Frans Ryk (vrij naar het L’héritier ridicule van Paul Scarron): De belachchelyke
erfgenaam, of onbaatzuchtige juffer.
Amsterdam, 1710.
Uitgegeven door drs. J. Breunesse
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton077650 - Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[
p. 1]

DE

BELACHCHELYKE

ERFGENAAM,

OF

BAATZUCHTIGE

JUFFER;

BLYSPEL.

[Vignet: Perseveranter]

TE AMSTELDAM,

By de Erfgen. van J. LESCAILJE, op den Middel-
dam, op de hoek van de Vischmarkt. 1710.

Met Privilegie.



[p. 2: blanco]
[p. 3]

COPYE

VAN DE

PRIVILEGIE.

DE Staten van Holland ende Westvriesland doen te weten, alsoo ons vertoond is by de Regenten van het Burger Weeshuis ende Oude Mannenhuis der Stadt Amsterdam, en, in die qualiteyt, te samen ygenaars, mitsgaders Regenten van den Schouburg aldaar, dat zy Supplianten, sedert eenige Jaren hebbende gejouisseert van onsen Octroye of Privilegie van dato den 19. September 1684. waar by wy aan de Regenten van den selve Schouburg, indie tyd, hadden gelieven te consenteren, accorderen ende octroijeren, dat sy, gedurende den tyd van vyftien eerst achter een volgende Jaren, de Werken, die doenmaals ten dienste van het Toneel reeds gedrukt waren, ende, van tyd tot tyd, nog vorder in het ligt gebracht, ende ten Toneele gevoert soude werden, alleen soude mogen drukken, uytgeven en verkopen, nu ondervonden, dat de Jaren, by het voorgemelde onse Octroy of Privilegie genaemt, op den 19. September 1699. souden komen te expireren; ende dewyl de Supplianten ten meesten dienste van de Schouburg, waar van hunne respective Godshuyzen onder andere mede moesten werden gesubcenteert, de voorgemelde Werken, soo van Treurspellen, Blyspellen als Kluchten, als anders, die reets gedrukt en ten Toneele gevoert waeren, of in het toekomende gedrukt, en ten Toneele gevoert souden mogen werden, geerne alleen, gelyk voorheenen, souden blyven drucken, doen drucken uytgeven en verkopen, ten einde de selve Wercken door het nadrucken van anderen, haer luyster, soo in tael, als spelkonst, niet mogen komen te verliezen, dog dat sulcx aan haer, na de expiratie van het bovengemelde ons Octroy, en sulx nae den 19. September 1699. niet gepermitteerd soude wesen, soo vonden de Supplianten hun genootsaakt sig te keeren tot ons, onderdanig versoekende, dat wy aan de Supplianten, in hare bovengemelde qualiteyt, geliefden te verleenen prolongatie van het voorsz. Octroy of Privilegie, omme al- [p. 4] soo de voorsz. Werken, soo van Treuspellen Blyspellen, Kluchten, als andere, reets gemaakt en ten Toneele gevoert, en als nog in het ligt te brengen, den tyd van vyftien eerst achter een volgende Jaren, alleen te mogen drucken, en verkopen, of doen drucken en verkopen, met verbod aen allen andere op seeckere hoge penen, by U Ed. Groot Mog. daar toe te stellen, en voorts in communi forma; soo is ’t dat wy de sake ende het versoek voorsz. overgemerkt hebbende, ende genegen wesende, ter bede van de Supplianten, uyt onse rechte wetenschap: Souveraine magt en authoriteyt. Deselve Supplianten geconsenteert, geaccordeerd ende geoctroyeert hebben, consenteren, accorderen ende octroyeren, mits dezen, dat sy, by continuatie, de voorsz. Wercken, soo van Treurspellen, Blyspellen, Klugten als andere, reets gemaakt en ten Toneele gevoert, en als nog in het licht te brengen, den tyd van vyftien eerst achter een volgende Jaren, alleen binnen onsen landen, sullen mogen drucken, doen drucken, uytgeven en verkopen, verbiedende daerom allen en een ygelyk, de voorsz. werken, in ’t geheel ofte ten deele, naer te drucken, ofte, elders naergedrukt, binnen den selven onsen lande te brengen, uyt te geven ofte verkopen, op de verbeurte van alle de naergedruckte, ingebragte, ofte verkogte exemplaren, ende een boete van drie hondert guldens daar en boven, te verbeuren, te appliceren een darde part voor den Officier, die de calangie doen sal, een darde part voor den Armen der Plaatse daar ’t casus voorvallen sal, en het resterende darde part voor de Supplianten, alles in dien verstande, dat wy de Supplianten met desen onsen octroye alleen willende gratificeren tot verhoedinge van hare schade door het naedrucken van de voorsz. Wercken, daar door in genigen deele verstaen den inhoude van dien te authoriseren, ofte te advoueren, ende, veel min het selve onder onse protextie en de bescherminge eenig meerder credit, aensien, of reputatie te geven, nemaar de Supplianten in cas daar inne iets onbehoorlyks soude influeren, alle het selve tot haaren laste sullen gehouden wesen te verantwoorden, tot dien einde wel expresselyk begeerende, dat by aldien sy dese onse Octroje voor de voorsz. Wercken sullen willen stellen, daar van geen geabbrevieerde ofte gecontraheerde mentie sullen mogen maken nemaar gehouden sullen wesen het selve Octroy in ’t geheel, en sonder eenige Omisie, daar [p. 5] voor te drucken, ofte te doen drucken, ende dat sy gehouden sullen syn een exemplaar van alle de voorsz. Werken, gebonden en wel geconditioneert, te brengen in de Bibliotheecq van onse Universiteit tot Leyden, ende daar van behoorlyk te doen blyken, alles op pene van het effect van dezen* te verliesen. Ende ten eynde de Supplianten desen onsen Octroye ende consente mogen genieten als naar behooren, lasten wy allen ende een ygelyk die ’t aangaan mag, dat sy de Supplianten van den inhoude van desen doen, lasten ende gedogen, rustelyk, vredelyk ende volkomentlyk genieten ende gebruyken, cesserende alle belet ter contrarie gedaen. Gedaan in den Hage; onder onsen grote Zegele, hier onder aan doen hangen op den een en twintigste* May in ’t Jaar onses Heer en Zaligmakers, een duysent ses hondert negen en negentich.

A. HEINSIUS.
Ter ordonnantie van de Staten
SIMON VAN BEAUMONT.

    De Regenten van het Wees- en Oude Mannenhuis hebben, in haar voorsz. qualiteit, het recht van dese Privilegie, voor de BELACHCHELYKE ERFGENAAM, of BAATZUCHTIGE JUFFER, BLYSPEL, vergund aan de Erfgenaam van J. Lescailje.
In Amsteldam den 31ste October 1709.



[p. 6]

VERTOONERS.

 DON DIEGO, Spaans Edelman.
 ROKESPINO, Hofmeester van Don Diego.
KRISPYN,
KARMANJOLLE,
{ Knechts van Don Diego.
 DON JAN, Spaans Edelman.
Leonoor,
Helena,
{ Spaansche EdelJuffers.
 BEATERIS, Meid van Leonoor.
 LUBYNE, Meid van Helena.
 Musikanten.
 Een oude Buurvrouw van Helena, Zingende.

                Het Tooneel is te Madrid.
Het eerste Bedryf speeld in ’t huis van Don Diego,
Het Tweede in ’t huis van Helena,
Het Derde op straat voor ’t huis van Helena.
Continue
[
p. 7]

DE

BELACHCHELYKE

ERFGENAAM,

OF

BAATZUCHTIGE

JUFFER;

BLYSPEL.
_________________

EERSTE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

DON DIEGO, ROKESPINO.

ROKESPINO.
Hoor, Heer, als ik recht uit zal spreeken zonder vleijen:
Helena zoekt u slechs wat om den tuin te leijen:
Zy doelt alleen op geld; zo lang u dat ontbreekt,
Is ’t vruchteloos, dat gy met haar van trouwen spreekt.
DON DIEGO.
(5) Zy weet wel, dat ik van myn Oom veel goed zal erven.
ROKESPINO.
Dat’s waar; maar wanneer krygt uw Oom eens lust tot sterven?
Hy is een vyand van de Dokters, zo men zeid,
En houd meêr van een Kok, of braave keukemeid,
[p. 8]
Die hem, voor Kremor, of Rubarber, Zenebladen,
(10) Een schotel opdist, ’t zy gezoden, of gebraaden;
En schoon hy stierf in ’t kort, hebt gy uw erfgoed dan?
Een stormwind, een orkaan kan u daar weder van
Versteeken; en het geen het meeste staat te vreezen,
Hoe meenig Schip, dat in Sivilië moet weezen,
(15) Word niet t’Algiers, Salee, of Trypoly ontlaân:
Zo u dit overquam, hoe schoon zou u dat staan:
Ja ’k ben verzekert, hoe verliefd zy zich mag houwen,
Dat al haar liefde zou verandren en verkouwen.
DON DIEGO.
Zacht, Rokespino, ze is daar te edelmoedig toe.



TWEEDE TOONEEL.

DON DIEGO, ROKESPINO, KRISPYN.

KRISPYN, zingt.

1.
            (20) Wat virtuiten heeft het goud!
            ’t Maakt den allerblootste stout:
            Het geeft verstand aan zotten:
            Het warmste Meisje is koel en koud,
            Ziet zy ’t geld niet vlotten.

2.
            (25) ’k Wensch die lompe plompe Vent,
            Waar door ’t goud eerst wierd bekent,
            Dien sellementen rekel,
            Met zyn gat, of fondement
            Op een scherpen hekel.


