vrouwe,
Ooc God, u schoon Godinne trouwen.


SONNET.
Het seste van de Schoonheyt.

DE wangskens van mijn lief, zijn susters van Auroren,
Een soete vlam verciert haar levendighe kleur,
Natuyrelijcke konst, vernuftelijcke geur,
Bewierpen dese twee die Jupiter bekoren,

    (5) Sy swellen niet te bol, oock zijnse na ’t behoren,
Met een bequame ruymt, niet magher noch te steur:
Een Arents smalle neus, in schoonicheyt de keur,
Wel overvallend heeft sijn rechte plaats gekoren.
    De wanghskens daar sich menght, roo-roosen, lelijs-wit

(10) Vrymoedicheyt en schaamt, ys kout, en somers-hit,
Dees’ hebben tot haar punt, een korte kin ghekloven.
    De meeste ciraat is van ’t aanghesicht de kin:
Niet treckend’uyt: maar rond, als dees dien ick bemin,
Gods wercken in natuyr, en kan men niet volloven.



SONNET.
Het sevende van de Schoonheyt.

OCh! dien snee-witten hals, christaligh is doorluchtigh,
Men sieter ’t licht, van hare lachskens soet,
Die ’t blijde hert om hoogh door gorgel loopen doet,
Of alst vol jonghe sorgh, melijdigh is versuchtigh.
    (5) Een hals ist die my maackt voornemigh en beduchtigh,
Soo dickwils als ick sie, dien vijftigh root als bloet,
Hoe fraey dat sy omringht, soo dringht my mijn ghemoet,
Met d’armen alle beyd’ daer me te zijn omvluchtigh.
    Maar dan en dorst ick niet, als ick vrees dat haar lach
(10) Veranderd’ in ghekijf, voor my een hardt ghelach:
Den hals is al te waard, Aglay heeftse haar ghegheven.
    Oock waart van my te veel, gheluckigh noch ghenoech,
Dat syse my laat sien, ’t misbruycken al te vroech,
Een hooghe goedicheyt kost menigh man sijn leven.


[fol. K3v, p. 78]

Liedeken,

Stemme: Alst begint.

IN’t midden van dit laghe Neder-landt, bis
Niet verre van de Zee, bis
Niet verre van de Rijn, bis
Daar leyt een schoone stee,
(5) Daer woont een meysken fijn,
        Och alsoo soet,
        Och alsoo goet,
Soo lustich en playsant.

    Ghelijc een roos seer lustich staat en bloeyt,
bis
(10) Vroech in den dagheraat, bis
Den natten dau ghebruyckt, bis
Hooch op den rosier staat,
Sijn bladen schoon ontluyckt,
        Met soete geur,

        (15) Met roo coleur,
Van niemandt afghesnoeyt.

    Soo is de fleur van Maaghden dien ick meen,
bis
De vroeghe morghen-stondt, bis
Is hare jonghe jeucht: bis
(20) Den adem van hare mondt
Te ruycken is een vreuchdt,
        Twee rooskens zijn
        In haar aanschijn
Twee wanghskens ellick een.


    (25) Die’t roosken siet, so wit, so root, so fris, bis
Sijn lust en sijn begeer, bis
Sijn wenschen al gheheel, bis
Is dat hy ’t roosken teer,
Mocht pluycken van de steel:

        (30) Als ’t wordt bewaart,
        Meer lust hem baart,
En tot een hertseer is.

    Die dese siet, so heus, soo gratieus,
bis
Al waar hy grof van hout, bis
(35) Al waar hy rou van steen, bis
Sijn hayr sou menichfout,
Om haar aanschijn alleen,
        Versuchten soet,
        Al sijn ghemoet,

(40)Met sinnen amoureus.

    Gheen schoonder Maaght als dees en kander zijn,
bis
Al draeyt de Son altijdt bis
[fol. K4r, p. 79]
Rondom des aardens kloot, bis
En maackt veel landen wijdt
(45) Met sijne stralen root:
        Soo suyverlijck,
        Soo deuchdelijck,
En raackt gheen Sonne-schijn.

    Gheen trotse naam, noch kleeren vol hovaard,
bis
(50) Sy nimmer aen en doet, bis
Noch draaght gheen ydel rom bis
Op’t groote gelt noch goet,
Noch op ’t lichaam, allom
        Houdt sy haar slecht,

        (55) En seer oprecht,
Is haar doen op dees aard.

    Maar dat sy is int vroulijck gheslacht
bis
Van schoonheyt niet ghemeen, bis
En hemels sonder blaam, bis
Behalven een alleen
(60) Aanwijst oock haren naam,
        Die Dochter-moer,
        En Maghet-vrou
Haar, Heer, ter werelt bracht
.


SONNET.
Het achtste van de Schoonheyt.

SY draaght aan’t lichaam schoon, so vaardelijck haar armen,
Vol wonderlijcke geest, heel sacht, heel delicaat,
Daar mede sy ’t porphier haars bosems soet omvaat,
Vol Hemel streepkens zijn’t twee fijn gheslepen marmen,
    (5) Des wreeden zijnse wreedt, d’onnosel een ontfarmen,
Vyandelijck voor al Cupidoos quaat ghelaat,
Het welck het boefken weet, en daarom looslijck gaat,
Als die int quaat doen groeyt, en hoort een jeugt aan’t karmen.
    Aanlockend’ den minnaar die ’t schoon voort doen gelooft,
(10) Als ick, die sin verdienst, dan krijghet op het hooft:
Dees armen zijn gheneyght de reyne liefd’ t’omvanghen.
    Sy zijn teer in’t aansien, maar in ghetempertheyt,
Te draghen meerder last, met meerder lichticheyt,
Mars armen vol van roof woud’ icker eens aanhanghen.


SONNET.
Het neghenste van de Schoonheyt.

HEel ijvorijnich zijn haar maaghdelijcke handen,
Met langhe vinghers thien, gheledelijck volmaackt,
’T schijnt dat in elcke lidt, een vlammig toorsken blaackt,
Op’t    buytenst van de hant, met streepkens veelderhanden.

(5) Dees die’r alleen mijn hert, my kennen weer verhanden,
Verharden paarlen thien, dat witte handen maackt,
D’harnaste Martis handt, verwinnen sy maar naackt:
Och! salich diese mocht eens wettelijck inhanden.
In ’t binenst’ is te sien, al wat den Hemel sluyt,

(10) Hier over ’t aardtsche volck, door ’t strepelijck beduyt,
De luchter sedelijck, de rechter snel in ’t keeren.
Sy zijn, wat ist! sy zijn voor d’ooghen eenen lust,
Is dit gheen wonder oock? Bedencket in u rust,
S’ ontsteken ysich-cout, het branden in’t begeeren.




[fol. K4v, p. 80]

Liedeken,

ALs helden, klaar Diana schijnt,
Daar boven aen het blauwe:
Al ’t sterren-licht schier heel verdwint,
En moet voor haer verflauwen,
(5) Soo ick voor mijn,
Dianaas schijn,
Moeten hier op der aard, Moeten hier op der aard,
Moeten hier op der aard,
Maaghdekens al verflawen.
    (10) Ghelijcker-wijs Diana schoon,
In ouden tijdt voorleden,
Was principaal van al de Goon,
In eer en suyverheden:
Het overwin,
(15) Heeft mijn Goddin,
Van’t vrouwelijck gheslacht,     :,,:    :,,:
In eer en suyverheden.
    Diana was een jacht Goddin,
S’en had gheen hase-winden:
(20) Want sy liep selfs met snellen rin,
Veel rasser als de hinden:
Als ick wil gaan,
Na mijn Diaan,
Wech is sy metter vlucht,     :,,:    :,,:
(25) Volghen kond haer gheen hinden.
Actaeon sach Dianam naackt,
Int’t klare water badich:
Uyt gramschap heeft sy hem gheraackt,
Met water onghenadich:
(30) Goddinne mijn,
Ghelijck wilt zijn
In all’s, behalven het lest,     :,,:    :,,:
Weest uwen knecht ghenadich.

            Na de Doodt Ionck-Spruyten.


SONNET.
Het thiende van de Schoonheyt.

VAn schoonder voetkens oyt, was ’t aarderijc betreden,
Als dees die properlijck twee toffelkens aandoen,
Van purper fijn fluweel, daar onder kleyne schoen,
Met gout-draat geborduyrt, de schoenkens fraey doorsneden.

    (5) Het gras is amoureus op dees twee snelle leden:
Ick heb het wel ghesien, met ander kruyden groen,
Staan drillen vol van vreucht voor hare stapkens koen,
Dan buyghdent met ootmoet voor hare soete schreden.
    Sij zijn vol heylicheyt, als sy gaan na ’t aflaat;

(10) Sij zijn vol majesteyt, als sy gaen over straet,
Sij zijn soo lieffelijck, als sy gaan om verblijen;
    Sij zijn vol eerbaarheyt, als sy gaan na ’t bancket;
Sy zijn vol eenicheyt, als sy gaan na het bedt;
Wat ist! sy zijn te snel, voor diese wil gaan vrijen.




[fol. L1r, p. 81]

SONNET.
Het elfde van de Schoonheyt.

O rijpen bosem wit die voor mijn ooghen stadich
Soo lieffelijcken sweeft, ghelijck den weder-schijn
Van d’alderwitste snee, aen d’oorspronck van den Rhijn:
Maar uwe schimmeringh, u swacke ooghen schadich.
    (5) Met maaghdelijcke melck, verschijnen daar beladich,
Twee silver dopkens rondt, op elck staat een robijn,
’T zijn appelkens ghelijck, daar op twee korskens zijn,
Wiens roode rijpicheyt een lust baart onghestadich.
    Och die’t eens weten mocht, wat Hemels suyghelinck
(10) Daar noch aanlegghen sal; hoe metten gouden rinck,
Sijns Moeders echt cieraat, het dertelijck sal speelen.
    En sitten op haar schoot, verslaan sijn kinder-praat:
Dan waar het segghen uyt, Apelles schoon Du Praat,
Ist’ lieffelijckste kindt, van al des werelts deelen.


Liedeken,

Stemme: Alst begint.

SPint Lachesis wel ruygher draat,
Als de mijn
Atropos wat raadt,
Of snijdt u Susters draat aan twien,
Of laatse bet op’t spinnen sien,

(5) Op dats’ een effen garen draeyt,
        Soo dat ick vry

[fol. L1v, p. 82]
        Vrees aen een sy,
        Durf volghen bly,
Haar wiens’ al mijn geluck toe waeyt.

2    (10) Dertelich Nimphjen onghetemt,
Hoe dickwils heb ick wel ghestemt
Dat ick u openbaren sou
Hoe dat mijn jonck hert leyt in rou,
Ick meen in brandt, int heete vyer

        (15) Dat uyt dijn oogh
        Schoot met sijn boogh,
        Liefde die’r vloogh,
Ach u ghesicht staat my te dier.

3    Ben ick daar ’t u ghesicht verlicht,
(20) ’T is al om niet al mijn ghedicht,
Ick beef van vrees, van schaamt ick blaack,
Stom blijf ick Liefke sonder spraack,
Koom’ ick des avondts naar u gaan,
        Om u de min

        (25) Te beelden in,
        Als ick u vin
Durf ick niet eens mijn oogh op slaan.

