TWEEDE DEEL

Nieuwelijks vertaalt, en met ko-
pere platen verçiert.


t’AMSTERDAM,
__________________________

Voor de Weduwe van Nicolaas Fransz.
Anno 1654.
Continue
[p. 2: blanco]
[p. 3]

Het dartiende Boek

DER

ILIADEN

VAN

HOMERUS.

INHOUT.

Neptunus, zich over de verwonne Grieken erbarmende, neemt de gedaante van Calchas, en prikkelt de beide Ajaxen, en daar na noch anderen aan. Idomeneus strijd sedert dapperlijk, en doot Othryoneus; en enige anderen. Veel van hen worden gedoot. Deiphobus en Helenus worden gewond. Hector, de genen daar over hy gebiedt vergaderende, voert hen tegen de vijanden; en van weêrzyden geschied een grote neêrlaag.

IUpiter, de Trojanen en Hector aan de schepen gebracht hebbende, liet hen daar by, en de Grieken zonder ophouden [p. 4] d’arbeit en kommer uitstaan. Maar hy keerde zijn flikkerende ogen, die hy op d’aarde vestte, naar de Thraciaansche ruiters, naar de Mysiers, die hant aan hant srijden, en naar de Hippemolgen, die melk nuttigen, en, d’oprechtste slach van menschen zijnde, lang leven. Hy wendde zijn stralende ogen niet weêr naar Trojen: want hy waande dat niemant der goden gedachten, van de Trojanen of Grieken te helpen, zou krijgen. Maar de Koning Neptunus hield niet vergeefs de wacht: want hy, op de hoge top van Threicia in ’t boschachtig Samos zittende, aanschoude d’oorlog en strijt, en zag van daar de gehele berg lda, Priamus stat, en de schepen der Grieken. Hy, uit de zee getreden, had zich daar neêr gezet, en erbarmde zich over de Grieken, die van de Trojanen ovcrweldigt wierden, en wierd ten hoogsten op Jupiter vergramt. Hy, met gezwindc voeten voortgaande, daalde af van de harde berg. De hoge toppen der bergen, en de bosschen beefden ondcr d’onsterffelijke voeten van Neptunus, terwijl hy voortging. Hy trad drie treden voort, en quam met de vierde treê t’Eges, zijn gestelde [p. 5] plaats. Hy had daar een heerlijke woning in de diepte van de zee, die van gout en blinkende stenen, die nooit vergingen, gebout was. Hy, daar gekomen, spande zijn paerden, die kopere voeten hadden, gezwindelijk voortvlogen, en met goude manen verciert waren, voor de wagen. Hy zelf, zich met gout bekledende, nam een goude zweep, die konstelijk gemaakt was, en klom op zijn wagen, die hy deur de golven dreef. De walvisschen, van alle zijden uit hun schuilhoeken voor hem te voorschijn kornende, betoonden grote blyschap, en erkenden hun koning. De zee, ten hoogsten verblijd, scheidde zich van malkander. De paerden vlogen gezwindelijk voort, ja zodanig, dat de kopere assen niet nat wierden, en brachten met grote snelte hun Vorst by de schepen der Grieken. In d’afgront van de diepe zee, tusschen Tenedus en het streng Imbrus is een ruim hol, daar Neptunus, die d’aarde doet schudden, zijn paerden bracht, uit de wagen spande, en goddelijk voeder by hen zette, op dat zy eten zouden.Hy deê goude boejen aan hun voeten, die niet gebroken, of losgedaan konden worden, op dat zy daar [p. 6] zonder afwijken hun Koning in zijn weêrkeering zouden verwachten; en hy ging daar na naar ’t heir der Grieken.
    De Trojanen, gelijk een vlam of dwarrelwint aanvallende, volgden Hector, Priamus zoon, en, grote blyschap betonende, riepen zo luide, dat hun stem een weêrgalm gaf; want zy verhoopten dat zy de schepen der Grieken zouden overweldigen, en alle de Grieken daar by doden. Maar Neptunus, die d’aarde omringt, en dreunen doet, uit de diepe zee te voorschijn kornende, en de gedaante en stem van Calchas aangenomen hebbende, maande d’Argiven aan, en sprak eerst tot d’Ajaxen, die zelven vaerdig waren. Ajaxen, gy zult het heir der Grieken beschutten; gedenkt aan uw dapperheit, en wend uw gedachten af van de schadelijke vlucht. Ik vrees elders niet voor de harde handen der Trojanen, die met hun heir over de grote muur zijn geraakt. Maar schoon alle dappere Grieken hun woede tegenstaan, zoo vrees ik echter grotelijks dat wy hier iets zullen lijden, daar deze verwoede Hector, die een vlam gelijk is, gebied, en zich beroemt dat hy [p. 7] de zoon van de machtige Jupiter is. Iemant der goden geef u zodanige gedachten in, dat gy onversaagdelijk itant houd, en d’anderen aanmaant. Dus zult gy hem, hoe dapper hy ook is, van de gezwinde schepen afdrijven, schoon Jupiter zelf hem aanmaande.
    Hy, die ’t aardrijk beven doer, dit gezegt, en met zijn drietand hen beide aangeroert hebbende, vervulde hen met kracht en dapperheit, er maakte hun leden, handen en voeten, lenig en taai. Gelijck een snelle valk tot vliegen aangemaant word, en van een steile en hoge rots zich op de vlucht begeeft, en over ’t velt vliegt, om een andere vogel te vervolgen; zo scheidde Neptunus, die d’aarde doet dreunen, van hen beide. De gezwinde Ajax, Oileus zoon, gevoelde dit eerst van hen beide, en sprak terstont Ajax, Telamons zoon, in dezer voegen aan: Ajax, een der goden, die d’Olympus bewonen, de gedaante vao de wighelaar aangenomen hebbende, beveelt aan ons by de schepen te strijden. Hy is niet Calchas de wighelaar. Ik heb de speuren van zijn voetstappen, en zijn benen in ’t wechgaan gezien: want de gou- [p. 8] den zijn lichtelijk te kennen. Ja ik gevoel dat mijn hart in mijn boezem alreê beter gemoed om te strijden is. Mijn voeten willen derwaarts, en mijn handen jeuken naar de srijt. Ajax, Telamons zoon, dit horende, gaf aan Oileus zoon tot antwoort: Mijn harde handen trachten nu naar de speer, om die te voeren. Ik gevoel mijn krachten in my woelen. Mijn beide voeten worden voortgestuwt. Ik ben bereid om alleen tegen de blygeestige Hector, Pmmus zoon, gedunglijk te strijden.