DON DIEGO.
(30) Wat nieuws hebt gy, Krispyn? gy schynt heel bly te moê.
KRISPYN.
Wat nieuws, myn Heer? ik heb nieuws om te lachchen en om te schreijen;
Geluk en ongeluk: zeg maar, watje hebben wilt van beijen.
[p. 9]
DON DIEGO.
Kom, zeg my, wat het is.
KRISPYN.
                                        Ei lieve, raad eens , Heer.
DON DIEGO.
’k Zeg andermaal, spreek op, eer ’k u de rug wat smeer.
KRISPYN.
(35) ’k Verzoek dan, datje myn jaarlyks traktament wat wilt verhoogen.
DON DIEGO.
Dat zal wel gaan, spreek op.
KRISPYN.
                                            En dat ik zo lang zal spreeken mogen,
Als het my lust, zonder dat iemand my in myn reden stoort.
DON DIEGO.
Wie zou u stooren?
KRISPYN.
                                Die Flikfloijer, die op elk een woord
Steeds lacht en meesmuilt, en over al de wysneus zoekt te weezen.
DON DIEGO.
(40) Neen, vaar maar voort: gy hebt daar geensins voor te vreezen.*
KRISPYN.
Zacht, zacht, myn Heer, je hebt gezeid dat je ’t zoud raân,
Je hoortje woord te houden, gelyk een braaf Kastiljaan.
DON DIEGO.
Als ik het raâ, behoeft gy ’t my niet eens te zeggen.
Die rotting, Guit, zal ik u over de ooren leggen.
KRISPYN.
(45) Ik bid, myn Heer, dat je jou zo schielyk niet verstoort.
Je hebt gistren zulk een fraay Sermoen van de lydzaamheid gehoort,
Je word bleek van boosheid, men zou zeker voor je vreezen.
Wat baat het, datje zo veel zedeboeken van je leven hebt geleezen?
Luister, luister.
[p. 10]
DON DIEGO.
                        Weg, weg.
KRISPYN.
                                        Ei, leen my toch uwe ooren.
DON DIEGO.
(50) Vertrek uit myn gezigt: ’k zal ’t buiten u wel hooren.
KRISPYN.
Een oogenblik.
DON DIEGO.
                        Nu wil ik ook eerst wat bedingen op myn beurt.
KRISPYN.
Beding al watje wilt. Maar hoe duiker weetje, dat ik zo ben gehumeurt?
Als men my niet hooren wil, kan ik onmoogelyk zwygen:
En wil men my hooren, kan my niemand tot spreeken krygen.
(55) Als by ekzempel, toen men my daar effen niet hooren wou:
’k Was, puur, als een zwanger wyf, dat op dat oogenblik baaren zou:
Zoje noch een ommezien volhard had, met my niet te hooren spreeken,
Had my van angst en benauwtheid de moord moeten steeken.
DON DIEGO.
Wel, spreek dan maar, Krispyn.
KRISPYN.
                                                Hoe wilje nu, dat ik harangeer?
(60) Met een sierlyke prologe, en een deftige sluitreden, myn Heer?
Of wilje, dat ik kort en bondig zal vertellen?
DON DIEGO.
Kort en bondig.
KRISPYN.
                        Wel zeid Aristoteles; dat het geluk en ongeluk malkander verzellen.
DON DIEGO.
Wat ’s Aristoteles hier nodig? spreek maar kort.
[p. 11]
KRISPYN.
Wel, myn Heer, wyl ik zie, datje zo onpatientig word,
(65) Zal ik van styl verandren, en je alleen maar doen hooren,
Datje honderd duizend stukken van achten gewonnen hebt, en een Oometje verlooren.
DON DIEGO.
Hoe! is myn Oom dan dood?
KRISPYN.
                                                Voorzeker en gewis;
’k Loof, dat hy by na van de wurmpjes al opgepeuzelt is.
Gut, Heer! wat zullen de Juffers nu voorje buigen en nygen!
(70) ’k Wed, dat Helena je nu wel eens zo lief zal krygen.
Dat geld! dat geld! kan zo afgrysselyk veel doen!
Daar is, gelyk ik zeg, honderdduizend stukken van achten, aan klinkklaaren poen,
Met zo veel paerelen, diamanten en andre goude en zulvere vaten,
En dartig aapen en parkietjes, die jou Oom heeft nagelaaten.
(75) Och! ’t is, of me een mes door ’t hart snyd, als ik denk wat, een man het is geweest.
Daar zyn de brieven: ’k zal de rouw eens van ’t hart gaan spoelen, terwylje ze leest.
DON DIEGO.
’t Is wel, Krispyn, ga heen.
Krispyn, binnen en schielyk weer uitkomende.
                                        Sant jago! is dat schrikken.
Zo als ik daar na binnen ging, om een bekertje te slikken,
Ontmoete me een Juffer met een sluijer om ’t hoofd, en een Meid daar by:
(80) Zy verzoektje te spreeken, Heer, zy staat in de galdery.
DON DIEGO.
Zeg, dat zy binne koom’.
KRISPYN.
Kom maar binnen, Kuikeremuikjespeulster,
Don Diego zalje audientie vergonnen.



[p. 12]

DERDE TOONEEL.

LEONOOR, DON DIEGO, ROKESPINO,
BEATERIS, KRISPYN.

LEONOOR.
Myn Heer, zoude ik u wel alleenig spreeken konnen?
DON DIEGO.
O ja; maar ’k wenschte eerst wel te weeten, wie gy waard.
KRISPYN.
Ik geloof, dat dat postuur scheel is, of gebaard:
(85) Ze zou haar trony voor ons anders zo dicht niet verschuilen.
BEATERIS.
Je praat voorje beurt: verstaaje dat wel, Panlikker, Uil der Uilen?
LEONOOR.
Kom, laat ons gaan, eer ons noch grooter hoon ontmoet.
DON DIEGO.
Mevrouw, blyf...
LEONOOR.
                        Dat gy dan uw Knechts vertrekken doet.
KRISPYN.
Vaar wel, Kermistroonytje.
BEATERIS.
                                        Vaar wel, Zót der Zótten.
KRISPYN.
  (90) Vaar wel, Keuninginnetje.
BEATERIS.
                                                Vaar wel, Keuning van de Hóttentótten.



VIERDE TOONEEL.

DON DIEGO, LEONOOR, BEATERIS.

LEONOOR.
Myn Heer, ’k zal u niet lang ophouden; maar alleen
U zeggen, dat ik, door een Juffer, herwaards heen
Gezonden ben, om zelf uit uwen mond te hooren,
Of gy ook imand hebt tót uwen Bruid verkoren.
[p. 13]
(95) De liefde is oorzaak, dat zy zich dit onderwind:
Zy mint u; en is waard van u te zyn bemindt.
DON DIEGO.
Mevrouw, wie zyt gy? ’k bid, wil my zulks eerst ontdekken.
LEONOOR.
’k Zal u daar in voldoen, eer ’k ga van hier vertrekken.
Zeg my slechs, of gy mint.
DON DIEGO.
                                        ô Ja.
LEONOOR.
                                                En wie, myn Heer?
DON DIEGO.
(100) Helena.
LEONOOR.
                    D’alvares?
DON DIEGO.
                                    Ja.
LEONOOR.
                                        Mint zy u ook weêr?
DON DIEGO.
Voorzeker.
LEONOOR.
                Zyt gy in uw meening niet bedrogen?
DON DIEGO.
Niet, dat ik weet, Mevrouw.
LEONOOR.
                                            ’t Is tyd, dat ik uwe oogen
Verlicht: ’k heb uit haar mond het tegendeel gehoort:
Dat zy niet is door u, maar ’t goed uws Ooms bekoort.
(105) Had gy niet, na zyn dood, dat erfgoed te verwachten,
’k Weet zeker, zy zou u haar min niet waardig achten.
DON DIEGO.
Gy Vrouw, of Vryster, die my dit geluk benyd,
Die, na ’k bemerken kan, ook haar vrindin niet zyt,
Gy tracht haar vruchteloos by my verdacht te maaken;
(110) Des wilt die ydele waarschouwingen vry staaken;
[p. 14]
Zy mint my, ik geloof haar meer, als d’ydle praat
Van zulk een bullebak, die ’t daglicht schuwt en haat.
LEONOOR, zich ontdekkende.
Gy zult my niet, acht gy my waardig aan te schouwen,
Voor meerder bullebak, als uw Helena, houwen.
(115) Bezie my vry te deeg, en oordeel dan te recht,
Of ’k zo afschuwlyk ben, gelyk gy hebt gezegt.
DON DIEGO.
Ach! wie word niet verrukt, door die bekoorlyke oogen!
Wie vind zich door heur glans in min niet opgetogen!
Indien dit hart niet aan een ander was verplicht,
(120) Het liep gevaar, door dat aantrekkelyk gezigt.
Maar naar ik ’t denkbeeld van uw weezen heb onthouwen,
Heb ik wel d’eer gehad, van ’t meerder aan te schouwen:
Het is my elders noch ontmoet, zo ik niet mis.
LEONOOR.
’t Is veel, dat het noch leeft in een geheugenis,
(125) Dat door d’aanminnige Helena word bezeten:
Dat haare schoonheid geen geringer doet vergeeten.
O ja, ik ben ’t, die gy gered hebt op de straat,
Wanneer ik aangerand wierd door een onverlaat,
Die gy in veiligheid geleidde na haar wooning,
(130) En voor uw afscheid noch verzocht....
DON DIEGO.
                                                            ’k Bid, om verschooning:
’t Is waar, ’k heb om ’t geluk uws byzyns meêr verzocht;
Maar ’k heb my zelf verpynt; wyl ’t my onmooglyk docht
Te weezen, zulk een zon te aanschouwen, zonder vreezen....
LEONOOR.
Gy hebt u zelf hier in licht meester kunnen weezen:
(135) Het geen men niet bemind verliest men zonder smart:
De schoonheid van Heleen heeft al te veel uw hart
Gewapent, om gevaar te loopen voor de myne.
Maar, hoor, Don Diego, denk, dat ik hier niet verschyne
Om u door reden te misleiden, neen, o neen:
[p. 15]
(140) ’k Zeg andermaal, dat gy misleid word van Heleen:
Zy heeft my zelf gezegt, dat zy u slechs laat hoopen,
Tot dat zy ziet, hoe ’t met uw erffnis af zal loopen:
En dat de schat, die ge u daar van hebt toegeleid,
Alleen de grondslag is van haar genegentheid:
(145) Dit ’s ’t inzigt, waarom zy u dagelyks hoort spreeken:
Mislukt u dit, zal ze ook dit huwlyk laaten steeken.
Misschien mishaagt het u, dat ik u onderrecht:
Doch zulks geschied alleen, gelyk ik heb gezegt,
Om zekre Juffer, die u mint, en van verheven
(150) Geslacht is, slechs daar in voldoeninge te geeven.
Zy slaat op uw verdienste alleenig acht, myn Heer,
Niet op uw geld, noch goed; want zy heeft zelve meer,
Aan jaarlykze inkomst, dan de zeven zuizend kroonen.
’k Heb nu gedaan, ’k verzoek, myn stoutheid te verschoonen.
DON DIEGO.
(155) Ik bid, Mevrouw, dat gy my haare woonplaats zegt.
LEONOOR.
Gy word ter zyner tyd daar van wel onderrecht;
Des verg my ’t niet, myn Heer.
DON DIEGO.
                                                Mag ik, om zulks te hooren,
Wel komen aan uw huis?
LEONOOR.
                                        Helena mogt zich stooren:
Ten anderen is dit de moeite niet eens waard.



VYFDE TOONEEL.

DON DIEGO.

(160) Hoe, zou Helena zo bedrieglyk zyn van aard!
Tracht die trouwlooze my dus om den tuin te leijen!
Lakei*, of Rokespyn, kom herwaarts, een van beijen.*



[p. 16]

ZESDE TOONEEL.

DON DIEGO, ROKESPINO, KRISPYN.