4    Lieffelijck lief waar om, waar om,
Waar om soo blijf ick altijdt stom,

(30) Waar om, waar om en durf ick niet
U segghen uyt mijn swaar verdriet,
Best dat ick durf, best dat ick’t laat,
        Durve ick dan?
        Och neen, och neen,

        (35) Och ja’k, och ja’k,
Och neen, och neen, verlooren praat.

5    O gouden hayr bind my te vast,
O voor-hooft breedt te wel ghepast
Is ghelijck het silver wit:

(40) Wijnbraaukens hebdy swart als git,
Maer d’ooghskens blincken al te klaar:
        Van haren glans
        Ben ick bykans
        Verblind al gans,

(45) Ooghskens niet, Sonnen zijn’t voorwaar.
6    U neusken is te properlijck,
Ghij spreeckt my veel te treffelijck
Wt u mondt, met twee lipkens root
Als twee koraalkens, niet te groot:

(50) Twee purpur rooskens, als het schijnt;
        In soete melck
        Drijven, ’tis elck
        Een kaacken, ’twelck
Maackt dat mijn gheest heel verdwijnt.

7    (55) Snewelijck is u kin te veel,
T’albasterich is uwe keel,

[fol. L2r, p. 83]
Te melckich is u bosem soet,
Dit is het dat my sterven doet,
Dat op’t bedeckt ick denck propijs,

        (60) Denckende wens,
        Wenschende sucht,
        Suchtende sterf,
Stervende wederom verrijs.
8    U dracht is te vol majesteyts,

(65) U wesen te vol heerlijckheyts,
U schoenkens zijn my net en wel,
Maer uwe voetkens zijn te snel;
Sy zijn voor my te vliedelijck,
        Als ick u soeck,

        (70)En my verkloeck
        Haast om een hoeck,
Zydy, en ick blijf fantastijck.

9    Nu ben ick in dit hout alleen,
Daar ick mijn ongheluck besteen,

(75) En klaagh de wilde voghelkijns
Dat ick ghestadich ben vol pijns,
Dat wreede Maaghd ick om u ly,
        Lijdende brandt,
        Brandende vries,

        (80) Vriesende gloey,
Gloeyende singh, ’t is toovery.

10    Nachtegaal soete kleyne dier,
Wt uwen tieren keeltje fier,
Als dese wreede Maghet komt,

(85) Singht dan hoe sy haer beromt,
Singht dan hoe dat sy stelen kan
        Mijn jongher hert,
        Hoe’t leyt in smert,
        Om dat ’t niet dert

(90) Segghen, om u komt my dit an.


SONNET.

ICk hebbe ’t al ghesien al wat hier is gheschreven,
Haar silvren voor-hooft ruym, omringht met gouden hayr,
Twee swarte booghskens soet, twee bruyner ooghskens klaar,
Twee blijde lipkens root, twee zijden paarlen even,
    (5) Orangie wanhgskens twee, twee marmeren die leven,
Twee handekens daer aen, twee voetkens snel eerbaer,
Hals, bosem, Arents neus, twee borstkens ront voorwaar,
Twee korskens rijp die mijn doen suchten ende beven.
    Dit heb ick al ghesien veel schoonder dan ick’t schrijf,
(10) Mijn uytspraack is mijn sin alsnoch een kleyn gherijf:
Want ick’t veel hoogher denck om u niet te bedrieghen.
    Het ander laet ick staan, om dat ick noyt en sach,
Hoe wel d’inbeeldingh dick soo klaar is aen den dach,
Die nochtans op ’t vermoen veel seyt die moet veel lieghen.



[fol. L2v, p. 84]

Liedeken,

Stemme: De Vrijer van Saxen.

O Schoone Maaghd,
Ghy hebt seer onversaaghd,
Mijn stouter hert ghestolen,
Ghy wreede dier,
(5) Waerom hebt ghy soo fier
My jongelinck doen dolen,
Of gheeft mijn hert my weer,
Of hoort na mijn begheer:
Es muss noch eins gefraget zein,
(10) Meins hertsen grein
Verstehe wol mein:
Saght hertseliche Meghdelein,
Soll es dan zein,
Saght nicht meer nein.

    (15) Sult ghy verstoort,
Niet hooren na mijn woordt,
Of dat altijdt verstooten:
Een bree rivier
Heb ick van tranen schier
(20) Door d’ooghen uyt ghegoten,
’T is lief om uwen’t wil,
Verhoort my eens al stil,
Es muss noch eins gefraget zein,
Meins hertsen grein

(25) Verstehe wol mein:
Saght hertseliche Meghdelein,
Soll es dan zein,
Saght nicht meer nein.

    ’K heb na ’t behoef
(30) Ghedaan een vaste proef,
Van mijn ghestadich minnen,
Ist niet ghenoech,
Want siet lief u misnoech
Doet kosten al mijn sinnen:
(35) En weest niet meer soo stuyr,
Verhoort my een kleyn uyr:
Es muss noch eins gefraget zein,*
Meins hertsen grein
Verstehe wol mein:

(40) Saght hertseliche Meghdelein,
Soll es dan zein,
Saght nicht meer nein.

    Sterf ick den doodt,
Denck soete-lief ’t is noodt,
(45) Het waar om uwen ’t willen,
Denckt isset recht,
[fol. L3r, p. 85]
Dat van dijn trouwe knecht
Het leven ghy gaat spillen,
Wat baat u doch mijn graf,
(50) Hoort my, blijft niet soo straf:
Es muss noch eins gefraget zein,
Meins hertsen grein
Verstehe wol mein:
Saght hertseliche Meghdelein,

(55) Soll es dan zein,
Saght nicht meer nein.

    By mijn gheloof
Blijft ghy al even doof,
Tot mijn ootmoedich karmen
(60) Sal ick voortaan
Wel elders klaghen gaan
By die my sal ontfarmen,
Doch eer ick henen loop,
Wat gheefdy my voor hoop?
(65) Es muss noch eins gefraget zein,
Meins hertsen grein
Verstehe wol mein:
Saght hertseliche Meghdelein,
Soll es dan zein,

(70) Saght nicht meer nein.
    Hoort na mijn praat
Al eer het wordt te laat,
Of ick loop by de Goden,
By Cupido
(75) Beklaghen dat ghy sno
Mijn duysentmaal doet dooden,
’K sal roepen tot mijn saack
By al de Goon wraack! wraack!
Es muss noch eins gefraget zein,
(80) Meins hertsen grein
Verstehe wol* mein:
Saght hertseliche Meghdelein,
Soll es dan zein,
Saght nicht meer nein.

    (85) Als ghy dan voelt
Liefds branden onghekoelt,
’T welck niet en is te uyten,
Dan sal ick vroet
Ghelijck ghy my nu doet
(90) Mijn ooren voor dy sluyten,
Ick hoor niet dan mijn taal
Al riept ghy hondert maal.
Es muss auch eins gefraget zein,
Meins hertsen grein

(95) Verstehe wol mein:
Kumpt hertselichen junger fein,

[fol. L3v, p. 86]
Jets soll es zein
Verstehe wol mein.




Liedeken,

Stemme: Alst begint.

LIef als ick sach u Godlijckheyt,
Heb ick mijn sin op u gheleyt,
Niet vaardich licht tot u aanschijn,
Daar Pandoors gaven al in zijn.
    (5) U treffelijckheyt is ghewent
Dat sy niet eenen minnaar kent,
Want syse meest al siet beweecht,
Door’t geen ghy van Natura creecht.
    Ick bidd’u oordeelt mijn oock niet
(10) Al eer ghy’t anders in my siet,
Als of ick mee door ydel lust
In u versocht verlanghens rust.
    Al is u voor-hooft van Porphier
Dat Iuppijn dede branden schier,
(15) Al zijn u lipkens van coraal
Seer schoon u leden al te maal.
Soo sien ick nochtans meerder aan
De deuchden die ghy hebt ontfaan,
’K sie meerder op dijn wijs ghemoet,
(20) Dan op u schat, u gelt of goet.
    U minnelijckheyt aldermeest,
En dat ghy uwen Schepper vreest,
Dijn overlegghen suynichlijck,
Niet gierich, arm, noch quistich-rijck.
(25) Dees hebben my ghetrocken al,
Niet als in’t net van Venus mal,
Maar recht als tot de salicheyt,
Die alle ziel in Godt verbeydt.
    Ghelooft dan vastelijck en klaar,
(30) Mijn liefden is niet wankelbaar,
Ghy siet wel ick en stelse niet
Op het verganckelijcke riet.
    Soo ghy de grootheyt gaarne wist,
Dijn Godlijckheyt eens over-gist,
(35) Hoe langhe dat die kan bestaan,
Soo siet dan eens den Hemel aan.
    Soo seer, soo langh by eenich mens,
Dat’t hem mocht welgaan, is de wens,
Soo langh den grooten Hemel staat
(40) Mijn groote liefd’oock niet vergaat.



[fol. L4r, p. 87]

Voorsang op de Engelsche voys.

Potz tausent slappermenten.

Vader.ICk bid mijn Heer de Medecijn
Hy wil eens t’onsent komen,
Mijn Dochter die leyt vol van pijn
Een mensch sou voor haer schromen.
Medec.(5) Wat seghje, leytse sieck te bed.
Vader.Och ja, sy steent, sy kermt,
Sy weet naeu selver waer’t haer let,
’T is binnen in’t ghedermt.
Vader.    Ick bid u Dochter seght my toch,
(10) Waer mach u letsel wesen.
Docht.Of je al haelt den Medecijn,
Hy mach my niet ghenesen.
Vader.Hy sal u wel ghenesen,
Zijt daer vry in gherust.
Docht.(15) Het leyt my hier en quelt en woelt,
Ick hebbe nimmer rust.
Medec.    Ay my wat sie ick uyt’t ghesicht!
Ick ben met haer te lijen.
Vader.Wat schort haer Heer medecijn?
(20) Schort het haer in heur sijen?
Medec.O neen, ’t is liefde die haer deert,
Na dat ick speuren kan,
Vader.Ja liefde tot haer Moeder.
Medec.Neen liefde tot een Man.
Vader.    (25) Dit kleuter liefde draghers,
Sou ick daer niet van weten:
Segh ras wie dat jou vryer is,
En hoe dat hy mach heeten.
Docht.’T Is Jaen Piet Gierten Trijnen Seun,
(30) Woont dichte by Peet Ael:
Dat is mijn hert, mijn schat, mijn troost,
Hy isset altemael.
Vader.    Ick segh, denckt sulcke dingen niet,
Want dat sal noyt gheschien,
(35) My dunckt het noch meer wayen wil:
Wel! Heb ick gheen verbien?
Ick seghje stelt dat uyt u sin,
Want dat sal noyt gheschien,
Maer alsje immers hijlicken wilt
(40) Ick weter jou wel ien.
Vader.    Heer Branckje Vreecken jongste seun
[fol. L4v, p. 88]
Die man die kan hem redden,
Ja dat hyer maer eens omme quam,
Ick sou wel dorven wedden.
Docht.(45) Poep Branckje seker ’t is wat vets,
Hy staet my gants niet an.
Vader.Hoe leghje dus en pruylt en mort,
Wat schortje op de man?
Docht.    Niet anders Vader dan ick wil,
(50) Veel liever dus wat blijven,
Als emant trouwen teghens sin,
Om staegh met hem te kijven.
Vader.Wel blijft soo langh die gheen je bent
Tot dat ick jou weer vraegh,
(55) Siet alst de Vader niet en wil,
De Dochter leyt te laegh.


