Publius Ovidius Nasoos Heldinnebrieven. Vertaelt door J. van den Vondel. TAmsterdam, By Gerard onder de Linden. 1716.
Uitgegeven door dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden. Tekst volgens de redactie van David van Hoogstraten (1658 - 1726), die het onuitgegeven handschrift van Vondel (1641, aanwezig in UBL) op vele plaatsen heeft verbeterd en aangevuld. Deze uitgave wijkt dus in hoge mate af van de tekst in de W.B.-editie (die elektronisch uitgegeven is door de DBNL). Vondel heeft deze vertaling niet gemaakt ter publicatie, maar als vooroefening voor zijn Brieven der heilige Maeghden van 1642. De briefwisseling tussen Acontius en Cydippe is niet door Vondel vertaald; dit is eigen werk van David van Hoogstraten. Enkele zetfouten in de eerste editie van 1716 (Bibliographie Unger 389; exx. KBH 759 E 7 : 3 en UBL 2143 B 6) zijn verbeterd (meestal naar de tweede druk van hetzelfde jaar, Bibliographie Unger 390, exx. KBH. 863 E 56 : 3 en UBL 707 C 14 : 2) en gemarkeerd met een asterisk.
[fol. *1r]
PUBLIUS OVIDIUS NASOOS HELDINNEBRIEVEN.
[fol. *1v] [Bijschrift bij het frontispice door Arnold Houbraken (1660 - 1719) op de tegenoverliggende pagina:]
INHOUD DER TITELPRINT.
Het puik der Dichtren dat de Zangberg heeft geteelt, De Roomsche Naso, zit hier in dees print verbeelt; Bespieglende de Min in veelerlei bedryven: Daar Venus zelf bestiert des Dichters hand in t schryven. Terwyl Kupido vast des werelts maghten knelt, En houd die door den band van liefde in zyn gewelt. De wierookoffer vlamt, op t minaltaar ontsteken,* En Rome ziet zyn kruin tot door de wolken breken, Nu s braven Dichters roem wort van den Tyberkant Door s Agrippyners pen gevoert in Nederlant.
A. HOUBRAKEN.
[fol. *2r]
(Frontispice naar de eerste druk, Arnold Houbraken delineavit, W. Jongeman fecit).
(Frontispice naar de tweede druk, kopie door J.J. Walter naar de originele gravure van W. Jongeman; het ontwerp is van Arnold Houbraken). [fol. *2v: blanco] [fol. *3r]
PUBLIUS
OVIDIUS
NASOOS
HELDINNEBRIEVEN.
Vertaelt door
J. VAN DEN VONDEL.
[Vignet: Tiliae sub tegmine tutus].
TAMSTERDAM, By GERARD ONDER DE LINDEN, M D CC XVI.
[fol. *3v: blanco] [fol. *4r]
DEN VERNUFTIGEN HEERE JOAN DE HAES.
MYN HEERE,
IK quyt my eindelyk van de beloften, Uw E. voor vele jaren gedaen, met het aen den dagh brengen dezer HELDINNEBRIEVEN, een werk, my door U E. vooral en vele anderen afgevordert, wien al wat van Vondel komt lief en aengenaem is. Ik wist het ook niemant beter thuis te zenden dan U E. die van kintsbeen af zich zelve geoeffent heeft in het begrypen der sierlykheit en eigenschap onzer loffelyke moedersprake, en der zelve heel en al magtigh geworden, met lof toegetreden is tot de heiligdommen der Dichtkunst, en daer in zoo verre gevor- [fol. *4v] dert, dat haer naem onder de braefste geesten van Nederlant gespelt wort. Buiten deze beweegredenen ware anders genoeg geweest de vrientschap, my van outs altytbewezen door de letter- en dichtkunstminnenden Heer Frans de Haes, Vader Uwer Ed. en door haer zelve met zoo veel openhartigheit en oprechtigheit aenvaerdt en vervolgt, dat zy my strekt tot een gedurigen prikkel om blyken van schuldige dankbaerheit deswegen te toonen. En hoe zou my van t hart mogen zulx na te laten, die buiten alle bewyzen van vrientschap en weldadigheit bewoogen ben om de deugden uwer E. te erkennen, en met eerbiedt en verwondering aen te merken de byzondere gaven des gemoedts, die in haer uitblinken, geleertheit, kennisse van Griexe en Roomsche Outheden, en veelerhande talen, en, die den menschelyken ommegang lieffelyxt maekt, eene altydt even vaerdige gereedt- [fol. **1r] heit om vrienden ten dienst te staen. Myn vierige wensch is dat de hemel U E. en haren eenigen Zoon, die allengs wort opgetrokken om toegang te vinden tot de prysselyke kunsten zyns Vaders, lang in gezontheit wil bewaaren. In welke hoop ik blyve
MYN HEERE,
Uw Edts. dienstwillige en verplichte dienaer
tAmsterdam den eersten van Slagt- maent 1715. DAVID VAN HOOGSTRATEN.
