Nil Volentibus Arduum: De vryer in de kist. Amsterdam 1704.
Uitgegeven door drs. G.C. van Uitert
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton05970 - UBGent
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

[fol.*1r: frontispice]



[fol.*1v: blanco]
[fol.*2r]



Continue

DE

VRYER

IN DE

KIST,

KLUCHTSPÉL.

De Twéde Druk, overgezien, verbétert, én van
veele misslaagen*, én drukfeilen, gezuivert.

[Vignet: Nil Volentibus Arduum]

TE AMSTERDAM,
___________________________

Gedrukt voor het KUNSTGENOOTSCHAP, én te bekomen
by de Erven van J. LESCAILLE, enz. 1704.
Met Privilegie.



[fol.*2v]

COPYE van de PRIVILEGIE.

DE Staaten van Holland ende Westvriesland; Doen te weeten, Alsoo ons vertoont is by eenige Liefhebbers van de Nederduytsche Taal en Poëzy, dat zy Supplianten naar ’t voorbeeld van de Italiaensche ende Fransche Academien, tot Amsterdam, voor eenige Jaaren met veele moeiten en kosten hadden opgerecht een Konstgenootschap onder de Prent, en Zinnespreuk van NIL VOLENTIBUS ARDUUM, dat wy in Consideratie van dien, en van haeren dagelykschen arbeidt, en Yver tot voortzettinge van de Duytsche Taal en de Dichtkonst, den Supplianten voor den tyd van Vyftien Jaaren met het Octroy ons geëxhibeert, hadden begunstigt gehad, ’t geene in het korte stondt te expireeren. Ende alsoo zy Supplianten gaerne in den voorschreven haaren Yver ende Arbeid zouden continueeren, ende bedugt waaren, dat eenige haatsoekende Menschen haar Supplianten daer inne soude soeken te onderkruypen ende benadeelen met haare werkjens naar te drukken, of verkoopen; Waaren sy Supplianten haer onderdaaniglyk keerende tot Ons, in alle onderdaanigheid verzoekende dat Wy het voorschreeve Octroy voor gelyke Vyftien Jaaren, geliefden te continueeren, ende sulks de Supplianten te Octoyeeren, omme onder de voorschreve Titul van NIL VOLENTIBUS ARDUUM, alleenlyk, met uytsluytinge van allen anderen, uit te mogen geeven, doen drukken en verkoopen alle de werkjens die zy Supplianten onder den voorschreeve Titul, reets hadden gemaakt, en geduurende den voorschreeve tyd noch zouden komen te maaken, ende ten dien einde aen de Supplianten te verleenen Acte in debita forma. SOO IS ’T , dat Wy de zaake en ’t verzoek voorschreeve overgemerkt hebbende, ende geneegen weesende, ter beede van de Supplianten, uit Onse rechte weetenschap, Souverayne maght, ende Authoriteyt, deselve Supplianten geconsenteert, geaccordeert ende geoctroyeert hebben, Consenteeren, accordeeren, ende Octroyeeren mits deesen, dat zy, by Continuatie geduurende den tyd van Vyftien eerstkomende Jaaren, de Werken by het voornoemde Kunstgenootschap onder den Titul van NIL VOLENTIBUS ARDUUM, gemaakt zynde, ende als noch gemaakt werdende, binnen den voorschreeven Onzen Lande, alleen zullen mogen drukken, uitgeeven ende verkoopen. Verbiedende daarom allen ende eenen iegelyken, deselve Werken naar te drukken, ofte elders naar gedrukt binnen Onzen Lande te brengen, uit te geeven, ofte te verkoopen, op de verbeurte van alle de naar gedrukte, ingebragte ofte verkochte Exemplaaren, ende een Boete van Drie Hondert Guldens, daer en boven te verbeuren; te appliceeren een derde part voor den Officier die de Calange doen zal, een derde part voor den Armen der plaatse daar het Casus voorvallen zal, ende het resteerende derde part voor de Supplianten. Alles in dien verstande, dat wy de Supplianten met deesen Onzen octroye alleen willende gratificeeren tot verhoedinge van haare schaade, door het naardrukken van de voorschreeve Werken, daar door in geenigen deele verstaan, den inhouden van dien te authoriseeren ofte te advoueeren, ende veel min deselve onder onse protexie ende bescherminge, eenig meerder Credit, aensien, ofte reputatie te geeven, nemaar de Supplianten in Cas [fol.*3r] daarin iets onbehoorlyks souden mogen influeeren, alle het zelve tot haaren laste sullen gehouden weesen, te verantwoorden; tot dien eynde wel expresselyk begeerende dat by aldien zy deezen Onzen Octroye voor deselve Werken sullen willen stellen, daar van geene geabrevieerde ofte gecontraheerde mentie zullen mogen maaken; nemaar gehouden zullen weezen het selve Octroy in ’t geheel en zonder eenige Omissie daar voor te drukken; ende dat zy gehouden zullen zyn een Exemplaar van de voorschreeve Werken gebonden, en wel geconditioneert te brengen in de Bibliotheek van Onze Universiteyt tot Leyden, ende daar af behoorlyk te doen blyken. Alles op peene van het effect van deesen te verliesen. Ende ten eynde de Supplianten deesen Onsen Consente ende Octroye mogen genieten als naar behooren Lasten wy allen, ende eenen iegelyken dat sy de Supplianten van den inhouden van deesen, doen laaten, ende gedogen, rustelyk, vredelyk ende volkomentlyk genieten ende gebruiken, Cesseerende alle belet ende wederleggen ter Contrarie. Gedaan in den Hage onder Onsen grooten Zegele, hier aen doen hangen, den XIVe. Maart, in ’t Jaar ons Heeren ende Zalichmaakers Duysent ses Hondert, twee en t’negentigh.

                                                                                          A. HEINSIUS.

                                                                  Ter Ordonnantie van de Staten

                                                                        SIMON van BEAUMONT.


WAARSCHOUWING.

    Het Kunstgenootschap NIL VOLÉNTIBUS ARDUUM, érkénd geene Wérken voor hunne eigene, dan die met deeze nieuwe Privilegie zyn gedrukt, én aldus geteekend.

[in ms.: Voor het Kunstgenootschap, Y.V. (= IJsbrand Vincent)]



[fol.*3v]

VOORRÉDE.

WY zyn de geboorte van de Vryer in de Kist, verschuldigt aan eenen voornamen Heer, uitsteekend Dichter, begunstiger, én aankweeker van alle loffelyke kunsten; op wiens voorstél én begeeren, wy, voor eenige jaaren, met geneegenheid, dit Kluchtspél onder namen; alhoewél dat ’er zich, tót het maaken van ’t Ontwérp, groote moeijelykheden scheenen op te doen, om de Geschiedenis, in Italie voorgevallen, naar onze zéden, én de Tooneelwetten te schikken: én wél voornaamelyk om den knoop én de ontknooping, daar de meeste kunst in steekt, natuurlyk én bevallig te maaken.
    Niettégenstaande deeze zwaarighéden, die in diergelyke, als in andere verkiezingen, zeer dikwils voorvallen, als in ’t Gebruik én Misbruik des Tooneels, in 8e. Pag. 51. te zien is,

    Want gy vindt uit zich zélf niet één’ bekwaame stóf,
    O Dichter, tót een Spél, ga vry in alle hoeken
    Na Fabels, ga vry na Geschiedenissen zoeken.

    Hebben wy niet alleenlyk ’t geluk gehad van het doordringend oordeel, én de grondige Tooneeldichtkunde van hoog gemélden Heer, hier in te voldoen; maar ook bevonden dat dit Wérkje den Liefhebberen niet minder aangenaam geweest is, dan onze andre Tooneelstukken; én wy kunnen niet twyffelen óf de verbéteringen, die in deezen réchten twéden druk, gedaan zyn, zullen hen insgelyks niet mishaagen: want wy hebben sommige plaatsen, die eenigzints duister waaren, op gehéldert, eenige harde bewoordingen verzacht, het onderscheid van de byzondre spelling der straattaal, die Dibberig spreekt, naauwkeuriger naagezien én veranderd; honderden spél én drukfeilen, die in eenen kwaaden bydruk gevonden worden, verbéterd; én alle de laatste woorden der vaerzen, die onder, én boven de régels stonden, om de gemakkelykheid in het leezen, op eene andere régel gebragt; gelyk wy alle het zélve in de Wanhebbelyke Liefde, wélk Kluchtspél, een weinig voor, óf naa dit, staat uit te komen, hebben waargenomen, én zo als wy in onze and’re Wérken, die vervólgens hérdrukt, met
[fol. *4r]
Titelprénten, van de voornaamste Schilders, én béste Plaatsnyders voorzien, meenen in acht te neemen.
    En om, nóch een woord óf twé van het Kluchtspél te zeggen: De plaats, én tyd der Geschiedenis, is hier, ons bedunkens, op het gevoeglykste, naar de Tooneelwetten gevólgd; De karakters én wyzen van spreeken, met omzigtigheid, eenpaarig in ieders persoon waargenomen; én onder anderen de snoode én verfoeijelyke hartstóchten in
Dibberig, die afgunstig én kwaadspreekende genoeg; maar nóch meer gierig, én eigenbaatig is, op het natuurlykste afgeschildert, om aan den leezer een afkeer van die gebreeken in te boezemen, vólgens het Gebruik én Misbruik des Tooneels, Pag. 48. én 49.