Liedeken,

Op de Wijse: Het regent en de Son, &c.

T’Regent en die Sonne schijnt ’t is Kermis in de Hel,
Van Treurenburch werd ick ghenoot ten avondt-spel,
Van mijn lief hert op ’t slot van Blijen-burghe.
    Nu hertjen weest vry blijde, nu keeltjen vrolijck singht,
(5) Ghy suchten blijft daer binnen, ghy schellemkens u bedwinght,
Eet en drinckt, en laet violen sorghen.
    U lodderlijck ghelaet, u dertel boevery,
Dat doet de boeren mercken dat ick u neef niet zy,
Lief hertjen de natuur verwint de leere.
    (10) Maer wildyse bedrieghen en dat sy sitten stom,
Soo dick als ick u kusse, gheeft my een kus weerom,
’T sal u niet deeren, maer suspicie weeren.
    U vlucht die doet my vollegen, en ghy kijckt selver om,
U slaen maeckt my verbolghen, u kijven maeckt my stom,
(15) U weygren is een oorsaeck van verlanghen.
    Sit nu vry op de stoepen ghebueren, en siet vry
Wie dat daer nu comt kloppen, klapt, snapt, wat roert het my.
Waeckt al de nacht, en wilt doch morghen slapen.
    Klopt nu vry aen de rinckel, of gheeft een loose knip,
(20) Of klopt vry met u knockel, ick wed ghy vanght nu slip,
Ick wed ghy comter van avondt niet inne.
    Lief hertjen gaen wy wandelen hier buyten in het groen,
Van ’t een prieel in ’t andere, misschien of wy ’t meer doen,
Al te lief hertjen kan niet langhe duren.
    (25) Nu appelboom swijcht stille, nu banckjen weest secreet,
Of seght het vry u meester al ’tgheene dat ghy weet,
Misschien of ghy zijn hertjen mocht beweghen.
    Wat sit ick vast en singhe, die tijdt die gaet voorby,
En wil dat ick moet scheyden van Blijen-burghe bly,
(30) Tijdt benijdt ghy my nu vreucht te maken.
    Adieu o Blijen-burgh, adieu in eeuwicheyt,
In Treuren-burgher kercke soo werd ick nu gheleyt,
Adieu, adieu, o na schoon weer comt reghen.



[fol. M1r, p. 89]

Tafel-liedt, om voor te singhen

by de Bruyts Speel-noots.

WAerde Maeghden hier versaemt,
Vrolijckheyt pleecht, soo ’t nu betaemt,
Plaets en tijdt nu sulcr ghebiedt,
Elck nu queelt sijn liefjens liedt,

(5) Vreuchdich vermaeckt u jeuchdts ghemoet,
So so so so so so lief Nimphiens doet.

    Satyrs wech uyt onse feest,
Wantmen hier u beschimpingh vreest,
Yder toont een open hert,

(10) D’een hier daer tot vreuchde tert,
Bruygom en Bruydt ons sulcr ghebiedt,
Dus fiere Nimphiens fiere laet het niet.
    Soo u knaepken u lief wenckt,
Of dat ghy hem een gluurken schenkt,

(15) Meesmuylt vry, want niemandt weet
Door’t ooghs dray u herts secreet,
Tijdt die bedeckt al wat ghy doet,
Dus lieve Nimphiens toont u liefs ghemoet.
    En ghy eel Jongh-Heeren al,

(20) Denckt dat ghy zijt in Floras dal,
[fol. M1v, p. 90]
Yder sijn Goddinneken dient,
Niemandt siet wat dat ghy meent,
Singht, boert, speelt, mede eerbaer maet,
Gentile helden tijdt nu vreucht toe laet.

    (25) Momus was hier niet gebeen,
Godt
Hymeneus quam alleen,
Leydend onse Bruylofts gheest:
Die nu verquickt u groene gheest,
Al t’samen nu doch vrolijck zijt,

(30) So so so so so so in deucht verblijdt.
    Gheen ghedachten plaetse gheeft,
Als waer door alle vreuchden leeft:
Tijdt altijdt tijdts vruchten bracht,
En Apoll eens jaers oock lacht:

(35) Prince, dees feest kourtoyslijck bidt,
Dat al u herte nu vreucht besit.



Op de voys:

Van Coroquanti.

LAast gingh ick in het wout
Aldaar ick hoorde claghen,
De Herders van haar min,
Alwaar ick’t droevich hout
(5) Sach bitter tranen draghen,
Ia en de boomen,, vertelden haar mijn droomen,
Hoe sy suchten,, hoe sy duchten,
Hoe de nimphen vluchten.
    Dat mijn ontmoeten gheen,
(10) Noch van dees Veldt-Goddinnen,
Noch van dees Herders hier,
Ick vandt my daer alleen,
Ick wist niet te beginnen,
Ick dacht steedts op mijn vyer,
(15) Al wat ick dachte,, ’t was hoe de liefde wrachte,
En hoe ’t minnen,, in mijn sinnen
Sulcken brandt kan winnen.
    Terwijl ick dwaalde daar
Heb ick ten laatst ghevonden
(20) De oorsaack van mijn smert,
Want ick wist niet van waar
Mijn quamen dese wonden
Die ick leet in mijn hert,
Dan doen ick neven,, een eycke vandt geschreven,
(25) Ghy sult lije in u vrijen
Kont ghy haar niet mijen.
    Maar als ick weder dacht
Om haar, en om haar minne,
[fol. M2r, p. 91]
Bevondt ick my ontstelt,
(30) Want liefde seer onsacht
Ontstelde my mijn sinnen,
Soo dat ick leet ghewelt,
’T vyer weder blaackte,, en nader ’t hert geraackte,
’T was van buyten,, niet te uyten,
(35) Dat van binnen niet kan sluyten.
    Ick dacht in mijnen sin
Kan ickse niet verwerven,
Dan door pijn en smert,
Soo wil ick in de min
(40) My liever laten kerven,
En gheven haar mijn hert,
Ick heb beneden,, den boom oock dit ghesneden,
Wat soudt vrijen,, al bedijen,
Wildent ouders lijen.


Sangh.

Wijse: Van en Enghelsche Almande.

NAer dien dat haer ooghjens klaer,
Die mijn geneucht en vreuchde dragen,
My gheen licht en gheven gaer,
Soo moet ick uyt mijn herte jaghen

(5) Duysenden suchten met pijn,
Waer door ick levende verdwijn,
En van sinnen doe ydel zijn.
    Van der uyr dat sy my begaf
Vrolijckheyt my ginck verlaten,

(10) Als van haer moest wijcken af
Ongheluck my quam omvaten,
Droefheyt my benaude seer,
Ick werd bleeck van verwe teer,
Och hoe doet het scheyden seer.

    (15) Als de Tortel-duyve trou,
Weduwe van sijn beminde,
Leeft in droefheyt ende rou,
Latend’ hem op ’t dor hout vinden,
Soo mijn ziel ende ghemoet

(20) Treurt, sijn lief missende soet,
Och wat pijn ’t minnen doet.
    Ghelijck als een Schipper vroom
Die sijn best doet om landt te becomen
Malgre sijn kracht door windt en stroom,

(25) Vindt hem ver daer van ontnomen,
Soo mijn pijn te meer ick peys
Te ghenesen gaet dieper in ’t vleys
O liefde is dit u eys.

[fol. M2v, p. 92]
    De nacht die daer een vriendt is
(30) Der minnaers die in vreuchde sweven,
Verheucht mijn hert, en licht ghewis
Van den dach, doet mijn droever leven
Ick lijd den dach en den nacht bey,
Den avondt en morgen met gheschrey,

(35) Liefd’ pijnt my sonder beschey.
    Ist dat ick somtijds in slape val
Tegens mijn wil door ’tstadigh sloven,
Liefde ontwaeckt my, ende sal
Van u wreedtheyt u niet loven:

(40) Want al het gheen dat my gheschiedt,
Behalven den droom en beduyt niet
Dan droefheyt ende verdriet.
    Somtijdts ick door mijn koetse tast
Menende dat ick daer gherake

(45) De handen, de leden van de gast
Naer wien dat ick soo seere hake,
Ick streck uyt te vergeefs, maer
Sy daer niet zijnde mijn arrem na haer,
Wat lijdt een trou minnaer.

    (50) Mijn Musa maeckt het niet te langh,
Laet zijn een endt van u truerighe sanghen,
Endicht hier droef minnaers gheclanck,
En naer u Helicon neemt weder u ganghen,
Want hy die klaghen mach sijn smert,

(55) Van pijn daer door verlicht sijn hert,
Ja dijckwils vrolijck wert.



Stemme:

Als ick aenschou, de schoone vrou.

Ofte:

Quand la bergere s’en va aux champs.

WAerom laet ghy u jonghe jeucht
Dus sonder vreucht
Onachsaem slijten schoone Maeght.
Onachtsaem slijten schoone Maeght,
U fiere sinnen
(5) Voeght tot het minnen,
Eer ghy ’t beklaeght.
    En wilt doch gheen Nonneken zijn,
U schoon aenschijn
En toont geen kloosterlijck weesen uyt,
(10) ’T is u te stille,
Soudt liever willen
Eens zijn de Bruyt.
    Waer toe bewaert ghy uwen schoot,
[fol. M3r, p. 93]
U lipkens root,
(15) U wanghskens en u borsjens teer,
Schoone Godinne
Gunt my uyt minne
’T ghebruyck in eer.
    Waerom versmaet ghy doch mijn trou
(20) Schoone Ionck-vrou,
’T is langh genoech alleen gerust,
Laet in ons armen,
D’ een d’ ander warmen,
Naer ’s herten lust.
    (25) Hoe comt dat u Maeghdelijck hert,
Siende mijn smert,
Met ’t mijn geen medelijden heeft,
Daer ’t so vol suchten,
In onghenuchten,
(30) Onverdient leeft.
    Laet het doch eens een eynde zijn,
Van smert en pijn,
Op dat mijn hert voor klacht en sucht,
Door mins ghelucke
Ghestadich plucke
Der liefden vrucht.


SONNET.

DAt ic u nacht en dach mijn groot geween laet hooren,
Dat ghy des morgens vindt mijn tranen voor u deur,
En dichten die daer zijn vervult met mijn ghetreur,
Mijn lief daer gaet ghy u te dapper om verstooren.

    (5) Maer laes! wat sal ick doen, wie sal mijn brandt dan smooren?
Als ick aen u mijn lief gheen hoop van hulp bespeur,
Ghy neemt het al te hoogh dat ick by nacht versteur,
In uwen eersten slaep, met mijn gheschrey u ooren.
    Dan soo hier in u gheest soo dapper is ghequelt,

(10) Ick bidde’ u om ghenaed’, laet sincken het ghewelt,
Van uwen toorn verwoet, wilt my dan lief vergheven.
    Dat ick u schoon ghesicht heb al te seer bemint,
Want soo ghy al mijn doen te rechten wel versint,
Dit is alleen mijn schult meest teghen u bedreven.



Liedeken.

