Jan Neuye: Eneas, of vader des vaderlants. 1664.
Uitgegeven door drs. G.C. van Uitert.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton06132 en Ceneton06133 - Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
In 1667 verscheen een titeluitgave waarin de eerste tien pagina’s van het voorwerk zijn vervangen door vier nieuwe pagina’s. Deze vier pagina’s geven wij onder de tekst als bijlage. Na deze vier pagina’s volgt de tekst vanaf fol. *6r en het complete toneelstuk in het zetsel van 1664.
Het Leidse exemplaar bevat het voorwerk van 1667 (vier nieuwe en zes oude pagina’s); daartussen zijn ook de pagina’s vijf tot tien van de eerste druk ingevoegd, met het gevolg dat het nieuwe fol. π2v in tekst gelijk is aan het oude fol. *5v.

Continue

[fol. *1r]
[Gravure met opschrift: “ENEAS of Vader des Vaderlants.” en onderschrift:
Gedrukt t’Amsterdam, by Johannes vanden Bergh. A°. 1664.”]
[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r]

ENEAS

OF

Vader des Vaderlants,

TREURSPEL.

Sat Patriae, Populoque datum.

[Vignet: fleuron]

t’AMSTERDAM,
____________________
Gedruckt by JOANNES van den BERGH, Boek-
verkooper ter zijden ’t Stadthuys, in altijdt
wat Nieuws. Anno 1664.




[fol. *2v]

Op den Inhout.

    Hier sietge Eneas, Vorst van’t Vaderlant,
Die met Askaan op Moeder Venus beeden,
    De Stadt verrast, en Turnus overmant.
Soo heeft de Vorst om Latium gestreden.




[fol. *3r]

Den Heer en Meester

PIETER SCHOUT,

Rechts-geleerde,

Dom-Heer van Oudt-Munster, &c.

MYN HEER,
Hier vertoont sig als in een levendige schildery ’t staatkrakeel over de opperheerschappy voorgevallen in Saturnus lant, van outs Latium, nu Italien gesegt: daar Eneas, Vader van sijn Volk, en Vaderlant den hooghmoedige Turnus uyt sijn gesagh en Erflanden stoot, en in ’t huwlijcks versoek aan de Konings Dochter Lavinia bewimpelt sijn kroonrecht. Die dappere Vorst; een Voorbeelt aller dapperheden na dat hy in de tienjarige oorlogh voor Trojen, en dien volgende rampen en swarigheden goet noch [fol. *3v] bloet op zee of lant gespaart hadde voor sijn volk: maar heeft haar gelukkig uyt Junoôs listige raatslagen gedaan aan de Hemelraat, en de Wintgod Eolus gevoert op de Oever van Kartago. Waar van daen hy vertrekt op Moeder Venus aanraden in Latium, voor de Hooftstadt Laurentum om sijn laatste meesterstuk aan Turnus, die na de Oppermacht, en de Latijnsche kroon staat, eerst met een bedekten aanslagh; daar na met de wapens in ’t open velt te betonen. Hier draven onder veel verscheiden hartstochten en raatsplegingen, twee van de voornaamsten, Staatzucht en ’s Lantsyver. De beooghde Bruilof van Turnus verandert in een bloetbanket, sijn glinsterende Kroone in verwelkte popelierbladen, sijn Bruits ledekant in een graf vol rampsaligheden; daar Moeder, de Koningsvrou Amate, sijn suster de [fol. *4r] nimfe Iüturna, en ’t Stamhuis van Turnus ontbloot in eerampten om treuren. Wy voeren den Vorst ten troone; wiens heldendaden van den Fenix-dichter Ioost van den Vondel onlangs soo loffelijk wierden opgesongen in sijn Verduitste Maro, dat geen wolke de selvige oit sal in klaarheit verduisteren. Wy nemen vrymoedigheit onse Eneas den Vader van ’t Vaderlant M.H. op te dragen, die in Themis wetboek geleert hebt de driften in te binden door de reden, en niet door een onrijp vooroordeel sonder kennis sigh te laten afleiden van de ware lof der helden. Hier sietge Latium beleegert, en verwonnen van Eneas, en namaals onder sijn bescherminge door hem en sijn nazaat Askaan opgeklommen als een Arend in de hoogsten toppen van gesag. Soo dat Plinius Latium noemde (lib. 3. Natur. hist. Cap. XX) Een [fol. *4v] lantschap den Goden geheiligt, het aldergelukkigste ende beste van ’t gantsche Europa, een Voedtster van alle anderen landen, een Heerscherinne aller dingen, een Vorstinne aller volken, een Koninginne der werelt. En ten waren den lantverdreven Helt en Vorst Eneas den wapen niet hadde by der hant gevat, en de hooftstadt Laurentum beleegert, men hadde in Latium (toenmaals een slechte plaats betimmert met boerenhuisen en dorpen) niet gesticht gesien die machtige stadt Romen: wiens lant en zeegesagh verstrekte een schrik voor de Asiatische Koningen, en een werelt-stadt voor ’t gansche aartrijk, waar van Eneas en sijn Soon Askaan de eerste stichters genaamt werden in ’t eerste boek van Maro; daar hy aldus singt.
                            Regnumque à sede Lavini
Transferet, & longam multâ vi muniet Albam.

[fol.*5r]
Hic jam ter centum totos regnabitur annos
Gente sub Hectoreâ: donec regina sacerdos
Marte gravis geminam partu dabit Ilia prolem.
Inde lupae fulvo nutricis tegmine laetus
Romulus excipiet gentem, et Mavortia condet
Moenia, Romanosque suo de nomine dicet.

    Ontfang dan dese Eneas, of Vader des Vaderlants met soodanige genegentheit, als de selve werd opdragen door

        Mijn HEER

                                Uwe Verplichte
                                        J.N.




[fol. *5v]

OP

ENEAS

Of

Vader des Vaderlants.

DE staetzugt en ’t gewelt en ’s Veltheers eerloosheden,
    Die kunnen door de list een vry gevochte muir,
En door zijn nagt gedrogt een Hooftstad aller steden
    Wel overrompelen, maer ’t heeft geen regt nog duir.
*
(5) ’t Bleeck aen Eneas toen zijn Moeder zo staet zugtig
    Hem aenmaend dat hy fors de Hooftstad zo bespringt,*
Dat hy Vorst Turnus zo grootmoedig en doorluchtig
    ’t Regt van zijn vrije wal uyt zijne handen wringt.

[fol. *6r]
Den Opper-god Iupijn die gaf hem dese zegen;
    (10) Maer naer dees roem een schicht van zijne blixem strael,
Dat hy als winnaer is rampzalig neergezegen,
    Doch door der Goden gunst gehaelt in ’s hemels Zael.
Hier leere een yder een dat niemant opgeblasen,
    Trots, moedig, preuts en prat, moet steunen op zijn kragt,

(15) ’t Gewelt, ’t Verraet, en List kan wel een stad verbaesen;
    Maer nimmermeer het oog van ’s werelts Oppermagt
Men kroon tot danck de pen, met kransen van lauwrieren,
    Die ons dit levend toond, in regelen op papieren.


                                                    J. Koenderding.



[fol. *6v]

OP
ENEAS
Of
Vader des Vaderlandts.
Door I. N.  M. D.
Sola Sephoclaeo tua carmina digna cothurno.

ZOo dreunen Amstels Schouwtoneelen
En daveren op Maroôs trant,
Daar bosch, en velden, bergh en zant
    Weergalmt op Latiums krakeelen,
(5) Nu Turnus, die sigh tegen Godt
    En ’t Goddelijk besluit derft kanten,
    In spijt van Vrient en bloetverwanten,
Verslagen legt tot yders spot.
    Hier stelt een kunstenaar sijn dichten
(10) Te werke om, met helt Turnus straf,
Na tien paar eeuwen uyt sijn graf
    Herroepen, ’t schoutoneel te stichten,
(Dat hy met sijn gelaarsde voet
    Betreet) en verwt, als d’eer der helden,
    (15) Die Latium in vreê herstelden,
Sijn Fenixveer in Turnus bloet,
    Om door dees dwinglants ongelukken
Een hart van diamant, als glas
Te bryzelen, en kneen als was,
    (20) En vrees in ’s trotsen* brein te drukken,
    En met historigeur en stof
Stadts Wet en wijse Burgerheeren,
    Hoe lantpest is te dempen, leeren,
En stof te schaffen tot sijn lof.
    (25) De Schouburgh komt hem dan begroeten,
[fol. *7r]
Daer hy met sijne Krijgstrompet
De maat op Turnus neerlaag set,
    En juigt hem toe met hant en voeten:
Leef lang, ô Helt, die ’t soet met ’t nut
    (30) Doormengt: ’k mag meer uw yver hoopen,
    Gy set de kunsten veiligh open,
En blijft ’t vermaart toneel een stut.
    Ick sie mijn KOSTER nu herdagen,
Die Eskulaap huwde aan Thaly,
(35) Geneeskunst aan de Poesy,
    En my met sijne nek te schragen
Plaght, als een kopere pilaar.
    Geen eeuw sal ook uw naam verdoven
    Indien ick, dat men my gelove,
(40) Verdien, ô Roem van Febus schaar.
    Gy sult met uwe Eneas pralen,
Soo verr’ de Mantuaner glans
De Dichtren voorlicht, en een krans,
    Doorluchte Dichter ook behalen
(45) Tot uwen roem. Zoo ’k waardigh ben,
    Sal ick, soo verre uw heldendichten
    De werelt met haer glans verlichten,
U Loven met een vlugge pen.

                                                    A. MOONEN.



[fol. *7v]

INHOUDT.

ENeas, Anchises en Venus Soon, beleegert door hulpe van sijn Moeder de hooftstadt Van Latium, toegelegt om Turnus, ’s Lants Erfgenaem, uyt ’t gesag te stoten. Hier op versoekt hy een aenslagh op de stadt, die hem mislukt door de wraaksuchtige Iuno, sijn vyandinne. Waar van Turnus gewaarschout treet op ’t verlof van Latinus en de Raat sijn vyant te moedt om door haar beiden wapenen in een kampspel dese Staatverschillen neer te leggen. Hier op vergaderen Iupiter, Iuno, en de Hemelraat in de wolken, de Legers aan wederzyden, de Koning en sijn dochter Lavinia met veel staatspersonen op de wal, wachtende wie, als winnaer, de kroon sou dragen, en de Konings dochter ten troon geleiden. Eindelijk kriigt Turnus op ’s hemels raatsbesluit de nederlage, en wert ten grave gevoert: Daar Eneas als Vader van Latium na sijn overwinninge en huwlijx- [fol. *8r] dagh met de Konings dochter, wert door toestemmingeVan Iupiter en Hemelraat in de wolken opgenomen, latende aan sijn soon Askaan ’t lantbestier en de opbouw van Alba.

’t Toneel speelt in Latium, op de gront van Alba. Begint met de belegering, en eindigt met den hemelvaart van
                                            ENEAS.



[fol. *8v]

PERSONAGIEN.

VENUS, Eneas Moeder.
ENEAS, een lantverdreven Vorst.
ASKAAN, sijn Soone.
LATINUS, Koning van Latium.
LAVINIA, Konings Dochter.
TURNUS, ’s Konings neeve.
ACHAAT, Veltoverste van Eneas.
JUPITER.
JUNO.
HEMELRAAT.
PRIESTER.
KUPIDO.
IDMON, Bode.
’t LEGER.
REY van Latijnsche en Troische Burgeren.

Continue
[
p. 1]

ENEAS
Of
Vader des Vaderlants.
____________________________

HET EERSTE BEDRYF.

Venus, Eneas, Askaan.