[fol. **1v]
Aen den ZELVEN HEERE.
O Gy, die van de Zanggodinnen Gekoestert, voedt in uwe zinnen Een vier, dat u verteert van binnen;
Een vier, dat U door vlyt gedreven (5) Ten hoogen Zangberg op doet streven, Tot glans en glory van uw leven;
Ontfang van myne hant, tot panden Van vrientschap, t werk van VONDELS handen, Ten leste ontslagen van de banden,
(10) Waer in het lag zoo lang benepen, Eer gy het moedigh aengegrepen Door myne hulp in t licht quaemt slepen.
Ontfang van myne hant de bladen, Bemaelt met voeglyke sieraden, (15) En met den nektar overladen
Van Nasoos onuitputbre gaven, Die op het lofflyk spoor der braven Bestondt ten hemel op te draven:
Wien al het volk van Rome vierde: (20) Wiens hant Apollo zelf bestierde: Wiens hooft Apollo zelf laurierde. [fol. **2r] Hoe smaekten ons die lekkernyen, Geboren in aloude tyen! Wat kon er meer ons hart verblyen;
(25) Toen ik geprangt door myne qualen Aen uwen stroom quam adem halen, Onthaelt in uwe ruime zalen!
Hoewel geen keurigh ooft of spyzen Daer konden myne vreugt doen ryzen (30) Zoo wel als daengename wyzen
Van uwe aenminnige gezangen, Waer aen ik met myn oor bleef hangen, Door t zoet van dat geluit bevangen.
Wat schaedde ons toen het dol rumoeren (35) Van aexters, ezels, en van loeren? Wat kon hun woede ons hart beroeren?
In zulk een stille rust gezeten Vint gy den wegh van veel te weten In boeken, nacht en dagh gesleten.
(40) Wat stondt my meer vermaek te hopen! Hoe had gy alles doorgekropen! Wat deetge een boek van wysheit open!
Hier aen vint haet noch afgunst vatten. Haer toestel moet in duigen spatten. (45) Geen tydt braveert de letterschatten.
Maer het zy genoeg. Onze en aller Nederlanderen kiesche en geoeffende ooren wraken dit geluit, dat de muzyk der tale bederft, om met Vondels woorden te spreken, na wiens doot, gelyk de heer Brant in zyn leven zegt, zommige bedilzieke geesten aen zynen lof dorsten knabbelen, opdat het hem (zoo wel als Homerus en Virgilius Maro) aen geen Zoïlus noch Carbilius zoude ontbreken. Ik houde my ook aen het geen deze brave Schryver kort daer aen zegt: dat zyn lof zoo hoog gestegen is, dat die door niemants laster afneemt, noch door iemants lof aengroeit: en dat alle zyne berispers, met elkanderen op een gehoopt, de maght niet hebben, om een dicht van vyftigh vaerzen, ik laet staen een Treurspel te dichten, dat in het duizendste deel naer zyne zoetvloejende hoogdravenheit, zuiverheit van styl, en aerdigheit van zin, magh gelyken. Ik voeg hier tot slot by de woorden, die de befaemde dichter Ariosto op een ander voorwerp gepast heeft, en passe dezelve op dezen Vorst der Nederduitsche Dichteren:
Natura il fece, e poi roppe la stampa.
dat is,
Natuur heeft hem gevormt, en toen de vorm gebroken.
