C. Kastricum: De schadelyke soon, of de Joodse lichtmis. 1732 (eerste druk 1725).
Uitgegeven door Marti Roos.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton054625Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[
fol. π1r]

DE SCHADELYKE SOON

OF DE JOODSE

LICHTMIS.

BLYSPEL.

Het Blyspel eindigt met een Gezang.

Door C. KASTRICUM.

[Vignet: fleuron]

t’ AMSTERDAM,

Gedrukt voor den Autheur.
En syn te bekomen
By PIETER ALDEWEERELDT,
Boekverkoper in de Wolvestraat, op de Hoek
van de Keizers-Gragt 1732.



[fol. π1v: blanco]
[fol. π2r]

INHOUDT

VAN HET

BLYSPEL.

EEn vermaarde Jood woonagtig eertyds, so men verdigt, in de stad Amsterdam, had door de dood syn eerste vrouw verlooren, by wien dat hy ses Soonen had geprocureert, over welke kinderen hy tot stiefmoeder, na de Joodse wet, in Egt nam de suster van de overledene vrouw, welk oorsaak was dat hy eigen moeders goed moest uytkeeren aan twee Swagers van hem, die als voogden over dese onmondige waaren gesteld; een van dese Soons oud geworden synde seventien of agtien jaaren, spatte uyt tot allerley hoerery, dievery en straatschendery, sodanig dat hy weken, ja maanden buyten syns vaders huys was, sonder te weten waar hem te vinden, in ’t kort het was een volkoomen Ligt- [fol. π2v] mis, ja selfs had hy een naayster in syn ouders huys, die men seide getroud te syn, en haar man op Zee was, tot syn geyl gebruyk gekregen, dat door de meyt ontdekt wierd, middelerwyl nam hy alles weg wat hy, so van Vader, stiefmoeder, Broers en meyd konde rooven, dat hy by hoeren en pluggen bragt en aldaar verkonkelde; send dikwils pluggen en hoeren Waarden met reekeningen en assignatien om geld, by syn vader, die sulks dan met dwang de vader af persten, hy selfs eens om geld vragende, slaat by weigering van dien, syn vader en stiefmoeder, waar op syn twee oudste broers toeschietende, geeft de eene een sneedje in syn wang, en vlied weg, waar op de vader syn voogden by een doet komen, om haar al syn quaad bedryf te relateren, en wat te sullen doen; resolveren sy hem na Suriname te senden na dat sy hem bevooren hadden geraden tot het houwelyk, daar hy niet na wilde luysteren, waar op sy een schip bespreken, en syn uytrusting klaar maken, word hy middelerwyl van de Wagt in de kortegaard gebragt, daar hy uyt word gelost, en t’huys word gebragt en wel bewaard; houden een afschytmaal met malkander, en dit gedaan synde, word na Texel op een Surinaams schip geboeyt gebragt, met strenge order, hem, aan land, niet te sullen la- [fol. π3r] ten gaan voor dat hy in Surinaame komt te arriveeren en aldaar komende, met brieven voorsien synde, om hem tot loon daar tien of meer jaaren te houden.



[fol. π3v]

PERSONAGIEN.

Claudius Jorisz. Vader van de Ligtmis.
Blauw Marie Bibels. Stiefmoeder van de Ligtmis, en Suster van Claudius eerste vrouw.
Joris Jorisze, de Ligtmis, en Soon van Claudius.
Neeltje Rondtom Moy, Dienstmaagd.
Kaatje Vuilneus, Naaister van Claudius.
Hans Jorisz.
Coert Jorisz.
Machayer Jorisz.
Sampje Jorisz.
Judas Jorisz.
}
}
Soons van Claudius en Broeders
van Joris de Ligtmis.
Symen Beursesnyder,
Jochem Schram,
Kees de Plug,
Koen de Ronselaar,
}
}
Hoere-waarden.
Albert Slok-op,
Goosse Hangbast,
} Voogden over eigen moeders goed
van de Soons van Claudius.
Heyn de Lapper,
Klaas de Snyder,
} Ratelwagts.
Jan Jansz.
Harmen Klaasz.
} Dienders.
Nog een Kruyer Sjouwer en Sleper.
Continue
[
p. 1]

DE

JOODSE LICHTMIS.
_____________________________

EERSTE BEDRYF.

EERSTE TONEEL.

Claudius, Maribiebels, Neeltje en Kaatje.