SEderboom schoon ,,soet-bloeyende spruyt,
Klaer blinckende dagheraet,
Maghet ydoon,, waerd’eerende Bruyt,
Eer van het vroulijck zaet,
(5) Reyn Goddinne volmaeckt,
U schoonheyt heeft van binne gheraeckt,
Mijn hert dat in minne seer blaeckt,
[fol. M3v, p. 94]
En in perijckel staet.
    Om nu te zijn ghestadich u knecht,
(10) Mijn hert gheheel na treckt,
En kom tot dy ghenadich om recht,
Laet jonste zijn verweckt,
Wilt niet wreedelijck slaen,
U dienaer die komt seedelijck aen,
(15) Laet doch u vonnis redelijck gaen,
Lief liefd’ uyt liefde treckt.
    Seker ick sal luydt singhen u eer,
My ghenadich aenschout,
En altijdt wel volbringhen u leer,
(20) Soo ghy my maer betrout,
Want op aerden ghewis
Gheen schat hem openbaerden soo fris
Dan ghy, die my van waerden hooch is
Boven al ’s werelts gout.
    (25) Niemandt dan ghy in handen en heeft
Mijn klaeghlijck ghemoet,
Dat heel langh vry van banden gheleeft,
Heeft in onrust onspoet,
Maer u deuchde soo reyn,
(30) Verquickt mijn ziels benautheyt certeyn,
Ick vind’ gheen lust noch vreuchde alleyn,
Als in u wesen soet.
    Helaes ick vind soo bloedighen strijdt
Van hoop en vrees te saem,
(35) Dies mijn hert vrijt ootmoedich,
Tot der tijdt aenghenaem,
My u gracij mildt schenckt,
By u die my temptatij fel brenckt,
Ick bid u met gheen quellacij en krenckt
(40) Mijn liefd’ uyt liefd’ bequaem.
    Laet op my doch eens schijnen u licht,
Ghelijck Aurora reyn,
Want certeyn dees u pijnende schicht
Maeckt in ’t hert groot gheweyn,
(45) Ick ben verwonnen in ’t velt,
En met u lief ghebonnen ghestelt,
Dan ghy kont weder jonnen u helt
Victorij suyver greyn.
    Ick beken wel ’t is hooghe ghepeynst,
(50) Maer liefde wast die ’t my riedt,
Cupido met sijn boghe en veynst
Hem over niemandt niet,
Van wat staten, hoe groot,
Heeft my alree ghelaten in noodt,
(55) Dan ghy cont weder baten mijn doodt
Soo ghy weer liefd’ aenbiedt.
    Ontfanght Princes mijn schrijven eerbaer,
[fol. M4r, p. 95]
Neemt my in u ghena
Weest mijn Matres, ick blijve voorwaer
(60) U dienaer vroech en spae
Met verlanghen soo wacht
Ick troost, als een ghevanghen ick slacht,
Ghy hebt my in het verstranghen ghebracht,
Geeft my het woordeken jae.


T’SAMEN-SANGH,

Van Daifilo en Lurio.

                    Daifilo.
LUrio Schoonste van u buyren
Die hier int woudt woonen ontrent,
Hoe lang sal noch dees wreetheyt duyren
Hoe langhsal duyren mijn ellent.

                    Lurio.
    (5) Daifilo stelt uyt uwe sinnen
Dees sware brandt die in u woont,
Hoe kundy soo een vrou beminnen
Die met ondanckbaerheyt u loont.

                    Daifilo.
    Ick hoop u hert noch eens te buyghen,
(10) Als mijn mismaeckte wanghen bloot
U sullen selven overtuyghen
Dat ghy sijt oorsaeck van mijn doodt.

                    Lurio.
    O neen al sach ick u daer sterven,
Een enckel kusjen van mijn mondt

(15) En soudt ghy naeu van my verwerven,
Al kont u maken heel ghesondt.

                    Daifilo.
    Soo heb ick dan mijn trouwe sinnen
Op een quaet fondament gheleyt,
Nochtans soo sal ick u beminnen,

(20) Spijt u, en die ’t sal wesen leyt.
                    Lurio.
    Hoe? Wilt ghy dan mijn dienaer wesen
En niet eens vraghen na mijn wil,
Ick heb een ander uytghelesen,
Die my bet mint, en ick wel wil.

                    Daifilo.
    (25) Ick sal u nimmermeer verlaten
Al soudt ghy eeuwich voor my vlien,

[fol. M4v, p. 96]
Ghy meucht my by u selven haten,
Maer kunt my ’t minnen niet verbien.

                    Lurio.
    Besadicht uwe woeste sinnen,
(30) Een weynich u ter neder slaet,
Vermindert wat u heftich minnen,
Ick sal verminderen oock mijn haet.

                    Daifilo.
    Noyt heeft my noch de min verdroten
Hoewel ghy die beloont met quaet,

(35) Waer uyt is u dees haet ghesproten
Die u soo diep int herte staet?

                    Lurio.
    Dees haet die ick dus voer van binnen,
En u by my dus maeckt veracht,
Die spruyt alleenlijck uyt u minnen,

(40) Dat ghy soo veel loons waerdich acht.
                    Daifilo.
    Kan liefde dan een oorsaek wesen
Van een soo doodelijck fenijn,
Het komt uyt u hardt hooft gheresen,
Dat nimmermeer versacht kan zijn.

                    Lurio.
    (45) Wy hebben langh ghenoech staen praten,
De kans mach nemen eens een keer:
Siet of ghy my soudt konnen haten,
’K sal u dan moghelijck minnen weer.



Op de Stemme:

Besit in Venus naem de voorste bancken.

WEl op mijn droeve geest wilt u vermaken,
U truericheyt en vordert niet u saken,
Daar u voornemen heen meent te gheraken.
    Laat varen alle sorgh vol fantasijen,
(5) ’T sal u verduldicheyt tot vreucht ghedijen,
Verdrijven tenemaal ’t voorleden lijen.
    Al thoont u gheluck zijn teghendaden,
G’ en soudt des hemels gunst daarom versmaden,
En seylen voor de windt op Gods ghenaden.
    (10) U weghen zijn in Zee vol woeste baren,
En wilt u daarom niet te seer vervaren,
De Goden kunnen u daar wel bewaren.
    Bestiert u sinnen voor al eer sy stranden
Aan steenen klippen ofte hooghe sanden,
(15) ’T is prijckeloos of ghy wel soudt belanden:
[fol. N1r, p. 97]
    Een leyd-ster heeft den Hemel u ghegheven,
Dat is den rechten middel van u leven,
Daar op dient u verstant te zijn bedreven.
    Al komen vreemde havens u ghereder
(20) Door onghestuymicheyt van ’t quade weder,
Strijckt voor de harde windt een seyltjen neder.
    Hoe dickmaals is u lijf in duysent lasten,
Als u het avontuyr soo komt aentasten
Dat ghy u scheepjen door noodt vermasten.
    (25) Leert u mijn sinnen hier niet voor te schromen
Of u dees teghenspoed mocht overkomen,
Om dat ghy hebt te reysen voorghenomen.
    Wat krijght een minnaars seyl al winden tegen,
Mijn penne heeft het minste niet ghesweghen
(30) Het meeste moet dan wel het swaarste weghen.


Sangh,

Wijse: Espritz qui souspirez.

ADieu schoonheden preuts vol sachte tooverijen,
Terwijl ick segh adieu, verhoort mijn droeve klacht,
’T is nu niet meer gheveynst, mijn doodt sal u belijen,
Sat ick mijn sterven soet, en ’t scheyden bitter acht.

    (5) Adieu Godlijck ghesicht een oorsaeck van mijn ende
Dat om mijn heete vlam te koelen tranen schept,
D’ ondanckbaer tranen gaen, mijn ziel blijft vol ellende,
Dit maeckt my ’t sterven soet, dewijl gh’ er lust aen hebt.
    Adieu ghebloosde mondt, daer in verscheyden woonen

(10) Soo soetelteve reen, en daer ick uyt bespeur
De teghen-sangh van mijn bedroefde doodtsche toonen,
Daerom ick deur ’t adieu meer als om sterven treur.
    Adieu handen die bindt met onghemeene banden,
Mijn handen, ooghen, hert, mijn leven en mijn spraeck,

(15) Die al mijn vryheyts vreucht in slavernije spanden,
Waarom ick in ’t adieu mijn leven oock versaeck.
    Adieu verheven stem, vermoghend’ om t’ ontsteken
Van harde rootsen hardt den alderhardtsten hoeck,
Hoe is dees lieve lust mijn hert dus hardt ghebleken,

(20) Dat ick den sachten doodt voor ’ bitter scheyden soeck.
    Adieu Ivooren hals daer ick mijn laven hoopte,
Dewijl ick sterven moet weest my soo veel te wil,
En graeft beneen u borst het hert dat ghy soo noopte,
Soo siet ghy dan hoe soet dat my mijn sterven vil.



Op de wijse:

Si tanto gratioso.

SNelwieckich Wicht der liefden
Wie ist dien ghy nu hebt dijn strael gegeve,
Wie wast dien ghy soo griefden
Met uwen schicht, dat d’ aerdtrijck moeste beven.
[fol. N1v, p. 98]
(5) Dat ’t firmament, wierdt heel gheschendt
Door ’t smoockich minnen blasen,
Wast niet den ghenen,
Die ghy hebt gaen verleenen
’T vreuchdich asen.

    (10) Met recht ghy my antwoordet,
En Cupido dat op u was mijn micken,
En dat ghy dees doorboordet,
Of dat sijn jeucht tot liefd sich sou verquicken,
Maer ’t is wel vremt,, dat ghy beklemt,
(15) Noch door u konde werden,
Midts sijne jaren
Wel thegen het beswaren
Konde herden.

    O neen my komt voor ooghen
(20) Dat ghenich mensch u schichten kan ontvlieden,
Seer groot is u vermoghen,
En stercke is ’t ghenich ghy gaet ghebieden,
Van Amsterdam,, ick tot u quam,
U schicht door vlees en beenen,
(25) Om na veel smerten
Dees twee verscheyden herten
Te vereen.


SONNET.

ME vrouw wel hoe? Wat nut sal u het weygren geven,
Als van u fiere moet den tijdt de vleughels cort,
En dat de roosen root en lelijen verdort
Van uwe kaken zijn, o Sonne van u leven?

    (5) In wat verdriet en anghst. sal dan u ziele sweven
Als ’t root corael uws mondts in bleeck verandert wordt?
En dat de gaven die soo mildt in u ghestort
Waren door de natuer, u sullen zijn ontdreven.
    En als ’t gout-dradich hayr, gekrult, gevlecht, gespreyt

(10) In grijsheyt gantsch verkeert, en dat de gladdicheyt
Uws voor-hoofts is beset met veele rimpels breedt?
    Niet anders als berou van u verloopen jaren,
Die met verdriet en smert u ziel sullen beswaren,
Om dat ghy jeucht noch tijdt niet recht en hebt besteet.



Liedeken, op de wijse:

Cupido gheeft my raedt hoe ick
sal moghen winnen.

O schoon Goddinne schoon
Ghy doet my sterven leeren,
Helaes voor liefdens loon
Gaet ghy mijn smert vermeeren,
(5) Aen wien gantsch gheenen raedt
[fol. N2r, p. 99]
Komt ghy mijn niet te baet
Soo sal in korten stondt
Mijn vreucht in druck verkeeren.

    Den gantschen dach en nacht
(10) En doen ick niet dan klaghen,
My dunckt de Swaen ick slacht
Die stervend’ gaet ghewaghen,
Bedroeft een danckich liedt
Tot teecken van verdriet,
(15) En dat misdien ick moet
Alleen dit lijden draghen.

