[fol. A1r] KRISPYN, TESTATEUR EN GELEGATEERDE, OF DE ERFGENAAM DOOR LIST; BLYSPEL. PERSEVERANTER L’AMSTERDAM, By deErven van J. LESCAILJE en DIRK RANK, opdeBeurssluis. 1725. Met Privilegie [fol. A1v: blanco] [fol. A2r]

AAN DEN HEERE

JACOB VOOR DAAGH,

REGENT VAN HET OUDE MANNEN- EN
VROUWENHUIS EN OPPER-COMMIS-
SARISDER BEIDE WAALEN, TEAMSTELDAM. &c. &c. &c.

§§MYN HEER,
IK neeme de vrymoedigheid, dit Blyspel van KRISPYN TESTATEUR en GELEGATEERDE, of de ERFGENAAM DOOR LIST, aan Uwe Edt.: op te offeren. Indien het Uwe Edt.:, wiens liefhebbery der Tooneelpoëzy, den liefhebberen zo bekend is, dat ik haaren lof daar omtrent niet behoeve op te haalen, kan behaagen, en den armen voordeel toe brengen, zal ik [fol. A2v] t’eenemaal voldaan zyn: want het is geensins myn oogmerk Uwe Edt.: te vergen het tegen al te naauwziende muggezifters te beschermen, veel min het harnas voor deszelfs misslagen aan te trekken; dewyl ik uwe heusheid dan al te veel zoude misbruiken, en vergeeten dat ik reets ben,
MYN HEER, Uwe Edts. verplichtigste dienaar H. VAN LOGHEM COPYE VAN DE PRIVILEGIE. DE Staten van Holland ende Westvriesland doen te weten, alsoo ons vertoont is byde Regenten van het Burger Weeshuis ende Oude Mannenhuis der Stad Amsterdam, en, in die qualiteyt, te samen eygenaars, mitsgaders Regenten van den Schouburg aldaar, dat sy, Supplianten, federt eenige Jaren hebbende gejouisseert van onsen Octroye of Privilegie van dato 21 Mai 1699. waar by wy aan hen Supplianten, inhun qualiteythadden gelievente consenteren, accorderen ende Octroyeren, dat sy, gedurende den tydvan vyftien eerst achter eenvolgendeJaren, de Wercken, die doenmaals ten dienste van het Tooneel reets gedrukt waren, ende van tydtottyd, nog vorder in her ligtgebracht, ende ten Tooneele gevoertsoude werden, alleen foude mogen drukken, doen drukken, uytgeven ende verkopen, nu ondervonden, datde Jaren, by het voorgemelde ons Octroy of Privilegie ge, naamt, op den 21 dezer Maand Mai was komen te expireren; ende dewylde Supplianten ten meestendienste van de Schouburg, (waar van hunne respectiveGodshuysen onder andere mede moesten werden gesustenteert,)devoorgemelde Werken, soo van Treurspellen, Blyspellen, Kluchten, als anders, die reets gedrukt, en tenTooneelegevoertwaen, of in het toekomende gedrukt, en tenTooneele gevoert soude mogen werden, geerne alleen, gelyk voorheenen, soudenblyvendrukken, doen drukken, uyrgeven en verkopen, ten eynde deselve Werken, doorhet nadrukken van andere, haarluyster, soo in taal, als spelkonst, niet mogten komen te verliesen, dogdatfulks aan hen Supplianten, na de expiratie van hetbovengemelde ons Octroy; en fulks A 3 na naden21MaidezesJaars 1714. niet gepermitteert soude wesen, soo vondensySuppliantenhun genootsaakt fig te keerentotons, onderdanigverfoekende, datwy aan hen Supplianten, in hare bovengemeldequaliteyr, geliefden te verleenen prolongatie van het voorsz. Octroy ofPrivilegie, omme de voorfz.Werken, soo van Treutspellen, Blyspellen, Kluchten als andere, reers gemaakt en tenTooneele gevoert, en als nog in het ligt re brengen ende tenTooneele te voeren, dentydvan vyftien eerst achter een volgende Jaren, alleen te mogen drukken en verkopen, ofte doen drukken en verkopen, met verbod aan allen andere op seekere hoge penen, by ons daartegente statuee ren in communi forma; So is’tdat wy de fake, ende ’t voorsz. verfoek overgemerkt hebbende, ende genegenwesende, ter bede van de Supplianten, uyt onse rechte wetenschap, Souveraine magt en authoriteyt, deselve Supplianten geconsenteert, geaccordeert ende geoctroyeert hebben, consenteren, accorderen ende octroyeren, haar by deezen, dat sy, geduurende den tyd van vyftien eerst agter een volgende jaaren de voorsz.Werken, soo van Treurspellen, Blyspellen, Kluchten als andere, reets gemaakt ende ten Tooneele gevoert, en als nog int licht te brengen, ende ten Tooneele te voeren, binnen de voorsz. onze Landen alleen sullen, by continuatie, mogen drukken, doen drukken, uytgevenen verkopen, verbiedende daarom allen en een ygelyk, de voorsz. Werken, in ’t geheel ofte tendeele, naar te drukken, ofre elders naargedrukt, binnen den selven onsen Lande te brengen, uyt te geven, ofte verkopen, op de verbeurte van alle de naar gedrukte, ingebragte, ofte verkogte exemplaren, ende een boete van drie honderd guldens, daar en boven te verbeuren, te appliceren een darde part voor den Officier, die de calangie doen sal, een darde part voor den Armen der Plaatsen daar ’t casus voorvallen sal, ende het resterende darde part voor de Supplianten, alles in dien verstande, dat wy de Supplianten met desen onsen Octroye alleen willende gratificeren tot verhoedinge van hare schade door het nadrukken van de voorsz. Werken. daardoor in genigen deele verstaan den inhoude van dien te authoriseren, ofte te advouëren, ende veel min de selve onder onse Protexie ende bescherminge eenig meerder credit, aansien, of reputarie te geven, nemaar de Supplianten in cas daar inne iers onbehoorlyks soude influëren, alle het selve tot haren latte sullen gehouden wesen te verantwoorden, tot dien eynde wel expresselyk begeerende, dat by aldien sy dese onsen Octroye, voor de voorsz. Werken sullen willen stellen, daar vangeen geabbrevieerde ofte gecontraheerde mentie sullen mogen maken, nemaar gehouden sullen wesen het selve Octroy in ’t geheel, en sonder eenige Omissie, daar voor te drukken, ofre te doen drukken, ende dat sy gehouden sullen syn een exemplaar van de voorsz. Werken, gebonden en wel geconditioneert, te brengen in Bdie Bibliotheecq van onse Universiteyt tot Leyden, ende daar van behoorlyk te doen blyken, alles op pene van het effect van dien te verliesen, ende ten eynde de Supplianten desen onsen Octroye ende consente mogengenieten als naarbehooren, lastenwy allen ende een ygelyk, die’t aangaan mag, dat syde Supplianten vanden inhoude van desen doenlaten endegedogen, rustelyk, vredelyk, endevolkomentlyk genieren ende gebruyken, cesserende alle belet ter contrarie.Gedaan in denHage, onder onsengrooten Zegele, hier aan doen hangenop dendrie en twintigsten Mai, in’t Jaar onses Heer enZaligmak ers, seventien honderd en veertien. A. HEINSIUS. 4 Ter ordonnantie van deStaten SIMON VAN BEAUMONT. De Regenten van’t Wees- en Oude Mannenhuis hebben, inhaase voorsz. qualiteit, het recht van deze Privilegie voor KRISPYN, TESTATEUR EN GELEGATEERDE, OF DE ERFGENAAM DOOR LIST, Blyspel. Vergund aan de Erven van J. LESCALLJE en DIRK RANK. (In Amsteldam, den 8. January 1725. 4 VERTOONERS. GERONTES. MEVROUW ARGANTES. IZABELLE, Dochter van Mevrouw Argantes. ERASTES, Neef van Gerontes. LIZETTE, Meid van Gerontes. KRISPYN, Knecht van Erastes. KLISTORIAAN, Apoteker. EEN NOTARIS. EEN LAKEY. Twee Klerken, zwygende, A Het Tooneel is te Parys, ten huize van Gerontes. [p. 1] KRISPYN, TESTATEUR EN GELEGATEERDE, OF DE ERFGENAAM DOOR LIST; BLYSPEL. EERSTE BEDRYF. EERSTE TOONEEL. LIZETTE, KRISPYN. LIZETTE. Oên dag, Krispyn. Wel wat mag u toch herwaarts jaagen? KRISPYN. ’k Word hier gezonden van Eraftes, om te vraagen, Of Oom Gerontes wat gerust heeft van de nacht. Zeer weinig. LIZETTE. KRISPYN. D’armen bloed! Hy heeft een maand ofacht Al vry wat uitgestaan. Hy mag dat ouwe kouwe En lekke scheepje met wat pompenboven houwen; Maar’k vrees, dat hy daar meê geen winter door zal staan. As Li 2 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE LIZETTE. Dat kan wel zyn. ’k Was van de nacht geen kleintje ontdaan, En dacht elk oogenblik, dat hy scheide uit het leeven; Terwyl ik bezig was, hem een klisteer te geeven, Die de Apoteker my op ’t hoogste had belast. KRISPYN. Dat doet gy blind’lings, methandschoenenbyde tast? LIZETTE. Gansch niet, Krispyn: een Man van zulk een inpotensy En hoogen ouderdom is buiten konsekwensy. Ik doehet hem, gelyk hy zelf getuigt en zegt, Al ruim zo handig, als de Apteker ofzyn knecht. KRISPYN. Een schoone kwaliteit! Hy zal, voor dat klisteeren, U, denk ik, wel het een of’t andere vereeren. LIZETTE. Geen kop’re duit. Hy is zo gierig, dathy barst. Wyeeten niet alsbry van roggemeel, of garst. En als het hoogtyd is, een soep van kallefspooten. Daar’s een Aptekertje, eenduimreus, van diegrooten, Diehy als Dokter heeft gebruikt een dag ofvyf. Hy denkt, het ventje is klein: ’t zal rek’nen naar zyn lyf. KRISPYN. Is’t klein; het kan daarom wel groote rek’nings maaken. LIZETTE. Ik pretendeer ook niet, maar zie op grooter zaaken: Dewyl ik merk dat hier zyndagen gaan ten end, En hy me een beuz’ling heeft belooft by testament. KRISPYN. Zomeenthy van zyn goed in ’ t kort tedisponneeren? LIZETTE. Ja; en zo hy zyn woord houd als een man met eeren, Zal hy myn naam daar in doen stellen voor een som Van duizend gulden. KRISOF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 3 KRISPYN. Maakdat ik daar ook in kom. LIZETTE. Dat is niet noodig; want hy heeft by den eerzaamen Genoeg bloedvrinden en behoeftige Erfgenaamen, Die daar op vlammen; zelfs vyfZusters met een Broêr, En Zusters kinderen, die zonder Vaêr en Moêr Gaan dienen voor Soldaat; daar by ontelb’re Neeven, Aan wien hy ieder meent een klein legaat te geeven. Denk eens, ofdatde sop niet mager maakt, Krispyn. KRISPYN. Daar onder zal myn Heer wel de voornaamste zyn. Wat my belangt, ik meen, zo’k niet geabuzeert ben, Dat ik ook eenigfins aanhemgeparenteert ben. LIZETTE, Hoe, jy geparenteert? Wel waar komt dat vandaan? KRISPYN. ’k Zal u dat zeggen: ’k heb een Vrouw gehad van Kaan, Die vrolyk en galand vry hoff’lyk wist te leeven. Dit Vrouwtje ging myn Heer vaak een vizite geeven; En hy haar wederom, gelyk een boezemvrind. In’t kort, hy wierd ook zelf eens Peter over ’t kind Waar van myn Vrouw het eerst kwam in de kraam te leggen. Wat dunkje? heb ikdan geen reden om te zeggen, Dat ik, door ’t huw’lyk, ook ben eenigsins Koezyn? LIZETTE. Ik reken dat gy dan Neefs Zwager zyt, Krispyn. KRISPYN. Maar raljerie apart; ’k moet verder rezonneeren. Jy zegt my dat zyn Oom Gerontes wil testeeren. Hier dient voor ’t allereerst te zyn gekonsid’reert, Dat, zo myn Heer daar by eens wierd geëkskludeert, Of buiten ’t erf van zyn nalaatenschap gesloten, Hy ook zyn leeven lang op soep van kallefspooten Zou moeten bikken, of op rogge en hav’re bry. [p. 4] Ten tweede, dient ook hier mede aangemerkt, dat hy Heel smoorig is verliefd, en garen met den ouwen Argantes Dochter, diehy mind, zou willen trouwen; Maar dat haar Moeder, die de toestand weet van Oom, Voor af die kat wel eens wil kyken uit deboom; En zien wil hoe het met zyn erfdeel af zal loopen. Mislukt hem dit heeft hy van ’t Huw’lyk niets te hoopen ; Dewyl die geenfins daar toe geeven zal haar stem. Des bid ik, datjetoch wat gunstig spreekt van hem, Gerontes maghem, als jy weet, al taam’lyk zetten. Jyzult, indien ’t gelukt, daar honderd pistoletten By profiteren; en daar boven noch, zo jy Zythuwelyks gezind, een Weeuwenaar daarby. LIZETTE. Hoe? wat is dit, Krispyn? je spreekt gelyk een Engel. KRISPYN. Wel, dunkt u dat zo vreemd? Ik was noch maar een bengel Van achtienjaar, een vent gelyk een onderdeur, Of’k raakte in dienst by een verstandig Prokureur, Daar ik die study en geleerdheid heb gekreegen. DeVrouw, zo’k ’t zeggen mag, was my niet ongenegen, En vrolyk van natuur, en vrindelyk en gul. Ik speulde somtyds wel met haar op ’tknipperspul. LIZETTE. Als ik een knecht was zou ’ k by zulk een meester blyven. KRISPYN. Ik niet: het was een bok, die niet en deed als kyven. Een steiloor, die’k vaak heb gewenst voor ien en tien, Een ouwe knorrepot, die gansch geen wit mogt zien, Enme om een beuz’ling, uit jaloersheid, opdeed breeken. Maar daar ’ s Eraftes, die zal u wel verder spreeken. TWEE OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 5 TWEEDE TOONEEL. ERASTES, LIZETTE, KRISPYN, ERASTES. LIzette, is Oom instaat, dat ik hem spreeken kan? LIZETTE. Dat is maar zo en zo. ’ k Beklaag den armen Man. ’k Dachtgift’ren avond, dat hy ’t webbe van zyn leeven, Voor Zonnen opgang al zou hebben afgeweeven; Wanthy wierd tellekens zo slaauw, als ’k weet niet hoe; En zyne pols trok op, tot aan den elboog toe. ERASTES. Helaas! wat hoor ik! LIZETTE. : ’k Was afgryselyk verlegen. ERASTES. Hoegroot mynhoopis, ’k voel een innerlyk beweegen, Die in mynhart voorspeld dat doodelyk verlies. KRISPYN. Zo was ik medetoen myn Vrouwden aftocht blies; En als zy g’eklipseert, en t’eenmaal was verdweenen, Voelde ik een bitt’re strydvan lachchen en van weenen, Van droefheid en van vreuchd, van blydschap en van smart, Vanhooren wanhoop fel ontsteeken in myn hart; Enmeer ontroeringen die ik geen naam kangeeven, ’kBegon ’t eene oogenblik te fidd’ren en te beeven: Waar op ik schielyk dan weer brande als Etna’s vuur. Zo werkte in my het bloed, ofandersins natuur. ERASTES. ’k Ben tot de dood bedroefd, en meer als ik kan uitten; Als ik aan ’ t sterven denk, begint myn hart te fluiten. ’k Prys zyn berisping noch, ’t zy ’t reden had ofniet; Wyl ’tuit genegendheid en vrindschapis geschied. 