Marib. BY myn leven, Neel, gy sult door u werk niet komen,
    En ’t is morgen Sabba; hoe speelt gy zo de lomen?
    De Kind’ren haar goed legt hier nog over de vloer;
    Waar lykt dat na, seg, ’k wou de kramp in je gat voer:
    (5) Gy staat te schuren of u leden stukkent waren.
    Waar zyt gy van nagt geweest? hoe hangen dus de haren
    So los by u hooft; hebt gy uit krollen geweest?
    Ik loof waaragtig ja, ’t is wel jou luye beest,
    Gy sultme van daag het tin en koper glat schuren,
    (10) En de vloer schrobben, of ’k sal een and’re Meid huren.
    Wel wat bruit me dat swyn, het Sabba-eeten staat
    Nog ongereed, het stuk vlees is niet in de braad-
    Pan, swyn, wel dat’s mooi, ’t gaat hoe langer hoe slimmer,
    Als ik wat seg, gy doet u zin, of ook wel nimmer;
    (15) Neen, dat staat my niet aan, Neel, dat moet anders gaan,
    Of gy moogt het werk wel in ’t geheel laten staan:
    Daar is Kaatje ook, die kissebilt en die drentelt
    Den ganschen dag, en verrigt niet, als dat zy wentelt
    Haar naaiwerk wat om, als sy my ziet, wel wat is dat;
    (20) Naait gy nog niet, of heb je de kriewel in ’t gat?
    Wanneer sullen die kind’re luiers gedaan komen?
    ’t Is al zes dagen dat gy die hebt aangenomen,
    En nog syn daar geen drie gedaan, wel dat is fraai!
    ’k Loof dat gy meer houd van wat anders genaai;
    (25) So u dat schort, hoeft gy hier niet langer te wesen,
[p. 2]
    Want sulk naye hou ik nog so wel aan als voor dezen.
    Claudius kan by myn wel vinden daar gy op loert,
    Terwyl hy my heeft gehad, heeft hy niet gehoert,
    Daarom doed u werk maar, en maak daar geen staat op.
    (30) Hou daar, en leg eens ras in dese kous een stop,
    Myn man sal so komen, hy moet ze voort aantrekken.
Kaat. Ik denk waarlyk dat u praatjes syn om te gekken,
    Of anders sou ’t by get hommeles syn, Juffrouw.
Neel. Ja wis, denk maar vry, dat ik dat ook so vertrouw,
    (35) Of anders sou daar een and’re pot te vuur komen.
Marib. Kyve, moet van u so hoog niet werden opgenomen,
    Ik meen ’t so niet als ik het wel seg, weest maar stil.
    Daar komt Claudius, ik moet sien wat hy hebben wil;
    En doed gy maar u werk, ik moet hem te gemoet treden,
Claud. (40) Hoe had gy met Kaatje en Neel, daar so veel reden?
Marib. Het was over het huiswerk, dat gaat u niet aan.
Claud. Op Joris syn lichtmisse, laat ik myn gedagten gaan,
    En ’t is wel een beklaaglyk werk van onse Joris,
    Dat hy so de Lichtmus speeld, en daar geen raad voor is;
    (45) Het is nu weer zes dagen, dat hy heeft gezwierd,
    En met hoeren en pluggen heeft gekwinkelierd,
    Indien dit so voort gaat sal de galg syn graft worden;
    Want het kon ligt gebeuren, dat hy iemant porden
    Met de degen in ’t lyf, dat de ziel ’t gat uytvloog:
    (50) Wat raad dan, al was ’t een dief, de straf is even hoog:
    ’t Is anders niet als hoeren, daar hy mee gaat verkeren,
    Ook pluggen en dobbelaars, die stadig exerseren
    Het steken, snyden, en meer diergelyke kwaad,
    ’t Is ook al ’t bedryf daar hy daaglyks me? omgaat.
    (55) Wat heb ik al menig som geteld voor syn boeten,
    Op dat hy met beterschap dees smerten weer versoeten,
    Het sou my niet leet syn dat ik dat had betaald,
    Maar ’t is droevig dat hy hier door nog erger dwaald:
    ’t Is weer twaalf uuren, hy sal nu niet t’huis komen,
    (60) En moglyk is ’t geld op, en sal voor de Wagt schromen.
    ’t Is van de week gebeurd dat iemant van hem om geld kwam,
[p. 3]
    ’t Was een plug, hy had in syn bek een grote schram,
    Doe hy laatst uit ging, dwong hy van my vyftig gulden,
    Beloofde veel goeds, en sou betalen syn schulden,
    (65) Ik had goe moed, maar laas, hy gaat den ouden gang,
    En slagt Koekoek en Ezels, treed en singd d’oude sang:
    ’k Weet langer niet hoe dat ik ’t nog met hem sal maken,
    Want ik ben bang dat hy in Schouts handen sal raken:
    Wat droefheid en smert kwam onse familie dan aan?
    (70) Ja onse hele Natie, sou daar door, beschaamt staan.
    Seg my eens, Marie Biebels, myn lieve huisvrouwtje,
    Hoe sal ik het maken, wil ik hem in ’t kouwtje
    Bestellen in de kost, by de Weet’ringer Poort,
    Of wil men hem van land sturen, aan scheeps boord?
Marib. (75) ’t Is waar, Claudius, wy hebbe van hem veel smarte
    Want ik hoor en sie dagelyks van hem snode parten.
    Laatst kwam iemand by my en vraagde na myn tas,
    En sei my dat die in ’t hoerhuis verkonkelt was.
    ’k Stont te kyken, want had daar van geen gedagten;
    (80) Maar doe ik beteuteld was, deed ons Meid haar klagten,
    Dat hy haar tas had leeg gemaakt van al haar geld,
    ’t Welk twintig gulden was, so als sy had geteld.
    U and’re Soons klagen dat hy ’s nagts luist haar sakken,
    Als hy t’huys is, met meer ander goed, weg gaat pakken;
    (85) ’k Heb ook verscheide silvere lepels gemist,
    Ook soutvaten en peperdoos, en voort gegist
    Dat Joris ons dat heeft besteken, ’t moet ook wesen,
    Want voor Meid, of u and’re Soons, heb ik geen vresen,
    Ik sou geloven dat u kas, syn tresoor is,
    (90) En dat hy wel de naam schryft, van Claudius Joris,
    Daar hy Wissel op trekt, en quitantie van maakt,
    Dat u haast een scheur sal geven, dat het kraakt,
    En so men dat sonder erg, so maar heen laat lopen,
    Is ’er in ’t minst voor hem geen beterschap te hopen;
    (95) Maar het kwaad, kwader worden, gelyk het nu al doed,
    So groot, dat het uit ’t vlees sal dringen in merg en bloed.
    Dog om u te raden, wat te doen, gy syt hoeder,
    Wil ik niet doen, vermits ik maar ben stiefmoeder,
[p. 4]
    En die, so de kind’ren seggen, hebben altyd schuld;
    (100) Maar ik sal naau letten, wapent gy u met geduld,
    En laat hem nog wat syn loop, hy is nog wel te houwen,
    Men sal sien of men hem niet kan krygen tot trouwen,
    En dan sal die Koe syn styve hooren weerstaan,
    En ook syn scherpe sporen in ’t kort wel stomp slaan,
    (105) Doe ik met u trouwde waren u hanensporen
    Nog so scharp en styf als de bul syn horen,
    Gy had ook Katten om te krollen by dag en nagt,
    Maar ik heb u so gemelkt dat g’u van ’t snoepen wagt;
    Gy waard ook een haantje, vriend, en bedreef veel kuren,
    (110) Gy wist naaiwerk te vinden, al was ’t by u buren,
    Maar na u tweede trouw, zyt gy veel bedaard;
    ’t Is dan niet wonder dat hy na syn vader aard,
    Maar ik hoop hy sal hem ook met trouwen beet’ren.
Claud. Het trouwen sal ik eens voorstellen aan syn Peet’ren,
    (115) En ik oordeel dat ook een goed middel te syn.
    Maar Marie, hoe bent gy so gebeten op myn?
    Heb ik wat ligt geweest, moet gy my dat verwyten,
    Ik hield nimmer van steelen, vegten nog smyten.
    Maar dat over, als hy t’huis komt set u dan schrap,
    (120) Om nevens my, hem dan te heekelen; van dat stap
    Dan over, met hem een soet Meisje voor te dragen,
    lk sal het ook toestaan, en neemen daar in veel behagen;
    Noemt hem de een of d’ander die wat goelyk is,
    Belooft hem veel geld by haar, al is het daar na mis,
    (125) So hy gehoor geeft, men sal hem wel een beschikken.
Mari. daar is raad toe, al sou men een sloer fraai opschikken;
    Ik sal ’t hem voorstellen, maar versoek eerst konsent
    Aan syn Voogden, want de een is een rare Vent,
    So sy ’t dan toestaan, sal ik de saak bevlyten.
[p. 5]
    TWEEDE TONEEL.
Claudius, Slokop en Hangebast.
Claud. (130) DAt’s gevallig, daar komen sy om voor hem te plyten
    Goedendag, heeren Slokop, en Hangebast, welkom;
    Jooris is weg, ik sal hem soeken met de trom,
    ’k Weet geen raad met hem, hy maakt ’t hoe langer hoe bonter,
    Want laast sprak hy om geld, ik gaf niet, doe ontstondter
    (135) Een groot allarm, hy wou my te lyf, wat dunkt u?
    Hy is ses dagen weg geweest, en nu is hy schuw,
    Syn geld is op, en ’t goed in ’t hoerhuis gebleven;
    Waar hy is weet ik niet, maar hy heeft om geld geschreve
    Door een plug, die hy met assignatie sent
    (140) Met vreesselyke Woorden, en menig dreigement,
    ’k Was bly, dat de vent het geld had, en ging marseeren
    Want had ik ’t geweigert, ’k had moeten schermutseren
    Niet alleenig dat, als hy is t’huis, neemt hy veel weg,
    Dat in ’t hoerhuis blyft, ja slimmer als ik seg,
    (145) Het blyft ’er al te pant, ’k begin voor meer quaat te dugten
    Want sulk saat brengt voort, veelvoudige quade vrugten,
    Nu heb ik voor, hem te bewegen, tot het houwelyk
    Om door dat middel, hem onder ’t Vrouwsberyk
    En moogelyk gehoorsaamheit, so ik hoop, te brengen;
    (150) So gy ’t nevens my goed vint, en wilde gehengen,
    Waar op een resoluit antwoord van u verwagt
    Nadat gy ’t hebt overwoogen en gegeven agt,
    So geef my dan u sentiment te kennen, heeren.
Slokop, en Hangebast, beyde.
    Wy hebben lang verstaan, syn quade comporteeren
    (155) ’s* Is ook de reden, dat wy hier nu syn vervoegt,
    Wy syn met u konsept, in alles vergenoegt,
    En hopen dat hy sal u voorstel, accepteeren,
    Want wy, wat ons aangaat, souden het proponeeren
[p. 6]
    In ’t minst niet tegenstaan, vermids hy nodig heeft
    (160) Een die syn wulpse geest, al syne lusten geeft,
    Daarom wy laten u de saak, in alles bevolen.
Voogden uyt.
    DERDE TONEEL.
Marie biebels, Claudius, Neeltje, Joris.
Mari. IK hadt gedagt, dat onder haarlien angels schoolen
    Want Hangebast, is de beste broer niet, nog u vrind,
    Maar Slokop is goed, want hy hem van ’t ja-woord bediend
    (165) Dog nu wy Consent hebben sal men ’t hem voordragen
    Nadat men hem, eerst bestraft, en drygt met stokslagen;
    Maar sagt wat, ik hoor daar gedruys, moogelyk komt hy
    Met hoeren en pluggen, die hem doen uyt geley.
Neelt. Og myn heer, daar word geklopt, en ik hoor veel rumoeren
    (170) ’t Sal Joris syn, vergeselt, met pluggen en hoeren,
    Sal ik hem open doen, of eerst roepen de wagt?
Claud. Doet maar open, dog slaat wel en voorsigtig agt,
    Dat niemant dan Joris, komt in huys binnen treden
    De deur wort open gedaan.
    Marie en Claudius aan een zy.
Joris Wel Neel, waar is myn oude, is hy wel te vreden?
    (175) Of ryd hem de bolworm in de kop, slaapt hy al?
Neelt. U vader en moeder, syn van droefheyt meest mal,
    Maar syn binnen, daar komt vader om u te groeten.
Joris Na ik merk, sal hy my met een stuk hout ontmoete;
    Dat staat my van avond egter heel weynig aan.
Claud. (180) Wel schobbejak hoe durft gy sulken fout bestaan?
    Segh, vagebond, hoeredop, schantvlek van u vader,
    En een dief van u broers, komt hier en treed maar nader;
    Jou eervergeete schelm, waar syt gy weer geweest?
Joris Wat scheeld u pay, ryt u de duyvel, of syn geest,
    (185) Hoe is u kop so kroes, wat legt gy te vagebonden,
[p. 7]
    Te schelmen, te schobberden, ’t salder duivels honden,
    So gy u snater niet snoert, ik seg u houd den bek,
    Waar ik geweest ben, raakt u niet, hoor, oude gek
    Ik gaan waar ’k wil, en kom als ’t my lust na vermoogen
    (190) En wil u, nog niemant, daarom sien na de oogen
    Als myn geld op is, sal u beurs, de myne syn,
    Want dat ik verteer is wis alles van het myn,
    Snoert u snater, maar legt ’t hooft daar geen wagens ryden.
Claudius aan een zy.
Marib. Gy hebt gelyk Soon, wilt hem van avond wat myden,
    (195) Syn hoofd staat niet wel, leg u ook in de rust,
    Morgen sal syn furie, door de slaap zyn geblust,
    En hy sal beter te spreeken syn als op heden,
    Ik sal hem ook, te bed synde, wel stellen te vreeden
    En spreekt malkander morgen, met goed fatsoen,
    (200) ’k Sal met een goed woord, tussen byde myn best doen,
    Gaat maar slaapen, ik wens u goede rust Joris.
Joris Nagt Bes, denk maar, dat u melk by my al goor is.
    Want gy syt een drommel in een Lamsvel genait
    Wiens tong, na goed en kwaad, als een haan op de kerk draaid
    (205) Gy sult my door u soeten woorden ook niet bekooren.
Joris na syn kamer,
Claud. Gy syt ook syn vrindin niet, so als ik kan hooren!
Mari. Malle praat hy is beschonken, de drank die spreekt
    En ’t sal morgen anders syn, als hy is uitgeweekt,
    En dan is het regt de tyd, dat wy hem eens voornemen.
Claud. (210) Dat’s wel goed, maar weest vigelant, en wilt niet teemen.
Mari. Vreest daar niet voor, ik brui het daar immers maar uyt
    Maar Claudius, ’t is tyd dat men de reden sluyt,
    U andre Soons sullen hier so datelyk wesen
    Dan kan men niet spreeken, sonder voor haar te vresen;
    (215) Laat ons gaan slapen, man, en ruste, eerst een uyt,
    Dan sal ’t, regt tyd syn, om te spreeken van een bruyt
[p. 8]
    Voor hem, en ons verstant sal dan syn hoog geresen.
Claud. Goet wyfje, maar moet ’er nog geen dekkertje wesen?
Mari. Ja liefje, als gy kunt, ik ben altyd gereed.
Marie en Claudius na haar kamer.