    Terwijl dezen dusdanige dingen onder malkander spraken, en om de lust tot strijden, die god in hun gemoed gezonden had, verblijd waren, maande Neptunus d’andere Grieken, die achterwaarts geweken waren, en by de gezwinde schepen hun waarde ziel verquikten, ten strijt aan. Hun leden waren door de zware arbeit asgemat; en zy wierden ten hoogsten bedroeft, toen zy zagen dat de Trojanen met hun heir over de muur gekomen waren, en stortten veel droeve tranen, toen zy de vijanden op hen zagen aankomen, vermits zy waanden dat zy de doot niet ontvluchten zouden. Maar Neptunus, by hen [p. 9] gekomen, sprak de sterke krijgsbenden moed in. Hy, de Grieken aanrnanende, ging eerst by Teucer en Leitus, by de helt Peneleus, Thoas, Deipyrus, Meriones, en Antilochus, die in d’oorlog ervaren waren. Hy, hen aanmanende, sprak tot hen met gevleugelde woorden: Argivische jongelingen, gy hebt u te schamen. Ik vertroude dat gy, wel strijden willende, uw schepen beschermen zoud. Maar indien gy de schadelijke strijt nalaat, zo is de dag alreé gekomen, in de welk wy van de Trojanen verwonnen zullen worden. O schande! ik zie dit groot wonder, ’t welk ik nooit gedacht had t’aanschouwen, te weten dat (ô schrikkelijk schouspel!) onze schepen van de Trojanen bestormt zullen worden, die eerst de vlucht kozen, gelijk de herten, die in ’t bosch de spijs der Lynxen, luipaarden en wolven worden, vermits zy, onbequaam tot strijden zijnde, zonder kunde dolen. In dezer voegen darden ook de Trojanen in ’t eerst de dapperheit en handen der Grieken, hoe weinig het ook was, niet verwachten. Maar zy strijden nu verre van hun stat, en aan de holle schepen, en dit door traagheit van de veltover- [p. 10 ] ste, en flaaumoedigheit der krijgslieden, die, tegen hem in twist geraakt, de gezwinde schepen niet willen beschermen, maar zich daar in laten doden. Doch schoon de helt Agamemnon, Atreus zoon, die wijt en breet heerscht, zonder tegenspreken schuldig is, om dat hy Achilles, Peleus zoon, die gezwind van voeten is, ongelijk aangedaan heeft, zo is ’t echter geensins aan ons geoorloftvan de strijt af te laten. Maar laat ons dit verschil bemiddelen: de geesten der goeden zijn te verzoenen. Gy kont niet eerlijk ophouden van uw dapperheit te betonen; dewijl gy alle de dapperste in ’t heir zijt. Ik zou een flaaumoedig man, die van de strijt afliet, niet bekijven: maar ik ben tegen u, gy flaaumoedigen, ten hoogsten vergramt. Gy zult door dit ophouden noch groter quaat doen. Dat yder dan de senande en ’t verwijt aan zichzelf voor ogen stel. De strijt is alreê wreer geworden. De sterke Hector.dapper in de strijt, vecht alreê by de schepen, en heeft alreê de poort, en de lange draaiboom gebroken.
    Neptunus, de Grieken dus aanmanende, stak hen ’t hart in de boezem. By de beide Ajaxen stonden twee [p. 11] dappere krijgsbenden, die Mars zelf, zo hy daar bygekomen was. niet verachte en Minerva.die de volken drijst, niec verimaad zou hebben. Want zy, als de bellen verkozen, stonden gekant tegen de Trojanen, en tegen d’edelmoedige Hector, en stonden met hun speren en schilden ais muren tegen malkander. Het een schilt stont pal tegen’t ander, d’een helm tegen d’anderj en de mannen stonden als onbewegelijk. De blinkende stormhoeden, daar een pluim van paerdehair opstak, raakten aan malkander; zo dicht stonden zy te zamen. De spieslen, van stoute handen gevoert, troffen malkander zodanig, dat het spits om ging leggen; en zy, wel gemoed zijnde, gingen vaerdig ten strijt. De Trojanen, zeer sterk zijnde, begonnen de strijt; en Hector, voor aan gaande, maakte indruk. Gelijk een ronde steen.van een klip, door de loop van een snelle stroom asgebroken.met groot gedruis neêrwaarts valt, en het bosch beneden doet dreunen, en zonder verhindering geduriglijk neêrwaarts stroomt, tot dat hy in de vlakte koomt.daar hy leggen blijft, schoon men daar aan stoot; zo beroemde Hector zich ook dat hy lich- [p. 12] telijk tot aan de hutten en schepen der Grieken zou kamen. s hy, de dichte slagordeningen gekomen, moesltaanblijven, zonder voort te konnen komen. Want de Zonen der Grieken, die tegen hem gekant Ronden, troffen met hun zwaerden en scherpespieslen hem zodanig, dat hy te rug tnoèst wijken, en dat hy al deizende achterwaarts gedreven wierd. Maar hy, de Trojanen aanmanende, Hector riep luide: Gy Trojanin en Lyciers, en maant W strijdbare Dardanie rs, houd siant. dt vjrun P Grieken zullen my niet lang te, genstaan, hoewel zy zich gelijk een toren te zamen gevoegt hebben. Zy zullen onder mijn speer bezwijken, zo Junóos donderende gemaal, de beste der goden, my warelijk aangeprikkelé heeft.