6 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE LIZETTE. ’k Loof, dat hy zelfop zyn berstelling niet durft hoopen, Dewyl hy my zo heeft belast, terstond te loopen Naar een Notaris. ERASTES. Goôn! ik sterfvandroefheid, ach! Wat smartelyk verlies! Watdoodelyke slag! Maar’k bid u, zeg my eens, ’k ben tusschen hoop en vreezen, Zouik, nazyne dood, wel wat verbeterd wezen? LIZETTE. Daar twyffel ik niet aan: hy heeft wat goeds in ’t zin: Mevrouw Argantes was hier gift’ren, zyn vrindin; En ’k merkte, dat ze met malkand’ren yv’rig spraken Van huw’lyksvoorwaarde en douarién te maaken: Dochkon niet hooren, waar het eigentlyk op floeg: Maar Izabelles naam wierd duidelyk genoeg Vanhaargenoemt. Licht zoekthy u daar aan te trouwen; En dan zoud ge al zyn goed wet licht’lyk kunnen houwen. ERASTES. Ach! zodat waar was,’k stierfvan blydschap en verdriet: Van blydschap. wyl myn min daar door haar wit beschiet; En weer aan d’and’re kant door zielsverdriet en smarte, Diemy door dat verlies doorpynen zou het harte. LIZETTE. Het zou ookjammerzyn, dat zulk een kost’lyk goed Verdeeld zou worden door een kanaljeuze stoet Van Erfgenaamen, die wy lichtelyk nooit kenden. ’kZou schreijen als ik zag die schoone boel zo schenden, Enscheuren van malkaar. Neen, Heer; jy hoord alleen Dieprys te stryken, en ’t zal ook zo gaan, na’k meen. ERASTES. Ikdankje voor de gunst die gy me schynt tedraagen. LIZETTE. ’kHeb hemook vaak gezeid: daar’sgeenvanaluw magen , Zo OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 7 1 Zodeugdelyk, als NeefErastes. Dat’s eenMan Dieu bemind en ook met ieder leeven kan. RISPYN. Datis een meisje, Heer! wiezou zy ’t hart niet steelen? Hoenet en kunstig weet zy haare rol te speelen. Ei, kyk, watis ze fraai! bevallig en beleeft! ’kGeloof, datzyhet myne al halfgewonnen heeft. LIZETTE. Daarkomt Gerontes. Laat ons nu van toon verand’ren. Hy zou licht hooren, wat wy spreeken met malkand’ren. Krispyn, jy moet by een Notaris gaan. Omtrent Het Hofdaar woond’er een. Vlieg, by denelement; En zeg, dat hy hier eens moetkomen met zyn Klerken. ’k Zal vast den ouwen paai wat meerzien te bewerken. DERDE TOONEEL. GERONTES, ERASTES, LIZETTE. A! goede morgen, Neef. HA! GERONTES. ERASTES. Myn Oom, ik ben verblyd, Datgein wat beter staat gelyk als gift’ren zyt. GERONTES. Wat zal ik zeggen, Neef? Datis wat tussen beijen. Ik meende ’t hachje van de nacht te laaten glyen; Maar ik ben nu weêr vry wat beter, na’k gevoel. ERASTES. Vermoei utoch niet, Oom. Lizette, geefeen stoel. Dieniet, Lizette; gy moet Oom een armstoel geeven. Die is van meer gemak. LIZETTE, een armstoel geevende. Wat zorgthy voor uw leeven! ERASTES. ’k Hoop, datde Hemel, diedus ver u heeft gebragt, U 8 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE U zal van tyd tot tyd meer vord’ren doen in kracht; En uuw voorige gezondheid wedergeeven; Waar toe gy, zelf, Oom, door een regelmaatig leeven, Al veel kunt doen, indien gy op de wyze raad Van een Apteker, die zyn dingen wel verstaat, Een spiritus gebruikt, dat op de maag kan werken, Met goede soepen, omhet lichchaam te versterken. GERONTES. Het laast’ meen ik te doen; want ik ben zwak en oud. De Aptekers weegen al hun drek optegengoud. Het zyn roofvoogels, die op onze dwaasheid aazen. Zo dra ik maar een veer van myne mond kan blaazen, En slechts een weinig spys maar nuttigen met smaak, Meen ik een rek’ning afte vord’ren van die snaak, Envan myn leeven geen van al die doktoraale Beunhaazen over my ooit meer te laaten haalen. ERASTES. Zy snyen, ik beken’t, de kaas al vry wat dik. Maar’k wil de koften graag betaalen, Oom, schoon ik Myn sober revenu wel zelve heb van nooden. LIZETTE. Myn Heer, dat ’s u noch nooit van iemand aangeboden. Nu kunje zien hoe teer Eraftes u bemind. GERONTES. ’t Sop is de kool niet waard. ’k Ben kreupel en halfblind. ’t Bouwvallig huisje zou veel kosten van repreeren. ERASTE S. Gezondheid, Oom, is niet genoegzaamte waardeeren. GERONTES. Weet ge ook, Lizette, ofde Notaris komen zal? ERASTES Licht zult ge, omdat gy van de nacht dat ongeval Gehadhebt, van uw goed nu willen disponneeren. GERONTES. Wat zal ik zeggen. ’k Wil voor u niet simmuleeren. Myn Erfgenaamen en bloedvrinden altemaal, Zyn, OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 9 Zyn, alsgy weet, niet défendent, maar kollatraal, Enhong’rig naar myn geld; des meen ik ’t zo te stellen, Dat zy haar ving’ren daar niet blaauw aan zullen tellen. ERASTES. Ik hoop niet dat ge mydaar by stelt in een graad. GERONTES. Ustellen by dien hoop? Gansch niet, myn lieve maat. ERASTES. Indien de welstandvan myn Oom en zyn lang leeven, Voor geld te koop was, ’k zou al ’t myne daar voor gee. ven. GERONTES. : ’kGeloofdat wel; want gyzyt van een and’ren aart. Maar, ’k zal myn goed, dat ik zo zorg’lyk heb gespaard, Zo veel ’t mymoog’lyk is, die wolven wel ontzetten. ERASTES. Gykunt dat doen: het stryd metbillykheid noch wetten. GERONTES. Schoon ik, door ’t podegra en zwaar graveel daar by, Zo fel word aangetast, bevindik echter my Zo sterk, als ooit een man kan wezen van die jaaren. LIZETTE. Dat is de waarheid, Heer; als gy die gryze haaren Dekt met een blonde pruik en in de kleeren zyt, Gelyk je eenjongeling, in’t krachtigst van zyn tyd. GERONTES. O! Die Lizette kan daar van zo smaak’lyk praaten! Ik meen haar trouwheid ook niet onbeloont te laaten. Maar, Neefje, hoor; ’k weet datje een borst van oordeel bent, Endatgy ook Mevrouw Argantes Dochter kent: Wat dunkje, zou men daar geen zieke Bruid meê spaaren ? ERASTES. Gelukkig is hy, die met zulk een Vrouw zal paaren. Die Juffer heeft verstand, daarby is zy zeermooi. B GE 1T0OKRISPYN, TESTAT:ENGELEGATEERDE GERONTES. Ik meen dat vogeltje tekrygen in myn kooi. Hoe, gy? ERASTES. GERONTES. & Ja, myn Neef, dat heb ik voorgenomen, Omalleruzy van prosessen voor tekomen; Die lichtelyk, als ik naar de and’re Waereld stap, Ontstaan zoude over ’t erfvan mynnalaatenschap. ERASTES. Gydoet voorzichtig; ik kan uw gedrag niet wraaken. GERONTES. Dan meen ik Izabel myn Erfgenaam te maaken, Indien deHemel mygeen kind’ren geeft by haar. LIZETT Jy trouwen? jy? je loopt onmydelyk gevaar Daar’t endje leevens, datje hebt, by in te schieten. Was ik als Izabel, zou ’ku wel kunnen zwieten. ( : ERONTES. De staat daar ik in ben, vereischt wel dat ik trouw. Want als ik aan ’t graveel tebed leg, kan me eenVrouw, Inzonderheid, als ik geen arremen noch bienen Kan roeren vandejicht, betaamelyker dienen. ERASTES. MynOom heeft groot gelyk: het is zo als hy zeid: Datwerk past beter aan eenVrouw als aan een meid. GERONTES. Myn lieve Neef, gyzytvol billykheid en reden. ’tZal u geen scha zyn schoon ik in den Echt ga treden. Ik zal u niet te min bedenken, ’t gaat zo ’ t gaat. Gyhebt, naar ik bespeur, meer liefde als eigenbaat. VIER. OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. VIERDE TOONEEL. e GERONTES, ERASTES, LIZETTE, een LAKEY. D LAKEY. (trappen. Aar ’ s Vrouw Argantes met haar Dochter aan de GERONTES. Kryg voort myn hoed en pruik. 1 LIZETTE. Ikvlieg. GERONTES. 7 T Je moet niet klappen, Dat ik dat overval gehad heb van de nacht, Noch spreeken van ’t klisteer. ERASTES. : Ik zal, terwyl je wacht Naar uw paruik en hoed, de Juffers boven leijen. GERONTES.. Wat is die borst beleeft! omgangk’lyk! en bescheijen! ’k VYFDE TOONEEL. GERONTES, MEVROUW ARGANTES, IZABELLE, ERASTES, LIZETTE. Hoorn MEV: ARGANTES. L Oor met ontsteltenis en groote ontroering, dat Gy hebt van deezen nacht een kwaaje stoot gehad. GERONTES Gansch niet; ’tzyn schurreken, die op myn goed maar hoopen, (pen. Die zulk een valsch gerucht door onze buurt doen loo- ERASTES. Wat last’ring! Oom ziet zo gezond en wel te pas, Ofhy een jongeling van dartigjaaren was. LIZETTE. „Eenjong’lingdieby na niet staankan op zynbeenen. B2 GE12KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE GERONTES. Zou ’k ziek zyn daar ik word van zulk een zon bescheenen? MEV: ARGANTES. Myn Dochter, dit’s de Man, die ’k u heb toegeleid. GERONTES. 1 Ik offer u een hart vol van dienstvaardigheid. Gy zult, myn lief, hoe grootmynziekte ofkwaal mag wezen, My eerder als Galeen of Hypokraat geneezen. De vrindschap van uw oog, de balsem van uw mond, Acht ik veel waardiger voor myne minnewond, Als de edelstejulep ofApotekers dranken. F IZABELLE. Myn Heer, ik moet u voor dat kompliment bedanken. Maar wat het Huwelyk belangt, daar ik van hoor, Datkomt, myn’s oordeels, al te vremd en schielyk voor. A MEV: ARGANTES. MynDochter, gy zult u dat Huw’lyk niet beklaagen. Ishy eenweinigje kaduk en oud van dagen, Gyblyft, wanneer hy sterft, boelhoudster van al ’t goed. 11 IZABELLE. Myn plicht wil, dat ik u gehoorzaam wezen moet. Maar Heer Gerontes zal licht denken, en met reden, Dat ik uit dwang, en niet uit liefde, in d’Echtga treden, Waar van ik hem noch geen verzek’ring geeven kan. Ik ken my zelver best, en zal hem tot mynMan Aannemen; maar niet om zyn dokteres te wezen, Die hem van ziektens, of van kwaalen zal geneezen. ’k Wil hem geensins daar in misleiden; maar’k beken Dat ik daar machteloos, en onbekwaam toe ben. : ERASTES. Ô! Gy vermoogt al veel; maar stelt het groot vermoogen Te machteloos en klein van uwe aanminnige oogen. GERONTESV Neef heeft gelyk. Ik sprak daar by gelykenis. Wie weet niet dat de liefde een ziekte of krankheid is? p. 13 Veroorzaakt door ’t gezigt, gelyk we vaak bevinden. Ook door ’t gehoor en het gevoel, gelyk de blinden. En wat myn ouderdom belangt, die’s niet zo groot, Of ’k zal, in spyt van al die vlammen op myn dood, De Waereld toonen, dat Gerontes, schoon hy oud is, Niet vrucht’loos, noch vergeefs, met Izabel getrouwt is. LIZETTE. ,, Die arme stumper heeft noch moet op zyne hand. ,, ’t Is beter hart geblaast, als zyne mond verbrand. Ik bidje spreek toch niet zo los en onbezonnen: Het zouje lichtelyk, dunkt my, ontschieten konnen. Is dat een juffer naar jou lyf? zo jong en fris: ’t Schynt dat zy niet uw Vrouw maar uwe Dochter is. Wat over een komst zelel je ook hebben met je beijen? Zy zal steets vrolyk zyn, gy steenen, zuchten schreijen, Van jicht en podegra. Erastes zou, naarinyn Gedachten, haar partuur ook ong’lyk beter zyn: Want die is, naarhet schynt, omtrent van haarejaaren. GERONTES. Wel snapster, watmoveertjou, om zo uit te vaaren? Debillykheid en reên. LIZETTE. GERONTES. Zy spreekt al vry wat stout: Maar ze is weer deugd’lyk en daar by zo trouw als goud. LIZETTE. Ik zeg, gelyk het is, en ken geen kunst van vleijen. ’kDocht dat hydeeze nachtnoch zou van’t leevenscheijen. ERASTES. Dat was een overval; hy is nu wel te pas. Ik wenstedat ik al myn leeven maar zo was. Hy heeft gelyk dat hy in ’t Huwelyk gaat treden, Men hoeft zyn testament met dieomstandigheden Dan niet te maaken, als men kind ofkind’ren heeft. Wie zou een schepsel zovolmaakt en zo beleeft, Niet neemen tot zyn Vrouw; zo’t my wierd aangeboden. B 3 Ik 14 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE Ik wisselde myn lot met Koningen nochGoden. IZABELLE. Zozoudgemy, na’k hoor, dan raân tot deze trouw. ERASTES. Ik weet wel dat myn raad hier niet veel gelden zou. Maar hy ’s gelukkig, die zyn neiging weet te voegen, Bydie van de ouderen, en trouwt met heur genoegen. LIZETTE. Oomisje al veel verplicht, datjy zo voor hempleit. ERASTES, 1 Zynjaaren zyn ook niet van die ekstremiteit, Dathy daaromjuist niet vermogen zou te trouwen: Laat zien, ik zou ze omtrent van de achtensestig houwell. GERONTES. Dat ben ik niet: maar zal ’t eerst worden op Sint Jan. ERASTES. Zyn Dokters meenen, zo hy tegen ’ t reizen kan En eens de baden met de wat’ren gaat gebruiken, Dathy, gelyk eenroos, wel weder op zal luiken. GERONTES. Zyzeggen dat ik ook, wel in een maand oftien, Een Zoon ofDochter uit dat Huwelyk kon zien. LIZETTE. Licht allebeî; maar ik wil die de koft wel geeven. GERONTES, tegen Lizette. Oei! mynpurgasy, naar ik voel, begint te leeven. ERASTES. 