VIERDE TONEEL.

Hans Jorisz., Coert Jorisz, Machayer, Sampie en Judas Jorisz en Neeltje, Voogden en Voogdens Meyd.

Hans (220) JA wat sal ik seggen, ’t is my ook van herten leet,
    Maar leet of niet, ’k sal evenwel sien voor te koomen
    Dat door hem van moeders goed, niet word op genoomen
    Want ik weet, dat hy daar, dagelyks is op uit,
    En krygt hy ’t beet, het raakt weg tot de laatste duit,
    (225) Want na ik merk, sou hy weinig werk, daar af maken
    Om ’t onse ook te nemen, maar ’t sal drommels kraken
    Eer ’t daar toe komt; wil pay schieten, dat moet ik sien
    So lang ons Voogde selfs, aan hem dat niet verbien,
    Maar tot nog toe, wilt geen van haarlien dat beginnen,
    (230) En Vader schynd dat kind heel teder te beminnen,
    Want na ik merk al doet hy quaad, ’t is ’t liefste kind
    Daar me geen leet aansiet, maar houd hem siende blind
    En al komt daar een hoerewaart, met een obligatie
    Of een plug van Joris, met een assignatie
    (235) Het wort betaalt als een geaccepteerde brief;
    Wat dunkt u Coert, bent gy u vader wel so lief,
    ’t Souw duivels op syn best syn, als een van ons alle
    By ongeluk, slegts in Schouts handen quam te valle.
    Dat hy voor ons sou ’t geld schieten, maar voor Joris,
    (240) Heeft hy ’t so dik betaalt, dat het buyten spoor is,
    ’k Loof niet dat hy my, het oorlogie sou betalen
    Dat Joris laast des nagts uyt myn sak quam halen
    En na ’t hoerhuys bragt, alwaar ik het heb gelost,
[p. 9]
    Daar na heeft hy my nog geluist, van dertig gulden,
    (245) En meer parten gespeeld, wie drommel, sou dat dulden;
    Ik wet, broers ook wel wat hebt uyt de sak gemist,
    En so ’k my op die tyd, of nu niet heb vergist,
    Heeft onse arme Meid, ook wel tol moeten geven.
Koert, Ja Hans Jorisz, dat ik het al had opgeschreven,
    (250) Het sou vry wat syn, daar hy my van heeft gekraakt,
    Maar ’k heb daar nog geen praat, tegens iemant van gemaakt,
    Dog terwyl ’t nu so hoog loopt, en ook heb occasie,
    So weet, dat ik gist’re voor makelaars cortasie,
    Aan goud kreeg de waarde van honderd ducatons,
    (255) Maar de and’re dag was myn moeite geweest om sons,
    Joris had sig meester gemaakt van dat brokje,
    Nevens de snuyfdoos uyt de tas van myn rokje,
    Als ook myn Schoengespen, met nog een goude ring,
    En van tien kronen, en blanko getekende Reekening,
    (260) So dat ik op een tyd, vier hondert gulden miste,
    En dat ’k het al noemde, ’k meen ik my niet vergiste,
    Dat ik sprak van duysent gulden, so nu en dan,
    Maar wat raad, ons Vader, siet hem daat voor niet an,
    Dog dat is wel vast, hy sal, van ’s moeders goed blyven,
    (265) Of heintje maat, sal met hem spelen, als hy met de schyven,
    ’K verseker u, dat ik by onse Voogde sal gaan,
    En leggen ’t haar voor, want dat kan niet bestaan,
    Want, als hy van ons niet kan krygen, moet Pay schieten,
    Dat is maar al den dag, wie sou dat, niet verdrieten,
    (270) Onse, Machayer, so ik merk, is ook geld quyt
    Maar heeft tegens my, of imant, daar van gesyt;
    Dog, het is wel aan syn viesionomie, klaar te leesen,
    Dat het so is, en ook niet weinig moeten weesen;
    Niet waar broer, seg het ons maar, dan weten wy ’t al.
Mach. (275) Ik had laast met Joris een heel wonder geval,
    Doen ik op een tyd, uyt het school quam, moet gy weten,
    Ontmoete my, myn Ooms, en myn twe nieuwe Peeten,
[p. 10]
    Sy gaven, elk, een ducaton, in myn spaarpot,
    Ik was daar so bly mee, als de kat met de rot,
    (280) Ik liep na huys toe, so hard, als ik maar konde lopen
    En doen ik klopte, deed Joris broer, my juist open,
    Ik liet hem de buyt sien, so vol blyschap was ik,
    Maar Joris boven al, was wonder in syn schik;
    Hy sprak, Machayertje, wilt gy met my gaan kuyren?
    (285) ’K sei ja, broer als’t u blieft, en ging myn hoed af schuy’re,
    Maar na dat ik niet ver gegaan had of gestaan,
    So sprak hy, broer wilt gy, niet eensjes drinken gaan?
    ’K had dorst en sey ja, met treet hy in een huys binnen,
    Welk op de Zeedyk stond, so my legt in de sinnen,
    (290) ’T was voort, welkom Jorisje, welkom hontje lief,
    Wat isser van u dienst, wat wilt gy tot gerief
    ’T was voort, geef eens drinken, myn broer die is wat dorstig;
    Daar op, sprak een Juffrouw, wel hoe zyt gy so norsig,
    Seg bekje, en sprong hem, daatelyk op syn schoot,
    (295) En kuste synen mond, hy streek haar borste bloot;
    Sy grobbelde aan syn broek, hy greep haar by de rokken;
    En als gy ’t weten wilt, ik salder niet om jokken
    Sy gingen uit de kamer, en sogte haar vermaak,
    Maar kort daar op ontstont, een ysselyk gekraak;
    (300) Wat sy daar samen deden, kan ik u niet vertellen,
    Want heb het niet gesien, maar wel een deel gesellen
    Met sneetjes in haar wang, die danste na de Veel;
    Ik had vermaak in ’t sien en ’t hooren van ’t gespeel.
    Terstont quam Joris ook, met twe Juffrouws te dansen,
    (305) De eene wierd genaamt, madam Rolyet, de Franse
    De andere Juffrouw Kee, dit spel stont my wel aan,
    Maar om den avondstont, sprak ik van t’huys te gaan,
    Hy nam my by de hand, sprak, laat my u gelt eens kyken,
    Ik gaf het hem terstont, hy sprak, gy bent wel ryke,
    (310) En gaf het aan de waard, ik eysten ’t wederom,
    Hy sei so datelyk, als ik met u t’huys kom,
    Maar doen ik daarom sprak, doen had hy ’t my gegeven
    So als hy my opstreet, waar is het dan gebleven,
[p. 11]
    Seide ik tot hem, seg broer, hy, ’t moet verlooren syn,
    (315) Maar ik, sprak, broeder lief, gy gaf het voor de wyn,
    Hy sei swyg stil jou guyt, of ’k breek u hals en beenen
    So gy daar weer van spreekt, of so ’k u sie weenen,
    Ik sweeg, en keek bedroeft, maar van de morgen weer
    Heeft hy myn spaarpot, en nog ander silver meer,
    (320) Genomen, en is weg, en nog durf ik niet klagen
    Want so hy ’t wierd gewaar, so kreeg ik seker slagen,
    En vader wilder dog, maar geen geloof aan slaan,
    Want alles is hem goed, wat Joris heeft gedaan;
    Maar ’k sal myn Ooms, de saak in alles openbaren,
    (325) En leggen ’t haar ook voor, hoe dat ik ben gevaren;
    Ook hoe hy al den dag, my vraagd, en plaagt om geld,
    Want ’t is verdrietig, so als hy my daaglyks quelt.
Hans. U Ooms die sullen hier, ik meen, so daadlyk koomen,
    Maar Sampje, heeft hy u ook niet wat afgenoomen?
Samp. (330) Ja ik, en Judasje, syn onse spaarpot quyt,
    Ook gesp van kous en schoen, te samen op een tyt,
    Het silver speelgoed, dat ons sinterklaas, uys* deelden,
    Is mede nu ook weg, wy gistre, daar me? speelden.
    De Meid die huilt en kryt, haar beugel-tas is weg.
    (335) En vaders mantelrok, had Joris aan syn reg,
    Maar eer hy uit ging, nam hy nog een sak sest’halven,
    Uyt Vaders lessenaar, ’t was om syn beurs te salven,
    En trok de deur voort toe; so is hy weggegaan.
Coert. Het quaad bedryf van hem, dat neemt nog daaglyks aan,
    (340) De nood verhaast de tyd, om over hem te klagen.
Hans. ’t syn nepen in ons beurs, voor vader sware plagen,
    Indien dit langer duurd so werd de geld beurs plat.
Coert. Ja vader sou hier door, wel raken uyt de stad,
    Maar om ’t quaat is ’t moogelyk in tyds nog voor te komen
    (345) So laat ons eenjes gaan, by syn en onse oomen,
    En seggen ’t haar rond uyt, hoe dat de saak bestaat.