    Hy, dit gezegt hebbende, wekte yder moed en dapperheit aan. Deiphobus, Priamus zoon, moet scheppende, trad onder hen voor uit, en, zijn esse schilt voor hem houdende, sapte onversaachdelijk toe. Merio es, metzijnspies op hem mikkende, trof hem, zonder temislen, aan zijh esse schilt, dat van stiershuiden gemaakt was; doch zijn lange speer d’orignict dcurj sns brak aan de [p. 13] punt. Deiphobus keerde zijn stiersschilt van zich, vermits hy inwendiglijk voor de spies van de strijdbare Menones bevreest was. Deze helt, weêr naar zijn spitsbroeders wirkende, was zwarelijk vergramt, omdat hy de zege verloren, en zijn spies ge broken had. ging spoedigsijk naar de hinten en schepen der Grieken, om zijn lange speer, die hy in de hutten gelaten had, te halen. D’anderen streden ondertuslehen; en daar ontltonteen schrikkelijk gedruis. Teucer, Telamons zoon, doodde d’eerile man, de strijdbare Imbrius, de imbiia zoon van Mentor, die rijk van paer m den was. bewoonde Pedasus, eer Ts de zonen der Grieken voor Trojeni’’ quamen, en had tot zijn gemalin Medesicastes, Priamus bastertdochter. Maar na dat de schepen der Grieken, die aan weêrzyden van riemen voortgedreven wierden, voor Ilium gekomen waren, voegde hy zich ook derwaarcs, en muntte uit onder de Trojanen, en had. zijn woning by Priamus, die hem gelijk zijn zonen eerde. Teucer trofmet zijn lange soeer hem onder ’t oor, en trok de ipies weêr uit, terwijl Imbrius ruggelings over viel. en peêrplostc, ge- [p. 14] Iijk een esscheboom, die, op de top van een hoge berg staande, en van de bijl by na deurgehouwen, met zijn cere bladen tegen d’aarde ploft. Dus viel hy ook neêr; en zijn wapenen, die van koper waren, maakten groot gedruis. Teucer schoot op hem in, om hem van zijn wapenen te beroven. Maar Hector, hem aankomen ziendc, wierp naar hem met zijn scherpe pijl. Teucer de pijl aankomen ziende, ontweek hem: maar hy trof Amphimachus.Cteatus zoon, die meé ten itrijt gekomen was, in de borst: in voegen dat hy, neêrvallende, groot gcaruis maaktc, en zijn wapenen op hem rammelden. Hector liep derwaarts, om zijn stormhoet, die hem de slaap van’t hooft bedekte, te royen. Ajax trof hem, terwijl hy dus toeschoot, met een scherpe spies, die hem nergens quetste, vermitt hy over zijn geheel.lighaam met koper bedekt was. Hy trof hem aan de pen van zijn schilt; in voegen dat hy achter over zwikte. Hector, deze slag srevbelende, week te rug van de beide lijken af, en de Grieken trokken hen naar zich. Stichius, en de goddelijke Menestheus, vorsten der Atheners, oegen Amphimachus naar ’t heir [p. 15] der Grieken. Maar gelijk twee leeuwen een geit, schoon hy van de hondcn, die gesloten tanden hebben, bewaard word, loven, en deur ’t dikke rijs in hun muil wechdragen; s vat ten de twee jaxen, die naar de seile strijt verlangden, en dicht gewapent waren, ook Imbrilis op, droegen hem wech, en beroosden hem van zijn wapenen. Oileuszoon, om Amphimachus vergramt, sneed aan Imbrius t hooft af, en, dae als een bal omwentelende, wierp het naar de Trojanen, in voegen dat het voor Hectors voeten in ’t zant neêrviel.
    Neptunus, vergramt in zijn gemoed om de doot van zijn neef, die in de zwarestrijt verslagen was, spoedde zich naar de hutten en schepen der Grieken, om hen tot dapperheit aan te manen, en rampen voor de Trojanen te bereiden. ontmoette onderweeg Idomeneus, door zijn speer vermaart, terwijl hy van zijn spitsbroeder wêêrkeerde, die, met het scherpe staal in de dgie gewond, onlangs uit d’oorlog tot hem eekomen was, en van zijn spitsbroeders naar de geneesmeesters gedragen wierd. Idomeneus, hem aan de wondheel- [p. 16] ders bevolen hebbende, keerde weêr uit Ózijn hut, vermits hy noch by de strijt begeerde te zijn. De koning Neptunus, de stem van Andremons zoo n, Thoas, aanneemende, die in t geheel Pleuron, en in’t uitsteekend Calydon over d’Etoliers gebood, en van ’t gemeen als een god geëert wierd, sprak tot hem: O Idomeneus, vorst der Creters, waar zijn nu de dreigingen gebJeven, daar meê de zonen der Grieken de Trojanen gedreigt hebben? Idomeneus, de hartog der Creters, sprak hier op weêr tot hem: O Thoas! wy konnen nu niemant beschuldigen, naar dat ik versta: want wy zijn alle dapper in de strijt. De vrees, die als zielloos maakt, weêrhoud niemant. Niemant, flaaumoedig zijnde, weigert de rampzalige oorlog: maar’t is de wil van de machtige Jupiter, dat de Grieken hier, verre van Peloponnesus, zonder roemvergaan. Doch gy, Thoas, die eertijts strijdbaar waart, en anderen ten strijt aanvoerde, als gy hen flaaumoedig zaagt, spoed u nu Is derwaarts, en maan yder ten strijt aan. Neptunus, d’aarde dreunen doende, gaf toen weêr aan hem tot antwoort: Idomeneus, ik wensch [p. 17] dat de geen, die in deze dag gewilliglijk van strijden ophoud, nimmer weêr uit Trojen keer, maar tot aas der honden word. Ik, mijn wapen, nsnen genomen hebbende, ben herwaarts gekomen. Wy moeten beriaeririgen of wy, schoon met ons beide alleen, enig voordeel konnen doen. De blohartigen, hun krachten te zamcn voegende, zijn noch vorderlijk: maar wy konnen ook tegen de machtigen strijden.
Neptunus, ditgesproken hebbende, keerde weêr naar de strijt der mannen. Maar Idomeneus, aan zijn heerlijke hut gekomen, trok zijn treffelijke wapenen aan zijn lighaam, en nam twee spiessen. begas zich op weg, gelijk de blixem, die van Jupiter, Saturnus zoon, met zijn, hant gegrepen, van de deurluchtige Olympus geworpen word, om door des zelfs stralen eeri teken aan de menschen te geven: zo slikkerde ook zijn harnas om zijn borst, terwijl hy voortliep. Meriones, die aan hem een goed knecht was, ontmoette hem noch dicht aan de hut, vermits hy zijn scherpe speerginghalen. Idomeneus sprak tot hem indezer voegen: Meriones, Molus zoon, die [p. 18] gezwint van voeten, d’aangenaamste mijner spitsbroeders zijt, waarom zijt gy, de strijt veilatende, hier gekomen? zijt gy gewond? heeft een pijl u getroffen? of zijt gy om iets te boodschappen tot my gekomen? Ik begeer niet ledig in mijn hut te blijven, maar te strijden. Maar de voorzichtige Meriones sprak weêr tot hem in dezer voegen: Idomeneus, de vorst der gewapende Creters, ik koom om te zien of gy ook een speer in uw hut overbehouden hebt, en om die te halen; want ik, het schilt van de verwaande Deiphobus treffende, heb de s, die ik eersl had, gebroken. Idomeneus, de vorst der Creters, gaf weêr aan hem tot antwoort:, Indien gy speren begeert, gy zult in mijn hut wel eenentwintig vinden, die tegen de want aan flikkeren, en die ik de gedode Trojanen asgenomen heb: want ik strijd niet verre van mijn vijanden af, maar voeg mij dicht by hen; en dieshalven heb ik speren, en schilden met penncn, gelijk ook helmen en borstharnassen, die een heldere glans asgeeven. De voorzichcige Meriones sprak hier op weêr tot hem: Ik heb ook veel roos van de Trojanen by mijn hut en Mtrtonts zwart schip; maar ’t is my te verre Iiora die te halen. Ik heb, gelijk ik nuneus. acht, mijndapperheit nietvergeten. Maar ik, die my in de voorste geleden der dappere mannen begeer, hou stant als men de strijt aanvangt. Een ander van de gewapende Grieken zal my mislchien niet kennen: maar gy weet wel wie ik ben. Idomeneus, de vorst der Cretersj sprak weér tot hem: Ik weet hoedanig uw dapperheit is. Waar toe dit gezegt? Indien wy alle, mut.am die de dappersten zijn, nu by onze Merischepen ter belagtng uitgekozen wierden; (daar men de dapperheit der mannen klarelijkst kan bemerken, en daar men lichtelijk kan zien wie dapper, en wie blode is. Want de blode word geduriglijk anders en anders van verwe. is nimmer gerust, en kan nooit rust in zijn gemoed vinden, maar hy verandert telkens van plaats, en staat nu op ’t een, en dan op’t ander been. Zijn hart klopt inwendiglijk in zijn borst, en hy, voor de doot bevreest, klappert op zijn tanden. Maar de dappere verandert nimmer van verwe, en word nooit van grote vrees overvallen: en na dat hy, beneffens d’anderen, ter [p. ] belaging uitgetrokken is, zo wenscht hy dat hy gezwindelijk tot een felle strijt mag komen) niemant zou uv dapperheit verachten. Want indien gy, van verre of naby strydende, gewondvwierd, de pijl zouu niet van achter in de hals, of in de rug treffen, maar in de borst, of in de buik, terwijl gy op de menigte dergener, die in de voorste geleden strijden, indrongt. Doch laat ons toezien dat wy dit niet als kinderen spreken, , die by malkander staan blyven, op dat wy niet iemants gramschap boven de maat verwekken. Ga gy naar mijn hut, en grijp een sterke speer.