De stóf eens Blyspéls, dat zeer zélden hooge zaaken
Verhand’len moet, óf nooit, zal ons wél bést vermaaken,
En leerzaamst weezen als men vinnig scheert de gék
Met eenig burgerlyk verfoeijelyk gebrék;
Als afgunst, hovaardy, verkwisting, vrékheid, tooren,
Of eigenbaat, én al wat tégens het behooren
Van ménsch’lyke ommegang, én goede zéden strydt.

    Eenige Berispers willen dat wy eenen misslag begaan zouden hebben in de karakter van Stéven den Smid, als óf hy, door ons, als eenen mallen, talmenden én walgachtigen geheel dronken gék, waare ingevoert; doch deeze beschuldiging oordeelen wy niet beantwoordens waardig, als volkomenlyk tégenstrydig met Stévens redeneering, die uit geen puur dronken, maar uit een vrolyke luim, voorkomt. Zy zullen moogelyk het Kluchtspél gezien, én niet geleezen hebben: want ontbreekt het éénen Speelder aan kénnis én oordeel, om, vólgens de réchte zin, van een verstaanlyk Spél, zyne ról, naar de vereischte natuurlyke eigenschap, wél te verbeelden, zulks zal door eenen verstandigen Berisper, nooit aan den Dichter toe-geschreeven werden.



[fol.*4v]

VERTOONERS.

MAGDALEENTJE, Dóchter van Frank, én Vryster van Lieven.
LIEVEN, Zoon van Dibberig, én Vryer van Magdaleentje.
DIBBERIG, Moeder van Lieven.
NIESJE, Dienstmeid van Dibberig.
FRANK, Vader
JOANNA, Moeder
} van Magdaleentje.
HAASJE, Geweezene Dienstmeid van Frank.
STÉVEN, Smid, Buurman van Frank, én Dibberig.

    Het Tooneel verbeeld de kamer van Lieven, in het huis van Dibberig, te Amsterdam.

    De Geschiedenis van het Kluchtspél begind omtrént te half achten, én eindigd te half négenen ’s avonds, in wintertyd.

Continue

[p. 1]

DE

VRYER in de KIST,

KLUCHTSPÉL.
_________________

EERSTE TOONEEL.

MAGDALEENTJE, LIEVEN.

                                      MAGDALEENTJE.
OCh Lieven! de beenen staan me onder myn lyf, én trillen;
Ik bén zo ontstéld!
                                            LIEVEN.
                              Men moet daar zo zwaar niet aan tillen;
Ga wat zitten, stél u gerust, ’t zal alles wél gaan.
Gy zyt hier zéker én vry. Doe me maar met ’er haast verstaan,
(5) Wat ’er tót uwent schort: want ik kan geen slót genoeg krygen uit uw briefje.
                                      MAGDALEENTJE.
Ik weet door haast, én angst niet, wat ik geschreeven héb.
                                            LIEVEN.
                                                                                            Hoor, Liefje,
Dit schreefje: Ik moet t’avond zonder uitstél na ter Gouw,
Met Haasje, onze geweezen’ meid, een’ bedaagde vrouw,
Daar men my zal doen opsluiten, komt gy ’t niet belétten,