Hans. Dat ’s wel, maar denk voor vast, dat het op reden staat,
[p. 12]
    Dat men haar hier versoekt, nu wy syn by elkander,
    Dan hooren sy het al, van ’t een en van het ander,
    (350) Dat hy van ons in kort so schelms gestolen heeft.
Coert. Vermits gy de Oudste syt het meerder agting geeft,
    Dat gy haar hier versoekt, en voor ons komt te spreken.
Hans. Maar hy heeft u meer quaads, als een van ons besteken.
Coert. Ik sal, voorseker u niet swygen tegens haar,
Mach. (355) Ik sal ook het bedrog voor oogen stellen klaar.
Samp. Sal Hans broer van ons spaarpot, en gespen ook seggen?
Hans. Ja broertje lief, ik sal ’t haar alles open leggen.
Samp. Maar gy moet van de mantel, en tas van de meidt,
    En vaders gelt ook spreken op de regte tyt.
Neel. (360) Ik hoor dat myn heer Hans aan de voogde sal klagen
    Wat sinjoor Joris, als dief heeft weggedragen.
    ’k Bid spreekt ook eens van de twintig guldens van myn,
    En van de tas, die beide door hem gekaapt syn,
    Of ik deselve ook nog weer kon betaald krygen.
Hans. (365) Ik beloof u Neeltje, ik sal daar niet van swygen
    Maar alles dat ik weet haar heel klaar leggen voor.
    ’k Ga kloppen om te sien, of ik sal krygen gehoor,
    ’t Is hier naast de deur, en maar twe stappen te lopen.
Hans kloppende.
    Dat ’s hart genoeg, denk ik, ja de meid doed al open.
De deur wort opengedaan.
    (370) Dag vrystertje, syn u heeren, present in huys.
De meid van binnen spreekt,
    Myn Heer ja, dat kunt gy wel hooren aan ’t gedruis,
    Sy disputeeren saamen van u broeder Joris,
Hans. Seg haar dat Hans Jorisz, om haar te spreeken voor is,
    Dat hy versoekt haar eens te spreeken aan de deur.
De meid gaat verder binnen en spreekt,
    (375) Myn Heeren, daar is Claudius oudste soon veur,
    En versoekt, of gy eens by hem gelieft te koomen.
Voogde van binnen spreeken.
    Daar sal de klagte zyn, daar wy van quaamen droomen
    Kom aan swager, gaan wy en hooren wat hy wil.
[p. 13]
いいいいいいいいいHans van binnen spreekt.
    Goed luk ooms, met reverens, versoekt u popil,
    (380) Uyt naam van u andere popillen eens te spreeken,
    In onse saal, daar sy alleen syn ingeweken
    Om ’t minste nadenken te geven aan iemant.
いいいいいいいいい Voogden van binnen.
    So datelyk sullen wy komen in passant,
    Gaat na haar toe en seg, dat wy bezig waaren
    (385) Ons te kleden, daar na te sien, haar alle verklaaren.
いいいいいいいいい Hans van syn voogde gaande spreekt.
    Heel wel Ooms ik verwagt u saamen op u woort.
いいいいいいいいい Hans by syn broeders komende.
Hans. Dat ’s klaar, broers sy sullen komen hier so voort:
    Let nu elk wel op u stik wilt voor al niet swygen,
    Of anders souden wy beschaamde kaken krygen.
いいいいいいいいい Voogde kloppen.
    (390) Daar synse, sy kloppen al, so als ik daar hoor.
    Doet open Coert, en siet of sy daar niet syn voor.
いいいいいいいいい Coert open doende.
Coert. Welkom heeren Ooms, gelieft wat verder te treden,
    En nemen u gemak, wy wenste wel wat reden
    Met u te wisselen over onse Joris broer.
いいいいいいいいい Voogde binne komende.
Voogd. (395) Goedendag neefjes, hoe is hier sulk een rumoer?
いいいいいいいいい Broeders gesamentlyk spreeken.
    ’t Is om aan u lien, over broer Joris te klagen.
Voogd. Laat een van u alle ons de saak maar voor draagen,
    Want wy kunnen niet gelyk praaten of gy ’t weet.
Hans. Terwyl Oom Hangbast, dit begeert ben ik gereed
    (400) Om syn quaad bedryf u klaarlyk te ontvouwen,
    Myn broers sullen ’t getuygen, gy sult daarvoor grouwen.
Voogd. Laat horen maak u styl wat kort, en ook beknopt.
Hans. Eerstelyk weet dat hy met u en vader fopt,
    Ja lagt, hoe veel wy hem daar ook me drygen;
    (405) ’t Kon ligt gebeuren dat wy een bruy in de huyt krygen,
    Want hy alle vermaning, als rook in de wint slaat,
    Daar tegens heele weeke met hoeren swieren gaat,
[p. 14]
    En met pluggen des nagts by de straat gaat rinkinken,
    Ja de menschen dan quaad doed, en de glasen uit klinken
    (410) Is syn daaglyks bedryf, het mes trekken is fris,
    Een sneetje te leggen te speelen kris kras kris,
    En als hy t’huys komt, vader met slagen te drygen
    So hy geen geld wil schieten, of voor hem dan swygen;
    Vader syn geldkas en moeders silver servies,
    (415) Weg te nemen is voor hem te breken een bies,
    Moers tas, vaders mantel, meids tas met twintig gulden
    Neemt hy maar weg of de meid al huylde of brulde,
    Myn Oorlogie weg nemen en setten ’t te pand
    By de hoeren, ook nog vyftien kroons, heeft die quand
    (420) Op een tyd uit myn sak, terwyl ik sliep, gestoolen
    En van onse Coert, maar die hiew het lang verhoolen.
Voogd. Wat duyvel segje, heeft hy daar ook van gestoolen?
Hans. Gestoolen van myn af, tot de jongste in ’t kluys
    Is ’er niemant of hebben gemist in ons huys,
    (425) Ons Coert, is op een nagt, vierhondert gulde ontnomen
    Aan geld, snuyfdoos, gesp, en meer daar ik niet op kan komen,
    En seid so hy het had onthouwen met malkaar,
    Dat het sonder liegen wel duysent gulden waar,
    ’t Geen Jorisje, so nu en dan hem heeft ontrokken.
Coert. (430) Als ik dat lieg, mag myn buyk wel vallen aan brokken,
    Maar de duyvel haald hem, so ik hem weer betrap.
Voogd. Set u so schielyk neefjes, niet so byster schrap,
    Daar sal in ’t kort hoop ik wel andre tyding koomen.
Coert. ’k Denk ja, dat hy ’t moeders goet, sal hebben opgenoomen.
Hans. (435) So haastig niet, broer Coert, laat my nu maar begaan,
    Weet dan Ooms, dat hy met Machayer laast heeft bestaan:
    In ’t hoerhuys te gaan, ’t kinds geld verhoert en versopen
    En ’s nagts met syn spaarpot, en gesp, is weg gelopen
    Met Sampje, en Judasje, haar silver speelgoed,
    (440) Ook haar spaarpot en meer, is dat niet soet,
[p. 15]
    Die frayigheden die ik hier doe relateren?
Mach. So waar als ik leef, Ooms is dit waar, ’k wil u besweeren
    ’t Geen broeder Hans en Coert u heeft bekend gemaakt.
Samp. en Jud. Ja Oomtjes wy syn ten eind ons speelgoed geraakt.
    (445) Sult gy ons Sinterklaas met ander speelgoed senden?
Slok. Ik kruys en seegenme, waar sal dat nog belenden?
Hangb. Belende swager, ik vrees nog tot aan de galg
Slok. Ja hy draagt die van nu af aan al aan syn balg
    Wat raad, wy sullen moeten na ons voorstel wagten.
Hans. (450) Voorstel, wat’s dat, sel hy moers goed dan nog verkragten?
    Daar sal ik en Coert voor syn, sweer ik hem en jou,
Voogd. Neen wy en u vader, raden hem aan een vrouw.
Coert. Vrouw, wat praat, daar sullen slegte kinders voort koomen,
    So ik meen, maar ik loof gy gekt met ons Oomen?
    (455) Wat gek wyf sou hem willen nemen tot haar man?
Voogd. Dat’s al evenveel krygen wy hem daar maar an.
Coert. ’k Sal ’t sien, maar moeders goed, sal hy anders af blyven,
    Want ’k heb daar een interdict tegens laten schryven,
    Ten Voordeele van ons vyf oudste en jongste broers.
    (460) Of anders sou ’t haast in de sak syn van syn hoers;
    Hy doet ons evenwel voorseker genoeg schade
    Maar pay sal ’t leet syn, dog die wil niet syn geraden.
Hans. ’t Eind sal de last dragen, maar Ooms dat gy de meid
    Haar schade betaalde eer dat sy ’t iemant seyt,
    (465) En dan brak de bommel uit, en wy raakten in schanden.
Voogd. Als sy swygen wil steld haar dan dit geld ter handen
    En gaat maar alle gerust heen, laat ons begaan.
Hans. Wy danken u Ooms en laten ’t op u staan
    En u ten eenemaal, de sorg voor ons bevoolen.
    いいいいいいいいい Alle binnen.