    De heldre Son en Maen,
De lichte fackels blondich,
Met droefheyt zijn belaen
(20) Door ’t lijden swaer hertwondich
Dat ick steedts draghen moet
Door Venus brandt en gloet,
En ghy Goddinne wreedt
Thoont my gheen weerliefd bondidich.

(25) Och waerom wilt ghy niet
Mijn uytverkoren vrouwe
My helpen uyt ’t verdriet,
En schenken my u trouwe
Ghy dertel lonckend dier
(30) Blust Venus vonckich vyer,
Helpt my uyt desen noodt,
Of ’t herte berst van rouwe.

    Mijn suchten en gheschrey
’T ghedierte doet erbarmen,
(35) Wiens klanck in des contrey
Gheeft Echo van mijn darmen,
De beken ruysschen klaer
Oock door mijn groot misbaer,
Voort brenghen sulcken voys
(40) Dat yeder mach ontfarmen.

    Ick bid u schoon Princes
Voor druck my vreucht wilt schencken,
Wie ’t lijdens oorsaeck is
Kont ghy Godin bedencken,
(45) Thoont my doch u ghena
Schoon lief eert valt te spa,
Eer dat de wreede doodt
Mijn lichaem dan komt drencken!



[fol. N2v, p. 100]

Mey-Liedt, Stemme: Est ce Mars.

ZEphyrs gheblaes de Lindekens cieren,
Lover groen,

Philomelas stemmekens swieren
Door het groen,

(5) Titer, Pan,, komt nu an,
Queelt nu grof,, des soeten Mayas lof,
En spoet u dan:

Maya soet,, die ons voedt
Eert nu t ’saem,, wech geyle Venus naem,
(10) ’T gaet de deucht aen.
    Poesele Nimphjens komt wilt verlusten,
Boswaert in,
Wilt op het kleet van
Flora u rusten,
Vliet de Min,

(15) Satyrs vuyl,, Bergh en kuyl,
Volghen naer,, om u t’ verleyden daer,
Vliet wech ter schuyl,

Mayas vreucht,, ons verheucht,
Die in deucht, ons jonghe hert verjeucht:
(20) Vliet de Min vuyl.
    Lustich sietmen
Driadekens springhen
Door het velt,

Silvan, Pan, wilt nu vrolijcken singhen,
Deucht vermelt,

(25) Lentes lust,, nu t’saem blust,
Galathé,, mach met Dametas mee,
Leven met lust,

Maya soet,, die ons voedt
Eert nu t’saem,, wech geyle
Venus naem,
(30) Swijcht, u hooft sust.
    Comt nu
Bataefsche Maeghdekens vieren,
Maya bly,
Wilt
Mayas lof deuchd ’lijcken cieren,
Nu ter ty,

(35) Muses-sanck,, Orpheus klanck
In
Temps dal, met oversoet gheschal,
Deur vreuchts bedwanck,

Mayas vreucht,, ons verheucht,
Heel in deucht,,
Princes die ’t al vermeucht,
Neemt dit in danck.




Stemme: Alst begint.

ARch Venus wicht
Is dit u sotte lust,
Dat gh’ in my sticht
En niet weder en blust
(5) Dees wreede brandt die mijn verwonen hert
Verteert, verteert,
Verteert o vlam! Met al te wreede smert,
[fol. N3r, p. 101]
    Neyght eens u oor
Om t’aenhooren dees klacht,
(10) Van hem die voor
U gants leyt in onmacht,
En blijft toch nu niet langer siende blindt,
Dat bid, dat bid,
Dat bid ick u wel lieflijck Venus kindt.
    (15) Neemt uwen schicht
En raeckt haer in ’t gemoet,
Van die gesicht
My soo veel lijden doet,
Op dat sy eens bevindt in haren sin
(20) Wat pijn, wat pijn,
Wat pijn ick lijd door al te trouwe min.
    Ay mijn Godin
Komt opent uwen deur,
En laet doch in
(25) U dienaer die hier veur
U staet, en soeckt te doen sijn droeve klacht,
Hoe ghy, hoe ghy,
Hoe ghy hem hebt door liefde t’ onderbracht.
    Rasende dan,
(30) Voesterse van mijn kruys,
Koom ick hier an,
Dolende naer u huys,
Op hope van eenmael te zijn verhoort,
Daerom, daerom,
(35) Daerom,Godin en weest doch niet verstoort.
    Ach ghy hebt niet
Genoech gesien dees pijn,
En het verdriet
Van dit doodtlijck fenijn,
(40) ’T welck leyt en wroet in mijn verwert gemoet,
Dat my, dat my,
Dat my wel duysent dooden sterven doet.
    Eer dat de min
In dese wreede smert,
(45) My in den sin
Eerstmael gesonden wert,
Sey ick, de liefde was een kinder-werck,
Maer nu, maer nu,
Maer nu valt my de minne veel te sterck.
    (50) Siet dat den Godt
Die ghy nu niet en kent,
En mede spot,
U oock geen pijl en sendt,
En dat hy u geen hulp en doe met haest,
(55) Waer van, waer van,
Waer van ghy dan lichtlijck Nimphe raest.



[fol. N3v, p. 102]

Op de voys:

De Enghelsche Schoen-lapper.

O Dartele Nimph, jentile Maeght,
Wat port u toch te vluchten?
’T schijnt dat mijn heusheyt u wanhaeght,
Waerom sijn dees ghesuchten,

(5) Loopt ghy beschroomde Herderin
En vliet de Min/ en laet mijn sin
Becommert en vol duchten.
    Alst ’t flickerich stralen van de Son
Zijn u gout-drade vlechten,

(10) De Min hier door mijn herte won
Door Venus onderrechten,
En maeckte mijn u slave kranck
Teghen mijn danck, en heeft in dwanck
Mijn ziel in ’t jock doen hechten.

    (15) Wanneer ghy wimpelt met u oogh
En my na u siet komen,
Schuachtich achter ’t ruygh ghy vlooght,
Of achter struyck van boomen,
En lachten en beboerten daer

(20) Mijn weedom swaer, dat ick om haer
’T ghetraen uyt d’ oogh deed stroomen.
    Maer gister avondt als haer trop
De lammeren hier gaf suyghen,
De suchten dronghen uyt mijn krop,

(25) Haer hert dat most noch buyghen,
Wanneer sy met haer wanghen root
Aensach mijn noot, al waer sy snoot
Sy most my jonst betuyghen.
    Sy tolkelde mijn verheerde ziel

(30) Weer op een nieu met smerten,
Doe ick voor haer te voet neer viel,
En met een oprecht herte
Bad om van haer de heerschappy,
Doe vlucht sy seer snel van my,

(35) En ’t scheen de Min sy tarten.


SONNET.

OP d’ruysent witte strant der Schevelinghsche baren,
Mitdts al de stralen Prins de Hoorisont ghenaeckt,
En grisaert schuyment tooren zijn rasen had ghestaeckt,
De golfkens recht uyt vreucht gantsch dertel hippelend waren.
    (5) Gh’lijck of de trotse Zee als liefkens t’saem vergaren,
Hen lief en soet ghespreck, waer lievers wensch na haeckt,
Int minst niet stooren wil, was ick onlanghs gheraekt
Met Selia mijn schoon, die schriftelijck wil verclaren
    ’T gheheim haers eele herts, en schreef in ’t sant ’t beduydt,
(10) Haer liefd verandert niet, ach doen mijn ziel most beven,
[fol. N4r, p. 103]
Van vreucht, des anderdaechs was ick voor tijdt ons Bruydt,
    Ter plaets desschrifts, elaes, Boreas had ghedreven
’t Beduyt mijnes ghelucks het heylich woordt niet uyt,
En vandt ach my haer liefd verandert, ’t eyndt mijns leven.



SONNET.

ALs u gout-dradich hayr in silver sal verkeeren,
En d’ouderdom verstijft u reyne frissche leen,
U Hemels schoonste schoon, ach springtocht mijns geween
U heusche boerterij den grijsaert sal verteeren.

    (5) U eel gentiel ghelaet dees Herder stem sal leeren,
Voor liefd’ saen salmen hayl, u soet hert steelen reen,
U wesen Monarchael d’welck onvergancklijck scheen,
Den nijdich snelle tijdt u schoon sal doen onbeeren.
    Als ghy dan registreert de wercken van u jeucht,

(10) Sult ghy bevinden vrou hoe stuers ghy my oyt loonden,
De waer en eerbaer liefd gheheijt op naeckte deucht,
    Die ick mijn leven lanck u dienstelijck betoonde,
Soo ghy ’t alleen besicht wel vastlijck looven mocht,
Dat ghy mijn snee wit hooft met Laurier croonen croonde.



SONNET.

ACh dat mijns herten wensch oprechte waerheyts waren,
Mijn Laura sou mijn lief niet loonen met waen trou,
Want was ick Hemels Heer, ick maeckt haer Hemels Vrou,
En had ick Enghels licht, sy sou het licht bewaren.
    (5) Was ick d’al weydend Son sy sou den dach verklaren,
Was ick een peerel, mijn lief peerel wesen sou,
Was ick d’almachtich Godt, ick gaft haer al op trou.
Of was ick werelts Prins, ’k sou echtelijck met haer paren.
    Ia dat ick Phoenix was ick schonck haer al mijn aert,
(10) Of d’eedle Diamant, ’t gentielste ghebloemt schoone,
Of d’al werckende tijdt, sy beheerd’ al de aerdt.
    Schoon Laura was ick’t al, ick gaf u flucx op trouwe
Des Hemels Enghels macht, na verdiensten en waert,
Gout, peerel, bloem, diamant, Son, Phoenix, tijdt en croone.


SONNET.

DAt ic lief, lief niet lief, is wonders, wonders, wonder,
Dat hert steelende tongh niet gun ’t langh gh’wenst gheluyt,
Dat dat ach haylich woordt niet eens mach comen uyt,
Daer sulcken wreeden aert helaes moet schuylen onder?

    (5) Ay schoone schoonste schoon, dat Selia is sonder
Ghevoelen van weer liefd, ick gh’loof soo Tytons Bruyt
Bewust waer schoon u doen, als sy den dach ontsluyt,
Sy vluchte na de hoocht, en bracht en aerd beefs donder.
    Midts dat ghy hebt veracht die u langh heeft getoont

(10) Sijn hert en zielensliefd, wat sullen dees jonck-heeren?
Doch cordlen alsmen weet, ghy mijn dienst wreedlijck loont.
    Ghy rooft u eyghen eer met ander te onteeren,
Doch soo mijn kleyn verdienst u noch ten deel verschoont
Ontsiet u eyghen faem, wilt medelijden leeren.




[fol. N4v, p. 104]

SONNET.

Soo liefde is een Godt, soo ist een onrechtveerdich,
Vergeldent minst aen die, die dienstlijck dient met trou,
En ’t blindt lichtveerdich kindt, niet siende ons herts rou,
En acht ons ’t minste deel ons wens te zijn onweerdich.
    (5) Na dat sijn gayle pijl ons heeft door-schoten vaerdich,
Besteckt dat onsen gheest dan nimmer rusten sou,
Helaes waerom? alleen om ’t kiezen van een vrou,
Dan boert hy, spot en tuylt, met sulcken schijn jonst-aerdich.
    Dat hy sijn spel begint, kunt kluchtich met een kluyt,
(10) Dewijle klaght en hoop staech ons siels wens beklemmen,
Ach teere jeuchden die niet weten siels beduyt,
    Onkunbaer het ghevaer, daer lievers staech in swemmen,
Het naeckte beeldt van liefd’ghy wel keunt trecken uyt,
Die ’t bleeck ghesicht vermidts mijn Selia doet sterven.