DON DIEGO.
Wat vreemder voorval! wie heeft zulks ooit meer beleeft!
’k Wed, geen van beide raad, wat my die Juffer heeft
(165) Gezegt, of om wat reên zy by my is gekomen.
KRISPYN.
Misschien zoekt ze een Byslaap, om alleen niet van de Nachtmerry te droomen.
DON DIEGO.
Zy zegt, dat my Heleen slechs ophoud en verraad;
Ik my, door schyn van min, door haar, misleiden laat,
Dat zy, zo ’k van myn Oom, geen erfgoed had te wachten,
(170) My haare wedermin geensins zou waardig achten.
ROKESPINO.
Dat komt ’er al op uit op ’t geen ik heb gezeid.
DON DIEGO.
Het is die Juffer, die ’k eens heb na huis geleid,
Toen haar een onverlaat op straat kwam aan te randen.
ROKESPINO.
Die was, myns oordeels, schoon.
KRISPYN.
                                                Blank, poezel, wit van tanden,
(175) Daar by, piep jong, myn Heer, ik zouje zeker raân,
Datje dat partytje aan de hand hielt en Helena liet gaan.
ROKESPINO.
Zy is van goeden huize en wel voorzien van schyven.
KRISPYN.
’t Zou jammer zyn zo die Schoone ongetrouwt moest blyven.
DON DIEGO.
Wat meer is, zy heeft my verzekert te gelyk,
(180) Dat ik bemind word van een Juffer, schoon, en ryk.
En naar ’k aan haar gelaat, omstandigheid en rede
Bemerken kan, zo meent zy daar zich zelve mede.
KRISPYN.
’k Zeg andermaal, neemze; ze is jong, ryk en schoon.
[p. 17]
Helena zouje om je geld trouwen, en zy omje persoon.
(185) Die mooije Juffer heeft gelyk: dat Varken zoektje* maar wat op te houwen.
Had u dat erffnis mislukt, zouze met Don Jan hebben gaan trouwen;
Want die beeld zich in, dat hy ’er ook van word bemindt.
DON DIEGO.
Wat zal ik zeggen!
KRISPYN.
                            Je kunt dat niet zien, de liefde maakt u blind:
Maar ik verzekerje ’er van, je huwlyk had achtergebleven:
(190) Zo je ’er aan twyffelt, zal ik je ’er aanstonds een proef van geeven.
DON DIEGO.
Op wat manier, Krispyn?
KRISPYN.
                                        Op wat manier? zucht, schrei en steen,
Houje heel mismoedig, zo zalze je vraagen na de reên:
Zeg dan (maar je moet heel bedroeft en flauwhartig spreeken)
Dat je Oom dood is, en jy van ’t erffnis bent versteeken,
(195) Dat myn Moeder, zyn Zuster zynde, doch in Galicia getrouwt,
Hem veel leugens op de mouw had gespelt: onder allen, dat gy het goud,
Ja zelf zyn portret, versiert met fyne diamanten,
Met Hoeren, Panlikkers en andere lichte Kwanten
In een maand had door de billen gelapt, het welk hem zodanig heeft geraakt,
(200) Dat hy my, na zyn dood, in plaats van u, volkomen Erfgenaam heeft gemaakt:
Dat ik, met al dat goed, reeds in Madrid ben gekomen,
Dat ik, op ’t gerucht van haar schoonheid, heb voorgenomen
[p. 18]
Haar te komen bezoeken, zo my die eer mag geschiên.*
DON DIEGO.
Maar als ze u kent, Krispyn?
KRISPYN.
                                            Zy heeft my nooit gezien,
(205) Als in de Uilenvlucht, dat’s te zeggen, tusschen licht en donker,
Ten andren zal ik daar wel zórg voor draagen, verstaje, Jonker?
Ik zal my zo wel toetakelen, datje my zelf niet kennen zult,
Met één been, één arm, één oog, voor en achter gebult.
Maar om onze aanslag wat meer schyn van waarheid te geven,*
(210) Moetje voor af zeggen, dat ik veel wondren in de Indiaansche oorlogen heb bedreeven;
Dat ik daar, als Kapitein, myn gezondheid ben kwyt geraakt.
Verstaje, myn Heer?
DON DIEGO.
                                Ja, ik versta u wel; maar als gy zo mismaakt
Voor haar gezigt verschynt, zult gy te haatlyk weezen.
KRISPYN.
Geensins, onaangezien myn afschuwlyk postuur: zal ik haar echter wel beleezen:
(215) Speciaal, als ik wat opsny van rykdom en kostelyke schat,
Daar by ben ik, gelyk gy weet, niet boers noch plat
Van taal, of spraak, gelyk veel andere lakeijen:
Ik ken Latyn en versta me op streelen, kussen, vleijen,
Op minnendeunen te maaken, en andren fraaije dingen meer.
(220) In ’t kort, alles zal wel gaan, daar sta ik je borg voor, myn Heer.
[p. 19]
DON DIEGO.
Krispyn, gy weet het my zo smaak’lyk voor te draagen,*
Dat ik het met u uit nieuwsgierigheid zal waagen.
KRISPYN.
Terwyl ’t yzer heet is, moet men ’t smeeden; anders kan ’t niet geschiên.
Ik zalje een Belachchelyke Erfgenaam vertoonen, die een dukaat waardig is, om te zien.

Einde van het Eerste Bedryf.
Continue
[
p. 20]

TWEEDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

HELENA, DON DIEGO.

HELENA.
(225) ’k Zeg andermaal, ik zie het klaarelyk aan uwe oogen,
Dat heimelyk uw hart door droefheid word bewoogen.
DON DIEGO.
Wie kan bedroeft zyn in uw tegenwoordigheid?
HELENA.
’k Weet zekerlyk dat u iets op het harte leid.
Spreek, is de Vloot vergaan?
DON DIEGO.
                                            O neen! die is behouwen.
(230) Doch, wyl ’t u zelfs ook raakt, zal ik ’t u ook vertrouwen,
Te zeggen: ach! Mevrouw, myn Oom is dood.
HELENA.
                                                                        Hoe! dood?
DON DIEGO.
’k Heb daar een tyding van bekomen met de Vloot.
Daar is de brief, Mevrouw; gy kunt hem zelve leezen.
En oordeel, of ik niet met recht bedroeft mag weezen.
HELENA, leest.
Myn Heer,
    Uw Oom Don Pelagio heeft het testament, dat hy tot uwen voordeele gemaakt had, gebrooken, en uw Neef Don Pedro de Buffalos tot volkomen Erffgenaam in uwen plaats gestelt; U alleen begunstigende met een Jaarelyksche inkomen van drie honderd Dukaaten, geduurende uw leeven. ’K heb alles tot uw voordeel aangewend wat ik konde; maar op het hart van den Overledene niets kunnen verwinnen; dewyl men u daar by zeer haatelyk heeft afgeschildert. Ik blyve,
        Myn Heer,                                    Uw Onderdanigste Dienaar.
                                                                    GEORGI RENALDI.
[p. 21]
HELENA.
(235) Gy hebt wel groote reên, dat gy u toont misnoegt.
Maar denk, myn Heer, dat het een edle ziel niet voegt,
Dat hy zich t’eenemaal aan zyn mistroostigheden
Ten prooy geeft: hy moet die verwinnen, door de reden:
En denken, dat het is een slag van ’t slinks geval,
(240) Dat vaak d’onwaardigsten het meest verheffen zal.
DON DIEGO.
Zo lang ik d’eer heb van Helena te behaagen,
Kan geen mistroostigheid my in het minste plaagen:
Ja d’allergrootste ramp verstrekt my tot geen pyn,
Als ik ’t geluk heb, van uw Bruidegom te zyn.
(245) Wil dan de tyd, noch myn geduld niet langer rekken;
Maar uw beloften op het spoedigste voltrekken.
Ik bid, dat gy dit hart, dat onder uw gebied
Zo lang gestaan heeft...
HELENA.
                                      Zacht, myn Heer, zo haastig niet.
Is dat beminnen, als men Meester poogt te weezen
(250) Van ’t voorwerp zyner min? ik min u als voordezen;
Maar dat’s, als Minnaar, niet als myn Bedgenoot;
Ten anderen, myn Heer, de staat, die ’k hou is groot;
Ik zou onmoogelyk die kunnen onderhouwen,
Zo ’k met een Bruidegom, die geldloos was, ging trouwen.
DON DIEGO.
(255) Zo hebt gy my zo lang met yd’le hoop gevleit?
HELENA.
Beklaagt gy u, dat gy myn tegenwoordigheid
Zo lang genoten hebt, zo kunt ge u die ontrekken.
DON DIEGO.
Ik kan den grond van uw baatzoekend hart ontdekken,
’k Wou ’t niet geloven, hoe ik ook wierd onderrecht;
(260) Dat gy niet had uw zin op my, maar ’t geld, gelegt,
Maar nu zie ik het klaar.
[p. 22]
HELENA.
                                    Te trouwen om zyn voordeel
Acht ik een teken van verstand te zyn en oordeel.
DON DIEGO.
Gy hebt verstand, maar noch meer gierigheid, naar ’k gis.
Myn Neef Don Pedro, hoe afschuwlyk hy ook is,
(265) Zal, met zyn geld en goed, u ’t best behaagen konnen.
HELENA.
’k Wierd door dat inzigt, ik beken ’t, heel licht verwonnen.
DON DIEGO.
Hy zal hier aanstonds zyn, om u zyn dienst te biên,
Hy is nieuwsgierig om uw schoonheid eens te zien.
HELENA.
Dat hy vry koom’.
DON DIEGO.
                            Maar vreest gy niet berucht te raaken?
HELENA.
(270) Ik vrees een Kalis tot myn Bruidegom te maaken.
DON DIEGO.
Ik zal gewrooken zyn van uw lichtvaardigheên,
Zo’k u in de echt met zulk een Zottebol zie treên.
HELENA.
Het is veel beter zot, als arm of kaal te weezen.
DON DIEGO.
’k Hoop, dat ge in ’t kort zult van die geldkoorts zyn genezen.



TWEEDE TOONEEL.

HELENA, DON DIEGO, LUBYNE.

LUBYNE.
(275) Mevrouw, daar is een zekere Don, die d’eer verzoekt van je te meugen zien.
HELENA.
Wie is ’t?
[p. 23]
LUBYNE.
                Ik ken hem niet; maar na ’k zie, heeft hy maar een bien,
En daar by een pleister op het oog.
DON DIEGO.
                                                    Het is, naar ik kan hooren,
Myn Neef: hy heeft dat been in d’oorelog verlooren.
HELENA.
Ga heen, en zeg, dat hy vry binnen koom’, Lubyn.
DON DIEGO.
(280) ’k Ga, om geen hinderpaal van uw geluk te zyn.



DERDE TOONEEL.

KRISPYN verkleed onder de naam van DON PEDRO, HELENA, KARMANJOLLE, LUBYNE.