[p. 16]

VYFDE TONEEL.

Claudius, Blauw, Marie bibels, Joris en Neeltje.

Claud. (470) IK denk vrouw dat de oude niet quamen te dolen
    Doen sy ’t goet keurde als de vrouw in de morgenstond
    De groetenisse kreeg van haar man, ’t is gesond
    Seide sy, en de vrouw die is dan wel te vreden,
    Maar so de man syn les niet opseid heeft sy reden,
    (475) Of ten minsten sy soektse om te seggen bloed
    Wat doet gy met een wyf, verlooren is u goed
    Of ’k by u leg of by een beeld van marmersteenen,
    Of by Lourens wiens vet droop door de rooster henen,
    Gy syt so droog of gy gebraaden waart, als hy;
    (480) Wat doen ik dog met so een druyp neus aan myn sy,
    En meer diergelyke soort moet men goedschik horen,
    Maar om dat ik sulks wist, en wil koomen te voren,
    Heb ik gistere avond en nu myn pligt betragt
    Waar voor ik van daag van u een soet gesigt verwagt
    (485) Met suykre woordjes en goed onthaal van drank en spyse
    Want dat volgt op een morgengroet na oude wyse,
    Ik denk ook dat u hulp my van daag sal goed syn
    En niet sal ontbreken wat voor een medicyn
    Door u raad kan verstrekken om Joris te hervormen
    (490) So als van klyne eitjes koomen grote wormen
    Ik meen so dat hy van ondeugt hervormt in deugt,
    Dan sal myn droefheit te meer verand’re in vreugt,
    En ik sal dan weer aannemen in nieuwe kragten
    Daar gy dan niet wynig soet van sult hebben te wagten,
    (495) Want de Mans kragt is de Vrouws vreugde school,
    Maar hollo Styn, ’t is of ik byna al heel dool,
    Al lang genoeg daar van, laat ons maar coffie drinken,
    En Joris roepen aan tafel, let dan op winken,
    Begin dan vry van een soet meisje tegens hem.
Marie. (500) Gy snort vrind van u salf met een quaksalvers stem,
    Als of het vry wat waar, het is wel beter gebakken,
[p. 17]
    Vrient als gy ’t nu klaart, wilt daar so veel niet van snakken
    Hebt gy een schepel koorn te malen, wis geen last,
    En dat’s haast afgedaan want het niet meer wast;
    g’Hebt in u jeugt veel watermoolens gaan gebruiken,
    Doe gy meende dat gy haan was en waart maar een kuyken,
    U oortje hebt gy al te dikwils vroeg versnoept,
    Dat u nu minder doed doen vrient als gy wel roept,
    Dog gy roept hou daar, en geeft my dan niet met allen,
    En om kort te gaan gy bent my veel afgevallen,
    Maar ’k seg echter u courasie sou nog goet syn
    Als gy weer kragte kreeg van de niewe bloet wyn.
    Dog genoeg hier van, ’t is met my ook al wat verlopen
    En is voor my of u, geen beterschap te hopen
    Maar van dag tot dag platter worden vriend, en slap,
    En als wy lang leefde diend ons nieuw gereetschap,
    Maar uyt is het, laat ons aan de tafel gaan sitten
    En stellen ons Joris een mooye, vette, witte,
    Poesele schone vryster voor; kom roept hem Neel.
Neel. Myn heer Joris gelieft te luyst’re na ’t beveel
    Van u ouders die u noden agter te koomen
    Om met haar te drinken Coffie, g’hoeft niet te schromen,
    U vaders hooft staat beter als gist’ren avond.
Joris. Ik sal beneden komen, Neeltje, so terstond,
    Seg dat ik besig ben met my aan te kleden.
Neel. Myn heer u soon Joris komt so aanstonts benede,
    En na ’k hoor so is hy hier al digte by.
Joris. Bonjour Papa en Mie May, wagt gy na my?
Claud. Ja soon ik denk de Coffie u niet t’onpas sal koomen,
    Want gy had gist’ren al wat veel wyn ingenoomen;
    Daarom denk ik dat Coffie u aangenaam sal syn.
Joris. Wat meent gy vader, dat ik beschonken was met de wyn?
Claud. ’k Dagt het om dat gy so veel quade woorden uitten.
Joris. ’t Was om u quade buy te gauwer te doen sluiten.
Mari. Kom an drink eerst Coffie en praat dan met malkaar
[p. 18]
Joris. Ja moeder, ik wou dat men maar al besig waar.
Claud. U gesontheit wyfje lief. Mari. Ik dank u papatje.
Joris. Dat is u gesontheit ook vader en mamatje,
Claud. Ik dank u soon, als gy altyt so by my sat,
    Ik in myn leeve dan veel meerder vreugde had.
Joris. Daar kan de jonkheit sig altyt so niet na schikken.
Claud. De jonkheit verhangt sig somtyts in snode strikken
Joris. Daar hebben dan wel veel de ouders de schuld van.
Claud. Daar slaa ik egter wynig of geen geloof an
    So de ouders de kinders in ’t goede onderwysen.
Joris. Als gy dat gedaan had sou ik u lustig prysen.
Claud. Heb ik u dan al die quade parten geleert,
    Die gy met hoeren en pluggen exerceert.
Joris. Geleerd of niet g’hebt my occasie doen beleven
Claud. Dat is mooy gy soud my nu nog wel de schult geven
    Dat gy so gaat rinkinke dagen en weken lang,
    Met allerly gespuys; dat gy eens wist hoe bang
    My dat valt gy soud dan heel anders meen ik praaten.
    En dat gy wist hoe veel geld gy my kost, wel laaten
    U hoeren jagen, nagt lopen en haar geselschap;
    Maar siet toe dat ik u daar niet eens by betrap.
Marie. Wat betrappen Claudius u soon is aan ’t bedaren
Claud. Ag was dat waar dat wy so gelukkig waren
Joris. Waar van wilt gy dog dat ik bedaaren sal.
Claud. Van ’t ligtmisse, te keeren uyt der hoeren val.
Joris. De gewoonte die vader my selfs heeft doen leeren,
    Die gevalt my en ik wil daar niet van afkeren,
Claud. Doen lere, hoe wat’s dat, waar spreekt gy denk ik af.
Joris. Waart gy ’t niet die my raad tot leeren danssen gaf,
    Tot speelen na musyk, tot schermen met de degen,
    Tot schilderwerk en meer, daar gy waar toe genegen,
    Als ’t slypen van diamant, het goochle met de sak,
    Het singen na de maat, het spelen van tik tak,
    En meerder frayigheen, die jonge maats verleyen,
    Want onder al die konst syn knapen die als beyen
    Op bloemen syn verlieft, om aan de wind te gaan.
Claud. Is dat de reden dat gy dat pat in quamt slaan,
[p. 19]
    So bent gy waarlyk ligt, om u tot sig te lokken.
Joris. Ik ben daar langs haar wegen net ingetrokken
    Maar ik kom daar met een ketting ligt weder uyt.
Claud. Ik denk gy nu evenwel de hoer wat fluyt*,
    En de pluggen met de hoerewaarts met drek sal smyten.
Joris. Ik denk wel dat sy daar niet hart op sullen byten,
    Want het syn ook menschen so wel als gy en ik.
Claud. Ja ik kreeg laast van een so vreeslyk een schrik
    Doen hy van u om geld quam dat ik trilden en beefden,
    En naauwlyks meer wist, of ik dood waar of meer leefden,
    Daarom ’k versoek, gy van hoeren en van hun blyft.
Joris. Of gy al mooy praat en versoekt, dan of gy kyft
    ’k Sal die wegen dog gaan die my best vermaken.
Clau. Dan seg ik sal’t nog drommels tussen u en my kraken
Neel. Myn heer daar is iemant met dit briefje om geld,
    Hy vloekt, raast en tiert, ja maakt vreeselyk geweld,
    En wil terstont sonder wagten geholpen wesen.
Claud. Ik moet de Assignatie voor al eerst eens leesen.
Hy leest het volgende.
    Myn heer en vader Claudius
    Gelieft aan Kees de plug aldus,
    Op sigt den inhout te betalen
    ’t Is voor het kostgeld van een week
    By hem verteert, en voor de steek
    Pagt van de soete diertjes hoeren
    Die hy t’huys heeft voor my en boeren;
    Dies wilt betalen, want ik heb
    Genooten daar ik hier van rep
    Of wilt het anders accepteeren,
    Het sal voor my dan valideeren,
    In mindering van een niewe rok,
    Of ’t eten dat ik van u kok
    In menig tyd niet heb gegeten,
    Aldus in ’t hoerhuys wilt het weten,
    Den sesden dag van Mey het jaar
    Seventien honderd negen paar
[p. 20]
    Ik segge ’t is net vyftig gulden,
    Wilt dit gewilliglyk gedulden
    Want is maar vyfentwintig kroon
    Voor die u dienaar is en soon,
    Wilt dan myn regte naam maar leesen
    Joris Jorisse mal van weesen.
Claudius spreekt verder.
    Wat duyvels assinginatie Joris, is dat,
    Meent gy dat my de drommel ryt, of geest van de kat,
    Dat ’k u verhoert geld op sulke briefjes sal schieten?
    O neen, dat begint my al te sterk te verdrieten,
    Dat’s wel eens, maar ik maak daar geen gewoonte van.
Joris. Of gy wilt of niet gy sult daar evenwel an.
K. de Plug. Waar drommel blyft gy vent,waar moet ik so lang na wagten
    ’k Sal voor sint felten u styve kop wel versagten;
    Geeft het geld, of ik veeg u bek van ’t een oor tot ’t aar
    Op, dat ik daar maar by u oude gauwdief waar;
    Wat veltslag letme, ik sal hem de hals maar breken.
Claud. O neen myn heer u geit is klaar, laat ik eens spreken.
    Kees. ’k Wil van u gelt hebben en geen praatjes van daag.
Jo. Geef hem maar geld Vaar, hoe drommel zyt gy so traag
    Kees. ’k Salje by me hiel met dat mes in u gat douwen.
Clau. Og wyfje wie sou voor sulke woorden niet grouwen
Joris. Voor den drommel en syn moer, ik seg dat gy ’t geeft
    Of denk vry dat gy hier hebt lang genoeg geleeft,
Claud. Wel dat is dwang; komt wilt het dan maar voldaan tyk’nen.
Kees. Siet so, oude schytert dat begint nu te lyknen;
    Pas op als ik weer kom dat gy dan so niet draalt.
Mari. Ik heb liever niet vrient dat gy hier weer geld haald.
Kees. Als ’t al so komt, soud gy ’t weer voor lief moete nemen
    Maar ’k wilje groeten, al lang genoeg van dat temen.
Kees de Plug binnen.
Claud. Og og Joris, wat doet gy my al droefheit an.
Mari. Ik heb van benautheit my heel bevuilt daar van.
[p. 21]
    Kom Neel neem de fyl, en wilt het Coffiegoet bergen.
Claud. Ik moet my van dag tot dag hoe langs hoe meer ergen
Mari. Ja Claudius, gy waard ook gruwelyk ontsteld,
    Voor al doen gy besig waart met tellen van ’t geld.
Joris. Waarom drommel gaf hy het niet goedwillig.
Claud. Og Wyfje, ik ben van alteratie so byster grillig.
Mari. Nu kom bedaar en denk dat het voor ’t leste is
    ’k Sal met hem wat prate van ’t geen hem best is,
    U soon is altyt wel tot beterschap te raden.
    Kom Neeltje laat die bout en de hoenders gaar braden,
    Gy blyft van middag met ons eten hoop ik, Soon.
Joris. Ja terwyl gy de hoenders al hebt laten doon.
    Sal ik de maaltyd van daag maar met u eens houden.
Mari. Wel dat mag ik lye, maar dat gy eens trouden,
    Joris, wat segje ik weet een soet meisje voor uw.
Joris. Hoe trouwen gy weet niet hoe ik daar voor gruw.
Mari. Ik weet Joris als ik u het meisje eens beduyden
    Dat gy sonder toeven daar daatlyk na toe bruyden,
    Want ’t is de mooiste die ’k van myn leven heb gesien:
    Daar by heeft sy nog wel een duysent gulden of tien,
    En sy is vol frayigheid en ook soete manieren.
Joris. So vol niet geloof ik als daar ik me? ga swieren.
Claud. Als wy haar eens noemde ’k denk s’u behagen sou.
Jo. Om een reys gy weet wel, pay, maar niet tot myn vrou.