Op de wijse:

’T wasser een proper Tanneken.

MYn veylich levens lusten
Verblickt ghelijck ’t ghebloemt,
’T gheterch en laet niet rusten
Maer dwinght mijn tongh, en roemt

(5) Noch van de Min, hoewel ’t mijn sin
In slavernij verdoemt.
    De Maen haer klare lichten
En port my hier te gaen,
Noch oock de sterren schichten

(10) Hier by u deur te staen,
Maer naer begeer, ick heen en weer
Gae trentlen door dees paen.
    De langh-duyrighe smerte
Scha tot het liefs verniel,

(15) Bereydt de wegh int herte
Tot uytkomst van mijn ziel,
Wat al onrust, laes met mijn rust,
In’t offren scheydt ghehiel.
    De langh verwachte vreuchde

(20) Stelt wanhoop nu te leur,
De klare glans vol deughde
Deckt nu een nevel veur,
U wel ghetoyt cieraet ontslaet,
Nu gheen meer mijn ghetreur.

    (25) U stem die my kost drijven,
Walcht my nu, ende houdt
My hier alleen te blijven,
Int naerste van het woudt,
Op droefheyt maelt, en ’t hert verhaelt,

(30) ’T gheboomt, en morghen coudt.
Streckt tot het verghenoeghen

[fol. O1r, p. 105]
Verblijdt ghy in mijn noodt,
Hoe sal het hert u wroeghen,
En terghen na mijn doodt,

(35) Wanneer de bruyne aerd bewaert
Mijn lichaem in haer schoot.
    Ghy Noorde windt de tijdingh
Mijns doodts wel wesen mach,
Doet vryelijck belijdingh

(40) Haer van mijn sterf-dach,
Haest of dat sy noch eens om my
Mocht suchten met gheklach.


                            ’T is verkeert.


Stemme: Cest Mars le grand Dieu, &c.

AEmtocht mijn hertjen, nu eens vriendinne,
Komt verquickt,
Schildert my af nu toch eens u minne,
Op dat ickt
(5) Sie, en daer door my tot u begheef,
Want sonder u Godin ick sneef.
    Vooghdesse van mijn brandt die ick lijde,
Komt verlicht,
Mijn duysent schoon brenght my verblijden,
(10) In mijn sticht
Eenen hoop tot verlossing eerbaer,
Helpt u slaef uyt dit beswaer.
    Soo sal ick u dan dancken voestersse
Voor dees deucht
(15) Dus wilt in my doch het bloedt ververssen,
Dat mijn jeucht
Hier verquickt door uwe lieve troost,
Verhoort u slaef doch sijn propoost.
    ’T Is seker tijdt mijn krop nu te blussen
(20) Vol oproer,
Komt doch mijn leyd-ster, wilt in my sussen
Dit rumoer,
Want ghy kent het doen en anders gheen,
Dus peerel stelt my uyt ’t gheween.
    (25) Princes in wien mijn ziele moet leven,
Gheeft my kracht,
Gheneest my vrou al eer dat ick sneve,
Want ick wacht
Ick hoop, ick wacht na u medecijn,
(30) Dus komt meesterss’ghesen mijn:

                            Liefd’ verwint sterckheyt.



[fol. O1v, p. 106]

Liedeken, op de wijse:

Galiarde brave. Of, Ma toute belle qui di tu.

ONlanghs als ick my vermeyde klaer,
Om vreucht t’oorboren soet,
En weeren fantasije swaer
En druck uyt mijn ghemoet:

(5) ’T herte verheuchde my van ’t fatsoen,
Te sien de velden al becleedt soo groen.
    De boomen waren oock verciert
Met groene bladers jent,
De prieelen fraey ghelauriert

(10) Veel dichter dan een tent,
Den reuck der bloemen was oock soo groot,
Dat alle druck uyt mijn herte verschoot.
    De vijvers claer als een christal
Sach ick daer vloeyen reyn,

(15) En vischkens swemmen over al
Door beecxkens groot en kleyn,
’T voghel-ghesanck was daer seer wel,
Lieflijck, ja soeter als een snaren-spel.

    Orpheus snaren gaven gheklanck,
(20) Phoebus werdt oock ghehoort,
Musica lustich met haren sanck
Maeckten een soet accoort,

Venus sat by lustich en fier,
Apollo reyn spelende op de Lier.
    (25) Ceres ghekroont met eenen krans,
Bedreef vreucht en jolijt,

Pallas die maeckt’ een ronden dans
Al op den selven tijdt,
Mars bedreef vreucht sonder gheschil,

(30) Neptunus baren stonden daer oock stil.
    Diana schoon ter jacht beleyt,
Quam haestelijck daer aen,

Flora met bloemkens wel bekleydt,
Van
Cupido ghevaen,
Sach ick daer wandelen handt aen handt
Door de weghen seer groen ende playsant.



Bruylofts-Liedeken,

Op de wijse:

Yets moet ick u Laura vraghen.

WOnderbare Echtens stricken,
Door des hooghe Hemels schicken,
Vaeck op ’t onversienst gheschien.
Liefde vlecht de Trouwens banden,
(5) Eendracht cierdt de gulden randen,
Soo ’t van Gode is versien.
    Godt gun dees Ghehuwde seeghen,
Nu hen wensch is lief verkreghen,
Bruydegom en Bruydt eersaem,
(10) Dat sy tweedracht gantsch vernielen,
En hun herten en hun zielen
Sluyten beyd’ in een lichaem.
[fol. O2r, p. 107]
    Tracht hier na door Godes vreesen,
Parend’ paer soo sult ghy wesen
(15) Vreedich in u eyghen rust:
Uwe vreuchd’ en teghen strijden,
Matight voort tot allen tijden
Om ghenieten ware lust.
    Als ghy teeld’ u Echtens vruchten
Wiltse met vermaen op tuchten,
En hun buyghen na Gods Wet,
Dat als ghy door ’s Herrefst vlaghen,
Langher niet kunt vruchten draghen,
Heure gunst dan hebt te bet.

                            Die faelt mach keeren.


Stemme: Alst begint.

HOort Jupiters scholieren
Die blindelijck hantieren
Vreuchde met Venus dieren:
Fadry la la la la la,

(5) Soeckt een Maeght goedertieren,
Dat u niet berout na.
   Want trout ghy dan een rijcken
Daer men in alle wijcken,
Aensiet haer doen met strijcken,

(10) Fadry la la la la la,
En door u vinghers kijcken
Soo moet ghy vroech en spa.
    En trout ghy dan een armen,
De kinders hoort men karmen,

(15) Door ’t ghebreck gaense swermen,
Fadry la la la la la,
Met de mandt aen de ermen,
Bidden op Gods ghena.
    Trout ghy een Jonck-vrou schoone,

(20) Yeder mint die ydoone,
En begeert de persoone,
Fadry la la la la la,
Soo hebt ghy vrees voor hoone,
En werdt oock jeloers dra.

    (25) Trout ghy dan een leelijcken,
Al konse noch soo prijken
De liefde sal beswijcken,
Fadry la la la la la,
Door ’t ghestadich aenkijcken,

(30) ’T leelijck verwerptmen dra.
    Gaet ghy een oudt wijf trouwen,

[fol. O2v, p. 108]
Stadich moet ghyse aenschouwen,
En ’t oude vel te touwen,
Fadry la la la la la,

(35) De koop sal u berouwen,
’T sal zijn, oude hoer ga.
    Trout ghy als d’onbekande,
Een jonck van kleyn verstande,
Tot de nelleboch sonder hande,

(40) Fadry la la la la la,
’T huys houden dijt tot schande,
Groot hertseer volght daer na.
    Niet dat ick wil verachten
Wt jonck of groot van machten,

(45) Schoon of van arm gheslachten,
Fadry la la la la la,
Maer jongh-mans die daer trachten
Onghlijcke partuer na.
    Ghy Princen, t’alder uyren

(50) Soeckt deuchdlijcke figuyren
Van staet, jae u partuyren,
Fadry la la la la la,
Daer deucht is sal liefd’ duyren,
’T salich sterven volcht na.


                        Een is noodich.


BRUYLOFTS-LIEDT,

Op de Toon:

Droefheyt mach ick wel klaghen.


DEn langh ghewenschten tijdt, daer langh naer is gehaeckt,
Den driemael blijden dach, is voor de handt gheraeckt,
Den Minnaer wel te recht, gheluckich heeft gheslaeft,
Die eynd’lijck al sijn leedt, in Hymens schoot begraeft.

    (5) Den strijder overwint, en werdt op ’t lest ghekroont,
Den arbeydt is gheringh, naer dat hy werdt beloont,
Den liever werdt ghelieft, en krijght ’t gheen hem ghelust,
Wat moeyt en is niet weerdt, dees aenghename rust?

    ’T is desen Bruydegom, en dese Bruydt, die beyd,
(10) Vereenighen te saem, in alle vriendlijckheyt.
Ghenoode maeckt u ree, en met een soet gheluyt,
Wenscht voorspoet, heyl, en vree, den Bruyd’gom met sijn Bruyt.

    Den padt met bloemkens stroyt, werpt lauwer hier en daer,
Weckt lieflijck snaren-spel, vervrolijckt u te gaer,
(15) Den Bruyd’gom sulcx ghebiedt, dat ghy met vreucht vervult,
In sijnen blijden dach, ghy u vermaken sult.

    Wech droefheyt, nijdt en strijdt, ghy zijt hier niet ghenoot,
Dees Feeste niet en steurt, noch van haer vreuchdt ontbloot,
Elck dese twee versel, in hunnen hooghen staet,
(20) Met een bly aenghesicht, en minnelijck ghelaet.



[fol. O3r, p. 109]

Alon ma folastre Mignione


IA noodich acht ick nu te roemen
Van de deucht die ghy hebt ghedaen
Aen mijn o edel suyver bloeme,
Dus ghy in mijn hof steedts sult staen

(5) En bloeyen daer lustich ten toon
Boven al mijne bloemen schoon,
Soo dat ick, ick
Door vrees die niet derf plucken,
Dies ick schrick,

(10) En vreesende die maer ruycken.
    Sampson die voor sijn trouwe liefde
Van
Dalida ontrou vercreech,
Maer Lief ghy mijn beter gheriefde,
Dus ick mijn hert tot u beweech,

(15) En sal spreken van u lof
Want u deucht klimt aen ’s Hemels hof,
Soo dat my, my
Mijnen pen niet kan beschrijven
Dijn eer vry,

(20) Die voor my steedts gaet drijven
    Pallas die in wijsheyt was rijcke,
Die gaet ghy Maghet spooren na,
Soo dat ick noyt vandt uws ghelijcke,
Daerom wil ick mijn haesten dra

(25) Te schrijven Lof-dicht van u Maeght,
Want u aert en schoonheyt behaeght
Nu oock hier, hier
Menich Minnaer in dit pleyne,
Dus ick vier

(30) O Maeght u weesen reyne.
    Musijcks gheluyt is fraey te hooren
Als het gheschiedt met goet accoort,
Soo zijn de reden uytvercoren
Die uyt u mondt lief komen voort,

(35) Want als ick deed mijn droef propoost,
Aen u, soo hebt ghy my vertroost,
Daerom wil, wil
Ick u deuchts manier verhalen
By mijn stil,

(40) En die kroon op u doen dalen.
    Doch ter eeren van u Princesse,
Wiens lof dat door het woudt seer giert,
Is herghedaen edel matresse,
Dus u die windt veel suchten stiert

(45) Van my, soo dat de boomen al
Daer steedts bewghen in dit dal,
Om u nu, nu
Te verklaren al mijn smerten
Die ick schu

(50) Heb gheleden in mijn herte.