1 Hoe, Oom, wat schort u?Gy ziet bleek engansch ontdaan. GERONTES. Mevrouw, vergeefhet my: ’k moet eens naar acht’ren gaan. (Tegen Erastes.) Gy zult Mevrouw noch wel een weinig onderhouwen. ZES OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 15 ZESDE TOONEEL. ERASTES, MEV: ARGANTES, IZABELLE, LIZETTE. D LIZETTE. At komt, Juffrouw, van uw bekoorlykheid te schouwen. Die werkt veel krachtiger als alle de artseny Van zenebladen en robarreber, diehy Sint vyfzes maanden heeft zo greetig ingenomen. Ô! Liefde liefde! wie kan uwe kracht betoomen? MEV: ARGANTES. Met uw verlof, ’k gaheen en wenschu goedendag. ERASTES. Gedoog, dat ik u naar beneden leidenmag. LIZETTE. aan. Enik, ik ga eens naarden ouden stumper kyken. Hy’s somtyds macht’loos, omden boksen afte stryken, Zodat ik hemdan vaak, moet helpen als een kind. Doch ’ k troost me, dat ik van dat winderig bewind, Zo’t Huw’lyk voortgaat, in het kort zal zyn ontheven, En Izabelle dat offify overgeeven; Die ook, in kwaliteit van Echt- of bedgenoot, Daar ryk’lykvoor beloont zal worden nazyndood. Einde van ’ t eerste Bedryf. B 4 TWEE16 KRISPYN, TESTAT:EN GELEGATEERDE TWEEDE BEDRYF. EERSTE TOONEEL. MEV: ARGANTES, IZABELLE, ERASTES, M ERASTES Evrouw, heb toch met my een weinig mededogen. Gyhebt me eerst toegestaan, dat ik zou hoopen mogen. MEV: ARGANTES. ’k Beken het, maargy hebt daar tegen ook gezegt, Dat Oom, wanneer ik u myn Dochter gaften Echt, Eenbraave som met u ten Huwelyk zou geeven, Dat was de grond, waar op ik u in hoop deed leeven. ERASTES, tegen Izabelle. Geeftgy danmedetot dit Huwelyk uw stem? IZABELLE. Voorzeker. Gy hebt my geraden, dat ik hem Zou trouwen, en daar by noch deeze les gegeeven, Dat nooit een kind de wil zyn ’ s ouders moet weerstree (ven. RASTES. Gyhebt gelyk: maar dat ’som redens wilgeschied. Hywil het geen men wraakt; en pryst ge iets, wil hy’t niet, Dat ik u toonen zal, zogy wattyd wilt gunnen. ’k Meen dat ik hem in ’t kort zo zal verand’ren kunnen, Dat hy alleen niet tot ons Huw’lyk geeft zyn stem, Maar my daar boven noch maakt Erfgenaam van hem. MEY: ARGANTES. Fiat: ik zal aan hem dan schryven, dat ik ’ t trouwen, Om zyn gezondheids wil een weinig op zal houwen; Dewyl ik hem zo slap en zwak gevonden heb. RASTES. Dank, Hemel! ’k voel nu dat ik weêr wat adem schep. Maar daar’s Lizette. MEV: ARGANTES. Laat dit onder ons toch blyven. ’kZal by provisy zulk een briefje aan huis gaan schryven. TWEEOF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 17 TWEEDE TOONEEL. ERASTES, LIZETTE. ERASTES. LIzette, waar’s uwHeer? LIZETTE. Die volgt my zo terstond. Maar ik heb nooit gedacht, datjy zoveinzen kond. Jy schynt van Izabel zo’krachtig veel te houwen; En poogd nu’tjeuchdig schaap op te off’ren aan den ouwen . En’t Huw’lyk, dat zezovervloekt, zelfaan teraan, Voor my, ik kan al die intriges niet verstaan. RASTES. Oomis, gelyk gy weet, veranderlyk van zinnen, En achterkoufig;des, zo iemand hemwil winnen,(tracht. Moet hy hem nooit weerstaan in ’t geen daar hy naar Dewyl hy steeds de raad van and’ren houd verdacht. ’k Meendathy ook in ’t kort wel zal veranderd wezen, Inzonderheid als hy de briefeens komt te leezen, Diehy zal, binnen’tuur, ontfangen vanMama. Is die veranderd? LIZETTE. ERASTES. Als ik ’t u durf zeggen, ja. Zy is van sins, schryft ze, om haar kind noch wat te : houwen, Dewyl ze hem tezwak en krank vond omte trouwen. Die tyd wint, die wint veel, is ’t spreek woord.Nu moet ik Eens overleggen, hoe ’k die zaak noch verder schik. LIZETTE. Ik zal u helpen waar ik kan, en heb zoeven Aan Heer Klistoriaan daar kennis van gegeeven; Enhemgezegt, dat hy is Huwelyks gezind. Dat’s zyn Apteker en getrouwe boezem vrind, B5 Die 18 KRISPYN, TESTAT:EN GELEGATEERDE Diehem daar over eens de metten braaf zal leezen, En in het korte van die ziekte wel geneezen. Maar ’k hoor Gerontes; zwyg. DERDE TOONEEL. GERONTES, ERASTES, LIZETTE. GERONTES. Het spyt my in mynziel, Dat my daar dat kolyk zo schielyk overviel, Enik, door noodgeparst, naar achteren moest loopen. De Juffers zullen ’t zich niet belgen, wil ik hoopen. ERASTES. Een zieke, is, als gy weet, altyd geëkskuzeert. Maar ’k zeg als noch, datik, zo gy geïnklineert Zyttot een Vrouw, uw keur in ’t mintte niet kan wraaken , Maar u zou raaden, voort te vaaren met uw zaaken. GERONTES. Dat kan wel wezen, maar ik heb al halfberouw. ’tHeeft voor een Man, als ik, al vry wat in, een Vrouw Tekiezen, die zo veel van my verscheeld in jaaren. ERASTES. ! Gyhoeft u daarom in’tminst niet te bezwaaren. GERONTES. Ik ben niet beter als myn woord, en zal ’t ook doen: Maar zo ge mydaar afkond helpen met fatsoen, Zoudgy, me dienst doen en op ’t krachtigst oblisjeeren, Al zou ik zelfdaar een klein stuivertje aan spendeeren. ERASTES. ’kWil u niet raân dat gy trouwt tegen uwe zin, En als’t zo is, gelyk gy zegt, wil ’k udaar in Graaghelpen, datgy met fatsoen daar afzultraaken. GERONTES. Maar zo zy spreekt van geld, moet zy’t wat schaplyk maaken. VIEROF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 19 VIERDE TOONEEL. GERONTES, ERASTES, LIZESTE, EEN LAKEY. LAKEY. MYnHeer, daar is eenbriefgeschreven vanMevrouw. GERONTES, de brief aannemende. Wat ofdit wezen mag? Licht hebben ze ook berouw. Myn oogen zyntezwak, om zonder bril te leezen. Ei, zie eens, wat daar van toch mag den inhoud wezen. ERASTES, leeft de brief. Sedert onze laaste byeenkomst, myn Heer, zyn wy, wegens het voorgestelde Huwelyk, veranderd van gedachten, alzowy, by nadere overweeginge, niet anders hebben kunnen begrypen, ofhet zelve zoude, voor den een zo wel alsd’ander, niet dienstig zyn: derhalven ontslaan wyUE. van uw gegeeven woord; met verzoek, dat gy het niet kwaalyk zult neemen, dat wy de vryheid gebruiken, van het onze ook in te trekken, en ons echter mogen noemen UE. onderdaanige dienaresse Vrouw AR GANTES. Laager LIZETTE. IZABELLE. Dat is, na’k hooren kan; een mooije blaauwe scheen. GERONTES. Wat dunkje, Neef? ERASTES. Het is een groot affront, na’k meen. Men you haar, als men wou gemakk’lyk kunnen dwingen, , En doen haar, uit revensje, een ander liedje zingen. GERONTES. Gansch niet: je weet niet wat het prosedeeren kost. ’kBen 20 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE ’k Ben bly, dat ik daar van word zonder schâ verlost. Ik weet niet, hoe ik iny zo ver heb ingewikkelt, (kelt, ’t Was juist geen liefde, daar `k my vond door aangeprik- Maar door een zeker, ’ k weet niet welk een zot konsept, Ofdwaasheid, daar ik voor die tyd meê was behebt. LIZETTE. ’kGeloofhet wel, myn Heer; de liefde is al tekeurig, En Kupido zoekt in geen lichchaam, als dat sleurig Ofjeuchdig is, en fris, te houden zyn verblyf: Niet in geraamtens, die vermagert, oud en styf, Verminkt van podegra aan arremen en beenen, Niet doen als kermen en steets kuchchen, hoeften, steenen. GERONTES, tegen de Lakey. Ga naar beneden, en wacht my een oogenblik. Neef, zaagt gy ooit een Man die zich. gelyk als ik, Zoonverschillig in de Waereld weet te draagen. RASTES. Gydoet, als ik het wel bedenk, zeer wys: uw dagen Zynhoog geklommen, en daar by zyt gy vol pyn, Vanjicht, van podegra, graveel en sleresyn. Elkplaag is machtig (ik laat staan die met malkand’ren) Een bruiloftsfakkel In een lyktoorts te verand’ren. GERONTES. Eerst spraakt gy anders. ’k Haddat niet vanuw verwagt. ERASTES. ’kHeb nu dezaak met meer opmerking overdacht. GERONTES. Nu ik die ruzy aan een kantzie, en het trouwen Heb uit myn hoofd gesteld, kan my niets wederhouwen Vanu myn Erfgenaam te maaken, namyndood. ERASTES. Ei, spreek daar toch niet van. Uw liefde is al tegroot. Dat woordvan testament doet my voor afal beeven, Door ’ t denken aan uw dood, die ’k niet zal overleeven. GERONTES. Daarommin ik u noch te meer. Gyzult alleen Zyn OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 21 Zyn Erfgenaam van almyn goed; behalven één Koezyn, myn Zusters Zoon. En van myn Broeders zye, Een Nichje, dat zich heeft mistrouwt in Normandye, Aan zekeren Baron, die, gansch ontbloot van geld, Al zyne rykdom in een reeks van wapens stelt: Die zullen, wyl ze my zo na zyn, na myn sterven, Van myn nalaatenschap tien duizendponden erven. LIZETTE. Tienduizendponden! dat is, dunkt my, al wat veel. Alsgy die Noormans elk maar gafeen darde deel, Zou ’t al genoeg zynom prosessen meê te koopen. Jy zult diebrok wel wat vermind’ren, wil ik hoopen. GERONTES. ’k Hebgeen van beide van myn leeven nooitgezien: Schoon ik hen in Parys al fint een dag oftien, Verwacht heb; nademaal zy onlangs aan my schreeven, Dat zy my saamen een vizite wilden geeven. ’tZal hoop ik, Neef, in u geen zorg ofargwaan voên, Zo ik hen beide wat onthaal, naar hun fatsoen. ERASTES. ! Inhet minsteniet. ’t Isfaltemaal hetuwe. LIZETTE.- Zy denken licht, datjyhen stil iets toe zultduwen. ERASTES, Lizette, dat kan Oom zo doen als hy begeert. Maar, Oom, deknecht dient wel tezyn geëkspidieert. Mevrouw Argantes zal hem zekerlyk bekyven. GERONTES. Dat’s waar, Neef. Met verlof, ik ga een briefje schryven. LIZETTE. Hoe! durfje schryven, is’tual vergeeten, dat Jezulk een zinking hebt op uwehandgehad, En u het schryven op denhals toen is verboden? GERONTES. (den. Dat’s waar. Neef, ik heb hier nu eens uw hand van noo- ’k Zal u dikteeren; maar een styl wat entre deus. En 22 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE En wryven hier en daar wat peper in de neus. ERASTES. Als’tu belieft, Oom; zeg my maar wat ik zal schryven. LIZETTE. ’t Gaat wel; Erastes zal nu ’t spel wel meesterblyven. Gerontes mindhemvan zyn Neeven wel het meest. Krispyn, zytgy het? Waar benjy zo lang geweest? VYFDE TOONEEL. kH Eb die KRISPYN, LIZETTE. KRISPYN. Notaris, daarje myomhebtgezonden, Doorgansch Parys gezogt, en nergens t’huis gevonden. Dat volk is, als ik nu bevind en ook wel hoor, Al veeltyds indekroeg en weinig op ’ tkantoor. Doch’k heb aan ’t huis belast, dat zyhem moetenzeggen, DatHeer Gerontes iets methem wilde overleggen. LIZETTE. Maar weetjy wel waarom hy hier ontboden is? KRISPYN. ’tZal om zyn testament te maaken zyn, na’kgis. : LIZETTE. & Neen, Krispyn, gansch niet: het zyn al and’re zaaken. ’tIs om zynHuwelyks kontrakt te laaten maaken. KRISPYN. 8! Ik geloofdat niet: wie zou dat krank gestel Toch neemen tot haar Man. LIZETTE. Wie? Juffrouw Izabel. Die hy, by Huwelyks kontrakt, zo veel gegeeven Zou hebben, dat uw Heer, noch geen van al die Neeven, Iets hadden, na zyn dood, te hoopen op zyngoed. Nuis het glad spit af. En als ik ’t zeggen moet, Meenthydat 1choone geld, behalven twee legaaten, Aan Heer Eraftes, zyn beminde Neef, te laaten. KRIS1. OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 23 KRISPYN. Daar spreekt een Engel uitje mond. Ei laat ikjou Daar op eens kussen, alsmyn lieve aanstaande Vrouw. Zacht. LIZETTE. KRISPYN. Laat me u, op ’t sukses, dat zulks toch maggelukken, Van vreuchde omhelzen en in beî myn bouten drukken. LIZETTE. Nu’t is genoeg, Krispyn. KRISPYN. Vergeef ’ t my, zo’k misdoe. Het is door blydschap, want ik ben, ik weetniet hoe. LIZETTE. Ik weet niet, of’ t met ons wel zulk een vaart zal loopen. KRISPYN. Wat’sdat? gyzyt dan niet veranderd, wil ik hoopen? LIZETTE. Dat weet ik niet, maardaar’s een and’re zwaarigheid. Hyzal, Krispyn, indienhy meent het geen hyzeid, Zyn testament, ofwel zyn uiterste begeeren, Mettwee legaaten op het krachtigst klauzuleeren, Voor twintigduizend pond. KRISPYN. Is’t mogelyk! laat zien, Dat is.... Datis voor elk gelegateerde tien. Dat al eenbres in zyn nalaatenschapzalmaaken. Lizette, zeg my eens; wat zyn dat tochvoor snaaken? LIZETT IZETTE. Een Neef, en dan een Nicht, getrouwt aan een Baron. Het schynt, dathy van zyn gemoed niet krygen kon Twee bloedverwanten, die zo na zyn, gansch te ontërven. ’t Is ook niet vremd, wanneer men poogt gerust te sterven. KRISPYN. Waarwoonen zy? LIF 24 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE LIZETTE. Dat weet ik niet, ’tzyn Edelliên. Gerontes heeft ze van zyn leeven nooitgezien, Maar voor een week ofdrie een briefvan hen gekreegen, Waar over hy, na’k zag, geen kleintje was verlegen. Dewylze schreeven, datzy, na een dag oftien, Oom hoopten, in Parys, met goeje deeg te zien. KRISPYN. Dan zouGerontes geen van beî die Vrinden kennen? IZETTE. Gansch niet: hy weet niet ofze vet ofmager bennen. KRISPYN. Datis tereeren: nu zal ik hem wel een rad Voorde oogendraaijen, en my zo toekaak’len, dat Hy me ook niet kennen zal, en voorts een rol gaan speelen , Datgeenvanbeiden in het erfgoed zullen deelen; Maar datde gansche brok zal voor Erastes zyn. LIZETTE. 