CASPAR BARLAEUS
DE OBSIDIONE SYLVAE-DUCIS LIBER UNUS,
AD PRINCIPEM AURIACUM.

Sylvae-Ducis obsidio, perfecta Potentissimorum Federati Belgii Ordinum auspiciis, cura & ductu Illustriss. Principis Frederici Henrici, Arausionensium Principis, Comitis Nassoviae, &c. Geldriae, Hollandiae, Zelandiae, &c. Gubernatoris, Supremi exercitus Federatarum Provinciarum Ducis, rerum maritimarum praefecti, equitis ordinis aureae Perisceldis. &c. Praecedit ad eundem Principem Panegyricus. Sequuntur alia eiusdem argumenti. Lugduni Batavorum, apud Godefridum Basson, M D CXXIX.

Latijnse tekst naar de editie Leiden, Govert Basson, 1629. Petit 27.
Nederlandse vertaling door Ton Harmsen, Chris Heesakkers en Willem Pieters.

Continue

(1-8)
Excessit sors nostra modum. suprema tenemus,
Quae fuerat sperare nefas. Mavortius ipsum
Perrupit Phlegethonta furor, rursusque potentem
Contudimus ferro Eugeniam. fiducia quicquid
Iussit, & ingentis felix audacia coepti,
Fecimus; egregiasque Duci victoria curas
Explevit, solumque hoc uno Belga triumpho
Stat satur, & veteres audet contemnere lauros.
Ons lot is de maat te buiten gegaan. Wij bezitten de hoogste dingen, die we niet hadden mogen hopen. De Martiaanse woede heeft zich door de Phlegethon zelf een weg gebaand, en met het zwaard hebben wij de machtige Eugenia weer verpletterd. Wat de verwachting eiste, en de gelukkige vermetelheid van de geweldige onderneming, hebben wij gedaan; en de overwinning heeft voor de Vorst buitengewone zorgen weer goedgemaakt, en met deze ene overwinning alleen al is de Nederlander verzadigd, en hij durft oude lauwerkransen te versmaden.
(9-10)
Militat Auriacus patriae, preciumque laboris
Grande refert, famamque ipsis jam terminat astris.
Oranje strijdt voor het vaderland, en hij behaalt een grote prijs voor zijn inspanning, en hij bakent zijn roem pas af met de sterren zelf.
(11-18)
Succedunt spoliis urbes, & victa fatiscunt
Oppida. post fractum miserandis cladibus Indum,
Hîc jam plorat Iber, propiusque & bella Batavûm,
Et sua damna videt. non jam sua brachia Cancer
Contrahit, aut Tropici spectat dispendia Titan,
Non pater Oceanus, non tot spoliata suorum
Exuviis jam Cuba tremit, non Mexica fumant
Transtra, vel extremâ Zephyrus damnatur arenâ.
Steden komen in plaats van buit, en burchten zijn overwonnen en uitgeput. Nadat de Indus gebroken is door beklagenswaardige nederlagen, weent de Ebro thans hier, en ziet van heel nabij de oorlogen van de Bataven, en zijn eigen verliezen. De Kreeft trekt zijn armen nog niet samen, en de Zon ziet nog niet de inkorting van de keerkring, vader Oceanus trilt nog niet, evenmin als Cuba, dat van zoveel buit van de zijnen beroofd is; de Mexicaanse roeibanken roken nog niet, en de Westenwind wordt nog niet verdoemd door het uiterste zand.
(19-21)
Non Thetys exuta dolet. post aequora tellus
Subditur, & pavidis infrendent agmina portis,
Moestaque Nassoviis trepidat Brabantia castris.
De beroofde Thetys treurt nog niet. Na de wateren wordt het land onderworpen en de legerscharen bedreigen de door bevreesde wachters bewaakte poorten, en het droevige Brabant siddert voor het Nassause kamp.
(22-28)
Sic terras, durique reas arcessimus undas,
Imperii, veteresque in nos ulciscimur iras,
Barbaricasque, Albane, neces; odiisque litamus,
Sat memores, Rex magne, tibi. sic spreta tiaris
Regna sibi pacem poscunt, gladioque minacis
Hesperiae furias redimunt. his supplicat armis,
Et victrix veniam belli fortuna precatur.
Zo klagen wij de landen en de schuldige golven van het harde rijk aan, en wij wreken de oude toornen die men tegen ons koesterde, en de barbaarse moorden, ô Alva; en wij nemen wraak voor de haatgevoelens, voldoende bekend, ô grote Koning, aan u. Zo eisen de van de kroon afgescheiden rijken voor zich de vrede op, en met het zwaard geven zij vergelding voor de razernijen van het dreigende Spanje. De overwinnende fortuin wordt smekelinge door deze wapenfeiten, en bidt vergiffenis voor de door haar begonnen oorlog.
(29-38)
    Littore Dardanio magnae dum moenia Trojae
Verberat, & Phrygiis insultat turribus ultrix
Graecia, & iratas acuit vindicta Mycenas,
In partes abiere Dii; causamque secutus
Quisque suam, populumque fuit. pars Ilion optat
Stare loco, & Danaûm jaculata est classibus ignem;
Pars genus Assarici, Priamique evertere gentem
Saeva parat; pugnantque suo sub numine jussae
Europaeque Asiaeque acies; trahiturque Deorum
Litibus in decimum Bellona volubilis annum.
Toen het wrekende Griekenland aan de Dardanische kust de muren van het grote Troje geselde, en er op Phrygische torens tegenop sprong, en de wraak het toornige Mycene aangescherpt heeft, toen vielen de Goden in partijen uiteen; en ieder heeft zijn eigen zaak en zijn eigen volk gevolgd. Een deel wenst dat Troje op zijn plaats blijft staan, en heeft vuur geworpen op de vloot der Grieken, en een woest deel is van plan het geslacht van Assaracus en het volk van Priamus omver te werpen; en de legers van Europa en van Azië strijden elk onder bevel van hun eigen godheid; en de onbestendige Bellona wordt door de twisten van de goden tot in het tiende jaar voortgesleurd.
(39-52)
At nobis coelum omne favet, pariterque secundis
Numina conspirant animis, & federe laeto
In Regem coïere poli. Tu pabula Marti,
Bellator Neptume, rapis, ditesque superbis
Exuis Austriacos opibus. tu Mulciber enses
Frangis, & inviso frameas obtundis Ibero;
Armorumque minas, & diri pulveris ictus
Eludis. tu corda gravi formidine Mavors
Corripis, exanimasque Duces. tu lenta Philippi
Iussa refers, regumque procul responsa moraris
Atlantis Tegeaee nepos. qui lethifer annus
Ire solet, lethoque virûm tot corpora sternit,
Mitescit meliore Deo, placataque nobis
Sidera damnatam Phoebus direxit in urbem.
Maar ons begunstigt de hele hemel en evenzo zweren de godheden samen, waarbij ze een goedgunstige geesteshouding hebben, en met een blij verdrag zijn de hemelstreken tegen de koning samengekomen. U, oorlogvoerder Neptunus, ontrooft Mars zijn voedsel, en u berooft de rijke Oostenrijkers van hun trotse rijkdommen. U, Mulciber, breekt de zwaarden, en stompt de speren van de gehate Spanjaard af; en u ontkracht de bedreiging van de wapenen en de slagen van het onheilspellende kruit. U, Mars, grijpt de harten aan met een hevige vrees, en u ontmoedigt de Legeraanvoerders. U, Tegeaeus, kleinzoon van Atlas, brengt de bevelen van Philips traag over, en u vertraagt de antwoorden van de koningen van verre. Het jaar, dat doodbrengend pleegt voort te gaan, en door de dood zoveel lichamen van mannen neerwerpt, wordt zachter door een betere god, en Apollo heeft voor ons de bedaarde sterren naar de verdoemde stad gericht.
(53-64)
At tibi, tot Superos inter, Tritonia Pallas,
Debetur tantum facinus. tu provida belli
Consiliis, & tantarum moderamine rerum
Instruis Auriacum, tu doctis moenia vallis
Cingere, per medias Vestam reptare paludes,
Et fluvios frenare doces: attollere montes,
Telluris laxare vias: ipsosque furentis
Irruere in Ditis thalamos, & tramite coeco
Scrutari secreta Erebi, patefacta ciere
Tartara, sulphureasue domos. Tu pandere vatem
Cuncta sinas, causasque & prima evolvere rerum
Consilia, & clari memoranda exorsa laboris.
Maar aan u, Tritonische Pallas, is een zo groot werk te danken, onder zoveel goden. U doet in uw voorzienigheid Oranje raadgevingen die de oorlog betreffen aan de hand, en het bestuur van zo grote zaken; u leert hem de muren met schrander uitgedachte wallen te omgeven en Vesta te doen kruipen midden in de moerassen, en de rivieren te beteugelen: bergen aan te slepen, wegen van de aarde los te maken: en zelfs in de slaapkamers van de woedende Dis binnen te dringen, en langs een duister pad de geheimen van de Erebus te doorzoeken en de geopende Tartarus en de zwavelige woningen in opschudding te brengen. Moge u dulden dat de dichter alles weergeeft, en de oorzaken en de eerste plannen van de gebeurtenissen uiteenzet, en ook de gedenkwaardige ondernemingen van het roemruchte werk.
(65-74)
Tuque adeò, seu jam fractae bellacia Sylvae
Moenia restauras vicor, captivaque solvis
Flumina, belligeramque immergis fluctibus urbem:
Seu te Caesareis moerens sub fascibus armat
Isala, & afflicto reddis sua rura Sicambro,
Carminibus, Frederice, fave. cui sidera coelum,
Mars gladios, Bellona manus, Tritonia mentem
Commodat, atque ipsi Manes famulentur Averni,
Pieridum quoque templa patent; vatumque Ducumque
Certatim frondent circum tua tempora lauri.
En vooral u, of u de oorlogmuren van het gebroken ’s-Hertogenbosch als overwinnaar herstelt, en de gevangen genomen rivieren losmaakt en de oorlogvoerende stad met golven overspoelt, dan wel of de IJssel u wapent, treurend onder de keizerlijke macht, en u de verslagen Sicamber zijn landerijen teruggeeft, Frederik, begunstig mijn verzen. U, aan wie de hemel sterren, Mars zwaarden, Bellona handen, Pallas het inzicht verschaft en voor wie de Avernische schimmen als dienaren ter beschikking staan en ook de heiligdommen van de Muzen openstaan: rond uw slapen zijn de lauweren van dichters en Legeraanvoerders om strijd groen.
(75-79)
    Est, ubi sidereos inter sublimior ignes
Aurea flammiferis aperit palatia valvis
Iuppiter, heroumque animas, & celsa reponit
Nomina, quae claris aluerunt bella trophaeis,
Totaque sub galeis sudans exercuit aetas.
Er is een plaats waar de meer verheven Jupiter tussen de sterrenvuren met vlammendragende deuren de gouden paleizen opent en de zielen van de helden en hun hoge namen bewaart, de namen die oorlogen gevoed hebben met illustere zegetekenen en die een hele generatie zwetend onder de helmen gestaald heeft.
(80-97)
Illic monstrorum domitor, victorque Medusae,
Regnatorque Asiae Macedo, Libyaeque tremendi
Scipiadae, Deciique, &, Martia fulmina, Drusi,
Ingentesque habitant Pauli. si sera revolvas
Secula, Borbonios illic, & sancta Colini
Ora ducis, cunctosque inter spectabis euntem,
Terribilem spoliis, populosque & victa trahentem
Oppida, Mauritium: pro libertate cadentes
Nassovios; quoscunque recens, vel prisca sonorâ
Vexit fama tubâ. quoties suffragia Divûm
Sollicitat Superûm rector, mundique labores
Expendit, num bella velit, num mitia terris
Tempora, non alia coeli regione Deorum
Consiliis, rebusque vacat. huc vecta per altum
Ire parat rabido bellatrix Belgica vultu,
Belgica, concordes socians in federa gentes:
Non pacis vestita habitu, non mollis olivae
Dona ferens, cultuque comas inflexa decoro.
Daar woont de beteugelaar van monsters en de overwinnaar van Medusa en de Macedonische heerser van Azië, en de voor Lybië schrikwekkende Scipio’s, en de Deciussen, en de Drusussen, de bliksems van Mars, en de geweldige Paulussen. Als u in latere eeuwen terechtkomt, zult u daar ook de Bourbons zien en het heilige gelaat van de hertog van Coligny, en tussen allen zult u zien lopen, verschrikkelijk door oorlogsbuit, en volkeren en overwonnen steden meesleurende, Maurits; de Nassaus die voor de vrijheid vallen, en ook hen die nieuwe of oude roem met klinkende krijgstrompet heeft meegevoerd. Zo vaak als de bestuurder van de goddelijke hemelingen hulp vraagt en de moeiten van de wereld afweegt, of hij nu oorlog wenst of zachte tijden voor de aarde, dan wijdt hij zich juist in die streek van de hemel aan de beraadslagingen van de goden, en aan de werkzaamheden. Hierheen bereidt Nederland, de oorlogvoerster, zich met razend gelaat voor te gaan, Nederland, dat eendrachtige volkeren in verdragen verbindt, niet gekleed in het gewaad van de vrede, niet de geschenken van de milde olijf dragend, haar haar niet gekruld met fraaie verzorging.
(98-99)
At furor, audacesque minae, & Mavortius horror
Praelia spirantem fremitu comitantur anhelo.
Maar razernij, vermetele bedreigingen en Martiaanse verschrikking vergezellen haar die strijd uitademt met hijgend gedruis.
(100-102)
It sudor per membra Deae. pars una lacertos
Nudatamque aperit mammam; pars altera nodo
Fulmineam nectit summa cervice machaeram.
Het zweet trekt door de leden van de Godin. Een gedeelte van haar gewaad laat haar armen en haar naakte borst onbedekt; een ander deel bindt met een knoop bovenaan haar hals een bliksemende sabel vast.
(103-107)
Incutiunt terrorem oculi, rutilantque coruscis
Ignibus. impavidum pugnax audacia vultum
Asperarat, &, veluti ritus imitata Minervae
Abscondit galeâ frontem, genibusque cruentam
Quam tenet, argutis vibrat stridoribus hastam.
Haar ogen boezemen vrees in en ze schitteren met flikkerende vuren. Strijdvaardige vermetelheid maakt haar onverschrokken gezicht grimmig, en zij verbergt op de manier van Minerva het voorhoofd, onder een helm, en drilt vanuit haar knieën met scherp gefluit de bloedige spies, die zij vasthoudt.
(108-119)
Objicitur Soli clypeus, pavidosque lacessit
Solis equos. illi pugnae, certamina, caedes,
Oppida sculpta manu, & patriae crudelia patris
Funera, prostratus generosa caede Varaxus
Captivique duces inerant, Morinûmque per aequor
Exanimis fugiebat Iber, fugientibus instat
Belga, cruentatas lambit Neptunus arenas,
It juxta Mendosa dolens. Tartessia fumant
Carbasa, turrigeraeque rates. stat territa Calpe,
Alcidaeque labor. nec longè Grolla recentes
Exhibet aere notas, vacuasque à mercibus alnos
Occasus, pauperque suis demergitus undis.
Het schild wordt de Zon voorgehouden en daagt de verschrikte paarden van de Zon uit. Daarop waren met de hand slagen, gevechten, moordpartijen en steden geheeldhouwd, en de wrede dood van de vader des Vaderlands, en Varaxus die met een genadige houw geveld was, en gevangen legeraanvoerders waren daar op, en de onthutste Ebro vluchtte over het water van de Morines, en Nederland zit de vluchtenden op de hielen en Neptunus likt de bevloede zandgronden, Mendoza gaat treurend daarnaast. De Tartessische zeildoeken roken, en de torendragende schuiten. De Calpe staat verschrikt, het werk van Alceus’ kleinzoon. En dichtij toont Grol zijn ondergang, het Westen toont zijn schepen die leeg zijn van handelswaar, en het dompelt zich arm in zijn golven onder.
(120-123)
Talis in augusto Divorum mascula coetu
Appulit. incomptis stabat Rupella capillis,
Et frustrà sua fata querens, Richelique labores,
Lilia sub manibus, velut indignata, gerebat.
Zo komt zij als een man aan in het illuster gezelschap van de goden. Rupella stond met ongekamde haren, en vergeefs klagend over haar lot en over de lasten van Richelieu droeg zij lelies, alsof zij verontwaardigd was, bedekt onder haar handen.