(10) Met my tusschen zéven, én achten van haar zy af te zétten.
Dit héb ik gelukkig uitgevoert; maar ’k bid u, Liefje, vertél
Al de omstandigheid eens, op dat ik’er de zaaken na stél.
                                      MAGDALEENTJE.
Gy weet wél, dat uw’ Moeder gist’ren tót onzent was?
                                            LIEVEN.
                                                                                      Neen ik,
Wat deed ze’er? Licht dat ze vinnig uitvoer?
[p. 2]
                                      MAGDALEENTJE.
                                                                      Dat meen ik;
(15) Zy schold, én ging zeer aan, op u, op my, op onze ommegang,
Op myn’ Ouders, op alles; én rékten ’t breed, én lang:
Zy zou niet lyen, dat gy langer by my verkeerde,
Veel minder, dat gy my troude, dat zy tóch niet begeerde:
Want myn’ Ouders hielden u op, én stonden na haar goed.
(20) Ik was een kleuter, gy een lichtmis, Vader een bloed,
Moeder een schynheilig; waar door zy Vader zo kwélde,
Dat hy tégen zyn’ gewoonte zich eindelyk ontstélde.
Eerst zeid’ hy haar wél wakker, én érnstig, waar’t op stond;
Maar hy gaapte tégens een oven, ’t viel in een schraale grond:
(25) Tót dat hy haar eindelyk beloofde my te zullen gebieden
Uw bezoek niet meer toe te staan, én dat straks zou geschieden.
Gelyk ’t bleek, hy riep my by haar, én zeid’ me heel straf,
Hy zou ’t my doen gevoelen, sloeg ik u niet ten eersten af.
Doen stélde zy haar te vréden, zo ’t scheen: want haar’ woorden,
(30) Geleeken gantsch niet na die, die wy wat te vooren hoorden.
Zy prees Vader, én Moeder: noemde my een gehoorzaam kind,
Om dat ik ’t toestond; in somma zy hing de huik na de wind;
En ging met groote eerbiedigheid, én vergenoeging heenen.
                                            LIEVEN.
Ik dénk niet, dat het daar méê uit was?
                                      MAGDALEENTJE.
                                                            Dat zou ik meenen:
(35) Want zie, ik was gewéldig over dit voorval ontstéld,
Gelyk gy dénken kunt; dóch ik hield my binnen met gewéld,
Tót ik ’s avonds in myn kamer kwam. Daar zwom ik in myn’ traanen,
Zo vrees’lyk kwam ik my onze scheiding te vermaanen.
Ik ging in myn kabinétje; bezag de schoone ring,
(40) Die gy my gegeeven had, onze Trouwbelóften, én alle ding,
Dat onze liefde raakte, én kon niet aan’t slaapen komen,
[p. 3]
Tót aan de mórgen, toen ik schrikkelyk begon te droomen;
Zo als Moeder aan de deur klópte, én my twé, drie maal riep
Dat ik méê op de zólder gaan zou, én my vroeg hoe ik zo lang sliep:
(45) Want wy hébben de wasch, én ik moest klóppen, én rékken,
Ik stond schielyk op, ik begon my aan te trékken,
En dat met ’er haast, om dat ik me wat verslaapen had.
Ik ging me wasschen, én voort na de zólder; maar vergat
De sleutel op ’t kabinétje; mits zie ik Moeder iets zoeken,
(50) Eerst op de zólder, toen benéên, én schommelen in alle hoeken,
Ik hoor ze in myn’ kamer gaan, licht zócht ze in myn kas,
Om dat zy zag, dat de sleutel op myn kabinétje was.
Daar ze heel wat anders vond, dan ze meende te vinden,
                                            LIEVEN.
Och vond ze de Trouwbelófte, zo was ’er de Drommel te binden!
                                      MAGDALEENTJE.
(55) Luister: myn kamer was récht onder, daar ik rékte, én ik hoor,
Hoe dat ze ’er haastig uitgaat na Vader, op ’t kantoor,
Die de Knécht uit stuurde, zo’k myn sleutel begon te missen
                                            LIEVEN.
Och, ze vond de Trouwbelófte! Dat’s zéker, ik kan ’t wél gissen.
                                      MAGDALEENTJE.
Zo was’t ook; ik haar na, op myn kousvoeteling, na benéên,
(60) Aan ’t kantoor te luisteren, én ’k liet de meid alleen;
Daar hoorde ik hoe dat Moeder aan Vader vertélde,
Hoe zy de Belófte gevonden had, dat hem hévig ontstélde;
Maar bedaardende, zeid hy, zy zou niet blyken laaten, dat
Ze ’er iets van wist, óf dat zy eenige moeijelykheid had;
(65) Maar zéggen, dat’er een brief van ter Gouw was gekomen,
Dat Moei heel krank was, én haar Testamént had voorgenomen
[p. 4]
Te maaken, daar ik een fraai Legaat in hébben zou,
Omdat ik na haar genoemt bén; maar ’k moest straks na ter Gouw.
En ’t raadzaamst’ was, dat ik my in de nachtschuit zou zétten
(70) Met Haasje, onze oude meid, eer ’t de vrinden belétten.
Voort moest men steeds omtrént my weezen, op dat ik niet zócht
Na de Belóften, én hun opzét steurde uit achterdócht.
Want kreegen zy my zonder eenig kwaad vermoeden buiten
By Moei, zy zouden my dan wél zo vast doen sluiten,
(75) En’t schryven belétten, dat gy niet weeten zoud, waar ik was;
Zo had onze malle liefde een gat. ’k Had genoeg, én liep ras
Na myn kamer, daar ik dit briefje schreef, én voort wêer na boven;
Daar Moeder kwam, én deê, als zy Vader had moeten belooven.
Toen men ons nu aan taaffel riep; én zy met my benéden kwam,
(80) Zag ze dat ik de sleutel van’t kabinétje nam:
Want ik deê ’t éxprés, om Moeder in geen kwaade luimen
Te bréngen: ik toen haastig af, om géen tyd te verzuimen,
Zo ’k zei, dewyl ik ’t goed graag voor myn vertrék gevouwen had;
Maar ’t was, om dat ik wist, dat je altyd, voor beurstyd, at,
(85) En ’er laat weêr af kwaamt, op hoop van u te zien wéderkeeren.
Moeder riep Haasje, én zond ze daat’lyk by me, om de kleêren
Te hélpen vouwen, én ’k was niet op de zólder, óf gy komt van vérren aan;
Ik bad de meid, om wat vuur in myn’ stoof, na benêen te gaan,
Datze deê; dus had ik de gelégenheid u de brief toe te wérpen,
(90) Die gy ontfingt.
                                            LIEVEN.
                                Nu past het my myn’ zinnen te schérpen,
[p. 5]
Om wél te voleinden, dat gy zo kunstig hébt begost.
Wat bén ik u gehouden! gy hébt my van de dood verlóst;
Want zonder u, myn zieltje, had ik niet kunnen leeven.
                                      MAGDALEENTJE.
Maar wat raad nu? Weet ge my geen voorder uitslag te geeven?
                                            LIEVEN.
(95) Voor eerst zal ik my altyd houden, óf ik heel niet weet
Waar gy zyt; én indien dit wég loopen geen groote kreet
Over de buurt verspreid, zal ik na u komen vraagen,
Als na gewoonte, én voorts zullen we in twé, drie dagen
Wél een ander middel vinden.
                                      MAGDALEENTJE.
                                                Maar zo men op u vermoed,
(100) Dat gy me vervoerd hébt, men zal u vólgen doen op de voet,
Waar gy heen gaat; én komt gy my dan dikwils bezoeken.
Gelyk gy niet laaten zult, zo zullen ze ons licht verkloeken,
En my éléndig handelen.
                                            LIEVEN.
                                        Weet gy dan niet, waar gy zyt?
                                      MAGDALEENTJE.
Hoe zou ik ’t weeten? ik was zo ontstéld, in al die tyd,
(105) Toen gy my van Haasjes zy naamt, dat ik niet kon létten,
Waar gy my heen bragt.
                                            LIEVEN.
                                        Zo kunt gy u zélve nu gerust zétten;
Gy zyt tót mynent, dus ik zal u den heelen dag zien,
Zonder dat ons iemand in de waereld kan bespiên.
                                      MAGDALEENTJE.
Maar hoe durfde gy my hier in brengen? had gy geen vreezen,
(110) dat uw’ Moeder, óf de meid, óf iets anders in de wég zou weezen?
Waar zyn ze nu?
                                            LIEVEN.
                          Ik zal ’t je zéggen: toen ik uw briefje kreeg,
[p. 6]
Was ik zeer ontrust; ’k ging op myn béd léggen, én had geen deeg,
Voor ’t uur van zévenen kwam. Moeder was in ’t vermoeden
Dat ik uit was: want zonder zich ’t minst voor my te hoeden,
(115) Hoorde ik, dat ze de meid eenige boodschappen beval,
En zei: je zult me bescheid bréngen tót Frankbuurs, daar zal
Ik je wachten. Het dócht me vreemd, wat ze tót uwent zou maaken;
Maar ’k nam die gelégenheid waar, om te béter onze zaaken
Voort te zétten. Zy gaat uit; omtrént te zévenen, én ik
(120) Steek deeze kaars aan, én vólg haar in een oogenblik:
’k Hoor tót uwent de deur toe gaan, én ’k had geen half uur staan wachten,
Of gy komt met Haasje uit: want ’t was omtrént half achten;
Ik vólg u na, én neem myn slag waar by de poort,
Daar ’t eenzaam was, gelyk gy weet, Liefje, én bréng u voort
(125) Tót onzent: want ik wist geen béter gelégenheid te vinden.
Gy zyt te schoon, én my te lief, om u aan myn béste vrinden
Te vertrouwen. In een hérbérg, zou ’t, dunkt my, ook niet gaan,
En buiten de Stad met u wég te loopen was nóch minder geraân.
                                      MAGDALEENTJE.
Maar waar zal ik nu eenige dagen blyven?
                                            LIEVEN.
                                                                  Ik weet geen bekwaamer,
(130) Nóch gemakk’lyker gelégenheid, dan hier, in myn kamer.
                                      MAGDALEENTJE.
En gy?
                                            LIEVEN.
            Waar anders, als by u? want ik zal u de kóst,
En alle gemak verzórgen moeten.
                                      MAGDALEENTJE.
                                                    Och wat héb ik begost!
My zelve zo op een jongmans diskretie te vertrouwen!
[p. 7]
                                            LIEVEN.
Hoor, Liefje, laat het u niet verdrieten, nóch berouwen;
(135) Ik houd u voor de myne; wat ’er tusschen ons geschied,
Raakt ons beide, én roert and’re, zélfs onze Ouders niet:
Want daarom hébben wy malkanderen trouwbelóften gegeeven.
                                      MAGDALEENTJE.
Ja, maar zult gy ook onbescheiden met my leeven,
Nu ik in uw’ magt ben, én my op uw heuscheid betrouw?
                                            LIEVEN.
(140) Altyd niet slimmer, Liefje, als een man met zyn’ vrouw.
                                      MAGDALEENTJE.
Och! Lieven, laat myn weêr gaan, óch! óch!
                                            LIEVEN.
                                                                      Wat zal dit weezen?
Waarom schreidge?
                                      MAGDALEENTJE.
                              Gy hébt my altyd eer’ en deugd aangepreezen,
Als ’t schoonste juweel, dat een braave juffer sieren kon;
Wat zou my aangaan, zo Lieven zélf myn ondergang begon
(145) In ’t werk te stéllen.
                                            LIEVEN.
                                          Hoe de zaaken tusschen ons léggen,
Weet gy, Liefste. Dit zal ik ’er u in ’t kort op zéggen:
Dat ik myn draagen zal, gelyk ’t een eerlyk jongman voegt;
Daarom, Engeltje, weest ongerust, nóch onvernoegd:
Want ik zal u in ’t minste met geen onbeschóftheid aanranden,
(150) Hoewél dat vuur, én stro by malkander, zeer licht branden.
’t Zal aan u staan my met fatsoen af te zétten, dan hébt ge niet
Te vreezen; maar ziet, ik blyf u geen bórg, wat ’er geschied,
Zo gy me de alderminste hoop laat schéppen uit uwe oogen:
Want dan is de uitslag van myn opzét buiten myn vermogen.
(155) Voor de rést moogt gy verzékerd zyn, dat ik u te zeer bemin,
Om u iets te vérgen, óf aan te doen tégens uw zin.
Ik stél u in volkomen magt om u zélf te bewaaren.
[p. 8]
                                      MAGDALEENTJE.
Uw’ bescheidenheid stélt me gerust, én doet me bedaaren.
Maar waar zal ieder slaapen?
                                            LIEVEN.
                                              Gy op ’t béd, én ik op de bank,
(160) In myn’ kleêren.
                                      MAGDALEENTJE.
                                    Maar waar blyf ik dan over dag zo lank,
Of uw’ Moeder, óf iemand boven kwam?
                                            LIEVEN.
                                            Dat is al verzonnen.
Zie, deeze kist héb ik leeg gemaakt.
                                      MAGDALEENTJE.
                                                        Zal ik ’er wél in konnen?
Me dunkt, ze is te ondiep, én niet hoog genoeg na myn zin.
                                            LIEVEN.
’t Is buiten bedénken, gy kunt ’er gemakkelyk in.
(165) Ik bén zo veel grooter, als gy, én kan ’er my wél in bérgen.
Zie daar, dat kan immers wél gaan, ik zou ’t u anders niet vérgen.
                                      MAGDALEENTJE.
Maar uw’ kniejen steeken uit.
                                            LIEVEN.
                                              Niet, pas vry. Wat? doeje ze toe?
En ’k héb de sleutel in myn zak!
                                      MAGDALEENTJE.
                                                  Wat gaat men aan! wat doe,
Wat begin ik! Och Lieven! weet je me geen raad te geeven?
(170) Nu moet ’et uitkomen! Ik ben bedurven voor al myn leeven!
Och Lieven! och! och! wat ongelukkiger voorval is dit!
Wat zal ik doen?
                                     LIEVEN, in de kist.
                            Gaat daatelyk in de straat, na de Smid;
En laat de Kist maar op slaan, op hakken, óf op steeken;
Maar haast u, eer Moeder komt; daar na zullen wy verder spreeken,
[p. 9]
(175) Gy moet het waagen; rép u wat, dit wachten duurt te lang;
Ga tóch, ik bid je uit al myn hart.
                                      MAGDALEENTJE.
                                                    Wél; moeten is dwang.
Ik ga dan. Och! weêr nieuwe onraad! de deur gaat benéden open!
Wat komt my over! waar zal ik me bérgen! waar heen loopen!
Och! daar komt iemand boven!
                                            LIEVEN.
                                                  ’t Zal Moeder zyn, ’t is haar tréd:
(180) Dat ze u tóch niet ziet, loop, én verbérg u onder het béd.