6! Welk een schoonezaak was datvoor ons, Krispyn, Zo gy den ouwenpaai zo verre kond bepraaten, Dathy Eraftes niet belaste met legaaten. KRISPYN. Maar als myn aanslag nu eens wel gelukt, watdan? Ik vrees, datjy me niet zult neemen tot uw Man, Alsjy die prys komt, na Gerontes dood, te stryken, Maar als een poelsnip my dan na zult laaten kyken. LIZETT IZETTE. Watbenje ook wonderlyk! Hoe mag je nu zo staan? KRISPYN. Neen, ik wil positiefnu weeten af, ofaan? Endaar enboven zultge my belooven moeten, Datje in dereeuwigheidby niemanduwe voeten, Zult ondersteeken, als bymy, uw Heer en Man. Want na ’k aan uw gezicht en wezen merken kan, Zult gy licht ook zyn, als al die Parysche vrouwen, [p. 25] Die door den bank wel van verandering wat houwen. LIZETTE. Dan slacht ik jou wat: want jy bent een sneukelaar, En vry wat veel, na ’k hoor, al schuldig hier en daar. KRISPYN. Wat ’s dat? Wy zien dat van Baronnen en Markiezen. ZESDE TOONEEL. GERONTES, ERASTES, LIZETTE. GERONTES, houdende een brief in de hand. DAar ’s vry wat mostertzaad of kruid in, om te niezen, Zy zullen aan de styl wel klaarlyk zien, wie ’t geld, En dat den inhoud door geen gek is opgesteld. ’k Wou wel eens zien, hoe zy zich daar op zullen houwen. ERASTES. Zo gy ’t bestellen van den brief my durft betrouwen, Zal ik de Moeder zelf die lev’ren in haar hand, En u getrouwelyk raport doen, hoe ’k de stand, Of kontenanse heb gevonden van het wezen, En hooren wat zy daar op antwoord, na het leezen. GERONTES. Zou ’k u dat vergen, Neef? ERASTES. §§§§§§§§§§Hoe, Oom, wel waarom niet? Ik ben bereid tedoen al wat ge my gebied. GERONTES. Gy kunt haar mondeling, noch onder and’re zaaken, Ook zeggen, dat ze op my geen staat meer hoeft te maaken. ERASTES. ’k Begryp uw meening, Oom, en ga zo aanstonds heen. GERONTES. Gy zult my op het hoogst verplichten, en alleen Myn Erfgenaam ook zyn; behalven twee legaaten, Endan Lizette ook iets, daar ik ’t meenby te laaten. [p. 26] ZEVENDE TOONEEL. GERONTES, LIZETTE. GERONTES. LIzette, ’t is of ik op nieuw weêr adem schep, Sint ik dat edele besluit genomen heb. LIZETTE. ’k Ben bly, dat jy hebt zulk een wys besluit genomen. Maar ’k zie Klistoriaan, uw Apoteker, komen. ACHTSTE TOONEEL. KLISTORIAAN, GERONTES, LIZETTE, HA! GERONTES. A! ha! Klistoriaan! Alsikuzie, mynvrind, Is ’ t puur, ofik my in een frisser staatbevind. KLISTORIAAN, wat nors. ’t Kan zyn dat gy zulks meent. GERONTES. Wat’s dit? Gy schynt wat moeij’lyk KLISTORIAAN. Zou’k niet?Daargy een zaak, op’t allerhoogstverfoeij’lyk, U onderwinden wilt. GERONTES. Hoedat, myn lieve maat? KLISTORIAAN. Een Man alsgy! die in zyn leste schoenen gaat! Jawel, is ’ t mogelyk! GERONTES. Watwiltgy daar mee zeggen? KLISTORIAAN. Meent dienoch in die staat een molen aan te leggen, Daar hy een greintje slechts te maalenheeft? GERONTES. Ikweet Waargy van spreeken wilt. Maar toen gy’t ook left deed Hoe OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 27 - Hoe oud waard gy toen wel. KLISTORIAAN. ’kWas ook al van diejaaren; Maar nergens nazozwak, noch’k had geen gryze haaren. Indien myn Vrouw, het welk de Hemel wil verhoên, Myweêr te ontvallen kwam, zou ik het weder doen. ’k Wil ook in krachten niet by u zyn vergeleeken: Gy hoeft en kucht en proeft en kermt van veel gebreken, En kruipt hier langs de vloer gelyk een Bestevaår: Daar ik zo fris ben als een Man van veertig jaar; Metjicht noch podegra behebt. Ik heb voor deezen, -In zeker oud Poëet, dit vaersje vaak geleezen. Een oud Man die een vryster trouwt, En haren gullen akker boud. Indien zyn kracht zo verre strekt, Dat by een vrucht by haar verwekt, Dan is het dat men zeggen kan, Hy maakt een Kind, maar breekt een Man. Des kunt gy zien, als dat eenMan van uwe jaaren, Met zulk een jongen Deerngeensins behoord tepaaren: Dewyl hy ’tlichchaam niet alleen verzwakten krenkt, Maar met zyn eigen mes zich doodsteekt, eer hy ’t denkt. (ren, Gy spreekt geleerd:’k zou my voor Dokter doen verklaa- Devysel, stamper en klisteerspuit laatenvaaren. GERONTES. KLISTORIAAN. Zou ’k Dokter worden! daar hoed myde Hemel voor. Het zyn meest Esels; want ik ken ze door en door. Zy wilden korts my noch een Thezes defendeeren, Dat zelfde Apteker zyn pasjenten moest klisteeren; En waar toezoudendan dejongens noodig zyn? LIZETTE. Myn’s oordeels, was dat wel een onverstandig zwyn. De jongens hoeven daar geen bril by op te zetten. ’tStryd metde reden en natuurelyke wetten, Ca KLIS28KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE KLISTORIAAN. ’k Had ook myn winkel eer glad opgegeeten, als My zulk een strik te laaten werpen om den hals. GERONTES. Gyhebt wel groot gelyk, daar moeij’lyk om te wezen. Maar wat misdoe ik u? KLISTORIAAN. Ik zou u graag geneezen, Van al de kwaalen, diegy onderworpen zyt; En hoopte, dat ik zulks ook doen zou, met’er tyd. Daargy in tegendeel nu al myn weetenschappen Verydeldengaat naar een and’re Waereld stappen. GERONTES. Nu, nu, Klistoriaan. KLISTORIAAN. Eendragma zout, dat ik uit polykretes trek, Op’t fynst geraffineert en zuiver uitgewaffen, Zou uveel beter als een jonge Deerne passen. Weg, weg, jebent een gek. GERONTES. Ikbid zo haastig niet. KLISTORIAAN. Daar by katolikom, Rabarber, zeneblaân en balsemike gom. Ik ben..... GERONTES. KLISTORIAAN. ’k Weet wat gy zyt. ’t Lyd geen verschooning. En goê dekoktum, met een apozeem van honing Endrooge amand’len naarde kunst gekomponeert, Dan omden and’ren dag daar op eens geklifteert, Zou u zo schadelyk niet wezen als het trouwen. LIZETTE. Maar, Heer Klistoriaan, hoe kunt gy u zo houwen? KLISTORIAAN. Daar heb ik reden toe. LI OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 29 LIZETTE. Hoor maar een weinig. Wyzyn ’t met u akoort. KLISTORIAAN. Neen, ik hoor geen enkel woord. LIZETTE. Versta toch reden, Heer. Hoeben je zo ongalyk? W NEGENDE TOONEEL. GERONTES, LIZETTE. LIZETTE. 4 (kwaalyk Atbrust me’t hondaas? ’k Zou gelooven dat het Kan kyken in ’t mortier. Dat hebje van dat goed: ’t Valt klein, maar vuil, en zeer laatdunkend van gemoed. GERONTES. Ik vrees, Lizette, dat hy nu zal achterblyven. LIZETTE. Dan heb ik noch een Neef, die u wel zal geryven, Die heeft al ruim zo veel ervarendheid, als hy. Daar’s in de Waereld kruid noch medisyn, die gy In overvloed niet zult in zyn boetieke vinden: Ja, de akwavita zelf, zo heerlyk voor de winden. GERONTES. Ontbie die dan eens voort. ’k Ben schrikkelyk ontstelt. LIZETTE. ’t Is wel; maar ’ k hoop’, datjy my ook gedenken zelt, Met een legaatje, by het schikken van uw zaaken, Als jy Erastes komt tot Erfgenaam te maaken. GERONTES. ’k Beloofhetu; mits datge my ook voor myn dood, Niets af zult võrd’ren voor uw dienst,’t zy klein ofgroot. Einde van het tweede Bedryf. C3 DER. 30 KRISPYN, TESTATEN GELEGATEERDE DERDE BEDRY F. EERSTE ΤΟΟNEEL. GERONTES, LIZETTE. GERONTES. WAar ofEraftesblyft? Ikben in groot verlangen, Hoe mynen brief, byvrouw Argantes, is ontvangen. LIZETTE. Ô! Stel u daar maar in gerust: dat zal wel gaan. Myn’s oordeels hebt gy al zeer wysselyk gedaan, Datgy dat huwelyk hebt vande hand gewezen. GERONTES De Apteker zeid, ik had een wiffe dood te vreezen. (Daar word geschelt, en Lizette doet open.) TWEEDE TOONEEL. GERONTES, LIZETTE, KRISPYN, gekleed als een landjonker. LIZETTE. WE1, wat geschel isdat? ’tIs zeker onbeleeft, Dat gy een zieke op zulk een wys vizite geeft. ,, Maarhoe! zyt gy’t, Krispyn? KRISPYN, tegen Lizette. " Jatoch; maarjy moet swygen. Kan ik Gerontes wel een woord te spreeken krygen? Hy woondhier in dit huis, naar dat my is gezegt. LIZETTE. Dat’s waar, myn Heer. Daar is hy zelf, dus komt gy recht Vanpas. KRISPYN. Dat’s goed. Ha! ’kben uw dienaar, Heer Gerontes, Hetschynt mytoe als dat myn Heer noch vry gezondis. ’t Is my voorwaar zeer lief.Daar is mynhand, ik zweer ’t. Ach. OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 31 Ach! dat ik u omhels! GERONTES. Zogyme niet begeerd Te wurgen, Heer, dan moet gy die beleeftheid staaken. KRISPYN. Dat ik u noch omhels! GERONTES. Wil toch een einde maaken Van die fermoniën; ’t verveeld my, in der daad. KRISPYN. Ik merk, myn Heer, dat gy geheel verwonderd staat, En’t schynt my toe, dat u de trekken van myn wezen, Zyn onbekend, om dat ge my nooit zaagt voor deezen. Myn Vader, in zyn tyd, was een ryk Edelman In Normandye, en liet zich noemen JonkerJan. Hy heeft tot Vrouw gehad, uw Zuster Leonore, En uit datHuwelyk, myn Heer, ben ik gebooren, Omtrent vier maanden na dat het voltrokken was. Myn Vader was misnoegd, om dat hy zich zo ras Papaatje zag. Wanneer een vrind, in konfidensy Hem zeî: dat zulks geheel was buiten konfekwensy, Wanneer een Vrouw zo vroeg verlofte van eenkind, Omdatdie sek se in ’t eertt zich vaak daar mee verzind; Wyl zy dekennis der chronology ontbeeren, Doch, wyl me uw Zufter heeft gebaard, zou ’k konkludeeren , (Schoon’k my de tyd, die zy my heeft gedragen, schaam) Alsdatgy zyt mynOom, en ik uw Erfgenaam. GERONTES. ’tZy of gy zyt myn Neef, ofniet, al uwereden Zyn vol van lastering en ongeregeldheden Myn Zuster was, by elk, voor deugdelyk bekend. KRISPYN. ’tZy zo. Maar maaken wy van dit verschil een end. Ik denk niet, Oom, dat gy van sins zyt lang te leeven, C4 Want y : 32 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE Want daar meê zoud ge my gansch geen genoegen gee- Wyl ik uit Normandye, alleenig herwaarts kom, (ven: Ophoope, datgemy, in’t kort, een goede som, Door uw aflyvigheid, zult komenna te laaten. LIZETTE. Uw Neef, myn Heer, dunkt my, is ongeveinst in’t praaten. GERONTES. Ikben’er van ontstelt! KRISPYN. ’k Hou my verzekerd, dat Ik naar uw dood, myn Heer, een schrikkelyke schat Zal vinden: want gy word van elk voor ryk versleten, En voor een woek’raar, die zyn eigen drek zou vreeten, Een schrok, een gierigaart, die zich zou, elk ten spot, / In ’ t openbaar, voor geld, doen geess’len op ’ t schavot. GERONTES. Zo ik myn armenkon, als in mynjongkheid, roeren, Ik zweer dat ik u gaauw die vuile bek zou snoeren. Vertrek. KRISPYN. Niet voor dat ik u heb ter aardbesteld; Opdat een ander niet gaat stryken met myngeld. ’k Word dol! GERONTES. KRISPYN, tegen Lizette. Kom, meisje maat, wil me in een kamer leijen, Al was ’t in de uwe; Ôja, wykunnen met ons beijen Wel leggen op eenbed. Gyzytmyn min wel waard: ’kHeb van myn leeven wel gespeeld met slechter kaart. tegen Gerontes. ’kBid, Oom, dat ge aan my wilt op rek’ning avanseeren, Slechts duizend gulden: want, om my te diverteeren, Terwyl ik op uw dood hier wacht, zo diend’er poen Tezyn: dus schiet ras kuit, of’k zal ’t u leeren doen. GERONTES. Dat’s eerst eendroeskop; hoe raak ik daar van ontslagen? lagen? LIOF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 33 LIZETTE. Zeg, dat je in’t teftament voor hem zult zorge dragen. Zal’t lukken! KRISPYN. GERONTES. Neefje lief, ’k ben nujuist niet by kas. ’t Is ook depyn niet waard: myn leeven loopt toch ras Ten einde: dus vertrek, en wil me niet meer plaagen; Maar laat me in rust envreê toch eindigen myn dagen. ’k Zalu, by testament, doen erven een legaat. KRISPYN. ’t Is wel: doch onder die kondietsy, beste maat, Dat gy in korte tyd bezeilen zult de haven Des doods, of’k zweer dat ik u leevend zal begraven. Ik ga. U DERDE TOONEEL. GERONTES, LIZETTE. LIZETTE. WNeefdie schynt een zeer wel leevend Heer. GERONTES. Zou hy myn Neefzyn, neen, Ôneen, Lizette; ik zweer Dat nooit myn Zuster zulk een monster bragtin’t leeven. LIZETTE. Mydacht, ik zag nochtans een trek in ’t aanzicht zweeven Dieu niet vremd geleek. GERONTES. ’t Zyzo, ik laatdat daar. Maar echter is ’ t een guit, dat blykt ons middagklaar. LIZETTE. Is dit het lievertje, mynHeer, dat naar uw sterven, Uit uw nalaatenschap, tien duizend pond zal erven? GERONTES. In’t minste niet, Lizette; & neen, geen enk’le speld. Hy zal zyn ving’ren niet blaauw tellen aan myngeld. Cs Des 34 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE Des, zohy zyne pot moet van myn erff’nis smeeren; Zalhyheel magertjes, myn’s oordeels, moeten teeren. LIZZEETTTTE. Jehebt gelyk, myn Heer; hyzou, in weinigtyd, Al’t schoone geld, dat jy, door zuinigheid en vlyt, Byeen vergaderd hebt, in overdaad vertceren. Maar, na mydunkt, zie ik Erastes wederkeeren. 