(124-128)
Ipsa catenatum ducens Germania Cimbrum
Flebat, & ultrices secum dum colligit iras,
Circumspectat opem, magno se fassa minorem
Caesare. divisis infelix Mantua sceptris
Pressa diu, dominum populo poscebat & urbi.
Zelfs Duitsland, dat de geketende Cimber leidt, weent, en terwijl het de wrekende toornen bij zich verzamelt, ziet het uit naar hulp van de grote Keizer, toegevend dat het de mindere is. Het ongelukkige Mantua dat lang verdrukt is geweest onder verdeelde heerschappij, eiste een heer voor het volk en voor de stad.
(129-132)
Venerat & triplici crines implexa coronâ
Albion, & fesso procurans federa Regi,
In malè discordem dictis regalibus aulam
Detonuit, Caroli pro majestate locuta.
Ook Engeland was gekomen, de haren omwikkeld met een drievoudige kroon, en verdragen verzorgend voor de vermoeide koning donderde het neer in het door de uitspraken van de koning kwalijk onenige hof, na gesproken te hebben voor de koninklijke waardigheid van Karel.
(133-142)
Quas inter tales edebat Belgica voces,
Ad solium conversa Iovis: Si, maxime rector,
Haec mea non laevis meruerunt surgere regna
Auguriis, Batavas si nondum despicis arces,
Et medios inter bellorum emergere fluctus
Iamudum potui: nec de me sceptra Philippi
Occiduis suffulta opibus fixere trophaeum:
Advenio supplex. non ut depugnet ad Ortum
Auriacus, Gangemque ultra victricia tollat
Signa, vel in gemino figat tentoria mundo.
In dit gezelschap sprak Nederland de volgende woorden, zich richtend tot de zetel van Jupiter: ‘Aangezien, hoogste bestuurder, dit rijk van mij verdiend heeft op te rijzen uit de niet ongunstige voortekenen, aangezien u de Nederlandse steden nog niet veracht, en aangezien ik reeds lang het hoofd boven water heb kunnen houden temidden van de golven der oorlogen, en de op tanende macht gebaseerde scepters van Philips geen zege over mij hebben behaald: nader ik u als smekelinge. Niet opdat Oranje mag strijden tot in het Oosten, en zijn zegetekenen mag dragen tot voorbij de Ganges of in de nieuwe wereld zijn tenten mag opslaan.
(143-154)
Vicimus hîc. scripsi extremis mandata Moluccis,
Per terras, Solemque audax utrumque cucurri,
Et dominam gentem toto circumtulit orbe
Nassovi fortuna mei, Zephyrique minantem
Sedibus armatis vexi trans vasta carinis
Aequora. transivi Thulen, ipsumque reliqui
Post mea terga diem. tantum nunc moenia Sylvae
Vinci posse precor. nostris laus ista triumphis
Restat adhuc; nec me cupidam spes altera belli
Erigit. illa ferox miseris infesta Sicambris,
Iam Vahali, Mosaeque gravis, funesta Batavis
Incubat una mihi, & lateri lethalis inhaeret.
Hier hebben wij overwonnen. Ik heb de wet gesteld in de verste Molukken, en ik heb stoutmoedig gerend over landen en langs de beide zonnen, en het geluk van mijn Nassauer heeft het volk heersend door de hele wereld gevoerd, en op het gebied van de Westenwind heb ik het dreigend op gewapene schepen over de wijde wateren gevoerd. Ik ben Thule voorbij gegaan, en ik heb de dag zelf acher mijn rug gelaten. Ik smeek nu alleen nog dat de muren van ’s-Hertogenbosch overwonnen kunnen worden. Die lof ontbreekt alleen nog aan onze overwinningen en geen andere hoop maakt mij begerig naar oorlog. Het ligt als enige woest vijandig voor de ongelukkige Sicambers, reeds bezwaarlijk voor de Waal en voor de Maas, rampzalig voor de Bataven, en het zit dodelijk aan mijn zijde vast.
(155-161)
Illa meas vastat segetes, desaevit in arva
Vulneribus servanda meis, victumque famemque
Hesperio librat fastu, gaudetque diurnas
Nocturnis cumulare neces. pars tertia Belgî
Unius fit praeda loci. quin undique stagnis
Tuta suis, sparsasque inter secura paludes
Militat, atque suae suspendit fata ruinae.
Het vernielt mijn bouwlanden, het woedt op mijn akkers, die mijn wonden ten dienste moeten zijn, voeding en honger weegt het af met Spaanse trots, en het verheugt zich erin dagelijkse moorden te vermeerderen met nachtelijke. Eénderde van de Nederlanden wordt de buit van deze ene plaats. Sterker, het ligt overal veilig in zijn moerassen, en het vecht veilig tussen zijn uitgestrekt vennen, en het weet het lot van zijn ondergang uit te stellen.
(162-165)
Quid juvat Eoos mihi se submittere fasces?
Si nocet illa domi. leges praescribere Gangi?
Hîc mihi jussa dari. quid vectigalia regum
Poscimus? hic proprias redimunt aeraria messes.
Wat baat het mij, dat het Verre Oosten zijn macht aan mij onderwerpt? Als deze stad mij hier te lande schade doet? Wat baat het wetten voor te schrijven aan de Ganges? Terwijl mij hier bevelen gegeven worden. Waarom eisen wij belastingen van koningen? Hier moeten mijn schatkisten mijn eigen oogsten terugkopen.
(166-169)
An praebere cibos tanti est? alimentaque latè
Distentas portare rates? si Geldria Sylvae
Pascitur arbitrio: vastissima caerula transtris
Metiri? hic arctis claudi vestigia portis.
Is het soms iets groots, voedsel te verschaffen? En dat de afgeladen schepen wijd en zijd voedsel aanbrengen? Als Gelderland onder controle van ’s-Hertogenbosch landbouw beoefent, is het dan soms iets groots, dat de zeer uitgestrekte blauwe zeevlakte wordt begaan door boten? Terwijl hier mijn voetstappen beperkt worden door nauwe poorten?
(170-173)
Libertas concessa alibi est, hic unius urbis
Servitio deformis ago, vulgique fatigor
Fletibus. infestas Latio Carthaginis arces
Divisit Libycum spatiis ingentibus aequor.
Elders is mij vrijheid toegestaan, maar hier handel ik misvormd in dienst van één stad, en ik word afgemat door het wenen van het volk. De Lybische zee vormde een scheiding met geweldige afstanden tussen de vijandige burcht van Carthago en Latium.
(174-177)
At me proh nimium sociis consistere terris,
Dî cupitis. celsas Hispania transilit Alpes,
In Romam cum bella parat; Brennumque ferocem,
Et Senonum furias tardè sensere Quirites.
Maar u, Goden, verlangt, dat ik tegen helaas maar al te zeer nabijgelegen landen stand houd. Spanje overschrijdt de hoge Alpen, wanneer het een oorlog met Rome voorbereidt, en pas na verloop van tijd bespeurden de Quirieten de woeste Brennus en de razernijen van de Senones.
(178-185)
Haec praeceps, inopina meis cervicibus instat,
Nec lentè nocitura venit. cur dura tot annos
Arma potens gessi? stravi tot pontibus amnes?
Cornibus infractis Rhenum parere coëgi?
Sustinui muris Martem? noctesque cruentas,
Armatasque hyemes, & ferrea secula sensi?
Aemula si nostris perstant haec oppida regnis.
Maar deze stad bedreigt onstuimig en onverwacht mijn hals, en komt niet traag om schade te doen. Waarom heb ik zoveel jaren machtig de harde wapenen gevoerd? Zoveel bruggen geslagen over rivieren? Waarom heb ik de Rijn gedwongen te gehoorzamen met ongebroken hoornwerken? Bij mijn muren Mars verdragen? Bloedige nachten, gewapende winters en ijzeren eeuwen gevoeld? Als deze stad stand bijft houden als concurrent van mijn rijk.
(185-194)
Dî, quorum auxiliis crevi, succurrite Belgis,
Exorate Iovem. tuque impavidissime Mavors,
Seu jam Sarmatici moderaris praelia Regis,
Sive Italis afflas bellorum incendia terris,
Allobrogumque ducem cognato jungis Ibero;
Huc omnes converte minas. si Martia cessit
Breda tuo pridem Liguri, domuitque potentem
Paupertas inhonora gulae, si debita culpae
Sors fuit illa meae; nunc versis inclyta fatis
Sylva ruat, priscumque abole, Gradive, pudorem.
Goden, door wiens hulp ik gegroeid ben, kom de Nederlanders te hulp, smeek het Jupiter af. En u, alleronverschrokkenste Mars, of u de gevechten van de Sarmatische koning matigt, de oorlogsbranden op Italische landen aanwakkert, of de leider van de Allobrogen verbindt aan het verwante Spanje; richt hierheen alle bedreigingen. Als het krijgshaftige Breda eerst indertijd geweken is voor uw Liguriër, en oneervolle schaarste aan voedsel deze machtige stad overwon, als dat lot beschoren was aan mijn schuld; moge nu ’s-Hertogenbosch met omgekeerd lot ten onder gaan, en, Mars, wis de oudere schande uit.
(195-198)
Disiice ferratos obices, & sedibus imis
Fundamenta quate. occumbat victricibus armis
Bellipotens. nec enim jejuno pabula ventri
Ereptum venio, dapibusque imponere legem.
Werp de met ijzer beslagen wallen uiteen, en schok de fundamenten in hun diepste grondslagen. Moge deze stad, die machtig is in de oorlog, bezwijken voor overwinnende wapenen. Ik kom immers niet om voedsel te ontrukken aan een nuchtere maag, of om een wet op te leggen aan de maaltijd.
(199-205)
Non precor, ut fallax equitem submittat Hohenlo
Moenibus. insidiis major fraudesque dolosque
Elusit, superanda manu. non vendita posco
Oppida, vel cives precio. mihi victor Olynthi
Displicet, atque emptae, falsis custodibus, urbes,
Et mixtum sceleri lucrum. quid magne moraris
Iuppiter his ipsis Fredericum immittere portis?
Ik smeek niet, dat een bedriegelijke Hohenlo zijn ruiterij binnen de muren smokkelt. Met hinderlagen heeft een expert op het gebied van bedrog en listen iets ontfutseld, dat met de hand had moeten worden overwonnen. Ik eis niet dat de stad, of de burgers voor geld verkocht worden. De overwinnaar van Olynthus behaagt mij niet, noch steden die door valse wachters gekocht zijn, noch winst, gemengd met misdaad. Wat, grote Jupiter, talmt u om Frederik naar deze poorten zelf te zenden?
(206-211)
Tolli stagna peto: fugiant subducta Deorum
Aequora consiliis: excurrant longius amnes:
Plus urat Titana calor: qua vomeris ivit,
Castrorum nunc limes eat; mundique solutis
Legibus, in celsas assurgant pondera turres,
Permutetque suas Faunus cum Naiade sedes.
Ik verzoek dat de moerassen worden drooggelegd: laten de wateren vluchten, weggevoerd door de toeleg van de Goden: laten de rivieren verder wegstromen; laat de zonnewarmte meer branden: waar het pad van de ploeg ging, moge nu de grens van het legerkamp lopen; en laten de wetten van de aarde opgeheven worden, en massa’s zich verheffen tot hoge torens, en laten Faunus en de Najaden hun zetels verwisselen.
(212-214)
Plura perorantem placido Saturnius ore
Excipit. at voces, aeternaque verba Tonantis
Implicuere suis Parcarum stamina fusis:
Haar uitvoerige smeekbeden vernam Saturnius met kalm gelaat. Maar de stem en de eeuwige woorden van de Donderaar hebben de draden van de Parcen op hun klossen gewikkeld:
(215-222)
Nec te Breda diu, nec te patiemur inultam,
Belgica. Cantabrici libranda potentia regni,
Signandusque modus sceptro. divisa potestas
Imperii mundo melior, glomerata sub uno
Plurima Rege ruunt. durat moderata, fatiscit
Ardua majestas solii. plus numina curant,
Qui victi vicere Duces. obnoxia coelo
Regna putat, quisquis regnorum parte carebit.
    ‘Wij zullen niet dulden, noch dat u, Breda, noch u, Nederland, lang ongewroken blijft. De macht van het Cantabrische rijk moet een tegenwicht krijgen, en aan die scepter moet een maat gesteld worden. Het is beter dat de macht van het regeren op de wereld verdeeld is; als veel onder één koning samengebracht is, gaat het te gronde. De koninklijke waardigheid houdt stand als zij gematigd is, zij wordt moe als zij buiten proportie is. Legerleiders die overwonnen hebben nadat zij overwonnen zijn, besteden meer zorg aan de goden. Wie een deel van zijn rijk moet ontberen, erkent dat regeringen aan de hemel onderworpen zijn.
(223-226)
Tu, Dea, pugnacem victrix penetrabis in urbem,
Invenies virtute viam. quin praescia Clotho
Bellorum duplicat lauros, spoliandaque binis
Urbibus attoniti pallebit regia Mauri.
U, Godin, zult als overwinnares in de strijdbare stad binnendringen, u zult door uw dapperheid een weg vinden. Ja, zelfs zal Clotho, die alles van te voren weet, de oorlogslauweren verdubbelen, en het koninklijk paleis van de verschrikte Moor, dat beroofd moet worden van twee steden, zal verbleken.
(227-234)
Quae ventura brevi, quae comprobet exitus orbi,
Fatorum secreta loquor. licet undique fundat
Castra Tagus, junctis Germania tota feratur
Auxiliis, Rhenus translatum sentiat Istrum,
Illyricas cieat Romana potentia turmas,
Undique Barbarici conspirent agmina Dravi,
Pacatusque domi circum te saeviat Albis,
Incassum, regina, tuos remorabitur ausus.
Wat binnenkort zal komen, wat de afloop voor de wereld zal goedkeuren, de geheimen van het lot spreek ik uit. Laat de Taag overal kampen opslaan, laat heel Duitsland zich roeren door verbonden hulptroepen, en laat de Rijn de verplaatste Donau voelen, de Romeinse macht moge de Dalmatische scharen in beweging brengen, alom mogen de legertroepen van de barbaarse Drau samenspannen, laat de kalme Elbe thuis rondom u woest zijn, tevergeefs, koningin, zal hij uw waagstukken vertragen.
(235-244)
Vos animis junctae, conspirantesque sorores
In bellum properate, juvet pars aegra labantem,
Dis inopem. sociate novis aeraria curis,
Armaque communi pro libertate resumptis
Vertite in Eugeniam studiis. Iam longius Alpes
Territat, atque alio lauros molitur in orbe
Dux Ligurum: jam rapta tenet stipendia dives
Amstela. quis tanti flectat moderamina belli,
Consultant dubii Patres. suspensa potentum
Consiliis nocet aula sibi, discorsque laborat.
U, geestverwante en eendrachtige zusters, haast u ten oorlog, moge het bezorgde deel het wankele deel helpen, het rijke deel het arme. Verbind de schatkosten met nieuwe zorgzaamheid, en keer met vernieuwde strijdlust uw wapenen tegen Eugenia voor de gemeenschappelijke vrijheid. Reeds vrij lang brengt de Aanvoerder van de Liguren de Alpen in opschudding, en hij oogst lauweren in een ander gebied: de rijke Amstel beschikt reeds over geroofde soldij. De twijfelende Vaders beraadslagen wie de leiding van een zo grote oorlog in handen moet hebben. Twijfelend door de opinies van de machtigen schaadt het hof zichzelf, en lijdt het aan tweedracht.
(245)
Et tandem lentis veniet Brabantia castris.
En tenslotte zal Brabant met een traag kamp komen.
(246-247)
En tibi Lemniacis desudant aera caminis,
Nec vigilem Steropes patitur segnescere Brontem.
Zie, voor u ligt het brons te zweten in de Vulcanische smidsovens op Lemnos, en Steropes duldt niet dat de waakzame Brontes verslapt.
(248-252)
Spirant ignivomi folles, incudibus ipse
Intonat armorum faber, & fornacibus instans
Tela tuis aptat ducibus; galeasque, globosque,
Pilaque, funereasque faces, tormenta, secures,
Scutaque laxatâ format tibi Mulciber Aetnâ.