Mari. Gy kunt u geld by ’t hare, daar koopman met worden.
Joris. Een hoorendrager denk ik of een malle Jorden.
Claud. Neen, sy is daar niet van t’huys of van sulk geslagt
Joris. ’k Denk sy als de rest maar na het beslaan wagt,
    En dan ook gelaarst synde wel ligt ten ys treden.
Mari. Sagt Joris, wat syn dat nu weer voor malle reden?
    Sy heeft my eens gesegt dat sy sin in u heeft,
    En troud gy haar, bent gy de gelukkigste die leeft;
    Of meent gy daar geen eerlyke Juffers syn te vinden?
Joris. Maar die selfs het vraagen haar durven onderwinden
    Syn maar so wat introideux so als ik daar af denk,
[p. 22]
Clau. Als gy ’t doet ik u duysenr* kroons in ’t houlyk schenk
    Want* het is immers beter als dat hoere jagen.
Joris. Ik weet niet wat ik al langer sal moeten verdragen,
    ’k Denk ’t is de Koe vergeeten dat hy een kalf was,
    En dat Grootje my van u sey komt nu te pas,
    Doen ik eens by haar was eventjes voor haar sterven;
    Want gy weet wel dat ik ’t by haar niet kon verkerven,
    ’k Leek seise in myn omgang so net na myn vaar,
    Als of ik uit u troniewerk gesneden waar.
    Waarom kunt gy my dan uw eigenschap verwyten?
Claud. Sult gy met myn vorig leven u quaad beplyten?
Joris. Dan hoef ik geen griekse of latynse Auteurs,
    Als ik blyf by de viergelipte Orateurs.
    Daar gy in u jeugd ging vlytig by te studeeren
    Om ’t schermen met de piek op de halve man te leeren
    Ja in ’t bont te werken had gy menig basin
    En in ’t leertouwen had gy groot behagen in
    Gy had daar toe wel vyf of ses schootvels van noden
    En doen u dit te swaar viel, of door besje wierd verboden
    Kreeg g’in ’t naywerk sin, gy had een liefje of ses
    Tot u gebruyk, holla sprak u Moer, onse bes
    Die kussens syn te duur, doe ging gy boren leeren
    En dit wist gy so firs* sonder u fret eerst te smeeren
    Doen gy dat werkje deed lag gy ’er menig neer
    Die gy gestoken hebt met u eygen geweer
    In ’t kort gy waard op dien handel so door ervaren
    Dat gy voor haar dood niet eens en waard in bewaaren
    Hoe wel ’t dikwyls gebeurde dat een of ander wyf
    Most betaald syn voor ’t haalen van een prop uyt ’t lyf
    Van veele die voordagts van u waaren gestooken
    Of gy sei, ’k betaal niet, myn lust is niet gewrooken
    Daar moest egter geld syn, en ’t kind leek syn vaar
    Maar dit is u vergeeten of ’t niet gebeurt waar,
    So als ik aan u reden tegens my kan hooren.
Claud. Eervergete schelm ’k wou datje niet waart geboren,
    Is dat fatsoen dat men syn vader ’t oud bedryf
    So onbeschaamd sal verwyten en dringen op ’t lyf
[p. 23]
    Als of gy u selfs daar me op ’t best konden verschonen.
Joris. ’k Seg immers dat u eigenschappe nu in my woonen,
    Gy hoort my daarom so veel te liever te hebbe, pay,
    Maar hoe scheld gy so, of scheeld het u aan de kay,
    Gy weet wel dat ik sulks niet kan verdragen.
Neel. Daar is iemant myn heer die na u komt vragen
Claud. Seg dat ik my niet bemoey met beuseling.
Neel. ’t Is een barse vent, myn heer met een reekening
Claud. Eystse van hem op en laat ik se eensjes kyken
    Dog d’inhoud sal hy syn oogmerk niet in beryken
    Van daag, laat hem weer koomen op een ander tyd.
    Jochem Schram van binnen.
Joch. Ik heb al gehoort wat die schobbert heeft geseyd
    Daar’s de rekning, maar laat hy my aanstonds geld geven,
    Of ’k sal hem sonder toeven benemen het leeven.
Neel. Myn heer het is een karel gelyk die van flus,
    En hy seyt so u heer die oude Claudius,
    Terstond geen geld schiet, dat hy u dan sal vermoorden
    Sy geeft de Rekening aan Claudius.
Claud. Ik schrikte al Neeltje doe ik dat van hem hoorden,
    Maar laat ik eens sien wat inhoud dat de brief het.
    Claudius leest de Reekening.
    Seventien hondert agtien, d’Heer Joris debet,
    Aan hospes Jochem Schram, als onder is te lezen;
    ’t Is alles pront gesteld so als het hoord te wesen:
    Ten eerste my wilt geven agt
    Voor ’t plaisieren met Kee by nagt,
    Is met de drank somma ses gulden
    Nog net tien kroone aan oude schulden,
    Voor kostgeld op den tweede Mey
    Van Joris met madam daar bey
    Is eeventyds, net vyf florynen
    Voor hem betaalt aan medicynen
    By Venus docter Berenborg
    Doe nog aan Juffrouw sonder Sorg
    Voor ’t toestaan van haar bruyeryen
    Den derde Mey tussen haar beyen
[p. 24]
    Te samen even dertig kroon;
    Nog aan Heyn speelman en syn soon
    Den vyfde dito twee ducaten:
    Dien dito voor ’t haalen laten
    Van vier bak oesters, blank en vars,
    Tien gulden, en aan Juffrouw kars
    Voor ’t bruykwerk van haar muyse valtje
    En ’t maken van een nieuw cristaltje
    In eene van haar oorlejet.
    Te saamen vyftig gulden net,
    Nog voor een fooitje aan ons meisje
    Voort voele van haar poesel vleisje,
    De waarde van een ducaton
    Aan Jan voor ’t speelen met Basson
    Den sesde Mey een kroon gegeven.
    Hier is het alles net geschreven
    Somma sommierum, dit bedraagt
    Juyst net, ik denk het u behaagt,
    Hondert sesensestig gulden
    En dertien stuyvers al dees schulden.
    Claudius spreekt hier op.
    Is de vent dol of met de kop gebruyt, wel hoe
    Dit is van Joris, en schikt hy die my maar toe,
    Joris heeft de schuld gemaakt komt hy my daar voor maanen?
Mari. Daar schynd aan d’andere kant nog wat te staane.
Joris. Het is door my aan u immers ge‘ndosseert,
Claud. Wat is dat, so lang ’t niet door my is geaccepteert?
Marie. Wat staat ’er man, op de onse, dog wel te leesen.
Claud. Betaalt vader, den inhout aan den thoonder deese
    Voor uwe dienaar, Joris Jorisse ligtmis.
Mari. Dan hoor ik dat het van u so gekomen is.
Claud. Ja, maar ik wilder evenwel geen geld op schieten.
Jochem op toneel komende.
    Jochem. Dat wagte begint my so duyveis te verdrieten.
    ’k Sal jou ouwe schelm de lever haalen uyt ’t lyf
    En geven rauw te vreeten, aan dat beest u wyf,
    Wat segje wilje geld geven, g’hoeft maar te spreeken?
[p. 25]
Joris. Geeft het pay, of hy salje by me hiel dood steeken.
Claud. Og moort, droefheyt, dwang, hoe wort ik weer geplaagt, ja.
Joch. Geef op dan eer dat ik myn handen aan jou slaa.
Mari. Kom Claudius geeft geld of ’t sal u leeven kosten.
Claud. ’k Sal ’t betaalen maar het syn voor myn swaare posten.
    Daar ondertykent nu als ’t u belieft voldaan.
Joch. Had gy dat eer gedaan ik waar voort weg gegaan,
    Maar ik wil u evenwel beleeft nog eerst groeten.
Claud. Jou ook, maar gy hoeft my so niet weer te ontmoete
Joch. Ik wil daar niet voor sweeren, Claudius vaar wel.
Mari. Voor myn part vaart gy vry heel onder in de hel.
Joch. Schelde doet’er niet toe ik ga vast met het geld stryken
    Jochem binnen.
Claud. Og Maartje ik bevin my nu nog te beswyken
    Van schrik, jou vlegel wat doet gy my verdriet an.
Joris. ’t Is myn eyge geld pay daar gy hebt betaald van
    Want de intrest van moeders goed kan ik niet verteeren
    Daarom hoefr* gy my die pis praatjes niet te leeren,
    Gy sult betaalen als ik op u trek, weet dat,
    Of gy krygt ligt eer gy ’t weet een bruy inje gat
    Daarom wilt een andertyt wat gauwer geld geeven.
Mari. Maar Joris by wat praat syn wy flus gebleven,
    Waar ’t niet van trouwe, ik meen ja, wat segje nou?
Joris. ’k Heb de duyvel daar af te syn knegt van een vrouw
    Of onder gehoorsaamheyt van een wyf my te buygen.
Mari. Sy sal ’t smeer van u en ’t kind melk van haar suygen
    Gy looft het niet hoe soet het is te syn gepaart.
Claud. Een soet en mooy wyf als sy, is veel prysens waart.
Joris. Alwaar ’k getrout ’k sou dog van de hoere niet blyven.
    Want een wyf voor my is als een man voor vyf wyven
    Daarom is ’t best dat ’k my nog wat van trouwen wagt.
Mari. Maar Joris gy bent nu in ’t best van uwe kragt
    En dat dient best by een man die begint te paaren.
Joris. Gy sult nog geen houwlyk tussen my en haar klaren
[p. 26]
    Daarom verloore gefluyt en na de maan gepist.
Claud. Dat myn soon de soetigheyt van ’t houwlyk wist
    ’k Verseker my hy souw als nu so lang niet draalen,
Joris. Dats al lang genoeg van dat trouwe gemaalen
    ’k Wilder niet meer van hooren laat trouwen die wil.
Claud. Gy sult wel haast het loot krygen in uwe bil
    En dan soud gy wel willen trouwe so als ik kan denken,
    Maar wie sou haar dogter u dan ten houwlyk schenken?
    Daarom soon bedenk u wel eer ’t al te laat word.
Mari. Wel Joris ik weet waarlyk niet wat dat u schort
    Sult gy die schoone juffrouw maar so laten loopen
    Sonder ’t houwlyk te versoeke, ’k wil beter hoopen
    So gy ’t niet doet salder een ander me doorgaan.
Joris. Laat u reutele van haar of van trouwen vry staan,
    Gy sult daar dog niet mee winnen of my toe krygen
Claud. Wy sagen ’t gaaren daarom kan ik nog niet swygen
    Kom resolveer daar is hondert kroons tot een ring
Joris. Ik wou dat ik vast maar wat geld van u ontfing
    Want ik ben ten eynde gelt, telt my sestig gulden
    ’k Heb die praat genoeg gehoort ’k wilse niet meer dulde
    Kom rept u wat, pay, ’k moet by myn geselschap syn.
Claud. Durft gy nog spreken om geld schobbejak by myn?
    Ik leg u liever een stok over u schelmse lenden.
Joris. So gy ’t niet geeft sal ’k my na u kantoor toe wenden
    En dan sal ’t u meerder kosten als ik nu eys,
    En so gy my keert sal dit mes wis door u vleys
    Daarom geef maar goed schik eer ’t meer begint te schelen.
Claud. lndien ’t niet waar om met u hoeren te gaan speelen
    Ik gaf het u terstont maar nu is ’t tot u verderff.
Joris. Dat raakt u niet met wie of by wie dat ik swerf,
    ’k Seg nog eens dat gy ’t geeft of ’k krygje by de lurven
Claud. Ag Martje, hoor dat eens aan daar ben ’k van besturven,
    Dat is een plaag van u en myn, waar wil ’t nog heen?
Mari. Ten laaste aan de galg so als ik vrees en meen.
Joris. ’k Sal u galge beest dat u de drommel sal haalen,
    Daar heks met die klap kunt gy de beul dan betaalen.
[p. 27]
いいいいいいいいい Joris slaat syn stiefmoeder.
    So gy nog eens, galgt bruy ik u de strop om de hals.
Mari. Help my Claudius, help! ag, dat syn ongevals.
Claud. Daar schobbert is geld tussen u hals en nek en beenen.
いいいいいいいいい Claudius met ten stok slaat Joris.
    Sult gy myn vrouw slaan en smyten haar op de steenen
    Daar sal ’k u de nek voor breken eer ’t de beul doet.
Joris. Daar ouwe, legt daar ook getrapt onder myn voet.
Joris, syn vader slaande en trappende.
Claud. Help kinderen, help! Joris beneemt my het leven.
いいいいいいいいい Hans en Coert toeschietende.