KRISPYN.
De droes! waar word ik gebragt? men zou schier verdwaalen.
Ik moet bekennen, dit huis heeft geen kleintje vensters en zaalen;
‘t Lykt het Paleis van Atabaliba, dien grooten Indiaan.
Zyt gy het, schoone Helena? vergeef toch myn stout bestaan,
(285) Dat ik zo reukeloos den glans durf naderen van uw oogen.
Och! het is met my gedaan: myn Neef heeft my bedrogen;
Dewyl ik u eens zo schoon vind, als hy my heeft gezeit.
Ik verzoek pardon, Mevrouw, voor die vermetelheid.
HELENA.
Myn Heer, gy hebt in ’t minst niet tegens my misdreeven;
(290) Des is ’t niet nodig u daar voor pardon te geeven.
KRISPYN.
Welk een heusheid! ik beken ’t, ik hadt dit nooit van u gedacht.
[p. 24]
Wie had van zulk een schoon Vrouwenbeeld zulk een beleefdheid verwacht?
De Meisjes te Mexico vallen veel spytiger als men ze wil spreeken:
Ze slachten de Katten, hoe men ze meer streelt, hoe ze de start hooger steeken.
(295) Kouzyn! Kouzyn! ik beken, je geluk is onwaardeerlyk groot,
Dat je zulk een volmaakt Schepsel zult krygen tot uw Bedgenoot;
Voor my, ’k zouje gaeren ’t heele erffnis van myn Oom zaliger willen geeven,
Zo ik in uw plaats met deze schoone Helena mogt leeven.
HELENA.
Don Diego zal van ’t deel, het welk hy aan my heeft,
(300) Wel afstand doen, zo gy hem uwe schatten geeft.
KRISPYN.
Zou hy u afslaan? ô! dat kan niet moogelyk weezen.
Indien ik dat wil, ik zocht ’er hem aanstonds toe te beleezen.
HELENA.
Het is niet nodig, dat gy daar toe zoekt zyn stem:
’k Ben alzo veel aan u verbonden, als aan hem.
KRISPYN.
(305) Dat is een gezegend woord! uit zulk een vriendelyk mondtje!
Zo zou ik noch hoopen meugen, myn alderliefste Hondtje?
Och! och! vergeef het my dat ikje zo noem, allerschoonste Heleen.
In Amerika is dat woord van Hondtje, onder de Vryers en Vrysters, heel gemeen;
Dewyl het een zekere soort van vrindlykheid in de liefde betekent:
(310) Daar by word dat woord van Hondtje zo wel femenyn als maskulyn gerekent.
Och! wend toch die oogjes, die stookebrandtjes van my af.
Die ’er zo meenig doen daalen in ’t graf;
[p. 25]
Of is het tot myn straf, myn Uitgeleezen,
Zo wensch ik zo blind, als een Mol, te weezen.
(315) O ’k heb niet te vreezen, na ’k aan u vermoê
Gy lachte my anders zo wit niet toe.
Gut! wat hebje een aardige manier in het lachchen:
Hie, hie, hie, puur als d’aapjes alsze om een bamboesje prachchen.
Die gelykenis komtje misschien wat vremd te vooren, myn Engelin;
(320) Maar in het lachchen van een aapje steekt al veel zoetigheid in.
Doch zo ’t hier de manier niet is op dat fatsoen te redeneeren
Zo spreek maar, myn Schoone, ik zal volgen jou begeeren;
En aanstonds van styl verandren, indienje ’t maar zo verstaat:
Want daar is niet in de waereld, daar ik my ter liefde van u niet toe vervoeren laat,
(325) Al was het tot geesselen, brandmerken; ja, wat meer is, hangen.
HELENA.
’k Begeer geen proef van die gehoorzaamheid te ontfangen.
KRISPYN.
Al heb ik zulk een Platonisch troony, ’k ben echter heel vrolyk van geest,
Daar by zyn de Buffalossen altyd vermaard in de menschenbouwery geweest.
Ik ben van een geslacht dat heel generatif van natuur is.
(330) Dat woordtje generatief betekend voorteelende, of iets dat vol vuur is.
In ’t kort, daar schort niets aan, als datwe, door Hymen, maar worden gekoppuleert.
En hebje daar lust toe, zo spreek: ’k zal de Voorwaarde maaken, zoje ze begeert.
HELENA.
’t Waar’ best, myn Heer, dat we eerst wat beter kennis maakte.
KRISPYN.
Karmanjolle.
[p. 26]
KARMANJOLLE.
                Myn Heer.
KRISPYN.
                                Vertel eens, hoe de keunings dochter op my in liefde blaakte,
(335) Maar dat komt niet te pas. Verhaal liever hoe Don Diego dien armen bloed,
Van honger niet zal kunnen kakken, zo men hem geen onderstand doet:
Dat hem myn Oom Don Pelagio niet meer heeft nagelaaten,
Als een Jaarlykse intrest van dry honderd Dukaaten:
Dat hy daar met zyn Moeder en Zuster moet van bestaan:
(340) Dat het erffnis afgryslyk buiten zyn gissing is gegaan:
Dewyl hy zich inbeeldde al dat kostelyk goed te erven,
’t Geen hem ook gelukt zou hebben: maar dat myn Oom kort voor zyn sterven
De lucht in de neus kreeg van zyn Venusjankery;
Dat hy toen zyn testament veranderde en al zyn goed maakte op my
(345) Het welk ik schat te weezen, op driemaal honderd duizend Dukaaten.
KARMANJOLLE.
Behalven de Meubelen die hy daar en boven heeft nagelaaten.
HELENA.
Dat is een groote som.
KRISPYN.
                                  ’t Is waar, ze is taamlyk groot.
Maar ik schenkje de helft tot een duary, zoje me aanneemt tot uw bedgenoot.
HELENA.
De aanbieding die gy doet, myn Heer, is edelmoedig.
KRISPYN.
(350) Wel nu, wat zegje dan?
HELENA.
                                              My dunkt, dit komt wat spoedig.
[p. 27]
Het voegt geen Juffer, zulks ten eersten toe te staan.
Doch ik acht ook ’t geluk te groot, om ’t af te slaan.
KRISPYN.
Ha, ha, ik verstaje. Ook heb ik noch een proces hier aan de spyker hangen,
Daar ik, sirkum sirkum, noch veertig duizend ryksdaalders van zal ontfangen;
(355) Dewyl het alzo klaar is, gelyk den dag, die je ziet.
Luister, luister, ik zalje doen hooren of ik gelyk heb, of niet.
Myn Grootvader, die de eer en roem van al de Buffalossen geweest is,
Verkocht aan Don d’Avalos, wiens Broers zoon noch een groot Beest is;
Dewyl hy tegen zulk een rechtvaardigen zaak zich kant.
(360) Hy verkocht dan, gelyk ik zeg, aan hem een zeker stuk land,
Waar op hy veertig duizend Dukaaten, per resto schuldig is gebleeven.
Kort daar op sterft hy: toen verviel de schuld op een van zyn neeven:
Dewyl hy die volkomen erfgenaam van zyn goed had gemaakt;
Deze Neef, getrouwt zynde, aan een Juffer, schoon en welbespraakt,
(365) Heeft by den Rechter zo veel te weeg gebragt, door haar Elokwensy,*
Dat hy een arrest heeft geobtineert tegens de uitgesproken sentensy:
Dit dan tegen d’uitgesproken sentensy zynde geobtineert,
Heb ik my, wyl de zaak heel kwalyk was gealegeert,
By Guavera gevoegt, het welk een deur gestudeert Advocaat is;
(370) Hy zeit; het is een affairen die suptiel en delikaat is;
Maar ik heb vrinden, die me’er wel deur zullen helpen, naar ’k gis.
Wat zegje nu, schoone Helene? dunkje niet, dat myn zaak rechtvaardig is?
[p. 28]
HELENA.
Voor my, ’k versta het niet.
KRISPYN.
                                          Dat wil ik wel gelooven.
’k Moet bekennen, dat het myn verstand meê gaat te boven.
(375) Maar myn Stollesteur zal u wel onderrechten daar van.
Karmanjolle.
KARMANJOLLE.
                    Myn Heer.
KRISPYN.
                                  Waar is myn inventaris?
KARMANJOLLE.
                                                                ’k Zal zien, of ik ze vinden kan.
Daar isse, myn Heer.
KRISPYN.
                              Kyk eens, hoe veel Parkietjes dat ik heb.
KARMANJOLLE.
                                                                                            Laat kyken.
Net dartig.
KRISPYN.
                Hoe veel Aapen en Meerkatten?
KARMANJOLLE.
                                                                    Van gelyken.
Ook dartig.
KRISPYN.
                    Hoe veel staaven Japans goud.
KARMANJOLLE.
                                                                      Laat zien.
(380) Ik zal ze eens tellen: een, twee, drie, vier, vyf, zes, zeven, acht, negen, tien,
Elk een staaf goud op twe Arobe spaans gewigt gerekent.
KRISPYN.
Staat die groote Karbonkel stien daar niet meê in aangetekent?
KARMANJOLLE.
Voorzeker, gut! dat is een kostelyke steen!
[p. 29]
HELENA.
Hoe veel schat gy die waard?
KRISPYN.
                                                Zy kost my ’t linker been.
HELENA.
(385) Uw linker been, myn Heer?
KRISPYN.
                                            O ja, ’k heb het in de zelve slag verlooren,
Toen ikze de Zoons Zoon van Piremagogje afsabelde van d’ooren.
HELENA.
Zo komt ze u duur te staan.
KRISPYN.
                                            Bagatel! ik heb’er nooit om getreurt,
Fruktus belli: dat valt de beste kinderen van Mars het meeste te beurt.
Op die manier heb ik myn arm verlooren, en een van myn oogen.
(390) Fruktus belli: dat zyn de rechte vruchten van het oorelogen.
’k Zie noch zo wel, als de beste, daar by ben ik alzo rad.
’k Neem aan zulk een fraaije Serbande te dansen, als de grootste Dansmeester in de Stad.
’k Maak passen, koepees, kruis-kapriolen, en andre raare sprongen,
Als of ik bei myn beenen had, los, luchtig, onbedwongen,
(395) Ik scherm, ik rei te paert, wat meer is, ik foltizeer,
’k Speul kunstig met de piek, en doe andre fraije dingen meer.
Onder alle versta ik me grondig op de kunst van de ring te steeken.
De Juffers te Mexico weeten daar heel loffelyk van te spreken.
HELENA.
’k Beken, ’t is veel, myn Heer.
KRISPYN.
                                                Je kent me noch niet recht.
[p. 30]
(400) ’k Ben een Adonis in de liefde, en een Mars in ’t gevecht:
Beminnelyk voor de Vrouwen, onzaglyk voor de Mannen:
Dat getuigen de Dariers, Mexikaanen en Cassiannen.
Daar is onder haar niet één Prinses, of zy is op my verliefd geweest,
Noch ook niet een Prins, of hy heeft voor myn Sabel gevreest.
(405) Myn Schildknaap Karmanjolle zouje daar heele historien van vertellen.
HELENA.
Men moet uw byzyn dan al heel gevaarlyk stellen.
KRISPYN.
Karmanjolle.
KARMANJOLLE.
                      Myn Heer.
KRISPYN.
                                      Heugt u van dat groote tornooyspel niet?
Hoe ik daar den besten Adel van den grooten, uit den zadel stiet,
En hoe teder my die twe Ryksprinsessen toen beminden?
KARMANJOLLE.
(410) Zou my dat niet heugen, gy voerde toen de naam van de Ridder van de vier Winden.
De Prinsessen sturven alle bei, om datje jou hielt zo stuurs en straf.
Ik was die tyd in Egipten, daar kreegen wy’er de tyding af.
’t Was op die zelve tyd toenje Grankairo haast had overrompelt,
Toenje die tien Reuzen versloegt, die op je last in de Nyl wierden gedompelt:
(415) Dewylze dat heele land verwoest hadden door vuur en staal.
KRISPYN.
Die Karmanjolle! hoe net heeft hy het onthouwen altemaal.
[p. 31]
HELENA.
Zo hebt gy u, myn Heer, al loffelyk gekweeten.
KRISPYN.
Ik moet bekennen, Mevrouw, het was my waarlyk al vergeeten.
Hy noemt de tyd en plaats, of het gisteren eerst was geschied.
HELENA.
(420) ’t Geen zo aanmerkelyk is, myn Heer, vergeet men niet.
KRISPYN.
Dat ’s waar: maar ik heb zo veel diergelyke zaaken bedreeven,
Dat ik, als in die gewoonte zynde, daar daar na geen acht op heb gegeeven.
Maar zacht, daar schiet my iets in, de klok is omtrent half vier:
Ik moet twintig duizend Dukaaten ontfangen van een zekre Bankier.
(425) Vaar wel, Kostlykheid, ik ga, laat u myn afzyn niet verdrieten:
Binnen ’t half uur zulje myn tegenwoordigheid weerom genieten.