ENeas, mijne Soon, en gy Askaan, die de Ouderen
    Een leidstar strekte; toen op uwe Vaders schouderen
    Anchises uyt de brant van Trojen wiert getorst.
    Hier sietge Latium; dat lant, daer gy ten Vorst
    (5) En Bouheere ingewijt een werelt-stad sal stichten,
    De kroon van Alba; daar de sluyer kronen swichten,
    En offeren haar schat. Den Morenhuit bevlekt.
    Brengt al uyt Indus kust wat ons ten opbou strekt:
    Wijl u den Hemelraat ten Bouheere innewijde.
Ene. (10) En of nu Juno hem dit meesterstuck benijde.
    De booswicht, die uw stad heeft te ondergang gebracht
    Door Grieken, en de smaat van Ganimedes tracht
    Aan de overblevenen te wreken vol van toren,
    Had voor Sicilien mijne onderganck gesworen:
    (15) Toen sy den dwarrelwint uyt Eolus gebiet
    Opmaakte, en onse Vloot op scharpe klippen stiet,
    Om ’t heiligdom gevoert uyt Trojen te overrompelen,
    En Ilion in de Tirrheense Zee te dompelen,
    Of met den Blixemstaf te schenden in een dag.
    (20) Ten zy ’t Neptuin niet had gestuit door Zee gesag,
    Haer wraak, die ons noch dreigt, was uytgevoert met schennis.
[p. 2]
Ven. ’t Is wel gebeurt: maar niet bestemt met Goden kennis,
    De Hemelraden sijn al teffens op uw zy.
    Waak op mijn Soon, gy siet hier Turnus heerschappy
    (25) In Latium, dat u ten deel viel, triomfeeren.
    Den dwinglant moet aan kant wilt gy den staat beheeren,
    En in uw Soon Askaan uytbreiden ’t lant gesag.
    Ick Venus, die veel meer by Hemel-Goôn vermag
    Als Juno, die Jupijn verstrekt een bedgenote,
    (30) Sal Turnus op ’t besluit der Goden ’t Rijke uytstoten;
    Soo niet uw laf gemoet mijn voorneem werpt in’t war.
Ene. Vrou Moeder gunme dat ick u genaak van verr’
    Met raadt te plegen. Hoe sou ick dat best beginnen?
    Of ’t averechts besloeg? men moet eerst recht besinnen.
    (35) De Raat heult op sijn kant. Wy loopen halsgevaar.
Ven. Men rukke, als ’t donker wert, de Legers by elkaar
    Met een bedekte tromme, en swijge voor de helden
    Waar ’t op gemunt is, of waar de aanslag op sal gelden:
    Soo ’t ons geluckt, soo sijn wy meester van de Stad,
    (40) Daar Turnus ’s Lantsgesag dus lang op ’t kussen sat,
    En weet de Raat de mont met honig te overstrijcken.
    Wie yet gewichtig wil uytvoeren moet niet wijken.
    Ick sie Latinus kroone aan u, gy Dardaner
    Waak op. hoe dus? gy siet den vyant; maar van verr’.
    (45) Eneas, die de naame en daat voert van kloekmoede
    Waak op. ’t is tijt: of ’k sie uw vyant op sijn hoede.
Ene. Soo Juno met ons vocht, soo vreesde ick geen gevaar.
Ven. Jupijn is met ons, en ’t bedrogh, de nacht, die naar
    De Burgerye in ’t slaap gewiegt heeft sonder sorgen.
    (50) Ick sie uw Zegenvaan voor ’t opgaan van den morgen
    Ten walle afwayen, en u op den Troon geset,
    Daar Turnus voor ’t gemeen op ’t Raathuis geet de Wet.
[p. 3]
    Die man moet eerst aan kant, dan salmen andren leeren,
    Wat straf haar toekomt die haar Heeren overheeren.
Ene. (55) En of dit staatroer nu eens draiden van ons af.
Ven. Gy sijt den erfgenaam van Vorst Latinus staf,
    Daar u den Hemelraat ten bouheere innewijden.
    Gy sult Lavinia na ’t bruilof bedde leiden,
    En op haar troone; als Turnus macht te niet gebracht
    (60) Hem siet in lantgesag ontwapent, en ontmacht.
    Hier is ’t verschille in staat. Hier is hy die vol tweedracht
    Als vyant soekt de kroon, die gy van over Zee bracht
    Uyt Asien gevoert tot hier in ’t lant: daar gy
    Door uwe Soone Askaan voltrekt de heerschappy
    (65) Van Alba, en de stad van Romen trots op muren,
    En Lant en Zeegesag tot schrik der na geburen.
    De kans dient niet versloft; maar in het werck gestelt,
    Soo wert de erf vyant als een Tyger in het Velt,
    Wanneer hy slaapt door uw Trojaners overwonnen.
Ene. (70) Ick sie ’t gerokkent: maar de draat niet afgesponnen,
    En of nu averechts dit zeil ging overslaan.
Ask. Soo wast met Trojen, en al ’t overschot gedaan.
Ene. De kans is licht bestemt: maar swaar om uyt te rechten,
    De Vorst Latinus soekt ons ongelijk te slechten,
    (75) En Vree te treffen. Sou ick Moeder als verraâr
    By nacht en onty ’t Heir dus stellen in gevaar?
    En banen ’t grau den wegh tot plonderen, en roven?
    Soo soumen meer mijn naam gaan lasteren, als loven.
    Soo quam de Burgerye en Latium ten been.
    (80) Soo was ick reukeloos verbastert van de reên.
    Niet hoger. Hoe een stad by donker te bevechten?
    ’t Is wel, soo wel lukt, en soo niet verr’ buiten rechten,
    En reden, ’t past u niet de wapen ga te slaan:
    Maar wel met Mavors in een minnenstrijt te gaan,
    (85) En ongeharrenast elkanderen te strelen,
[p. 4]
    En wat Natuur u gaf elkanderen mee te delen,
    En rusten sonder kleet te samen onder ’t dek,
    En met den beukelaar der liefden om de nek
    Een kus met wederkus, den rechten kus, te boeten.
    (90) Soo plagt u Vader. Ick Kreüsa te begroeten;
    Wanneerse my. Ven. Vaar voort. Ene. Ick voele een minnevlam,
    In ’t Leger met haar Soone Askaan te moete quam,
    De tijt, die ’t al verslijt gebietme hier te swijgen,
Ven. Soo de aanslag lukt gy sult Lavinia verkrijgen,
    (95) Latinus Dochter, en ten Bruitschat Vaders Kroon.
    Wat heeft een Minnaar van het lieffelose schoon;
    Wanneer hy deist te rugge, en de aanslag vreest te wagen?
Ene. Dese aanslag, die bestaat in ’t vechten, niet in ’t vragen,
    Misluktse my, mijn Hof en Kroone hangt daar aan.
    (100) Wy sijn uyt Trojen, ons verwonnen lant, gegaan,
    En uyt Kartago: daar gy, moeder van de minne,
    Ontstack een minvuur in Sicheüs Koninginne,
    En wijlse als Etnaas gloet, aan Suster Anna tracht
    Haar klacht te klagen, toont de minnekracht haar macht.
    (105) Waar vluchtge wijl ick volg, dit waren Didoôs woorden,
    Eneas met uw Vloot, terwijl de wint uyt ’t noorden,
    En winter-starre schijnt op een onstuime Zee?
    Toen gy ons in een wolke omringt sette op de ree
    Van Latium. Ick sag Kartaag en Junoôs toren
    (110) Den Vyant volgen ons van achteren en van voren
    Siet gy Vorst Turnus, die heel Latium beheert,
    En in de stad wert als een Opperhooft geeert.
    Dese aanslag, Moeder, dient niet rukloos aangevangen.
    Wat raadt Askaan mijn Soon? wy horen met verlangen.
[p. 5]
Ask. (115) Wat Moeder raadt, dat stemme ick met mijn wapen toe.
Ene. Gy spreekt onwyselijck, ick neemt van u ten goe,
    En sijt als Faëton in ’t mennen onervaren.
    De Wapens passen best aan wijse en gryse hairen:
    Men waagt soo licht geen Kroone op ’t raden van een Vrou.
Ven. (120) Vertroutge Moeder datse u qualijck raden sou?
Ene. Neen; maar een misverstant, daar voor ick ’t hooft sou stoten.
Ven. Laf harte, hoe? waak op, ’t is by de Goôn besloten,
    Dat gy de Erfvyant sult in Latium verslaan,
    En bouwen desen troon voor uwe Soon Askaan.
Ene. (125) ’t Besluit is wel: maar ’k sie in de uytvoer, dat my perste.
Ven. Vaar aan de sake, sy moet buigen, of moet bersten.
    En sammel niet, of ’k stel de kans aan ’t Leger voor;
    ’t Ontbrak Askaan, uw Soone, aan macht, niet aan gehoor.
    Daar komt Achaat, uw vriendt. die ’t licht geheim sal houwen,
    (130) Men sal oock hem de sake als Legervoocht betrouwen.
Achaat. Wat is hier gaans, datmen de hoofden steeckt by een?
Ven. Een aanslag.dat de stad by donker wert bestreên.
Ach. Ick schrikke. hoe by nachte Eneas macht te wagen,
    En waarom juyst by nacht, en waarom niet by dagen?
Ven. (135) Als Turnus slaapt, dan slaapt ’t gemeen met hem en rust
    In vrede, en niemant is op onse komst bewust.
    Soo trektmen ’s morgens vroeg na ’t Raathuys: daar de Vaderen
    Haar sien in macht ontbloot, eer sy met macht vergaderen,
    Eneas op de stoel van Turnus neergeset
[p. 6]
    (140) Met Vorst Latinus staf, in ’t aansien van de wet.
    Op parkement geprent; soo de aanslag ons gelukte.
Ene. En of hy sulcks bewust, sijn krijghsvolck samen rukte,
    En sloot de poort, wanneer ons Leger stont daar voor.
Ach. Soo wast gedaan met ons, en byster in het spoor.
Ven. (145) Men moet de saak soo diep niet insien, als verlegen.
Ene. Men tast geen stadt aan, of men moet al overwegen,
    Wat dat u voorkomt, of uw voorneem stuiten sal.
Ven. Dat dee de Griek niet, toen hy by de Troische wal
    Sijn lagen spande, en u by nacht had overwonnen.
    (150) De kans was uytgevoert, indiense was begonnen:
    Waak op, gy helden, ’t moet en salder nu mee door.
Ach. Wat segt Eneas? ick ben byster op dit spoor.
Ene. Men doet gheheim de Raat om raat by een vergaderen.
Ven. Men doet geheim ons Heir ’t kasteel en wallen naderen;
    (155) Soo wert den dwingelant verwonnen, en de stadt,
    En Vorst Latinus Kroon van u ter hant gevat.
Ach. En soo ’t mislukt uw Kroon, uw Hof, uw heldenwagen.
    Door reukeloos bestaan in Hectors graf gedragen,
    En Turnus sluimerende ontwaakt in Lantgesag.
Ene. (160) De Hemel hoede ons Heir voor sulke een nederlag.
    Wy gaan na ’t leger om de Erfvyant te overvallen.
Ven. lck moeder Venus wensch de Zegen aan u allen.

Rey van Latijnsche Burgeren,

ZANG.

WAt onheil nadert onse vesten
    Met een gedreigden Oorelog?
(165) Wie sal ons Latium ten lesten
[p. 7]
    Beheerschen na veel staat gedrog?
Wy leven in veel angste; en vresen
    Voor Turnus, en vrou Venus Soon.
Wie sal van beiden Lantvoogt wesen,
    (170) En erven Vorst Latinus Kroon?
De Hemel-goden die vergaren
Om staatkrakeel. God wil ons sparen.

TEGEN-ZANG.

Soo sitten wy aan beide zijden
    Als ’t Lam dat tusschen wolven staat;
(175) Wijl Juno, en vrou Venus strijden,
    Dees om haar Soon, die om haar staat.
Aan wie sal ’t roer van ’t Lant sig keeren
    Aan Juno, of aan Venus zy?
De Nijt, en staatzucht triomfeeren,
    (180) Elck haakt, en vecht om Heerschappy.
Indien ’t de Goden niet beletten,
Men sal ons Lant in oproer setten.

TOE-ZANG,

    Soo strijdtmen om Kreüsaas Soon,
Askaan, belooft door profecyen,
    (185) Dat hy Latinus Erve en Kroon
Beheerschen, en verre uyt sou breyen,
    Lijdt staat gevaar door Junoôs list:
Waar heen sal ’t Roer van ’t Lant sig keeren?
    Men vreest voor rampe en binnentwist,
    (190) De nijt en staatzucht triomfeeren.

Continue
[p. 8]

HET TWEEDE BEDRYF.

Iupiter. Iuno.

VRou Juno, gemalin van Jupiter, den God
    Des Donders, die ’t gesag des Aartrijxs viel ten lot,
    En d’Hemel op mijn wenk soo snel, als winden wayen,
    Doe op haar midden punte op zuide en noort-star drayen.
    (195) Spreek op, ick sweere u by mijn hant, dees blixemstaf,
    Uw eisch te volgen, die uw bede noit sloeg af.
    Wat sou mijn oppermacht haar bedgenote weigeren?
Iun.. De Troische volken, die haar Lant-paale oversteigeren
    Met Vorst Eneas, mijne Erf vyant, Venus Soon
    (200) Laat Didoôs stad, en tracht in Latium een troon
    Te timmeren; daar hy ontworstelt vuur en baren
    Sal heerschen in sijne erfgeslacht dryhondert jaren.
    Ons heugt noch, hoe sijn broeder Paris sonder trou
    Als gast verraste, en roofde Menelaüs vrou:
    (205) En hoe hy Ganimedes eere tracht te ontluisteren,
    En Samos, Junoôs lant, in aansien te verduisteren.
    Dit ’s de oorsaak dat ick haat dit volk, dat gy bemint.
    Soo nu Saturnus Soone en Bedvrindin besint,
    En hout, gelijck betaamt, sijn woort, en eedt gesworen
    (210) Aan my, soo laat dit volk van Trojen gaan verloren,
    En om Lavinia den lant verdreven Helt
    Door Turnus sijn vermant in ’t Italiaansche velt.
    Hoe, keertge ’t aansichte af, en weigert my te horen?
Iup. Ick sloot voor Juno noit mijn harte, noch mijne ooren:
    (215) Maar nu sy halsterk blijft op hare wrake staan,
    Nu deise ick, en dit was by Hemel-raat beraân;
[p. 9]
    Dat dees Trojaan, uyt een Goddinne voort gesproten,
    Sal bouwen Latium, en Turnus ’t rijke uytstoten.
    Vergeefme, ick sla ’t versoeck van u ongaren af.
Iun. (220) Daar legt dan ’t Purperkleet, mijn parelpruicke, en staf,
    Mijn pauwenstaart vol moedt, mijn leeuwentroon verbolgen
    In gramschap, nu ick moet der goden wille volgen.
    Ick voere een groote naam: maar voere een klein gesag.
Iup. Ick sweer by ’t starrenkleet, en wat mijn Kroon vermag,
    (225) By blixemstaf, vat aan, uw Godlijkheên ten vreden
    Te stellen, of door wrake, of door hooghwichte reden
    Hoe Juno? hoe, is ’t ernst? wy staan met recht vol vrees,
    Wat komt u over, dat gy dus in gramschap rees?
    Ten past geen Godheit hare driften plaats te geven.
Iun. (230) Noch minder past Iupijn Latinus, en sijn neve
    Helt Turnus, Koning van de Rutulers, vol moet
    Uyt ’t lant te drijven, en dit volk uyt Faunus bloet
    Gesproten in de macht te brengen der Trojanen.
Iup. De goôn, vergadert toen de Griexsen Oorlog-vanen.
    (235) En Sinons list de stad van Trojen had vermant,
    Beloofde Askaan de Kroon van Latium, en ’t Lant,
    Dat gy hier siet, noch woest vol boeren huts, en tenten
    Te bouwen; en in hem Eneas moet te prenten.
    Dit volke, en velt noch onbeploegt, waar door de vloet
    (240) Des Tybers loopt, gepaart met ’t dardaneese bloet
    Sal by de stroom in ’t lant de Hooft-stad Alba stichten,
    En Romen, groot van roem, daar soo veel Outaars lichten
    Dryhondert kerken, en Jupijn wort opgericht
    Een beelt van gout, daar ’t volk en priesterdom voor swicht,
    (245) En u een Tempel daar de vreegesinden paren,
[p. 10]
    Of spuwen haren gal in ’t huwen van de altaren.
    Soo wert een stad gebout die andre steên bevecht,
    En trots op wallen, macht, en goet, en moet, en recht.
    Die tot in ’t oost, en west haar lantpaale uyt sal breyen;
    (250) En Indus swarte kust, en Asien bestryen,
    En met een heir te lant, en met een vloot ter zee
    De Werelt dwingen, en al de Eilanden in vree
    De hant biên, en al ’t eelst dat oosten kon bevatten
    Uyt plonderen, en hier heen voeren Ganges schatten.
    (255) Al wat de gout-mijne, en Natuur houdt in bewaar
    Verstrekt tot opbou van de kroone en Adelaar.
    De marmersteenen, daarmen sweet noch koste aanspaarde,
    Toen Trojen wiert gebout, gehouwen uyt ter aarde
    Versterkt de walle, en stut het Raathuis; daar de Raat
    (260) Vergad’ren sal, als sy uyt Ianus tempel gaat,
    En lant en zeegezag met wapenen bewaren.
    Dit wiert besloten, wijl de hemelgoôn vergaren.
Jun. En sonder my bestemt, en teffens uytgevoert?
Jup. Uw haate bleek; toen gy de winden hadde ontroert
    (265) Op de Tirrheense zee; en ’t heyligdom geworpen
    Van klip op klip, om ’t volk van Trojen in te slorpen.
    Wie wraak soekt en geen recht moet blijven uyt de Raat.
Jun. Soo spraktge niet; toen u de wrogster van dit quaat.
    Vrou Venus naakte met hare open schoot en armen,
    (270) En bad Iupijn, dat hy Eneas sou beschermen.
Jup. Niet my: maer al de goôn. Men roeptse vry by een
    En Mars, en God Neptuin, die zijn hier in te vreên.
    Sta af, en onderwinde u niet ’t besluyt te breken.
Jun. En onderwinde u niet meer sonder my te spreken.
    (275) Ick voer soo wel een staf als Mars of Lucifer,
    En sitte aen de ander zy ten troon van Iupiter.
    Vergeetmen erfrecht dus dat Iuno behoorden?
Jup. Getrouwe, die Jupijn, den hemelgloet, bekoorden;
    Toen gy met Venus riem genaakte ’t starrendak.
[p. 11]
    (280) En in de God des vuurs een minnevuur ontstak.
    Mijn wederglansse vaak geliefkoost in dese armen,
    Gekust en weergekust; die ’t aartrijk kon verwarmen
    Door uwe schoot, en kruyde, en bloeme, en geel saffraan,
    Als gout, en hyacinth vol purperverw doet staan
    (285) In ’t velt, en opgaan een tapijt. de swangere aarde
    Verwint de kunst, nu gy beswangert in haar baarde
    Een nieuwe lente, en my gekoestert in uw schoot
    Met morgendauwe, als uyt een lauwerbosch, begoot.
    Kom, naakme met een kus, eer hier de Goôn verschijnen.
Iun. (290) De kus was lieflijk; waar mijn harte sonder pijnen.
    Ick kniele, en kusse uw hant begunstigt, mijne beê.
Iup. Schep moet: rijs op mijn sonne, en stelle u hart te vree,
    De plichte, en liefden bint mijn plichte telkens nader,
    Gy sijt de moeder van ’t gantsche aartrijk, ick de vader,
    (295) En al wat wert bestemt wert uytgevoert door my.
    Kom, volg my na de troone en neem de rechter zy.
    Daar komt Vrou Venus met den hemelraat ten toone.
Iun. So komt mijn vyandin, de voorspraak van haar Sone,
Iup. Men sette in dese kringe op ’t starrendak haar stoel.