    Toen Idomeneus dit gezegt had, nam Meriones, die den gezwinde Mars gelijk was, gezwindelijk een kopere speer uit de hut, en ging naar Idomeneus, die heel yverig in d’oorlog was. Gelijk de schadelijke Mars, ten strijt gaande, van schrik, zijn waarde zoon, die dapper en onversaagt is, en de dapperste krijgshelden verschrikt, verstlt word, na dat zy in Thracien tegen d’Ephyren, of tegen de grootmoedige Phlegycn de wapenen aangedaan hebben, en geen van beiden verhoren, maar de roem [p. 21] aan aan anderen geven: zo gingen ook Meriones en ldomeneus, d’aanvoerders der mannen, met blinkend metaal gewapent, ten strijt; en Meriones sprak d’eerste tot hem: Deucalions zoon, van wat zijde begeert gy op de vijanden in te vallen? ter rechte zyde van ’t gehele heir? in ’t midden? of ter slinke zyde? want ik acht dat deGrieken met hun hair aan ’t hooft, nergens gebrek van slrijtzullen hebben. Idomeneus, de vorst der Creters, sprak weêr tot hem: Daar zijn idomeanderen om in ’t midden de schepen mus te beschermen, te weten de twee aan Ajaxen, enTeucer, die in konstig rioms. lij te werpen de voornaamste onder de Crieken, en in saandevoets te strijden ook dapper is. Dezen zijn machtig om Hector, Priamus zoon, die yverig in de strijt, en sterk is, af te weren, want hoewel hy heel begerig naar gevecht is, zo zal ’t hem nochtans zwaar vallen hun dapperheit en harde handen te verwinnen, en daar na de schepen te verbranden, ’ten waar Jupiter, Saturnus zoon, zelf de brant daar in stak. De grote Ajax, Telamons zoon, zal niet voor enig man bezwijken, die stersselijk is, en Ceres vruchten nuttigt, en [p. ] van ’t staal, en van grote slenen gewond kan worden. Want hy zou in een staande gevecht voor de sterke Achilles niet bezwijken: maar hy is hem geeniins in gezwincheit van voeten gelijk. stier uw loop ter slinke zyde van’t heir, om spoediglijk te zien of wy aan iemant, osiemant aan ons eci zal bcreiden.
Meriones, den gezwinde Mars gelijk, begas zich op weg, tot dat zy aan’t heir quatnen, daar Idomeneus geboden had. Zijn spirsbroeders, Idomeneus ziende, geh] ook zijn knecht met cierlijke wapenen, die de menigte aanmaanden, schoten alle rontom hem toe; en daar ontstont een wreet gevecht by de schepen. Gelijk een dwarrelbui, door de ruisschende winden bewogen, het stos, op de wegen verspreid, in de lucht toteen dikke stofwolk doet rijzen. Zo liepen ook dezen op malkander ten slnjt aan: want zy begeerden inwendiglijk malkander by hopen met het scherpe staal te doden. Zeker, ’t was deerlijk om t’aanschouwen dat de lijken, in ’tvelt van de strijt verslagen, noch hun speren in handen hadden. De slikkerende wapenen, blinkende helmen, en onlangs geslepe [p. 23] borstharnassen, met de heldere schilden der gener, die tegen malkander streden, verblindden d’ogen. moest heel wreet zijn, die, deze zwarigheit ziende, zich daar over verbinden, en niet bedroeven zou. Saturnus twee sterke zonen, die oneenig waren, betoonden grote droefheit om zo veel dappere beiden. Jupiter, die Achilles, snelvanvoeten, eerde, wilde den Trojanen en Hector de verwinning toe. had echter niet voorgenomen deGrieken voor Trojen geheel te verdeigen; rnaar hy deê dit ten believen van Thetis, en van haar grootmoedigé Zopn. Doch Neptunus, uit de groene zee te voorschijn gekopien, voegde zich by d’ Argiven, en maande hen aan s want hy kon zwarelijk Iijden dat zy van de Trojanen overweldigt wierden; en hy was ten hoogste opzijn breeder Jupiter vergramt. Zy waren beide wel van een (tarn, en van een vaderlant, maar Jupiter Was d’oudste van geboorte, en had meer kennis. Hy wachtte zich dieshalven van de Grieken opentlijk te helpen. Maar hy, de geaaante van een menschaangenomen hebbende, ging deur hun slagordeningen, en raaande hen aan. Deze twee, zich tegen malkander Hellende, maakten dacde strijt, die aan veel het leven kostte, te langer duurde. Idomeneus, hoewel hals grijs, maande de Grieken aan, en viel op de TrojaOthrya nen in, die hy in de vluckt sloeg.. neus van doodde Othryoneus uit Cabesus, die tdomt daar tegenwoordig, en op’t gerucht musgi van d’oorlog onlangs derwaarrsgedoot. komen was. Hy verzochtCaslandra, de schponsle van Priamus doçhrers, ten huwelijk, zonder enige huwelijksgist.. deê grote beloscen, te weten dat hy de zonen der Grieken van Trojen verdrijven zou: en d’oude man Priamus beloosde hier op dat hy zijn dochrer aan hem geven zoo: in voègen dat Othryoneus, op deze belosten steuriende, dapperli jk streed. Maarldomeneus, met zijiiblinkende speer hem tressende, en meteen stijve tred hemvolgende, raakte hem, zonder dat zijnkopere borstharnas, dat hydroeg, hem nelpen kon. Want hy trof Othryoneus in de buik, die, nesr vail ende, grootgedruis maakte. idomt Idomeneus, op hem toespringende, neus aan riep tot hem: Othryoneus, ik zou u otbrya boven alle slersselijke menschen prijzen, indien gy alles, dat gyaande