Inderdaet het laet zich aenzien dat Nederlant zyns gelyk niet zien zal, voelende zich overkropt van rymelaren en jammerlyke wintbrekeren, die, om den bedorven smaek dezer eeuwe, of gelyk met beter vernuften, of boven hen gestelt worden, daer ze stout op den verkeerden lof hun gegeven, alles overschreeuwen, en als kryschende ganzen den toon van edele zwanen willen vernietigen. Dit blyve dus weder gezegt en herzegt tot lof van Hollants Fenixdichter, wiens naem alle eeuwen verduren zal. Hebben de Hagenaers hier wat tegen (en t was niet vremt, dewyl wy weten hoe onze dichter met zynen Virgilius in onrym gevaren is; waer voor wy echter niet pleiten willen) zy kunnen met hunne Keure voortgaen. Wy zullen er ons niet aen storen. Evenwel over het geen my betreft moet ik hun nogh te gemoet voeren, dat zy eenige woorden, in myn Bericht gesproken, tonrecht op zich gepast hebben, dewyl ik heel wat anders in t oog had, en dat zy het buiten reden op myne bitterheit geladen hebben, nochte my recht doen met de redenen te verzwygen, die my tot eenige harde woorden hebben aengezet. Des niet tegenstaende erkenne ik hunne gaven, en blyken van letterwysheit, in hunne aentekeningen bespeurt, ook vaerdigheit in het behandelen van gedichten in de Fransche tale, zoo als die gangbaer zyn, gelyk zy daer van een proeve gegeven hebben in de overzettingen, gemaekt uit den Ystroom; welk werk ik, schoon niet zeer Franschgezint, met vermaek heel en al wel dus zou willen vertaelt zien. Op een punt ook, van hun bygebracht, dat Christelyk is quaedt met goedt te vergelden, zonder hevigh uit te varen, moet ik zeggen: Daer hoor ik een eerlyk man spreken; vry wat eerlyker zeker, dan die gewaende of verwaende Waermont, (gelyk de twistzieke mensch zich zelven noemt) die om een hart woort, zynen grooten vrient Jan de Klerk eer te rug gekaetst dan toegedreven, opentlyk betuigde in geschrift, dat hy, stond het aen hem, de man zou zyn om my op alle lyden te brengen. Dat was volgens de regels der verdraegzaemheit en vreêgezintheit der Vredekerke; waer uit blykt, werwaert die luiden ons voeren zouden, indien zy den wagen te mennen hadden. Dan my is in t oor gebeten, had ik van de matspringeren gezwegen, men zou zich de zake van den heer de Klerk niet eens aengetrokken hebben. Maer hy, wetende hoe hy, overloopende van gal, styf van kaken, en ten ryxte begaeft met den geest der onbeschaemtheit, zich ten toon gestelt had in de Vergadering, aengelegt om de plaets te vullen van den heer Limburg, waer in hem zyn oogwit miste, kon deze woorden niet lezen, zonder aengedaen te zyn van wraekzucht. Ook is het, als my bericht wort, zyn eerste niet: en daer ontbreken geene proeven van gelyke bitterheit tegen zyn eige medebroeders. Dat was de vrucht zyner broederlyke Christenheit, die hem van anderen reedts voorgehouden is. Het zelve padt hebben betreden de uitgevers der wederlegging van het geschrift des Heeren Burman, die in hunne voorrede zich ook over myne harde manier van schryven beklagen. Met reden. Want zy druipen van klinkklaren honig en nektar, als uit alle hunne dingen gebleken is. Dien zedigen leugenaer, of leugenaers, mogt ik wel eens vragen, waer oit van my gezegt is, gelyk daer te boek geslagen is, dat lasteren en schelden heet benedictis certare, en dat zich met fatsoen verdadigen heet, maledictis certare. Zulk volk is het, dat my met name aentast over een geschrift, waer voor ik mynen naem om de neteligheit der stoffe niet heb willen stellen. Men kon, zeggen zy, echter bespeuren dat het myn werk was. Ik heb het noit ontkent, en daer waren, t is waer, genoegzame blyken van. Maer zulke blyken zyn van hunnen kant ook; en die Voorredenaer heeft zich vergeefsch gezocht te verbergen. Wilde ik nu daer op toegaen, en noemen hem by zynen naem, zoo was ik even eerloos als hy. Wilde ik ook het bestryden der armhartige wederlegging van Burmans boek op my nemen, ik wist er raedt toe: maer dan zou ik doen, dat ik in hun berispe, dat is, my moejen met dingen, die my niet aengaen. En het geen zy hier in voor hunne zaek weten te zeggen, is reedts van anderen voor my beantwoort. Zy praten ook van faemroovende schriften, als of wy niet wisten wat van hun voortgekomen was uit de pen van eenen, die eer in een bordeel, dan in de queekschool der vreegezinde Remonstranten scheen opgevoedt, die, ook een meesterlyke hant had van lasteren, grypende maer iemant aen, in wien zoo weinig schynbaerheit van schult is, als in den betichter zelf. Maer dit zy alleen in t voorbygaen gezegt. Willen er die helden nogh een blaeu boekje aen wagen, ik zal t zonder schroom zien komen, my latende genoegh zyn dat vele brave en gematigde luiden van dezelve gezintheit my hun ongenoegen over zulke bysterheit en bitterheit verklaert hebben. Ondertusschen weten zy dat ik hun noit een stroo in den wegh gelegt heb: en ik heb deswegen de vernoeging, die zy moeten missen, dewyl zy dat niet kunnen zeggen. Ja ik verheug my veeleer liever ongelyk geleden te hebben, dan gedacht te doen aen anderen. De onzydige lezer houde my deze vervoering ten beste. Ik keer weder tot het werk dezer Vertalinge. Men heeft eene overzetting dezer brieven in de werken van Ovidius, door Valentyn gestelt. Maer als men die zal vergelyken met deze, die wy hier geven, zal men, zoo aen die van Vondel wat schorten mogt, evenwel den aert dezes hooftdichters alom bespeuren, zynde hy zich zelven in zedigheit en deftigheit, en in het bewaren van den standt zyns onderwerps altydt gelyk: daer Valentyn, hoe zeer ook gesleten door de handen onzer lantgenooten, die trouwen niets beters hadden, noch op tael, noch op gevoegelykheit, noch op den karakter der personen, die hy voor had, eenige acht gegeven heeft. In het maken dezer vergelyking tusschen Vondel en Valentyn schieten my hier niet tonpas in de geestige gedachten van den Ridder Hooft, geuit in een zyner Klinkdichten over Minerva, Juno, en Venus, die hy verhaelt dat na het schennig vonnis, door Paris tot nadeel der twee eerste gestreken, verschenen voor den regtbank der Eere, daer Venus zich liet voorstaen weder als te voren te zullen triomferen.