8! VIERDE TOONEEL. GERONTES, ERASTES, LIZETTE. GERONTES. (smart! NEef, watheb ik naar uw komst verlangt met ’k Heb daar een Neef gehad uit Normandye; ach ’ t hart Beeft my noch in het lyf. Ik zag van al myn leeven, Nooit zulk een droeskop meer. ERASTES. Ik heb een woord zes zeven, Met hem gesproken: want zo als ik in wou treên, Liephymy indemond: hy heeft my ook de reên Van zynekomst gezegt. GERONTES. Hoehebtgy hemgevonden? ERASTES. Ruw, onbeschaaft en plomp, en los en ongebonden. GERONTES. Koezyn, ’k wou datje hier maar by me waard geweest, ’kMeen, dat hy dan die taal niet had gevoerd, dien beeft! LIZETTE. Enjy wout in faveur van zulk een guit testeeren! GERONTES. ’kHeb mybedacht:het zou me op ’t hoogste chagrineeren, Datzulk een hangebast, na myn aflyvigheid, De vruchten plukken zou van mynen arrebeid. tegenEraftes. Maar, hoe zyt gy by VrouwArgantes toch gevaaren? ERAS OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 35 ERASTES, Heel wel, Oom: ’ k zal u myn ontmoetinge openbaaren. In ’ t eerst, vertoonde zy zich zeer indifferent, En hield zich trots enfier; maar toen ik haar in’tend Verhaalde, dat gy van uw goed wout difponneeren, En my tot Erfgenaam daar van institueeren; Wantgyhad my geboôn, dat ik dat zeggen zou..... GERONTES. ô Ja, Neef; en ’t is myn intensy ook, vertrouw U opmyn woord. ERASTES. Toen stont zyt’een’maalopgetogen, En heel verbaast, na’t scheen. En ik was, ongeloogen, Niet min verwonderd, toen zy mytot antwoordgaf, Dat zy eenMandie reets ging bukken naar zyn graf, Zeer gaarne wilde ontslaan, en haar toestemming geeven, Dat Izabel met my in ’t Huwelyk mogt leeven, GERONTES. Wat hebt gy toch daar op geantwoord? ERASTES. ’k Heb gezegt, Dat ik my, zonder uw konsent, nooit zou in d’Echt Begeeven; en my niet zo schielyk kon verbinden, Voor dat ik wist of Oom Gerontes ’t goed zou vinden. GERONTES. Neef, laad zo vroeg niet op uw schouders zulk een last; Gy zyt nochjong. ERASTES. Mydunkt het ook, Oom. LIZETTE. ’tHuwlyk past. Dejonkheid beter als een Man van hoogejaaren, Des raade ik u, myn Heer, daar maar meê voort te vaaren, GERONTES. Zwyg stil, Lizette, en moei u met het geen u raakt; Dewył uw zotgesnap my ’thoofd maar moeij’lyk maakt. ERAS 36 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE ERASTES. Lizette, zwyg: want Oom ontroert zich om uw reden. De zieken dienen in het minst geen moeij’lykheden. D VYFDE TOONEEL. GERONTES, ERASTES, LIZETTE, EEN LAKEY. LAKEY. Aar is een Juffer, die heel diep is in den rouw, Die u wel garen een vizite geeven wou: Ze is, naarze zeid, uw Nicht. Zal zy maar binnen treden? GERONTES. Gansch’lyk niet: ik vreeze, en dat niet zonder reden, Dat haar bezoek, zo wel als dat van mynenNeef, My maar ontroeren zou. ERASTES. Maar, Oom, ik bid u geef Haar toch voor ’t minstgehoor: gyzyt het, vrindschaps Verplicht te doen. wegen, tegen Lizette. Ga, laathaar in. tegen Gerontes. Spreek haar niet tegen, Schoon zy al ’t een of ’t aâr mogt zeggen dat u stiet, Bedwing u voor dietyd, en acht haar zeggen niet. Het is ook niet gezeid, dat al die van uw bloed zyn, Juist zullen, als die Neef, dus raazend en verwoed zyn. ZESDE TOONEEL. GERONTES, ERASTES, LIZETTE, KRISPYN, gekleed als een Weduwe. M KRISPYN. YnHeer, ikbid u datgemy verschoond, indien Ųmynbezoek ontrust: ’kverlangde omOom te zien. Een OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 37 Een Oom die ik, voorwaar, met hart en ziel en zinnen, Veel meerder als my zelf, zo lang ik leef, zal minnen, ,, Dat lykt’er na. GERONTES. LIZETTE, zacht tegen Erastes. Het is Krispyn. ’t Is my bekend, ERASTES, zacht tegen Lizette. Wy hebben, voor de deur, te saamen een moment GERONTES. Gesproken. GeefNicht een arremstoel. Uw bezoekkan my, op ’t hoogst verëeren. KRISPYN. Oom, wil my ekskuzeeren, Een arremstoel voor Oom; een and’re stoel is goed Genoeg voor my. GERONTES. ’kBeken, ze is deftig opgevoed. ERASTES. Zykent haar waereld, en weet zich zeer wel te dragen. Ook is zy wel gemaakt. KRISPYN. Naar’t schynt, schept gy behaagen Ommy te foppen, Heer. Toen ik noch vryster was, Scheen ik niet laelyk; ’k had een middeltje dat pas Zo dik was als myn arm: maar ’t is, door ’t dikwyls kraamen , Vrywat ontramponneert. LIZETTE. Gyzoud, voorwaar, beschaamen Een jonge meid, zo fris zyt gy noch van postuur. KRISPYN. Den Huwelyken staat, heeft vry wat zoet en zuur. Ik wasal Weduw met myn eenentwintig jaaren, En had wel weder, zo’k gewildhad, kunnen paaren: Want 38 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE Want ik wierd weêrgevryd, kort na myn Egaas dood; Maardoor ’t staag denken aanmyn zaal’ge bedgenoot, Heb ik besloten, stil te flyten myne dagen, Ende eerste liefde met myin het grafte dragen. ERASTES. ’t Is beter dat ge in’t eind, u dat verlies begeeft, Mevrouw: mentrouwteen Man niet langer als hy leeft. GERONTES. UwMan heeft u, dewyl gy hem zo vroeg moest missen, Niet zeer veel kind’ren nagelaaten, zou ik giffen? KRISPYN. (groot. Niet meer als acht, myn Heer; en d’oudste is taamlyk Dochtweejaar na ’t verlies van mynen bedgenoot, Heb ik noch eens gekraamt. LIZETTE. Voor my, ik moet bekennen, Dat uwe Nichten in dat land vry vruchtbaar bennen. GERONTES. Maar, Nicht, ikbid uzeg my toch, om welke reên Dat geuvanMaine hebt begeeven herwaarts heen? KRISPYN. Dereden zyn, eensdeels, om Oom eens te bezoeken: Ten anderen, omdat men my niet zou verkloeken, Omtrent een zwaar proces, ’ t geen ik hier voor den raad Hebhangen: want indien m’er zelfgeen acht op slaat, Zoduurthetjaaren lang. Vast melken de Advokaaten Uwbeurs, wyl ze uw proses de tyd bevolen laaten. Maar’tgeen mytot dees reis wel’t meest bewoogen heeft, Is, dat ik heb gehoord, dat ge als een lichtmis leeft, Ja, als een dobbelaar en dronkaart, uwe dagen Inkroegen doorbrengt, en’s nachts gaat uit katerjagen. GERONTES. Diegeen daargy van spreekt, zeg meent ge my daar meê. KRISPYN. Ja, u; en’t waar my leed, zo’ku in ’t minstmisdee. Het geen ik zeg, is waar. GE OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 39 GERONTES. Wat moet ik niet al hooren! ERASTES. ’kBid, Oom, ontstel u niet. KRISPYN. Ook kwam my noch ter ooren, Dat gy met uwe meid, al langheb geboeleert, En zelfs tweekinderendaar by geprokureert. LIZETTE. Dat’s lastertaal, en ’tis een schurk, die zulk een logen, Uit enk’le nydigheid, heeft uit zyn poot gezoogen. ERONTES. Ik raas van ongeduld! Ôlaster, nooit gehoord! KRISPYN. Opdie geruchten, deê’k uw Erfgenaamen voort By een vergad’ren, die, narijpe delibraatsy Besloten, om my voortaanu, in deputaatsy, Tezenden; om daar door aan u te doen verstaan, Dat zy gerefolveerd zyn, op datgy voortaan, Met rinkelrooijen, en gestadig deboosjeeren, Heur midd’len, noch u zelf, niet meer zoudkonsumeeren, U, inhet kort, steêkind te maken. Temaaken! GERONTES. My, steêkind KRISPYN. Ja, opdat ge ook niet, op’tlest, verblind Door spoorelooze min, met uwe meid gaat trouwen; Tot merk’lyk nadeel van die op uw erff’nis bouwen. GERONTES. Hetgaat te hoog. Ik zeg, gaaanstonds hier vandaan, Jou rechte voddemoêr, of’k zal u leeren gaan. KRISPYN. Zogy dat schelden, op uw maagschap, niet wil staaken, Kunt gy gemak’lyk in een beterhuis geraaken. LIZETTE. Myn Heer in ’t beterhuis! KRIS 40 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE KRISPYN. Zyt daar zo vreemd niet van; Vermits men u ook wel naar ’t spinhuis zenden kan. IZETTE. Hoe, my naar ’t spinhuis! my! KRISPYN. Ô Ja, uw spoorloos leeven, Heeft redenen genoeg, dunkt my, daar toe gegeeven. ERASTES. Ik moet eens zien, of ’k hier geen and’re raad toe weet. Ga aanstonds om de schout, Lizette. KRISPYN. Ik ben gereed Hem afte wachten. Hoe!een mensch dus te affronteeren! Zie voor u wat gy doet, ik zal het revensjeeren. Ik ben geen diefëg, noch geen Hoer. ERASTES. Wy zullen zien Wat daar van is; en of men eerelyke liên, Op zulk een wys mag, inhun eigen huis, trakteeren. tegen Gerontes. Belieft het Oom zo lang in zyn vertrek te keeren, Tot zy vertrokken is. GERONTES. Ja. ’k Ben door dit geval, Zozeer ontstelt, dat ik ’t misschien besterven zal. LIZETTE. Welzo, Juffrouw, jy hebt u wonder wel gekweeten. Men hoorde u braaf, met een stuk hout, de rug te meeten. ZEVENDE TOONEEL. ERASTES, KRISPYN. KRISPYN. WAt dunktu, Heer, hebik myn rol wel uitgevoerd? ERASTES. My dunkt gy hebt uw mond wat al tegrofgeroerd. KRIS OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 41 KRISPYN. ’k Heb ’t alles om udienst tedoen, dus ondernomen. En, na’tiny toeschynt, zal’t ook wel ter eere komen. Want Heer Gerontes schynt zo wel te zyn voldaan, Zo van zyn Nicht van Maine, als van zynNeefvanKaan, Dat hy ze geen van beide eenduit zal legateeren. Maar, Heer, ’ k woudatje my flus eens had zien ageeren, Toen ’k als een Edelman, heel kost’lyk gechambreert, Met een gepluimde hoed, de pruik g’akkomodeert, Naar de allernieuwstezwier, en met een langedegen, Myn rol hier speelde; ik weddatjy had zin gekreegen, In mynmanieren. Maar ik vind, recht uit gezeid, Datmy dit kleed geeft veel meer moed en dapperheid; Endatmydees samaar, voor allerlei gevaaren, Meer als het jonkers pak, kan dekken en bewaaren: Want als men is gekleed, gelyk een kavaljier, Dient men, om’t minste woord, te vechten met ’t rapier, Ofieder een zal u maar voor een bloodaardhouwen, Endat zyn kunsjes die ons, maar te laat, berouwen. ERASTES. Krispyn, zo d’aanslag wel, in alles, fuksedeert, Endat Gerontes my alleen institueert, Tot zynen Erfgenaam, zult gy.... maar welke reden, Lizette, doen u zo ontstelt tochherwaarts treden? ACHTSTE TOONEEL. ERASTES, LIZETTE, KRISPYN. LIZETTE. nverwachte slag!! Ô droefheid, altegroot! ERASTES. LIZETTE. Och! Heer, uw Oom is dood! Wat is’t, Lizette? spreek. ERASTES. Kan ’t moog’lyk zyn! KRISPYN. Hoe! zouGerontes zyn gesturven? D ERAS 42 KRISPYN, TESTAT:ENGELEGATEERDE ERASTES. Helaas! ik ben, voor al myn leevenstyd, bedurven! LIZETTE. Ikwas naauw methem in zyn kamer, of hy kreeg Een overval, dathy, van onmacht, nederzeeg; En was voort zonder spraak, verstand en pols en krachten; Als of’er anders niet was als de dood te wachten. Hetgeen ik in ’tgevolg ook zag: want aanstonds brak ’tGezicht, en daar meê gaf hyd’allerlaasten snak. ERASTES. Ik ben vol wanhoop! Ach! de schrik, die geOom zo even Hebt aangejaagd, heefthemgewis gekost zyn leeven. KRISPYN. Dat schutik, Heer: wantik kan niet gebet’ren, dat UwOomde zaaken heeft dus av’rechts opgevat. ’t Was enkel op zyn goed gemunt, niet op zyn leeven. ERASTES. Laat onsdemoed noch niet geheel verlooren geeven. tegen Lizette. ’t Is meer gebeurd, dathy een slaauwtekreeg, jazo, Datgyhemzelfal had, voordood, geleid op ’ t stroo. LIZETTE. Ja, Heer, geloofme, hy zal nu niet weêr ontwaaken: Want ishynoch niet dood, hy zal’t geen uur meer maa- RASTES.. (ken. &Hemel, ach! wat raad? Wat raad, indeeze elend, Krispyn? Gerontes sterfd! En zonder teftament! Nu’s al myn hoop, om ooit met Izabel te paaren, Voorby. Watdroefheid kan myn droefheid evenaaren! LIZETTE. Het spyt mydathy ’t heeft zo schielyk afgeleid: Wanthyhad me ook een klein legaatje toegezeid. KRISPYN. Dit onverwacht geval verdraait alle onze zaaken, ’t Zal veel zyn zo wy hier met eerendoor geraaken; Enechter moet dit werk stoutmoedig aangetaft: Wyl opeenharde kwast een scharpe beitel past. Al OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 43 Allon, koerazy dan, mynHeer, flypuwezinnen, Om, door een helden daad, uw rampen te overwinnen. ERASTES. Wat kan ik doen? ik ben ten einde raad. KRISPYN. Jemoet, J, zonder uitstel, van het allerbeste goed, Maar meester maaken. Zo van paerlen, diamanten, Van obligaatfiën, goud, zilverenkontanten. Dok dient Gerontes dood aan niemand noch bekend Gemaakt, voor dat ons werk geleid is in ’ t siment. Lizette, jy moet voortde deur in ’t nachtslot sluiten, Op dat ons toch, vooral, geen mensch verrast vanbuiten. LIZETTE. Laatdat maar op my staan. KRISPYN, tegen Eraftes. Wylu Gerontes dood Dus heeft verrast, myn Heer, zo dient gy van de nood Een deugd te maaken: wantdat al dat schoone goedje U zou ontgaan, dat staat’er gansch niet in. Ook moetje De wil hier voor de daad maar neemen: want, wanneer Uw Oom tot morgen maar had mogen leeven, Heer, Hyhad, by testament, gemaakt, dat, nazynsterven Geen mensch alsjy, eenduitvan hemhad kunnen erven. Des gaan we maar aan ’ t werk. ERASTES. Ik ben bevreest, Krispyn.... KRISPYN. Weg, met die vrees en volg myn raad. ERASTES. Als ’t dan moet zyn, Wel aan. ’k Weet toch niet hoe ’k me in ditgeval zal draagen, Zo ben ik, doorverdriet en wanhoop, neêrgeslagen. LIZETTE. Wel, gaat dat zo? ’k Neem ook de wil dan voor de daad, En’k moffel meê wat weg, voor myn beloofd legaat. Einde van het derde Bedryf. 