De vuurspuwende blaasbalgen zuchten, en de wapensmid zelf dreunt op zijn aambeelden, en zijn ovens opjagend maakt hij wapenen gereed voor uw leiders; helmen, kogels, werpspiezen, dodelijke fakkels, martelwerktuigen, bijlen en schilden vervaardigt Mulciber voor u op de ongebreidelde Etna.
(253-256)
Tu Pavor hostiles frena formidine currus,
Tu Labor ingentes operas, Industria moles
Festina fac stare manu. Berecynthia turres
Concute, & impulsis fastigia dejice muris.
U, Vrees, beteugel door ontzag de vijandige wagens, u, Arbeid, beteugel hun geweldige inspanningen, u, Vlijt, laat met haastige hand de macht tot stilstand komen. Cybele, schud de torens en werp de kantelen van de gebeukte muren af.
(257)
Singula conjunctis concurrant numina votis.
Laten de afzonderlijke goden zich verenigen met verbonden intenties.
(258-259)
    Dixit: at huic subito tumuerunt pectora motu
In pugnas, totisque novum bibit ossibus ignem.
Zo sprak hij: en haar borsten zwollen met een plotselinge beweging op ten strijde, en met al haar beenderen drinkt zij een nieuw vuur op.
(260-264)
Nec latuit Mavortis amor. diffunditur ipsos
In vultus atque ora furor. de casside pendens
Erexit se crista magis, conusque refulsit
Splendidius, clypeique micans efferbuit orbis,
Inque genis rubor admisso pallore resedit.
En haar liefde voor Mars was niet verborgen. Een van de helm afhangende vederbos strekte zich neer, en de helmpunt schitterde nog fraaier, en de schitterende ronding van het schild flikkerde op, en op de wangen die eerst bleekheid hadden toegelaten vestigde zich weer een blos.
(265-266)
Massagetae veluti cum lactea pocula miscent
Sanguine, vel candens ebur interstinguitur* ostro.
Net als wanneer de Massagetae melkbekers met bloed mengen, of het witstralende ivoor wordt bespat met purper.
(267-278)
Acclives jam Phoebus equos, annique juventam
Vexerat ad Geminos, pugnacia sidera, fratres,
Et sua bellanti debebat lumina Tauro:
Reddita cum terris, celerique per oppida gressu
Vecta cruentatos porrexit gentibus enses,
Laxavitque viam bellis, ac fervida dictis
Incitat Auriacum: Batavûm fortissime ductor,
Quid cessas parere Deo? defensaque patri
Regna novis auges studiis? & pectore totum
Excutis Odrysium? tibi vasta potentia Belgî,
Et rerum commissus apex. tibi credita fratris
Sceptra tui, nostraeque potens exercitus orae.
Reeds had Apollo zijn stijgende paarden en de jeugd van het jaar naar de Tweelingen gevoerd, de krijgshaftige sterren, en bleef hij zijn lichten schuldig aan de oorlogvoerende Stier: toen zij, naar de aarde teruggekeerd en zich met snelle tred door de steden reppend, bebloede zwaarden uitstrekte naar de volkeren, en de weg vrijmaakte voor de oorlogen, en gloedvol spoorde zij Oranje aan met de woorden: ’Zeer sterke aanvoerder van de Nederlanders, wat talmt u God te gehoorzamen? Vergroot u met nieuwe strijdlust het rijk, dat door uw vader verdedigd is? En slaat u de hele Thraciër uit uw hart? U is de grote macht over Nederland toevertrouwd, en het hoogste gezag over de gebeurtenissen. Aan u zijn de scepters van uw broer toevertrouwd, en het machtige leger van onze kust.
(279-283)
Iamque tuis crevit Belgarum gloria curis,
Et Salii cessere Duci. jam fracta feroces
Submisit tibi Grolla manus. divisit habenas
Barbaries Eoa suas, domitoque carinis
Vespere, regales donavit America gazas.
En de roem van de Nederlanders is reeds gegroeid door uw toedoen, en de Saliërs zijn reeds geweken voor u als Legeraanvoerder. Het gebroken Grol heeft zijn woeste troepen al aan u onderworpen. De Oostelijke barbaarsheid heeft zijn teugels verdeeld, en nadat met schepen het avondland was getemd heeft Amerika koninklijke schatten gegeven.
(284-290)
At maius tibi fata parant. tuus aethera jam mox
Lambet honos. fraterna armis audacibus ausa
Transgredere, & tanto quaesitos sanguine fasces,
Quos pugnae, quos mille ducum peperere labores,
Quos longis haec nostra fides contexuit annis,
In tuto, Frederice, loca. cadat invida terris
Sylva meis, pacemque velis non antè pacisci.
Maar nog iets groters bereidt het lot voor u voor. Uw eer reikt spoedig reeds tot de hemel. Overtref de waagstukken die uw broer met vermetele wapenen heeft verricht, en breng de met zoveel bloed verworven eretekenen, die gevechten die de inspanningen van duizend legerleiders voorgebracht hadden, die deze trouw van ons gedurende lange jaren had samengeweven, in veiligheid, Frederik. Moge het vijandige ’s-Hertogenbosch aan mijn landen toevallen, en moge u niet eerder vrede willen sluiten.
(291-292)
Hanc lauris annecte tuis, his debitus ultor
Inferiis, Fili, patrios ulciscere manes.
Verbind deze stad aan uw lauweren, wreek, zoon, de schim van uw vader met dit dodenoffer, u bent hem dat verschuldigd.
(293-301)
Reptasti per castra puer, totiesque cruore
Immaduit praetexta ferox, interque triumphos
Telaque crevisti juvenis. jam frena capessens,
Intrepidus ferri, per prisca exempla tuorum
Circunfer generosum animum. procede secundis
Auguriis, regat audaces Bellona curules,
Disponat mediis miles tentoria campis,
Belliger annus eat. post tot mea damna, necesque
Plena triumphato redeat vindicta Philippo.
Als jongen hebt u door het legerkamp geslenterd, en zeer vaak werd uw woeste jongenskleed bevochtigd met bloed, en tussen overwinningen en wapenen bent u als jongeman opgegroeid. Laat, nu u de teugels ter hand neemt, zonder angst voor het zwaard uw edele geest weiden langs de oude voorbeelden van de uwen. Schrijd voorwaarts onder gunstige voortekenen, laat Bellona de stoutmoedige ambtszetels regeren, en laten de soldaten de tenten midden op de velden opzetten, laat het jaar oorlogvoerend voortgaan. Na zoveel schade en doden voor mij moge de volle wraak neerkomen op de overwonnen Philips.
(302-305)
Hoc pietas polluta rogat, tumulusque Loysae
Matris, & infandis Francorum prodita mensis
Colliniae fortuna domus, memoresque meorum
Mauritii cineres, venerandaque funera Belgis.
Dit vraagt de bezoedelde eerbied, en de grafheuvel van uw moeder Louise, en het lot van het huis van Coligny, verraden door het schandelijke banket van de Fransen, en de as van Maurits die zich de mijnen herinnert, een dood die de verering van de Nederlanders verdient.’
(306-311)
    Talibus ille Deae monitis accensus in hostem
Tota mente ruit. sed enim momenta laborum,
Quae maneant nostras inopina pericula terras,
Qua bellum sustentet ope, qua castra locari
Sede queant, quae bellacem spes erigat urbem,
Expendit, versatque novi discrimina coepti.
Aangespoord door zulke raadgevingen van de Godin rende hij met volle inzet op de vijand af. Maar toch onderdrukt hij het belang van de verschillende inspanningen, de onverwachte gevaren die onze landen te wachten staan, met welke macht hij de oorlog gaande kan houden, op welke plaats het kamp kan worden opgeslagen, welke hoop de oorlogszuchtige stad overeind houdt, en hij overweegt de gevaren van de nieuwe onderneming.
(312-318)
Succrescit Martis rabies, praesagia laudum
Exacuunt pugnae stimulos. jamque impiger ardet
In densas se ferre acies, & praelia coram
Sustentare manu, castris praescribere leges,
Et jussis animare tubas, disponere vallos,
Sistere praecipites glebis surgentibus undas,
Et circum positos lacerare ligonibus agros.
De razernij van Mars neemt toe, het vooruitzicht van lof verscherpt de prikkels tot de strijd. En energiek brandt hij reeds van verlangen zich in de dichte strijdmassa’s te begeven, en van nabij de schermutselingen in open gevecht steun te verlenen, geboden aan legerkampen voor te schrijven, en met bevelen de krijgshorens te bezielen, wallen op te werpen, de woeste golven met aardwallen tot staan te brengen, en de rondom gelegen akkers met hakken te verscheuren.
(319-321)
Continuò turbata quies; Batavûmque per urbes
Bella tonant, sociaeque cient Mavortia gentes
Agmina, & imbellis votis proscribitur aestas.
Meteen is de rust verstoord; en door de steden van de Nederlanders donderen oorlogen, en de verbonden volkeren brengen troepen van Mars in beweging, en met geloftes wordt de niet voor de oorlog geschikte zomer vogelvrij verklaard.
(322-327)
Convenere Duces, sumptisque insignibus alae
In vultus rediere suos. Hi terga fatigant,
Et spumantis equi fodiunt calcaribus armos;
Hîc cataphracta phalanx, equiti tutela pedestri
Lege coit. pars excussa se glande tuetur,
Pars tremebunda quatit rigidis hastilia rostris.
De aanvoerders waren bijeengekomen, en nadat de veldtekenen waren opgenomen, keerden de afdelingen terug naar de hun vertrouwde gelaten. Zij jakkerden de paardenruggen af en doorstaken met sporen de schoften van het schuimende paard; hier komt de gepantserde slaglinie samen, die de ruiter beschermt op de wijze van het voetvolk. Een deel verdedigt zich door het werpen van kogels, een deel schudt de verschikkelijke spiezen met harde ijzeren punten.
(328-331)
Hic praeit aeratam portans ad bella bipennem,
Hic acri mucrone ferit. se ferreus ille
Illaeso thorace tegit. sed corpora nudus
Purimus à sola sperat virtute trophaeum.
Deze loopt voorop en draagt een koperen tweesnijdende bijl naar het slagveld; de ander slaat met een scherp zwaard. Een derde bedekt zich als van ijzer met een onkwetsbaar kuras. Maar de meesten hopen met onbedekt lichaam een zegeteken te verwerven door hun dapperheid alleen.
(332-335)
Ingenio constant obitus, miserique feroci
Arte cadunt, ferroque mori tam simplice dudum
Displicuit. foras damnosa industria lethi
Multiplicat, preciumque ipsis mors captat ab armis.
De doden wegen op het hart, en de ellendigen vallen door een woeste kunst, en reeds lang mishaagde het te sterven door zo een eenvoudig zwaard. De schadelijke vlijt van de dood neemt talrijke vormen aan, en de dood eist zijn tol van de wapenen zelf.
(336-337)
Iam fundit Groninga viros, Frisiusque maniplos
Instruit, & patrias abituris commodat iras.
Reeds stort Groningen mannen uit en onderricht de Fries compagnieën, en schikt de vaderlandse twisten voor hen die moeten vertrekken.
(338-342)
Marsaciae venere manus: quasque armiger excit
Isala, & intonso gaudentes crine Sicambri,
Quique bibunt Rhenum Batavi, Chaucique minores,
Quasque procellosis in fluctibus, aethere duro,
Asperat audaces Toxandrûm terra cohortes.
De troepen der Marsaciërs waren gekomen, en de troepen die de wapendragende IJssel had ontboden, en de Sicambren die zich verheugden in hun ongeschoren haar, en de Bataven die de Rijn drinken, en de Chauci Minores en de dappere cohorten die het land van de Toxandriërs verhardt in stormachtige golven, met harde lucht.
(343-350)
Nec varios linguis populos, junctosque sub uno
Principe Musa sile. nostro notissima Marti
Robora, conveniunt, spretâ formidine, Galli;
Inde Caledonio permixta Britannia Scoto,
Allobrogumque acies, immansuetique Cherusci;
Quaeque, gravis quondam vinci, Germania laudi
Deficit una suae, nec se vexata probavit,
Ultima pacato nobisscum militat Albi.
En, Muze, zwijg niet over de in taal verschillende volkeren, die onder één vorst verenigd zijn. De krachten die onze Mars zeer bekend zijn komen samen, en de Galliërs die vrees versmaad hebben; daarna Brittannië, vermengd met de Caledonische Schot, en de slaglinie van de Allobrogen, en de woeste Cherusken; en Germanië dat, hoewel het ooit moeilijk te overwinnen was, als enige aan haar eigen lof ontbreekt, en zich niet bewijst dat zij gekweld werd, strijdt als laatste met ons mee, nu de Elbe tot vrede is gebracht.
(351-355)
Hos inter cuneos praeclari sideris instar
Emicuit Ductoris apex, notusque refulsit
Auriacus, bellique moram damnantia movit
Pleno castra gradu, nec jam suprema timentem
Funera neglectam Superis admovit ad urbem.
Tussen deze wiggen schitterde de kroon van de Aanvoerder, als een zeer heldere ster, en de bekende Oranje schitterde, en hij zette zijn kamp, dat uitstel van de oorlog niet gedoogde, met volle gang in beweging, en hij zette koers naar de stad, die haar definitieve ondergang nog niet vreesde, maar om wie de Goden zich niet meer bekommerden.
(356-357)
    Procubat horrendus madidis Gradivus in agris
Ilicet, & tenui secernit stramine coelum.
De vreeswekkende Mars ligt terstond uitgestrekt in de vochtige akkers en scheidt met dun stro de hemel.
(358-362)
Exuvias sibi quisque rapit, crescuntque penates
In numerum, & nullo radiantia tecta pyropo
Paupertas animosa colit. contemtior alga
Heroas, dominosque capit, nec dispare formâ
Vivitur, ut petulans distinguit limina luxus.
Ieder neemt mee wat hij te pakken kan krijgen, en de huisgoden groeien in getal, en een hartstochtelijke armoede bewoont de huizen, die elke straling van brons missen. Het nogal verachtelijke zeewier neemt bezit van de Helden en de heren, en er zijn in het leven geen verschillende sociale vormen meer te onderscheiden, en geen uitgelaten weelde siert de huizen.
(363-367)
Aestivum perferre jubar, contendere sueti
Frigoribus, passim recubant; & paupere mensa
Placatur non docta fames, fessosque relaxant
Fabricii, Curiique dapes, vel qualia ruri
Fercula disposuit tepido Serranus aratro.
Overal liggen mannen achterover, die gewend zijn de zomerzon te verdragen, de koude te overwinnen; en met een armelijke tafel wordt hun niet-verfijnde honger gestild, en de maaltijd van Fabricius en Curius brengt de vermoeiden tot rust, of wat voor geschenken Serranus op het land heeft neergezet met zijn lauwe ploeg.
(368-370)
Iam Rhenus per utrumque latus, jam Mosa secundis
Nassovio famulatur aquis, & tergora praebent
Pontibus, & fluidae transmittunt castra carinae.
De Rijn dient reeds aan beide oevers, en ook de Maas dient de Nassauer reeds met gewillige wateren, en zij laten zich gewillig overspannen door bruggen, en vochtige kielen brengen het legerkamp over.
(371-387)
Incumbunt fluviis sylvae. nemorosaque Tempe,
Hercyniumque nemus, glomerataque robora Pindi
Mille natant ratibus. veluti cum straverat Hellen
Barbarus, & transtris solidato gurgite Thetys
Obriguit. claudunt gravidae lethalia puppes
Pondera, & Aeolios lassantia tympana fratres,
Quaeque ferunt trepidis furibunda incendia tectis,
Et totum Mavortis opus. Describitur ingens
Area, virtutis spacium fatale, laborum
Circulus, & claro causas concludit honorum
Tramite. stat morti limes, stat linea vitae
Iugeribus demensa suis, idemque cubile,
Et tumulos trux campus habet: somnique, necisque
Culcitra; semideûm, bellatorumque palaestra,
Orbita militiae, tantis servanda triumphis,
Vel nobis, vel, Ibere, tibi latura pudorem,
Porrigitur, celebrisque stupet molimina belli.