Venus. Hemelraat.

        (300) Wy knielen voor Jupijn, en Juno; wijl ick voel
    De gramschap, die haar borst een wijl hadde ingesogen.
Iun. Vertrekt van hier, gy sult uwe oogmerk noit beoogen.
    Wat oorsaak drijft uw soone uyt Asien, ’t oostpalais,
    En voert in Latium sijn krijgsvolke, en sijn reis?
    (305) Was ’t niet genoeg voor hem Kartago te braveeren,
    En door sijn wapenen de Zeestad beheeren?
    Dat hy, die ’t leger heeft alreede in ’t velt gebracht
    Na de opperheerschappye, en Turnus kroone tracht.
Iup. Bedaar Vrou Juno in uw hevigheyt en toren.
Iun. (310) Ontsluit gy Jupiter voor ’t basterzaat uwe ooren?
Iup. Wat lastert gy Goddinne Iuno? Iuno swijgt.
[p. 12]
Hemelr. De wil der goden wil dat hy Latinus krijgt
    In sijne dwang, en schopt Vorst Turnus uyt den zetel.
Iun. Hoe spreeckt den Hemelraat dus halsterk en vermetel?
    (315) ’t Gesag des Aartkloots, en haar welstant hangt daar aan
    Soo Jupiter, en gy begunstigt den Trojaan.
    Wat onrecht queekt uw borst met adderzogh van binnen
    Seg, Hemelraden? sooge Eneas laat verwinnen
    De stad, en Turnus die de staat een toevlucht strekt,
    (320) Soo sietge een bloetbad in den Tyberstroom, bedekt
    Met lijk op lijk. Men dacht op Oorelog noch tweedracht,
    Eer gy den vyant uwe Soon hier op de ree bracht,
    En ’t vreedsaam volke had gewaarschout met den slag.
    Wat segt Jupijn, de God der goden in gesag?
Iup. (325) Och Juno, laat uw wrake, is ’t mooglijk, wat versetten:
    Men kan dit nootlot niet herroepen, noch beletten,
    De goden sien u met de nek aan, en ’t palais
    Des Hemels schudt bedrukt om sulk een straffen eisch.
    Bera u, en sie toe, ’t is reukloosheit te schennen,
    (330) En lochenen ’t besluit der goden, of te ontkennen.
    Voor goet gekeurt, en in te dringen een versoek:
    Soo haaltmen op den hals lichtvaardig ’s hemels vloek.
    Verander van beraat, en geeve uw toestem mede.
Hemelr. Wy sijn aan u, en gy aan ons verplicht met eden,
    (335) En sonder uw besluit wert noit yet uytgericht.
Iun. Gy Hemelraden, hoe? voldoet gy dan de plicht
    Die u betaamt, wanneer gy sonder raat te vragen
    Laurentum hout beset en Latium gaat plagen?
    Dit ’s Turnus lant en vorst Latinus erf; daar gy
    (340) Eneas moedigde om een opper heerschappy.
Ven. Wat porden Juno tegens ons en onse standeren?
Iun. Gy kunt de vloote in soo veel Nimfen doen veranderen,
[p. 13]
    En voeren uwe Soone omtogen in een wolk,
    Wijl hy de straf verdient, uyt macht van ’t Griexsen volk.
    (345) ’t Is billijk, dat ick toon mijn hulpe aan de Latynen.
    Wat porde u, en uw Soone in Latium te verschynen,
    Daar gy te Pafos hebt een hof, en bosch, en bron,
    Daar Jupiter en Mars vermaak schept, en de son?
    Wat doet gy hier ten lant, en stookt uw krijgs-trompetten
    (350) Om Asien en gansch Europe in roer te setten?
Hemelr. Och Jupiter, wat raat? wat dreigt ons rampe en druk?
Iup. Men stelle de uytval aan het wankele geluk.
    Ick keere aan Venus, noch aan uw vrou Junoôs zijden:
    Maar sie, elk even na, de legervoogden strijden.
    (355) Vertrekt gy Hemelraat, en Venus neem de reis
    Na ’t hof dat gy beheert. wy gaan na ons palais.

Latinus. Lavinia. Turnus.

Tur. Latinus, Faunus Soone, ick kusse uw troone en voeten.
    Ick dank den hemel van Lavinia te ontmoeten.
    Ick kusse u met een kus, en soo ick meer vermag,
    (360) Ick wensch door desen kus met u mijn bruilofdag.
Lat. De min, die Turnus toont, trekt Vader in bedenking.
Lav. Ick wensch, dat noit sijn min heer Vader strekt tot krenking.
Tur. Wat donder waarschout my in de ooren met de slag?
Lat. Wat blixem dreigt ons lant door min en staatgesag.
Lav. (365) De Soon van Venus komt Lavinia versoeken.
Tur. Dat sal ick Turnus noit gedogen: maar eer vloeken.
Lav. En ick sal ’t nootlot, en mijn Vaders wille doen.
Lat. Men moet hier veinsen; en de minne in ’t harte voên.
[p. 14]
Tur. Dat ’s licht te segghen: maar seer swaar om uyt te harden.
Lav. (370) Wat sal in Latium van dese min noch werden?
Lat. Een staatkrakeel met hem, en met Vrou Venus Soon.
Tur. Soo baantme een vremdeling den weg na Vaders kroon.
Lav. En of de Goden nu dit huwelijk verstonden?
Lat. De saak dient uytstel eer de bant werdt vast gebonden.
Tur. (375) En ick gedulsaamheit, of wapen my ten strijt.
Lav. Wie noch sijn drift niet weet te dwingen, leeft vol nijt.
Lat. Dat past u Turnus niet uyt adeldom gesproten.
Tur. Een braaf gemoet laat sig in ’t minnen niet verstoten.
Lav. Gy kunt in Daunus rijk ten kusse en keure gaan.
Lat. (380) Geen adelspruite sal Latinus neeve afslaan.
Tur. Dat sietmen hier van u, mijn bloetverwants, gebeuren.
Lav. ’t Geschiede uyt vreese om niet ons lantgesag te scheuren.
Lat. Dat tuigt den tyber na twee nederlaags vol bloets.
Tur. Wat nederlage treft nu Turnus onverhoets.
Lav. (385) Uw jammer deert ons; neef, schept moedt in tegenspoeden.
Lat. Och! wijk hem om ’t gemeen voor onheil te behoeden.
Tur. Soo gunme dan een graf, daar niet mijn troon mag staan.
Lav. De stad gedoogt niet dat gy strijdt met den Trojaan.
Lat. De smart, die gy voelt, voelt de weersmart in mijn harte.
Tur. (390) Soo voelt Latinus dan, als ick sijn hart vol smarte.
Lav. En ick meer tranen, och! waar ’t anders ’t was mijn sin.
Lat. Hoe meer ick peins, hoe meerder ick de saak sie in.
[p. 15]
Tur. Ai wil toch Turnus niet verflauwen, noch bedroeven.
Lav. Ah Neef, spreek niet soo trots, gy nijpt mijn hart met schroeven.
Lat. (395) Bedenk u noch, en kies hier ’t veiligste van twee.
Tur. Ick achte ’t veiligste, dat ick hem tegen tree.
Lav. Soo spreekt een moedige, wanneer hy dwaalt in oordeel.
Lat. Soo spreekt uw drifte en niet uw yver tot ’s lants voordeel.
Tur. Wat eischtge dan? ick sorge, ick sorge een ongeval.
Lav. (400) Ick sorge dat uw moedt en bloet ontvallen sal.
Lat. En sien de vyant Vorst Eneas op mijn troone.
Tur. Soo zijtghe recht ghekroont met soo een bastaart soone.
Lav. Gy siet mijn Vaders hart, dat voor u sorgt, en peinst.
Lat. Ghy siet mijn raat, en daat, die u niet haat, noch veinst.
Tur. (405) Dat blijkt niet, wijl gy soekt mijn vyant in te halen.
Lav. Wie sorgh draagt voor de stad kan in sijn ampt niet dwalen.
Lat. De welvaart van ’t ghemeen gaet boven eighen bloet.
Tur. Soo vaart ’t gemeen wel als ick qualijk varen moet.
Lav. Met reden; en men moet sig aan sijn volk verplichten.
Lat. (410) En, soo ’t moet wesen, in gesagh Eneas swichten.
Tur. Latinus sluimert gy? ’k bedanke u raat hier voor.
Lav. Soo volg al sluimerend mijn Vaders lesse en spoor.
    Daar komt Idmon verbaast, wat brengt de bode ons mede?
Idm. Een bootschap niet verwacht maakt ’t hof, helaas te onvrede.
Lat. (415) Spreek op. wy horen met verlangen watter broeit.
[
p. 16]
Idmon. Wijl ick van daagh mijn reis had na de stad gespoit,
    Vernam ick ’t leger van Eneas, dat verlegen
    Wanneer den dagh op ging verstroyt lag langs de wegen.
    Men rukten als een wolk soo snel het volk by een,
    (420) Dat teffens, soo my dunkt, was moede en afgereên.
    Soo plagh den jager sig te reppen, en sijn oogen
    Op ’t spoor te slaan; wanneer een hart hem was ontvlogen
    En toorenigh sijn paart te rukken by ’t gebit.
Lav. Ick schrikke voor ’t verhaal, och! Vader, wat is dit?
Lat. (425) Och! Turnus geef ons raat, daar schuilt in ’t velt een slange.
Tur. Men wapen sig betijts om dit gedrogh te vangen
    Met tegenweer. waak op Latinus. ’t is hoogh tijt.
Lat. En gy, Amates Soon, maak dat gy moedigh sijt.
Tur. Ga Idmon, bootschap dat ick vaardig ben tot vechten.
    (430) Wy sullen hant voor hant dit staatkrakeel beslechten;
    Eer hy sijn heir op ’t volk, hier inne onnosel, voert.
    Dat niemant uyt de stad, als ick, sijn wapen roert.
Lat. De gunst der Goôn wil ons, en u op wegh geleiden.
Lav. Sy gunt dat dit de stad ten besten magh gedeiden.

Continue

HET DERDE BEDRYF.

Eneas. Askaan. Achates. Priester. ’t Leger. Latinus. Lavinia.
Turnus op de wal.