Maer ziende zich beschamen Door oog en aenschyn, ryk van adelyk betamen, Bestorf zy om den mont, en wert haer rozen quyt.
Op gelyke wyze moet het flikkerend klatergout van Valentyn, waer aen de onkundigen zich tot nogh toe vergaept hebben, vermaekt met zyne uitdrukkingen en loopjes, geschept uit de hef van t lage graeu, zwichten voor den kostelyken en altyd standhoudenden luister der Agrippynsche zwaen. Ons lust, terwyl wy zoo diep in dit gesprek getreden zyn, den Lezer hier van eenige staeltjes onder de oogen te brengen, opdat hy de statelykheit van Vondel wete te onderscheiden van Valentyns ongebondenheit. Penelope zegt by Ovidius, daer ze klaegt over het lang uitblyven van haren gemael, Tu lentus abes: dat vertaelt Valentyn, gy traegaert zent uw kap. wederom elders. hic parvo tempore eris: waer voor hy stelt, hier zult gy maer een korten tydt roesten. Ovidius weder, Cressa puella; hy, t Kretenser dier. van Pallas, sumtis decentior armis, dat is by hem, die beter in t wapen zou gepostuurt hebben. Nogh: reduci tetigisse carina litora, dat gy heelshuits met uw schip weder gehavent zyt. Nogh: quam iterum fallas, een andere doos om weder op nieus uit te stryken. nogh: haec sub domino puella suo est: dat is, dit vleesch is aen een ander man verkocht.laeta sit labe vitae tuae, die spek groeit in uw schande.Membra sunt viduo praecipitata toro,ik spring met een wip van t weduweledekant.Sumebant minimos ora coacta cibos.Myn etens lust verging, myn kaeuwers kregen klem.Cur turba Phasiacam Graja bibistis aquam?waerom most een Griexe hoop uit Fasis stroom slabben?Troja cadat te nullum vulnus habente,Laet Troje vallen zonder uw huitscheuren.Ipsa moror,ik blyf in de pekel.Si tamen exspectas vocem quoque rebus ut addam;Hebt gy gedult om myn biecht te hooren.Nec ullus error, qui facti crimen obumbret, erit.Ik kan geen vygebladt vinden om myn schande te bedekken.Sesta puella,Sestus lief.movet obrepens somnus anile caput,Klaes vaek verknikt het bessenhooft.Sit dubium possisne capi, captabere certe.Schoon t kampel is of ik u vange, k zal u wis grypen.Pertimui, k was hooftschou.Nec me Lesbiadum cetera turba juvant:noch ander Lesbisch goedtje smaekt my meer. Nogh meer andere mooje dingen: latitabam matris in alvo,ik was nogh ongeboren in moeders kool.nulla lusimus arte virum:ik heb met myn man noit gekadraeit.ea parte bibis,gy lurkt aen dien rant.deposito faciam pudore:ik zal hontschoenen aentrekken.Oscula congerimus properata sine ordine raptim,wy plakten kus op kus op neus en ooren.quod Perseus et cum Jove Liber amarunt,de vodden, die Perseus Jupiter en Bacchus beminden.hoc flavi faciunt crines,dat doet uw blonde bol.Irata liceat dum mihi posse frui,Als ik u maer zoo gram magh in de klaeuwen krygen. Saffo zegt tot Faon: Sum brevis: dat onze vertaler uitdrukt door, ik ben een kort gat. Saffo weder, ubi amborum fuerat confusa voluptas. hy, als na wederzydts losbranden t lichaem lagh vermat als een visch op t droog. zy weder, eram lacero pectus aperta sinu: hy, ik ontblootte den ganschen hutspot. Wyders is osculari gedurig, of oscula ferre,kusjes knippen: en het zelfstandige u telkens verwart met het byvoegelyke uw, dat bysterheit in den zin geeft. In den brief van Leander, k woon zoo garen in u, als gy in myn lant. ook onduitsche spreekwyzen en woorden: Stadts ruinen: galant: k zond een expressen: adieu zeggen: plaisier: hasarderen: ruineren: tracteren: intrest: Trojaensche dames: naer advenant: myn ordinair veer: ik passeer den nacht: zy dronk op t goet succes: daer niemant op heeft te pretendeeren: lees ons contract: boen die karel ten huis uit: naer proportie: t quartier der Traciers: by provisie, en dus al voort. Alles op te halen zou lastigh zyn. Hier by heb ik onder het lezen aengemerkt dat meenigte van regelen zoodanigh zweemt naer vaerzen, als of het er op toegelegt ware. want anders is dat ongebeurlyk. Zulx kan eenen Schryver wel ontvallen, gelyk daer vele voorbeelden van zyn by de Latynen, en onder hen by Tacitus, Cicero, Nepos, Vellejus Paterculus, Justinus en anderen; maer dat doorgaens ons zulke regels zouden voor doogen komen buiten toedoen des schryvers, is qualyk af te meten. Men vint hier blyken van aenstonts in den eersten brief van Penelope aen Ulysses:
Uw lief Penelope. Schryf my geen antwoort, maer... Ik weende omdat de list geen scheutig luk kon treffen.