Vlakbij de rivieren liggen wouden. En het bosrijke Tempedal, en het Hercynische woud, en de samengebundelde eiken van Pindus zwemmen op duizend vlotten. Zoals toen een barbaar Helle had geveld, en Thetis verstijfd was, nadat haar diepte met roeibanken verhard was. De zwangere schepen sluiten de dodelijke gewichten in zich, en de tamboerijnen die de Aeolische broeders vermoeien, en de razende branden die ze naar de trillende huizen dragen, en heel het werk van Mars. Er wordt een geweldige plaats afgebakend, een dodelijke ruimte van dapperheid, en deze omsluit met een duidelijke afbakening de erezaken. Er staat een grens voor de dood, er staat een lijn voor het leven, afgemeten in zijn oppervlakte, en het grimmige veld omvat gelijkelijk slaapplaats en grafheuvels: een matras voor de slaap en voor de dood; een worstelplaats voor halfgoden en oorlogvoerders, een pad voor het leger, dat moet dienen voor zo grote overwinningen, dat voor ons, of, Iber, voor u, schade zal brengen, en het verbaast zich over de waagstukken van de beroemde oorlog.
(388-393)
Crescunt in cumulum colles, vallesque profundas
Aequavere jugis. capiunt stagnantia sulcos
Rura, superjectis coëunt castrensia glebis
Moenia, cinguntur tumulis immanibus undae,
Atque undis tumuli. mutat cum Thetye tellus
Munia, & antiquis migrant è sedibus ambae.
Heuvels groeien tot een top, en zij maakten de diepe grachten door jukken gelijk. De overstroomde golven maken zich meester van de voren, en de kampmuren groeien vast aan opgeworpen kluiten, en de golven worden omgeven met geweldige heuvels, en door heuvels de golven. De aarde wisselt met Thetys van ambt, en beiden verhuizen zij uit hun oude zetels.
(394-403)
Assurgunt elementa, petunt declivia, pendent
Ponderibus librata suis. suspensa tenentur,
Quae noceant depressa: iterum depressa tenentur,
Quae noceant suspensa. fodit, secat, obstruit, aufert,
Laxat gnava manus. sursum jactantur arenae,
Ordinibusque novis resident. hîc linea rectum
Ducit opus, poscunt alibi munimina gyros,
Hîc cornuta jacent, & diro forfice vires
Conduplicant inimica suas: hîc currit in orbem
Machina, Phoebaeae formam mentita sororis.
De elementen rijzen op, ze zoeken hellingen, hangen in evenwicht gehouden door hun gewichten. Wat neergedrukt schade zou doen wordt opgehangen gehouden; wat opgehangen schade zou doen wordt op zijn beurt neergedrukt gehouden. De vlijtige hand graaft, snijdt, werpt op, draagt weg, maakt los. Er worden scheppen zand omhoog geworpen, en in nieuwe rangschikkingen gaan zij weer liggen. Hier leidt een lijn het werk recht, elders eisen de fortificaties bochten, hier liggen hoornwerken, en verdubbelen de vijandige hoornwerken met een onheilspellende schaar hun krachten: hier loopt een belegeringswerktuig in een kring rond, dat zich valselijk de vorm van de Phoebeïsche zuster heeft aangemeten.
(404-407)
Munit tuta metus. quaerit prudentia laudem,
Dum longè ventura timet, dubiisque movetur
Casibus, & varias bellorum prospicit artes,
Quicquid & incautis queat evenisse, veretur.
Vrees beschut de zaken die reeds veilig zijn. Voorzichtigheid zoekt lof, terwijl zij reeds lang vreest voor dingen die kunnen komen, en door twijfelachtige gevallen wordt bewogen, en de verschillende kunstgrepen van de oorlogen voorziet, en vreest wat kan overkomen aan onbehoedzamen.
(408-413)
Attollens apicem mediis urbs ferrea stagnis
Tot circum castella videt, metuendaque tantis
Cingitur excubiis, cernit delubra Deorum,
Sacratasque fores, densisque minacia portis
Culmina, subnixasque jugis ac collibus arces
Vallari, atque ipsis indici bella procellis.
De ijzeren stad, zijn spits verheffend midden in de moerassen, ziet rondom zoveel schansen, en wordt, vreeswekkend als zij is, omringd door zo grote wachtposten. Zij ziet hoe de tempels der Goden omwald worden, en ook de geheiligde deuren en de dreigende bovenkanten van de talrijke poorten, en de burchten die op jukken en heuvels gesteund zijn, en dat oorlogen worden verklaard met stormwinden zelf.
(414-428)
Non jam Romulidûm grandes mirabitur ausus
Posteritas, non saeva tuas Allesia turres,
Et quae Dyrrachium magnae cinxere coronae,
Non ditis fatum Capuae. minus esse putabit
Fama Tyrum, stratumque immensis molibus aequor,
Aut quod cum tumida bellum Carthagine gessit
Scipiades. cedunt Batavo vallante Plataeae,
Massiliae vilescit honos. non alta Sagunthos,
Quod commendet, habet. non qui sua viscera Xerxi
Transadigi permisit Athos, vastoque recepit
Aequora tota sinu. non duris belliger Haemus
Pervius Odrysiis. mortales omnia dextrae,
Et nostrae potuere manus. haec moenia solos
Iurabis cinxisse Deos, pactoque potentem
Descendisse Iovem precio. cur Dommala turget?
Het nageslacht zal niet langer bewondering hebben voor de grote waagstukken van de Romuliden, en niet voor uw torens, woest Allesië, noch voor de grote cordons die Durazzo omgaven, of voor het lot van het rijke Capua. Het zal menen dat de roem van de Tyriërs minder is, en de zee die met geweldige massa’s was belegd, of de oorlog die de zoon er Scipio’s voerde met het protserige Carthago. Plataeae moet wijken voor de Bataaf die wallen opwerpt, en de eer van Marseille verbleekt. Het hoge Saguntum heeft niets om trots op te zijn. Evenmin Athos, dat aan Xerxes heeft toegestaan dat zijn ingewanden werden doorboord, en dat met uitgestrekte golf de hele zee ontvangen heeft. Ook niet de oorlogvoerende Balkan, die toegankelijk was voor de harde Thraciërs. Maar onze rechterhanden vermochten alles, hoewel ze sterfelijk waren. Je zou zweren dat alleen Goden deze muren hebben omsingeld, en dat de machtige Zeus is afgedaald voor een afgesproken beloning. Waarom is de Dommel gezwollen?
(429-434)
Subsidunt maria? & fulcati navibus agri,
Najadumque domus, & tecta paludibus antra,
Demersaeque patent valles? cur proximus urbi
Subducit se Mosa magis, quantumque necesse est,
Infestas castigat aquas? cur militat aether,
Et conjurati ponunt sua flamina venti?
Waarom zakken de zeeën? En waarom liggen de doorploegde akkers open voor schepen, de huizen van de Najaden, en grotten die met moerassen bedekt zijn, en ondergedompelde valleien? Waarom trekt de Maas, die normaal dichtbij de stad stroomt zich terug, en straft zijn vijandige wateren zoveel als nodig is? Waarom werpt de weersgesteldheid zich in de strijd, en laten de samengezworen winden hun windvlagen tot rust komen?
(435-442)
Dî peragunt incoepta Duci, & communibus urbem
Invadunt studiis. coelum, mare, sidera, tellus
Damnavere ream pariter. servanda triumphis
Henrici laus ista fuit. nec vincere fratrem
Hanc etiam, visum Superis. celeberrima laudum
Argumenta cano, rarique exempla laboris,
Militiae graves operas, excussa potentum
Scrinia, & his raptum pugnans in partibus aurum.
De goden voltooien voor de Aanvoerder de ondernemingen, en met gemeenschappelijke inspanning trekken zij op de stad af. De hemel, de zee, de sterren, de aarde hebben de schuldige gelijkelijk schade berokkend. Die lof moest de triomfen van Hendrik dienen. En het heeft de hemelingen behaagd dat zelfs zijn broer deze lof niet heeft overtroffen. Ik bezing de beroemdste onderwerpen van loftuitingen en voorbeelden van een buitengewoon werk en de zwaarwegende verrichtingen van het leger, en de geldkistjes die aan de machtigen ontroofd zijn, en het geroofde goud dat strijdt in deze streken.
(443-449)
Nempe procul victae peregrino in littore gazae
Hic iterum nocuere Tago, propriisque Philipus
Vincitur exuviis. damno est nimis esse potenti,
Divitiaeque premunt dominum. terraque marique
In se versa sui fatalia pondera regni
Sentit, & exuto totclades imputat Indo,
Invictaeque diu labentia moenia Sylvae.
Immers hebben schatten die ver weg gewonnen zijn aan een buitenlandse kust hier de Taag opnieuw schade berokkend, en Philips wordt overwonnen door de buit die hij zelf heeft moeten afstaan. Voor een machtige is het tot schade om dat al te zeer te zijn, en rijkdommen drukken op hun beheerder. Te land en ter zee voelt hij de dodelijke gewichten van het rijk tegen zich gekeerd, en hij heeft zoveel nederlagen te wijten aan het feit dat de Indiaan beroofd is, ook het feit dat de muren van het lang niet overwonnen ’s-Hertogenbosch wankelen.
(450-458)
Admiranda loquor. totos Eous & Aethon
Absorpere lacus, & quà sub vere Napaeae
Ambrosias lavere comas, sese arduus infert,
Prataque depascit sonipes. quae saepius aestas
Imbribus Arctois maduit, pluviasque solebat
Sidere sub nostro, tempestatesque ciere,
Ferbuit, & longo latrantem Sirion aestu,
Ardentesque focos Cancri, rabidumque leonis
Limen, & Astraeae succindit Virginis astrum.
Grootse zaken bespreek ik. Eous en Aethon hebben hele meren opgeslorpt, en waar in de lente Napaeae hun ambrozijnkleurige haren wasten, draaft nu het steigerend paard, en graast de weiden af. De zomer die vaak nat werd door Arctische regens en die placht onder onze hemel regens en onweren op te wekken, gloeide, en stak met een langdurige gloed de blaffende Sirius in brand, en de brandende vuren van de Kreeft en de woeste dorpel van de Leeuw, en de ster van de Maagd Astraea.
(459-460)
Expendunt exacta senes, nec talibus unquam
Commemorant nobis ivisse caloribus annum.
De oude mannen wegen hun ervaringen af, en zij herinneren zich niet dat in ons land ooit een jaar met zulke hitte is voorbijgegaan.
(461-466)
Sic facilis mores, tanto molimine rerum,
Invertit Natura suos. non pocula largè
Fudit Hyas, Taurique madens in tergore nimbis
Alcyone damnosa fuit; ceu jussa, procellas
Continuit, siccaeque Ducum juvere labores
Pleiades, & Batavo jam tunc placatus Orion.
Zo verandert de plooibare Natuur haar gewoonten met zo’n grote omwenteling. Hyas giet zijn bekers niet weids uit, en de bevochtigende Alcyone richtte geen schade aan door haar wolken op de rug van de Stier; alsof het haar bevolen was beheerste zij de stormwinden, en droog begunstigden de Pléiaden de moeizame werken van de legeraanvoerders, en reeds was Orion toen verzoend met de Bataaf.
(467-472)
Qui licet in coelo rutilans humentia latè
Cingula, & imbriferum distringat Martius ensem,
Ut vidit fluidos Belgarum sparsa per agros
Agmina, & adversas studio reptare per undas:
Aeolios clemens fremitus, solitosque furores,
Bellantique graves populo compescuit iras.
Hoewel de ster van Mars roodglanzend in de hemel zijn wijd en zijd vochtbrengende gordels en zijn regendragende zwaard uitstrekt, toch heeft hij, zodra hij de scharen van de Nederlanders verspreid ziet over de vochtige akkers en ze vlijtig door de in hun tegendeel verkeerde golven ziet kruipen, genadig de windvlagen en de gebruikelijke stromen, en de voor het oorlogvoerende volk bezwarende buien bedwongen.
(473-479)
    Nassovius, dum tuta vagis Munimina castris
Adspicit, & validis secludi moenibus hostem,
Signa movet, dictisque suos instigat euntes
Talibus: Hesperiam mecum domitura, Iuventus,
Tempus adest. si quid quondam meruistis in armis
Belligero sub fratre, meis praestare parati
Imperiis. uno patriam defendite bello.
    De Nassauer beweegt zijn veldtekens, nu hij ziet dat de bolwerken veilig zijn door de beweeglijke kampen en dat de vijand afgesloten wordt door stevige muren, en hij spoort zijn mannen die optrekken met de volgende woorden aan: ‘De tijd is gekomen dat gij, jongelui, met mij Hesperia zult bedwingen. Als gij ooit iets waard bent geweest in de wapenen onder mijn oorlogvoerende broer, weest dan paraat onder mijn bevel. Verdedig het vaderland in één oorlog.
(480-490)
Audeat hoc mecum facinus, quem causa ferocem,
Non furor, esse facit. non vili fama paratur
Pulvere. Cantabrici caput insuperabile regni,
Austriaci jugulum petimus, roburque potentis
Eugeniae. quid sola queat fiduci ferri,
Ostentate mihi. non vos per frigora brumae
Lenta traham, gelidique ferent ncommoda soles,
Non rigidas calcare nives, cornuque minacem
Exspectare Caprum cupio. victoria praeceps
Poscitur, & nostros passura propinquior enses
Aut ruet in vetris, aut stabit Sylva lacertis.
Moge de zaak waarvoor wij vechten, en niet woede degenen onstuimig maken die dit waagstuk met mij aandurven. Roem wordt niet bereid met goedkoop stof. Wij zijn uit op het onoverwinnelijke hoofd van het Cantabrische rijk, de keel van de Oostenrijker, en de kracht van de machtige Eugenia. Toon mij wat het pure vertrouwen op het zwaard vermag. Ik zal u niet sleuren door de trage kou van de winter, de bevroren dagen zullen geen ongemakken brengen, ik wens niet de bevroren sneeuw te betreden, en de Steenbok af te wachten die dreigt met zijn hoorn. Een spoedige zege is vereist, en ’s-Hertogenbosch dat zeer spoedig onze zwaarden zal voelen, al vallen onder uw handen, of standhouden.
(491-492)
Nec vos, Pannoniam* quamvis concusserit omnem,
Terreat, aut Nemetum domitor, vel rector Iberi.
En laat niet of de bedwinger der Nemetes, of de heerser van Spanje, hoewel hij heel Pannonië op zijn grondvesten heeft doen wankelen, u verschrikken.
(493-495)
Aggeribus passim circumvallata tuemur
Castra, superfusos fluvios praecinximus illis,
Et pariter terrâ, pariter defendimur undâ.
Wij zien het kamp overal met dijken omgeven, met uitgestorte rivieren, en evenzeer door de aarde als door het water worden wij verdedigd.
(496)
Ite recepturi, Mavors quam possidet, urbem.
Gaat om de stad, die Mars bezit, in ontvangst te nemen.
(497-498)
Hispano collecta manus sibi congrua captat
Tempora, conatusque suos & coepta moratur.
De door de Spanjaard verzamelde troep snakt naar een voor haar gunstige tijd, en talmt met haar pogingen en ondernemingen.
(499-502)
Credite, suspensus Batavum jam respicit orbis;
Regum vota favent, spectat ferus Adria longê
E speculis. dubitat Tamesis, quid Belgica possit
Formidat graviora Tagus, plus augurat Ister.
Geloof mij, reeds kijkt de wereld met hooggespannen verwachtingen naar de Bataaf: de wensen der koningen begunstigen ons, de woeste Adriatische zee kijkt van verre uit zijn wateroppervlakte. De Theems weifelt, wat Nederland kan, de Taag vreest het ergste, de Donau heeft en voorgevoel van nog erger dingen.
(503-506)
Mundi cura sumus. nec vobis degener adsto
Ductor. inaccessas unà penetrabimus undas,
Ibimus in terrae gremium, coecosque meatus
Ingrediar, consors famae, consorsque malorum.
Wij zijn een zorg van de wereld. En ik sta hier niet als een ontaarde aanvoerder voor u. Wij zullen samen doordringen in ontoegankelijke wateren, wij zullen de schoot van de aarde betreden, ik zal de blinde wegen bewandelen, jullie deelgenoot in de roem, jullie deelgenoot in de rampen.
(507-515)
Qua miles statione cades, occumbere juxtà
Auriacus poterit. non me discrimina vobis
Dissimilem, casusque dabunt. me pondera rerum
Distinguent, non ausa, Ducem. quae jussa probabo,
Exequar impavidus. vestris fortuna periclis
Aequabit, ceu neutra, meum. Si stagna, lacusque,
Si mihi tempestas urbem, si proxima coelo
Tot castella negant, Superûm clementia victrix
Cuncta dabit, jungentque meo se fata labori.