VIERDE TOONEEL.

HELENA, LUBYNE.

LUBYNE.
HOe, Mevrouw, ik denk immers niet, datje zulk een mismaakten Zottebol trouwen zult
Met één oog, één arm, één been, Voor en achter gebult.
Ik ben noch maar een Dienstboô: maar ik zou by zulk een Hangebast niet meugen slaapen.
(430) ’K nam Don Diego liever naakt, als hem met al zyn Parkietjes en Aapen.*
HELENA.
Men doet al veel, Lubyne, om zo veel geld en goed.
Denk, dat de soberheid de liefde kwynen doet.
[p. 32]
LUBYNE.
Ja wel, wat zel ik zeggen, ik dacht, datje heel anders zoud praaten.
Voor my, ik zou het lekker eeten voor het lekker byslaapen wel willen laaten.
(435) Myn Moeder zaliger plegt wel te zeggen, tegen myn oudste zuster Marjalijn;
Hoor, Kind, kies ouwe Vis en jong Vlees, zoje niet bedroogen wilt zijn.
Die goede oude vrouw had ook gelyk; ik zou het daar ook meê houwen;
Want daar is niets haatelyker als d’ongelykheid in ’t trouwen.
HELENA.
Wilt gy wel zwygen?
LUBYNE.
                                Jy trouwen met zulk een mismaakten gek!
(440) Ik moet spreeken: wie weet of hy daar by niet heeft noch een heimelyk gebrek.
Zulk een Hottentot! ’k hoop, je zult noch wel andre zinnen krygen.*
HELENA.
Ik zeg u, nochmaals, zwyg.
LUBYNE.
                                        Fiat, ik zel dan zwygen.
Maar een woordje moet ik noch zeggen, dan zel ik zwygen, zo lang je ’t my gebied.
HELENA.
Wat is dat dan?
LUBYNE.
                        Wat stonk hy afgryslyk na knooflook! rookje dat niet?
(445) De kamer is vol stank, ruik eens, ’t is nu noch al wat vervloogen.
HELENA.
Hoe haatlyk gy hem ook afschildert voor myn oogen,
Hy ’s my noch waarder, als Don Diego, zonder goed.
Hy weet niet, hoe men hier te lande leven moet.
[p. 33]
Die boersheid, meen ik, zal wel in het kort verkeeren,
(450) Ik zal hem d’omgang in een week vyf zes wel leeren.
LUBYNE.
Ja leeren! je zelt hem wel leeren, naar ik gis,
Dat het Wapen van Boksbergen een groot ramshoofd is.
HELENA.
Vertrek uit myn gezigt, of ’k zal u voeten maaken.
Die stoute Pry! ze is onverzet’lyk in haar kaaken.



VYFDE TOONEEL.

HELENA, DON JAN.

DON JAN.
(455) Mevrouw, vergeef ’t my, zo ’k u door myn komst misdoe:
Schryf dit het ongeduld van myne liefde toe.
Dit hart, gepynigt, door het hoopen en verlangen,
Wenscht eindlyk uit uw mond ’t gezegend woord te ontfangen,
Daar ik zo lang u om gesmeekt heb en gebeên.
(460) Ik heb, gelyk gy weet, dry Jaaren achter een,
De schoone glans gevolgt van uwe aanminnige oogen.
Gy hebt me ook toegestaan, dat ik zou hoopen moogen.
Stel my dan niet meer uit. Daar is geen meer verdriet,
Als dat men hoopen mag, en nimmermeer geniet.
HELENA.
(465) ’t Is waar, Don Jan, ’k beken, ik heb u hoop gegeven:
Maar ’t Sekretaris ampt, waar toe dat gy verheven
Zoud werden, door uw Oom, naar ’k merk, loopt heel te niet.
Dat was de grondslag daar ik u op hoopen liet.
DON JAN.
Myn Oom, de Raadsheer, heeft zich vast daar voor verbonden.



[p. 34]

ZESDE TOONEEL.

DON JAN, HELENA, KRISPYN onder de naam van Don Pedro, KARMANJOLLE.

KRISPYN.
(470) Dat ’s een verlooren reis: ik heb die hondsfot van een Bankier niet thuis gevonden;
Dat hebje veel van dat volkje; ze speulen met een andermans splint.
                                                                Tegen Don Jan.
Wat benje voor een kaerel? komje als minnaar hier, of als vrind?
DON JAN.
’k Heb u, myns oordeels, daar geen reekning van te geeven.
KARMANJOLLE.
Och! Heer, bejegen hem zo bars niet: je speult waarachtig met je leven.
KRISPYN.
(475) Welk een vermetelheid! weetje wel tegens wie datje spreekt?
DON JAN.
Vindge u gehoont, ik mag wel lyden, dat ge u wreekt.
KARMANJOLLE.
Och! myn Heer, hy zal het zeker doen; want hy maakt daar gansch geen werk óf.
KRISPYN.
Pakje van hier, of ik stuurje aanstonds op het Kerkhóf.
Karmanjolle, houme vast.
DON JAN.
                                Ga vry uw gang, men sterft van ’t dreigen niet zo licht.
KRISPYN.
(480) Kies wat dood je sterven wilt, of vlugt uit myn gezigt.
DON JAN.
Kies zelf.
[p. 35]
KRISPYN.
                Wat weerhoud me, dat ik je niet terstond vat
By ’t linkerbeen, en je daar meê tegen de wand sla, dat het brein op de grond spat?
Of dat ik je gryp by je kruin en met een averechtze draai,
Op zyn Indiaans, zo een zeven, of achtmaal, om myn hoofd en middel zwaai,
(485) En je dan voort in de lucht slinger, datje blyft hangen in de wolken?
Of dat ikje een muilpeer* geef, datje door ’t sentrum van d’Aardkloot sinkt by d’Antipodesse Volken.
DON JAN.
Wat letme, dat ik u niet nagel aan de muur?
KRISPYN.
Hoe kom ik hier best af? hoor, ik zie, je bent een kaereltje vol vuur,
Het geschied alleen maar omje koerazy eens te probeeren.
(490) ’t Zou jammer weezen, dat ik zulk een braaf Kavaljier ging masakreeren.
Verzoek my om pardon, en beloofme datje voortaan
Naar het huwelyk van de schoone Helena niet meerder zult staan.
DON JAN.
’k Zal dat akoord strak op uw lenden onderschryven.
HELENA tegen Don Jan.
’k Verzoek, Heer, zo gy poogt te twisten, of te kyven,
(495) Dat zulks ten minsten in myn byzyn niet geschied.
DON JAN.
Wel aan, ’k zal zwygen, om dat gy het my gebied.
Maar gy, die u zo wel in ’t snorken weet te kwyten,
Die, als de honden, wel wat blaft, maar niet durft byten,
Indien gy lust hebt, om een gang te gaan met my:
(500) ’k Meen hier, in wederwil van uw opsnijery,
Omtrent de middernacht, of licht een uur te vooren,
Een kunstig maatgezang voor ’t huis te laaten hooren,
Dan kunt gy, zo gy wilt, de toegang my verbiên.



[p. 36]

ZEVENDE TOONEEL.

HELENA, KRISPYN, onder de naam van Don Pedro, KARMANJOLLE.