In den volgenden ook:
Gy acht myn liefde niet zoo veel de pyne waerd. Wat heb ik dan misdaen als wat te dol bemint? Helaes, ik scherpte t stael, waer mede ik wert verwond. Deze is t die zyn waerdin, door list verlieft, bedroogh. En heb alleen in tydt en niet in trou misdaen.
Deze trant wort men in alle de brieven gewaer: zelf daer twee of meer regels op elkander volgen. In den brief van Acontius volgen deze vier regels dus:
Dit doet uw blonde bol en elpenbeene hals, Uw poesle handen, die ik wensch myn hals tomgrypen, Uw goelykheit, uw blos, waer in geen boersheit woont, Uw voeten, als ik meen dat Thetis naeulyx heeft.
Kort daer aen weder op een:
Donkundigheit zal uw begane schult bedekken. Ons trouverbont was u slegts uit het hooft gewaeit.
Kort daer aen:
Ook heb ik middelen, een goeden naem en faem. En had ik anders niet, de min paert my met u.
In den brief van Saffo:
Ik kan geen dichten meer op myn gestelde snaren Uitvinden. dicht vereischt een onbeknelden geest.
Kort hier aen:
Die plaets was slechte gront: hy was de vrucht van t wout. Ik kende nogh de moet van t neêrgedrukte gras.
In den brief van Medea zelf rym:
Toen hoorden de Schikgodinnen, Die s menschen levensdraet spinnen.
Maer buiten rym zelf kan men zulke regels niet voor ondicht houden, dewyl Huigens, Hooft, Brant en anderen uit rymelooze vaerzen geheele stukken hebben opgemaekt. Ik ontzie my wytloopiger hier in te zyn om u niet te vervelen, lezer, daer ik anders in staet ben van u een heele lengte van dusdanige voorbeelden te kunnen verschaffen. Indien iemant smaek in deze spyzen vint, hy voedt zich daer mede, en boete zynen lust. Maer het is er zoo verre van daen dat zy my bekoren zouden, dat ik veel liever myn hart ging ophalen in de vertalinge, die van deze Brieven gedaen is in Duitsche Rhetoryke, door Kornelis van Gistelen, gelyk het opschrift van dat boek luidt, waer in Penelope aen het hooft der Griexe Vorstinnen haren gemael Ulysses dus aenspreekt:
Deze brief, geschreven met drukke, gezonden wort Van Penelope, tuwaerts in liefde blakende, Aen u Ulysses, die traegh bevonden wort Tot mywaerts: niet dat ik ben hakende Naer antwoort: het weêrschryven zyt stakende.