Op de post waar u, soldaat, zult vallen, zal Oranje naast u kunnen sneuvelen. Het gevaar en het lot zal aan mij niet anders dan aan u mijn deel geven. De verantwoordelijkheid, niet het risico onderscheidt mij als leider. Wat ik aan bevelen zal goedkeuren zal ik onverschrokken nakomen. Het lot zal uw gevaren gelijkstellen aan het mijne, alsof het geen partij kiest. Ook als moerassen, meren, ook als het weer, ook als zoveel tot aan de hemel oprijzende fortificaties mij de stad ontzeggen, al de overwinnende goedertierenheid van de Goden mij alles geven, en de lotsbeschikkingen zullen zich verenigen met mijn inspanning.’
(516-532)
    Talia ubi peditum turmae, nunc mixtus equestri
Dicta dedit, studiis animos audacibus implet,
Accenditque mori promtos; belloque viaque
Instruit. horrendo strepuerunt classica cantu,
Et jussa cecinere tubae. simul impete diro
Aera crepunt. stabant arces, praeludia pugnae
Aspera. sic, Libycis tutela penatibus, altis
Eminunt trux Byrsa jugis. huc omnibus ardor
Ire per ambages, & longa exorsa viarum
Circumferre gradum. qualis per viscera terrae
Fossor in occultos ductat vestigia flexus,
Obliquatque sinus. Tu me per tela, per enses,
Per cineres, aciesque Ducum, per funera, pugnas,
Securum, Bellona, rape, & furalia pande
Praelia, suppositosque cavis penetralibus ignes,
Et lethi secreta aperi. Iam sanguine ferrum
Irrubuit, grandesque calent pugnantibus irae.
Toen hij dergelijke woorden gesproken had, nu gemengd onder de schare van voetknechten, dan weer bij de ruiterij, vervulde hij hun zielen met stoutmoedig opzet, en vuurde de mannen die bereid waren te sterven aan; en hij gaf instructies wat betreft de oorlog en de tocht. De krijgstrompetten schetterden met huiveringwekkend geschal, en de klaroenen weerklonken op bevel. Tegelijk kraakte de lucht met een woeste vlaag. Daar stond de burcht, woeste vooraankondiging van de strijd. Zo stond de norse Byrsa dreigend boven de hoge bergkammen, als beschermer van de Lybische huisgoden. De ijver van ieder ging omzichtig hierheen langs omwegen en een lange aanloop, zoals een graver zijn sporen leidt door de ingewanden van de aarde naar verborgen kronkelgangen, en schuin afsteekt. U, Bellona, sleur mij veilig langs de wapenen, langs de zwaarden, langs de ashopen en de gelederen der Aanvoerders, langs de doden, de gevechten, en laat razende gevechten ontbranden, en vuren die geplaatst zijn onder de binnenste holten, en open de geheime plaatsen van de dood. Het zwaard is al rood geworden door het bloed, en grote woede gloeit in de strijdenden.
(533-534)
Haeret in ambiguo Mavors, nec certus in alta
Nube quibus dubitat facilem se praebeat armis.
Mars blijft steken in twijfel, en aarzelt onzeker in een hoge wolk aan welke wapenen hij zich gewillig zal geven.
(535-536)
Pandimus abstrusos aditus, Plutonia rumpit
Claustra labor, sensimque truces convellimus arces.
Wij openen verborgen toegangen, en het werk breekt de Plutonische grendels, en geleidelijk aan brengen wij de norse burcht aan het wankelen.
(537-542)
Progredimur fossis. dextrâ, laevâque sub ipsa
Stamus humo. disrupta ruunt fastigia flammis,
Et referat munita fragor, robusta revellit,
Summa quatit belli rabies. nec segnius instat
Fortis Iber, patriasque domos, & tecta Deorum
Asserit, & nullo satiantur vulnere dextrae.
Wij schrijden voort door de grachten. Rechts en links staan wij onder de aarde zelf. De verbrijzelde gevelspitsen gaan in vlammen ten onder, en het gebeuk opent de bolwerken, het rukt sterkten omver, de oorlogsrazernij schudt de hoogste dingen. En even fel valt de sterke Spanjaard aan, en probeert de huizen der patriciërs en de tempels der goden te handhaven, en hun handen worden door geen enkele wond verzadigd.
(543-556)
Tum Stheleni, Turnique cadunt, hic Pandaron, ille
Dejicit adversum Bitian, Rhaetumque, Albarimque,
Vulnerat Ortygium Coeneus, prosternitur Astur,
Et praeceps animi Volscens. si nomina mutes,
Adspicias illic Troas, Rutulosque feroces
Permiscere manus, densisque occurrere turmis,
Alteraque Hesperiâ defendi Pergama dextrâ:
Insultare Phryges, Danaos circumdare muros,
Et propius, caesis geminae custodibus arcis,
Ferre pedem. si quando duces adversa vocarent,
Pro nobis etiam Mnestheus, acerque Serestus
Pugnavere. fuit, qui fata extrema secutus
Euryalus calidum vomuit de pectore flumen,
Magnanimamque animam tepidis abscondit arenis.
Dan vallen mannen als Sthelenus en Turnus; deze werpt Pandarus terneer, die de vijand Bitias, en Rhaetis en Abaris, Coeneus wondt Ortygius, Astur wordt neergeworpen, en de dappere Volscens. Als je de namen verwisselt zul je daar Trojanen zien en de woeste Rutiliërs in handgemeen, en in dichte drommen zul je hen zien toesnellen, en een tweede Pergamum door de Spaanse hand verdedigd worden: je zult de Phrygiërs op hun muren zien springen, de Grieken die muren zien omgeven, en naderbij komen, na de wachters van de dubbele burcht gedood te hebben. Wanneer ooit de aanvoerders rampspoed zouden oproepen, zouden voor ons nog altijd Nestheus en de felle Serestus gestreden hebben. Er was iemand die, in het uur van zijn dood, als Euryalus een warme rivier uit zijn borst braakte, en zijn grootmoedige ziel verborg in het lauwe zand.
(557-562)
Ipse Gubernator, claro de sanguine Schetti,
Tunc etiam patriae pro libertate locutus
Creditur: & vigili dum prospicit omnia mente,
Aspera consiliis moderans, nec tristibus impar,
Pugnantûm furias, atque intervalla nocendi,
Vincendique modum laudatis flectit habenis.
Er wordt verteld dat de Gouverneur zelf, uit het beroemde geslacht van Schet, toen ook voor de vrijheid van het vaderland gesproken heeft: en terwijl hij alles in zijn waakzame geest vooruitzag, en de moeilijkheden met overleg matigde, en zeer goed tegen de droefenis was opgewassen, beheerste hij met prijzenswaardige teugels de razernij der strijdenden, de tijd die tussen het schaden verliep en de maat van het overwinnen.
(563-572)
Nassovius, quanquam magnas sub pectore curas
Versat, & innumeros pernox se fundit in actus,
Nil lethi, mortisque memor, per saxa, per ignes,
Sulphureosque globos, inter tot busta suorum,
Seminecesque viros, & circumstantia pila,
Fumantes terrarum aditus, & lurida tabo
Regna subit, gratoque aspersus pulvere belli
Non his delicias studiis, non praeferat aulae
Gaudia. quin totus fruitur, dum dispicit hostem,
Et despertis transmittit lumina rimis.
Hoewel de Nassauer in zijn hart grote zorgen overwoog, en zich de hele nacht door in ontelbare handelingen stortte, zonder te denken aan dood en verderf, door stenen, door vuren, en zwavelige kogels, temidden van zoveel lijken van de zijnen, en halfdode mannen, en hoewel hij door een haag van werpspiezen en rokende toegangen tot de aarde, en door lijkenvocht afstotelijke gebieden betrad, besprenkeld met het aangename kruit van de oorlog, toch stelde hij boven deze bezigheden niet de bekoorlijkheden en de vreugden van het hof. Ja, hij verheugt zich geheel, als hij de vijand aanschouwt, en wanneer hij zijn ogen langs wanhopige bressen laat gaan.
(573-574)
Ille, ubi barbarico libratur machina pulsu,
Adstat ovans, operasque novis successibus urget.
573. Hij staat er juichend bij, wanneer met barbaarse kracht een kanon wordt afgeschoten, en hij dringt door middel van nieuwe successen op werken aan.
(575-584)
Quae sint excubiis, quae sint loca commoda vallis,
Quà ruat è portis acies: quo robore tuta,
Praesidioque, suis noceat, quot vinea repat
Passibus, & tragicae furalia munia scenae
Unius sunt cura viri; magnusque decoro
Militat exemplo ductor. stant praelia famâ,
Nec vitae numerat spacium, vel supputat annos,
Cui sua perpetuas despondet gloria lauros,
Et coelo cognatus honos. quo vivit in orbe
Celsa potestatum species, hoc judice pugnat.
Wat makkelijke plaatsen zijn voor wachtposten en voor wallen, waar de legerschare zich uit de poorten stort, door welke kracht en bescherming beveiligd deze de zijnen schaadt, hoeveel passen het schutdak moet kruipen, en de razende taken van het treurige toneel, zijn zorgen van één man; en de grote aanvoerder strijdt dienend als een mooi voorbeeld. Gevechten hangen af van roem, en hij telt niet de levensduur, noch berekent hij de jaren, hij, aan wie zijn roem en eer, die bij de hemel bekend is, voortdurende lauweren belooft. Voor deze rechter [eer], waarvoor het hoogste soort machtigen in de wereld leeft, strijdt hij.
(585-588)
Sic Ducis adspectu cunctae stupuere cohortes,
Aemulaque audaci promovit signa Britanno
Gallia, cum secum junxisse pericula vidit
Auriacum, tantoque sui stetit obside fati.
Zo stonden alle troepen versteld op het gezicht van de aanvoerder, en Frankrijk bewoog zijn veldtekenden naar voren, wedijverend met de vermetele Brit, toen het zag dat Oranje gevaren met hen deelde, en evenzeer ls gijzelaar voor zijn lot stond.
(589-594)
Ut Leo, Marmaricis quem nutriit Africa campis,
Cum subit atra fames, catulis comitantibus, antro
Exit, inaccessos quovis sub sidere montes
Permeat, & lethi contemtor opaca ferarum
Ipse prior lustrat. patriis animosior ausis
Erigitur soboles, praedaque ferocius instat.
Zoals de 1eeuw, die Afrika gevoed heeft op de Marmarische velden, wanneer een duistere honger over hem komt, vergezeld door zijn welpen, zijn hol uitgaat, en dwaalt onder welk gesternte dan ook door onbegaanbare bergen, en als eerste onder doodsverachting de schaduwen van wilde beesten kruist. Dapperder door de waagstukken van hun vader verheffen de welpen zich, en woester dringen zij aan op buit.
(595-602)
Intereà adversum quatiens irata flagellum
Tisiphone, totis concussis viribus orbis
Arma movet, Baetimque furens, Istrumque receptat
Auxilio, traditque truces hostilibus armis
Relliquias. mistis descendit Nervius audax
Advaticis, longisque armati Lingones hastis,
Et quondam fortes Ubii, Tungraeque phalanges,
Membraque qui Morini gaudent durare procellis.
Intussen beweegt Tisiphone, die vertoornd haar vijandige gesel zwaait, haar wapenen voor al wat van krachten beroofd is, woedend ontvangt zij de Baetis en de Ister, en aan de vijandige wapenen geeft zij de norse overblijfselen. De vermetele Nerviër trekt ten strijde, met de Advatische druïden, en de Ligonen, gewapend met lange werpspiezen, en de vroeger sterke Ubiërs, en de Tongerse slagorden, en de Morini die zich erin verheugen hun ledematen te harden in stormen.
(603-604)
Hi castris inferre minas, fractoque laborant
Aggere vexatae dudum succurrere Sylvae.
Dezen bedreigen het kamp en doen hun best met een doorbraak door de wal het reeds lang gekwelde ’s-Hertogenbosch te hulp te komen.
(605-626)
Et ruptas animis spirantes grandibus Alpes
Eminus adsultant vallis. Vix classica primos
Excierant vigiles, Batavûm cum Ductor anhelo
Adventat subvectus equo, lorisque solutis
Virtutis quoque frena suae, famaque relaxans
Consilio flectit pugnam, festinaque cunctis
Instruit arma locis, & quà vocat hostis & usus
Infert cornipedem. quo deficit aggere miles,
Utitur auxiliis. hostes Dux inter, & urbem
Pugnat, & à tergo clauos, à fronte lacessit
Suppetias Regum: distinctaque cura triumphos
Conglomerat Batavo. Nec jam cognata feroces
Nomina conciliant proceres. nec sanguinis horror
Nassovios placare duces, commisssaque magnis
Bella potest odiis. una de stirpe creatos
Mars dirimit, geminosque ingens distare potentes
Causa facit. Sed non Henrici vastra fuere
Henrici superanda manu. Tu Dommala testis
Tela virûm, galeasque, & Martia corpora versas,
Hispanique dolos, & tantis cladibus emptum
Eludis facinus: quodque illa poposcerat umbra,
Multa Braulteos placat tibi victima manes.
En zij die met grote moed hopen de Alpen te doorbreken bespringen van een afstand de wallen. Nauwelijks hebben de krijgshoorns de eerste wachten opgewekt, of de aanvoerder der Bataven komt reeds aangesneld op een hijgend paard, terwijl hij met het laten vieren van de teugels ook de riemen van zijn eigen moed en zijn roem losmaakt, met beraad begeeft hij zich in de strijd, en op alle plaatsen onderricht hij de troepen die zich in allerijl organiseren, en waar de vijand en het gebruik hem roept, brengt hij zijn hoefdier. Waar op de wal de soldaat te kort schiet, gebruikt hij hulptroepen. De Aanvoerder strijdt tussen de vijand en de stad, achter zich daagt hij de ingeslotenen uit, voor zich de hulptroepen van de Koningen; en met onderscheiden zorg stapelt hij overwinningen op voor de Bataaf. En de woeste aanzienlijken verzoenen nog niet hun verwante namen. En de vrees voor bloed kan de Nassause aanvoerders niet verzachten, doch de oorlog die gevoerd wordt met grote haat. En Mars scheidt de mensen, die uit één geslacht geboren zijn, en een geweldige oorzaak doet de machtige broeders in onmin leven. Maar het kamp van Hendrik zou niet overwonnen worden door de hand van Hendrik. U, Dommel, wentelt als getuige de wapenen van mannen, en hun helmen, en hun aan Mars gewijde lichamen, en u bespot de listen van de Spanjaard, en zijn misdaad die gekocht is met zo grote nederlagen: en, wat die schim geëist had, een groot aantal slachtoffers verzoent de schim van Briauté met u.
(627-631)
Destituit spes ista Ducem, primusque resedit
Impetus, haud aliter, quam cum de montibus altis
Gurgite praecipiti scopulis illiditur unda,
Atque in se violenta redit, spaciisque repulsa
Pluribus, hac illac multo mansuetior exit.
Die hoop verliet de Aanvoerder, en de eerste aanval ebde weg. Niet anders dan wanneer een golf met een steile maalstroom verpletterd wordt op de rotsen vanaf hoge bergen en heftig tot zichzelf terugkeert, en, verstoten uit verschillende plaatsen, dan hierlangs, dan daarlangs veel vreedzamer uitloopt.
(632-641)
    Mox ubi fulmineis patuere impulsibus arces,
Nudatumque latus miseranda apparuit urbis,
Et jam semiruti montes, avulsaque fumant
Moenia, & abruptis ae nostra ferocia claustris
Explicuit, rapuitque istam gens aemula laudem:
Tum sic Tisiphone, diris intexta colubris
Caesariem, quassantque faces: Bella altera, restant
Altera bella Tago. quamvis spes prima fefellit,
Plus superest. aliis Belgi satiabere poenis,
Hesperia, en, tutum aggeribus revocabimus hostem.
Spoedig, toen de burcht open stond door bliksemende slagen, en toen de zijkant van de deerniswaardige stad ontbloot bleek te zijn, en toen de bergen reeds half verbrijzeld waren en de losgerukte muren rookten, en onze woestheid zich deed gelden na haar kluisters verbroken te hebben, en het wedijverend geslacht die roem verwierf: toen sprak Tisiphone aldus, met walgelijke slangen in het hoofdhaar geweven, en schuddend met fakkels: ‘Nog meer oorlog, meer oorlog nog is voor Spanje te voeren. Hoewel de eerste hoop bedrogen heeft, is er nog meer hoop over. Spanje, u zult zich kunnen verzadigen aan straffen van de Nederlanden. Zie, wij zullen de vijand die door wallen veilig is terugroepen.