TWÉDE TOONEEL.

DIBBERIG, MAGDALEENTJE, op ’t béd, LIEVEN, in de kist.

                                           DIBBERIG.
NIemeniet? wel dat ’s vreemd! hoorden ik ’et hier boven niet leeven?
Of speulje kuikermuikje? Lieven, waer bin je ebleeven?
Dat ’s kluchtig! Ja al evonden! gunts leid de mantel, én hier is de hoed,
En ’t leeft onder de dékens! Wél, wat óf hy te bedde doet,
(185) En dat mit de kleêren an? Ik mérk waer ’t hum zél schorten
Hy is krank, óf krankzinnig van liefde, hy zél hum nóch verkorten;
Hy het ligt ’t nieuwe tynkje van zyn vryster al wég.
Waerom maakje me zukke babbeleguichjes, zukke krisjes? zég,
Kom, kom niet wég te schuilen, ’t is al an den dag ekomen.
(190) Foei jou an! bin jy myn zeun? myn zeun? aard jy nae de vromen?
Jou zélf zo te versmyten an ien kladeunie, an ien kleuter, fy, fy
An zo ien schytpélsje! wél ik zou ’t zwygen, was ik, as jy.
Ik weet al jouw konkelfuizen niet, ó neen, het is hiel verborgen!
[p. 10]
Nou, versteekje onder ’t dék; zwyg jy maar; wy zéllen mórgen
(195) Mekaâr wel aârs spreeken. Frankbuur die eerelyke man
Het me jouw Trouwbelóften etoond; mórgen vroeg komt hy an,
Om ze van beide kant in te trékken, én zy zit al in ien huisje,
Jouw schoone Medonia, slae veur ’t liestentje vry ien kruisje:
Want,* spyt je bakkes, je zélt ze je leeven, niet weêr zien.
(200) Foei, ien knécht van vyféntwintig jaar, zo mal? ik mien, ik mien,
Dat jy wat begind! Hoe zócht hy myn daer in slaep te wiegen!
Schaam je jouw niet, schandbrók, jouw eige Moêr zo te bedriegen?
Had me die vroome Frankbuur dat spulletje niet ezeid,
Jy had jouw aijeren daer niet kwaelyk te broên eleid.
(205) Ja wél, al is ’t ien Armejaan, ke daer, ik moet ’em pryzen:
Want hy kreeg mit zyn vrouw, Jannetje in de drie Radyzen
Mooi goedje, óf zo de spraak ging, wél aârdhalf tonnegoud;
Hy had ook een mooije stuiver; aârs had ze ’em niet etrouwd;
En sédert het hy al mooitjes mit de ingosy ewonnen.
(210) Maar wat zou hy mit zen Dóchter al veul mêe geeven konnen?
Ien kaale drie, vier duzend pond? want as élk zo veul had,
En hy dan nóch wat houwen zou, maakte ’t al ien groote schat.
Laet zien, zy is de oudste, Heleen, Dries, Fobert, Saar, Reintje,
Kristyn, Pouw, én dan ’t jongste, dat ’s négen. ’t Is gien kleintje!
(215) Daer zo veul varkens tót de tróg bennen, valt de spoeling dun.
Wat zou je mit zo ien kaale juffer doen? wat worden? ien fun?
Ien schand van je geslagt? je mogt mit aller eeren, kyken
Nae Burgemiesters kyeren, ten minsten nae de ryken,
[p. 11]
Daer je toe op efókt bint: want jouw vaâr, dat je ’t weet,
(220) En ik, hébben weinig vreugd ehad, ja schier niet ien beet;
En hoe ’t me verdroot, ’k had liever te lyen, én te zwygen,
As dat ik prykel liep ien hoope kaale kyeren te krygen;
En dat al, om dat het goed op ien, óf twie vervallen zou,
Maar hoe word ik beloond? Nou! ik zie wél ’k héb al te laat berouw;
(225) Hadden we ’t onze tóch maar van de werreldsche vreugd enomen!
Want ik was niet ongoêlyk, én jouw vaâr kwaelyk te toomen,
Zo wild was hy, ja dénk dat vry, hy had meê knoopen an zen broek.
Toen hy Jongman was, was hy altyd mit de meisjes in ien hoek;
Maar mien jy, dat hy zo onnozel was, als jy, in zyn vryen?
(230) O neen, vaâr! Daerom zie ik, wy beleeven de léste tyen.
Hy het by vyf, zés, de fatsoen’lykste jufvrouwen van de stad,
Op zyn woord van heur te trouwen, wél kyeren ehad;
Maar léverden zy hum, al mienden ze, dat ze ’em verkóften?
Hiel niet; want zyn leeven gaf hy gien geschreeven trouwbelóften.
(235) ’t Was ien vroom veurzigtig knécht; in zukken kas zag hy nae splint:
Wél, dat hy op keek, hy kénde je niet veur zyn eige kind!
Zen zélf zo te kort te doen, zne zélf zo te versmyten?
’t Gaet men an men zinnen, ’k weet niet, óf ik vloeken wil, óf kryten.
Jou deugeniet, je zélt nóch maaken, dat jouw ouwe goê Moêr stérft:
(240) Héb jy daer niet van jouw Pete Maai dartig duzend guldens ëérft?
Héb ik je veur je vaârs goed niet over de tachtig beweezen?
En héb je in ’et Testamént van je Grootmoêr niet eleezen,
Dat Kors broêrs goed vydekemys is, én op jou vervallen moet?
Zo dat, t’ aevond, óf mórgen, as ik te stérven kom, jouw goed
[p. 12]
(245) Wél om, én omtrént de drie tonnetjes uit zél maaken.
Zukken som ryk te weezen, én niet nae meer te haaken?
Wég, jy bint myn kynd niet, neen, ze hébben jou in de wieg verruild,
Of je bint hiel ontaart. Maar je doet wél, datje je verschuilt.
Ik hoop, dat je berouw hébt: want je begint je te schaamen:
(250) Dat ’s ien goed teiken.


DÉRDE TOONEEL.

NIESJE, DIBBERIG, MAGDALEENTJE,
op ’t béd, LIEVEN, in de kist.

                                            NIESJE.
                                          JUfvrouw, Frankbuur, én zyn Vrouw zyn saamen
Benéden.
                                           DIBBERIG.
                Wélkom moeten ze weezen; ze kommen wél te pas.
                                            NIESJE.
Maar ze zyn hiel ontstéld, óf ’er vry wat in de meulen was.
                                           DIBBERIG.
Wél Heer! hebbenze nóch op den ouwen aevond die moeiten enomen?
Loop Niesje, én vraag, óf ze believen boven te komen.
(255) ’k Weet wél, wat ze begeeren; zég, dat Lieven hier boven leid:
Ik zou aârs wel by ’er kommen, loop ras, as ien meid.


VIERDE TOONEEL.

DIBBERIG, MAGDALEENTJE, op ’t béd, LIEVEN, in de kist.

                                           DIBBERIG.
WÉl mienje ’t nóch te ontgaen? óf hoop je ’t nóch te bedisselen,
Mit dit mal houwen, dat wy de Béloften niet wisselen?
Ja maak jy de slaeperd, speul de beschaamde, houje stom,
(260) Wy zéllen ’t jou wél klaaren, al maakte jy ’t nóch zo krom.
Je zélt me die dans niet ontspringen, neen Vaâr, gien vreezen;
[p. 13]
Uitdókken zél je ze, óf Kraai zél gien veugel weezen.
Daer is Frankbuur.