Van welke waerde al het overige is, bequaem om ons de lever eens te doen schudden, daer alle de andere dingen, te voren bygebracht, ons niets dan walging kunnen baren. Na dezen Brabantschen dichter quam ook Jonas Kabeljau, Rechtsgeleerde, voor den dagh met een beter beryming, maer bedorven echter door de wet, die hy zich voorgeschreven had, van het geheele werk te begrypen in even zoo veele regelen of vaerzen, als Ovidius hier toe gebruikt had, als ware het rym alleen hem geen kruis genoeg geweest, om hem in t overzetten onlust en moeite te baren. Ongelukkiger proeven zagh men sedert van eenen Christoffel Pierson, beter schilder dan poëet, dien echter, als zynde geenen man van letteren, zyn yver ten beste te houden is. Met beter vruchten van zynen dichtgeest heeft ons de heer de Haas vereert; waerom wy om de overeenkomste der zaken dienstigh geoordeelt hebben die achter Vondels vertaling te voegen, tot een prysselyk voorbeelt voor de aankomende verstanden, wier eerste werk behoorde te zyn zich te zetten tot zoodanige overbrengingen, om den wegh te vinden tot het bewerken van eige vonden en uitdruxelen, eene zaek, waar over ik my elders breeder heb uitgelaten. Maer dit betreft het rym, waer van wy nu niet verder spreken willen. Deze rymelooze overzetting zal alle kunstkenners (dit durf ik my beloven) des te meer bekoren, omdat zy gestelt is in een zuivere tael, en eenen styl, die de schryfwyze der meeste schryveren in ons vaderlant overtreft. De schikking en geslachten der woorden vint men alom ook waergenomen; aen welke naeukeurigheit Vondel zich altydt veel liet gelegen leggen, en die meenigmael het onderwerp is geweest der Letterkundige Vergaderinge, gehouden tot opbouwing, voortzetting, en luister der Nederduitsche Sprake, die de geleerde heer Peter Schryver in zyn lofdicht op de Nederduitsche gedichten van Daniel Heins de princesse van alle talen noemt. Leden dezer Vergadering te zyn schaemden zich niet noch de Drossaert Hooft, noch de Ridder Reael, noch de heer Hubert, Schepen en Raedt der Stadt Zierikzee, nochte andere brave dichters en Kunstkenners. Na hen beyverden deze nettigheit ook de beroemde dichters Vollenhove, Moonen, de Branden, Broekhuizen en Francius, waer van de laetste, als ik hem de eerste mael in geschrift vertoonde de aenleiding, die ik daer toe had opgestelt, met zulk eenen lust om het vervolg te zien bevangen wert, dat hy my deze woorden toepaste: Gy moet hier mede voortvaren, of ik zal t zelf doen. Alle de gemelde vernuften spoorden my verder aen, en gaven my blyken van hun genoegen, toen dat boekje in t licht quam. De heer François Halma, die het yverigh ter persse gebracht had, begreep ook wel haest (want den lof, die hem toekomt, verstaen wy hem te geven) wat nutbaerheit daer in begrepen was, gevende ook bewyzen van zyn begrip in zyn geschriften, en beschaemende daer in veele luiden van letteren, die zich spader hier aen gewenden. De zelve heer Halma weet ook nevens my, in wat waerde de heer Rotgans dien arbeit hielt, en hoe omzichtigh hy in zyn schryven hieromtrent te werke gingh: nochte hem is onbekent hoe ernstigh de heer Bake my verzocht had de hant te willen houden aen het te recht brengen dezer oneffenheden in zyne gedichten, als ze na zyn doot stonden uit te komen, begerende dat het drukken der zelve den gemelden Halma, en het overzien en beschaven den Heeren Francius en Broekhuizen, en my zou aenbevolen blyven. Vooral vatte de heer Adriaen Verwer myn inzicht, en ging te lustiger voort (gelyk hy my de eere gedaen heeft van dat in openbaren druk te getuigen) in de eigenschappen der tale op te delven. Ik zwyge van andere luiden van kennis en oordeel, ook van hun, die met my deelden in den vriendelyken ommegang met Francius en Broekhuizen, als de heeren Henrik Wetstein, Joan Pluimer, en die nu der werrelt overleden is, onze vriendelyke en welgeaerde Herman Angelkot. Al dit ware onnoodigh hier by te brengen, dewyl ik voorheen by andere gelegenheden genoeg daer van gesproken heb, ten ware my voorquam hoe veel weere eenige babbelaers en rymers doen om deze aanmerkingen voor muggezifteryen, die niets om t lyf hebben, te doen doorgaen. t Zyn kleenigheden, zeggenze, die maer afhangen van de neuswysheit eeniger letterknabbelaren, die een schoon gedicht (waerdoorze hun eigen maexel verstaen) zullen verdoemen, omdat er by avontuur tegen hunne regels gezondigt is. T zyn kleenigheden: t is waer.
Maer t geeft aen uw gedicht een ongemeen sieraedt, Indien gy acht op al dees kleenigheden slaet;
zegt de heer Pels in eenen anderen zin. Maer evenwel wie is zoo dwaes, dat hy letterkundige met dichkunstige aenmerkingen zal vermengen? of waer heb ik oit schyn gegeven van dat te willen doen? Ik weet zeer wel dat een nette tael juist geen net gedicht maekt, en dat er wat anders tot een gedicht vereischt wort: maer weet met eenen wel dat de kennis der tale, en der nettigheit, die er in moet waergenomen worden, dient voor te gaen, eer men in staet zal zyn van een net gedicht te schryven. Heel anders hebben hier van oulinx geoordeelt doorwyze, en door hunne bedrevene daden vermaerde mannen. Heel anders oordeelden Marcus Terentius Varro, en Cajus Julius Cezar, die beide zich verledigt hebben tot het schryven van boeken over de Regelmatigheit hunner moedersprake, de eerste ook verscheide verhandelingen, de Latynsche tale betreffende: om nu van Cicero, Bugermeester van Rome, noch van Titus Pomponius Atticus, zynen vrient, niet te spreken. Aen geletterde luiden is dit bekent. En deze onkundige wederstrevers zien niet, als ze zich tegen my verzetten, dat ze de gedachtenis hoonen van zoo vele doorluchtige verstanden, die zelf hier door eenen duurzamen naem in Nederlant heben nagelaten. Kunnen of willen anderen het niet vatten of navolgen, ik gun hun te plenssen in hunne moerassen dat hun t sop om de ooren springt. My lust er niet aen, die aen beter bronnen gewent ben. Anderen ook, zwoegende in hunne boosheit, magh ik wel velen dat zich zoo afzichtigh by alle eerlyke luiden ten toon stellen. Ik heb nogh een woort te zeggen van de brieven van Sabinus, door my vertaalt en hier aengehecht, voor zoo veel de vertaling zelve betreft, waer ik in gaerne belyde dat ik my niet voldaen heb, maer geen kans zie om het beter te doen, by gebrek der noodige hulpmiddelen hier toe vereischt; het geen ook de Uitleggers, en onder hen vooral de brave Nikolaes Heins, zoon van den grooten Daniel Heins, erkent hebben. Weet het iemant beter te klaren, ik zal hem van mynen kant dankbaer zyn. Ondertusschen zy dit werk der Heldinnebrieven, het edelste myns oordeels dat Naso ooit te voorschyn bracht, den Nederlantschen lezer geschonken, en hem alle heil gewenscht.