44 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE VIERDE BEDRYF. EERSTE TOONEEL. ERASTES, KRISPYN. ERASTES, de brievetas van Gerontes inde hand hebbende. Helaas Krispyn, ’tis alvergeefs, wat we ook beginnen: Want Oom Gerontes komt niet weder by zyn zinnen. De medisynen doen in ’t minste geen effekt: Zo dathy ’ t leeven niet tot morgen ochtent rekt. En ik zal van zyn geld heel weinig profiteeren, Dewyl hy van zyn goed niet meer kan disponneeren. KRISPYN. Ik heb altyd ook op een klein legaat gehoopt. ERASTES. Doch, hoe myook ’tfortuin in allestegen loopt, Dees twintig duizend pond, die ’k hier in myne macht heb, En noch gelukkig van dees schipbreuk afgebracht heb, Datdroevig overschot, rukt niemand uit myn hand. ’t Zyn, als gy ziet, Krispyn, all’ renten op het land. KRISPYN, willende de brieven aanneemen. ८ Je weet dat ik altyd gedeelt heb injou plaagen, Deslaatmyookde helfte in deeze uwdroefheiddragen. ERASTES. Maar ach! Krispyn, ’tgeen gy hier in mynhanden ziet, Bedraagt het vierde deel noch van de waarde niet, Dieik, by teftament, van Oomhad kunnen erven; En’k moet nu Izabel daar by, voor altyd, derven. Het laaste smart my’t meest; wyl ik haar schoonheid meer, Als al het geld en goed van dit Heeläl, waardeer. Des zo’k die schoone schat, voor eeuwig moet begeeven, Dan mis ik al devreuchd en wellust van myn leeven. KRISPYN. k Beken, jy hebt gelyk, uw rampen zyn zeer groot, Maar E OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 45 Maar ik weet ganschgeen raaddaar voor. Ach! wreede (ven, Hadgy uw komst maar slechts een uur oftwee verschoo- Danwaarenweons verdriet enhartzeer heel te boven. dood! ERASTES. Juist op het oogenblik, helaas! dat myn geluk Geboren scheen, vind ik my midden inden druk. Nooit is u noch de moet, integenspoed bez weeken, Krispyn, en zult ge, in dit geval, nu blyven steeken, Daar al myn heil aanhangt. Bedenk eens, datmen daar Degrootste roem krygt, daar men loopt het grootst gevaar . KRISPYN. ’kHad flus noch moed dit ongeluk te repareeren; Maar ’kvind nudathet is onmogelyk te keeren. Zo’t was te doen door ’t een of ’t ander testament Aan kant te moff’len,’kvondmisschien noch raadin’tend; Doch daar der geen is een te willen fabriseeren, Daar moet de drommel en zyn moêr voor sukombeeren. TWEEDE TOONEEL. ERASTES, LIZETTE, KRISPYN. D LIZETTE. met zyn Kl Aar’s de Notaris met zyn Klerken. Wat zal ik Hem zeggen Heer. ERASTES. Helaas! op ieder oogenblik Vermeerderd myn verdriet. LIZETTE. Zal ik hem hier doen komen? ERASTES. Ga, zeg hem.... LIZETTE. Wat, myn Heer? ERASTES. Maar heeft hy ook vernomen. D 3 Dat 46 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE Dat Oom Gerontes reets heel buiten kennis is, En al op sterven legt? LIZETTE. Noch niet, naar dat ik gis. ERASTES. Krispyn! KRISPYN. Myn Heer! ERASTES. Helaas! KRISPYN. Helaas! ERASTES. 6 Bitt’replaagen! KRISPYN. Al wat u zal behaagen. ERASTES. Wat zal ik doen, Krispyn? Zal ik hem wederom vertrekken doen, Krispyn? KRISPYN. Ik zie niet dat hy u van eenig nut kan zyn. LIZETTE. Zal ik hem dan.... ERASTES. Vertoef. Myn bloed verstyft in dead’ren. Helaas! Krispyn, mydunkt, ik voel myn sterfuur nad’ren. Ik ook. RISPYN. LIZETTE. Ik meê. Voorwaar ’t zou potligzyn, dunkt my, Dat we alle drie hier zo eens sturven op een ry. KRISPYN. Wagt, wagt, daar schief me iets in... maar’t is te vreemd... en echter... (slechter Zoet, als men’t eens.... neen, dat konsept is nochvee Indienhetby geluk.... ik zie ’ t zo halfen half.... H OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 47 Ha, ha! daarheb ik ’t... neen, dat ’ s ook maar luize zalf. LIZETTE. Loop, met uw luize zalf. Die fratsen myverveelen. ERASTES.... Hebtgy wat goeds bedacht, zoo wil ’t ons mede deelen. LIZETTE. Kom, myn Krispyntje lief! bedenk toch iets het geen Ons red uit onze nood KRISPYN. Wel, laat mydan met vreên; Opdat ik, ’t geen ik denk, ter deeg kan rekolleeren Voorzeker... maar indien.... waarom niet? wie kan LIZETTE. (’tdeeren? Maar, maak een eind van al dat prevelen. Dat is Maar tyd verlooren, DeNotaris, naar ik gis, Word ongeduldig. KRISPYN. Wacht, daar schiet me een streek te binnen, Geen mensch ter waereld kwam ooit fynder te verzinnen. tegen Lizette... Gy, die altyd zoo gaauw wilt zyn van geeft, men zal, Watgy, tot onzehulp, kunt doen in ditgeval, Eens zien. LIZETTE. L.. Neem slechts een proef. Schoon ik wel wil gelooven, Datu, in sieltery, geen schepsel gaat teboven. KRISPYN. Stil, ’k word noch meer verlicht. Het wit daar ik naar doel... Ikben..... 1 Wel nu? Heel goed! LIZETTE. KRISPYN. Gezeten in een arremstoel.... LIZETTE. D4 KRIS 48 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE KRISPYN. Wilmy, in myn verrukkinge,’ niet stooren. Een witte slaapmuts op myn hoofd, die over de ooren De luiken toegedaan..... LIZETTE. ... Dat’s wel bedacht, Krispyn. KRISPYN. Myn Heer, jy zult van daag Oom’s Erfgenaam noch zyn. Lizette, breng de rok, die menigmaal voor deezen, Gerontes heeft gedient, wanneer hy ziek wou wezen, En noch wat and’re plunje. W LIZETTE. Ik vlieg; en komvoort weer. DERDE TOONEEL. ERASTES, KRISPYN. ERASTES. Atben ik uverplicht!! ’k Beloofu, op myn eer, Dat ik, zo uwe lift komt naar myn zin te slagen, Uzal bezorgentot het einde van uwdagen: Want als ik Erfgenaam, van Oom’s nalaatenschap, Gemaaktword, danraakikopd’allerhoogsten trap Vanmyngeluk; dan word de wellust van myn leeven, De aanminnige Izabel, aanmytot Bruid gegeeven. KRISPYN. Maar ondertusschen ryd een zek’re ontsteltenis My door de leden, die my heel ontruft. Gewis Indien ’ t Gerechtdit wierd gewaar, kon dees kommedy, Heel licht veranderen, vreesik, in een tragedy. Daar is geen gekken meê. ’t Wordkrimineel bepleit, Wanneermeniemands hand heeft na gekonterfeit. ERASTES. Uwvrees is buiten reên; want Oom, naar ik kan rek’nen, Heeft in een hallefjaar zyn naam niet kunnen tek’nen, Door een belemm’ring aan zyn rechter hand, Krispyn. Zo dat ge, omtrent dat punt, geheel gerust kunt zyn; En OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 49 2 En zeggen dat gy niet kunt schryven, KRISPYN. Dat ’s ter ceren, Nu zal ik ’t werkje wel, ten goeden, dirigeeren. En zo terstond een rol, in Heer Gerontes schyn, Gaan speelen, daarje zeer van zult verwonderd zyn. VIERDE TOONEEL. : - ERASTES, KRISPYN, LIZETTE, met eenigeoude kleederen van Gerontes. DAar hebjetzootje.Date de LIZETTE, de kleeren op degrontsmytende. (je (tyd. U, naar uw zin, Krispyn, bedienenvan die plunje. KRISPYN. Sa, Heer, sla mede een hand aan ’ t werk. Verzuim geen Denk datje, in dit geval, nu myn Lakey eens zyt. Allon, de nachtrok. Die mouw eerst. Gansch duizend schanden! Jelui bent, by mekeel, wel drommels hart van handen. Doe my denachtdas om. Zacht Heer, jewurgt me. Hei! Je speeld wel eens zo goed voor Heer, als voor Lakey. Dus toegetakeld zou ik wel, in allen deelen, De rol vande ingebeelde zieke kunnen speelen. LIZETTE. Jelykt Gerontes, in dees kleeren, net ofhy Het zelver was, Krispyn KRISPYN. Maar ’ k denk niet, dat ik my Stel in gevaar, om, door me in zyn habyt te steeken, Besmet te worden van Gerontes zyn gebreken. LIZETTE. Weg, met die malle vrees, en wapen u met moed. KRISPYN. Voorwaar ik voel alrede onstelt’nis in myn bloed. En, zo de vreeze niet doet eenigfins lakseeren, Zoheeftdees rok de kracht om iemand te purgeeren. Ds LI50 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE LIZETTE ’kZal u dees mantel noch omhangen, voor de kou: Myn Heer deê ’ t ook als hy de zieke speelen wou. KRISPY Ν. ’tZal zo wel gaan, dunkt my. Gaheen, laat de Notaris Maar binnen komen, wylde baan volkomen klaar is. Ik ga. LIZETTE. VYFDE TOONEEL. GEef. ERASTES, KRISPYN. ERASTES. Eef, Hemel, datdees aanslag, daar ik my, Door nood, inwikk’len laat, tot myngeluk gedy. Krispyn, gy moet u toch voor al voorzichtig draagen, Opdat wy ons, in’t eind, dees aanflag niet beklaagen. Ik hoorgerucht. KRISPYN, zichschielyk in den armstoelsmytende. Zyt maar gerust, daar’s geen gevaar Altoos; ik kan my rol van buiten op een haar. ZESDE TOONEEL. EEN NOTARIS, twee Klerken, ERASTES, LIZETTE, KRISPYN. N ERASTES, tegen de Notaris. (ontboden, Eem hier uw plaats, myn Heer. Myn Oom heeft u Omdathyuwehulp, in’t uiterst heeft van nooden. KRISPYN, Ja, Heer Notario, dat’s waar, en ’k ben verblyd Tezien, datgy noch zo gezond van lichchaam zyt. Ik wenste ook noch zo friste zyn, en vanuwjaaren; Dan hadik, voor als noch, de moeite kunnen spaaren, Omtrentmyntestament te maaken. NOTARIS. Hou slechtsmoed. Gy OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. St Gyzult, schoondat gy van uw natelaat’ ne goed Gedisponneert hebt, niet eer sterven, Heer Gerontes. Men hoorde zulks te doen wanneer men noch gezond is. ’t Ontlast het hart, myn Heer, en ’t geeft den mensch een groot Genoegen, als hy is op d’oever van de dood. Ja, die ontlasting kan zo veel verkwikking geeven, Dat zy een ziekedoet als wederom herleeven. KRISPYN. Ach! dat deHemel me ook zogunstig wezen wou. Lizette fluit de deur. NOTARIS. Myn Heer, my dunkt het zou Veel beeter voegendat wy hier alleenigwaren. LIZETTE. Ik zou myn Heer nochtans, in ’tuiterste, niet garen Verlaaten. ERASTES. Oomheeftdaar omtrent maar te gebiên. KRISPYN, tegen de Notaris. ’tMag in hun byzyn wel, ommynent wil, geschiên: Ikbenophunne trouw, gerust in allendeelen. OTARIS. Het is zeer wel, myn Heer, wy volgen uw bevèlen. Ik zal het hoofd maar by provizy schryven: want Die slenter is deurgaans toch al op eenetrant. HySchryft en leeft daar na. Voor my Notarius Publikus, Kompareerde Gerontes, wel by zyn verstand zynde, en begeerde, Uitvrye wil, tedifponneeren van zyn na Te laat’ne goederen, als volgt: eksetera. Spreekt tegen Krispyn., Zegmy nuuwe wil en uiterste begeeren. KRISPYN. Men zal voor eerst, wilik, mynschulden likwideeren, En prompt voldoen. ERAS 52 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE ERASTES. ’k Loofdat ze weinig zullen zyn. KRISPYN. Vier honderd guldenben ik noch tekwaad, aan wyn, In ’t gulden vlies, hier naast. NOTARIS. Zeer wel. Waar’s uw begeeren Datm’ u begraven zal? KRISPYN. ’tKan my nietdiffereeren. Alleenig wil ik dat ik niet word allernaast Een Advokaat, ofwel een Prokureur, geplaast; Uit vrees dat zy, gewoon op Aard steets elk te plaagen, Zich ook niet zouden, in het graf, met my verdraagen. ERASTES. ’kZal zorgen dathet al word naar Oom’s wil bestiert; Endat uw uitvaart met veel staatsy word gevierd. KRISPYN. Neen. Ik komhier mede uitdrukk’lyk te gebieden, Dat myn Begraffenis heel stemmig zal geschieden, Metweinig omflag, Neef; dewyl men schrikken zou Testerven, enkel omde kosten van den rouw. NOTARIS. Myn Heer, wie wiltgy tot uw Erfg’naam nomineeren? KRISPYN. Myn Neef Eraftes, Heer, wil ik institueeren Tot Erfgenaam van myn nalaatenschap; en ’k sluit Myn and’re vrinden, voor zo ver het noodzy, uit. Inzonderheid wil ik dat zy geëkskludeert zyn, Diebuiten beens enin onecht gefabriseert zyn. LIZETTE. Helaas! die redenen doorbooren my het hart. ERASTES. Ach! Oom, al’t geen ge my doet erven, kande smart, Die ’k voel, wanneer ik aan uw dood denk, niet verzetten. KRISOF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 53 KRISPYN. Dan legateer ik noch, twee honderd pistoletten, Aan myne meid: doch wel met dievoorwaarde, dat Zemet Erastes knecht zal trouwen, dat je ’ t vat; En anders niet. LIZETTE. Helaas! ’k Zal u niet overleeven: Want al myn leden, als ik aan uw dood denk, beeven. KRISPYN. ’k Wil, Neef, dat gy aan haar, uit myngereedstegoed, Dit klein legaatjevoort, in goude munt, voldoet. ERASTES. ,, Dien rekel is gezint om my een pots tespeelen. tegenKrispyn. 