VYFDE TOONEEL.

FRANK, DIBBERIG, JOANNA, HAASJE,
MAGDALEENTJE, op ’t béd,
LIEVEN, in de kist.
NIESJE, moet ’er binnen lichten, én weêr wég gaan.

                                            FRANK.
                                  HOe is uw zoon t’huis, én licht hy te béd?
Nu geef ik het op!
                                           DIBBERIG.
                              Wat schort ’er Frankbuur? wat is ’t, dat je lét?
(265) Hoe stae je zo versteld?
                                            JOANNA.
                                              Zouden wy ons niet ontstéllen?
Och wat komt ons over! wy zullen ’er ons nóch dood in kwellen!
                                           DIBBERIG.
Wat is ’er te doen? ai gae wat zitten, wat het Lieven edaen?
                                            FRANK.
Och, dat hy ’t maar gedaan had!
                                           DIBBERIG.
                                                  Ik ken je lui niet verstaen.
Wat ’s’er ebeurd? zég Frankbuur? ai Jufvrouw, wat ezeeten:
(270) Je hébt ’er zo veul van, as van staen; maar mag men niet weeten,
Wat ’er hapert?
                                            FRANK.
                        Komt ze onder myn oogen, die vuile Pry,
Ik zal me ’er aan vergrypen!
                                           DIBBERIG.
                                            Strak was ’t ien Hy, is ’t nou een Zy?
Ik dócht, dat je van myn Zeun sprakt.
                                            FRANK.
                                                          Och raakten ’t me niet naader!
Daar ligt nu de eer van ons huis! Wél ik zweer...
[p. 14]
                                            JOANNA.
                                                                            Nou Vader, Vader,
(275) Wat hélpt deeze mistroostigheid? kom zét u op een stoel,
En bedaar wat.
                                            FRANK.
                          Me dunkt, dat ik ’et in myn’ harssens voel;
’k Zal zinn’loos worden.
                                            JOANNA.
                                        Gy pleegt u nooit zo te ontzétten,
Gebruik uw’ wysheid, gedaane dingen zyn niet te belétten.
Gy zoud u zo een ziekte op den hals haalen, én licht de dood.
(280) Wy weeten nóch geen volkomen uitslag, licht is de nood
Minder, als men dénkt.
                                           DIBBERIG.
                                    Wat is ’er te doen? hoe is ’t ’er gelégen?
                                            JOANNA.
Onze Magdaleen is, in ’t gaan na de Goudsche schuit, onder wégen,
Van Haasjes zy af genomen.
                                           DIBBERIG.
                                            Wél, wél, wél, wat je me zégt!
Van Haasjes zy óf? wat ik hoor! maar is ze nóch niet weêr terécht?
                                            FRANK.
(285) Wat zouze weezen? Wy hadden gehoopt haar hier te vinden,
En dat het uw Zoon gedaan had, om dat ze malkander beminden;
Maar we vinden ons bedroogen.
                                           DIBBERIG.
                                                  Ja, Frankbuur, dat’s mis, zo je ziet.
Maar ai lieve! verhaal me tóch iens, zo je het niet verdriet,
Hoe ’t in zyn wérk egaen is?
                                            FRANK.
                                            Ik mag’er myn hooft niet méê breeken.
(290) Doe jy ’t Haasje, ik kan van mismoedigheid niet spreeken.
                                            HAASJE.
Ja, ik zél ’t je zéggen; kyk ereis, Jufvrouw, hoe zie ik ’er uit?

[p. 15]
Hoor Jufvrouw, ik ging mit onze Dóchter nae de Goudsche schuit;
We waaren al by de poort, mit komt ’er ien an evloogen,
Die slaet me van afteren mit zen mantel in bei men oogen.
(295) Hy geeft men ien stoot, hy rukt me om veer, al in ien oogenblik;
Men stoof vloog in stukken, de tést ’er uit, myn mof, én neusdoek in ’t slik,
Men kap half óf, men élleboog deur!
                                           DIBBERIG.
                                                          Ménschen! watte benieren!
Kon je jou niet weeren? kon je niet schreeuwen? kon je niet tieren?
                                            HAASJE.
Wat zou ik schreeuwen? ’k had ’et weg, eer ik ’er om dócht.
(300) En ’er was gien vólk omtrént, as ien beetje daer nae. Ik zócht
Myn goed van de straet op, ’k begin nae Maddeleentje te vraagen;
(Ik miende, dat die ook zo gestooten was, én geslagen,)
Maar niemand wist ’er óf. Ik roep ’er by ’er naam; maar kreeg
Geen antwoord: Ik dócht, deur de vrees liep ze licht uit de weeg.
(305) Ik zócht ’er in, én by de schuit, én bleef ’er tut an ’t óf vaaren;
Maar zy was ’er, nóch kwam ’er niet; ik ging t’huis, én zég al die maaren
An Jufvrouw, én Sinjeur, én die hadden ienig vermoeden op jouw Zeun;
En dus kwammen ze hier.
                                           DIBBERIG.
                                        Wél is ’t meugelyk! dat ’s ierst ien deun!
Maar waer deink je, dat ze is?
                                            FRANK.
                                              Dat ’s onmoogelyk te weeten,
(310) En dat veroorzaakt myn ongerustheid. Maar Haasje heeft vergeeten!
[p. 16]
Te zéggen, dat Magdaleen, in al die tyd, schreeuwde, nóch riep;
Zo dat ze ’er licht óf wist, én met haar schaaker aan der heide liep;
Anders was ze wél na de schuit gegaan, óf t’huis gekomen.
                                           DIBBERIG.
Wat zél ik zeggen? ’k héb ’er wél zo veul van ezien, én vernomen,
(315) Dat ’t niet zonder réden was, dat ik dit huuw’lyk belétten wou.
’k Héb méê jong eweest, Frankbuur, al bin ik nou ien ouwe vrouw.
Maar as men de meisjens de jongmans zo ziet toelonken, én wénken,
Moet men wél gék weezen, zo men de rést niet kan dénken.
As ik over myn deur lag, héb ik ’et vaaken ezien:
(320) Kyk, ik wou goê buurschap houwen, én ik liet ’er betiên;
Ik dócht, wat roert ’et myn, élk mag zyn eigen luizen vangen;
Maar toen ’er myn malle Zeun zen zélven an wou verhangen,
Toen dócht ik, holla wat, dat moet óf!
                                            FRANK.
                                                            Ja wél, had gy my gezeid
Dat ze ’er niet behoor’lyk droeg, ik zou ’t met groote dankbaarheid
(325) Aangenomen hébben; nu dat zyn gedaane zaaken,
Die men lyden moet, als men ze niet anders kan maaken.
Ik zal ze nu laaten loopen voor de geen, die ze is,
Of zo ik ze kryg, doen opsluiten in een gevankenis.
Béter tusschen vier muuren, als dat ze voor oneer’lyk zou loopen.
                                            JOANNA.
(330) Ai Vader! ze is nóch jong, én ’t is jouw kind, men kan noch hoopen.
Men weet ook nóch alles niet, wy hébben haar zo niet opgevoed,
[p. 17]
Nóch zulke éksémpels gegeeven; ik héb nóch al béter moed.
                                           DIBBERIG.
Ja, éksémpel jy wat, jy verstaet je niet op die kneepen;
Jy hebt ien huis vol kyeren, ik weet béter van die greepen;
(335) Ik héb ’er maar twie ehad, zo dat me tyd genoeg overschoot,
Om te weeten, wat ’er in de stad omging, al was ze nóch zo groot.
Ik mien, dat ik stooritjes weet! Stond ’et me vry te zeggen,
Wat zou ik je ien boekje van de grootste Juffers open leggen!
De Ouwers waaren ook wél vroom, de kinders wél opebrógt;
(340) Maar dat belétte niet, óf zy hébben vry wat meêr bezócht,
As ien eerlyke vrouw, lyken ik, én myns gelyken.
Ja, myn lieve Jufvrouw, had ik niet kennen óf kyken,
Wat jouw Dóchters bemeuriën waaren, ik had niet iens estreên,
Of kwaelyk evonden, dat Lieven mit ’er trouwde, ô neen!
(345) Maar ’k héb ze zo ménigmaal ’s aevonds zien praaten
In de stoep, mit and’ren; maar ’k zweeg stil, om me niet te doen haaten.
Want jy bint andersints lui van rippetasie, én fatsoen,
En mit zo veul géld te behylikken, is ’et juist niet te doen.
Dénk ook niet, dat ik me zo zeer an wat ongelyk géld zou steuren:
(350) Neen, eer veur géld. Had ik niets aan jouw Dóchter kunnen bespeuren,
Ik had ’et wél meugen lyen, al had hy mit ’er etrouwd:
Ja ik had ’et graag ezien. Maar ik bin te wys, én te oud,
Om my zo te laeten fóppen.
                                            FRANK.
                                            Ik zou zélf niet begeeren
Een lichte kooi, al was ’t myn Dóchter, aan een Jongman met eeren
(355) Uit te besteeden. Jufvrouw Dibberig, ik ben u verplicht,