                            Liefd verwint stercheyt.


Ie seray vous bon amy.

ICk weet een seer schoon Godin
Waerom ick lijd veel smert,
En sy houdt my met haer min,
Dus lijd ick pijn in ’t hert
[fol. O3v, p. 110]
(5) Om dees vrou, daer ick trou,
Om dees vrou daer ick seer goet
Veel om lijden moet.
    Maer als ick aensach die deucht
En edelheyt van haer,
(10) Soo werde ick seer verheucht,
En bracht in ’t openbaer,
Haer manier, en bestier,
Haer manier ende haer deucht
Wracht in mijn veel vreucht.
    (15) Och mocht ick met lusten vry
Wesen u Herder teer,
Dan soo soud ick hoeden bly
U schapen met veel eer,
In een wey, en valey,
(20) In een wey die staet seer groen
Soud ick mijn gaen spoen.
    Daer soud ickse voeden wel
Na u believen reyn,
En soud mijn spoeden snel
(25) Tot u vee in ’t ghemeyn,
En ick sou, edel vrou,
En ick soude dan seer eel
U vee maken veel.
    Daerom mijn Princes doch jont,
(30) Te wesen u dienaer,
Soo sal ick in corten stondt
Onse schapen te gaer
Hoeden bly, int woudt vry,
Hoeden bly voor ons Godin,
(35) Tot onser ghewin.

                            Liefd verwint sterckheyt.


Stem. Laboré de France

KOmt my Nimphe doch te baet
Alhier in dees bedroefde staet,
Wilt my, nu vry
Met lust en rust ghenesen hier,

(5) Soo sal ick u o edel dier
Dancken met herte bly.
    Want ghy siet liefste mijn
Waerom dat ick lijd groote pijn,
En smert, in ’t hert,

(10) Soo dat, ghy rat mijn ’t herte raeckt,
Waer door in my den brandt heel blaeckt,
Al met een droeve schijn.

[fol. O4r, p. 111]
    ’T blaken van het branden hier,
Wilt dat toch blussen edel dier,

(15) Verhoort een woordt,
Van my, hier vry, mondeken root,
Dat ick mach rusten in u schoot,
Van nu en altijdt voort.
    Soo sal ick o Maghet reyn

(20) U dancken voor dees daedt in ’t pleyn,
Dat ghy, seer bly,
Mijn hert en smert verheuchde weer,
Dat ick ’t ghedencke nimmermeer
’T verdriet dat ghy deedt my.

    (25) Och mocht ick na mijn wellust
Met u Princesse gaen te rust,
En daer, voorwaer
Gheneucht en vreucht bedrijven soet,
Soo sou verheughen mijn ghemoet

(30) Wt een reyn hert eerbaer.

                            Liefd verwint sterckheyt.


D’Enghelse Courant.

GOdin die mijn herte verheucht,
Ay brenght my nu de vreucht,
Ende aensiet eel Maeght op mijn jeucht,
Die u bemint in deucht,
(5) Want ’t hert, vol smert,
Verwert, is met min
Daerom laet schoon Ionck-vrou, u trou
Komen na mijnen sin.
    Mijn sinnen sijn Goddinne ghestelt
(10) O lief in u ghewelt,
Daerom wilt in dit lieffelijck velt,
Niet wijken van u helt,
Maer blijft, gherijft,
Niet drijft, van my Maeght,
(15) Want ghy my nu met lust, seer gherust,
Als een Godin behaeght.
    U verstant overtreft Godin hier
Pallas verstant eel dier,
Daerom wil ick my wenden fier
(20) Tot u soet Eglentier,
Om sien, bespien,
En vlien, tot u deucht,
Haest of ghy eens door min, Godin
My sult brenghen de vreucht.
    (25) Vervreucht my Princes met ’t ja woordt,
D’welck mijn jonck hert bekoort,
Wilt op my wesen niet verstoort,
[fol. O4v, p. 112]
Maer mijn request verhoort,
Maeckt bly, en vry,
(30) Die dy, recht bemint,
Want sonder uwe trou, mijn vrou
Ben ick alst swackste kint.

                            Liefd verwint sterckheyt.


Ick weet een suyvere Maget fris.

KOmt helpt my klaghen Goden al
Die daer de Min regeeren,
Aen Venus, waerom sy in ’t dal
My dus houdt in trueren,

(5) In lijden, in strijden,
Verdwijn ick als snee op ’t velt,

Cupido my niet meer quelt,
Maer brenght my verblijden.
    Hoe zijt ghy dus op my verstoort

(10) O! Cupido moórdadich,
Dat ghy my hier niet en verhoort,
Maer zijt altijdt versmadich,
Mijn minnen, en sinnen
Beneemt ghy my door sulck bedrijf,

(15) Hoe langh wilt ghy noch zijn dus stijf,
Om mijn staech t’overwinnen,
    Doch ick en pas op u gants niet
Als ick maer mach beerven,
Die schoon die my het hert doorschiet,

(20) En in den brandt doet swerven,
Wou dese, mijn vreese
Benemen hier in dit contrey,
Soo raeckten ick van ’t gheschrey,
En sou gherust wesen.

    (25) Daerom vliet niet van my vervaert
Dat ick mach lieflijck bloeyen,
Op dat dijn pijl my niet beswaert,
Maer laet int vyer my groeyen,
Met lusten, en rusten

(30) In u armkens lieffelijck,
Weest my doch gherieffelijck,
Wilt met my niet twisten.
    Soo sal ick u Princesse reyn
Hier voor seer danckbaer wesen,

(35) Dat ghy my hier in dit pleyn
Loffelijck komt ghenesen,
U deuchde, en vreuchde
Verweckte my lief tot u min,

[fol. P1r, p. 113]
Soo dat u liefde is ghewin
(40) Van mijn sterckheyts jeuchde.

                            Liefd verwint stercheyt.


Liedt, op de stem:

Daer roept een raetlaer thien.

KOmpt voestersse van mijn hert
Neemt van my dese smert,
Komt, komt reyckt de handt,
Die hier leyt int voet-sandt,
(5) Komt, komt reyckt de handt,
Die ghy siet, die ghy siet, die ghy siet,
Hier leven sonder u in swaer verdriet.
    Ghy leeft Godin int dal.
En doetet leven al
(10) Dus die drenckt in de brandt
Reyckt die toch u bystant:
Dus die drenckt in de brandt
Treckt uyt, treckt uyt, treckt uyt,
En houdt hem dan lief voor eygen buyt.
    (15) Koudt zijnde schoon Godin,
Sticht ghy mijn dees brandt in,
Dus dus blust karnuyt,
Met weer-liefden uyt,
Dus dus blust karnuyt
(20) Het vier, het vier, het vier,
Waer in dat ghy my nu doet branden hier.
    Van u o lief mijn licht,
Dus ’t licht in my doch sticht,
Op op dat ick u
(25) Oock mach houden nu
Op op dat ick u
Met vreucht, met vreucht, met vreucht,
Mach houden voor die gheefster van mijn jeucht.
    Die ziele neemt en gheeft
(30) Zijt ghy Princes beleeft,
Dus dus ’t leven schenckt
Die door u is ghekrenckt,
Dus dus ’t leven schenckt
Godin, Godin, Godin,
(35) Eer dat ick sterf sonder weder-min:

                            Liefd verwint sterckheyt.



[fol. P1v, p. 114 (als 121)]

Een nieu Amoreus-Liedeken,

Op de wijse:

Brande Yrlandt.

BLinde Godt der Min
Ghy ontvoert mijn hert en sin,
Door een schoone Maeght,
Die de kroone draeght,

(5) Fleur van ’t hert,
Hemels Koningin,
Gheeft my troost reen tot ghewin,
Want u weesen soet,
My gheneesen moet
(10) Van de smert:

Cupido heeft my ghewont,
Gulden vrou maeckt my ghesont,
Laet liefd bloeyen net,
Wilt uytsproeyen het

(15) Sins verwert.
    Blonde Jonck-vrou schoon
Die int herte spant de kroon,
’K acht gheen druck noch pijn
Maer gheluck te zijn,

(20) ’T gheen my quelt,
Waerdich dat de Goon
U gaen stellen in haer troon,
Om u reyne deucht
Die gheen kleyne vreucht

(25) In ’t hert melt,
Hier door ben ick int verdriet,
Maer ghy acht mijn lijden niet,
Dus ick droevich sta,
En behoevich ga

(30) Heel ontstelt.
    Venus, Iuno reyn,
En Minerv’ certeyn
Niet so stadich rijck,
Noch schoon dadichlijck

(35) Als mijn roem,
Hier in ’t aerdsche pleyn
Is gheen loffelijcker greyn,
Onder
d’Horison
Heeft gheen Coridon
(40) Schoonder bloem,
En de jacht-
Godin Diaen
Heeft geen g’lijck by haer te staen,
Noch
Najades eel
Of Driades veel
[fol. P2r, p. 115 (als 109)]
(45) Niet by noem.
    Want siet al berooft,
Son en Maen haer glans verdooft,
Als ’t verhooghen maer
Van haer ooghen klaer

(50) Blickrich schijnt,
Poebus deckt sijn hooft
Als mijn lief de Hemel looft,
Met haer stralen licht,
Het bemalen sticht,

(55) En verdwijnt,
Goden selfs verblijden haer
Om mijn lief t’aenschouwen klaer,
Want haer leeden fijn
Wel besneeden zijn,

(60) Dit my pijnt,
                    PRINCE.
    Princelijcke vrou
Ick gheef u mijn hert op trou,
Weest ghenadich my
Onbeschadicht ’t ly

(65) Weer-liefd gheeft,
Helpt my uyt de rou
Want ghy zijt mijn hoops ghebou,
Selfs gheduldet wondt
Biedt my u gulden mondt,

(70) Met my leeft
In de ware
echte staet,
En de schijn-deucht vals versmaet,
Toont my vryheyt seer,
En in blyheyts eer

(75) Met my sweeft.

                    E.D. Dient om beter!


KRUYS-DICHT.

            Een Minnaer die getrou
            Blijft in sijn meeste lijden,
            Acht hy gheen druck noch* rou
            Hy sal in ’t eynd verblijden.



SONNET.

WAerom lief schroomt ghy so, als door de Min mijn ooghen,
Tot uwaert vlieghen snel, om toonen u mijn liefd,
Ontwijckt soo niet den brand die in my is ghegrijft,
Door u vermoghen vrou, en is om ’t hert ghetooghen,

[fol. P2v, p. 116]
    (5) Vliecht niet soo snel van my, ick soeck u eer te hoogen,
Veel meer als reyn Diaen zijt ghy van my gheacht,
Ghy draecht die schoonheyts roem veer boven Venus sacht,
Deuchtrijck natuerens beeldt tot u is ’t hert ghevlogen.
    Troost eens u trou slavoen, die g ’lijc als Aetna gloeyt,

(10) Met opghesteghen vlam, in liefde krachtich bloeyt,
Weest Goden mijn ghetuych, ghy kent het hert en sinnen.*
    Schoon ziele van mijn ziel, op queecster van mijn jeucht,
Besitster van ’t ghemoet, die my geeft druck en vreucht,
Ghy valt my al te stuyr, nochtans ick moet u minnen.