KRISPYN.
Die blooden Trytert! hy vlugt, of hy de drommel had gezien.
(505) Mevrouw, had ik niet gevreest, dat je ’t kwalyk zoud hebben genomen,
’k Verzeker u, dat hy ’er niet heelshuids had afgekomen.
HELENA.
Hy is’er dan al heel gelukkig afgeraakt.
KRISPYN.
’t Schynt wel, datme de liefde ook al zo wat lankmoedig maakt;
Want ik heb van niemand in de Waereld ooit zo veel praats kunnen hooren.
(510) Ook ben ik nooit grooter hartstócht onderworpen geweest, als die van haat en tooren:
Die pleeg altyd over my te heerschen, als tegenwoordig de min:
Dat weet die Poltron misschien; daarom sprak hy zo stout in ’t begin.
Maar ik zweer, dat ik hem dat stout spreeken wel betaalt zal zetten,
Laat hy eens met zyn Allebade komen, ’k loof dat ik het hem wel zal beletten:
(515) Ik zal’er ekspres om maaken hier te weezen, en dat op den zelven tyd;
Dan zal ik hem eens toonen, of ik een hond ben die wel blaft, maar niet byt.
Ik wilje wel verzekeren, dat hy het niet licht na zal vertellen.
HELENA.
’k Zou my in geen gevaar (om zulk een beusling) stellen.
KRISPYN.
ô! Dat gevaar, Mevrouw, acht ik zo veel als niet en beet.
(520) ’k Heb wel voor heeter vuur gezeten, gelyk Karmanjolle wel weet.
[p. 37]
Ten andren heb ik een wisse stoot die ’k niemand dan u zou willen leeren;
Ze gaat zo zeker, dat my ze niemand in de waereld kan pareeren:
Als by ekzempel, of jy myn Party nu waard: eerst maak ik een fint in ’t begin,
Puur of ik de kwart wou stoot, en dan zet ik het’er van onderen op in.
KARMANJOLLE.
(525) Die kunst zouje daar effen gebruikt hebben, als dat zo wis een stoot is.
KRISPYN.
Het schynt wel, als ik by myn Matres ben, dat myn koerazie niet half zo groot is.
Doch dat voordeel zal hy niet meer genieten, die blode Koljon.
Maar, Mevrouw, alzo ik wel gezien heb, dat een Muis een Olyfant verwon,
En dat de beste kaerel, door list, om een luchje kan raaken,
(530) Ben ik van sins, om eerst een Melitaer testament te maaken,
Waar by ik u begunstig met de helft van myn kapitaal.
Haal my een Notaris, die het net in order stelt altemaal.
KARMANJOLLE.
Dat is niet nodig: als een krygsman zyn testament wil maaken,
Zyn’er in de waereld geen klauzulen in de rechte, die hem raaken:
(535) Hy is geremitteert van des rechts solemniteit:
Hy schryft slechs, met een rapier, of spiets, in ’t zand, of anders zeid:
Ik wil, dat, na myn dood, zal erven Piet, Jan, Klaas, of Nestor,
En dat in ’t byzyn slechs van twee, ’t bestaat, als quod atestor,
[p. 38]
In premissorum fidem, of ander slag van schrift.
KRISPYN.
(540) Hy heeft gelyk myn Schoone, maar best is ’t dat ik je wat maak, parforma van een leevendige gift:
Dat is een Donnatie antre Vivos, zo de Rechtgeleerde zeggen,
In presentie van twe getuigen, dan kunjer altyd attestatie van laaten beleggen;
Of willenwe liever zo doen, gelyk Karmanjolle proponeert.
Ha! ha! knikken is ja te zeggen, die zwygt die konsenteert.
(545) Kom hier, myn Schildknaap, en jy meê, Meisje, gy kunt’er kennis van draagen,
Onthouw wel, wat ik zeg: want dit is myn uiterste wil en behaagen,
Ik maak Helena d’Alvares, myn aanstaande Bruid,
Alleen uit zuivre genegentheid, vyftig duizend Dukaaten voor uit,
En dan wil ik noch datze prorato, neffens een van myn Nichten, zal erven.
(550) Dit begeer ik, dat nagekomen zal werden, zo ik kom te sterven.
HELENA.
Wat gaat u aan, myn Heer, ach! wat hebt gy toch voor?
KRISPYN.
Mevrouw, weêrhou my niet, het moet’er nu meê door.

Einde van het Tweede Bedryf.
Continue
[
p. 39]

DERDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

LEONOOR, DON DIEGO.

DON DIEGO.
O ja, tot noch toe is de klucht wel afgeloopen:
’t Is alles wel; zy heeft hem toegestaan te hoopen.
LEONOOR.
(555) ’k Beken, ’t is aardig; maar hoe dorst gy zulks bestaan?
Wanneer zy merkt, dat zy van u dus word verraân,
Wat zal zy schelden! en niet doen, om zich te wreeken!
DON DIEGO.
’k Bekreun ’t my niet, hoe felze ook is in toorn ontsteeken,
Of tót wat raazerny zy zich vervoeren laat.
(560) Zo groot myn liefde was, zo groot is nu myn haat.
Doch ’t hart is naauwlyks van die trouwelooze ontslaagen,
Of ’t moet weêrom op nieuw het juk der liefde draagen:
’t Is door uw edle deugd en schoonheid zo bekoort,
Dat ik onmooglyk....



TWEEDE TOONEEL.

KRISPYN, DON DIEGO, LEONOOR.

KRISPYN.
                                    Ha! ha! je bent een man van je woord.
(565) Ik vreesde zeker, myn Heer, datje my op zoud schieten,
De klok is reeds elf. ’k Begon van angst en benauwtheid al te zwieten.
Het is op ’t punt, dat myn Medevryer Don Jan hier verschynen moet.
Daar is zo iets in ’t donker dat my altyd vreezen doet:
Wanneer het in ’t licht waar, dan zou ik nergens weer van weeten.
[p. 40]
(570) By daag, myn Heer, wil ik gemenelyk liever vechten, als eeten.
DON DIEGO.
Hou moed, daar is in ’t minst geen zwarigheid, Krispyn:
Als gy te kort schiet, zal ik u behulpzaam zyn.
KRISPYN.
Houd, myn Heer, dat’s zo niet gezeid, je mostme zo diep in ’t gevaar niet dringen:
Eer het zo ver kwam, mostje voor me in de mat komen springen.
(575) Een ongelukkige stoot is haast gedaan, speciaal in de nacht.
DON DIEGO.
Vertoef hier, tot ik heb deez’ Juffer thuis gebragt,
Ik kom voort weer, dan zal ik verder met u spreeken.
KRISPYN.
Maar als Don Jan ondertussen komt?
DON DIEGO.
Dan kuntge u elders in een stoep zo lang versteeken.
’k Zal in een oogenblik hier weder by u zyn.
(580) Houd midlerwyl hier maar een oog in ’t zeil, Krispyn.



DERDE TOONEEL.

KRISPYN alleen.

Hy waagt my’er aan, naar ik kan bespeuren en bemerken.
Als myn Party nu eens kwam, waar of ik heen zou, met myn opgebonde vlerken?
Och! och! wat hoor ik daar? ik loof zeker dat hy daar is.
Laat ik wat naderen, onder ’t faveur van de duisternis.
(585) Waar ben ik ook bang voor? ’t is de wind, die’er ruist door de boomen.
Maar zacht, zie ik daar van verre niet iemand herwaarts komen?
Och! ja, dat zal hy voorzeker zyn, waar berg ik my nu? och! och!
Hy komt hoe langs hoe nader, neen, ’t is een groote engelse Dog:
Die sellementse rekel deed my zo afgrysselyk verschrikken:
(590) Ik zag hem voor Don Jan aan, om dat hy zo boos zag uit zyn blikken.
[p. 41]
Och! och! daar hoor ik weer iets; ha! ha! het is myn Heer!
Ik ken hem aan zyn pluim. Sa, wakker, trek nu van leer:
,, ’k Zal my houwen, of het myn Party is. Sta af, of ’t geld uw leven.



VIERDE TOONEEL.

DON DIEGO, KRISPYN, ROKESPINO.

DON DIEGO.
Ik ben ’t, Krispyn.
KRISPYN.
                            Wie ik? sta af, of ik zalje de rest moeten geeven.
DON DIEGO.
(595) Ik ben het, ziet gy ’t niet?
KRISPYN.
                                        Ik ken geen ik, ’k zeg nochmaals, blyf onder myn geweer van daan.
DON DIEGO.
Kent gy my niet?
KRISPYN.
                            Ja, ik kenje wel, sta af, of ik zal ’t er door laaten gaan.
Je bent myn Medevryer Don Jan, of een spion van zynent wegen;
Des raad ikje, niet nader te komen, of ik rygje aan myn degen.
DON DIEGO.
Ik ben uw Heer, Krispyn, zie toe, gy zyt verkeert.
KRISPYN.
(600) Je bent waarachtig gelukkig, datje in die furie niet wierd geponjardeert.
Ik was daar puur geresolveert, en had by me zelf beslooten,
Zo je een voet nader gekomen had, je terstond om ver te stooten;
Want ik meende zeker, datje Don Jan, myn Medevryer waard.
DON DIEGO.
Dewyl ik zie, dat gy zo moedig zyt van aard,
[p. 42]
(605) Zal ’k u de kans alleen eens met Don Jan doen waagen.
KRISPYN.
Ik ben altyd zo koerasieus niet: dat geschied maar by vlaagen,
Het gaat gelyk het komt, by beurten, gelyk d’eb en vloed;
Daar en boven slacht ik de Katten, ik vecht best, als ik in ’t naauw ben, of als ik vechten moet;
Ten andre wat heb ik myn persoon alleen tegens hem te hazardeeren:
(610) Dien Poltron is ’t niet waard, laaten wy met ons drien gelyk op hem avanceeren,
Dan kunnen wy hem wis nemen.
DON DIEGO.
                                                    Stil, daar hoor ik Violons.
Dat zal hy zyn, Krispyn. Stil, stil, verschuilen we ons.



VYFDE TOONEEL.

DON JAN, met eenige Musikanten. KRISPYN, DON DIEGO en ROKESPINO ter zyden.

DON JAN zingt, na dat de Bas en
Violons ophouden te speelen.
    Terwyl my de liefde voert herwaards heen,
            In ’t naarst der akelige nachten,

    (615) Zo slaapt gy, zo slaapt gy, ó schoone Heleen!
            En slaat gansch geen acht op myne klagten,
                    Noch droeve gebeên.
    Maar sluit vry die stichters van mynen gloed,
            Geen slaapzucht zal myn oog beschieten:

    (620) Ik gun u, ik gun u, ô Wreede, dat zoet:
            Gy kunt het vermaak der ruste genieten,
                    Die ’k derreven moet.

KRISPYN zingt, en slaat den Cyter.
Ja, Liefje, Hartediefje, ja sluit vry uw oog
Of gy blaakt my, of gy maakt my, als een Stokvis, zo droog.

(625) Ja Liefje, Hartediefje, enz.



[p. 43]

ZESDE TOONEEL.

Een OUDE BUURVROUW, leggende in haar Venster, over ’t huis van Helena, DON JAN met eenige Musikanten. KRISPYN, DON DIEGO, en ROKESPINO ter zyden.

OUDE BUURVROUW zingt.
        Weg, verliefde Zottebollen,
                Wat komt gy hier onverwacht,
                In het naarste van de nacht,
        Als de maartsche Katers krollen?

        (630) Weg, verliefde Zottebollen,
        Staakje krollen, staakje lollen;
                Want de Vryster met je lacht;
        Weg, verliefde Zottebollen,
                Wat doet gy hier in de nacht?