Dardanische Priamus belooft hebt, volbracht had. Deze heeft zijn dochter aan u beloost. Wy zouden ook gelijke belosten aan u gedaan en, de schoonste der Grieksche dochters voor u brengende, haar aaa u tot een gemalin gegeven hebben, 2o gy met ons Ilium, de weibewoonde slat, had helpen verdeigen. Maar koom, op dat wy in onze schepen van uw huwelijk spreken: wy zullen geen quade behuwde vaders aan uzijn. Idomeneus, dit gezegt hebbende, trok hem by de voet uyt de strijt. Asius, zulks ziende, begas Zich te voet, en quam op Idomeneus aan; om wraak daarover te nemen, terwijl zijn wagenvoerder ondertuslchen depaerden kort achter hem hield. meende hem te tressen: maarIdomeneus, hem voorkomen si de, trof hem eerst aan de stro t onder mlt de kin 5 en dit zodanig, dat de speer m, by na keel deurging. H y stortte neêr, gelijkeeneikjospopelier, osgelijk een hoge pijnboom, die in’t gebergte van de werklicden met bijlen, die van nieus geslepen zijn, deurgehouwen word, om toticheepshout te verstrekken. Dus viel hy ook voor [p. 26] zijn paerden en wagen neder, daar hy; noch in zijn bloet lillende, in ’t stof, dat hy scheen te bijten, uitgestrekt lag. De wagenvoerder, geheel verbaast zijnde, verloor de moed, dic hy te voren had, en, pogende de handen der vijanden t’ontvluchten, darde de paerden niet omwenden. De strijtbare Antilochas, hem volgende, trof hem met een speer in de middel, zonder dat zijn koperborstharnas, ’t welk hy droeg, hem beschutten kon: want hy trof hem in de buik; in voegen dat hy, naaradem hijgendeiit de wagenvielvdie koristelijkgemaakt was.,.;Antyochus, de zoon van de grootmoedigeNoster, dreef de, paerden uit het heir der Trojanen naar de Grieken, diewel gewapent waren. Maar Deiphobus,.om Asiusdoot bedroeft, quam zeer na by Idomeneus, en wierp een ge...zwinde schicht tegen hem, die, achter zich ziende, de kppere schicht ontweek. Hy verbergde zich achter, Zijn schilt, dat overal essen en glad, en, van osse huiden, en blinkend kopergemaakt, ront was, en tweehand’varselshad, om het te dragen. Hy. verschuilde zich geheel daarachter,
ende kopere schicht, daarover vliegende; deê her schilt, daar hy naauwelijks aanraakte, klinken., uit een dapper hant gekomen, viel ech Hypsiw ter niet vruchteloos lelijck neder, v’ maar trof Hypsenor, deHippasidi, , sche harder der volken, in de lever, dat hy nêerviel. Deiphobus, won, derlijkhieroproemende, riepover luidde: Asius legt niet geheelongewroken, maar hy naar Plutoosplaat gaande, die zeer sterke deu ren heeft, Zal zich verblijden om dat ik hem een makkermeêgegeven heb.
    Deiphobus, dus roemende, veroorzaakte grote droefheit in de Grieken, maar meest in de slrijdbare Antilochus, diens gemoed geheel ontroert wierd. Hy, hoewel bedroeft, verwaarloosde echter niet Zijn spitsbroeder, maar hy, toelopende, beschutte hem met’zija ichilt; en de twee vriendelijke spirsbroeders, Mecistcus Achius zoon, end’edelmoedige Alastor, sedertby hem kornende, drocgen met zwaar gezucht het Jijk naar deholle schepen.
    Idomeneus verflaaude ondertusschen niet in moed en krachten, [p. 28] maar begeerde iemant van de Trojanen met een duistere nacht te dekken, of, d’ondergang der Grieteen asweerende, zelfneêrgeveltte worm! den. Men zag daar de belt Alcasiisihnp thous, eenwaardezoon van Aesyeistn. tas, die van Jupiter opgevoed was; hy was de behuwde zoon van Anchises, en had Hippodamia, d’oudste der dochters, getrout, diein’t huis van haar vader en eerwaerdige moeder zeer bemint wierd. Zy overtrof ook alle d’anderen van haar geslacht in schoonheit, in konitige hantwerken, en in voorzichtigheit, en was dieshalven ook aan de beste man binnen ’t ruime Trojen gètrout. Neptunus, zijn klare ogen bedrie. gende, cn zijn adelijke leden bindende, deê hem onderldomeneus val’len: want hy kon niet achterwaarts vluchten, noch zich buigen; maar hy, als een pij 1er, of hoge boom onversaagdelijkstaanblijvende, wierd De M vandeheltidomeneus meteenspepr tmbto, in de borlt getroffen: invoegendac zijn koper borstharnas, ’t welk hem te voren tegen de doot beschutte,
sebro ken wierd. Hy, neêrstortene, maakte groot gedruis door de [p. 29] klank van zijn wapenen, terwijl de speer in’t hart blees steken, dat, noch lillende.de speer quetste: en de sterke Mars deê hem toen van zijn y ver cen weinig bezadigt worden.
Idomeneus, grote roem hier op U medragende, riep luide: Deiphobus, zullen wy drie voor een gedoot te Pbt hebben gelijk achten, daar gy noch 4 hoogmoedelijkoproemde? Rampialige, koom en srel u tegen my, op dat gy zier hoedanig ik, van Jupiters kroostzijnde, herwaarts bengekomen. JupiterteeldeeerstMinos, de bewaarder van Creta, en Minos r’teelde Deuca)io, zijn oprechte zoonj enBeucalio heeft my, dieKening over veel rsiannen in ’t ruime Creta, ben, voorrgebracht. De schepen hebben my herwaarts gevoert, tot ramp vanu, vanuwvader, en van d’andere Trojanen.