1 Ik denk, Oom, dat ge nu niet meer hebt te bevelen. KRISPYN. ’k Heb noch een woord vyf, zes, te zeggen, mon Koezyn. Ik legateer noch aan Erastes knecht, Krispyn, Voor zyn getrouwe dienst, desjaars vyfhonderd gulden. ERASTES. „ Hetgaat te hoog, en ’t is voor my niet meertedulden. tegen Krispyn. Myn Oom, gyzyt, na ’k gis, heel kwalyk onderrecht; Van dien Krispyn; het is een ongehoorzaam Knecht, Een lompen schurk, onwaard een duit om van te leeven, Dieik vaak heb gedreigt een voet in ’t gat tegeeven. KRISPYN. ’k Ben van het tegendeel verzekerd, en ik weet, Dat myn mildaadigheid, aan hem is wel besteed. En ’k meenhem, tot eenduit, die som te legateeren, In spyt van al die zich daar tegen opposeeren. ERASTES. KRISPYN. DieGuit! Hemmeer te maaken, Neef. Vindgyde somte weinig; ’t is noch tyd ERAS 54 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE ERASTES. Gansch niet. My dunkt gy zyt, Omtrent myn knecht, te mild. Hoe! zo veel’sjaars aan KRISPYN. Ja, en ik begeer dat deezen testamente Zal, buiten dat, van nul en geender waarde zyn. Maar, Oom! RASTES. KRISPYN. (rente? Stel u gerust, het is volkomen myn Begeeren; des weêrstreef my niet, maar laat u raaden, Ofdie neuswyzigheid, zou u wel kunnen schaden. LIZETTE, tegen Erastes. Myn Heer, zyt toch te vreên, eer dat je ’t u beklaagt. ,, ’t Is wel dan. ERASTES. tegen Krispyn. Oom kan doen, al’t geene hem behaagt. RISPYN. Heb ik niet iemand die ’k noch iets kan legateeren. ERASTES. ,, Ik raasvan spyt! Dien beeft! NOTARIS. Myn Heer, is uw begeeren In alles nu voldaan? KRISPYN. Volkomen: want ik weet Niet dat ik iemand heb daar ’ t meer is aan besteed. ERASTES. „ ’t Is tyd, indien ’er iets voor my zal overblyven. NOTARIS. Wanneer ge uw testament nu maar wilt onderschryven, Dan is het alles klaar. KRISPYN. Dat’s my onmoog’lyk: want ’kBen, door een zinking, zo aan myne rechterhand G’inkommodeert, dat ik, zelfs in sekreete zaaken, Niet OF DE ERFGENAAM DOOR LIST 55 J Niet zonder hulp, mynHeer, myn boksen los kan maa- NOTARIS. (ken. Myn Heer verklaart zich dus, en ter prezentsy van Dees tweegetuigen, dat hy gansch niet schryvenkan. 8Ja. RISPYN. NOTARIS. ’t Is wel, men zal het op die wys passeeren. KRISPYN. Wat is het moeij’lyk van zyn goed te disponneeren. ’t Zweet breekt’er my vanuit. Innoodig, denk ik? NOTARIS. Gyhebt my nergens meer KRISPYN. Neen. Maar ik verzoek, myn Heer, Dat gyhet testament slechts hier wilt laaten blyven. NOTARIS. Ik zal u een kopy, aanstonds daar van doen schryven: Want achtervollegens de wetten van het Land, Mag ik het orgineel niet geeven uit mynhand. KRISPYN. Ei, zend zemy dan voort, gy zult my oblisjeeren, NOTARIS. Ik zal ze u brengen in een uur, ’t zal niet mankeeren. KRISPYN. Als’t ubelieft. NOTARIS. lk blyfuw dienaar, Heer. Tot flus. KRISPYN. Ikdeuweuit al myn hart, myn Heer Notarius. ZEVENDE TOONEE L. ERASTES, KRISPYN, HEer, hadjewel KRISPYN, zich ontkleedende. gedacht, dat ik, in allen deelen, In 56KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE In tyd van nood, myn rol zo naar de kunst kon speelen? Hebik my, naar uw zin, gekomporteert, omtrent Hetmaakenvan myn Heer uw Oom zyn testament? ERASTES. Zyt gy uitzinnig? Hoe! tweehonderd pistoletten, Te legateeren aan mynOom zynmeid, Lizette? KRISPYN. My dunkt, voorwaar, dat ik het sober heb gesteld. ERASTES. Tweeduizendgulden, zeg, is dat by u geen geld? KRISPYN. Voorzeker. Maar uw Oom, heeft haar nooit in zyn leeven, Voor haare dienst, myn Heer, een kop’reduit gegeeven. Zyheeft alleen op hoop van een legaatgediend. Ookwas ze aanhem, misschien, wel eenigsins bevriend; Dewyl uw Oom, schoon hy op ’t lest wat impotent was, Invroeger tyd al vry wat familjaar gewent was Methaar te leeven. Zo datik, gelyk je licht Kuntzien, dees dienst haar in konsjensy was verplicht. ERASTES. Derente, aanuw gemaakt, is dan, by konsekwensy, Naar ik vermoede, ook een effekt van uw konsjensy. KRISPYN. Je schynt in ’t testament, waar by ik u alleen Heb Erfgenaam verklaard, maar passelyk te vreên. Doch, daar ’ s niet aan verbeurd, is ’t anders uw begeeren, Ik zal ’t op staande voet, myn Heer, mortififeeren. ERASTES. Dat zal niet noodigzyn. KRISPYN. Het is noch niet te laat, Omalles wederom te stellen in dien staat, Gelyk uw Oom het heeft gelaaten: wylik garen..... ERASTES. DeHemel, hoop ik, dat mydaar voor zal bewaaren. KRISOF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 57 KRISPYN. Maar ik gevoel, myn Heer, een innerlyke smart, En wroeging.Ach! ’t leid my, zo zwaar als loot, op ’t hart. ERASTES. Maar gaan wybinnen. ’ t Is, of’t my word ingegeeven, DatOom Gerontes reets verlaaten heeft het leeven. A ACHTSTE TOΟΝΕΕ L. ERASTES, KRISPYN, LIZETTE. LIZETTE, zich in den armstoel zettende. Ch! Hemel! Ach! watraad? ERASTES. Spreek op, zeg wat u deerd. LIZETTE, Ik kan naauw spreeken, zo ben ik verbouwereert. Ikzwym! Wat is ’t? KRISPYN. LIZETTE, Schielyk opstaande. Ach! hou me vast. KRISPYN. Wat zal dit wezen? LIZETTE. Gerontes, Ach!.... KRISPYN. Wel nu? LIZETTE. Helaas! die is verreezen! ERASTES. Is ’t moog’lyk! Hemel! Ach! is ’t waar het geen gy zeid? LIZETTE, Ik had noch naauw’lyks de Notaris uitgeleid, Of’k hoorde, naar my dacht, in zyn vertrek iets leeven. Ik trad, niet denkende of hy had den geeft gegeeven, De kamer in, alwaar hy op de rustbank zat; Waar op ik, zeer ontstelt, voort koos het hazenpad. KRISPYN. Loop, jy hebt mis gezien. E Lr 58 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE Helaas! Krispyn! LIZETTE. Gansch niet, metgeen gedachten. ERASTES. KRISPYN. Wiekondit eenigsins verwachten! LIZETTE. Dat overval zal maar een slaauwte zyn geweest. ’t Is hem wel meer gebeurd. ERASTES. Ik heb het wel gevreeft! ’t Fortuin schept, naar het schynt, zyn uiterste behaagen, In onophoud’lyk myte fling’ren en te plaagen. LIZETTE. Foei! ’t is te spytig, dat ditjuist zo heeft gewilt; Dewylhet varken op een oor na was gevild. KRISPYN. Ikgeefhet op, en meen my niet meer te eksponneeren, Wylmyn projekten toch niet willen suksedeeren. ERARTES. Fluswaart ge een held, maar als de minste tegenspoed, Uslechts bejegend, dan ontzinkt u voort den moed. Keer weder totuw zelt, Krispyn; sta niet te droomen. Ik vlei my dat het noch wel zal tenbestenkomen. ’iZal ondertufschen goed zyn dat ik Izabel, Deeze obligaatsfiën voor eerst, ter handen stel, Omhaar tebeter tot myn Huw’lyk te animeeren. Gy diende midd’lerwyl Gerontes te observeeren; Op dat hy niets beginhet geene ons schaad’lyk zy. 1kga, enkomu in een oogenblik weer by. Erastes binnen. KRISPYN. ’k Heb my wel uitgeflooft; datteftamenten maaken, Konmy gemakkelyk doenaan eengalg geraaken. LIZETTE. Hoe ofhet dan zou gaan, denk ik, met myn legaat. KRISPYN. Kom, gaan wy, om te zien hoe’t met Gerontes staat. Einde vanhet vierdeBedryf. VY OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 59 VYFDE BEDRYF. EERSTE TOONEEL. MEV. ARGANTES, IZABELLE, ERASTES. MEV: ARGANTES. N Eem my niet kwalyk, dat ik niet kan rezolveeren Aanu, in dit geval, uw bede te akkordeeren: Want zo ’k dees brievetas, bewaarde in myne macht, Dan zoude ik zekerlyk by ieder zyn verdacht, Als ofik heimelyk, ’t geen gy hebt voorgenomen, Begunstigde; en dewyl uw Oom weêr is gekomen By zyne zinnen, zo zoude ik u raaden, Heer, Datgy aan hem terstond dees rentebrieven weêr Terhanden stelde. ERASTES. Ik weet, Mevrouw, datuwe zinnen, Zich nimmer lieten, door oneerlykheid verwinnen: Maar myne meeninge is geenfins, te houden ’t geen My noch niet toebehoord; maar ik verzoek alleen, Dat gy dees brieven slechts een tyd lang wilt bewaren, Ofmy de Hemel mogt een middel openbaaren Tot troost voor myne min; wyl myn behoudenis, Van’t Huw’lyk met uw kind, alleen afhangk’lyk is. En schoon ik al iets had in dit geval misdreeven, ’k Ziemyn vergiffenis, in haar gezigt geschreeven. IZABELLE. Dewyl myn Moeder reets ons Huwelyk dus veer Heeft toegestaan, zyn wy het al te boven, Heer: Want nimmer kon het goud myn oogen zo verblinden, Dat ik alleenig daar myn heil indacht te vinden. Enal het geen gy van uw Oom (recht uitgezeid) Kunterven, heeft in ’t minst niet voor uw min gepleit: Uw deugd alleen heeft my in wedermin ontsteeken. ERASTES. Wanneer gy my bemind, kan my niets meer ontbreeken. MEV: ARGANTES. Diewoorden zyn zeer goed; maar als men is getrouwt, E 2 En 60 KRISPYN, TESTAT:EN GELEGATEERDE En geene middelen heeft tot zyn onderhoud, Waar mede zal men zyn fatsoen dan maintineeren? ERASTES. Ik twyffel niet of ik zal Oom wel disponneeren, Nu hy weêr is by zyn verstand, dat ik alleen, Door hem word Erfgenaam verklaard, van al het geen Hyzal ontruimen door de dood. MEV: ARGANTES. Maar ik zou vreezen, Datgy uw Oomdaar toe nu geensins zult beleezen; Omdatgyu, terwyl hy van zich zelven was, Stil meester hebt gemaakt van zyne brieve tas. ERASTES. In tegendeel, zal zulks al veel kontribueeren, Mevrouw, omhem in myn faveur te doen testeeren: Want om dees brieven weêr te krygen, weet ik dat Hymy zeer garen all ’ zal akkordeeren, wat Ik zal verzoeken. Maar wat ’ s dit? Zeg, welke reden, Krispyn, dat u, in zulk een haast doen herwaarts treden? TWEEDE TOONEEL. MEV: ARGANTER, IZABELLE, ERASTES, KRISPYN. KRISPYN. IK komu zeggen, datuw Oom op staande voet Zal hier zyn; zo datje op uw hoede wezen moet. ERASTES. Wydienen ons voor eerst, dunkt my, noch uit zyn oogen Tehouden; des verzoek ik dat gy wilt gedoogen, Datik u saamen breng in deand’re zaal: wyl ik Alleen voor d’eersten storm van zyne gramschap schrik. Wy kunnen ons zo lang in ’t naast vertrek begeeven, Tot dat die donk’re wolk zal zyn voorby gedreeven. tegen Krispyn. En gy zult ons terstond, wanneer het tyd zal zyn Ominte treên, daar van verwittigen, Krispyn. KRISR OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 61 KRISPYN. Uwlast, Heer, word door my in alles waargenomen. De Hemel geef dat we eens uit deezen maalstroom ko DERDE TOONEE L. (men. GERONTES, LIZETTE, KRISPYN. Minunendeop Lizette: GERONTES, leunende op Lizette. (merk; En myne harssens zyn, door deezen stoot, zo sterk Gefatigeert, dat zy geheel getroebeleert zyn. LIZETTE. Wy dachten niet datjyhet zoud geëchappeert zyn. GERONTES. Maar ofdie slaauwte my lang by gebleeven is, Lizette? LIZETTE. : Niet zeer lang. Een uur oftwee, na’k gis. Maar uwe ziekte kwam ons schrikk’lyk te allarmeeren, En deê hier alles 20 het onderst boven keeren, Dat ik ’ t niet zeggen durf, hoe’t hier is toegegaan: Krispynkan’t, als hy wil, in’t breede udoen verstaan. KRISPYN. Indien iku, myn Heer, verhaalen zou, ter deegen, Hoe’t zich, terwyljy in die slaauwte hebt gelegen, Hier toegedragen heeft; met welk een naerstigheid, En grooten yver ik hier heb gearrebeid, Om uwezaaken ingoede ord’retebeschryven, (Wyl je in die slaauwte wel zeer licht had kunnen bly- Je zoud verwonderd zyn om ’t geen’er is geschied; Maar ofhet naar uw zin zou zyn, dat weet ik niet. GERONTES. Maar, waar’s Eraftes? ik verlang naarhem. KRISPYN. (ven.) ’k Zou vreezen, Dathy, misschien, niet meer zal in het leeven weezen. Wat zegt ge! GERONTES. E3 KRIS 62 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE KRISPYN. Toen hy zag, dat uwe ziekte groot Gevaar liep, ja, dat zy vermengt scheen metde dood, Heeft hy zich, deezen slag nietkunnende verzetten, Gesmeten..... GERONTES. Indegraft? KRISPYN. ’tGeen ik niet kon beletten, Op zyne rustbank, Heer; daarhy, dewyl hy meend Datje al gesturven zyt, noch uwe dood beweent. GERONTES. Ga, zeguw Heer, dat ik ten naasten by al weder Hersteld ben, en datik, dewyl hy my zo teder Bemind, hem toonen wil, en moog ’lyk nog van daag, Krispyn, hoe zeer ik voor zyn welstand zorge draag. KRISPYN. Zeerwel, ik ga, en zal hem aanstonds herwaarts leiden, Indien hy noch niet uithet leeven is gescheiden. VIERDE TOONEEL. GERONTES, LIZETTE. (hoor, MYn ziekte is vanveel meer belang geweest, ma Als ik geweeten heb. LIZETTE. Een uur al doodgeacht. Wyhebben u wel voor GERONTES. ’tZal dan, voor alle zaaken, Hoognoodig zyn dat ik myn testament ga maaken. Isde Notaris hier geweest? LIZETTE. GERONTES. ÔJa, mynHeer. Ga heen, Lizette, en zeg hemdat hy aanstonds weêr 1 Mof OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 63 Moet komen, omvoor my, myn testament te schryven. LIZETTE. ’k Heb hem verzogt, wyl hy niet langer konde blyven, En ik noch hoopte dat gy weêr bekomen zoud, Straks weêr te komen, ’tgeen hy zeide, zonder fout, Tezullen doen. GERONTES. ’t Is wel, ’t zal dan niet noodig wezen. VYFDE TOONEEL. GERONTES, ERASTES, LIZETTE, KRISPYN. ERASTES..