SESDE TONEEL.

Claudius, Maartje, Coert, Hans en Joris.

    Hans en Coert. DAar sal Hans en Coert hem vast de doodsteek voor geven.
Claud. Neen niet snyde nog steken, trekt hem van my af
    En dan wou ik wel dat gy hem braaf slaagen gaf.
    Hans en Coert toeslaande.
Claud. Toe soons, digt, helder op, raakt wat ter deeg dien vlegel,
    So dat’s braaf, ik en moer kroop straks als een egel.
Joris. Moort, moort! gena, sla niet laat los, vader en broer.
    Broers. ’k Wou liever dat u de drommel in u lyf voer.
Joris. Daar dan hondsvot vaar wel met dat sneetje.
Joris snyt Hans in de wang.
    So gy niet los laat krygt gy straks nog wel een beetje.
    Daarom laat los ik seg u ’t is nog even tyd.
Hans. Loopt waar gy wilt schelm als ’er niemant geen leet van leyt.
Sy laaten hem los.
Joris. Ik sweer, ik sal u vast daar weer voor betaalen,
    Dat seg ik u alle, ’k sal je vreeslyk onthaalen
    ’t Is u beurt nu geweest maar ’t sal haast myne syn,
    Dan sal ’t schrewe niet helpen vaar, of soon help myn
[p. 28]
    Maar ’k sal voor dees tyd sonder geld nu maar heen bruyen.
Joris weg lopende.
Clau. Ik vrees dat dit voor ons nog meer quaat sal beduyen
    Maar wat sal ik dan altyt geld geven, neen!
    Dat loopt hoe langer hoe harder en verder heen,
    ’k Sou my en myn vrouw en andre kinders arm maaken.
Mari. Ja Claudius het syn voor ons bedroefde saaken,
    Maar wat raad nouw weer ons voornemen is gemist.
Hans. Gy hield u altyt gek als of gy nergens van en wist,
    Vader, maar nu denk ik dat gy geloof hebt gekregen.
Coert. ’t Is nu tussen hem en vader anders gelegen,
    Als voor heen, vaders heeft nu gevoelt en gesien.
Claud. Ja in heel Amsterdam synder so geen tien,
    Maar wat sal ik nog op het lest met hem beginnen;
Mari. Ik ben al meest ontheft, Claudius van myn sinnen,
    Maar ’k denk het best te syn dat men Consiliom
    Van voogde beroept en leggen ’t in vrage om
    Wat sy van de saak soude denken tot sijn besten.
Claud. Dat men hem eensjes sende na andre gewesten
    En dat meen ik syn voogde voor te stellen, vrouw.
Mari. Ik laat de saak ten een’maal bevoolen aan jou.
Claud. Coert versoek u voogde van daag eens hier te kome
Coert. Ik heb vaders bevel heel prompt in agt genomen,
    En hoop dat ik se sal vinden in haar huys.
Claud. Gaat en voldoet myn versoek maar maak geen gedruys:
    Neeltje sal ondertussen alles weer op redden
    So van vloer te veegen en ’t maken van ons bedden,
    Laat Hans syn wang verbinde komt gy dan voort weer.
Alle binnen.
Continue

TWEEDE BEDRYF.