(642-650)
Quod coepi, peragetur opus. quid dextera segnis
In ferrum lethale ruis? quis torpor socii? Phlegethonta movete,
Successus dum summa negant. hoc Filia Regis,
Hoc Rex ipse jubet. nec nobis altera rector
Tarpeius manfata dedit. convellere regnum
Auriaci, atque ipso in gremio consistere terrae,
Consilium est. tacuit, foedosque a fronte cerastas
Dum manibus furibunda rapit, projecit in amnem.
Het werk dat ik aangevangen heb, zal voltooid worden. Wat, hand, grijpt u traag naar het dodelijke zwaard? En staat u toe dat het gevaar toeneemt? Welke verlamming maakt zich van uw krijgsgezel meester? Breng de Phlegethon in beweging, omdat de grootste inspanningen u resultaat ontzeggen. Dit beveelt u de Dochter van de Koning, de Koning zelf beveelt u dit. En de Tarpeïsche heerser heeft ons geen andere bevelen gegeven. Het is ons plan, het rijk van Oranje aan het wankelen te brengen, en het in de schoot zelf van de aarde te laten stilstaan.’ Zij zweeg, en terwijl zij woedend de afschuwelijke hoornslangen van haar voorhoofd afrukte, wierp zij ze de rivier in.
(651-656)
Atque ait: Hoc vindicta loco mihi poscitur. illac
Ite viri. madeat primis insultibus horrens
Isala, confossosque Duces, truncataque membra
Hauriat, ut dixit, peditum simul advocat alas,
Ipsa praeit, cuneosque equitum transvectat, & atros
Undique Marsaciis immittit finibus ignes.
En zij sprak: ‘Op deze plaats wordt voor mij wraak geëist. Gaat daarlangs, mannen. Laat bij de eerste aanval de woeste IJssel overstromen, en laat hij doorstoken Aanvoerders en afgehakte ledematen verzwelgen.’ Toen zij gesproken had, riep zij meteen de vleugels van voetknechten op, zelf ging zij voor, en zij voerde de spitsen van ruiters naar voren, en legde overal in het Marsacische gebied vuren aan in de duisternis.
(657-666)
Irrupere aquilae, & vastis se jactat in agris
Caesar; & hinc Flevi fluctus, hinc proxima Rheno
Pannonius lustrat quadrupes, metasque nocendi
Praescribi sibi posse dolet. perculsa Sicambrum
Incusat regio, nec custodita superbis
Fit spolim ducibus. fugiunt Faunusque, Ceresque
Et tu cura Pales pecoris; lateque juvenci
Semineces ructant, & sparsa mapalia tabo
Spirantes adolent epulas. impleverat urbes
Terror, & audaces, alias, invaserat aulas.
De adelaars braken door, en de Keizer ontplooit zijn troepen over de wijde akkers; en hiervandaan doorkruist de Pannonische viervoeter de golven van de Zuiderzee, daarvandaan de landen aan de oever van de Rijn, en hij betreurt het dat aan zijn schaden grenzen kunnen worden voorgeschreven. Het ontstelde gebied beschuldigt de Sicamber, en niet bewaakt door de hemelgoden wordt het buit voor de aanvoerders. Faunus en Ceres vluchten, en u, Pales, die voor het vee zorgt; wijd en zijd reutelen halfdode kalveren, en de met lijkengif bespatte hutten branden rokende offermaaltijden. Vrees had de steden vervuld, en het was zelfs in de anders vermetele hoven doorgedrongen.
(667-668)
Famaque nigrantes agitans formidine pennas
Unanimes belli tremefecit murmure gentes.
En de Faam, die haar vleugels, zwart van angst, bewoog, deed de eensgezinde volkeren beven door een gerucht van oorlog.
(669-671)
At non Nassovii virtus ductoris eodem
Fracta metu. dubios casus, incertaque rerum,
Intestabilesque vices Martis praeceperat Heros.
Maar de dapperheid van de Nassause aanvoerder werd door diezelfde vrees niet gebroken. De Held had van te voren de risico’s, de onzekerheden, en de wisselvallige krijgskansen van Mars verdisconteerd.
(672-680)
Nec mora se partes alacrem diffundit in omnes,
Una salus, roburque suis. vicina tuetur
Praesidiis, pavidis Rhenum circumtonat agris,
Inde latus munit Vahali. Prudentia solum
Tunc pugnare timet, patriae nec credita ferro
Libertas. peragit placide sedata potestas,
Quod vis inconsulta nequit, rabiemque, fatigat
Circumspecta quies. post te, Thrasimene, morantem
Laudamus Fabium, dilataque praelia prosunt.
En zonder uitstel stortte hij zich vurig uit naar alle kanten, als enig heil, en kracht voor de zijnen. Hij beschermt de omgeving met zijn roepen, hij omgeeft de Rijn met geraas op de verschikte akkers, vandaar versterkt hij de oever van de Waal. Voorzichtigheid vreest dan alleen te strijden, en de vrijheid van het vaderland wordt dan niet toevertrouwd aan het zwaard. De tot rust gebrachte macht handelt kalm, wat onberaden macht niet kan, en omzichtige macht mat de razernij af. Na u, Thrasimenus, loven wij de talmende Fabius, en het uitstellen van gevechten strekt tot voordeel.
(681-686)
Suspice Belga Deum. medio discrimine rerum
Otia dant Superi. Divum clementia victrix
Pro te bella gerit. cedunt terrorque, pavorque,
Et cunctis sua forma redit. Vesalia laetos
Restituit tibi capta dies. En aspice versam
Ut trahat in speciem fugientis Cantaber hastam.
Nederlander, zie op naar God. Midden in het gevaar geven de Hemelingen rust, en in plaats van u voert de overwinnende welwillendheid van de Goden oorlogen. Vrees en angst wijken, en voor alles keert zijn vorm terug. De inneming van Wesel herstelt voor u de blijde dagen. Zie toch, hoe de Cantabriër zijn omgekeerde spies meesleept, in de gedaante van en vluchteling.
(687-689)
Hei mihi qualis abit, quantum mutatus ab illo,
Qui venit, ut sumpta redimat sua tempora mitra,
Et debellatis figat tentoria rostris.
Zie toch eens, hoe hij er vandoor gaat, hoezeer verschillend gemaakt van hem, die gekomen is, om zijn slapen te verlossen van door het optillen van de mijter, en om zijn tenten op te slaan nadat de schepen verdreven zijn.
(690-700)
Adspice, quam raras in pristina regna cohortes
Attonitus referat, totos qui insederat amnes
Milite. quam spoliis Cimbrorum exutus & auro
Aeris egens abeat, qui voti prodigus amplae
Hauserat urbis opes. turmis truncatus & armis
Foeda legit retro vestigia, qui modo plenas
Explicuit campis acies. timet omnia sero,
Qui timuit nihil, & nimium secura ruinam
Fata trahunt. quantis, per te, Frederice, tenebris
Eruimur. tua nos tanta caligine rerum
Irradiat toto vigilans industria regno.
Zie, hoe hij verschrikt de schaarse garnizoenen terugbrengt aar het oude rijk, hij, die met zijn soldaten hele rivieren bezet had, hoe hij beroofd van de buit van de Kimbren, en van hun goud, en zonder kopergeld weggaat, hij die verkwistend in wijgeloften de schatten van de rijke stad had uitgeput. Beroofd van zijn gewapende scharen keert hij op zljn vuige schreden terug, hij die onlangs de volle kracht van zijn roepen ontplooide over de velden. Alles vreest hij te laat, die niets vreesde, en een al te zorgeloos lot sleept verderf met zich mee. Van hoe grote duisternis worden wij door u, Frederik, bevrijd. Uw waakzame ijver bestraalt ons in zo grote duisternis in heel het rijk.
(701-705)
Haud secus ac tumidum cum surgere Nerea cernit
Navita, & Aeoliis turgescunt aequora flabris,
Iamque ratim subeunt fluctus: ille impiger Arcton
Respicit, & quanam decimis se subtrahat undis
Arte notat, fallitque trucis ludibria ponti.
Niet anders dan wanneer een schipper de opbruisende Nereus ziet oprijzen, en de zee woest wordt door Aeolische vlagen, en de golven tegen het schip beuken; hij houdt onvermoeibaar de Beer in het oog, en hij merkt op door welke kunstgrepen hij zich zou kunnen onttrekken aan de onmetelijke golven, en hij leidt de spot van de norse zee om de tuin.
(705-711)
Tu quoque non parvum tantis, Casimire, triumphis
Adjungis cumulum. tibi prisca Batavia debet
Asserti spacia ampla soli. transire paratos
Aggeribus prohibes, objectoque obice sistis
Barbariem. mordent fluviorum irata catena
Agmina, & in sterili damnant jejunia terra.
Ook u, Casimir, verbindt een niet geringe bijdrage aan zo grote triomfen. Het oude Batavië is aan u wijde ruimten van bevrijde grond schuldig. U verhindert dat gerede troepen over de wallen heenkomen, en met een opgeworpen barricade brengt u de barbarij tot stand. De vertoornde scharen bijten op de ketenen der rivieren, en zij veroordelen het vasten op de dorre aarde.
(712-718)
    Stabat adhuc Sylvae facies, formasque nocendi
Invenit, & veluti flexus se torquet in omnes
Anguis, & adversus venientem sibilat hostem,
Irrequieta furit, generosum suscitat ignem
Cana Fides, veterisque juvat fiducia belli
Magnanimam. jam Regis amor, promissaque magnae
Eugeniae subeunt, jurataque verba Philippo.
Nog bleef het aangezicht van ’s-Hertogenbosch overeind, en vond vormen van schaden, en zoals een slang zich kronkelt in allerlei bochten, en sist tegen de hem tegemoetkomende vijand, gaat het rusteloos tekeer. Het eerbiedwaardig Geloof wekt een edel vuur op, en het vertrouwen, opgedaan in de oude oorlog, behaagt de hoogmoedige stad. Nu komt de liefde voor de koning in de gedachte, en de beloften aan de grote Eugenia, en de woorden die men gezworen heeft aan Philips.
(719-721)
Obvia castra locat, strictos dat euntibus enses,
Egreditur, vocat ad pugnas, hortamine fortes
Praevenit, & nusquam timidos epectorat horror.
Het plaatst kampen ertegenover, geeft aan de oprukkende mannen getrokken zwaarden, doet een uitval, roept op ten strijde, gaat de dapperen voor met een aansporing, en nergens slaagt vrees erin bange mensen te ontmoedigen.
(722-725)
Urbis ad Occiduos aditus, cervicibus arctis,
Planities non magna jacet. nam etera stagnis,
Fluminibusque natant. hoc totus tramite Mavors
Sudat, & oppositis acuit certamina vallis.
Voor de westelijke toegangen van de stad ligt, met nauwe doorgangen, een kleine vlakte. Want de rest is verdronken door poelen en rivieren. De hele oorlog speelt zich moeizaam langs dit pad af, en vuurt op de ertegenovergelegen wallen gevechten aan.
(726-730)
Conciderant arces. iterum munimina surgunt,
Protruduntque operas operae. cum cornua frangis,
Lunaris te forma ferit. cum vincitur illa,
Septa struit transversa labor. superata vetustas
Desinat Herculeos istis conferre labores.
De burcht was ingestort. Weer verrijzen versterkingen, en de inspanningen verdringen elkaar. Wanneer je de hoornwerken verbrijzelt, slaat de maanvorm je. Wanneer die verslagen wordt, werpt de inspanning omwalde flanken op. Laat de overtroffen Oudheid ophouden, de werken van Hercules daarmee te vergelijken
(731-732)
Hic iterum se Lerna movet, secundaque colla
Parturit, inque dies glebosa repullulat Hydra.
Hier beweegt Lerna zich weer, en brengt vruchtbare halzen voort, en dagelijks bot de kluitige Hydra weer uit.
(733-741)
Repimus armati sensim, metimur honores
Passibus, & totam non vult se parvula vinci
Area. multiplicat tellus divisa triumphos,
Annumeratque Duci. circum seges horrida ferri,
Pugnacesque micant dextrae, nec limite longo
Ictibus alternis pugnant. cum vocibus aera
Permutata volant, atque intervalla loquendi
Excipit armorum rabies. contermina miles
Tecta locat, geminaeque nocent confinia parti.
Gewapend kruipen wij geleidelijk aan, wij meten onze eer pas voor pas af, en het kleine stukje grond wil niet dat het geheel overwonnen wordt. De verdeelde aarde brengt een veelvoud van overwinningen voort, en telt ze op voor de Aanvoerder. Rondom is de huiveringwekkende oogst van het zwaard, en de vechtlustige handen schitteren, en met wederzijdse slagen vechten zij op korte afstand. Afgewisseld met geschreeuw suizen koperen wapens door de lucht, en momenten van geroep worden opgevolgd door woest wapengekletter. De soldaten betrekken hun posities vlak bij elkaar, en waar ze aan elkaar grenzen lopen beide partijen schade op.
(742-746)
Fatali stat quisque loco, nec cedit inultus,
Permixtos agitant sociatis gressibus armos,
Vulnera vulneribus redimunt, sternuntque caduntque
Inque vices redeunt mortes. huic saeva cruorem
Ora bibunt, sanieque horrescit livida cervix.
Eenieder staat op een fatale plaats, en gaat er niet van af zonder zich te wreken, ze bewegen hun verstrengelde armen met gecoördineerde passen, betalen hun wonden met wonden, en houwen neer, en vallen, en beurtelings valt hun de dood ten deel. Woeste monden drinken het bloed van de ene, en van bedorven bloed wordt diens bont en blauwe hals ruig.
(747-751)
Illi sanguinea venerando in corpore grumâ
Canicies aspersa rubet. trahit ille labantem,
Purpuream vomit ille animam. portantur in hastis
Exuviae, libratque exanguia corpora miles,
Frustraque lethiferis quaerit Libitina cavernis.
Van de ander worden de grijze haren, die met bloedige klonters bespat zijn, rood aan het eerbiedwaardige lichaam. De een sleept met een die wankelt, een ander spuwt zijn purperen ziel uit. De wapenbuit wordt op lansen gedragen, en de soldaat wankelt onder uitgebloede lichamen, en Libitina zoekt brokstukken in doodbrengende holen.
(752-762)
Cerno Thyestaeae crudelia fercula mensae,
Cerno Lycaonios artus, Busiridis aras,
Cerno sacra Phrygum, sibi quas placanda poposcit
Taurica ferales obitus, furalia Thracum
Orgia, Achilleos tumulos. quò gloria ducis,
Quò rapis heroum sobolem? morituraque jamiam
Nomina? proh quanto meruisti sanguine vinci
Urbs cognata polo. non te stipendia tantum,
Venalesque animae; sed quas armaverat ardor,
Non emptae domuere manus, devotaque laudi
Pectora semideûm. Sed quis fragor intonat aures?
Ik zie de bloedige gerechten van de tafel van Thyestes, ik zie de ledematen van Lycaon, de offertafels van Busiris, ik zie de heiligdommen er Phrygiërs en de dodelijke sterfgevallen die Taurica, die verzoend moet worden, voor zich opeist, en de razende orgieën der Thraciërs, en de grafheuvels van Achilles. Waarheen sleurt u, roem, waarheen sleept u de nakomelingschap van de helden? En hun namen die nu moeten sterven? Ach, met hoeveel bloed hebt u verdiend te worden overwonnen, stad die aan de hemel verwant is. Niet slechts soldij, en niet zielen die te koop waren, maar zielen die de hartstocht gewapend had, en niet-gekochte handen hebben u bedwongen, en de gemoederen van halfgoden die zich aan de lof hadden gewild. Maar wat voor een gedruis dreunt mij in de oren?
(763-768)
Annè Gigantea congesta cacumina dextra
Enceladique ruunt? an moenia subruit urbis
Mars pater? et diris corybantia flatibus aera
Excutit? alta labant murosque irata resolvit
Machina, perque domos, tonitrus immitata deorum,
Saevit, et immani turres disrumpit hiatu.
Storten soms de bergtoppen die opgestapeld zijn door gigantenhanden, en door die van Enceladus, in? Of ondermijnt vader Mars soms de muren van de stad? En schudt hij met onheilspellend gedruis de koperen wapens van de Corybanten? De hoogten wankelen, en een vertoornd belegeringswerktuig breekt de muren open, en woedt door de huizen, in navolging van de donder van de Goden, en breekt torens uiteen, in een afgrijselijke bres.