Ene. (435) MEn slaat hier ’t heir neer by de stroom voor vyants wal.
Lav. Hy nadert, Vader, och! ick vrees voor ongeval.
Lat. Men stutte, eer ’t hooger loopt, de paarden en dees tweedracht.
Tur. Gy weet en Latium, hoe Turnus na de vree tracht,
    En soekt de lantplaagvan uw wallen, en uw stad
[
p. 17]
    (440) Te keeren: maar vergeefs is dit ter hant gevat.
    Men maakt nu overslag om hem uyt ’t velt te jagen.
Lat. Trouharte Neef, gy hoort hier stadt en wallen klagen,
    En de ingeseten kermt van ’t een tot ander endt.
    Gy siet den vyant, en sijn leger hier omtrent
    (445) De poorten nadren om de huisgoôn te overwelden.
    Gy siet mijn hooftstadt, en Heer Vader Daunus helden
    In eer gekrenkt, en ons besloten in een muur
    Van vorst Eneas, uwe erfvyant, en gebuur,
    Den veltheer aangestookt door onbedachten raden
    (450) Omringt de stadt, de stroom, de poorten, en de paden.
    De Hemel hoede voor een oproer ons gemeen.
Lav. Men stuit, wijl Sisyfus aan ’t rollen is, den steen;
    En soekt de vrede met vrou Venus Soon te treffen.
Tur. Men sou sijn staatsucht niet versetten: maar verheffen,
    (455) ’t Is om den kroon te doen, dat hier dees Frygiaan
    Komt voor uw stadt, en neemt om staat de wapen aan.
    Men heeft een tijt lang dese vremdeling gehanthaaft,
    En toegelaten dat hy op Latinus lant draaft,
    En hem versterkt, en ons vermindert in gesag.
    (460) Ick sie van Iupiter dees Faëton den slag
    Gegeven, dat hy stort in Padus stroomen neder.
Lat. Men rukke de arend uyt sijn vleugel wel een veder:
    Maar niet degansche wieke uw vyant is te sterk.
Lav. De stadt schijnt rouwigh, en swaarhoofdigh om dit werk.
Lat. (465) Men soeke een vreeverbont te treffen, ach mijn neeve.
Tur. Ick sal hem, eischt gy dit, mijn lijf en leven geven,
    Soo sulxs de stadt verstaat. men opent my de poort.
Lat. Dat ’s ongeraden. neen, men doet dit door een woort
    Van een, die in verschille aan wederzijden neigde.
Tur. (470) Sout gy de staatsucht, die voor stadt en walle ons dreigde
    Als vriendt ontfangen, en gedulden sonder bloet
[p. 18]
    Te storten, dat ick laat mijn kroone voor sijn voet
    Gevallen? hoe sijt gy verbastert dus van liefde,
    Die Vrou Amate, mijne Moeder in u griefde?
    (475) Ben ick niet na uw doot den rechten erfgenaam
    Van ’t lant, en op den troon tot staatgezag bequaam?
    Of heeft dees Dardaner wel opgetoit in kleden,
    En ’t hair gekrult, en met blanketsel sijne leden
    Gesmeert, meer moedt en machte, als ick uw naesten Neef?
Lat. (480) Mijn hairen trillen, ach! Lavinia ick beef
    Om Turnus. Wie van beiden sal de minsten wesen?
Tur. Die oorsaake is, dat dit krakeel was opgeresen
Lav. Uw hoogmoet dient verkleint voor een Goddinnen Soon
Tur. Wiens hooghmoet staet bedekt uw Vader na den kroon.
    (485) Heeft dan mijn raat geen plaats,daar ick in lantsgevaren
    Tracht, als een Raatsheer past, uw vrydom te bewaren?
    Lavinia hoe dus bekreten? staak uw rou:
    Men roept noch na mijn doot hy sterve ’t lant getrou.
    Ick wille om uwent wil de wapen nederleggen.
Lat. (490) Wat sou den Rutuler en ons vermaagschap seggen?
Tur. Dat ick onwaardigh ben uw kroone, en Daunus erf,
    Die dus lafhartigh leeve en om geen kroone sterf.
    Wie van sijn volk wil sijn als Vader aangebeden,
    Moet tonen dat hy heeft voor ’t Vaderlant gestreden.
    (495) Getrouwe staak hier uw swaarmoedigheit en beê,
    Vyanden van mijn roem. ick sal op desen stee
    Een troone opbouwen, of dees dagh ten grave varen.
    Men doet vast op de wal de stadt by een vergaren,
    Dat yder siet aan wien ons lantgesag sig keert.
Lat. (500) Ick vrees, dat Turnus door Eneas wert beheert.
Ene. Derft Turnus noch soo trots mijn moedigheit braveeren?
    Soo ’t langer duerde ick sou mijn harte in haat verteeren.
    Waak op Askaan, en hout ons leger in den toom.
    Schept moet, of Juno tracht ons by den Tyberstroom
[p. 19]
    (505) Voor Turnus macht verbluft en ’t heir uyt ’t velt te drijven,
    Men wijkt niet, voor de stadt belooft ge trou te blijven,
    En geeft de Erfvyant in ons macht; met een de kroon.
    Hoe dus? beswijkt gy, hoe? sijt onbeschroomt mijn Soon.
    Soo dunkt my hoore ick steets mijn Moeder Venus roepen,
    (510) En moedigen in ’t velt de moedeloose troepen,
    Nu de aanslag weigert, en ’t geluk blijft Turnus by.
Ach. Ick vrees, ick vrees dat ons ten quaatsten dit gedy.
    Waer blijft nu Venus die de kans beston te wagen?
    Men mocht dees stouten tocht ten laatsten wel beklagen.
Ask. (515) En bouwen ons een graf in ’t wasschen van de vloedt
    Dees Tybers, daar Jupijn ons leger voor behoedt.
Ene. Och Soon, hoe spreektge dus? wie treft dees rampen nader,
    En ’t ongeval, als mijne Moeder, en uw Vader?
    Ick swoer voor henen niet te wijcken hier uyt ’t velt
    (520) Voor Turnus, ’s lants gesag, was in mijn macht gestelt.
    Aanvaar dien last, en laat met ons u niet verdrieten
    In ’t velt te blijven, wilt gy Latium genieten
    Als opperhooft: ’t gedye ons hof tot schade en schant,
    Indien gy keerde, eer dat de Erfvyant is vermant.
Ask. (525) De sorge en toesigt dreigt ons volk een sware laste.
Ach. De reukeloosheit, die geen legervooghden paste,
    Wert teffens uytgevoert door een staatsuchte Vrou,
    Die ’t heir in vrede voerde in Latiums landou.
    Daar noemtme u Faëton: wiens reukeloose stoutheit
    (530) Askaan niet past, veel min uw middeljarige outheit.
    De tocht valt arrechts uyt en dreigt uw hof veel scha.
Ene. Het rust hier noch niet by. De sorge komt te spa.
    Waak op, Askaan. schept moet. al loopt de kans ons tegen.
    Schept moet Achaat, en steun als eertijts op uw degen,
    (535) Die Agamemnon, ’t hooft van ’t Griexsen Leger sloeg;
[p. 20]
    En onse vyant van de walle aan de oever joeg.
    Ick ga u voor, en vecht tot welstant van den borger.
    Ick strekke een Vader voor ons volke, en ’s lantsversorger.
Ach. De Hemel geeve u hier een oppersten gesag.
Ene. (540) De Hemel geeve Achaat meer als mijn wensch vermag,
    En breije tot de Eufraat sijn hof uyt, en sijn stamme.
    De Priester en ’t autaar verwacht een offervlamme
    Vrou Iuno toegewijt. Men slachte een witte stier
    Met gulden hoorenen, of geeve een bigge aan ’t vier,
    (545) En offer ’t brantaltaar een schaap noch noit geschoren.
Priest. So wert ons volk verlost van Iunoôs haat en toren.
Ene. Wel Priester laat de vlam tot aan de wolken gaan.
Ach. Men brengt hier offerschaals, en soute vruchten aan.
Ach. En geeft den Tempelier de slachtbijle in sijn handen.
Priest. (550) Men brengt hier wierook om op ’t brantaltaar te branden.
Ene. Ick sweere by dit staal, mijn uytgetogen swaart,
    Noch root van ’t Griexschen bloet, by sonne, en by dese aardt,
    Daar ick op sta. Gy Goôn, sijt tuigen van mijn woorden,
    Dat ick om Turnus kom, die ’t lantgesag bekoorden.
    (555) Almogende Iupijn, en gy Vrou Iuno, hoor
    Saturnus dochter, en God Mars ontsluit uwe oor.
    Gy bronnen, beken, en revieren, die hier vlieten.
    Soo Turnus de overhant komt in de slag genieten;
    Soo sal Askaan, mijn soon, verlaten Daunus Rijk,
    (560) En overwonnen straxs gaan na Evanders wijk,
    En staken de oorelogh in ’t weigeren van zegen.
    Soo ’t anders uytvalt, en ’t geluk lauriert mijn degen,
    Gelijk ick hoop, soo sal den moedige Italjaen
    Geen slave sijn: maar als vrywillige onderdaen
    (565) Gehoorsaam wesen, en met eenderhande wetten
    Gebonden, staag in pais opgroeijen, en voortsetten.
    Ick voer de Godsdienste aan, Latinus voer ’t gesag
[p. 21]
    Van ’t lant, en wat de kunste en wapenschool vermag.
    Hy die den blixem voert, wil ons verdrag toe juigen.
    (570) ’k Raak ’t autaar aan, en roep de Godtheên tot getuigen,
    Dat geen dagh Latium beroven sal van vree,
    Noch geen gewelt mijn oyt veranderen van steê.
    ’t Loopt soo het wil, al viel ’t gansche aartrijk in de golven,
    Of dat den Hemel lag in Tartars poel bedolven.
    (575) Ick blijf gelijk ick sweere, en geeve aan ’t lant mijn bloet.
    Gy helden trek uw swaart, beloofme uw plichte en moedt.
Ask. Ach. wy sweeren trou te sijn, ’t sy oorelog of vrede.
Leger. Wat ’t hooft van ’t leger sweert, dat sweert ons leger mede.
    Soo doet gy ’t geen de plicht vereischte in oorlogsliên.
    (580) Wat vreemde gast komt hier onse offervlam bespiên.
Idmon. Ick Idmon op versoek van Turnus brenge u mede
    Dees bootschap: dat gy Vorst uw swaart laat in de schede,
    En spaar de stadt, die ’t hooft van Latium verstrekt.
    Men sag ten walle af, hoe uw leger ’t velt bedekt
    (585) En by de stroome toont sig vaardig in slagorden.
    De Moeder Venus die uw heir en staatzucht porden
    Een kans te wagen op Latinus erfgebiet,
    En trachte Eneas op den troon te voeren, siet
    De kans gekeert, en u die Latium gaat plagen
    (590) Door Turnus voor de vuist in ’t open velt uyt dagen.
    Dit ’s de oorsaak van mijn komste, en ’t antwoort staat aan u.
Ene. Wat komt ons over, hoe? Achaat wat ’s dit? hoe nu?
    Derft Turnus even trots mijn swaart noch in de schede
    Uyt dagen, en verlangt met ons in ’t velt te treden?
    (595) Ick barst van toren en mijn harte scheurt van spijt.
Ach. Ick raade datmen hem geen uytstel geeve in strijt:
    Maar tegentrekke, en ons gereet in ’t velt laat vinden.
[p. 22]
Ene. Wel, breng dees bootschap hem die dit derft onderwinden,
    Dat wy hem wachten voor de stadt van uur tot uur.
    (600) De Hemel geeve ons vrede, en schenkke soet na ’t suur.

Latinus. Lavinia.

    De sorg der Goden wil mijn Neeve op wegh geleiden.
Lav. Het viel my, als een steen op ’t hart, toen hy in ’t scheiden
    Mijn mont benatte met de tranen van sijn wang,
    En ’t oog sloeg troonwaarts. hoe viel de afscheits-uure bang
    (605) Voor Turnus? wijl hy sprak, ick soeke in ’t velt mijn haven:
    Maar in uw schoot daar legt mijn harte en ziel begraven.
    Wat wil dit, dat mijn neeve, een helt voorheen vol moets,
    Noemt ’t velt sijn haven? Ach! dit voorspook spelt niet goets.
    En waarom juist mijn schoot hem tot een graf gekoren,
    (610) En niet in ’t hofkoor van Ardea; daar te voren
    Helt Perseus Moeder heeft de grontsteen neer gelegt?
    Dit baartme een schroom, dat ick sijn dootplaats wert gesegt,
    Die door mijn schoot sijn harte en leven vaak verquikte.
Lat. Ai dochter, set uw hart gerust, die ’t al beschikte,
    (615) En stiert, en onderhout, en leven geeft, en roert,
    En in ons lant, en ’t hart der Vorsten de oorlogh voert,
    Volvoert dit nootlot. Eer de middagson de kimme
    Uyt ’t hooftpunt siet sal een van twee de troon beklimmen.
    Sijn afscheitrede strekt ten besten van de stadt.
Lav. (620) Och, had hy desen tocht niet by der hant gevat;
    Maer dees verdreven Vorst onrfangen na betamen,
    Soo had hy hem niet in sijn nederlag te schamen,
    En uyt de omringde stadt te treden hem te moet.
[p. 23]
    De soon van Venus, die uyt Adelaren bloet
    (625) Van Jupiter geteelt sijn erfstamme op kan halen,
    Is meer als hy; wiens macht doet Turnus nederdalen
    Als de avontstar, wanneerse duikt in Thetis schoot,
    En ’t oog slaet op de son; wiens stralen ’s morgens root
    Opklimmen op de koets van Febus, en de paarden,
    (630) Haar viergespan: die God, wiens luister meer op aarden
    Vermag, en Latium hanthaafde na veel bloet,
    En gaf ons vrede na veel rampe en tegenspoet,
    Is Venus toevluchte, en Eneas als een Vader.
    Een naberouwe knaakt mijn hart hoe lang hoe nader.
    (635) Ach, had hy reukeloos dese uyttocht niet bestaan.
Lat. Schept moedt mijn dochter, ’t is vergeefs, wat vaart gy aan?
    En gaat uw hart ontroert door smart noch meer ontroeren?
    De tijt naakt, datmen hem ten schoutooneel siet voeren,
    En voor de walle in ’t oog des legers, van ter zy
    (640) De vyant naderen tot heil der burgery:
    Gelijk Actèon volgt de vreeslijke everswijnen,
    Soo volgt Neef Turnus na de Erfvyant der Latynen,
    En toont voor ’t volk, en Latium sijn reusenmacht.
Lav. Soo valt hy, die de troon der Adelaren tracht
    (645) Te niet te brengen, en yet swaarlijcks te overwinden.
Lat. Dit gruwelstuk sal hem beticht noit schuldig vinden.
    Ons lant; daar ’t uytheemsch volk na toevlucht, en nau weet
    Haar afkomste, en de naem hoe de eerste stichter heet
    Van Latium, volbout met steden en met dorpen,
    (650) Sag Venus soon hier als een lantvoocht opgeworpen
    Sijn leger voeren, en benauwen desen stadt;
    Daar hy, den vremdeling, noit eigendom in had.
    De Raat, en staat gekrengt hoopt dat dit heeneryen
    Van Turnus ’t lantgesag ten besten sal gedeijen.
    (655) Ick stemde de uyttocht toe, doch traag op sijn versoek.
Lav. Soo was mijn Vader en dese eischer even kloek.
[p. 24]
    Gy sag sijn hoogmoedt, die vaak aengehist de plichten
    Vergeten hadde, en noit voor hoger Vorst sou swichten.
Lat. Soo leert hy dan met schade of schant sijn meesterstuck.
Lav. (660) Indien hem treft, soo treft ook ons sijn ongeluk,
    En meest sijn nazaat, ’t hof der Rutulers, uyt oorsaak
    Dat Turnus Latium verstrekte tot een voorspraak,
    En daagt een Vorst ten strijt: wiens Moeder veel vermag
    By Hemelgoôn, en by het wereltsche gesag;
    (665) Dat bleek, toen hy de Griek van Trojens walle keerde,
    En Hector volgde, die de wapen overheerde
    Van Patroclus, hem van Achilles toebetrout.
Lat. Schept moedt, gy sult hem sien noch in een troon vol gout
    Op dagen, en sijn hooft met lauweren omvlochten;
    (670) Wanneer hy keert, en heeft Laurentum vrygevochte.
    Daar toe verleenen hem de goden heil en spoet.
Lav. Helaas! gy spreekt te vroeg, Och Vader, en schept moedt;
    Daar ’t onheil teffens dreigt de stadt staat te scheuren.
    De Burgery, gelijck een tortelduive aan treuren
    (675) Wanneerse een weerga mist, siet van de omringde wal
    De vyant naderen, en teffens ’t ongeval.
    Hoe sal mijn Neef den tocht vergaan? mijne ondertrouden
    Ick sterf van blijschap mogh ik u in leven houden.
    Wat smarte dreigt ons die ’s nachts groeide en daaglijx wies.
Lat. (680) Men sie ten walle af, waar ’t geluk keert en ’t verlies.
    Ick sal u leiden, kom mijn trouwe, mijn alwaarde,
    Die neffens hof en kroon mijn waarste sijt op aarde.
Lav. En gy mijn waarste, soo ick mis mijn Bruidegom.
Lat. Hofdienaars volg de rey. Men noemt hem wellekom,
[p. 25]
    (685) Wanneer hy keert uyt ’t velt. schept moedt, en weest te vreden
Lav. Of ick mijn tranen spaare, ick sucht niet sonder reden.

Rey van Latijnsche Burgeren,

SANG.

        WY pasten op ons ronde
            En slapen dagh noch nacht,
        Versuimen geene stonde,
            (690) Wijl vorst Eneas tracht
        De wacht, ons hoogh bevolen
            Te krijgen in gewelt.
        De Veltheer schijnt te doolen,
            Die als een slang in ’t velt,
        (695) Soekt Turnus, en meer Grooten
            Hem tegen in geluk
        Uyt Lantgesagh te stoten.
            Soo raaktmen onder ’t juk.

I. TEGEN-ZANG.

        De Veltheer met sijn raden
            (700) Siet recht noch reden aan,
        Kiest sorgelijcke paden
            Op eigen zucht en waan.
        Hy laat hem niet versetten,
            Of Turnus moet aan kant,
        (705) En tegen recht en wetten
            Verstoten uyt ons lant.
        Wat stookt de zucht tot kroone
            In dese Vorst vol moedts?
        Wy vresen Venus Soone,
            (710) Dit voorspook spelt niet goets.

[p. 26]

II. SANG.

        Men sal hem tegentreden
            Met Turnus, of met dwang
        En bieden ’t velt, of vreden;
            Dese oorlogh duurt te lang.
        (715) Soo boetmen best de schaden
            En schanden van de staat;
        Wanneermen hem, en Raden
            Dus raad’loos ’t velt uyt slaat.
        Den Hemel geeve ons ’t besten
            (720) In oorlogh afgemat,
        En keere van de vesten
            Den dwinglant van de stadt.

II. TEGEN-ZANG.

        Helt Turnus, ’s Konings neeve
            Is vaardigh op sijn paart,
        (725) Door kroonrecht aangedreven
            De vyant met sijn swaart
        Te trekken onder de oogen,
            En vechten om gesag;
        Twee Heeren van vermogen
            (730) Gedaghvaart tot de slag.
        De tijt sal de uytkomst leeren,
            En brengt ons haastigh by.
        Wat helt sal triomfeeren
            In de Opperheerschappy.

Continue

HET VIERDE BEDRYF.

Latinus. Eneas. Lavinia. Askaan. Achaat.
Latynsche Burgeren.

