Nil Volentibus Arduum: De schilder door liefde. - 1716.
Uitgegeven door EDITEUR
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton06670 - Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue

DE
SCHILDER
DOOR
LIEFDE.
BLYSPEL.
De Twede Druk veranderd en veel verbeterd.

[Vignet]

TE AMSTERDAM,
__________________________
Gedrukt voor het KUNSTGENOOTSCHAP, en te
bekomen by de Erven van J. LESCAILJE, enz.
Met Privilegie. 1716.

En in de kroeg een nachtje over kitten,
Of ronken dat de kamer dreunt;
Zo loopt myn heer, én ik langs straat in wind, én régen,
Om ’t allereelste lief, dan vrolyk, dan verlégen,
Die zich om ons misschien niet ééns bekreunt,
Of mét ons rénnen én rinkinken boert, én deunt.
Myn heer, én ik zyn ondertusschen
Twee gékken, die mét goede hoop,
Als hém óf my het hoofd raakt op de loop,
Malkanders minne pynen sussen,
En dus in plaats van troost malkander lydig brussen.
Nou ’k weet wél, zo het langer duurt,
Wie van ons beije dénkt zyn gat daar uit te draayen.
Hoe bén ik hier niet in de réchte buurt?
Ja, ja, hier is het huis; ja, ja, ik mag eens kraayen;
Dit is de leus die ik my Styntje geeven moet; (goed,
Waar blyftze? Ik kraây noch ééns, ho ho, ik hoor ze al;
Wy haanen moeten onze hénnen,
By tyds naar ons gekraay gewénnen.

Tweede tooneel.

Styntje, Jasje.
Styntje.
Wél Jasje, bénje daar?
Jasje.
Wél neen ik Styntje maat;
Och! was ik daar, ’k sta hier gelykje ziet op straat.
Styntje.
Jou Gékje.
Jasje.
Jou mallootje.
Styntje.
Ay nou geen malle praat,
De tyd is kóstelyk. Hoe staan jou Jonkers zaaken?
Heeft hy al wat bedócht tót Léonoors ontzét?
Jasje.
De zaaken staan heel wél. Hy heeft na dat portrét
Dat gy me eergist’ren gaaft, zo nét
Een Konterfeitzel groot als ’t leeven laaten maaken,
Dat tusschen de gelykenis
Van beide gansch geen onderscheid en is.
Styntje.
Wél waar toe dat tóch;
Jasje.
O! ’t zal wond’re kuuren wérken;
Pas jy maar om de kaats te mérken
Wanneer je een schilder komen ziet.