(769-773)
Est genus armorum, quo non violentius ullum
(770)
Vel Phlegethon, vel Lemnos habet. Coit unus in orbem,
Miranda sed mole, globus cui plurima venter
Tela capit. latitant permisto sulphure ferri
Pondera, et occultas sevant in funera causas.
Er bestaat een soort wapenen, dat niet in gewelddadigheid wordt overtroffen door enig soort dat hetzij de Phlegethon dan wel Lemnos heeft. Slechts één kogel vormt een bol, maar met een verbazend gewicht, wier buik zeer veel wapenen omvat. massa’s ijzer met zwavel vermengd zijn er verborgen, en houden verborgen oorzaken van de dood in.
(774-778)
Hunc ubi serpentis vis imperiosa favillae
Attigit, obliquo se tollit in aëra motu,
Flammivomamque trahit caudam: mox lapsus ab alto
Horrendum sonat. & magno sua viscera nisu
Rumpit, & ingenti involvit vicina ruinâ.
Zodra de heerszuchtige kracht van de kruipende vonk hem bereikt, verheft zij zich met een scheve beweging in de lucht, en sleept een vlammenbrakende staart achter zich aan: meteen daarop, als zij uit de hoogte neergestort is weerklinkt zij huiveringwekkend, en breekt haar ingewanden met grote inspanning open, en hult de omgeving in een enorme puinhoop.
(779-781)
Quos ubi nocturnos flectens Latonia currus
Vidit, & ipsa Deûm circum delubra rotari,
Creditur attonitis retrò cessisse quadrigis.
Toen de zich krommende Latonia deze nachtelijke wagens heeft gezien alsmede dat de heiligdommen zelf van de Goden werden rondgewenteld, gelooft men dat zij teruggeweken is met haar verschrikte vierspannen.
(782-785)
His quoque pugnatum. tandem se vinea fossis
Ingerit, & coecis supposti moenibus ignes
Extremus venere labor, disrupta patescunt
Oppida, & incertam spondent suprema salutem.
Ook met deze dingen is gevochten. Tenslotte werpt het schutdak zich over de grachten, en de onder de blinde muren geplaatste vuren werden tot het laatste werk. De opengebroken vesting staat open, en de afloop houdt een onzeker heil in.
(786-790)
    Exitium tune Sylva timens, cladesque suorum,
Et nudum perfossa latus, postquam irrita Bergî
Coepta videt, totamque imis à sedibus urbem
Corruere, atque arcta muros indagine cingi,
Tales sollicito profudit pectore voces:
Toen heeft ’s-Hertogenbosch, dat vreesde voor zijn einde, en voor de nederlaag van de zijnen, en dat doorboord was aan zijn blootgelegde flank, toen het inzag dat de ondernemingen van Van der Berg vruchteloos waren, en dat de hele stad op zijn diepste gondvesten aangetast was, en dat de muren met een nauwe omsingeling omringd waren, uit zijn verontruste gemoed de volgende woorden uitgestort:
(791-793)
    Quàm nihil imperiis tutum, quàm cuncta revellat,
Quae steterant, Fortuna procax, Regumque superbis
Insultet malefida bonis, devicta docebo.
‘Hoezeer niets veilig is voor rijken, hoezeer de schaamteloze Fortuin alles wat overeind stond wegrukt, en zij trouweloos het trotse gemoed van Koningen met voeten treedt, zal ik, nu ik overwonnen ben, uiteenzetten.
(794-801)
Illa ego Brabantûm decus inviolabile regni,
Quae bis Auriacum. Mosa indignante, fugavi,
Debebor fratri spolium. quae Martia sprevi
Bellorumque minas, subnixaque fraudibus arma,
Inque meos usus agrorum commoda verti,
Totque mihi populos solo terrore subegi,
Ludibrium sum, Belga, tibi, vesana potentum
Fabula, & infidae exemplum memorabile sortis.
Ik, de vermaarde, de onschendbare roem van het rijk der Brabanders, die tweemaal ben ontsnapt aan Oranje, tot verontwaardiging van de Maas, zal aan zijn broer als buit moeten toevallen. Ik, die de krijgszaken en de bedreiging van oorlogen geringgeacht heb, en wapenen gesteund op bedrog, en het voordeel van de akkers tot mijn gebruik heb aangewend, en zovele volkeren door vrees alleen aan mij heb onderworpen, ik ben een object van spot voor u, Nederlander, een waanzinnig verhaal voor machtigen, en een behartenswaardig voorbeeld van het ontrouwe lot.
(802-820)
Hei mihi quò priscae vires, quò concidit ille
Indomitae virtutis honos, trepidataque dextrae
Fama meae, quae trans fluvios spaciosa vagabar,
Aggeribus captiva premor. cui robur in undis
Omne fuit, jam sicca tremo; solitasque cadenti
Immutant elementa vices. adamantina forti
Castra jacent superata manu: praecordia fossor
Ipsa tenet: calco tumulos & busta meorum,
Quò, mecunque feram. si tantas, maxime rector,
Promerui poenas, si parcius imbuit aras
Relligio neglecta mihi; tua fulmina sontem
Dejiciant, Batavis quàm me servare triumphis
Opprobrium crudele velis? da secula Pyrrhae,
Supplicio leviore fruar. num templa, Deosque
Respicis? aeterno fumantes thure penates,
Mitratumque patrem, sacrae tot nomina turbae,
Vestalesque tuas? num tot mihi culta per annos
Migrabit veneranda Fides? mandataque magni
Praesulis, & Romae potero dediscere leges?
Wee mij, waartoe vervallen mijn oude krachten, waartoe die eer van ongetemde dapperheid, en de gevreesde roem van mijn rechterhand. Ik, die wijd en zijd over de rivieren heen zwierf, word gevankelijk door allen omsloten. Ik, die alle kracht over de golven had, sidder, reeds verdroogd; en de elementen hebben voor mij, tot mijn val, van un gebruikelijke plaats gewisseld. De staalharde burcht ligt neer, overwonnen door een staalharde hand: de graver heeft mijn ingewanden zelf vast: ik vertreed de grafheuvels en de tomben van de mijnen, waarheen ik mij ook begeef. Als ik, allergrootste heerser, zo grote straffen verdiend heb, als mijn veronachtzame vroomheid de altaren al te spaarzaam heeft voorzien van offergaven, laten dan uw bliksems de schuldige neerwerpen, liever dan dat u mij wilt laten dienen als een voorwerp van wrede spot voor de triomfen der Bataven. Geef de tijden van Pyrrhus, die lichtere straf zal ik met meer genoegen ondergaan. Ontziet u soms heiligdommen en Goden? De huisgoden, voor wie altijd geurige wierook gebrand wordt, de gemijterde vader, zovele namen van de gewijde schare, en uw Vestaalsen? Zal het eerbiedwaardige Geloof, dat door mij zoveel jaren verzorgd is, haar zetel opgeven? Zal ik in staat zijn de bevelen van de grote Voorzitter en Rome’s wetten af te leren?
(821-834)
Hoc debes mihi Breda mali; vindictaque de me
Clade tua petitur. Patrem quoque funere nostro
Expiat Auriacus. longi dispendia belli
Sera luam, clarisque accedam fortè trophaeis
Ultima. Quàm memini, me, cum tentoria figi
Adspicerem. & positis hostes consistere signis,
Illusisse Duci. turres attollite, dixi,
Immensos siccate lacus, advolvite sylvas,
Sistite praecipites fluvios. imponitis Ossae
Pelion, excelsam manibus rescinditis aethram
Incassum. cunctos obices & vincula rumpam,
Mille patent nobis aditus. penetrabimus illac,
Aut illac. dabitur meliori pervia causae
Semita, nec vili succumbam Martia sulco.
Dit kwaad bent u mij schuldig, Breda; door uw nederlaag zoekt men bij mij wraak. oor onze dood wreekt Oranje ook zijn vader. Ik zal ten langenleste boete doen oor de verliezen van de lange oorlog, en wellicht zal ik als laatste toetreden ot de rij van heerlijke zegetekenen. Hoezeer herinner ik mij, dat ik, toen ik de tenten zag opgeslagen worden, en de vijanden zich zag opstellen bij de in de grond estoken veldtekenen, de Aanvoerder heb bespot. ‘Trekken jullie maar torens op,’ sprak ik, ‘leg maar enorme meren droog, rol bossen hierheen, en breng de snelstromende rivieren maar tot staan. Stapelen jullie de Pelion maar op de Ossa, vergeefs proberen jullie met jullie handen de hoge lucht open te scheuren. Ik zal alle hinderpalen en boeien verbreken, duizend toegangen staan voor ons open. Wij zullen hierlangs of daarlangs doordringen. Voor een betere zaak zal een toegankelijk pas ter beschikking worden gesteld, en ik zal niet bezwijken, krijgshaftig als ik ben, voor een minderwaardige vore.’
(835-836)
Iam Phaethontaeis dicebam Belgica curis
Regna regi, & stolidae committi frena juventae.
Ik zei toen, dat de Nederlandse gebieden geregeerd worden door de zorgen van een Phaeton, en dat de teugels worden toevertrouwd aan een domme jeugd.
(837-846)
Nunc & Aloidas geminos super astra negatas
Affectare vias: bimari nunc ludere in Isthmo
Romulidas. coeco raptari turbine, quisquis
Adspiret Sylvae spoliis. regalibus ibam
Altior auxiliis. suffulta potentia sceptris,
Et gemini Titanis opes, Isterque, Tagusque,
Scaldis, & armatis veniens Germania castris,
Subdiderant animo stimulos. nunc omnia retrò
Versa ruunt; veniamque simul, vitamque precari
Cogor, & invisae fasces submittere terrae.
Nu trachten ook de beide zonen van Aloeus de hun verboden wegen boven de sterren in te slaan: nu drijven de zonen van Romulus in de aan twee zeeën gelegen Isthmus spot. Alwie streeft naar de buit van Den Bosch wordt door een blinde maalstroom meegesleurd. Al te verheven schreed ik met koninklijke hulptroepen voort. De door scepters ondersteunde macht, en de rijkdommen van de wee Titanen, van de Donau, de Taag en de Schelde, en Duitsland dat optrekt met gewapende kampen, hebben mijn moed prikkels gegeven. Nu stort alles op zijn op geset ineen; en ik wordt gedwongen zowel om vergiffenis als om mun leven te smeken, en mijn machtssymbolen te onderwerpen aan een gehaat land.
(847-849)
Heu, dedi jam Sylva potes, jam fracta fatiscis,
Hactenus inconcussa cadis. flos ille potentis
Occidis Europae, & victam te Marte fateris.
Wee, Den Bosch, u kunt al uitgeleverd worden; reeds raakt u, gebroken zijnde, uitgeput; u valt, hoewel tot nog toe ongeschokt. U, die bloem van het machtige Europa, valt, en u zult toegeven, dat u door de Maas bent overwonnen.
(850-855)
Attamen est aliquid, quod te non degener hostis
Occupat. illa tuis restant solatia fatis,
Si cadis, Auriaci dextrâ cadis. Inde reflexis
Ad victorem oculis, infit: Cape, maxime Princeps,
Imperii nova jura mei, atque extorta Philippo
Moenia Belgarum cunctis praepone triumphis.
Maar toch is het heel wat, dat een verre van ontaarde vijand u bezet. Die troost voor uw lot blijft u over: als u valt, valt u door de rechterhand an Oranje.’ Daarna sprak zij, met haar ogen gericht op de overwinnaar: ‘Neem, grootste Prins, de nieuwe aanspraken op mijn rijk, en verkies de muren die u aan Philips ontwrongen hebt boven alle overwinningen der Nederlanders.’
(856-857)
    His dictis siluere tubae, pugnaeque resedit
Impetus, & positis Mavors desaeviit armis.
Na deze woorden zwegen de krijgstrompetten, en de heftigheid van het gevecht kwam tot rust, en Mars hield op met razen en legde zijn wapenen eer.
(858-862)
Verticibus recidunt galeae, clypeique lacertis,
Hasta jacet, laxant laetae thoraca catenae,
Non ultra adversis cervicibus imminet ensis,
Saeva vel oppositos lacerat catapulta penates,
Castra vacant, veteresque abscedunt partibus irae.
De helmen vallen van de kruinen af, de schilden van de armen, de werpspies ligt terneer, verheugd laten de maliën de borstkas los, het zwaard bedreigt niet verder de halzen van tegenstanders, noch verscheurt de felle slingerblijde de aan de overzijde geplaatste huisgoden, het legerkamp is leeg, en de oude toorn trekt uit de partijen weg.
(863-868)
Iam quater aestivum Phoebe reparaverat orbem,
Radebantque cavas Titania lumina Lances:
Cum leges mansueta capit, Batavoque coactum
Subdit Sylva caput. fesso lux praevia Marti,
Laurigerosque ciens felix Aurora jugales,
Ingentem nobis consummavere laborem.
Reeds is Phoebe viermaal in de zomer vol geworden, en bestraalde het Titaanse licht de holle Weegschalen: als Den Bosch, getemd, wetten aanneemt, en voor de Nederlander zijn gedwongen hoofd buigt. Het licht dat aan de vermoeide Mars voorafgaat, en de gelukkige Dageraad die het lauwerdragende tweespan aanspoort, hebben voor ons een geweldige inspanning voltooid.
(869-872)
Panduntur portae, Dominisque Potentibus arces,
Nassovioque patent. miscet clementia dextras,
Et simulatus amor. torquet sua gaudia civis,
Dum dolet, & plausus contraria vota sequuntur.
De poorten zwaaien wijd open, de burcht is toegankelijk voor de Hoogmogende Heren en de Nassauer. Lankmoedigheid, en geveinsde sympathie doet de handen schudden. De burger dwingt zich tot vreugdebetoon, terwijl hij treurt, en het wensen van het tegendeel gaat gepaard met applaus.
(873-880)
Spectatrix venere cohors, & laeta juventus,
Tardigradique senes arvis ac moenibus adsunt
Undique. commendant etiam jam bella puellae,
Et graditur per tela Venus, studiisque fatetur
Disparibus sua bella geri. non littora quondam
Isthmia, non tantis fremuit concursibus Elis,
Cum celeres Hieronis equos, currusque stuperet
Graecia, victricesque rotas agnosceret Argos.
Er komt een leger van toeschouwers, en vrolijke jeugd, en traagschrijdende oude mannen zijn alom op de akkers en de muren. Thans bevelen ook meisjes oorlogen aan, en schrijdt Venus temidden van de wapenen, en zegt dat haar oorlogen gevoerd worden met andere inspanningen. Nooit hebben de kusten van de Isthmus, nooit heeft Elis met zulke toeloop gegonsd, toen Griekenland de snelle wagens van Hiero en zijn wagens had verbijsterd, en Argos de overwinnende wielen had erkend.
(881-886)
Omnibus idem ardor, longo qui tramite currunt,
Gramineos calcare foros, sinuataque vivo
Cespite metiri spatia. hic in milite vultus
Intrepidos, gressumque notat. probat ille superbae
Molis opus. vastos aliis mirantur hiatus
Murorum, nostrique juvant spectacula belli.
Allen, die langs het lange pad lopen hebben dezelfde geestdrift, de grassige pleinen te betreden, en in het levende gras de golvende vlakten te betreden. De een bekijkt de onverschrokken gezichten en de pas bij de soldaat. Een ander prijst het werk van een enorme afmeting. Anderen vergapen zich aan de diepe bressen in de muren, en scheppen behagen in het schouwspel van onze oorlog.
(887-888)
    O quam laetus adest, qui nunc illustrior exit
Gentibus, & victor populus quem consecrat annus.
O, hoe blij is het jaar aanwezig, dat nu zeer verheven voor de volkeren wordt, en dat het overwinnende wolk heilig verklaart.
(889-893)
Quamvis Auriacas semper comitata secures
Laurea bellatrix fuerit. totiesque triumphos,
Et domitas urbes clypeis inscripserit aestas;
Hic tamen antè omnes toti fulgentior orbi
Emicat. & victa praefert sua tempora Sylvâ.
Hoewel de laurier altijd de machtstekenen van Oranje vergezeld had, en de zomer zo veelvuldige triomfen en bedwongen steden op de schilden had gegraveerd, schittert deze toch stralender dan alle op de gehele aarde, en met het overwinnen van Den Bosch stijgt hij boven zijn tijd uit.