Burg. Lat. (735) Lang leeve Venus soon, ’s lants yveraar en Vorst.
    Men kroont hem met de kroon die Vorst Latinus torst,
    En geeve hem ten bruit Lavinia, princesse
[
p. 27]
    Uyt Konings bloet geteelt, de soon van een Goddesse.
Ach. Men noemt hem Vader van ’t verkregen Vaderlant.
Ene. (740) Achaat vertel ons, hoe de vyant wiert vermant.
Ach. Helt Turnus op ’t verlof van Vorst Latinus hefte
    Sigh op een paart; wiens wit het sneeuwit overtrefte
    Sijn hant gewapent met een schilt, en roode pluim,
    En ’t swaart van Mulciber gekoelt in Tartars schuim,
    (745) Die ’t Vader Daunus schonk: riep overluit. O Goden
    Gun Turnus hant, dat hy den Dardaner magh doden,
    Dees Frygiaan; wiens hair met poeijerstof bestroit,
    Een Mirrhe komt ten strijt van Venus opgetoit.
    Dit hoorde Eneas, die in ’t velt schuilde, en rechtschapen
    (750) Sijn Soone moedigde te volgen sijne wapen.
    Nu rees den dagh aan, en bestraalde ’t Krijghsgeweer,
    En viel op d’heuvel (die nu legt by Alba) neer;
    Daar Juno sat, en sagh voor d’hooftstadt der Latynen
    De moedt van Turnus en Eneas macht verschynen:
    (755) Nu klaagtse aan suster Jüturna haar geklacht.
    Gy weet, dus spreektse, dat ick Juno heb getracht
    Uw leet te wreken, en vergeefs Amates soone,
    Uw broeder ’t lantgesagh te geven, en de kroone
    Van Vorst Latinus met Lavinia ten bruit.
    (760) Nu dreigt den hemel ons een averechts besluit;
    Dit drong de nimfe een vloet van tranen langs haar wangen.
    Nu wierde ’t kampspel door Eneas aangevangen,
    Die met een schilt om de arm, en ’t gulde harnas aan
    Sloeg bey sijne arremen gewapent om Askaan,
    (765) En kust hem door sijn helm, en sprak. in krijghsgevaren
    Leert dapperheit van my; ô kint, noch jong van jaren,
    En volg Oom Hector, of uw Vader op dit spoor:
    Dus trekt hy na den strijt, en roept dit gaat u voor.
    Wijl Turnus deist te rugge en sonder spraak sijn sinnen
[p. 28]
    (770) Ontroert, spreekt woort gelijk: maar voelt de schrik van binnen
    En slaat sijne oogen op de veste en op de stadt:
    Daer suster roept, wat hebt ghy nu ter hant gevat,
    Keer weder, ’t is hoogh tijt. Och onbedachte broeder
    Hoor, Iüturna kermt, en sie de Geest van Moeder
    (775) Amate, ’s Konings vrou sigh wurgen met een strop.
    Haar keel is heesch. de tong slaat naulijxs uyt de krop
    De suchten, die haar harte uytbraakte, en stookt van binnen.
    Wijl yder hevigh om in ’t velt de kans te winnen
    De strijt begint, en soekt sijn vyant te verslaan.
    (780) Geluk en dapperheit verschynen hier ter baan.
    Gelijk twee stieren op elkaar de hoorens hechten,
    En op Taburnus top, of Silaas breedte vechten.
    God Iupiter hout vast de weeghschaal van ons rijk
    In sijn balans, en toont aan niemant ongelijk,
    (785) Wijl Venus stiert het swaart van Mulciber gegeven
    En helpt Eneas, en staat Turnus na het leven.
Lav. Die helt is waardigh my ten bruit en ’t lantgesag.
Ene. Getrouwe gunme dat ick u omhelsen mag.
Lat. Dat stemme ick Vader toe alleen aan Venus Soone.
Burg. (790) Hy blijve de erfgenaam van Vorst Latinus kroone.
Ach. En na sijn doot Askaan, de opgaande son van ’t hof.
Lav. Hoe liep toen eindelijk de saak met Turnus of?
Ach. ’s Lants uytgedient gesag, die Latium wilde erven
    Gevoelde een dootwont, daar hy straxs scheen aan te sterven,
    (795) Hy sloeg sijn oogen op de Olijf van Faunus neer,
    Wijl Iüturna weent om broeders doodt en eer,
    En rukt haar vlechte uyt en krapt haar bleeke wangen,
    En roept, rampsalige wat hebt gy aangevangen?
    Och Turnus! hoogh van moedt; hier legt gy by de stroom
    (800) Des Tybers in uw graft, terwijl gy mist den toom
    Van ’t lantbestier, en siet Eneas, Venus Soone
[p. 29]
    In Latium gevoert tot op Latinus kroone.
    Dit is de wil der Goôn, en ’t raatbesluit; dat hy
    Ten troone stijgt, en gy verlaat uw heerschappy:
    (805) Indien ick sterflijk was, uw suster, uw hooghwaarde
    Verleende een broeder haar geselschap onder de aarde.
    Soo klaagtse, wijl een schim bedekt haar Godlijkheên
    En met een zeegroen kleedt soo duiktse na beneên.
    Dit ’s de uytval van de strijdt en Latiums krakeelen,
    (810) De stadt in stilstant tracht haar vreugden mee te deelen
    Aan ’t Hof, de burgery sag noit een blijder dag,
    Als nu sy Turnus siet verwonnen in de slag
Lat. Wat eischt de Vorst? spreek op, geen beê sal ons vermoeijen
Ene. Ick eisch dat Latium doet Turnus huis uytroeijen,
    (815) En kort de vleugels van mijn vyants Erfgeslacht.
Lat. De zuil van ’t hof der Rutulers staat in uw macht.
    Gy kuntse uytroeijen tot de gront toe, of oprechten.
    Soo sietmen ’t staatkrakeel in Latium beslechten,
    En gy Lavinia met hem uw bruilofdag.
    (820) Men voere Eneas op den troone in Lantgesag,
    En vlechte ’t hooft des helts met gulde Lauwerbladen;
    Sijn tijtboek, en ons lant getuigt de dappre daden
    Van ’t loff’lijk huis, en broeder Hectors oorloghsmoedt,
    Soo huwt ons Latium met ’t Dardaneesche bloet.
    (825) Gy Rutulers leg af met my uw rouwe en smarte,
    Die gy om Turnus, onse Veltheer, draagt in ’t harte,
    En buigt u willigh onder Venus Soon, den helt
    Die Daunus rijk bevocht, en in haar vrijdom stelt.
    Men wacht nu op de vrucht des strijdts sijn bruilofsuuren.
Ene. (830) Eerst hechtmen ’t wapentuigh de schilden aan de muren,
    Soo raakt God Mars in slaap op Hymens vreudendag.
    Askaan, en Vorst Achaat de naasten in gesag,
    Nu siet gy Turnus, na uw wensch, uyt ’t rijk gestoten,
[p. 30]
    En ons verdreven Hof uyt Hectors stam gesproten
    (835) In Latium gesticht, als Venus had geraân.
Ask. Ick wensch Heer Vader dat uw rijck hier lang magh staan.
Ene. En ick wensch na mijn doot de rijxstaf in uw handen.
Burg. Wy sweere trou aan hem die Turnus overmanden.
Ach. En ick die altijt trou voor Trojen ben geweest.
Ene. (840) Hofjonkkers volg de rey, wijl ick mijn bruilofsfeest
    Voort sette, en u ten troon Lavinia tracht te leiden.
    Den avont komt ons by. ’t is tijt dat wy hier scheiden.

Latinus. Latijnsche Burgeren.

Burg. Wy komen uwen rou medoogende, Heer Vorst
    Die om de staat een last van swarigheden torst
    (845) Op uwe schouderen uyt medely beklagen,
    En wenschen u gedult en kracht om die te dragen
    En datge u moedigh toont in uw bedrukte staat.
Lat. Dat ’s recht. Nu Jupiter en al de Hemelraat
    Dit Nootlot heeft bestemt dat lastigh valt te boeten,
    (850) Is ’t al vergeefs, dat wy hier tegen aan gaan wroeten.
Burg. Dat ’s loffelijk gesegt. soo stel uw droefheit* maat.
Lat. En gy, mijn burgeren, schept moedt, leg af de haat,
    Die gy Eneas in de strijt plagh toe te dragen.
    Niet dat ick Turnus trou vergeete in nederlagen,
    (855) Dat tuigt dees sluier, noch een teiken van de smart;
    Dit rouwkleet, dat ik dag voor dag binde om mijn hart,
    Sal ick in eeuwigheit, dat sweer ick, niet afleggen.
Burg. Ai spreek niet reukloos. laat u raden, en geseggen;
    Geen onheil is soo swaar of daar na volgt geluk.
    (860) De Bruilofdagh wil u verheugen in den druk.
Lat. ’k Heb Turnus uyttocht vast gestemt; maar met beswaren,
    Dat tuigt mijn hart vol medely, en witte hairen
    Soo grijs van sorgh, als een onnoosle tortelduif.
    Besie dit bange sweedt, dat uyt mijn grijse kuif
    (865) Staag druipt. Och burgeren, gy kent mijn medelijden,
[p. 31]
    En ramp op ramp, die ons komt op den troon bestrijden,
    En teffens stadt en staat en Daunus burgery
    Haar tranen storten. nu dat onweer is voorby,
    Begint een ander in mijn hart weer op te steken.
    (870) Hier hoortge Turnus geest, en Vrou Amate spreken,
    Die moedeloôs gesmoort om wraak roept, en braakt uyt
    De woorden, die een strop in haare gorgel sluit.
    Och burgers, burgers och, och bedt genoot Amate,
    Och Turnus die ick min door sterven moet ick laten.
    (875) Nu lokt my geen vermaak, noch harp. de vreugt is uyt.
Burg. Uw rouw verkeert in vreugt op ’t hoogtijt van de bruit,
    Uw dochter, schept gedult, soo niet gy raakt aan ’t quijnen.
    Leg af uw dubble rou gy Koning der Latijnen.
Lat. Ick heb mijn Neef gevoedt in Vrou Amates schoot,
    (880) Mijn bedtvrindin, gestiert in een verachte doot;
    En Turnus de erfgenaam van ’t rijk te vroeg verloren.
    Och Turnus, Turnus och, och waartge noit geboren.
    Nu is uw moedt getemt. Een ander treet in ’t ampt,
    Daar uw gesag in ’t lant heeft dikmaal om gekampt,
    (885) En wert dus quaat beloont. Waar sijtge toegekomen
    Uw lauwerkrans verkeert in nare popelbomen.
    Hoor Jüturna klaagt, en volgt de droeve Son,
    Toen sy by Padus stroom de val van Faëton
    Betreurde. hier ’s de vorst uyt Hectors stam gesproten
    (890) Op Daunus troon, die u heeft uyt den troon gestoten.
    Och Turnus, sijtge dus verschoven uyt de stadt,
    Daar gy de liefden van Lavinia besat,
    En erfgenaam dit rijk sou na mijn doot beheeren.
    Geen dagh sal mijne rou in vrolijkheit verkeeren.
Burg.* (895) Och Koning, hoogh genoeg, vergeetge alree, uw woort,
    En geeft uw driften plaats? bedaar en vaar niet voort.
    Men roepe in Latium Eneas uyt voor Vader.
Lat. Men schempt op Turnus na sijn doot als een verrader.
[p. 32]

Venus. Eneas.

    Hoe is mijn soon de tocht in Latium vergaan?
Ene. (900) Als Moeder Venus ons voorhenen had geraân.
Ven. En waarom dan dus traag de saak ter hant genomen?
Ene. De kans is uytgevoert: maar hachlijk, en met schromen.
    De paarden trappelden, en brieschten om de stadt;
    Gelijk een leeu, wanneerse moede en afgemat
    (905) Gestuit wert voor een hegge, en teffens op haar hoede
    Een tyger siet, die haar uyttarten, en ontmoede.
    Uw soon gesterkt door ’t kruit dat gy te Creten plukt
    Op Idaäs kruin, sloeg ’t ooge op ’t spoor dat hem mislukt,
    En sag de stadt van ons bewust, de poort gesloten,
    (910) De vyant Turnus op de wal de wacht vergroten,
    Noch Japis, die de pijl trok uyt mijn wondt, wist raat.
    Ick merkte, ’t voorspel van mijn straf, vrou Junoôs haat,
    En schrikte in onweer, als een zeeman op de baren
    Sijn zeil en roer laet glippen, en siet onder ’t varen
    (915) Een storm opkomen, en de buirijke Orion.
    Soo schrikte Febus soon in ’t mennen van de Son,
    Den dollen wagenaar op ’t spoor der hemelvieren;
    Wanneer hy Vaders toom sig onderwon te stieren.
    Ick speurde; maer vergeefs, helt Turnus voetspoor na
    (920) Die als een rotse in ’t velt ons heir dee groote scha,
    En bootschapt uwe soon noch moedig op den degen
    Om hant voor hant met my te vechten om de zegen:
    Wijl Vorst Latinus en Lavinia den slag
    Ten walle afsag, en wie van beiden in gesag
    (925) De kroon sou voeren, en haar na de troon geleiden.
Ven. Hoe ging ’t nu eind’lijk met uw kampspel, en dit strijden?
Ene. De vyant Turnus met sijn suster, die de vloet
    Numicius beheert, geteelt uyt Daunus bloet
[p. 33]
    Trok op ons aan. Terwijl Vrou Juno uyt de wolken
    (930) De veltslag sag in ’t velt van de Latijnsche volken.
    Ick naderde op mijn eedt gesworen voor ’t outaar,
    En kreeg helt Turnus in mijn ooge; wiens misbaar
    Een steen nam, die ’t verschil van Lant en Akkers scheide,
    En wierptse door ons heir. Dit sag ick, en bereide
    (935) My voort ten strijt, wijl hem de werp mislukte; ’t bloet
    Verkleumt, gevoelt de schrik, en sakt tot in sijn voet.
    Vergeefs Goddin! komt gy hier neder op der aarde,
    Soo roept hy, Suster och! die dese last aanvaarde,
    Of is ’t om broeders doot rampsaligh aan te sien?
    (940) Onlukkige Ufens, och! moght ick met u ontvliên
    Dit nootlot, en mijn ziel onnosel in misdaden
    Ten Hemel voeren, of mijne eernaam niet beschaden.
    Soo raast hy. Sijn de Goôn geweken van mijn zy?
    Op Pluto, Cerberus. Helgeesten sta ons by.
    (945) Dit sagh Latinus, en Lavinia; wiens oogen
    Haar wang benatten, als een morgenroos omtogen,
    Den douw schept; of een wolk verbergt den silvre Maan:
    Soo lietse om Turnus doot haar aansicht ondergaan.
    Dus sterft hy, en slaat ’t ooge ootmoedigh op mijn degen,
    (950) En riep al biddende, och! laat ick u niet bewegen,
    Ick heb ’t verdient, ga voort, versekert uw geluk:
    Maar soo het hart u raakt van Vaders rampe, en druk
    En droeve sorge, ick bid, gy waart Anchises mede
    Uyt wien gy syt geteelt dus waart, erbarm u heden
    (955) Met Daunus jaren. Legh uw gramschap hier ter neer,
    Gy sult Lavina behouwen, had ’t geweer
    Van Pallas Gordelriem, zijn draagbant niet gedreven
    My tot dit stuk, ’k had hem den dootsteek niet gegeven,
    Die snorrende in de zy sijn nootlot had gelaân.
Ven. (960) Soo is na wensch de tocht in Latium vergaan.
[p. 34]
    Och Soon, indienge wist wat sorgh mijn mededogen
    Opwekte, en Moeders harte aanmaande, en had bewogen
    Voor u te strijden, en te smeken by de Goôn;
    Gy sout met meerder lust beyveren uw Kroon,
    (965) En mijn versoek en bede uytvoeren na betamen.
Ene. Wat bede is dat? ai laat vrou Moeder haar niet schamen.
    Een voorstel aan de Soon te doen, die veel vermag.
Ven. Gy hebt nu Turnus, en sijne aanhang uyt ’t gesag
    Gestoten, en dit rijk van Latium verdedigt
    (970) Door uwen arm; daar gy de stadt en staat bevredigt.
    Hier sietge ’t einde van uw rampen, die soo lang
    Ons dreigde, ’t is hoogh tijt, dat gy, na de ondergang
    Van Trojen hier gevoert, uw troon soekt voort te setten,
    En met Lavinia ontaart van Krijgstrompetten
    (975) De minnewapens voert, die Mars als ’t harnas past.
Ene. ’k Heb Moeder Latium beoorloght op uw last,
    En Turnus, de erfgenaam van ’t lant, uyt velt geslagen,
    Geen dingh vermoeit ons mochte ick Moeder meer behagen.
    Spreek op, wy horen met verlangen na uw beê.
Ven. (980) Gy sult een autaer doen oprechten hier ter steê,
    En slachten bigge en stier, en offren wierooxsvlamme
    Aan my, en Juno; dat Askaan, Kreüsaas stamme
    Vorst Julus, erfgenaam wert ingewijdt in ’t rijk.
    Eerst sultge met Lavinia ten huwelijk
    (985) Vereenen, uwe trou aan ’s Konings dochter trouwen,
    En na haar naam een stadt in Latium opbouwen.
    Soo sietmen Daunus rijk uytbreiden door de vreê.
    Hier is ’t halscieraet, en ’t kleet dat Vrou Andromachè
    Toen Trojen bloeide was gewoon om ’t lijf te trekke.
    (990) De kroes van Priamus sal u een bruitsgift strekken,
    Die hy Anchises uwe Vader schonk, gewrocht
    Uit gout. Daar komt Achaat met giften hier gebrocht
[p. 35]
    Om op uw bruilofmaal de Koning op te dragen.
Ach. Ick wensch dat onse komste Eneas mach behagen.
Ene. (995) Achaat mijn medgesel, mijn hulp. mijn rechterhant
    Wat brengt gy mede, seg mijn trouwe lijftrawant?
Ach. De schat van Trojen, die op ’t nootlot van de Goden
    Wiert over zee gevoert, als Venus had geboden,
Ven. Dit is de Bruyts gift, daar Lavinia na wacht.
    (1000) Hier sietge ’t heilighdom uyt Ilion gebracht,
    De Huis en Drempelgoôn, de autaren, wierooxsvaten,
    ’t Gewaat van Hectors vrouwe, en Hectors ondersate.
    Uw broeder, die u quam voor oogen, toen gy sliep,
    Met veel quetsuren door sijn lichaem; en dus riep.
    (1005) Waak op Eneas. op mijn broeder: spaar uw suchten,
    Gy hebt genoeg voor ’t volk gestreen. ’t is tijt van vluchten;
    Soo Pergamus, ’t Kasteel, en Vaders Vaderlant
    Beschermt kon sijn, ’t was lang geschiet door Hectors hant;
    Soekt met uw Heyligdom een lant dat van te voren
    (1010) Wiert by den Hemelraat ten erfdeel u beschoren.
    Daer komt de rousleep met Lavinia uyt ’t bloet
    Van Daunus Hof geteelt. Mijn Soon trek haar te moet.
    Wy treden aan een zy. Kupido sal u beiden
    In liefde stoken, en na ’t* Bruilofbedde leiden.