[p. 18]
Dat gy myn familie zo acht; is ’er een vlék in, ’t zal niet licht
Weer gebeuren: want ik meen ze ’er zo uit te wasschen,
Dat myn jonger kind’ren wél anders op haar eer zullen passen.
                                           DIBBERIG.
Dat wy nou de Trouwbelóften scheurden, wat dunkt je ’er van?
                                            FRANK.
(360) Al wat u belieft, ’k héb uw Zoons by my.
                                           DIBBERIG.
                                                                          Lang ze me dan.
                                            FRANK.
Maar gy moest die van Magdeleen ook weêr doen geeven.
                                           DIBBERIG.
                                                                                          Wél, dat ’s réden,
Ik zél ’er Lieven, nae vraagen. Nóch al kwaelyk te vréden?
Nóch al ziek? héb je de storie van je liefste al ehoord?
Kom, kom, de Belófte moet ’er weezen, kom lang ze me, voort.
                                            JOANNA.
(365) Is hy kwaalyk te pas?
                                           DIBBERIG.
                                          ’k Weet niet, hy wil niet spreeken;
Hy leid mit zen kleêren te béd, én mit ’et hoofd onder de déken.
’t Zel van droefheid weezen, de liefde slaet ’em licht om ’t hart.
Nou, Lieven, scheeren we mekaar, óf maaken we mekaar zwart?
De Belófte, de Belófte; kom, laet me niet langer teemen.
(370) Of zou je dat staaltje nóch veur je vrouw willen neemen?
Hoor je wél, geef antwoord, óf ik slae je begét blaeuw, én blond,
Hoe Duiker zél ’t hier weezen, dénk ik, hébje gien tong in je mond?
De Trouwbelófte.
                              MAGDALEENTJE, op ’t béd.
                            Ik héb ze niet byme.
[p. 19]
                                           DIBBERIG.
                                                              Ik héb ze niet by me!
Dat’s ien stémmetje! is ’t van de gék, Lieven? mien jy me
(375) Zo óf te zétten? Waer is ze dan? zég het me.
                              MAGDALEENTJE, op ’t béd.
                                                                                In de kist.
                                           DIBBERIG.
Wel Heer! hy spreekt, óf’t ien Juffer was! Hoe is ’t?
Zit ’er ook ien wynd dwars veur jouw fondemént eschooten?
Of héb je ’t potegraeu in ’t hoofd? óf de kramp in je pooten?
Voort geef me de sleutel. Wél ik word aârs, as aârs! ik zég
(380) Dat je me de sleutel geeft, óf zie daer...
                              MAGDALEENTJE, op ’t béd.
                                                                        De sleutel is wég.
                                           DIBBERIG.
Nóch al zo fyn! ja, ja, jy zoekt me wat te kwéllen,
En hoopt me mit zukke wisjes wasjes uit te stéllen.
Maar wy weeten méê raed, én zéllen wél maaken, dat ’et je mist.
Ae Niesje! ae Niesje! hoor je niet? ae Niesje!


ZÉSDE TOONEEL.

NIESJE, DIBBERIG, JOANNA, FRANK,
HAASJE, MAGDALEENTJE, op ’t béd,
LIEVEN, in de kist.

                                            NIESJE.
                                                                    WÉl Vrouw, wat is ’t?
(385) Hier bin ik, hoe schreeuw je zo? ik bin niet doof. Wie het zen leeven!
                                           DIBBERIG.
Ja, daer is haest by, Niesje, kom, gae strik strak naer Stéven
De Smit, hier in de straet, én zég, dat hy op staende voet,
Mit opsteekers, breekysers, mooker, én byl hier kommen moet.
[p. 20]
Loop wat gaauwtjes heen, hy moet ien hiel stark slót opsteeken,
(390) En kén hy ’t niet doen, zo moet hy het dékzel op hakken, óf op breeken.


ZÉVENDE TOONEEL.

DIBBERIG, JOANNA, FRANK, HAASJE, MAG-
DALEENTJE, op ’t béd, LIEVEN, in de kist.

                                           DIBBERIG.
JA, Frankbuur, ik zél maaken, dat jy te vréden beny.
                                            JOANNA.
                                                                                    Maar
My schiet daar in de zin, Vader, dat het misschien wél moogelyk waar,
(Dewyl je aan Magdeleen, Lievens ommegant, zo stréng hébt verboden,)
Dat ze érgens in ’t heimelyk by onze Vinden is gevloden,
(395) Om dat ze Lieven, lichtelyk graag voor haar vertrék, spreeken wou
Eer gy haar van honk stierde, na haar Meutje ter Gouw.
                                            FRANK.
Ja, had ze geweeten, dat wy ’er wilden doen opsluiten;
Maar daar wist ze niet af, zy moet met and’re Kornuitn,
Kennis gehad hebben. Wie zou haar vande meids zy
(400) Af durven neemen, als zy ’t niet met hen stond, die Pry?
                                           DIBBERIG.
Ja, dat ’s deursteeken wérk eweest.
                                            JOANNA.
                                                        Ik zou my échter niet haasten
Met het wisselen van de Trouwbelóften: want ziet, alles ten kwaatsten
Genomen, wat weeten we, hoe dat ze met Lieven staat;
Wat ’er misschien tusschen hen gebeurd is; te grooten haast is kwaad.
                                           DIBBERIG.
(405) Watte? wou jy nóch staat op heur, mit myn Zeun maaken?
[p. 21]
Wél Jufvrouw!
                                            FRANK.
                        Ontstél je niet Jufvrouw, die zaaken
Zullen geen last lyden; ’t zy, hoe ’t wil, al was ze zwaar;
Ik zou het kind liever doen opvoeden, én zétten haar
In een plaats, daar ze tégen haar wil, kuisch moet leeven,
(410) Als een oneerlyke Dóchter, aan een eerlyk man te geeven;
Ik héb daar in myn leeven verscheiden’ proeven van gezien;
Van duizend zulke huuwelyken zal ’er niet één geschiên,
Of ze neemen een kwaad einde; én dat zou me veel meêr spyten,
Als haar oneerlykheid; ik zou ’t my zélf verwyten,
(415) Dat ik een eerlyke familie misleid, én bedroogen had.
                                           DIBBERIG.
Wis, Frankbuur, jy hébt het wonderlyke wél evat.


ACHTSTE én laatste TOONEEL.

NIESJE, DIBBERIG, STÉVEN, FRANK, HAAS-
JE, LIEVEN, in de kist.JOANNA, MAGDALEENTJE, op ’t béd,