(894-897)
Ad facinus Mars ipse stupet, nec viribus ultrà
Invictum quicquam esse dolet. nunc pervia ferro
Sidera, nunc ipsos Superûm nutare penates,
Securumque nihil Belga pugnante fatetur.
Bij deze verrichting staat Mars zelf verstomd, en betreurt dat er verder niets is, dat voor deze krachten onoverwinnelijk is. Hij bekent, dat nu de sterren voor het zwaard toegankelijk zijn, dat nu zelfs de huisgoden van de Hemelingen wankelen, en dat niets veilig is, wanneer de Nederlander de strijd aanbindt.
(898-901)
Fortius haud unquam, nunquam violentius itum
In latus Hesperiae, simili nec clade ferocem
Fregimus Aurorae dominum. fortuna labori
Annuit, ingenio robur, fiducia coepto.
Nooit is er dapperder, nooit met meer geweld iets ondernomen tegen de flank van Hesperia, en nooit hebben wij met den dergelijke nederlaag de woeste heer van Aurora gebroken. De fortuin valt de inspanning bij, kracht het vernuft, zelfvertrouwen de onderneming.
(902-903)
Quàm Superis, Frederice, places tibi sidera format
Iuppiter, & totus facilem se accommodat aether.
Hoezeer, Frederik, staat u bij de Hemelingen in de gunst. Voor u ordent Jupiter de sterren, en voegt zich gewillig de hele bovenlucht.
(904-907)
Quàm populis, Henrice, places. aeraria cives
Pandimus unanimes. tibi, fortia nomina,
In lintres fregere nemus. tibi mille ruebant
Per fluvios plenae cuneis & frondibus alni.
Hoezeer, Hendrik, staat u bij de volkeren in de gunst. Wij burgers stellen eensgezind de schatkist open. Voor u, krachtige namen, hebben de Nederlanders het bos tot boten verzaagd. Voor u voeren duizenden boten vol stammen en takken over de rivieren.
(908-915)
Submersae sedere rates, per stagna, per undas
Ivimus impavidi. confudimus aequora terris,
Terrasque aequoribus. Tu, Ductor magne, secundis
Conficis auspiciis bellum, gladioque coërces
Luxuriem fati. patriis virtutibus addis
Plus audacem animum. Fratris successibus olim
Clarus eras, nunc ipse tuis, & sanguine parta
Crebra paludatos ambit tibi laurea fasces.
Vlotten voeren over het ondergelopen land, wij gingen onverschrokken ver de moerassen en de wateren. Wij hebben water met arde, aarde met water vermengd. U, grote Aanvoerder, brengt onder voorspoedige voortekenen de oorlog ten einde, en bedwingt met het zwaard de buitensporigheid van het lot. U voegt aan de deugden van uw vader een dapperder gemoed toe. U was voorheen beroemd door de successen van uw broer, nu bent u dat zelf door de uwe, en de veelvuldige laurier omgeeft, door bloed verworven, uw veldheerstekenen.
(916-915)
Quod gaudent Batavi, Batavis quod secula currant
Aurea, vicinum Vahalis quod nescit Iberum.
Dat de Nederlanders zich verheugen, dat gouden eeuwen voor de Nederlanders verstrijken, dat de Waal geen last heeft van de Ebro als buur, dat ons Nederland de Maas onbeoorlogd ziet, heeft ieder aan u te danken.
(918-921)
Nostra quod imbellem miretur Belgica Mosam,
Debet quisque tibi. dubiis formidine rebus,
Incoeptum damnare caves. constantia casum
Risit, & ancipitem sprevit prudentia lusum.
U hoedt zich er voor, met door vrees riskante zaken de onderneming e schaden. Uw standvastigheid heeft het toeval uitgelachen, en uw voorzichtigheid heeft het gevaarlijke spel versmaad.
(922-934)
Vincere num Bredam tanti est? ibi tempora longas
Traxerunt dilata hyemes: hîc vincere brumâ,
Vinci penè fuit. partas ibi cespite grandi
Impensa mutamus opes. non stagna, lacusque
Circumfusa nocent Liguri. non viribus ullis
Vicit, at imbelles jugulos ingloria fregit
Supplicio, non Marte, fames. Tu fossor in undis
Munimenta locas, immanique aggere fluctus,
Neptunumque domas. Tu totos abluis agros
Aeolus; & ventos, tempestatesque secundas
Ad tua jussa vocas. idem Tu miles in ensem
Insurgis; subigisque trucis Mavortia Sylvae
Robora, dum plenas indulgent horrea messes.
Is het dan zoveel waard, Breda te overwinnen? Daar hebben de tijden van uitstel lange winters voortgesleept; hier was overwinnen bijna door de winter te worden overwonnen. Daar veranderden wij met een grote kostbare graszode de verworven rijkdommen. Geen moerassen, noch meren rondom hem uitgegoten schaden de Genuees. Volstrekt niet door inspanning heeft de honger overwonnen, maar hij heeft met kwelling, niet met strijd, de niet voor de oorlog geschikte halzen overwonnen, de roemloze. U, graver, plaatst versterkingen in de golven, en bedwingt met een geweldige dijk de stromen en Neptunus. U spoelt als een Aeolus hele akkers weg; en u roept op uw bevel de winden en gunstige stormen af. Evenzo staat u, als soldaat, pal tegen het zwaard, en u onderwerpt de Martiale krachten van het grimmige Den Bosch, terwijl de korenschuren zich openstellen voor volle oogsten.
(935)
Certavere diu Superi, quis vinceret illam.
Lang hebben de Hemelingen erover gestreden, wie haar zou overwinnen.
(936-937)
Certavere Duces: donec decreta Deorum
Excipis, & coeli dirimis certamina victor.
De Aanvoerders hebben erover gestreden: totdat u de beslissingen van de Goden hebt verrnomen, en als overwinnaar de strijdpunten van de hemel hebt beslecht.
(938-941)
Saepius Alciden stupui, seu stringeret angues
Trux puer, aut saevi lassaret terga juvenci:
Sive Cleonaei discerperet ora leonis,
Subderet Anteaum 1ucta, Stymphalidas arcu.
Ik heb mij vaak verbaasd over de Alcide, of hij nu als grimmige knaap slangen wurgde, of de rug van een woeste jonge stier afmatte; of hij de muil van de Cleonische leeuw uiteenrukte, Antaeus overwon in een worsteling, of de Stymphalische vogels met zijn boog.
(942-949)
Plura tuae potuere manus. plus proderit orbi,
Brabantûm domitor. soli gravis Hydra paludi
Vixit, in Arcadiae partem vastator abibat
Saevus aper, crudi Thracas Diomedis imago
Terruit. hae multis nocuerunt sedibus arces,
Una nec hoe monstrum vallis, non una pavebat
Insula. per Batavos, vicinaque rura Sicambrûm
Ibat, & adversas lacerabat dente, Salinas.
Meer vermochten uw handen. Meer was hij de wereld tot nut, de bedwinger der Brabanders. De lastige Hydra heeft in één enkel moeras gewoond, en slechts in een deel van Arcadië waarde het woeste everzwijn plunderend rond, de schim van de wrede Diomedes terroriseerde alleen de Thraciërs. Deze burcht heeft vele nederzettingen geschaad, en menige wal vreesde dit monster, menig eiland was er bang voor. Het liep over het land van de Bataven, en de naburige landerijen van de Sicambriërs, en het verscheurde met zijn tanden de ertegenovergelegen landen van de Saliërs.
(950-951)
Mersit Scylla rates, sed & hoc. armata Chimaerae
Ignibus ira fuit; vomuére incendia Sylvae.
Scylla bracht de schepen tot zinken, maar dit deed dat ook. De toorn van de Chimaera was met vuren gewapend; Den Bosch braakte branden uit.
(952-954)
Bellerophon tu noster ades. tu densa rotantem
Brachia Geryonem. raptorisque atria Caci,
Latrantemque domas, victis custodibus, aulam.
U staat ons bij als Bellerophon. U bedwingt Geryon die zijn talrijke armen zwaait, en de hoven van de schaker Cacus, en het hof dat van blaffen vervuld is nadat de wachters overmeesterd zijn.
(955-959)
It gradibus fortuna suis. praeludia famae
Grolla dedit. dites vexerunt nomina gazae
Latiùs, admovit grandis Vesalia coelo,
Ultima pugnantem virtus permiscuit astris.
De fortuin schrijdt voort met haar eigen tred. Grol heeft het voorspel van de roem gegeven, rijke schatten hebben uw namen verder gevoerd, het grote Wezel heeft ze ten hemel gevoerd, deze laatste heldendaad heeft de strijder onder de sterren gemengd.
Macte novis, Princeps, titulis. En ardua pennis
(960)
Ipsa tuos circumvolitat Victoria currus.
Geluk met uw nieuwe titels, Vorst. Zie, de ongenaakbare Victoria vliegt zelf met haar vleugels om uw wagen.
(961-963)
Frena tenet Mavors, niveosque in praelia lentè
Ducit equos. circum galeas disponit, & enses,
Scutaque, sanguineasque levans Bellona machaeras.
Mars houdt de teugels, en voert de sneeuwwitte paarden langzaam en strijde. Bellona hangt rondom helmen, en zwaarden, en schilden, en bloedige sabels.
(964)
Dextrum Cura latus, laevum Prudentia claudit.
Zorg staat aan de rechterkant, wijsheid aan de linkerkant.
(965)
Stat Labor, attritosque gerit post terga ligones.
Arbeid staat daar, en draagt op haar rug verweerde houwelen.
(966-968)
At Timor, & validis Formido innexa catenis
Ponè subit, laceratque suos crudelius artus
Livor, & insanum furiis discerpit Iberum.
Maar Vrees, en met krachtige ketenen omwikkelde Schrik volgt achteraan, en op een nogal wrede manier verscheurt Nijd haar ledematen, en rukt de uitzinnige Ebro uiteen met haar razernij.
(969-974)
Una salutantum vox est. confundimus omnes
Vota renascentis patriae. clamoribus urbes,
Compita, rura sonant. studiis concordibus aulae,
Curia, templa favent. victo sic clarus ab Indo
Thyrsigeris rediit subvectus Lyncibus Evan,
Et debellato domitor Tirynthius orbe.
Eén is de stem van hen die u groeten. Wij vermengen allen onze heilwensen voor het vaderland dat wordt herboren. De steden, pleinen en het platteland weerklinken van toejuichingen. Het hof, het raadhuis, de tempels begunstigen u in eendrachtige ijver. Zo keerde de befaamde Evan terug uit het overwonnen Indië, getrokken door thyrsusdragende lynxen, en de Tirynthiër, bedwinger van de overwonnen wereld.
(975-977)
Sic Latium, sic Roma suis spectabilis olim
Occurrit Ducibus, tunc cum Capitolia Paulus
Scanderet, & vinctum spectarent rostra Iugurtham.
Zo liep Latium, zo het aanzienlijke Rome vroeger zijn Aanvoerders tegemoet, in de tijd dat Paulus het Capitool beklom, en het spreekgestoelte de overwonnen Iugurtha aanschouwde.
(978-982)
Adspicis, ut belli Proceres, & in aere micantes
Adsultent te circum equites? petulansque superbis
Passibus incedat sonipes? crebroque peractum
Hinnitu testetur opus? Tibi concrepat arma
Miles, & in lusus bellorum seria vertit.
Ziet u, hoe de Aanzienlijken van de oorlog, en de in brons schitterende ridders rondom u opspringen? En hoe uw onstuimige paard met trotse pas voortschrijdt? En onder veelvuldig gehinnik getuigt van de voltooiing van uw werk? Het voetvolk rammelt voor u met de wapenen, en doet ernstige krijgsaangelegenheden in spelen verkeren.
(983-987)
Ordine discurrit. vibrantur cominus hastae,
Nunc stat tota phalanx, geminis nunc scissa catervis
Obvia procedit. fugiunt, iterumque reflexo
Agmine restaurant pugnam. pars altera victrix
Militat Auriaco, pars hic mentitur Iberum.
Het loopt in gelid dooreen, man tegen man worden de spiezen gedrild, nu eens staat de slaglinie in haar geheel stil, dan weer trekt zij in twee scharen gesplitst ertegen voort. Zij vluchten, en opnieuw binden Zij de strijd aan, nadat de linie is omgeboven. en ander deel strijdt zegerijk voor Oranje, dit deel speelt de Spanjaard.
(988-990)
Est, ubi in excelsis, picturatisque columnis
Carmina suspendant vates: ubi picta Leonis
Adspectes Batavi clauso pomoeria septo.
Er is een plaats, waar de dichters aan hoge, beschilderde zuilen gedichten ophangen: waar men de tuin van de Hollandse Leeuw kan zien, oor een omheinigng omsloten.
(991-993)
Ille coruscantes adstricto fasce sagittas
Ungue tenet, Bredaeque novis admurmurat iris,
Et pavidam caudae perstringit verbere Lingam.
Deze houdt in zijn klauw blikkerende pijlen in een bundel gevat, en gromt met hernieuwde toorn tegen Breda, en grijpt met de zweep van zijn staart de bange Linge aan.
(994-996)
Floribus ornantur Satyri, Faunique bicornes
Exiliunt, nectit festas Galatea coronas,
Victoremque rudi sequitur modulamine Phyllis.
De Satyrs tooien zich met bloemen, de tweehoornige Faunen dansen, Galatea vlecht feestelijke kransen, en Phyllis volgt de overwinnaar onder ongeoefende maatzang.
(997-999)
Quae clypeos nuper calcatis sumserat agris,
Triptolemo ridente, Ceres, jam pristina rursus
Rura colit, gladiosque suis occultat aratris.
Ceres, die nog onlangs de schilden van de vertreden akkers had geraapt, waarbij Triptolemus lachte, bebouwt weer de oorspronkelijke landerijen, en verbergt met haar ploegen de zwaarden.
(1000-1007)
At procul aequoreis pugnans Neptunus in undis,
Acrior ad famam. transtris hostilibus instat,
Atque omnes Tritona jubet deferre per oras;
Ire per Hesperium pelagus, terroribus aulam,
Et Siculos implere Deos: narrare potenti
Borbonio, Tamesisque patri: mox longius actum
Ire per Ionios fluctus, ubi militat acer
Adria, & Ausonii librat discrimina belli.
Maar Neptunus, die ver weg in de golven van de zee strijdt, valt, feller op roem, aan op de vijandige schepen, en beveelt Triton het te berichten langs alle kusten; door de Spaanse zee te gaan, en met schrik het hof en de Sicilische Goden te vervullen: het te vertellen aan de machtige Bourbon, en aan de vader van de Theems: spoedig verder gevoerd te gaan over de Ionische golven, waar het felle Adria strijdt, en de gevaren van de Ausonische oorlog afweegt.
(1008-1010)
Ivit & Arctoum qui nuncia ferret in orbem,
Qui fractum erigeret Cimbrum, Sueonumque tiaras,
(1010)
Et laetis Gothicum recrearet vocibus ostrum.
Er ging ook iemand die in het land van de Noordpool berichten bracht, die de verpletterde Cimber oprichtte, en met blij stemgeluid de kronen van de Zweden, en het Gothische purper weer verheugde.
(1011-1018)
    Fortunate Ducum, magni, Frederice, parentis,
Gloria, cui titulos frater transcripsit, & enses
Indue Te patriae meritis, laurosque tiumphans
Continua. placidam Libertas aurea frontem
Explicet: Unanimes societ concordia terras,
Te monstrante viam: faciles dent rostra secures:
Sit foecunda domus: patrios exsurgat in ausus
Filius, & teneri cupiant è casside vultus
Adspectare tuae bellacia moenia Sylvae.
Fortuinlijke onder de Aanvoerders, Frederik, roem van een grote vader, op wie uw broer de titels overschreef, en de wapenen: omgeef u met de verdiensten van uw vaderland, en zet in uw triomf de lauweren voort. De gouden Vrijheid moge een bedaard gelaat aannemen: eendracht moge de eensgezinde landen verbinden, waarbij u de weg wijst; moge het politieke overleg een gewillig bestuur opleveren; moge uw huis vruchtbaar zijn; moge uw zoon opspringen bij de ondernemingen van zijn vader, en moge de tere gezichten van onder de helm begeren de oorlogszuchtige muren van uw Den Bosch te bekijken.

Continue