Continue

Waardenburg, 1760-1812

Ik neem twee gedichten op van studenten van Schrader uit Franeker, een van Waardenburg en een van Van Ommeren.
Ik geef de elegie van Waardenburg met het voorbeeld, een elegie van Propertius er bij. De vergelijking laat zien hoe Waardenburg van het Romeins slaapsalet een Fries binnenhuisje heeft weten te maken. Het idee dat ware schoonheid ook deugdzaam is is typisch achttiende eeuws en komt uit de Spektatoriale geschriften en de overweldigende indruk die maagdelijke onschuld maakt - die van Clarissa, zelfs op haar verkrachter Lovelace -komt voor in romans. [F. Gallaway, Reason, Rule and Revolt in English Classicism, 1940 (reprint 1965), blz. 144-5.]
Tenslotte nog, als nieuwe toevoeging voor deze Internet editie, een nieuwe versie van het thema van het onaangekondigde bezoek aan de geliefde van de hand van Smarius.

De Glycere

Nuper ego exoptans caram spectare puellam,
      Improviso adii: quidlibet audet amor.
Mane erat: hesternos Glycere incomposta capillos,
      Sederat albenti purpurea in tunica.
5 Effulsit cum parte humeri sine tegmine collum,
      Blandius a somno luminis arsit honor,
Mollia laxarat vinclis vestigia. Quantum
      Creverat e cultu simpliciore decor!
Formosus varia pollex opus arte parabat,
10 Palladis arguto dignum opus ingenio.
Qualem ubi deprendi, mirantia lumina pavi;
      Ast illi roseus tinxerat ora pudor.
Non secus a puero rubuit conspecta Diana,
      Aut primum Nereo nata stupente Venus.
15 O suavis rubor! o casto sub corde tumultus!
      Quam sine te nullum est optima forma bonum!
Est aliquid vidisse suam; at quater ille beatus,
      Qui pariter vidit sic rubuisse suam.
Haec si tanta mihi veniat geminata voluptas,
      Glorier in terris gaudia ferre Deum.
***
Over Glycere

Laatst dacht ik, kom, ik ga mijn lieve kind verblijden
      - wat liefde al niet durft - door even langs te gaan.
’t Was ’s ochtends vroeg: daar zat ze, zoetjes en bescheiden
      in ’t wit, haar kapsel leek sinds gister ongedaan.

5 Haar hals met ’t blote stuk der blanke schouders glansde,
      haar ogen leken na de slaap nog meer doorgloeid;
haar schoenen liet ze losjes aan haar voeten dansen,
      hoe was haar schoonheid door die simpelheid gegroeid!

Haar fraaie vingers waren vaardig aan het stikken,
10 Athene had zichzelf zo’n kunstwerk waard gekeurd.
Zo trof ik haar, ik schrok van haar verbaasde blikken,
      maar haar gezicht werd door een diepe blos gekleurd.

Niet anders bloosde eens Diana voor die jongen,
      of Venus toen ze rees uit de verbaasde zee.
15 O zoete gloed, o hart van kuisheid opgesprongen,
      hoe telt de grootste schoonheid zonder dat niet mee!

’t Betekent iets je lief te zien, maar het is prachtig
      haar te zien blozen zo onvergelijkelijk.
Wordt mij een tweede keer zo’n wellust ooit deelachtig,
20 dan roem ik mij een god op aarde van geluk.
***

Propertius 2.29b, ca. 54-ca. 16 v. Chr.

Mane erat, et volui, si sola quiesceret illa,
      Visere: at in lecto Cynthia sola fuit.
Obstipui: non illa mihi formosior umquam
      Visa, neque ostrina cum fuit in tunica,
5 Ibat et hinc castae narratum somnia Vestae,
      Neu sibi neve mihi quae nocitura forent:
Talis visa mihi somno dimissa recenti.
      Heu quantum per se candida forma ualet!
’Quid tu matutinus’, ait, ’speculator amicae?
10 Me similem vestris moribus esse putas?
Non ego tam facilis: sat erit mihi cognitus unus,
      Vel tu vel si quis verior esse potest.
Apparent non ulla toro vestigia presso,
      Signa volutantis nec iacuisse duos.
15 Aspice ut in toto nullus mihi corpore surgat
      Spiritus admisso notus adulterio.’
Dixit, et opposita propellens savia dextra
      Prosilit in laxa nixa pedem solea.
Sic ego tam sancti custos deludor amoris:
20 Ex illo felix nox mihi nulla fuit.
      ***