                                    E.D. Dient u beter.


MEY-LIEDT,

Op de wijse: Est ce Mars.

Die winter kout is nu eerst ontslapen,
                Mayas jeucht
Heeft verblijdich weer gaen rapen,
                Ons tot vreucht,
(5) Haer reyn ghecleurde mantel schoon,
Het groen-rijck soet ons verheucht,
                Mayas kroon.
2    Flora toont haer gheschilderde wanghen,
                Bloosich root,
(10) Phebus blont die verhoocht oock sijn ganghen,
                D’ aerd aenstoot,
Ontsluyt de moeder van ’t ghewas,
Gheeft weer leven dat scheen doodt,
                Voedt ’t loof-rijcke gras.
3    (15) Verblijdich singen de bos Najaden,
                Mayas lof,
Gaen haer in gulden vlieten baden,
                Driaeds hof,
Hooren den Philomela soet,
(20) Die het hert ziels vreucht maeckt grof,
                En verquicken doet.
4    Het vlugh-gediert gaet nu vreuchdich queelen
                ’s Hemels eer,
’T vier-ghevoedt begint oock te speelen,
                (25) Door het Meer,
Dat des Meys vergroenen gheeft:
’T is een jeuchdelijck begheer,
Dat vernieuwich leeft.
5    O Prins en Heer een waren alvoeder,
(30) Door u gaet
De Mey ontsluyten de dorre Moeder
                Tot ons baet:
Wt ’s levens jonst: orbooren trou
Batavia bloeyich staet,
                (35) En verlicht veel rou.

                                E.D. Dient om beter.



[fol. P3r, p. 117]

SONNET.

HEeft dan den Hemel my so gh’luckich niet gheboren
Dat ick een reys jonck-vrou mach comen in u sin,
Of sal mijn heete borst door ’t koken van de min
Verteeren in de gloet en droeffelijck versmoren?

    (5) Ghy kont schoon Hemels pronck, so ghy maer eens wilt hooren
Na mijn verliefde klacht, ghenesen mijne smert,
Ick ben getrou in liefd, staech dienstbaer met mijn hert,
Waerom valt ghy my dan met stuersheyt dus te voren?
    Ic die geen moeyt ontsie, maer bruyc mijn grootste vlijt

(10) Om u krachtich oogh, te worden eens verblijdt,
En ghy maect my bedroeft, door ’t weygren van u stralen.
    Geneest de wond des pijls, die
Venus door ’t ghebiet,
Van u mijn waerde vrou, in dese bosem stiet,
Of ick moet door
Atroop, in Plutos rijck gaen dalen.

                            E.D.    Dient om beter.


Stemme: Alst begint.

EEn Ionck-vrou die my ’thert doorwondt
Was laestmael op mijn gram,
Om dat ick van haer rooder mondt
Stilswighens een kus nam,
(5) Sy sprack met een verbolghen sin,
Sy noemde my een dief,
Sy sey ick ben u vyandin
In plaes van u soet lief.
    Ghy Minnaers dit doch wel verstaet,
(10) Of ick haer reden gaf,
Dat sy my om soo slechten daet
Met woorden viel soo straf,
Het kussen is nu soo ghemeen,
’T wordt nu soo veel ghedaen,
(15) Moet ick nu om een kus alleen
In haer qua gratij staen,
    Bedwinght u gramschap jonck-vrou schoon,
Want mijn hert en ghedacht
Hebt ghy voor u ghekuste loon,
(20) Ghekregen in u macht,
Moet ick u schelden hooren doch
Die dubbel schade doet,
Ghy steelt mijn hert met groot bedroch,
En krijcht een kusken toe.
    (25) Hoe mach ick zijn soo obstinaet
Dat ick haer noch bemin,
Daer sy my soo bekijven gaet,
Dees soete vyandin,
Ghy hebt mijn hert en achtet niet,
(30) Mijn klaghen ghy niet hoort,
’T waer best voor my dat ick u liet,
[fol. P3v, p. 118 (als 108)]
En selfs bleef ghestoort.
Woudt ghy dat ick u dienaer waer,
Princesse mijn doch jont,
(35) Gheeft mijn, u verloren Minnaer,
Een kusken van u mondt:
Heb ick een kus ghestolen lief,
Weest daer wel in te vreen,
Kust my soo dick alst u belieft,
(40) En steelter twee voor een.

                            Plomp sonder argh.


Volghen eenighe morale of
zeedelijcke Liedekens.

Nachtegael kleyn voghelken.

IN armoed leef ick onbenijdt,
Lof armoed lof,
Een Herdertjen dat my vierich vrijt
Is van leeden, besneden, ’tkan seeden,

(5) Tert een van ’t hof.
    Met sorgh en is hy niet gheplaeght
Als de giergaerts zijn,
Maer d ’overvloedt hem als my mishaeght,
Wat baetse, versmaetse, neen haetse,

(10) Want sy baert pijn.
    Mijn Minnaers grove wolle rock
Die en wallicht my niet,
Noch oock sijn groene haselaer stock,
Hy is machtich, waerachtich, noyt klachtich,

(15) Van swaer verdriet.
    In hem leeft noch den ouden mensch
Daer men spottich me lacht,
Die ’t gierich gout derft en heeft sijn wensch,
Niet hatich, maer batich, en statich

(20) Naer Gods-dienst tracht.
    Het Vee en Schapen zijn sijn lust,
Met wiens wol hy hem dost,
En ’t vrolijck ghevoghelt dat naeulijcx rust,
Die vermaken, sijn daken, wy raken

(25) Licht aen de kost.
    Wy leven lustich ende vroo,
Wie heeft meerder gheneucht,
Wy ruylden met onsen Coninck noo,
Want ’sHofs weelden, vereelden, men deelden

(30) Daer noyt veel vreucht.
    Lof vrolijck laghe boeren-huys,
Daer selden yet mist,
Ist kleyn ’t heeft wederom kleynder kruys

[fol. P4r, p. 119 (als 105)]
Als het hooghe, vermoghen, bedroghen
(35) Hof vol van twist.
    Geyl is ’s Hofs Min, en soo ’t wel gaet
Is liefs Moeder ’t ghewin,
Met t’ samen begeerte na grooter staet,
Wy verkeeren, met eeren, en sweeren

(40) Een trouwe Min.

                            S. Coster.


Stemme:

Espritz qui souspirez.

Vaert wel, Scepters vaert wel, vaert wel verheven troonen,
Verheven, soo dat my van uwe steylheyt ijst,
Vaert wel dwinghend ghewaet, en al te sware kroonen,
Afgoden die met windt u yd’le dienaers spijst.
    (5) U, ydele dienaers ghy duysenderley noodt breydt,
Door u beloften loos die ghy soo qualijck houdt,
Want sy besiet men ’t wel verkleenen in de grootheyt,
Slaven van d ’heerschappij verarmen in het gout.
    Een laghe en diepe rust my beter mach verquicken,
(10) Die my te samen smelt met een lief ander-ick:
Ick laet u warrig Hof, en kies voor soo veel stricken,
Een al veel strenher, maer och hoe veel soeter strick.
    Bedaude bloemkens versch en ghy blosende roosen,
Die uwen mantel groen nu effen open doet,
(15) Welkom en danck dat ghy verquickt mijn ame loosen
En afghepijnden gheest, met uwen asem soet.
    Nu biggelt op het gras en kruydtjens onbetreden,
Mijn lauwe traentjens die den dau soo wel ghelijckt,
Traentjens niet meer van smert niet meer van bitterheden,
(20) Maer van een teer ghemoet dat schier van vreucht beswijckt.
    O boomen schadu milt ootmoedelijck laet dalen,
U nijgend hooft als ghy ’t eerweerdich aenschijn siet,
Leyt-ster en Morgen-ster, met weerlichtende stralen,
In dien mijn blijdtschap slaept, waerom weckt ghy haer niet?
    (25) Vrolijcke vogeltjens, die, nu ’t begint te daghen,
Met uytgelaten sangh het stille woudt ontrust:
Ghy Nachtegael voorheen, vliet uyt de boodtschap draghen,
Dat hy sich haest, ick wacht alhier mijn lieve lust.

                            ’t Kan verkeeren.


Op de stemme:

O schoonste personaeg.

WYs zijnse die’t begheven
Wt weelderij der steden, en haer wenschen,
’T lucksalich boere leven,
In heylleloosheyt begeert van alle menschen,

(5) Den boer gherust, leeft na sijn lust,
Wt ’s Hofs oneenicheden,
By zijn ghebueren,

[fol. P4v, p. 120 (als 110)]
De voghels tureluren
Hem de vrede.

    (10) Hy wil sijn hut niet ruylen,
Hoe slecht s’ ooc is met gulden Princen Hoven,
Om datser moylcijk pruylen
Als d’een in staet den andren gat te boven,
Want haer begheer, wil altijdt meer,

(15) En hy heeft goet ghenoeghen,
Hy danckt de Goden,
En leeft na haer gheboden,
Hoe zijt voeghen.
    Noch Princelijcke wooningh,

(20) Noch Keysers hoed hoe lastigh om te dragen,
En maeckt den mensch gheen Koningh,
Gerust van hert, so soudt ’t gemoet doen knaghen,
En qua begeert, de ziel verheert,
Ey neen ’t en kan niet missen,

(25) Of sonden woonen,
Int midden van de kroonen,
Na mijn gissen.

                                            S. Coster.


Cupido gheeft my raedt.

Of, Destin qui separez.

STaech soeckt het welich hof sijn blinde lust te boeten,
Die zy dan goet of quaet, gants sonder onderscheyt,
Dies siet men in sijn lust meer teghenheyt ontmoeten,
Als een ghemeene man in sijnen arrebeydt.
    (5) Der Princen kindren teer, worden tot allen tijden
In wellust opghevoedt, die werden daeghlijcx groot,
Daeromme soecken sy tot onghewoon verblijden,
Dickwils een nieuwe lust, die brenght haer in den noodt.
    Die stadich alle daegh gheniet sijn lust na winsen,
(10) Verliest int eynd haer smaeck, want de ghewoont maeckt eelt,
Dies die de kinders jonck van de ghevreesde Princen
Opvoedt in alle lust, haer alle lust ontsteelt.
    Die tot de lust ghewent is in sijn jonghe daghen,
En weet noch goet noch quaet, is teeder van ghemoet,
(15) En als de smarte komt kan hyse niet verdraghen,
Maer valt ter eerster stoot bedruckt onder de voet.
    Het dertel Hof en is dan in der daedt soo welich,
Noch wenschelijcken niet, ghelijckt van buyten schijnt.
In ’t welck men vol van twist, van haet en nijdt krakelich,
(20) Sijn schadelijcke vreucht een vals behaghen vijndt.
    Der Princen kindren zijn soo welich niet van leven.
Ghelijck als menich man haer oordeelt onverdacht,
Soo s’ haer om vreemde lust dick in perijckel gheven,
En soo ghemeene lust van haer niet werdt gheacht.

FINIS.
Continue