Lavinia met de roustacy van Turnus.

En. (1015) Lavinia. waar heen dus yverigh in ’t werk?
Lav. Ick volg de rousleep die met Turnus lijk te kerk
    Den uytvaart viert, en sal mijn Neef ten grave leiden.
En. Vergeefme, dat dees hant den dootsteek hem bereiden.
    De Liefde voerde my den Soon van Venus aan,
    (1020) Dat ick en na uw min, en na sijn Kroon moest staan.
    Vergeet uw rampen. Ai, laat uwe rouw geseggen.
Lav. Ick swere dat ick noit dees rouw uyt ’t hart sal leggen,
[p. 36]
    Vergeef och helt uw Bruit, dat sy in rouw gewaat
    U tegentrede, en eer haar trouw als rouw verlaat.
    (1025) Gy sijt mijn luk en druk, mijn bruilofs vreucht en smarte.
En. Wat vreucht en smarte voelt uw bruilofsvreucht in ’t harte
    Nu Kupido, de God der liefden, ons verselt,
    En ketent twee aen een? ick plagh wel eer in ’t velt
    Met Mars den oorloghsman mijn vyant te beloeren,
    (1030) Nu tracht ick met God Mars een minnestrijt te voeren,
    En u op ’t bruilofsbed te ontfangen in mijne arm.
    Soo sloeg God Mulciber een minnelijk alarm
    Op schakels van sijn net; terwijl in minnebanden
    De onruste Krijgsgod met mijn Moeder Venus branden.
    (1035) Och schoone, weest niet schuw, gy sijt my hoger waert.
Lav. Noch waerder was mijn Neef, die ick versel na de aart.
En. Wat my belangt, ick wensch nu ick geen beê verwerve
    By u, dat Turnus leefde en ick voor hem mogh sterve.
    Dit swere ick, en de Goôn sijn tuigen van mijn smart,
    (1040) Wijl ick om Turnus doot draag dubble rouw in ’t hart.
    Och schoone belg u niet dat ick de waarheit spreke.
Lav. De minnaars woorden sijn verdichte en hofse treken.
    Ook lustme niet och helt Eneas, wijl de wont
    Dus varsch is, min te voên; het vreijen heeft sijn stont.
    (1045) Men moet de lijkrouw eerst aan Vader doen beklagen,
    Eermen dit voorstelle en den bruilofsdagh derft wagen.
En. Ick hebbe uyt medely mijn oogen uytgeweent
    Om u, en Vaders rouw, en Turnus doot gebeent.
    Soo ’t graf te boeten stont met tranen, of met wenen,
    (1050) Ick sou hem in sijn graf een tranenvloet verlenen,
    En singen met de swaan mijn eigen lijkgeklacht
    Als Heraklijt, die in sijn eigen tranen smacht:
[p. 37]
    Maar och! wat baattet; ’t is vergeefs hier dus te schreijen.
    De doot noch ’t nootlot laat haar met geen tranen paijen.
    (1055) Hier sietghe ’t wicht; wiens schicht de werelt leven geeft,
    En wat de doot bevecht in liefden tegenstreeft.*
Lav. Wat vlugge gast is dit? wat naam heeft hy?
En.                                                                       Tree nader.
    Kupido is sijn naam, geboren sonder Vader.
    Mijn Moeder Venus heeft hem opgevoedt dus klein,
    (1060) Dat hy de Mingod en haar dienaar soude sijn;
    Waarop Iupijn verstoort besloot hem te doen sterven,
    Wiens aansichte uytwees dat hy veele sou bederven:
    Doch Venus had hem in een bosch verschuilt een wijl,
    Daar hy op ’t wilt hem scharpt met een cypressen pijl:
    (1065) Nau Meester in de kunst van harten op te passen
    Toont hy sijn meesterstuk en gaat Iupijn verrassen,
    Bevecht de blixem met de boogh, die Febus roert.
    Den kreeft van Mavors, en de knods, die Hercles voert,
    Neptunus drytandt, en God Bacchus klimmend klim op.
    (1070) Dit kint is blint, en sijn ooghappel heeft een schim op,
    Om sterker in sijn drift, begeerte, voort te gaan.
Lav. Maar waarom is hy naakt en heeft twee vleugels aan?
En. De rechte liefden die gebreken hout verholen,
    Is naakt en bloot en hout geen naakte leên verscholen.
    (1075) Twee vleugels duiden sijn geswintheyt door de lucht,
    En waar hy komt, hy schiet, en treft, en neemt de vlucht.
    Noch Mars, noch Iupiter, noch Hercles kon verduren
    De kracht der Liefden, of Kupidoôs minnevuren.
    Hy is mijn Moeders bode, en noemt haar wellekom,
[p. 38]
    (1080) Wanneerse stapt uyt zee op Pafos heilighdom
    Geseten op een boot uyt parlemoer gesneden.
Lav. Wat maakt hy hier?
En. Hy maakt eerst oorelogh, dan vreden.
Lav. Maar segh, wat torst hy in de koker op sijn zy?
En. Een minneschicht, die hy bereit voor u en my.
Lav. (1085) Ick voel alree de kracht gedrongen door mijne aderen.
En. Soo dede ook Venus, spijt Vulkaan; toen Mars in ’t naderen
    Den beukelaar der Min smeet Moeder om de nek,
    En koos voor ’t oorloghsvelt de vreugden onder ’t dek
    De liefden maant ons aan den bruilofsdagh te vragen.
Lav. (1090) Men volge eerst Turnus, die ten grave wert gedragen.

Rey van Latijnsche Burgeren,

ZANG.

        Hoewel wy ’t roukleet moeten dragen
            En maanden lang om Turnus lijk
        Betreuren ’s Konings nederlagen;
            Men wenscht hem nu niet weer in ’t Rijk.
        (1095) Wy moeten rouw van buiten tonen,
            En vollegen de hofsleur na;
        Ons harte wenscht, dat Venus Soone
            Gehuwt wert met Lavinia.
        Soò sietmen schilt, en harrenassen,
            (1100) En kling verroesten in de scheê;
        Ja Mars de minnewapens passen,
            Wijl de oorelogh verkeert in Vree.

TEGEN-ZANG.

        Met reden roemen wy sijn daden,
            Die als een Vorst van ’t Vaderlant,
[p. 39]
        (1105) Sijn volk uyt sorghelijke paden
            Geredt heeft, en een troon geplant
        In Latium. een lant gesegent
            Van Jupiter, en al de Goôn
        Daer overvloet van honigh regent,
            (1110) En Nektar en Ambroos; soo schoon
        Als oit Hymet vol bijenswarmen,
            Of Tantalus of ’t Godenmaal
        Beschafte. hy sal ’t lant beschermen
            Van hem verwonnen door het staal.

TOE-ZANG.

        (1115) En na sijn doot Askaan, sijn Soone
            Vorst Julus, erfgenaam vol moedt
        Die Vader op Latinus troone
            Te moet stapt, uyt Vorst Priams bloet,
        En Hectors stamhuys voortgesproten.
            (1120) Soo daagt in ’t Oost den dageraat
        Ter kimme uyt, als Eneas loten
            Na Vaders doot ten troone op gaat.
        Dus sietmen Daunus burgerrijen
            Tot aan de Eufraat haar macht uytbreijen.

Continue

HET VIJFDE BEDRYF.

Latinus. Eneas. Lavinia. Askaan. Achaat. Priester.
Rei van Latijnsche en Troische Burgeren.

En. (1125) Men stookt nu andermaal voor Juno een altaar,
    En Venus; dat de vlamme en rook ten Hemel vaar,
    En Mars, en al de Goôn dees wierooxsgeur ontfangen
Priest. De Priester staat gereet: maar wacht op lofgesangen.

[
p. 40]

ZANG.
Repicabam Lascampanium.

                            1.
                    Vrije Vrede
                (1130) Die met olijf gekroont,
            U hier in ’t suyver wit vertoont,
            U hier in ’t suyver wit vertoont.
        Gy jaagt het bitter lijen, en stryen
        Met schrik, ter zyen nu gy by ons woont.
                    (1135) Met schrik ter zijen,
                    Met schrik ter zijen,
                    Nu gy by ons woont.

                            2.
                    Blije dagen
                Waar in wy nu met lust
            (1140) Eneas leven sien gerust,
            Eneas leven sien gerust;
        En komt door olijven treden met vreden.
        Soo wert nu heden den oorlogh uytgeblust,
                    Soo wert nu heden,
                    (1145) Soo wert nu heden
                    Den oorlogh uytgeblust.

                            3.
                    ’k Sie krioelen
                De Joffers van het lant
            En singen vrolijk hant aan hant,
            (1150) En singen vrolijk hant aan hant.
        Nu mogen in ’t velt de schapen vry slapen,
        Nu Mavors wapen is geraakt aan kant,
                    Nu Mavors wapen,
                    Nu Mavors wapen
                    (1155) Is geraakt aan kant.

[p. 41]
                            4.
                    Op dit quelen
                Klink Paeans blijde fluit,
            En speelt met ons dees lofzang uyt,
            En speelt met ons dees lofzang uyt.
        (1160) Wijngaarts en bomen bloeyen, en groeijen,
        En onse koeijen delen rijklijk uyt,
                    En onse koeijen,
                    En onse koeijen,
                    Delen rijklijk uyt.

                            5.
                    (1165) Mildigheden
                Vloeijen door lant en steê
            En swerven om dees rijke vree,
            En swerven om dees rijke vree.
    Mars heeft sijn krachten en toren verloren,
    (1170) Nu raakt den horen vol van Amalthe
                    Nu raakt den horen,
                    Nu raakt den horen
                    Vol van Amalthe.

En. Heb dank God Jupiter en Mars, en al de Goôn,
    (1175) Vrou Juno, en Neptuin. En gy mijn hoop, mijn Soon,
    Askaan, die over zee door ’t nootlot van de baren
    En oorlogsramp met my veel ramp zijt wedervaren.
    Hier sietge nu den dagh, het einde van den strijt;
    Die Hector in den droom uw Vader had voorseit.
    (1180) En gy, o Overschot van Ilion; wiens muren
    Door Sinons list gesloopt de Griexse wraak bezuren,
    Getrouwe Bontgenoots, hier ’s ’t einde. schept nu moet,
    Gy Burgers huwt als ick aan ’t Ausoniaansche bloet,
    En toont u diensbaar aan mijn aangehuwde Vader.
    (1185) Leert oorlogsliên van ons, en tree het autaar nader,
    Godvruchtigheit. ick hebbe uyt rampen u geredt,
[p. 42]
    En in Latinus lant uw huisgoon neergeset.
Lat. Hoe tobbelt, als een tol die drait. het wankel leven?
    Hoe wert een Vorst ten lant door kroonsucht uytgedreven?
    (1190) Waar voertge Raserny tot eer ’t eersuchtigh hart,
    Dat* door uw soet fenijn tot meer gedreven wert,
    En swicht voor weer, noch wint, noch vuur, noch doot, noch* swaarden
    Als gy de vrede breekt, en de oorlogsrampe aanvaarde?
    Wat baat nu Turnus, dat hy brak de rust en vreê
    (1195) In Latium, en rust nu in een donkre steê
    Vol van vergetelheit? O dulheit van een Vorste
    Die op uw lauwerhoet dees popelbladen torste.
    Vergeefs heb ick, dat tuigt de stadt en ’t lant vol bloet
    Uw oorlogsdrift gestuit in ’t driftende gemoet.
    (1200) Vergeefs heb ick, och Neef, den tocht u afgeslagen
    Eer na Ardeâs graf uw lijk wiert wegh gedragen.
    O bloem der jonglingschap,die uyt Amates schoot
    Geteelt, u selven steekt in een verachten doot.
    Ai toont u, datge door Eneas sijt gevallen,
    (1205) En sterft voor stadt en staat en blijft getrou de wallen
    Van Daunus, die na ’t graf gelijk de droeve Son
    De lijkrouw volgt van sijn hooghmoede Faëton,
    En treurt, en roept. och Soon waar sijn uw lauwerblade?
    Mijn eer en stamhuis valt door onbedachte daden.
    (1210) Hier legtge Turnus nu ontrooft van lof en spraak,
    Die in de strijt ons volck verstrekte een oorlogsbaak,
    Uw lichaam door de vlam verteert, en uwe benen
    Tot stof, die sullen ’t graf vervullen door haar wenen.
    En gy, terwijl de Goôn en ’t Nootlot heeft dien helt
    (1215) Verslagen, sijt by my in sijne plaats gestelt,
    En sult Lavinia na ’t bruilofbedde leiden.
En. ’k Heb Vader oorsaak om met dankbaarheit u beiden
    Te groeten; en de God die al beheert en siet,
    Die prent dees weldaat in mijn hart, die ick geniet.
    (1220) Geen wil ontbreektme indie ick mog vernoeging tonen.
[p. 43]
Lat. Lavinia vernoegt tracht u Vrou Venus Soone
    Tot koelnis van haar min in de arremen te ontfaân,
    En als een Venus met God Mars ten strijt te gaan.
    Achaat vertrekt ten hove, en maakt vast alles vaardigh.
    (1225) Wy vollegen. En. en ick, terwijlge my dus waardigh
    Gekent hebt, dank de Goôn, en neem de rechter zy.
    Lavinia vergun dat ick u daar gelei.
Lav. Ick geef mijn toestem door stilswijgenheit te kenne.
Lat. De Moeder van de Minne en Kupido, die ’t mennen
    (1230) Van ’t minradt is betrout, verquikt u door de bant
    Des huwelijks, en bint de Vorst van ’t Vaderlant
    Met ’s Konings dochter door een minnebant te gader.
En.. Dat gun den hemel ons, en u mijn andre Vader.