                                            NIESJE.
JUfvrouw, daer is Stévenbuur.
                                           DIBBERIG.
                                                Laet ’em maar boven komen.
                                            STÉVEN.
Gen avond; ho! men Heer Kappetein! wie zou droomen
Jou hier te vinden? wat is ’er te doen?
                                            FRANK.
                                                          Draag wat respékt,
(420) Zo familiaar niet, ’t staat anders, óf men net de liê gékt.
                                            STÉVEN.
Wél, ik miszég je niet, wél hoe, men Heer! wat sélleweeken!
Wél hei!
                                           DIBBERIG.
            Stévenbuur, jy hébt wat te diep in de kan ekeeken.
Ai Frankbuur, hou ’et hum ten bésten.
[p. 22]
                                            FRANK.
                                                            Och Jufvrouw Dibberig,
Ik steur me ’er weinig aan; maar zégt men ’t hen niet, zo maaken zy zich
(425) Te gemeen.
                                            STÉVEN.
                            Wél, men Heer, je moet me verékskeseeren;
Ik bin mit ons Kórporaalschap, as je weet, an den Overtoom weezen teeren;
En ik héb in ’t partekelier, zo ien glaasje edronken mit de Luitenant.
Of hy véchten ken, weet ik niet; maar van drinken het hy ekselént verstand.
Hy nypt ze! de Droes....
                                            FRANK.
                                    Je zégt ons dingen, die wy wél weeten;
(430) Maar zo veel praats niet.
                                            STÉVEN.
                                                Hoe hebben we mekaâr nae ’t gat ezeeten
Mit fluiten, én drielingen, én dat al van den ouwen hond,
Boorde vol eschonken, én schoontjes eleegt tót de grond;
’t Was, óf we ons ryk zouwen drinken.
                                            FRANK.
                                                              Zo niet te schémpen;
Wy zulen ’et wél komen, met al dat slémpen, én démpen.
                                            STÉVEN.
(435) Wél waerom niet, men Heer, de grootste doen ’t, én gaan ons veur,
Op Komperysiejen, én Dippetasien: dat is zo de sleur,
De mieste zaaken worden onder ien glaasje waar enomen.
                                            FRANK.
Hoe zal ’t weezen? zyt gy hier om te praaten gekomen?
                                            STÉVEN.
Wél neen, men Heer, ’t is maar uit kortswyl; is ’t malligheid?
(440) Hou me ten bésten, héb ik ien vry woordje, óf twie ezeid.
Wat is ’er te doen? zie daer, men Heer, ik zél niet ien woord meer spreeken.
[p. 23]
                                           DIBBERIG.
Ik heb je doen ontbiên om deuze kist op te steeken.
                                            STÉVEN.
Deuze kist? alreê man. Wat Droes, dat is ien schoon Oosters slót!
’t Hét zen wérk in; ’k moet toezien, dat ik ’et niet verbród!
(445) ’t Wil niet gaen; Jufvrouw, ik bin bang, dat ik ’t slót zél bedérven.
En veur diergelyk ien wérk, as dat héb ik ménigwérven
Tien, twaalf Ryksaalders zien geeven. Ho! ’t is ’er van de alre zy
In eschroefd, ’t niet ’er niet óf te slaen; kyk, was ik, als jy,
Ik liet ’t niet op steeken.
                                           DIBBERIG.
                                      Ja Stévenbuur, ’t moet weezen,
(450) Al kósten ’t me nóch zo veul.
                                            STÉVEN.
                                                      ’k Zél ontrameneeren, is myn vreezen;
Het déksel is niet half zo veul wzerd; ik zou je raên,
Dat je ze me mit de mooker, óf de byl, op liet slaen.
                                            NIESJE.
Dat schut ik, holla wat! De halve tyd van myn leeven,
Lyk Jufvwoue weet, héb ik op dat eiken hout wél verwreeven;
(455) Ja ’k loof, za het ons wel tien pond van vryven ekóst.
                                            STÉVEN.
Die meid is gék, stae ruim, ik zélze opsorlen.
                                           DIBBERIG.
                                                                      Zo niet te póst,
Beproer het nóch iens mit je opsteeking.
                                            STÉVEN.
                                                              ’t Zél tóch niet lukken.
Was ’t myn slót, ik sloeg de kist liever in honderd duizend stukken.
                                           DIBBERIG.
Bezoek ’et nóch iens.
[p. 24]
                                            STÉVEN.
                                  Al wat je wilt, wat raakt ’et myn;
(460) Dit zou ’t ’em doen moeten. Sus, sus, ’t gaet, dunkt me, naer alle schyn;
Daer, daer, ik héb het tongetje; op is ’t ô daer zit de Nikker verhoolen!
Wat séllement is dit!
                                            FRANK.
                                Hoe, is Lieven daar verschoolen?
                                            NIESJE.
Bérg me, Jufvrouw, hélp! hélp! waer kruip ik in ien gat?
                                            HAASJE.
Wél binnedystes, kyeren! wat vreemder ding is dat!
                                           DIBBERIG.
(465) Hoe! héb ik twie Zeuns? wat Droes! hier ken ik niet uit raaken!
We zéllen veurzéker droomen, ik loof niet, dat we waaken.
                                            FRANK.
Hoe zal ik dit verstaan? ik geloof, men houd me hier voor de gék,
Gy sluit uw Zoon in de kist, én zégt, hy is onder het dék!
                                            LIEVEN.
Zyt zo niet ontstéld, ik zal u van alles te deegen
(470) Onderréchten; hoor my maar.
                                            NIESJE.
                                                        Jufvrouw, spreekt ’er niet tégen;
’t Is jou Zeus giest; die hier in zyn kamer licht spookt, én waart,
Zie ereis op ’et béd, óf hy ook nóch leeft, én hoe hy vaart.
Hoe ziet hy ’er uit, hoe staen zen oogen! hoe trékt hy zyn tronie.
                                           DIBBERIG.
Ai meid, je bent gék.
                                            NIESJE.
                                Zéker, éven iens, as Appellonie,
(475) Die we de aâre week ekist hebben.
[p. 25]
                                            JOANNA.
                                                                Ai, geef gehoor, én zwyg stil;
Laat Lieven spreeken.
                                            NIESJE.
                                  Ja, ’t is altyd wél teugens myn wil;
Dat ik dorst, ik zou altyd eerst iens op ’t béd willen kyken:
Jy ként gien twie Zeuns hebben, dat ken altyd niet lyken.
                                            HAASJE.
Ik durf dat wél doen, zie daer; óch! ’t is onze Dóchter, men Heer!
(480) Wat zél hier uit broên?
                              MAGDALEENTJE, van ’t béd.
                                            Ik val voor u op myn knïen neêr.
                                            FRANK.
Sus, sus, ’t is nóch geen tyd om vergiffenis te vraagen;
Ik moet wat meer omstandighéden weeten, eer we ons verdraagen.
Hoe komt ge hier in huis?
                                            LIEVEN.
                                        Myn Heer, ik héb haar hier gebragt,
Toen ik ze van Haasjes zy nam.
                                            JOANNA.
                                                  Wél, wie had dat gedacht?
                                           DIBBERIG.
(485) Niet waer? wél Heer! wat kennen die kyeren niet verzinnen!
Heur hier in huis te bréngen! wél Lieven, hie dorst je ’et beginnen?
                                            LIEVEN.
Om dat ik liever ’t uitterste, in alles waagen wou,
Als dat ik uw Dóchter, die ik myn’ toekomende vrouw
Rékende, zou verlaaten.
                                            FRANK.
                                      Heeft men u kénnis gegeeven,
(490) Dat ik ’er vast wou doen zetten?
                                      MAGDALEENTJE.
                                                            Ik had het hem geschreeven,
Vader Lief.
[p. 26]
                                            FRANK.
                  Hoe wist gy, wat ik beslooten had?
                                      MAGDALEENTJE.
                                                                          Met myn oor
Lei ik aan de deur toen Moeder by u ging op ’t kantoor,
Om dat ik ’t sleuteltje van myn kabinétje miste,
Waat uit ik daatelyk het geheele gevólg wél giste.
                                            FRANK.
(495) Maar hoe kreeg Lieven, de weet?
                                            LIEVEN.
                                                            Myn Heer, zy schreef my deeze brief,
Gy kunt ze leezen, zo ’t u belieft, én ik had uw Dóchter te lief,
Om ze verleegen te laaten.
                                            FRANK.
                                          Hoe hébt gy die gekreegen?
                                      MAGDALEENTJE.
Ik smeet ze hem van de zólder toe.
                                            JOANNA.
                                                      Magdaleentje, daar stryd tégen,
Dat Haasje altyd by u was: liet gy haar dan alleen?
                                            HAASJE.
(500) Wel neen, Jufvrouw.
                                      MAGDALEENTJE.
                                          ’k Zond u immers om wat vuur na beneên,
Toen ik van de taaffel kwam: want ik zag Lieven aankomen.
                                            HAASJE.
Ja, dat s waer; zo hébje dan die gelégenheid waer enomen?
                                            FRANK.
Maar hoe komt gy in de kist?
                                            LIEVEN.
                                            Die had ik leêg gemaakt,
Om uw Dóchter daar in te bérgen, én door ongeluk raakt
(505) Het slót toe: want ik meende ’er myn zélf maar in te passen,
En ’k had de sleutel in myn zak.
                                      MAGDALEENTJE.