Deiphobus, hem dus spreken horende, beried zich op tweederhande wijzen, datisoshy, weêrterugkerende, iemantvandedappere Trojanen tot zijn medemakkerzou ne ra men, dan of hy alleen de ñrijt aanvangen en beproeven zou., zich dus bedenkende, achtte geraden naar [p. ] Eneas te gaan, die hy d’achterste in de.menigte vondstaan: wanthy was op degoddelijke Priamus vergramt omdat hy, zich dapper onder de beiden betonende, niet van hem geëert wierd. Deiphobus, zich aan zij n zijde voegende, sprak hem aan metgevleugelde woorden. Eneas, Vorit m der Trojanen, indien enige roem uw Mneat hart ontsteeken kan, zo is’t nu tijt om uw zwager te helpen. Volg my, laat ons Alcathous helpen, die, uw’ Zwager zijnde, u eertijts, toen gy noch klein waart, in zijn huis opgevoed heeft. De vermaarde Idomeneus heeft hem met een speer gedoot.
Eneas, Deiphobus dus spreken, horende, wierdin zijn gemoed grotelijksontroert. Hy, begerigom te.. strijden zijnde, ging naar Idomeueus, die niet, gelijk een kint, hier af verschrikte, maar stant hield. Gelijk een w ilt zwij n, in de wildernis. op ’t gebergse. op zijn kracht ver., trouwendé, ’taankomende gedruis der jagers verwacht, terwijl hy zijn borstels boven als pennen opsteekt, 2yn ogen als vuurdoet slikkeren, en jn tanden scherpt, om de gezwinde [p. ] honden, enjagersastedrijven: zo blees ookldomeneus, die door zijn speer vermaert was, staan, bonder achterwaarts te treden, en verwachtte Eneas, die gezwindelij op hem aanquam. Hy riepechter zijn spitsbroeders, en aanzag Ascalaphus, Aphareus, Deiphyrus, Meriones, e Antilochus, die in d’oorlog ervaren waren, en, hen aanmanende, sprak tot hen met gevleugelde woorden: Koomt hier, mijn vrienden, en doet,. onderstant aan my alleen. Ik vrees mm un grotelijks voor Eneas, die, gezwind lsits van voetenzijnde, op my aan koomt, en my aantasten wil.Hy is zeer sterk in de strijt, en bequaam om mannen
jaren, daar in men óp zijn sterkste is. Indien ikhem zo wel in jaren als in moed gelijk was, zo zou hy of ik wel haast groce roem wechdragen. Toen hy dit gezegt had, voegden zy zich alle eendrachtelijk by hem, en hingen nun schilden aan hunschouders. Eneas, op Deiphobus, Paris, en de goddelijke Agcnor ziende, die beneffens hem oversten der Trojanen waren, vermaande van zijn Zijde ook zijn spitsbroedcrs. Zy

wierden van hun bendcn gevolgt, gelij de kudde, ter watering geleid, uit de weiden de ram volgen, terwijl de harder in zijn geest verheugt is i Dus wierd Eneas gemoed ook inwendiglijk verheugt, toen hy de krijgsbendenzag, die hem volgden. Zy strederj van weêrzijden voor Alcathous met lange speren.Hun borst harnaslen klonken van ’t gedruisder;’ iperen, diedaaroptrorïèn.Maardeze twee, Eneas en Idomeneus, died’anderen in strijdbaarheit overtroffen, enMars gelij waren, begeerden malJcander met net verwoede staal te wonden.EneasTvierp eerst tegenldomeneus, die, zich zelf waarneemende, de kopere ipiets ontweek, daar af het scherp, als van een sterk man geworpen d iep i n d’aarde zonkzonder Ved’ZT’ emant te quetsen. Maar Idomeneus trof Oenomaus in de buikaeur zijn harnas heen; en ’t spits drong deur tot in ’t ingewant; en hy, nederstortende, scheen d’aarde met zijn handen vast te houden.Idomeneusga&te zijn lange speer uit het lighaaman de geen, die gedoot was, mair kon hem niet van zijn heerlijke wapenen beroven, vermits hy tezeervande
schichschichtengedraktwierd. Zijnleden waren te zwak, schoon hem geen moed gcbrak. ken naauwelijks iijn spiei uitschieten, of die van d’anderen schuwen, en was dieshalven gedwongen deze wrede dag met strijden in de slagordeningen over te brengen, zonder dat hy ter vlucht uit de strijt kon komen. Deiphobus, die zijn haateeuwig behield, Idomeneus allengs deizen ziende, wierp naar hem met een gezwinde v’a spks, die Idomeneus miite, enech [n ter Ascalaphus, de zoon van Mars,?’troffen deurdrong: in voegen dat hy, plotselings neêrploggende, met zijn platte hant d’aarde icheen te grijpen.
De krijschende Mars wist toen nochniers van m zoon, die in de zware strijt vershgen was; maar hy z.atop dehogeO!ympus, ondergoude wol ken, vermits hy door Jupiters raat weêrhouden wierd, dieook aan d’andere onitersrelijke goden geboden had zich niet met d’oorlog te bemoejen. Zy vielen overhoop rontom Ascalaphus. Deiphobus roosdezijn blinkende helm. Maar Meriones, ’de gezwinde Mars gelijky OP hem toeschietende, trof met zijn b; ’’ speer Deiphobus arm, datde helm uit de hant sprong, en, neêrvallende, op d’aarde klonk. VVijders, Meriones, van:nieus, gelijk een gier, toeschietende, trpk de speer uit zij n.arm, en. week achterwaarts naar zijn krijgsmakkers, terwijl Polices, Deis pbobus voile breeder, hem, in de utt mid4elgevat, uit de rampzalige strijt 4. brachte totdathybyzijn gezwinde paerdenquam, die, met hun voerraanenwagen, zeerçierlijkzijnde, in. de strijt zich niet verre van hem hidden. Zy brachten hem, zwarelijkwenende, enzeer.bedroeft zijnde, naar de stat, rerwijl het bloet uit zijn hant vloeide, die nieuwelijks gequetst was. D’anderen streden 011dertuslehen en daar rees een schrikkelijkgedruis. Eneas, zich segende. Caletorische: Aphareus kerende, M s’ trof met zijn scherpe ipeer hem in destrot, die naar hem gekeert was. Zijp hooft i helm enschilt viel ter seder, en dedpot rukte hem wech.:;,. Antilachus, ziende dat Thoon de thu, trtst rugkeerde, trof hem van achten, en patata snged hem d’ader geheel af, die langa... oploopt; in voe&’ 7:Jiisi’ haod.n naar
i