Eneas. Lavinia. Askaan. Venus in een wolk.

Lav. Wat of die vlam, ai sie, omtrent de stadt beduit?
Ask. (1235) De wolke scheurt sy breekt gelijk een blixem uyt.
En.. Ick schrikke, och Jupiter hout op van meer te spellen.
Ven. Laat af die sorge, Soon, en wilt u niet ontstellen;
    Ick Moeder Venus, die ten hemel af hier kom
    By u gehuwde Bruit, ende hare Bruidegom,
    (1240) Als afgesant der Goôn in ’t einde van uw rampen
    Begroet u Soon, en u, sijn bruit; terwijl het kampen
    Was om Lavinia Latinus een’ge spruit.
    Ick segge u, schrik niet, wat hier dese vlam beduit.
    Uw stamhuis, ’t welk bestaat in twederhande volken,
    (1245) Uw nazaat, en uw naam sal groeijen aan de wolken
    En uw manhaftigheit gevoert langs de Oceaen
    Sal, als de Sonne in ’t Oost, by al, wie spraak verstaen
    Geroemt sijn, door de lof van uw hooghachtbre daden,
    Uw kloekheit en uw deugt, twee deugden sonder gaden,
    (1250) Die sullen als een star aan ’t stardak van Jupijn
    Haar luyster schieten als een vlammende robijn,
    Daar voor de Koningen haar buigen, en begroeten
[p. 44]
    De Kroon van Latium als sy de naam ontmoeten.
    Gy sult tot dankbaarheit hier stichten doen een stadt,
    (1255) Lavinia gesegt. Daer ’t Heilighdom, en schat,
    En huisgoôn, ’t overschot van Trojen wert op ’t outer
    Gestelt, en uwe Soon Askaan, hoe langh hoe stouter
    In oorlogsmoedt, sal na uw doot dit lant gebiên,
    En Alba stichten, en hare ommetrek versien
    (1260) Met metselwerk; en soo ’t gewelt ten walle afkeren,
    Of als een wereltstadt in ’t Oosten triomféren
    Dry hondert jaren. Dan sal Romulus gevoedt
    Met wolvenmelk, en voortgeteelt uyt Mavors bloet
    U volgen in gesagh, en Alba hoger trekken
    (1265) En Rome noemen, dat een hooftstadt sal verstrekken
    Des werelts. Dit ’s de wil des hemelraats, dat gy
    Den eersten bouheer sijt van dese heerschappy.
Lav. Wat stemme is dit, ai siet, wat schemert voor onse oogen?
Ene. ’t Is Moeder Venus in een dikke wolk omtogen.
Ask. (1270) Waar blijftse, hoe? ick sagh, maar sie haar nu niet meer.
Lav. Sy sloeg haar minlijk oogh op dees, mijn boesem neer.
Ene. Dat was Lavinia een teiken van haar liefde
    Die uyt uw boesem drong, toen gy mijn borst doorgriefde
    Door uwe min. Goddin, die op Latinus troon
    (1275) Den Scepter swait gehuwt aen een Goddinnen Soon
    Men bouwt vast op versoek en ’t Moederlijk bevelen
    Een stadt daar in de naam Lavinia sal spelen,
    Soo langh hier Daunus en Latinus troon sal staan.
    En gy opgaande Son van ’t Hof mijn Soon, Askaan
    (1280) Volg in manhaftigheit, ’t zy oorelogh of vreden,
    Oom Hectors voetspoor, en uw Vaders oorlogsschreden.
    Ik kusse u duisentmael o Zuil van Priams stam.
Lav. En ick; wiens borst ontfonkt door echten minnevlam
[p. 45]
    Uw Vader, als God Mars in Venus armen ruste,
    (1285) Die helt, dien ick bemin wel duisentmale kuste,
    Begroete u met dees kus. Soo yet mijn wensch vermagh;
    Ick wensch en u en hem, twee Zuilen, die ’t gesagh
    Als op uw schouderen torst Latinus troon te bouwen.
Ene.Dat gun den hemel u en ons, ô Zuil der Vrouwen.
Ask. (1290) Sy bindt u met den bant der liefden aen elkaar.
Lav. Sy geeft ons vreden en behoede u voor gevaar.
Ask. Sy wil door de echt hoe lang hoe vaster u vereenen.
Ene. En u en macht en moet in ’t lantbestier verlenen.

Iupiter. Iuno. Venus. Hemelraat.

Ven. Ick dank God Jupiter, en Juno; die ’t gesagh
    (1295) Van aarde en hemel voert voor de uytval van de slagh,
    God Mars, en God Neptuin, en al de rei der Goden.
Jup. Gy Moeder van de Min wat heeft u op ontboden?
Ven. De sorge tot mijn Soon. Almogende, wiens oogh
    Gelijk de Son bestiert den blauwen hemelboogh,
    (1300) En starren luyster geeft wanneer sy uyt de kimme,
    Gelijk de Son in ’t oost opdagen en opklimmen:
    Wiens sorge ’t al bestiert uyt uwe onsichtbre troon.
    Ons heugt noch; eer ’t geluk dus dienstigh was mijn Soon,
    Uw gunst, en woort, ’t geen noit aan uytvoer heeft ontbroken,
    (1305) Daar Latium en ’t volk uw offervlam voor smoken.
    Dat is, dat gy hem sout dry jaren na de pais
    Onsterflijk* maken, en in ’t Hemelsche palais
    Opnemen by de Goôn. Beloften maken schulden.
Hem. Jupijn beloofde noit ’t geen noit Jupijn vervulden.
Ven. (1310) En Juno, die ’t gesag des Hemels in de zaal,
    De zy des Dondergods bekleet, laat andermaal
    Mijn beê, soo ’t mooglijk is, uw toestem weer verplichten.
[p. 46]
    Slaat ’t oogh op ’t autaer, dat mijn Soon voor u dee stichten,
    En neem tot dankbaarheit sijn dankende offer aen.
Jun. (1315) Wy horen Jupiter,en al de Hemelraên.
Jup. Och Cythere gy kent mijn liefden, noit besweken
    In uytvoer, en sy groeit wanneer sy u hoort spreken.
    Dat bleek, toen ick in strijt uw Soon den zegen gaf,
    En Turnus nedersloeg, en baande een wegh na ’t graf,
    (1320) En keerde Junoôs wraak in gunst, en met dees Raden
    Neptuin en Mars hem reikte een hant in oorlogsdaden.
    Sijn Hemelvaart, en uw versoek, dat gy hier stelt
    Te voren, is bestemt by my, dat ick den Helt
    Van Frygien, uw Soon ten hemel op sal trekken,
    (1325) En met dit starrenkleet hem kleden, en bedekken
    Sijn hooft, gelijk de Son, wanneerse door een wolk
    Bestraalt het Vaderlant van ’t Vrygevochte Volk.
    Men wacht op Juno. ai begunstigt onse beden.
Juno. Ick geef den Hemelraat en u mijn toestem mede.
Hemel. (1330) Wy stemmen op ’t versoek van Venus, en haar eisch.
Jup. Men wacht hem. trek om lage, en eer hy ons palais,
    Dat onverganklijk is derft nadren, of betreden,
    Legh neer wat sterflijk is, en breng de ziele mede.
Ven. Wy volgen dit bevel en danken God Jupijn.
Jup. (1335) Wy wachten, laat uw komst niet traag of langsaam sijn.

Venus. Eneas.

    Niet verder. hier ’s de vloet Numicius. sta stille
    Mijn Soon Eneas, kom voldoe uw Moeders wille.
    Legh hier uw wapentuigh, uw helmet, uw geweer,
    En al wat sterflijk is in dese stromen neer.
    (1340) Ick Moeder Venus kom op ’t raatbesluyt der Goden
    Om u, van d’Hemelraat ten Hemel op ontboden.
En. Soo mist dan Latium mijn arm en dapperheên.
[p. 47]
Ven. Gy hebt genoeg om ’t lant van Latium gestreên.
    Den hemelraet, en rey des godendoms hier boven
    (1345) Met open wolke wacht. Eneas komst, ten hoven
    Verdagvaert. Sammel niet mijn soon op sulk een reis.
    Siet ginder Jupiter ten troone ’t hoog paleis
    Bewaken, en de goôn als opper-vorst bestieren:
    En Juno, nu versoent door gunstige offer-vieren,
    (1350) De stoel des Donder-gods bekleden zy aen zy.
    Hier loopt een toeweg dwars den mellekweg voorby,
    Het hof van Febus, ’t geen we opklimmende bereiken
    Legt op een starren-vloer in ’t opper hemel-teiken
    Des Zodiaxs, een laen des Sonne-hofs vol gloet,
    (1355) Die vlamme-stoker sal ons tredende te moet
    Een door-tocht wijsen, Siet hem reisen uit sijn kimmen,
    Om neffens u mijn Soon, den hemel op te klimmen.
En.Wat godheit naekt ons en beneemt me mijn gesicht!
Ven. God Febus, die, de nacht verdrijvenden, en licht,
    (1360) En leven geeft, en roert wat leven heeft op aerden,
    En zee, en lugt verplicht sijn godheên, groot van waerden
    ’t Aenbidden; en Klimeen, en dochteren alle dry,
    Lampete, Faëtuze en Febe zy aen zy;
    Dry Sonnelingen, naest aen Febus koes geseten,
    (1365) Bewenen Faëton, haer broeder, noch bekreten,
    d’Onkunde jongeling die ’t reuckloos stuck beston.
En. Sacht moeder, niet te na. Ven. Naek neffens myde Son;
    Soo dra hy Venus schoot genaekt sal hy sijn pruiken
    Neerleggen, en vol gloet in dese schoot neer duiken,
    (1370) En doven hette en vier, als Mars, of Jupiter,
    Wanneer ik Venus naek haer Goden-troon van verr’;
    En naekt uit Cipris hof met losgevlochte tuiten
    Der goden god omhelse, en Juno keer daer buiten:
    Waeromse nu versoent nog staeg in gramschap groeit,
    (1375) En Venus komst ten troon van Jupiter verfoeit.
[p. 48]
    Nu volgenwe de Son, God Febus, op sijn wagen,
    Soo werden we met een aen ’t middag punt gedragen
    Des hemels. Volgme soon na Jupiters paleis.
    De starren lenen licht en plaets op onse reis.
    (1380) De noorder-beren, en den Leeu, halsterk te tomen,
    En ’t Scorpioen op ’t spoor komt ons verwellekomen.
    Wat sammelt gy; ontstelt u schaduw, schrik, of schim?
    Wy soeken ’t oost soo lang tot we effen sien de kim
    Met zuide en noord-pool, en het tegenstrijdig westen
    (1385) Legt onder onse voet. Soo nakenwe de vesten,
    En hemel-zetel op ontboden van Jupijn,
    Wie zal ons op de reis voorneem tegen sijn,
    Of deren?
En.             Vraegtge wie?
Ven.                                   Ja wie?
En.                                               Sijn troon-verpligte
    Vrou Juno, vyandin van Trojen, d’afgerichte
    (1390) In quaet te rokken, en te stoken by de Goôn.
    Versoen haer moeder, eerse weer belast uw soon
    Om laeg te treden, en den sterffelijke buiten
    ’t Onsterflijk Goden-hof te keren, en te sluiten.
    Daer komtse.
Ven.                 Neen, sy niet,
En.                                         Wat valt haer komst my suur,
    (1395) En bange.
Ven.                         Vreest niet.
En.                                             Siet, siet ginder.
Ven.                                                                     ’t Is Merkuur;
    De boô van Jupiter, een afgesant der goden
    Om u op ’t hemel-mael te leiden, en te noden,
    Als Tantalus, sijn soon, eer dat die gastgesel
    Der goden-dis onteerde, en gast-vry in de hel
    (1400) Staeg hongerde, en uit straf sijn dorst niet kost vernoegen.
    Ga, Soon, u in sijn plaets, niet na sijn voorbeelt voegen.
    De Nectar met ambroos vol leckerny doormengt
[p. 49]
    Dient niet tot walge, en smaet der goôn op aerd geplengt,
    Ook past geen sterflijk mensch op sijn geslacht vermetel,*
    (1405) En trots, het hoogste woort te voeren voor den setel
    Van Jupiter, schoon hy den soon was van dien God’.
    Mijn soon Eneas volg dees lesse, niet sijn lot.
    Wy naderen. Siet gints, daer staet den troon: waer onder
    De starren, son, en maen, en blixemen, en donder,
    (1410) En lucht, en wolke, en aerde, en zee, en menschen sijn.
    Merkuur, den hemel-boô gelei u na Jupijn,
    Ten troon. Wy treden weer na Pafos, hier beneden,
    Dat niet door Venus komst vrou Juno raekt ’t onvreden.

Rey van Troische en Latijnsche Burgeren.

I. ZANG.

        WAt nevel spreit sig van om hogen?
            (1415) Wat damp ontrukt ons Venus soon?
        Wat nare wolk ontvoert ons oogen
            De Vorst, met eenen ’t Rijk haer kroon?
        O dappre Vader van twee volken,
            En Troje en Latium te saem;
        (1420) Waer henen op een koets van wolken,
            En laet alleen aen ’t volck uw naem,
        Eneas? hoe! ist spook of dromen;
            Wie heeft u, ach! ontijdigh lot,
        Van ons, met eenen, ’t Rijk ontnomen,
            (1425) Haer kroon? o Priams overschot,
        Is dit na oorlog rust ons schenken?
        Wy sijn in duisenden bedenken.

I. TEGEN-ZANG.

            De moeder Venus van om hoog
        Quam neder in een wolk om lagen,
[p. 50]
            (1430) En heeft Eneas uyt ons oogh
        Gevoert, en hemelwaert gedragen!
            Dus lagh ’s Rijxs nodtlot langh voorsegt,
        Belooft aen Venus en besloten,
            Eer Troje was in ass’ gelegt.
        (1435) Gy burgerye, en bondgenoten,
            Slaet ’t ooge eens ginder, waer de Vorst
        Eneas klimt door starre en wolken.
            Hier sietge ’t harnas van sijn borst,
        En schilt des Veltheers van twee volken.
            (1440) Soo siet Latinus lantvoogdy
            ’s Rijxs nootlot en hunn’ profecy.

II. ZANG.

        Soo hebbenwe noit stof te schreien,
            Of lijk te klagen, naer van trant;
        Wijl wy ten hemel inne weien
            (1445) Eneas, vorst van ’t vaderlant.
        Dit scheen een opper-gods behagen.
            Dat hy, die Latium beheerd’
        En Turnus door een wolk gedragen,
            Verr’ boven volken triomfeert.
        (1450) O voorbeelt aller dapperheden;
            Wy slaen al d’oogenblikken ga;
        Hoe nakenwe u met aertse schreden?
            Slaet ’t ooge eens op Lavinia.
        Askaen, en dees’ uw burgerreien
        (1455) U missende niet licht te paien.