Twéde bedryf.
Eeste tooneel.
Leonoor, Pedro.
Leonoor. Wat réden is’er dat gy my zo vroeg doet wékken?
Pedro.
Maak u gereed; gy zult zo straks met my vertrekken.
Leonoor.
Zo vroeg? waar heên? Gy hebt my gist’ren toegezégd
Om my van daag, het schynd wél gekken,
In ’t groot, heel kunstig uit te laaten schild’ren.
Pedro.
Récht.
Leonoor.
Wel zéker, dat staat my dan slécht,
’k Weet niet, wat u mag lusten;
My dunkt, dan diende ik uit te rusten,
Myn kleur zou frisser zyn;
Myn oog voorzien met aangenaamer schyn.
Pedro.
Neen, neen, ’k moet daat’lyk uit.
Leonoor.
Wil ik u dat beletten?
Of kan ’t niet zonder my geschiên?
Pedro.
Ik schép vermaak in u steeds aan myn zy te zien.
Men loert op u, én ik wil hem die pas verzetten,
Die op u loert; nóch deezen nacht
Heeft u een linker aan uw vénster opgewacht;
Ja heeft daar speelen doen, én zingen,
En zie, ik houw niet van die dingen.
Leonoor.
’t Muzyk was schoon.
Pedro.
Wél hoe! hebt gy het dan gehoord?
Leonoor.
En wél verstaan van woord tót woord.
Pedro.
’t Geschiedde om uwent wil?
Leonoor.
Dat wil ik wél vertrouwen.
Pedro.
Ként gy hem die het gaf?
Leonoor.
O neen;
Maar wie ’t ook zyn mag, ik ben zeer in hem gehouwen.
Pedro.
Gehouwen?
Leonoor.
Ja met groote réên:
Want buiten twyffel heeft hy willen my vermaaken.
Pedro.
Is dat zo wél?
Leonoor.
Is ’t niet?
Pedro.
’t Schynt u aan ’t hart te raaken
Dat gy bemind wordt?
Leonoor.
Zou het niet?
Dat strékte ons nimmer tót verdriet.
Pedro.
Gy moogt hen dan wel lyden die u minnen?
Leonoor.
Voorzéker; nérgens is myn gunst meer door te winnen,
En ’k dénk staag aan ’t beloofd pórtret.
Pedro.
Gy zégt uw meining kort én nét,
En zonder lang daar op te peinzen.
Leonoor.
Sieur Pedro, waarom zou men veinzen?
Hoe eene Jufvrouw zich ook aanstélt, ze is altyd
Wel in haar schik te zyn gevleid, gevierd, gevryd;
De diensten die ons worden opgedraagen,
Daar hoort ge ons nimmer over klaagen:
Want niemand doet die, omdat hy ons zou mishaagen.
Geloofme, een Jufvrouw stélt daar al haar glorie in,
Datze iemands hart kan neigen tót haar min.
De moeite die wy doen van ons met strikken,
Sieraaden, én Juweelen op te schikken,
Wordt nérgens anders om gedaan,
Als om de vryers aan te staan.
Ja niet een vrouw, hoe fier zy schynt te weezen,
Of ’t is haar uit het oog te leezen
Dat zy zeer gaerne wordt gepreezen,
En blyd is in haar hart, dat zy een eerlyk man
Door ’t oog zich onderwérpen kan.
Pedro.
Maar gy, zo ge u vermaakt in and’ren te gevallen,
Weet gy wél dat myn hart daar geen vermaak in neemt?
Leonoor.
Och, daar van weet ik niet met allen,
Sieur Pedro, én ik vind het vreemd:
My dunkt, als ik een ménsch bezinde,
Ik had op aard’ geen grooter vreugd,
Dan dat een ieder haar beminde;
’t Zou ’t récht bewys zyn, dat ook and’ren schoonheid,
deugd,
Of and’re gaaven in haar vonden,
En dat ik had myn min geboud op vaste gronden.
Pedro.
Wél. élk bemint op zyn manier;
Maar dit’s de myne niet: ’t zal my zeer wel behaagen,
Dat niemand zin krygt in uw zwier
Van doen, óf schoonheid; kyk, ik kan dat niet verdraagen,
En gy verplicht my zeer, wanneer gy schoon wilt zyn
In niemands oog, als in het myn’.
Leonoor.
Sieur Pedro, hoe! jaloersch om zulke beuzelingen?
Pedro.
Ja, zo jaloersch gelyk een Tyger: Ja jaloersch,
Gelyk een duivel; ’t schynt wat boersch,
Het ruikt naar ’t Hóf niet, daar zyn’t ongehoorde dingen.
Maar Léonoor, ’k wil, met één woord,
Dat gy geheel én al, alleen my toebehoort.
’k Versteur my, als men u het minste lachchen
Of vrind’lyk oog weet af te prachchen.
Ik neem geen zórg, dan hoe ik bést belét
Dat geen Galant zyn voet in huis ooit zét;
’k Ly tégenspreeken, woorden, vitten,
Nóch zin verdraaijen; ’k wil alleen, uw hart bezitten,
En dat men ’t allerminste deel
Daar van my niet ontsteel?
Leonoor.
Gy weet my méde nét uw meening uit te leggen.
Laat my’er eens de myne tégen zeggen:
Sieur Pedro, zyt verzékerd, gy
Verkiest een heel verkeerde zy;
Men kan zeer weinig op ’t bezit eens harts vertrouwen,
Wanneer men dat door dwang moet houwen:
Altans voor my, als ik verliefd was, én Galant
Van iemand die wierdt opgeslooten, myn verstand
Zou wérken, om hem dol te maaken
Die haar bewaarde, én doen hem nacht én dag bewaaken
De schoone, in wélker goede gunst
Ik my wou dringen; ’k weet geen kunst
Verwonderlyker, om zyn oogwit te beschieten.
Eens minnaars ongeluk, als dienstbaarheid én dwang
Begint een Jufvrouw te verdrieten,
Sieur Pedro, duurt dan niet zeer lang.
Pedro.
Wél, die u dan zo wat aan ’t oor ging lellen,
En sprookjes van ’t rood kousje wou vertellen,
(Want die liflaffery van al de jonge maats,
Acht ik maar sprookjes) zoudt gy die zo daat’lyk plaats
Inruimen, én uw hart die béngels overgeeven?
Leonoor.
Dat zég ik niet; maar vrouwen achten ’t pyn
Gestaag in dwang te leeven;
En als zy opgeslooten zyn
Is ’t zeer gevaarlyk, zo ze eens kunnen
Verlóst zyn, wat zy heur verlóssers niet vergunnen.
Pedro.
’k Zie dat gy weinig weet, wat gy me schuldig bént;
Hoe gy me veur Slaavin te Tunis wierdt gevént;
Hoe ik jou kóst, hoe braaf ik jou héb onderhouwen
Van kindsbeen af, dat ik jou wéêr bréng in jouw land;
Dat ik jou acht, gelyk een Sant,
En dat ik meen met jou te trouwen.
Leonoor.
’k Heb u niet veel te danken, dat gy my
Verlóst hebt uit myn eerste slaaverny:
Wyl gy my ’t leeven in een slimmer doet verslyten.
Gy gunt me gantsch geen vryheid; ’k word bewaakt,
Dat my het leeven moê, én u myn vyand maakt.
Pedro.
De grootheid van myn liefde is dat alleen te wyten.
Leonoor.
Bemint ge op die manier, ’k bid dat ge my dan haat.
Pedro.
’t Hoofd staat je nou niet wél, ik hoor ’t wel aan jouw
praat;
Maar ik vergeeft ’t u, ’k héb u wat te vroeg doen wekken?
Nu maak je réê, om straks na buiten te vertrekken.



Continue