zijn waarde spitsbroeders uitstrekkendt, ruggclings over ter asrde viel. Antilochus, daar op toeschietende; beroosde hem, doch met grote omzichtigheit, van zijn wapenen. DeTrojanenhemomringende, troffenwélzijnschilt’, datgroot en heerlij was, maarkonden echter’ herteder Iighaam van Antilochus niet met het verwoede staal tressen: want Neptunus, die d’aarde doet Nt. dretinen, beschutte Neitors zoon in tunm de rnenigte der schichten; want hy s, bMt’ was niet van de vijanden argescheiden, maar midden onder hen verwart. Zijn speer had ookniet laug; rust, maar had het altijtop iemant gemunt; cn overwoog of hy iemant vanYernr, of van naoy tressen zou. hy zag niet de spies, die Adamas tegen hem schoot, en die, van 1 naby geschoten, hem sn’t midden vanzijnichilttrof. Doch Neptunus, ’ met zijnVaterverwig.hair, hem in’ ’t leven behouden wiisénde, dec het sprts. van de sp’ies ombuigen; n de helst daaT asblees, gelijkeen hout, ’ door’t Vuut asgebrant, in’t schilt sséken, en d’andere helst was ter aararçwslsn? Hydm, de doot ont
vluchtende, week naar de bende zijner spitsbroeders; maar Meriones hem ia zijn vlucht vervolgende, trof hem met zijn spïes tusTchen de sscha u’ melheit en navel, daar de wonden TMsdcn geemelijke menschen lastigit
vallen., daar getroffen viel ne I der, ensoarteldegelijk eenos, die van d’osledrijveri met geweit gebonden, en s voortgedrevèn wo rd.’ spartelde dus ook, maar niet langer, dan’tot dat de hele Meriones, nader by hem gekomen zijnde, de spiesuit zijn lighaam trok: in voegen dat zijn ogen van duisiernis overtrokken wierden. Hsienus Helena trof ter Welver tijt Deitnst Dei. pyrus van naby met een groot TraNo eiaansch zwaert, daar mee hy hem de heim kloosde die, dus getroffen, , ter aarde viel, en van iemant der Grieken, daaritrijdende, onderde voeten opgenomen wierd: in voegen dat Deipyrua ogen van een eeuwsge nacht bedekt wierden.. Menelaus, Atreus zoon, diedap- per in de strijt was, van drpesheit bevangen, keerdezich naar de hele Helenus, die hy, met zijn spiesmiksceade.zwaarlijk dreigde, terwijl He
lenus
lenus zijn boog by zich had, Zy quamen dieshalven op malkander aan, d’een mec een werpspies, en d’ander ’nieteenpijl op zijnboog. Helenus, Priamus zaon, cros Menelaus aan ’t ronde van zijn borstharnas met een pijl, die gezwindelijk weclromstuitte.Gelij de zwarte boontjes en erreten in 4 wannen op een dorschvloer weêr uit de wan opgeworpen. worden, inzonderheit aiseen ruisscheDde wint daar onder blaast; zc stuittedepij), van verregeschoten, weêr van Menelaus borstharnas af. Maar Atrcuszoon, in de it rijs dapper H Uwt ter hanr zijnde, trof hem in de hant, v Ajsrdaar meé hy de boog gevat had, en dit zodanig, dat de hant en boog als.’ aan malkander genagelt waren: in voegen dat Helenus, dedootontvluchten willende, naardemenigte zijnerspitsbroedersweek, en, zijn hant hangen latende, de spies, daar iu gehecht, nasleepte. De grootmoedige Agenor trok hem de spies uit de hant, die hy Yerbond met een’ bundeltje van sijne schapewol, dat iijne dienaar by zich had. Pisartder stmt had het recht op de deurluchtige 1’, Menelaus gemunt, maarnjndroe enPl[ANo;
vrg nootlot geleiddc hem ter doot om van u, ô Menelaus, in een zware strijt, neêrgevelt te worden. Toen zy naby regen malkandergekomen waren; miite Menelaus; en zijn schoot was vruchteloos. Pisander trof hec schilt van ie deurluchtige Menelaus maar het scherp quam Biet deur, vermits hec schilr tevast wasj en de spies bralc aan ’t scherp af: in voegen dat hy in zijn géest verblijc was, en de verwinning verhoopte. Maar Menelaus, ’Atreus zoon, zijrizwaert trekkende, datmetzilverenagels bezet was, tasttePisanderaan, die, zich achter zijn schilt verbergende, een bijl, diegoed van sneê was, met een gladde steel van olijs boomhout verzien, by zich had. Zy quamen dus tegen malkander. Pisandertrof op de top van de heim, diebovenmet paertshair bezet was. Maar Menelaus, by hem kornende, raakte hemin ’t aangezicht, boven ücvets t ukterste van de neu s; invoegen i’ard. darde benen kraakten, enzijnogen voor zij n voeten opdaarde neêrvie len, en hy zelf ook vaor over stortte. Mercdaus, zijnvoet op Pisanders bo.st. zectode y bero&sde’kem van zijn wapenen, en, zich bcrocmende, iprak in dezer yoegen: Meine’edige Trojanen, die nooit van strijden ver Wt, (lu Zaad zijt, gy zult eindelijk dus de t schepen der Grieken, diegezwinde - paerdengebruiken, verlaten. Ugebreken geen andere toosheden en’ schelmstukken, daar mee gy, ô vuiJe honden, my verongelijkt hebt. Gy vreest nietde laitige gramschap van de dondcreade Jupiter, die noch eens uw trotse slat verdeigen zal.Gy, door geen ongelijk getergt, hebt mijn gemalin, die ik maacht getrouc had, en veel (chatten weehgevoert, na. dat gy by haar vriendelijk onthaalt waart. Gy begeerc nu weêr de vlam inonzeschepen testekea, en de Griekscheheidente doden. Gy, hoewel begerig naar d’oorlog, zult noch eens door d’oorlog bedwongen en ondergebracht worden. Vader Jupiter, dewiji men zegt dat gy d’andere menschen engodenin wijsheit overtreft, vermits dit alles van u asvloeit; hoe is?t mogelijk datgy zo onrechtvaerdige menschen, als de Trojanen zijn, bejonstigt, dewijl hun gemoed altijt boos is, enzy van geen 31 ojjio.’ srçi...
[p. 4] konnen worden. Hun allerzadheit bestaat in de slaap, in de minnerijen, in zoete gegangen, en in heerlijke danslenxn hoewel deze dingen meer dandeñrijttebegeren staan, zoz, ijn echter de Trojanen onverzadelijkin d’oorlog.