DON DIEGO tegen Krispyn.
(635) ,, Sa, wakker, gy hebt nu in ’t minste niet te schroomen.
KRISPYN.
,, Maar, gelyk ’t gezeid is, je moestme dan te hulp komen.
DON DIEGO.
,, ’k Verzeker u daar van.
Krispyn, leggende zyn Cyter by
hem neer, en trekt zyn Degen.
                                      Qui va la?
Zo dra Krispyn qui va la roept, vlugten Don Jans
Musikanten, en laaten de Bas leggen.
DON DIEGO.
                                                      ,, Treêd toe, en gaa uw gang.
DON JAN.
Daar ’s myn Party, naar ’k merk.
KRISPYN aarzelende.
                                        Och! Heer, waar blyfje? ik word zo bang.
Hy komt waarachtig op my los.
DON DIEGO.
                                                  Spreek stout, en laat u hooren.
[p. 44]
KRISPYN.
(640) Sta af, wie benje?
DON JAN naderende.
                                      Dat zal ik u doen zien.
KRISPYN.
                                                                        Och! och! ik ben verlooren.
Don Diego en Rokespino verschuilen zich.
,, Docht ik het niet, dat hy me zou laaten zitten, met de scheenen voor ’t vuur.
DON JAN.
Ha! ha! myn Heer, zyt gy ’t? gy komt ter goeder uur.
KRISPYN.
En jy meê, myn Heer, ik ben’er waarelyk van harte blyd om.
Je wilt misschien spreeken van Heleen: ’t is waar, we hadden daar al zo wat stryd om:
(645) Maar ’t was een haastigheid, we waaren aan beide kanten wat heet,
En dan neemt men ’t zo naauw niet, wat men zegt, gelykje zelf wel weet;
Daarom kom ik ook hier, om de peis weer met je te maaken;
Want ik kon, van de moeijelykheid, onmoogelyk in slaap geraaken.
DON JAN.
’k Begeer, dat gy my nu eerst grypt by ’t linker been,
(650) En zo wat slingert om uw kop en middel heen.
Dan zullen wy te zaam van peis en vrede spreken.
Ruk af, waar wachtje na?
KRISPYN.
                                ,, Myn Heer. Nu laat hy my in de pekel steeken.
DON JAN.
Wat mort gy binnens monds? naar ’t schynt, zyt gy vol vrees.
KRISPYN.
Gun me te minste tyd, dat ik myn Ave Maria lees.
DON JAN.
(655) Het is geen tyd nu om te bidden, maar te vechten.
KRISPYN.
Niet te haastig, laat ik eerst de kling van myn degen wat rechten,
[p. 45]
Ze is veur aan de punt heel krom geboogen: ei lieve, zie.
DON JAN.
Nu repje, of ’t gaat’er door.
KRISPYN.
                                            Ze wil niet uit de schie.
DON JAN.
Ik zeg u andermaal, ruk af, of ’t geld uw leeven.
KRISPYN.
(660) Hy gaat, hy gaat, zie daar nu ben ik gereed om je satisfaksy te geeven.
DON JAN.
Wel nu, verweer u dan, voor my, ik ben gereed.
KRISPYN.
Wat pasiensy, tot dat ik myn Degen tegen d’uwe eerst meet,
Ze is wel een voet korter, wat heb ik je dat voordeel te geeven.
DON JAN.
Daar is de myne dan.
KRISPYN, krygende Don Jans Degen.
                                Ha! ha! bid nu omje leeven.
Of ik stootje in je huid.
DON JAN.
(665) Stoot toe. Ik zag u wel voor een bloôhartige aan:
Maar ’k dacht geensins, dat gy my zôud zo schelms verraân.
KRISPYN.
Verraaden, of niet verraaden, een rechtschapen krygsman mag wel zyn voordeel zoeken.
DON JAN.
De Hemel straf my vry, zo ik...
KRISPYN.
                                                Je meugt vry schelden, vloeken.
Blyfme slechs van myn huid, of ik zet het’er op in.
DON JAN.
(670) Ik zal u....
KRISPYN.
                Nu, nu ontstelje zo niet, ik heb het niet eens in ’t zin.
’t Zou zyn, of ik niet zien mogt, dat’er meer zulke braa- [p. 46] ve
                    Kavaljiers, als ik, in de waereld waaren,
Of dat ikje, uit vrees voor je persoon, niet dorst in ’t leven spaaren:
Om datje me daar na te gevaarlyk zou weezen, daar is je geweer:
Maar zacht, je mostme beloven, nooit met vechten weer lastig te
                    vallen, verstaaje, myn Heer?
DON JAN.
(675) Wel, dat beloof ik u.
KRISPYN.
                                En datje noit Helena meer zult aanschouwen.
DON JAN.
’k Verzeker u daar van.
KRISPYN.
                                Wel nu, ik zelje op je edelmans woord vertrouwen.
DON JAN.
Pas nu vry op, nu is ’t myn beurt; sa, wakker voort.
KRISPYN.
Zo breekt gy uw belofte?
DON JAN.
                                Rechtschape krygsliên zyn geen slaaven van hun woord.
KRISPYN.
,, Myn Heer, waar blyfje?
DON JAN.
                                Verweer u, of ik geef u voort de huid vol slaagen.
KRISPYN.
(680) Ben je met een hand vol bloed gedient, fiat, ik zal ’t dan waagen.
DON JAN.
Pas op, ik ga, myn gang.
    Hier komt Rokespino* met een slingerkoorde, en slingert die Don Jan om de middel, en draagt hem daar mede weg, doch zyn Degen laat hy achter.



ZEVENDE TOONEEL.

KRISPYN alleen.

Wat’s dit te zeggen? vlugt hy? ja, hy ’s uit myn gezigt.
[p. 47]
Immers is het spreekwoord waar; twee quade honden byten malkander niet licht.
Hy is weg, puur of hy door de drommel weggetovert is.
Hier is zyn Degen, die zal ik Helena brengen, tot teeken dat hy door my verovert is.
Krispyn klopt.



ACHTSTE TOONEEL.

KRISPYN verkleed, onder de naam van Don Pedro, LUBYNE van binnen.

LUBYNE.
(685) Wie is daar?
KRISPYN.
                            Ik ben ’t, Heleentje lief, myn aanstaande Bruid.
LUBYNE.
Wie ik?
KRISPYN.
            Jou toekomende Bruidegom Don Pedro: kyk eens uit.
LUBYNE uit het venster.
O! ben jy ’t? wacht wat; ik zel ’t me Juffer gaan zeggen:
Zy stond zo om naar bed te gaan.



NEGENDE TOONEEL.

KRISPYN vindende de Bas van de gevlugte Musikanten.

Wat zal ze op hooren!.... maar wat drommel vind ik hier leggen?
Is ’t myn Cyter? ja, neen, o ja, nu schiet het my in.*
(690) d’Instrumenten groeijen zo schielyk by de min.



TIENDE TOONEEL.

HELENA, KRISPYN verkleed, onder de naam van Don Pedro, LUBYNE.

HELENA.
Myn Heer, vergeef ’t my, dat ik u zo lang laat wachten.
[p. 48]
KRISPYN.
Mevrouw, hier ziet gy de vrucht van myn dapperheid en krachten.
Ik heb die Vermetele terstond ontwapent; want
Ik hielt hem d’eer niet waard, te sterven door myn hand.
HELENA.
(695) Het is my lief, Heer, dat gy hebt geen bloed vergooten.
KRISPYN.
Niet één druppel; want ik heb niet één stoot op hem willen stooten.
Gelyk een dolle hond, kwam hy in het begin op my af.
Maar ’k bragt hem voort zo ver, dat hy om genâ bad, het welk ik hem ook gaf:
Doch op die voorwaarde, dat hy nooit weer onder uw gezigt zal komen.
HELENA.
(700) Die Bloodaart! heeft hy dat belooft, en aangenoomen*?
KRISPYN.
Verzeker, doch het geschiedde met een heel bedrukte stem.
Maar, Schoone, was ik nu alzo wel meester van uw hart, als ik ben van hem,
Wat zou ’k gelukkig zyn!
HELENA.
                                        Uw edelmoedig leven
Maakt my onmagtig, om uw min te wederstreeven.
KRISPYN.
(705) Ik heb tegenwoordig niet meer, als tien duizend Dukaaten, of daar omtrent.
Dat doet de sellementse Bankier die lompe rekel van een vent!
Hy zegt dat hy naast een dag of twe veel geld aan de Konings Tresauriers heeft uit moeten tellen.
Maar dat is, loof ik, maar een doekje voor ’t bloeden, om my wat uit te stellen.
[p. 49]
HELENA.
Dat doet den oorelog; die voert veel geld uit ’t land.
KRISPYN.
(710) ’k Meen echter een groote som in ’t kort te ontfangen: hy heeft het my
                    belooft by de hand.
Neem het midlerwyl niet kwalyk, myn allerliefste Troosje,
Myn heldre Morgenster, myn aardig Tonteldoosje,
Zo ’k myn arm altemet om dat poezelachtig halsje sla, noch toon u niet schuw,
Als ik somtyds zo myn lipjes op uw gesuikerde lipjes duw.
(715) Och! och! wat word ik gepynigt door ’t wenschen en hoopen.
Ik wou dat ons Hymen zo terstond aan malkander wou knoopen.
Ik leg gansch verzopen in ’t zoet van de min,
En drink die by stoopen ten keel toe vol in,
Hy zingt.
                        Bekoorlyke Engelin,
                (720) Zyn wy niet te samen
                        Een hart en een zin,
                Twe zieltjes in eene lichaamen,
                        Verêent door de Min?

Maar leg ny byje zelve eens over, myn Uitgeleezen,
(725) Wat’er tot het voltrekken van ons huwlyk al noodig zal weezen:
Vier, of vyf duizend kroonen aan Brokade, Fluweel, en Tabyn,
Zal, myns oordeels, genoeg, om ons beide te kleeden, zyn;
Dan omtrent, of scharp zo veel, aan Lywaad, Strikken en Kanten;
Twintig duizend Kroonen aan Bruids Juweelen, zo Paerlen, als Diamanten:
(730) Dunkje, dat men daar by provizy niet mêe zal kunnen bestaan?
[p. 50]
HELENA.
Al wat gy daar in doet, myn Heer, is wel gedaan.
KRISPYN.
Wat Karos en trein belangt, daar zullenwe voor ons trouwen niet klaar
                    meê kunnen raaken,
Maar ik zalje tien of twalef pakken kleeren, laaten maaken:
Twe van Bierenbroods kleur, en d’andre zullen zyn
(735) Van Appelbloesem, Paers, Violet, en Griddelyn.
HELENA.
Dat zyn de kleuren niet, die nu de Juffers draagen.
KRISPYN.
Wel nu, Citroenkleur? zouje die dan ook niet behaagen?
HELENA.
Dat staat wat vies, myn Heer*.
KRISPYN.
                                              Wat dunkje dan van groen?
HELENA.
Groen staat heel wel: maar ’t stryd nu tegens het saisoen.
KRISPYN.
(740) Daar schietme een kleur in, die heel fraay is... kleur de... kleur de...
HELENA.
                                                                            Kleur de Palje?
KRISPYN.
Wat kleur de Palje, dat is een kleur de kanalje.
Kleur... kleur de.... ik had het daar zo effen in myn mond....
’t Is een aangenaame en vrolyke kleur, kleur de.... ze ziet puur, als
                    ganze stront.
HELENA.
Ik ken die kleur niet, dat’s misschien ’t gebruik in Inje.
KRISPYN.
(745) Of anders kleur de Chair, die ziet puur, als Kakinje.
[p. 51]
Je bruids Tabbert, of Samaar moet zyn van Karstenge kleur,
Achter styf met goud geborduurd, en met zulver van veur,
En de Rokken, naar advenant, met geele en witte franje:
Geen kostelyker dracht hebt gy noch ooit gezien in Spanje.
HELENA.
(750) Dat zal wel gaan, myn Heer, beschik my maar het geld.
KRISPYN.
Ik heb alreê een scharlake hemdrok, met zulvere draadswerke
                    knoopjes, voor my bestelt,
Met een linne voering daar in: baay haat ik, als de pest der pesten,
Het broeit al te veel, en ’t maakt veel luizen en vlooijen nesten.