Portret van Vondel door Philippus Koning, met onderschrift door David van Hoogstraten:
Dit is de laetste schets van VONDELS aengesicht, Wanneer in hem bezweek het goddelyke licht En hemelsch yvervier, waer door zyn hart bewogen T verwondert Neêrlant hielt in aendacht opgetogen. Wie was oit meer gelaeft door t nat der hengstebron? Wat dichtgeest was oit meer gewilt op Helikon?
O Ulysses, uwe Penelope zent dezen brief aen u, die langkzaem wederkeert. Schryf my echter geen antwoort: maer wees liever zelf de bode. Dat Troje, t welck de Griexe meiskens vervloeken, legt er al toe. Naeulyx was Priaem en geheel Troje ons zoo veel waerd. Och of de reuckelooze overspeeler met zyn vloot in zee verzoncken waer, toen hy naer Lacedemon voer! zoo zou ick niet alleen in t bedde verkleumen, nocht gelyck vergeten klagen dat de tydt zoo lang valt: nocht in de verdrietige nachten tytkortinge zoeckende, zou ick myn ledige handen aen t opgezette webbe niet afslooven. Wanneer vreesde ick niet voor grooter zwarigheden, als zy inderdaet waren? Liefde brengt veel bekommeringe aen. My dacht al dat de gestoorde Trojanen u achter her waren. Ick besturf telckens, als men my van Hektor repte: of wen iemant vertelde, hoe Hektor Antilochus vermeesterde, dan gaf Antilochus ons stof om voor u te vreezen: of zeide men dat Menetus zoon in het bedriegelycke harnas gesneuvelt was, zoo schreide ick om dat het bedrog averechts uitviel. Riep men dat Tlepolemus de Lycische speer met zyn laeu bloet geverft had, zoo weckte Tlepolemus doot myn sluimerende zorge weder op. In t kort, zoo menigmael als iemant van t Griexe leger om hals geraeckte, [p. 2] wert het hart van uw liefste killer dan ys. Maer de goedertiere Godtheit droegh zorgh voor myn kuisch gemoedt; want myn man overleefde den brant van Troje. De vorsten van Argos zyn wedergekeert: de altaren roocken: de uitheemsche buit wort den vaderlycke goden toegewyd. De joffers offeren aengename schenckaedjen, omdat hare mans behouden zyn: en zy roemen hoe de fortuin van Troje voor de hare wycken moest. De statige stockoude mannen en verbaesde meiskens verwonderen zich hier over: de vrou ziet haren man onder t vertellen de woorden uit den mont: en men toont hun onder den maeltydt op de tafel den fellen strydt, en het geheele Pergamum met een luttel geplengden wyn. Hier langs liep Simois: daer was het Sigeesche veldt. Ginder stont het hooge hof des gryzen Priaems. Eakus neef teeg herwaert, Ulysses derwaert op. de rustige Hektor verschrickte hier de paerden, die op hem aenzetten: want dafgeleefde Nestor, toen ick uwen zoon uitzond om u te zoecken, had hem alle deze dingen vertelt, en hy weder aen my. Hy wist my oock te zeggen, hoe Rhesus en Dolon, deen in zynen slaep, dander door lagen, om t leven quamen. Gy, die helaes al te luttel om duwe denckt, dorst bedrieghelyk by nacht het Thracische leger aanranden, en met de hulpe van uwen macker alleen, zoo vele mannen teffens ter neder vellen. maer trouwens gy waert loos genoeg, en te voren aen my gedachtig. T hart klopte my van schrick in t lyf, terwyl men zeide, dat gy als overwinnaer met Ismarische paerden door de troepen der vrienden henen trockt. Maer wat baet my dat gy Ilium met uwe handen om verre ruckte, en de vesten tot den gront toe ter neder gesmeten zyn, zoo het met my al eens blyft, als het was, toen Troje nog overend stont, en ick vast mynen man ontbeer, hoewel de kryg een end heeft? Andere trekken de vrucht van t sloopen der muren van Pergamum; maer voor my alleen staenze nogh: daer doverwinnaer nu [p. 3] woont, en zyn ossen voor den ploeg spant. Nu groeit het koren daer Troje gestaen heeft, en men slaet de zeissen in t weeldige