’t Was ochtend en ik was gaan kijken, heel toevallig,
      of Cynthia alleen sliep. Ja, ze sliep alleen.
Ik stond versteld, want nooit zag ik haar zo bevallig!
      Niet eens toen zij voor mij in ’t rood gehuld verscheen,
5 van plan om Vesta voor een droom, die angstig maakte,
      om hulp te bidden: dat ons bei geen kwaad geschied!
Nog mooier was ze toen ze uit haar slaap ontwaakte,
      ach, wat vermag op zich de pure schoonheid niet!
’Waarom’, zei ze, ’zo vroeg, soms om mij te bespieden?
10 of denk je dat ik net zo slecht als jij ben, man?
Zo maklijk ben ik niet, één die zich aan mag bieden,
      of jij, of minder vals een vriend, als ’t even kan.
En het beslapen bed toont je geen diepe sporen,
      geen indruk dat er meer dan een in heeft gewoeld.
15 Kijk maar, of ook, je kunt het aan mijn adem horen,
      je weet dat onderdrukt gehijg op echtbreuk stoelt.’
Zo sprak ze, duwde weg mijn kus die ze niet bliefde;
      sprong op en stond met los één slipper aan haar voet.
Ik sta voor gek, spion van heiligende liefde!
20 sindsdien is er geen nacht die mij de slaap verzoet.

Alexander Smarius, geb. 1970

Een bijdrage van de dichter zelf

In 1993, toen ik klassieken studeerde aan de Universiteit van Amsterdam, leerde ik Jan-Pieter Guépin kennen. Ik had hem een brief gestuurd, omdat ik Latijnse verzen had geschreven en nieuwsgierig was naar wat hij als deskundige op het gebied van Neolatijnse poëzie ervan vond. Zijn reactie zal me altijd heugen. Ik voelde me erg opgelaten. Maar vanaf dat moment ging er een wereld voor me open, omdat ik tot dan toe nauwelijks verder had gekeken dan naar de hinderloop van lange en korte lettergrepen waaruit een vers in het Latijn bestaat. Het contact met Jan-Pieter bracht me snel op hoger niveau. De relatie van leermeester-leerling veranderde in vriendschap op het moment dat ik mijn eerste geslaagde liefdeselegie schreef in 1994. Sindsdien werk ik aan een bundel Latijnse liefdespozie, waarvan nu negen gedichten zijn voltooid.
Veel van de Neolatijnse gedichten die Jan-Pieter heeft uitgegeven en vertaald, zijn mij tot voorbeeld geweest. In dit stuk wil ik illustreren hoe een van mijn beste gedichten tot stand is gekomen in imitatie van drie oudere voorbeelden, waarvan er hierboven twee zijn openomen. Voor deze publicatie is voor mij een oude wens in vervulling gegaan: Jan-Pieter heeft mijn gedicht, net als de andere, vertaald.
Eén van de Nederlandse humanisten die met een gedicht in de oorspronkelijke uitgave van Typisch Nederlands zijn vertegenwoordigd, is Hendrik Waardenburg (1760-1812). Deze had met zijn De Glycere een verfijnde navolging geschreven van een gedicht van Propertius (2.29b). Beide gedichten laten zich lezen als twee variaties op het thema van het bezoek aan de geliefde. Propertius had dit thema al in een eerder gedicht uitgewerkt (1.3). Laat ik dus bij het begin beginnen.
Propertius 1.3 is in mijn ogen allermooiste liefdeselegie ooit geschreven. De compositie van dit gedicht is verbluffend. De rijkheid aan ideeën, het gevoel voor detail, de beschrijving van emoties als seksuele aandrang, angst en verontwaardiging binnen het narratieve kader van de dronken minnaar die zijn meisje bezoekt, geven het gedicht zijn mateloze diepgang. Dit alles in een rijkdom aan zorgvuldig en dubbelzinnig gekozen woorden, waarvan de ordening en klank het gedicht een muzikaliteit geven waar alleen een Vergilius tegenop kan. Een imitatie schrijven zou hybris zijn.
Propertius zelf was zich er kennelijk al genoeg van bewust dat zijn gedicht schreeuwde om een soort sequel. Het negenentwintigste gedicht in zijn tweede boek beschrijft opnieuw een bezoek aan zijn Cynthia (zie boven). In 1.3 was het nacht, was hij dronken en aanbad hij haar als een schone slaapster die bij haar ontwaken begint te klagen over haar verlatenheid en zijn ontrouw. In 2.29b bezoekt de dichter-minnaar zijn liefje in de ochtend, om te kijken of zij wel alleen in haar bed heeft gelegen. Daarop begint Cynthia hem opnieuw verwijten te maken: ‘Wat kom je spioneren? Ik ben niet zoals jij, ik ben trouw.’ Beide gedichten zijn prachtige illustraties van de gespannen verhouding tussen de twee en van de onzekerheid van de dichter-minnaar.
Hendrik Waardenburg schreef zijn De Glycere zo’n tweehonderd jaar geleden (zie boven). Deze Latijnse elegie beschrijft opnieuw een ochtendbezoek met het terugkerend motief van het meisje dat net uit haar bed is gekomen. De sfeer in dit gedicht is echter geheel anders. Het onaangekondigde bezoek is in zoverre ongepast dat het meisje onopgemaakt in haar negligé zit. Daarom begint ze te blozen. De dichter heeft daar enorme schik in, en het blozen is dan ook het eigenlijke thema van het gedicht, geïllustreerd door vergelijkingen met Venus en Diana. De sfeer is zoet en lieflijk en de dichter spreekt de hoop uit dat het hem nog een keer gebeuren mag.
Nu wil ik graag overgaan tot mijn eigen gedicht, dat bedoeld is als deel vier. Om de cyclus symmetrisch te maken heb ik gekozen voor de volgende opbouw. Prop. 1.3 speelde zich ’s nachts af, Prop. 2.29 en Waardenburgs gedicht ’s ochtends. Mijn gedicht is dus weer ’s nachts gesitueerd. In de twee gedichten van Propertius begint het meisje de minnaar te beschimpen, in Waardenburg zegt ze niets omdat de situatie dat niet toelaat: zo ook dan in mijn gedicht (daar heb ik anderhalf jaar over geaarzeld).
Verder bevat mijn gedicht elementen uit alle drie de voorbeelden. De zesregelige vergelijking met mythische figuren als opening is nagevolgd van Prop. 1.3, maar nu heb ik er zowel de geliefde als de minnaar in willen betrekken. De woordkeus is hier en daar bewust een echo van formuleringen uit alle drie de gedichten. Als bij Waardenburg ligt de focus op de blos, maar die is niet vrij van zorg. Waardenburgs vergelijking van zijn liefje met de pasgeboren Venus en de pasgewassen Diana gaven mij het idee om het terugkerend motief van het bed te veranderen in het bad. De blos van de minnares brengt de minnaar aan het twijfelen, omdat hij niet weet of deze voortkomt uit woede of schaamte.