                                                  Met komt Jufvrouw ons verrassen,
[p. 27]
Daarom liep ik na ’t béd, daar ik my onder ’t dék verstak.
                                           DIBBERIG.
Wél! wel! wel! maar Frankbuur, vraag ook nae de Belóften.
                                            FRANK.
                                                                                          Ja, strak;
Maar hadden de dingen nu heel na uw’ zin afgelopen,
(510) En dat we u niet gevonden hadden, wat had gy te hoopen?
Wat zoud gy gedaan hebben?
                                            LIEVEN.
                                            Dat had ik nóch niet overleid;
Maar dit moest altyd voor afgaan; men kon daar na met bezaadigheid
Overleggen, wat ’er te doen stond. Ik was zeer verleegen;
Dóch ik hoopte u, én myn Moeder met smeeken te beweegen,
(515) Dat gy my eindelyk het huuwelyk, met uw kind, toe zoud staan.
En dat hoop ik nóch.
                                      MAGDALEENTJE.
                                Och Vaderlief, ik weet, ik héb u misdaan,
Ik héb u vertoorend; maar verbeeld u ’t eléndig leeven,
Dat ik vreesde, én wilt me tóch dit vergryp vergeeven.
                                            JOANNA.
Nu vader, vergeef het haar, ’t is immers uw liefste kind.
                                            FRANK.
(520) Men moet die kinderen ’t hardst straffen, die men het meest bemind.
                                           DIBBERIG.
Zo is ’t, Frankbuur, ik zou me niet steuren an heur huilen;
Maar belief ’t je, dat we de Trouwbelóften nou verruilen?
                                            FRANK.
Neen, Jufvrouw Dibberig, ik word nu heel anders te raâ.
                                           DIBBERIG.
Hoe spring je ’er weer uit?
                                            JOANNA.
                                        Hoor, myn man ziet op voordeel, nóch schâ,
(525) Voor zo veel ’t géld raakt, als hy zyn Dóchter zou besteeden;
[p. 28]
Maar de eer gaat vérder; daar men Trouwbelóften, én eeden
Aan malkandren geeft, gaat somtyds meêr om, als ’t wél behoort.
Ook zal dit haast onder de liê komen, én uw Zoon moet zyn woord
Wél houden, hy is mondig.
                                            LIEVEN.
                                          Gaerne; maer gelieft niet te dénken,
(530) Dat ik u ooit in ’t zin gehad héb, haar naam, óf eer te krénken.
Uw Dóchter heeft by my geen kwaad geleeden, ze is nóch ongerépt,
Zo dat gy dat punt geensints in acht te neemen hébt.
                                           DIBBERIG.
Jy weet ’er veul óf, dénk ik, wat and’re mit heur deeden.
                                      MAGDALEENTJE.
Met verlóf Vader. Jufvrouw, my dunkt, ik héb lang genoeg geleeden,
(535) Dat gy my uitgemaakt hébt, als óf gy veel op myne eer
Te zeggen had; ik zou onbesprooken zyn, had ik me niet zo veer
Door belóften, aan Lieven, verbonden; dit ’s al ’t kwaad dat ik van myn leeven
Met eenig Jongman in de heele waereld héb bedreeven.
Nóchtans héb ik my gedraagen, gelyk hy zéggen kan.
                                           DIBBERIG.
(540) Mit gien Jongmans in de werreld, was ’t dan mit ien getrouwd man?
                                            LIEVEN.
Moeder, ik kan t’ méê niet verdraagen: ’k word onverduldig,
Dat gy iemand, die ik myn Vrouw hoop te maaken, zo onschuldig
Durft lasteren, daar gy ter waereld niets op te zeggen weet.
Daarom, is ’t myn Heer Franks wil, ik zal die eed
(545) Van de Belófte bekrachtigen met myn woord te houwen,
En haar, met, óf tegen uw’ wil, zo haast, als ik kan, trouwen.
Want dat ik Magdaleentje zo heimelyk vrydede, is uw schuld;
[p. 29]
Ik kénde uw onverstand, én vreesde voor uw ongeduld,
Dat ik échter eindelyk hoopte te beweegen, óf om te zétten;
(550) Maar nu ’t dus verre is, zo ’t myn Heer gelieft, zult gy ’t net belétten.
                                            FRANK.
In deeze stand van zaaken zal myn eer, én vriendschap geschiên.
                                           DIBBERIG.
Ik wéd neen, én dat jy die dag jouw leeven niet zélt zien.
Wél kyk daer! ik zagje liever van beus handen stérven,
As in ien huis mit zo veul kyeren trouwen; ik zél je ontérven.
                                            LIEVEN.
(555) Ontérf me, zo je kunt, én zo je wilt, ik zal ’t échter doen.
Vaders goed moet ik tóch hebben.
                                           DIBBERIG.
                                                    En teugens myn wil? is dat fatsoen?
                                            LIEVEN.
Is dat fatsoen, eerelyke lieden kinderen te schénden,
In haar naam én faam?
                                           DIBBERIG.
                                  Voed kyeren op! waer zél ik me wénden?
Nou Frankbuur, toon jy, dat je ien oprécht man bint, én hou je woord;
(560) Ruilen wy de Trouwbelóften, lyk je beloofd hébt, én zo ’t behoort.
                                            JOANNA.
Je durft van ons kind, dat onschudig is, zo af leggen,
En men zou u nóch vriendschap doen?
                                           DIBBERIG.
                                                          Och? Ik weet op jouw kynd niet te zeggen,
As alle eer, én deugd, ’t kwam maar by, dat ik me versprak,
Dat beurt me wél meer; maar daer gaen veul woorden in ien zak.
                                            FRANK.
(565) Als gy tót ons voordeel spreekt, mag men dan uw woorden
Wél gelooven?
[p. 30]
                                           DIBBERIG.
                          Ja tóch.
                                            FRANK.
                                      Ik weet niet béter, of wy hoorden,
Dat gy uw Zoons huuwelyk met myn Dóchter gaarne zoud zien,
Als ze maar eerlyk was, vér van het hem te verbiên.
                                           DIBBERIG.
Héb ik ’et ezeid, ik héb ’et niet eschreeven.
                                            LIEVEN.
                                                                    Ik héb geschreeven,
(570) Dat ik ze niet verlaaten zal zo lang, als zy, én ik zullen leeven.
Dies wat gy doet, hoe gy ’t draait, hoe gy ’t wénd, hoe gy ’t keert,
Ik zou liever stérven, als achter uit treeden, ik zweer ’t;
En daar is myn hand, wil ik niet, de wét zal me dwingen.
                                           DIBBERIG.
Zou ik ’et toe staen moeten? wél onmeugelyke dingen!
                                            LIEVEN.
(575) Ja, én zo je ’t belétten kost, zo vloog ik in myn wisse dood,
Of na Oostinje, óf tégens de Fransman, óf op de Vloot.
Ik zou desperaat zyn, ’t allerslimste mogt gy wél vreezen,
En gy zoud ’er de oorzaak van zyn.
                                           DIBBERIG.
                                                    ’k Zie wél. weezen moet dan weezen.
Ai Frankbuur, geef an jou Dóchter dan tóch ien mooi sommetje je meê.
                                            FRANK.
(580) Twintig duizend guldens, leggen omtrént, in de Bank reê.
Die ik ’er toe stél, om meê te geeven.
                                           DIBBERIG.
                                                        Wél nou, ’k zie, zyn trouwtje
Het hy verkwakkeld; maar wees jy ’em tóch ien huislyk vrouwtje.
                                            LIEVEN.
Sta je ’t toe, Moeder?
[p. 31]
                                           DIBBERIG.
                                Moet ik niet wél?
                                            FRANK.
                                                            Wél kinderen, geluk.
                                            JOANNA.
                                                                                              Geluk.
                                            NIESJE.
Veul geluks, men Heer Lieven, én myn ien groot bruilóftsstuk.
(585) Kyk, Stéven, had je mit zyn mooker de kóp in eslagen,
Had ik ’et niet belét; daerom dénk....
                                            HAASJE.
                                                          En ik bin van men dagen
Zo niet etaisterd; daer, dunkt me, behoorde je ook op te zien.
                                            LIEVEN.
Ik zal je élk twintig Dukatons vereeren.
                                      MAGDALEENTJE.
                                                              En ik, élk tien.
                                            STÉVEN.
Mit verlóf, vrinden, mag ik men ook wél ien woordje verstouten
(590) Te spreeken?
                                            LIEVEN.
                              Spreek op, wat is’t?
                                            STÉVEN.
                                                              Dat ik mit onze Fokel op de kouwe bouten,
Den darden dag komen mogt; kyk, ik spreek nou mit verstand,
Ik héb ’er méê al wat toe edaen.
                                            LIEVEN.
                                                  Ja Stéven, daar is myn hand,
Jy word ’er de dérde dag genood.
                                            STÉVEN.
                                                    Ik dankje. Luk, én zégen
Moetje hebben; gen aevond, ik gae.
[p. 32]
                                            FRANK.
                                                        Wy ook, ’t is half négen,
(595) En wy hebben van deeze avond een vriend, óf twé genood,
Om over ’t wérk van Magdeleen, te beraadslaagen, belieft u ons brood
Méê te proeven, Jufvrouw, gy zult ons vriendschap doen.
                                           DIBBERIG.
                                                                                          Wy meugen
Dan miet ien over de Geboden raedslaagen; ik héb ’er niet teugen,
As myn maag.
                                            LIEVEN.
                      Zieltje, geef me uw hand, én gaan we ook na beneên.
                                      MAGDALEENTJE.
(600) Daar is ze Lieven, én myn genégen hart met één.

Continue