gewas des ackers, gemest met Frygiaenschen bloede. Het kromme ploegyzer klinckt op het gebeente der mannen, die naeulyx aerde genoeg hebben: het gras wast al over de ingestorte huizen. Gy overwinner komt niet te voorschyn, noch t is niet in myn maght te weten, wat u verlet, of in wat hoeck gy onmedogende blyft sammelen. Niet een schipper komt hier aen, van over zee, die weder tzeil magh gaen, voor dat ick hem heb uitgevraegt, wat tyding hy van u vernomen heeft: en ick geef hem een brief met myn eigen hant geschreven, om dien aen u te bestellen, of hy u ergens vond. Wy hebben naer Pylos gezonden, het lant, dat de oude Nestor van zynen vader Neleus erfde: maer men bracht geen tyding van Pylos thuis. Wy zonden oock naer Sparte, maer Sparte, even wys, weet oock niet waer gy woont of opgehouden* wort. Febus muren waren nu oock nutter ongeschend gebleven; och ick ydelhoofdige heb berou over myn wenschen! Ick wist waer gy oorloogde, en my stond alleen voor oorlog te vreezen, en ick zou neffens vele andere klagen. Ick zinnelooze weet naeulyx waer voor ik vrees: en evenwel vrees ick voor alle dingen: en myne bekommeringen zwerven in een ruim velt. My dunckt dat er zoo veel beletsels van uwe komste zyn, als er gevaren te water en te lande gevonden worden. Terwyl ick armzinnige dit vast overlegh, dunckt my (gelyk de lust de mannen vervoert) dat gy van minne blaeckt om een uitheemsche: en misschien verteltge haer hoe onheusch uwe gemalin zy, die slechts past dat haer taeck werde afgesponnen. Ick moet my hier in bedrogen vinden; deze gedachten in roock verdwynen; en gy, wien t wederkeeren vry staet, blyf toch niet uit. Ikarius, myn vader, port my aen, om uit dezen weduwlycken staet te scheiden, en graeut vast over uw langdurig sammelen. Hy magh graeuwen zoo lang het [p. 4] hem lust. het past my dat ick u eigen ben en blyve. Ick Penelope zal inder eewigheit Ulysses ega blyven. Hy laet zich nochtans door myn getrouheit en kuische gebeden vermurwen, en matigt zelf zyn hevigheit. De vryers, een dartele drang van Dulichium en Samos, en de inboorlingen van Zacynthus, loopen my om de ooren; en maecken den meester in uw hof, daer t ontzagh uit is: uw middelen worden doorgejaegt tot myn hartewee. Wat wil ick u verhaelen van Pisander, Polybus, den vervloeckten Medon, en de roofziecke klaewen van Eurimachus en Antinous en anderen? Die gy alle zelf schandelyck afwezende voedt met ryckdommen door uw bloet verworven. De arme Irus, en Melanthius de aenvoerder om ons vee te verteeren, zyn de laetste schandbrocken om uw goet op te maecken. Wy zitten hier als drie weerlozen: een huisvrou zonder hart, de gryze Laërtes, en de jonge Telemachus. Dees wert my onlangs bykans door lagen ontschaeckt: terwyl hy zig reed maeckte om tegens yders danck naer Pylos te reizen. Ick bidde de Goden ons te vergunnen, dat elck op zyn gezetten tydt stervende, hy myne en oock uwe oogen luicke. Dit wenscht de ossendryver, de bedaegde voester, en de getrouwe bezorger der onreine kudde. Maer Laërtes, als een, die door de jaren afgemat is, kan het Ryck, dat midden in zyn vyanden legt, niet beschermen. Telemachus zal metter tyd sterck worden, magh hy slechts leven: nu moest zyn vader hem beschutten: want ick heb de maght niet om de vyanden ten huis uit te dryven. Kom dog haestig tot stut en behoudenis van de uwen. Gy hebt een zoon, die ick bid dat de uwe blyve, die in zyn teedere jaren moest in de vaderlycke wetenschappen onderwezen worden. Zie naer Laërtes te rugge, opdat gy nu zyne oogen luickt: hy gaet al met den eenen voet in t graf. Zeker, ick een jong meisken, toen gy uitgingt, zal een oud wyf gelycken, al quaemt gy aenstonds thuis. [p. 5]