II. TEGEN-ZANG.

            Heel licht; indienwe ’t oogh opslaen,
        Om hogen, Waer hy opgenomen,
            Een wegh baent voor sijn onderdaen,
        En waerwe mede sullen komen.
[p. 51]
            (1460) Dus klimt de vorst, den Dardaner
        Ten hemel op door sterre en wolcken,
            Om boven, ’t rijck van Jupiter,
        Te lichten in het oog der volcken.
            Gints komt Askaen, Eneas Soon,
        (1465) Hy staroogt oogend’ op sijn Vader;
            Die erfprins erft met recht de kroon
        Van Latium. Wy alle gader
            Sien nu vervult in ’s Rijxs-voogdy
            ’s Lants nootlot en haer profecy.

Lavinia. Askaen. Priester.

    (1470) Waer voer hy, en wat wolk benevelende stad,
    En muur, en hof, heeft mijn Eneas, ach! omvat,
    Ontvoert? Spreek, Priester spreek.
Ask.                                             Segh ons, waer bleef mijn Vader?
Lav. Kerck-offeraer ick bid, ick bid, ick bid, treê nader.
Ask. Ontvouw ons ’t nootgeheim des Hemels, nu vervult,
Lav. (1475) Ach! Priester andermael ontlast ons in gedult:
Ask. Wat swijgtge, maekt geen beê van Moeder u aenspreken?
Priest. Het nootlot is een boek, ’t geen toesluit voor de leeken,
    En niet geopent wert dan by den offeraer.
Lav. Ontvouw ons grijzaert, roem van God Apollos schaer,
    (1480) Wat wil dit seggen?
Priest.                                     Sla na ginder toe uw oogen,
    Daer sietge Eneas in een hemel-wolk omtogen,
    Door Starre, en Son en Maen bevorderen sijn reis,
    Merkuur hem leiden na het hemelse Paleis;
    En Jupiter ten troon’ een sterffelijk ontfangen,
    (1485) En Juno sijne komst begunsten met verlangen,
    En Mars hem groeten, en Neptuin hem hulpsaem sijn,
    En Febus voortreên met een licht van Sonne schijn,
    En d’afgestorvenen, een ry van Hemellingen,
[p. 52]
    DeVorst des vaderlants sijn oorlogs-daden singen;
    (1490) Hoe hy Anchises torst uit Troi’ in lichte brant,
    En vluchtende sijn soon Askaen neemt by der hant:
    En swervende langs zee door ’t nootlot van de baren
    Komt te Kartage na ontelbare gevaren;
    En eindelijk ontvoert de droeve Koningin
    (1495) Door Venus in een wolk, (schier brandende van min)
    Komt hier te landen, en in Latium gekomen;
    Waer dat Vulturnus met den Tiber samen stromen
    Het lant bevochten, dat van Daunus voort gebracht,
    Latinus heerscht, (waervan ’t Latijnse volk geslaght,
    (1500) Haer oirspronk en die naem nog eeuwen lang sal houwen.)
    Soo lastig viel ’t de stadt van Romen op te bouwen!
    Toen Grieken tot de wraek gezart trok over zee
    Om Paris vrouwen-roof, op de Trojaense ree
    Gelant met d’oorlogs-vloot, en wapen-dreigementen,
    (1505) En Menelaus sloeg om Hectors stadt sijn tenten
    Tien jaren, trok voor aen de huwelijks godin
    Vrou Juno, heet op wraek door schentrou van de min,
    Om Paris hofstad te brantstichten, te verderven,
    Gelijkse dee door hulp en lagen van Minerven,
    (1510) Door ’t ingetogen paert en Sinons brantsticht: geen
    Ellende was soo groot, als toenmen om Heleen
    Cassandre sagh by ’t hair gesteept.en Priams stamme
    Verrast, en ’t hof vernielt, en Troi’ in lichte vlamme.
    Soo lagt ’t met nootlot lang by Jupiter in til,
    (1515) Om hoog besloten, en der hemelraden wil,
    Om na wraek-boete en haet van Juno heet op woeden,
    Eneas uit de brant van Troje te behoeden,
    En hier te voeren sulk een oorlogs helt vol moet
    In Latium; waer hy neef Turnus licht de voet.
    (1520) Lavinia beswijkt.
Ask.                                   Hoe moeder? sit hier neder.
    Wat let u?
Priest.         ’t Vrouwen-hart ’t geen liefden draegt is teder.
[p. 53]
    Hof-dienaer lang ons yets verquikkend haer gelaet.
Ask. Sy swijmt, ach priester! nu dat Vader ons verlaet.
Lav. Neen, nu ik Turnus en mijn neve weer hoor noemen;
    (1525) Wiens roos viel in haer fleur, belust op lente bloemen*
    Te plukken in mijn min; nu hem dat is mislukt,
    Nu wert mijn ziel, mits hy ontsielt is, wat verrukt,
    Maer hout weer stant, terwijlse Eneas in een haven
    Hier boven siet, en hem in ’t graf van eer begraven,
    (1530) Laet varen sulk verhael, vermits een vrouwen-hart
    Wel horen; maer niet wel verwinnen kan haer smart.
Priest. Vergeefme dat ik in ’s rijks nootgeheim t’ontvouwen,
    U buiten weten, in ’t gemoet raek, roem der vrouwen.
    De moeder Venus daeld’ omtogen in een wolk
    (1535) Hier neder; toen haer soone, en ’t overige volk,
    Van Hectors stamhuis, vaek door storremen geslagen,
    Op zee, quam hier te lant gevlugt van ’t groot Kartagen,
    Sicheus rijk: toen min en nootlot tegen een
    Sigh kante, en dese vorst gevreest door dapperheên
    (1540) Aenmoedigde by u het nootgeheim te wagen,
    De bruilofs-uure van Lavinia te vragen.
    Hier op ontstaet een twist in ’t rijk van Jupiter,
    De tweedracht groeit en stijgt verr’ boven son, en sterr’,
    En maen, d’onruste Mars om lagen en om hogen
    (1545) Hist goôn en menschen op, op aerde en ’s hemels bogen,
    De vrou en suster van Iupijn vrou Iuno woedt,
    En rust niet voorse moede en mat in menschen bloet
    Te plengen (wijlse siet den uitval van de zegen)
    Haer laet tot ’t nootgeheim van hemelraên bewegen.
    (1550) Na dat ’t Trojaensche volk aen sulk een heul verplicht
    Had outer op outaer voor Juno opgericht:
    En Venus op besluit van Iupiter, de wolken
    Doorsweefd’ om op haer beê de veltheer van twee volken,
[p. 54]
    Haer Soon te voeren door de starren van u af,
    (1555) Daer treet de Vader (onbestorven, sonder graf)
    Van ’t Vaderlant. Jupijn gaet hem met sterren kleden,
    Dus schijnt de dapperheyt van alle dapperheden,
    Daer ginder in een wolk. Lavinia, verset
    Uw rouw, de trouw verbreekt het nootlot door haer wet.
Lav. (1560) Ik heb geen reden als met blyschap hem t’aenschouwen.
Priest. Dit ’s nootgeheim, maer noch niet in ’t geheel, ontvouwen.
    Nu sal Askaen de Soon, (kom heft hem op een schilt
    Gy burgeren, vermits den hemel ’t heeft gewilt;
    En sweer hem trouw te sijn voor ’t oog des volks geheven.)
Burg. (1565) Wy sweren voor Askaen te sterven en te leven.

            Hic jam ter centum totos regnabitur annos
            Gente sub Hectoreâ: donec Regina Sacerdos
            Marte Gravis Geminam partu dabit Ilia prolem.
            Inde lupae fulvo nutricis tegmine laetus

            (1570) Romulus excipiet Gentem, & Mavortia condet
            Moenia, Romanosque suo de nomine dicet.


    Dry hondert jaeren hier het lant en volck gebiên
    En heerschen Hectors stamm’; tot men by Mars sal sien
    De Koninklijke Nonne swaer, twee Soonen baren.
    (1575) Hier van sal Romulus de kroon sien op sijn hairen,
    By wolleven queekt, en bouwen haer een wal,
    Die hy dus, na sijn naem, Romeinen noemen sal.

Iupiter. Iuno. Hemelraet. Eneas.

En. Jupijn, Saturnus Soone, en Juno heul-vrindinne,
    Gesuster van Jupijn, en teffens gemalinne;
    (1580) God Mars, die aerde en zee en hemel stelt in roer;
    Waer inge god Neptuin met uwe dry-tant voer,
    En al gy, die Merkuir ten dienst staet, hemelraden,
    Ick Soon van Venus kom op moeders bee langs paden
[p. 55]
    Van zon en maen gevoert in ’t hemelse paleis.
Iup. (1585) Dus lagh ’t besloten.
Iun.                                             Wy toestemden uwe reis.
Iup. Soo sagh men Pollux op die selfde paden klimmen
    En Herk’les en August door schimmen van de kimmen.
    In ’t vierigh hof sal mede, en d’Opbou-heer Quirijn
    U vollegen op ’t spoor ten troone by Jupijn.
Iun. (1590) Mijn wraek om vrouwe-roof aen Helena bedreven
    Heeft uyt. Ick wil nu Mars sijn neve weder geven
    By Trojens Priesterin gebaert, en dat men sal
    Eneas voeren in ’t onsterfelijck getal.
    Soo langh de woeste zee sal Ilion bestromen,
    (1595) Soo lang sal ’t Kapitool, ’t kasteel van ’t machtigh Romen,
    Dat fors in oorelogh de wyde werelt set,
    En ’t segenpralend lant van Meden self de wet,
    Hier bloeien, en so verr’ haer naem-ontsagh uitbreien,
    Soo verr’men siet Euroop van Afriken afscheien
    (1600) Door eenen middel-zee; en d’opgeswollen Nijl
    Het Volk’ren lant bevocht gewapent met de bijl.
    Met voorbedingh, stell’ ik dit noot-geheim hier tegen;
    Soo oit uw nasaet, (dus gemoedight op haer segen)
    Derft Troje weder en uw Vader Priams hof
    (1605) Opbouwen, sal ick ’t weer verbreiselen tot stof;
    En so ’t ten derdenmael haer kopere en marmre muren
    Door Febus hulp laet sien, so sal ’t haer vlam en vuiren
    Ten derdemalen sien, en de gevangen vrouw,
    Beklagen drymael haer gedoode man vol rouw,
    (1610) En kint en huisgoôn door de wapenen der Griecken.
    Laet nu Askaen uw Soon gestijft op hemel-wieken
    Doorsnuffelen ’t gebergt, waer gout in groeyt so waert
    Geacht (’t geen beter lagh verholen in der aerd)
    Opgraven mijnen, en wie ’t meesterstuk derft vloeken
    (1615) Bevechten, d’ander sy des aertkloots,’t volk besoeken
    Dat tegen hare voet met hare voeten treet.
[p. 56]
Iup. Dat sweer ik Iupiter.
Hemelr.                           Wy allen met onse eedt;
Iup. Wie komt daer opwaerts, om mijn hemels troon te naderen?
Merk. ’t Is Venus.
Iup.                       ’k Voel de min.
Hemelr.                                         En wy.
Ven.                                                           O hooft der vaderen.
Iun. (1620) Vertrek of ik...
Iup.                                     Trek heen.
Ven.                                                     Wy knielen voor Iupijn.
Iup. Rijst op.
Iun.               Wy knielen.
Iup.                                   ’t Kan my niet bekorig zijn.
Iun. Moet ik dan weer mijn stoel der wolken sien bevlekken?
Ven. Wy komen voor uw stoel door wolken henen trekken,
    Om u te danken.
Iup.                        Min, gy komt hier noit ’t onpas.
Iun. (1625) O huwelijx-godin hoe smelt uw siel als was?
Iup. Was oit een goden-ziel door u geraekt aen ’t quijnen;
    Soo raek ik nu...
Iun.                         Was oit...
Iup.*                                       Swijgt, sluit de stargordijnen
    Merkuur. Wy treden na ons opperste paleis.
    Gy hemelraden maekt u vaerdig tot de reis.
Iun. (1630) Die setel past u niet trou-breekster, geil van minne,
    Die my gesuster van Iupijn, en gemalinne
    Ten deel viel. Hemelraên wy stemmen ’t nootlot; elk
    Vertrekt om laeg. Ik volgs’ om hogen. Iuno welk
    Een smaet bejegent u ten hemel, waert te gruwen.
    (1635) Merkuur sluit toe de wolk; ’k volg de goddin van ’t huwen,
[p. 57]
    Wy treden, om te sien wat Iupiter, geraekt
    Door liefden, d’echtbreuk voedt, en by sijn Venus maekt,
    En gunne tijt noch stont de rustplaegh van de vrouwen.
Merk. Soo lastigh viel ’t de stadt van Romen op te bouwen.

                                                                UIT.

[p. 58: blanco]

Continue
Tekstkritiek:
Fol.*5v, 6: bespringt, er staat bespring, anders dan in de verder identieke tekst op fol. *2v. De vorm met -t is wsch. bedoeld vanwege het rijm.
Fol.*6v, 20: trotsen er staat trosten
[p. 30] droefheit er staat droef heit
[p. 31] Burg. er staat Burh.
[p. 35] ’t er staat ’r
[p. 42, 5] dat er staat dar
[p. 42, 6] noch er staat ncch
[p. 45] onsterflijk er staat onsterlijk
[p. 49] vermetel, er staat verme,tel-
[p. 53] bloemen er staat blomen
[p. 56] Iup. er staat Iun.
Continue

Het voorwerk van 1667

[
fol. π1r]

ENEAS
OF
Vader des Vaderlants,

Bly-eindend Treur-spel.

Tantae Molis erat Romanam Condere Gentem!

[Vignet: fleuron]

t’AMSTERDAM,
_____________________

Gedruckt by JOANNES van den BERGH, Boek-
verkooper ter zijden ’t Stadthuys, in altijdt
wat Nieuws. Anno 1667.




[fol. π1v: blanco]
[fol. π2r]

DOMINO,
Dno. PETRO SCHOUT
Juris Consulto.
Veteris Monasterii Canonico, Satrapae, &c.
in Hagestein.


Duellum hoc inter TURNUM & AENEAM in LATIO, tellure tum Rusticâ adhuc, irrigatâ TIBERE ac amne VULTURNO circa oppidum, LATINI Regis aulam, LAURENTUM
FATA,
TRIUMPHANTEM,
ac per Coelos
ELEVATUM
AENEAM
Seu
PATRIAE PATREM,
Pari affectu, qualem Laviniae obtulit,
Dedico, dico

                                                          I.N.



[fol. π2r]

OP

ENEAS

Of

Vader des Vaderlants.

DE staetzugt en ’t gewelt en ’s Veltheers eerloosheden,
    Die kunnen door de list een vry gevochte muir,
En door zijn nagt gedrogt een Hooftstad aller steden
    Wel overrompelen, maer ’t heeft geen regt, nog duir.
*
(5) ’t Bleeck aen Eneas toen zijn Moeder zo staet zugtig
    Hem aenmaend dat hy fors de Hooftstad zo bespringt,*
Dat hy Vorst Turnus zo grootmoedig en doorlugtig
    ’t Regt van zijn vrije wal uyt zijne handen wringt.


[Verder is het zetsel dat van de eerste druk, van fol. *6r af].

Continue