ELFDE TOONEEL.

LEONOOR, HELENA, DON DIEGO, DON JAN, KRISPYN, LUBYNE, BEATERIS.

LEONOOR.
MEvrouw, ’k had naauw gehoort, dat gy in d’echt zoud treên,
(755) Of ’k wierd, door mynen pligt, gedreven herwaarts heen,
Om u in dezen staat te groeten, naar behooren.
Den Hemel gun u, met die gy hebt uitverkooren
Tot uwen Bruidegom, veel heil, nooit tegenspoed.
HELENA.
Mevrouw, ik weet niet, hoe ik u ontfangen moet;
(760) Of gy niet voor hebt, om met my de gek te scheeren?
My dus ontydig in den avond te vereeren
Met uw bezoek, houw ik met redenen verdacht.
KRISPYN.
Ik raâ niemand zo stout dat hy ons bespót óf belacht,
[p. 52]
’t Zou hem al zuur opbreeken, dat mag hy wel vryelyk vertrouwen.
LEONOOR.
(765) ’k Dacht niet, Mevrouw, dat gy my zo verdacht zoud houwen.
’k Verzeker u, dat ik uit zuivre vrindschap kom,
Om u te groeten, met myn Heer, uw Bruidegom.
KRISPYN.
Ha! ha! myn Heer uw Bruidegom! dat woord dat baatje leeven.
HELENA.
’t Kan zyn: maar of myn Heer daar door word hier gedreeven,
(770) Daar sla ik twyffel aan.
LEONOOR.
                                              ’k Wil daar geen borg voor staan,
Gy kent hem ’t best, en hebt met hem ’t meest omgegaan.
DON DIEGO.
Ik bid, Mevrouw, duid myn stilzwygendheid ten goede:
En denk eens, hoe ik in deez’ droeve staat te moede
Moet weezen, ik, die u zo teder heb bemind,
(775) En my nu te eenemaal van u versteeken vind.
Dat ’s niet genoeg: ik moet, wat meer is, noch gedoogen,
Dat gy een Plompaart trouwt, die eer heeft noch vermogen;
Een kaale Jakhals, die zelf zyn geslacht niet kent;
Een vuile Luizebos, een lompe en plompe Vent,
(780) Die geen verdiensten heeft, als zyne beestigheden;
Ja, die ’k onwaard houw met myn Meid in d’echt te treeden.
’t Is myn Staljongen, daar ge u dus ver aan vergaapt,
Die alle nacht, in ’t stroo, by myne Paerden, slaapt.
KRISPYN.
Houd! houd! niet hooger, waar is toch dat schelden goed voor?
DON DIEGO.
(785) Gy waant hem ryk te zyn, maar hebt een armen bloed voor.
[p. 53]
HELENA.
De liefde, naar het schynt, heeft u het brein ontstelt.
DON DIEGO.
Het uwe, naar ik merk, dat is geraakt door ’t geld.
HELENA.
Don Pedro, kunt gy zulks aanschouwen voor uwe oogen?
KRISPYN.
Ik zeg, dat hy dat tiendubbelt door zyn hals heeft gelogen.
HELENA.
(790) Gy zyt een Knecht, zeid hy.
KRISPYN, zich ontdekkende.
                                                      Voorzeker; tot uwen dienst bereid.
DON DIEGO.
Gy twyffelt noch, Mevrouw?
HELENA.
                                                Wat ben ik schelms misleid!
DON DIEGO.
Gy hebt dit wel verdient.
HELENA.
                                        Wie zal dit voor my wreeken?
KRISPYN.
Ik niet.
HELENA.
            Gy, die my hebt zo schandlyk uitgestreeken,
Is dit het werk van een rechschapen Edelman,
(795) Een Vrouw te hoonen, die zich zelf niet wreeken kan?
Beeld gy u in, dat zulks noch ongestraft zal blyven?
DON DIEGO.
Boet uw gramschap vry, met raazen, schelden, kyven,
Bekreun ’t me in ’t minste niet, hoe schamper gy ook smaalt.
Gy hebt die schande zelf op uwen hals gehaalt,
(800) En my het eerst misleid, door uwe listigheden,
Myn Jongen is u, op uw voorbeeld, nagetreeden:
Gy zyt verpligt hem zelf daar dankbaar voor te zyn:
Wyl hy u heeft geleert, hoe licht men door den schyn
[p. 54]
Van liefde, of vrindschap, al de waereld kan bedriegen.
(805) Door schoone woorden, wist gy my in slaap te wiegen:
Uw zin was niet op my, maar ’t erffenis gestelt:
’k Had geen verdiensten in uwe oogen, als het geld;
Want toen gy hoorde, dat myn Oom, op ’t kwalyk spreeken
Van myn Vrouw Moei, my had van ’t Erffenis versteeken,
(810) Verbond ge u aan Krispyn, met die gedachten, dat
Ge in hem zoud vinden ’t geen ge in my verlooren had;
Dus meende gy my door den schyn van min te vangen;
Maar spande een strik daar gy nu zelf juist in blyft hangen.
Myn Knecht speelde u die pots, die gy my speelen woud.
(815) ’t Is ook geen schand met myn Lakey te zyn getrouwd.
HELENA.
Ik zweer u, dat ik my van deze schand zal wreeken.
DON DIEGO.
Zacht, ’t past geen Juffer dus in toorn te zyn ontsteeken.
HELENA tegens Don Jan.
Kunt gy gedoogen, dat my zulk een smaat geschiet?
Ziet gy dit koelsmoeds aan, myn Heer, en wreekt gy ’t niet?
(820) Geef nu een proef, durft gy, van uw standvastig minnen.
Nu is het tyd, dat gy myn hert en trouw kunt winnen.
DON JAN.
Hoe! ik u trouwen? u? Baatzuchtige, die ’t goud
Voor ’t oogwit van uw keur en zinlykheden houd,
U, die Don Diego hebt uit gierigheid verlaaten,
(825) Zo dra gy dacht, dat hem ’t geluk niet met dukaaten
Genoeg begunstigt had! die met een lompen bloed
In d’echt wou treeden, om ’t belang van geld, of goed.
O neen, gy zult my tot die lafheid niet beleezen:
Schoon ik u minnen wou, ’t zou my onmooglyk weezen:
(830) Ik ken u al te wel, gy dient my niet, Mevrouw:
Ik blyf u dankbaar, voor d’aanbieding uwer trouw.
[p. 55]
KRISPYN.
Hoe! ik u trouwen? u? Baatzuchtige, die ’t goud
Voor ’t oogwit van uw keur en zinn’lykheden houd,
U, die myn Meester hebt uit gierigheid verlaaten,
(835) Zo dra gy dacht, dat hem ’t geluk niet met dukaaten
Genoeg begunstigt had, en die my ook misschien
Myn paspoort geeven zoud, zo dra gy kwamt te zien,
Dat my Fortuin ook had misdeelt met stuks van achten;
Dat zal u missen; stel my vry uit uw gedachten:
(840) Want wy Krispynen zyn daar te edelmoedig toe.
Stel u gerust, verwin u zelf, gelyk ik doe:
Gy zult my nooit tot die lafhartigheid beleezen:
Schoon ik u minnen wou, ’t zou my onmooglyk weezen:
Ik ken u al te wel: gy dient my niet, Mevrouw;
(845) Ik blyf u dankbaar voor d’aanbieding uwer trouw.
HELENA.
Het zal my in Madrid aan vrinden niet ontbreeken.
KRISPYN.
Och! houd’er vast, myn Heer, zy mogt zich zelf doorsteeken.
HELENA.
Het is genoeg, kom, gaan wy voort in huis, Lubyn,
’k Zal sterven, kan ik niet in ’t kort gewrooken zyn.



TWAALFDE TOONEEL.

LEONOOR, DON DIEGO, DON JAN,
KRISPYN, BEATERIS.

LEONOOR.
(850) Zy is geheel vergramt, en ’t is niet buiten reden.
DON DIEGO.
’k Beklaag haar niet: ’t is ’t loon van haare trouwloosheden.
’k Lach met haar razerny, haar dolle toorn en spyt,
Zo gy, o Leonoor, my slechs geen vyand zyt.
[p. 56]
LEONOOR.
Gy hebt geen vyandschap in ’t minst van my te vreezen.
DON DIEGO.
(855) Nu is myn lot voltooit, myn heil in top gerezen.
Tegens Krispyn.
Dewyl ge uw rol zo wel gespeelt hebt tot het end,
Zal ’k u beloonen met een Jaarlyks traktement
Van tien Pistoolen, en u voor myn Stalknecht houwen;
Met dat beding, dat gy zult met Beatris trouwen.
KRISPYN.
(860) Ik ben te vreên; wat dunkje, Beatris? neemje my dan totje Man?
Je zelt een endje goed levens by me hebben, daar verzeker ikje van.
BEATERIS.
Ik zel ’t doen, wyl ’t myn Heer zo verstaat.
KRISPYN.
                                                                    Fiat dan, daar is een zoentje
                    op trouw, voor je poesle kinnebakken.
Immers is het spreekwoord waar: trouwen komt op als kakken.
LEONOOR.
Myn Heer, ’t is tyd; laat ons terstond naar huis toe gaan.
(865) ’t Is middernacht, ik hoor de klok daar twalef slaan.

Einde van het Derde en Laatste Bedryf.
Continue

Tekstkritiek:

p. 3: dezen er staat: d en
ibid.: twintigste er staat: twintigstee
vs. 40: vreezen. er staat: vreezen,
vs. 162: Lakei er staat: L kei
ibid.: beijen. er staat: beijen
vs. 185: zoektje er staat: zoektj
vs. 203: geschiên. er staat: geschiên,
vs. 209: geven, er staat: geven.
vs. 221: draagen, er staat: draagen.
vs. 365: Elokwensy, er staat: Elokwensy.
vs. 430: Aapen. er staat: Aapen
vs. 441: krygen. er staat: krygen,
vs. 486: muilpeer er staat: muilpeer peer
p. 46: Rokespino er staat: Rekespino
vs. 689: in. er staat: in
vs. 700: aangenoomen er staat: aangnoomen
vs. 738: vies, myn Heer. er staat: vies myn, myn Heer.