Laura e lavabro

Qualis in ostrina surrexit lactea concha,
aequoris e spumis vix ubi nata Venus,
qualis, ut egrediens lymphas conspecta Minerva est,
territa deprenso dicitur esse viro,
nec minus insontem puerum Diana videntem
qualis lauta sacris obstupefecit aquis,
talis visa mihi solio festina relicto
incertos soleis subdere Laura pedes,
vesper ut aestivus calido mihi suasit amanti
tempore non pacto noctis adire meam;
sic obmutuerat subito clamore profuso
impulsae sonitus carmine mixtus aquae.
Membraque dum rapto velat modo cognita panno,
prosilit ardenti nudus in ore rubor.
Et quamvis speculum formam post terga referret
nesciaque arcanum proderet ipsa sui
frigus et exsereret tumidas sub veste papillas
latius et panno staret utrimque femur,
nil aliud tamen attonitus spectare volebam
has quam suspensas sollicitasque genas:
non secus experta rubuit vehementer ut ira,
lumina non aliter fixa tenebat humo,
quam mihi contrito faceret convicia pacto,
qui possem castam sic temerare fidem.
Et timui posthac ne se mihi dura negaret
neve foret latebris semper iniqua meis:
donec compresso risu direxit ocellos
blanda mihi posito sponte pudore suo.
Credo, non umquam veniet mihi dulcior hora
nec magis ancipiti gaudia mixta metu.
***


Laura uit het bad

Zoals Venus verrees, net uit het schuim geboren,
      en blank als melk op haar geribde zeeschelp voer,
Zoals Minerva zich een keer heeft laten storen,
      net toen ze t bad verliet, door ongepast geloer,

5 zoals Diana door een knaap werd aangetroffen,
      die zelf schrok toen zij zich spiernaakt verraden had:
zo zag ik Laura die probeerd’ in haast haar sloffen
      nog aan te trekken na haar rappe sprong uit bad,

toen op een zomeravond mij een zwoel gevoelen raadde
10 haar op te zoeken op een onverwacht moment,
waarop ’t gespetter en het zingen zich ontlaadden
      in een gesmoorde kreet die ik niet was gewend.

Als ze ’t geziene met een handdoek tracht te hullen,
      ontspringt een naakte blos aan haar verhit gelaat.
15 Al mocht de schoonheid van haar rug de spiegel vullen,
      - en zij beseft niet dat ze zo heel wat verraadt -

al deed onder de doek de kou haar tepels zwellen,
      een doek die maar een deel van beide heupen vangt:
ik kon verbijsterd niet iets anders liever willen,
20 dan kijken naar die rood geworden warme wang.

Haar blozen had misschien, dacht ik, een and’re reden,
      daarom hield ze haar blik gevestigd op de grond:
dat ik de grens van ons verbond had overschreden,
      dat ik haar privacy en haar vertrouwen schond.

25 Ik was al bang dat zij nadien mij zou verbannen,
      en dat ik schuilen moest omdat ze me niet mocht,
totdat ze met een lach haar houding heeft ontspannen,
      haar schaamte afgelegd, mijn ogen heeft gezocht.

Ik geloof niet dat mij ooit een zoeter uur zal heugen,
30 dat zulk een mengsel is van schrikken en van vreugde.
***


Typisch Nederlands: Inleiding, teksten en vertaling door J.P. Guépin.