(zen. ACh! kan het moog’lyk zyn, myn Oom! gy zytverree- De Hemel geeft my u, die’k al heb dood geacht, Dan weder; welk een vreuchd! en dat zo onverwacht! GERONTES. Ik ben het hoekje noch, niet t’eenenaal te boven. Schoon ik den Hemel moet, voor zynegoedheid, loven, Om dat hy my noch die verpoozinge, op het punt Van mynverscheidinge, genaadiglyk vergunt, Om van myn goederen tekunnen difponneeren, En u tot Erfgenaamdaar van te institueeren. LIZETTE. Ja, Heer, het is aan hemook wonder wel besteed. Diejongmanmind u meer als jy wel zelver weet: Want zojy hadgezien hoe hy was neêrgeslagen, Wanneer het scheen datjy woud eindigen uw dagen, Jy zoud daar over zeer verwonderd zyn geweest. KRISPYN. En naast myn Heer was ik daar van wel ’tallerıneest Geraakt. ; LIZETTE. Ik heb het my ook na genoeg genomen. Maar, na my dunkt, zie ik daar de Notaris komen. KRISPYN. ,, Dat hemde pikken schend, wie droes had zulks gedacht. E 4 ZES 64 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE ZESDE TOONEEL. NOTARIS, GERONTES, ERASTES, LIZETTE, U KRISPYN. GERONTES. (wacht. lang, met smart ge- NOTARIS. W dienaar, Heer, ’k heb ual Mydunkt, datgein een uur al krachtig g’avanseert zyt, Jadat ge van uw ziekte al haast gedecharsjeert zyt. Ik heb ’ tu wel gezegd, dat gy op staande voet, Als gy zoud hebben, van uw natelaat’ne goed, Gedisponneert, zeer veel verlicht zoud zyn; wyl ’ t vast is, Dat zich het lichchaam, als de geeft van zorge ontlast is, Veel beter vind. GERONTES. Dat isde waarheid, ik beken’t. NOTARIS. Ik breng u, volgens uw verzoek, het instrument ’tGeen gy zo daadelyk voor my kwamt te passeren. GERONTES. Wat Instrument? Watzal dit zyn? NOTARIS. Zo aanstonds heb gemaakt. ’t Geenik, op uw begeeren, GERONTES. Opmynbegeeren; wat? NOTARIS. Uw Testament, myn Heer; ik kan niet denken dat Uw zulks ontgaan kan zyn. GERONTES. ’k Geloofgy zyt bezeten. Heb ik myn testament gemaakt? Ja, wel te weeten. NOTARIS. LIZETTE. „Krispyn, ’thart klopt me in’t lyf. KRISOF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 65 E KRISPYN. ,, En’ t myne beeft van schrik. GERONTES. Voorwaar gy mymert, Heer Notario: want ik Hebu ontboden, omdat ik ben van intenfy, Om zulks te doen. NOTARIS. Gansch niet Gyhebt, en in prezensy, Zo van myn Heer, als ook uw meid, van al hetgeen Gy achterlaaten zult, ’t is pas een uur geleên, Gedisponneert, myn Heer: gelyk gy hen kunt vraagen. ERASTES. ,, Wat zeg ik best? LIZETTE. ,, Hoe zal ik myhier in gedraagen? KRISPYN. ,, ’k Ben drommels in het naauw. GERONTES. Erastes was’er by? NOTARIS. Ja, toch. GERONTES. ’k Bid, Neef, zeg ons watvan de waarheid zy. ERASTES. Ach! Oom! laat onstoch van geen teftamenten spreeken: Want elk een woord daar van schynt mydoor ’ t hart te GERONTES. LIZETTE. Lizette, spreek. Niet uitten. Spreek, Krispyn. (steeken. Ach! ik kan me, over dat subjekt, KRISPYN. Geen mensch kan zo perfekt, Alsik, myn Heer, u daar van onderrechting geeven. GERONTES. Heb ik myn testament gemaakt? Es KRIS 66 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE KRISPYN. ikheb, zoeven, Hier iemand, die u wel geleek, en ook omtrent Zo was gekleed alsjy, myn Heer, zyn teftament Wel hooren maaken, en van woord tot woord dikteeren; Hoewel dat ik daarom geensins zou willen zweeren Dat jy het bent geweest; wyl missen mensch’lyk is. NOTARIS. Dat gy ’t geweest zyt, Heer, dat ’ s zeker engewis, Enkan in ’t allerminst geen tegenspraak verdraagen. GERONTES. Myn ziekte was my dan geheel naar ’t hoofd geslagen; Wyl ik in ’ t minste geen geheugen heb van al Dathier is omgegaan. KRISPYN. ’k Loofdat ik ’tu wel zal Tebinnen brengen. ’t Isu, denk ik, niet vergeeten, Dat jy zo even dees Notaris hebt doen weeten, Dathy terstondby u moest komen? GERONTES. Ganschlyk niet. KRISPYN. Dan moetje ook weeten van uw testament. Myniets van in. GERONTES. KRISPYN. Daar schiet Dan zyt ge toen heel vanuw zinnen Beroofd geweest. Maar komtu dan ook niet te binnen, Dat hier, zo daad’lyk, is uw Neefvan Kaan geweest, Als mede uwNicht van Maine? En dat zy hier den beest Braafspeelden? Ja. GERONTES. KRISPYN. Endatje, om zulks te revensjeeren, Lizette en my, in plaats van hen woud legateeren? GE OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 67 GERONTES. ’kHeb daar in ’t minste geen geheugen van, Krispyn. LIZETTE. Voor al behoorde udat gansch niet ontgaan tezyn. KRISPYN. Het is uw slaauwte’s schuld, mynHeer;dat’s wis en zeker. Zou ’ t wel zo zyn? GERONTES. LIZETTE. Dan weet je ook niet, dat uw Apteker.... ERASTES. Maar, waar toediend toch al dat vraagen?Want gy hoord, Dat Oom, schoon hy niet weet, dat hy een enkel woord Heeft van zyn testament gezeid aan deNotaris, Zeer wel gelooven wil, dat zulleks nochtans waar is; Omdathethem in zyn memory heeft geschort. GERONTES. Het diend wel waar tezyn, wyl ’tvan u alle word Zo zeer bevestigd, met zo veel omstandigheden, Datikmy, daar omtrent, moet laaten overreden. Maar ’k bid u dat ge myden inhouddoet verstaan. KRISPYN. Wat is my ’t hart bekneld. Nukomt het’er op aan. NOTARIS. Als ’tu belieft. (Leest) Voormy Notaris kompareerde, MynHeerGerontes, welby kennis, enbegeerde, Uit overdenking dat hier niets bestendig is, Maar alwat leefd, ’t zy vroeg of laat, de doodgewis Moet ondergaan.... KRISPYN. Helaas! een steene hart zou breeken! LIZETTE. Ik kanvan droefheid en ontsteltenis niet spreeken. GERONTES. Nu steurt ons niet; maar zyt tevreden: wantdenood Komt 68 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE 1 Komt noch niet aan den man. ’kBen immers noch niet NOTARIS, leeft. (dood. En om die redenen, (regik) was zyn begeeren, Uit eigen vrye wil, by tyds te difponneeren, Van’tgeenby, door de dood, ontruimen zal.... RISPYN. Ach! door Dedood ontruimen! LIZETTE. Door de dood! NOTARIS. Geeft toch gehoor, Ofandersins kan ik het teftament niet leezen. Gelykerwys by dan verklaard te doen by deezen. GERONTES. (Leeft) ’k Verklaar dat mygeen woord hier van te vooren staat. KRISPYN. ’t Komt van uw slaauwte, Heer; dat’s zeker, in der daad. NOTARIS, leest. Men zal voor eerst, wilik, mynschulden likwideeren, Enprompt voldoen. GERONTES. Ik heb’er geen, dat wil ik zweeren. NOTARIS, leeft. Vier honderdgulden ben ik noch te kwaad, aan wyn, In’tgulden vlies, hier naaft. GERONTES. Het kan niet moog’lyk zyn, Datik die zotterny aan u kwam te dikteeren. NOTARIS, leest. En verder wil ik Neef Eraftes nomineeren, Tot Erfgenaam van myn nalaatenschap, en’k sluit Myn and’re vrinden, voor zover het noodzy, uit. Inzonderheidwil ik dat zy geëkskludeert zyn, Diebuiten beens en in onecht gefabrifeert zyn. GERONTES. Hoe! buiten beens en in onëcht! is ’ theel van ’t mal, Ofbenjedol! maar ’k zweer dat ik my wreeken zal, Van deezen hoon. : KRISR OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 69 C KRISPYN. Gymoet u daarom niet ontzetten: ’tDoet niets ter zaak. NOTARIS, leeft. Ikmaak, tweehonderdpistoletten Aan myne meid; doch wel met die voorwaarde, dat Zemet Erastes knecht zal trouwen. Komtmy al over! LIZETTE. Hemel! wat GERONTES. Hoe! wat zal mynoch gebeuren? Dat testament is vals, des kunt gy ’t maar verscheuren. LIZETTE. Hebt geen berouw van zulk een heilzaam werk, jy weet Dat ik myn beste tyd heb in uwdienst besteed; En ik heb niet daar ik kan, naar uw dood, van leeven. GERONTES. Als ’ t honderd gulden was, dat zou ik noch wel geeven, NOTARIS, leeft. Ik legateer noch aan..... KRISPYN, Nu loofik dat het myn Persoon zal gelden. NOTARIS, leeft. Aan Erastes knecht, Krispyn. GERONTES. Hoe! aan Eraftes knecht! Ik kan ’t niet langer dulden. NOTARIS, leest. Voor zyn getrouwe dienst, desjaars vyfhonderdgulden. KRISPY Ν. Ik dank u duizendmaal. Voorwaar ’k had niet verwacht, Dat ik zo rykelyk van u zou zyn bedacht. GERONTES, tegen de Notaris. Maar op wiens last hebt gydit testament geschreeven? Ik wil dat gy my daar van rekenschap zult geeven. : Het 70 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE Het is een guit die udat schelmstuk heeft geraân. NOTARIS. Ik heb het alles op uw ordere gedaan. GERONTES. Dat’s valsgelogen. Hoe! ik moest volkomen buiten Myn zinnen zyn, als ik aan zulk een guit derguiten, Zou maaken zo veel rente. Als NeefEraftes had Myn zingedaan, zou hyhem lang een voet in ’tgat Gegeevenhebben. KRISPYN. Ei, laat dit zo eens passeeren; Waarkunje ’tgeld toch naar uw dood toe emploijeeren? GERONTES, in zyne zakken voelende. Wat ofdit wezen mag? Voorwaar my dunkt ik mis Mynbrievetas; waar ofdie toch gebleeven is? Ik ben’er van ontstelt! ERASTES. Hoe! Oom, is’t u vergeeten, Dat gy, zo daadelyk, my zelven hebt geheeten, Dat ik die brengen zou aan ’t buis van Izabel? GERONTES. Heb ik u dat belast, zeg, Neefje, weetje’t wel? ERASTES. Ja, voorzeker, Oom. GERONTES. ’tGaatmyn verstand te boven. KRISPYN. ’tKomtvan uw slaauwte. GERONTES. Al weer myn slaauwte; ik zou gelooven Dathier wat hapert: wantde wagen gaat niet recht. ’k Wil, Neef, datgy terstond, aan Izabelle zegt, Datzy debrievetas, die’khaar, door u, zo even Heb toegezonden, zal gelieven weêr tegeeven: Dewyl ik toen niet wel by myne zinnen was. ZE OF DE ERFGENAAM DOOR LIST. 71 ZEVENDE en laatste TOONEEL. GERONTES, MEV: ARGANTES, IZABELLE, ERASTES, LIZETTE, KRISPYN, NOTARIS. M IZABELLE. Aak u niet ongerust, hier is uw brievetas; Enin dien zelven staat, als ik ze heb gekreegen. ERASTES. Ik bidu, Oom, laat ik u nudaartoe beweegen, Dat gy het teftainent laat blyven in dien staat, Als ’t reets is gepasseert. GERONTES. Neef, gyzyt, in derdaad, Niet wel bedacht. Hoe! zulkeen som te legateeren, Aan myne meid en aan uw knecht, het lykt wel scheeren.. LIZETTE. Laat u vermurwen, Heer; ik heb het wel vandoen: De Hemel, hoop ik, zal’t u dubbel weêr vergoên. KRISPYN. Ik zal ’t u danken tot het einde van uw leeven. GERONTES. Als ik het wel bedenk, ’k hoef’er niet van te geeven, Zo langik leef. ERASTES. Ach, Oom! ’kbid datgy ’t testament Volkomen approbeert, en dat gemy, omtrent Myn liefde, ook gunstig zyt, met eind’lyk te gedoogen, Dat ik met Izabel mag trouwen. ’t Grootvermoogen Van haar gezigt is u bekend. Ik zoude, indien • Ik niet en wist, dat gy van haar had afgezien, Myn liefde, in geenendeele, u durven openbaaren. MEV: ARGANTES. Vindgyhet goed, ’k sta toe dat zy te saamenpaaren. ERONTES. ’kGeef, daaromtrent, myn woord geensins, voor en al eer, Datik myn brievetas weêrom heb. IZABELLE, de brievetas aan Gerontes overgeevende. Daar, mynHeer GE 72 KRISPYN, TESTAT: EN GELEGATEERDE. GERONTES. Daar is niet uit, denk ik? IZABELLE. ÔNeen. GER ONTES. Wel zo dat waar is, Dan deklaareerik, in prezentsy der Notaris, Dat ik het testament, in alles approbeer, En ook dit Huwelyk volkomen konsenteer. ERASTES. Ach! Oom, hoezalik u myn dankbaarheid bewyzen! Dewyl ge myn geluk ten hoogsten top doet ryzen. Gymaakt meuw Erfgenaam! engeeft uw stem met een, Dat ik met Izabel, in’t Huwelyk mag treên! GERONTES. Ik wensch u kind’ren in den Echt, die, naar uw sterven, In nedergaande lyn, uw goed’ren kunnen erven; Dan is ’t niet noodig omdaar van, by testament, Te disponneeren. KRISPYN. ,, Ach! die last is my bekend. GERONTES. Engy word niet ontrust van Nichten ofvan Neeven, Dieu, gelyk my is gebeurd, vizite geeven, En tormenteeren om te hebben een legaat. KRISPYN. Dewylhier alles nu recht op zyn pooten staat, Lizette, zo laat ons nu ook van onze zaaken, En van dit Blyspel meê, maarvoort een einde maaken. Daar is myn hand, ik neem utotmyn Huisvrouw an. LIZETTE. Fiat. Daar is de myne, ik neem u tot myn Man. KRISPYN. Ik dank denHemel, dat dees webbe is afgeweeven. ’kHeb een gevaarelyk, doch heilzaam werk bedreeven. Ik heb tot Erfgenaam, myn Heer genomineert, Enmy een goederente, en Bruid, gelegateert. Einde van het vyfde en laatste Bedryf.