    D’onichuldige Menelaiis, dit gespruken hebbende, icheurdede wapenen van ’t bloedig lighaam af, en gaf henaan zijnspitsbroeders. Maar hy zelf, eenweinigrerugtrcdende begas zich weêr onder de genen, die in desirijryverigwaren. Harpalion, 7.oon van de koning Pylsemenes, die zijn vadur in deze oorlog gevolgt wasjcn ook nooit weêr in zijn vaderl’antkeerde, quam toen op hem invallen., van naby mikkende, trof met zijn speer Menelaus in ’t midden van zijnschilt, zonderdatr echter hetspits heel dcurging. sly, dit gedaan hebbende, week weêr naardemenigsezijnerspitsbroeders, om de doot te schuwen, en zag heel’ voorzichtiglijk, op dat niemant Zijn lighaam met scherp tressen Zou. IVlaar Meriones schoot een kopere pijl tegen hem, terwijl hy week. Dezepijljhem in de rechter dgie raken- [p. 41] de, drong deur tot in de buik, en s; quetste hem de blaas: in voégen dat hy, onder de handen van zijn waarde spitsbroeders degeeitgevende, gelijk een worm op d’aarde uitgestrekt lag, endathet zwart bloettotzijn ligh aam u it vloeide, en d’aarde verwde. De grootmoedige Paphlagoners voor zijn lighaam zorg dragende lagen’t op de wagen, en voerden ’t al wenende naart gewijd Uium;en zijn vader, met hem gaande, stortte hete tranen, zonder dat de oot van zijn Zoon gewroken wierd.
Pans, om Harpalions doot grotelijks bedroefr, vermitshyonderde Paphlagoners zijn waert geweest had, schooteenkoperepijluit, en van Paris trof daar meê EucHector, de zoon i’dutt van dewaarzeggcrPolidus, dienjk en machtig was, en te Corinthen zijn woninghad, tuischenhetkakebcen en’toor, enditzodanig, dat de ziel terslontuithctüghaam vcrtrok, en datmeteen dikke duilternis bedekte. Deze, hoewel zijn nootlot voor weetende, had zich echter te scheep begeven; want de goede oude man Polidus had dikwijls tot hem gezegt, dat hy in zijn huis van een lastige ziekte zou sterven, of by de schepen der Grieken van de Trojanen verwonnen worden. ontweek dieshalven de zware strijden der Grieken, en vermijdde de lastige Ziekte zo veel, als hem mogelijk was, om geen pijn in lijn gemoed te geyoelen.
Men was ondestuslchen van! wesêrzijdenyverigindestrijt. Maar He X or, van Jupi ter bemint, was niet verwittigt van dat zijn benden aan de slinke zijde van de Grieken gedrakt wierden, die daar bynadeverwislning hadden, want Neptunus, d’aarde omringende, enhaardreunen doende, voerde de Grieken, ja quam hen noch met zijneige kracht te hulp. Hector, de dichte kta, skgordeningen der schiltdragende Grieken gebroken hebbende, hield stant ter plaat, daar hy eerst de poort en muur aangetast had. en daar de schepen van Ajax enProtesilaüsop de reê lagen, voor de welken men een lange muur opgeworpen had, daar de llrijt te voet en tépaertheftigst was. Hier waren de Béotien en Jaoniers, die lange klederen ge. bruiken, de Locriers, en Phthijer, [p. 43] met de vermaarde Epejers, die kloekmoediglijk degenen, de welken op de schepen in vielen, asweerden. Zy konden echter de goddelijke Hector, die een vlam gelijk was, niet asdrijven. Daar waren veel van de voortreffelijksten der Atheners over de welken Menestheus, Pcteus zoon, het gebied had, en van Phidas, stïchus, en de grote Bias verzelt wierd. Philides, Meges, Amphion en Dracius nadden ’t beleid over de Epejers en over de Phthijers &Tedon, en de gezwinde Meneptolemus, Van de welken d’êen, te weten Medon, bastertzoon van de goddelijke Oileus, en Ajax broeder was, en zijn woonplaats in Phylace, verre van zijn vaderlant, had genomen, om dat hy de broeder van zijn stiefmoeder Eriopis, aan Oileus getrout, gedoot had: en d’ander was Ephi clus zoon. Deze twee, gewapent voor de benden der Phthijers t redende, streden met de Beotiers tot de bescherming van nun schepen.
    Maar Ajax, Oileus gezwinde Zoon, week niet een tree van Ajax, Telamons zoon, af. Gelijk in een [p. 44] braak lant twee zwarte ossen; voor de ploeg gesparmen, en alleenlijk door’t juk van malkanderen gescheiden, eenpariglij in de vore trekken, terwijl het zweet hen van ’t hooft afdruipt: zo hielden dezen Zich ook by malkander. Ajax, Telamons Zoon, wierd van veeldappere mannen, zijn spitsbroeders, gevolgt, die hem zijn schilt asnamen, als hy van çrbeiden en zweten asgemat was. Maar Oileus zoon wierd niet van de Lokriers gevolgt, want zy waren nier geoesrent om ingevoegdeJjgordening te strijden. Zy haddehgecn kopere helmen, met paertshair besteken, geen ronde schilden, noch esschesperen, maarzy, ophun bogen vertrouwende, die met pezen, vau schape wol gesponnen, gespaanen waren, hadcien zich daar meé naar Trojen begeven, en, geduriglijk daar meê schietcnde, braken dikwijls strijt. de slagordeningen der Trojanen. De genen dan, die Telamons zoon volgden, stredenmethunheerlijke wapenen in de voortocht tegen de Trojanen, en tegen Hector, die met koper gewapenc was. Maar de LoIcriers, z.ich achter d’anderen ver- [p. ] schuilende, brachten door de menigte van hun pijlen, die zy uirichoren, De Trojanen in verwarring, en deden hen de lust en geheugenis van te strijden verliesen: in voegen dat zy, tot een deerlijkestaat gebracht, van de schepen en hutten naar ’t hoge Trojen geweken zouden zijn, zo Polydamas, by de itoute Hector staande, hem niet indexer voegen aangeproken had: Hester, gy kont door geen vermaningen bewogen worden, dat God u tot d’uitvoering van zo heerlijke daden machtig heeft gemaakt. Meent gy dat gy ook alle d’anderen in raat overtreft? Gyalleen kont allegaven bezitten. God heeft aan d’een treffelijke daden meêgedeelt, anderen met de konst vandanssen, anderen met gelangen en met de konst van spelen beschonken.Jupiter, zeer verre ziende, heeft sommigen met grote voorzichtigheit begaaft, die aan veel menschen vorderlij is, en de steden beschut, gelijk de geen, die haar heeft, zelf eerstb’ekent. De strijt is heftigst rontom u. De grootmoedige Trojanen, over de muur geraakt, staan tended stilmet de wa- [p. 46] penen, terwijl anderen, weinigtegen veel, strijden, en by de schepen zander ordening zwieren. Laat ons, te rugwijkendededapperste herwaarts: roepen, endaar naons beraden