EERSTE TONEEL.

Coert, Claudius, Hangbast, Slokop, Neeltje, Symen beursesnyder, Coen de Ronselaar en Maartje.

Coert. JA Hans heeft een knappe bruy in syn bek, het doet seer,
[
p. 29]
    Maar het sal sonder naye nog wel aan een groeyen
Clau. Als’t een groot litteken was sou’t my beestig moeyen
    Maar waar drommel, of hy nu weer in een gat steekt?
Han. Van wien, of waar van is het daar gy hier van spreekt.
Slok. Dat sal wis weer, so als ik denk van Joris weesen
Claud. Ja Joris bedryft meer quaat als ik oyt heb geleesen,
    Het loopt hoe langer hoe hoger en ’t quaat wort so groot
    Dat ik wel wou dat hy of een van ons beide waar dood
    Hy heeft myn vrouw en my geschopt, getrapt, geslagen,
    En Hans die snee gegeven ’t is niet te verdragen
    ’t Was of ’t huys in de brant waar ’k ben der van verset,
    Hy had my vermoord, als ik door Hans niet waar ontset,
    En als onse Coert ook niet waar tot hulp gekomen
    Hy had wis een van bey het leven benoomen
    Myn vrouw is heel ontstelt, ’k ben daar haast beroerd van
    Ik weet ’er nu geen raat toe of meer stellen an,
    Daarom heb ik u lieden by my laten roepen.
Hangb. Ik heb gehoort dat hy wel ’snagts slaapt in de stoepen
    En vooral veel by Mama Engelbregt verkeert,
    Die hy onlangs nog een diamant ring heeft vereert
    En dat hy daar ook nog silver heeft doen taxeeren
    Daar hy nagt en dag by haar op gaat verteeren
    En somtyds wel drie of vier pluggen daar op tracteert,
    Met wien hy dan des nagt als straatschenders braveert,
    En dan ’t een hoerhuys in en ’t ander uyt gaat loopen
    ’t Welk hem op de baangragt ’t oorlogie deed verkopen
    Of de Kochel had hem gegeven aan de wagt
    En dan waar hy wis na de kortegaart gebragt,
    Waar wil dat heen hy moeyt hem met alle schelmeryen.
Slok. Spreek eens van steele en stelt ander doen te syen
    ’k Loof niet dat Claudius weet dat hy met syn geld speelt
    En dat hy van al syn kinderen en meidt steelt,
    Sou gy wel gelooven dat hy wel duysent kroone,
    Uyt u huys weg heeft so van u als van u Soonen?
    En dat beschaart so nu en dan, wat dunkt u vaar?
Claud. Gelove ja, maar ’t is droevig en altewaar
Slok. Gy woud geen klagte tegens hem voorheen gedoogen
[p. 30]
Claud. Maar nu heeft hy ’t my selfs levend gestelt voor oogen,
    Niet eens, maar meermaals my met stok slage gedrygt
    ’t Was voort, pay, geef geld, houd u bek ’k wil dat gy swygt.
Hangb. Dat syn goede redens om de galg te beschyten
    En schoone stukken om mee voor de Schout te plyten,
    So ’t niet hooger of lager en wil, mankeert syn hulp.
Mari. Wat gaat’er al om in de brouwery van oesterschulp?
    Myn ring in ’t hoerhuys, daar sal ik my van bevuylen,
    En die met silverwerk daar voor geld te verruylen,
    Help my Neeltje, help my, wie had dat oyt gelooft?
Neelt. Hy had laast myn verloore maagdom haast gerooft,
    Die ring daar heer Hangbast van spreekt wou hy verhoetle
    By my op een nagt hy begost al wat te vroetle
    Met syn hand, maar ’k schrikte en sprong verbaast op,
    En kreeg hem beet aan syn hand en syn dolle kop;
    Hy sprak Neeltje daar’s een ring vattje soete meisje
    Toe maar, hoe houd gy jou so, kom laat ik een reisje,
    Van je weet wel, Neel daar syn diamante in geset,
    ’k Sag dat het mening waar doen sprong ik uyt het bedt
    En vlugte naakt by donker in een and’re kamer.
Hang. Gy quamt daar beter af als Ammons suster Thamar.
Mari. Og Neeltje had gy hem maar eens laaten begaan,
    Dan had gy myn ring gekregen, wat was daar aan
    Gelege geweest ’k had u daar geld voor gegeven.
Neelt. Hy heeft het met kaatje, al te dikwils bedreven
    Om myn selfs met hem te vermengen, neen, dat niet.
Mari. Hoe met Kaatje die heeft een man wiens naam is Piet
    Die past het wis niet haar met hem te vermengelen.
Neelt. Ik weet dat sy malkaar lieve als twee engelen,
    En wat sy samen meer doen en hebben verrigt
    Dat sal mooglyk nog wel eens komen aan ’t ligt,
    Want dat gekraak, gevoel, gestommel en dat kussen
    Daar is altyt juyst geen vierduyms eeken plank tussen
[p. 31]
    Die haar gy weet wel wat ik meen Juffrouw, belet
    Want als vier en stro by een is, brand het beget.
Mari. Ik geloof dat niet Neel, sy sal voor haar man vreesen
Neel. Waarom? so’er wat van komt moet die vader weesen
    Het beurt wel meer, dat een vrouw het boekje quyt raakt
    Voor al soo een aar als haar man ’t kindt heeft gemaakt
    En dat’s een die eerst is getrout ligt wys te maken.
Mari. Gy vertelt my wonderlyke en vreemde saaken,
    Ik had noyt van haar sulks in ’t minst niet gedagt.
Neelt. Gy sult haast groote mama syn, geeft maar eens agt.
Claud. Wel wat sal me nog al denk ik van hem beleven?
Hangb. Dat ’t kind u de naam van groote papa sal geven,
    En so ’t een soon is na u sal werde genoemd.
Slok. Als hy getrout waar mogt daar wel op syn geroemd
    Maar nu mag men het wel wat bedekke en bewinplen*.
Claud. Haar man die is wel wat jong dog in ’t minst geen simple
    En men sal veel werk hebbe eer hy ’t kind aanneemt.
Slok. Geen vrees voor de tyd ’k weet niet waar gy al van teemt
    Laat ons liever tot de oorsaak van onse komst koomen
    En segt wat g’in’t voorstel van trouwe hebt vernoomen,
    Of hoe hy dien aangaande is geresolveert.
Hangb. ’k Had liever u laaste questie gerelateert
    Eer dat men van proposietsjes gaat debatteren.
Claud. Ik sal u in ’t kort alles netjes raporteeren:
    Wy stelde hem trouwe voor en in die tyt quam
    Kees de plug met dit en dat briefje, Jochem Schram
Claudius geeft 2 brievjes over.
    Waar van gy de inhout kunt leese, maar de schyven,
    Wygerde ik, maar doen begoste sy te kyven,
    Vloeke, schelde, drygen, met mesjes in de hand
    En Joris en sy hadde my haast aangerand
    In ’t kort sy dwongen my, ik moest haar plaaten tellen
    Doe sy weg waare ging myn vrouw weer aan ’t vertellen
    Hoe dat het houwelyk soet waar en wat Juffrouw
[p. 32]
    Dat wenste te wesen syn beminde huysvrouw,
    Deden beyde veel vlyt om ’t hem smaaklyk te maken
    Maar niet anders seyde hy kon hem nog vermaken
    Als syn gewoonlyke manier van leeven, want
    Men voorig leven sei hy was in hem geplant;
    Daar by verweet hy my al ’t geen ik van myn leeven,
    So hy seyde, tot syn verschooning, had bedreven
    Daar na sprak hy kom allang genoeg hier van, pay,
    Geef my geld, allon of ik gees u digt een dray
    Aan u kop of een steek in u lyf ouwe schyter
    Ik quam met een stok in plaats van gelt en doe lyter
    Heel toe, ik en myn vrouw kreege onse trekken t’huys
    Hans en koert quamen op myn geschreeuw en gedruys,
    En haalde hem van my af, sy gaven hem wat bruyen
    Doe kreeg Hans die snee, en Joris ging voort weg kruyen
    De deur uyt, en swoer haar te betaalen en my.
Slok. Heeft niemant dan gehoort dat allarm en geschry?
Claud. Neen broer so als ik daar ten minste van wil hopen.
Neel. Myn heer belieft u lieden eensjes voor te loopen,
    Daar is Syme beursesnyder met een toe brief,
    Hy vraagt na u, en noemt u voort, oude gauwdief;
    Wat sal ik hem segge of door u rapporteeren.
Claud. Dat hy hier maar na binnen by ons komt marseeren
    Maar dat hy hem wat modest houd en Cieviel spreekt.
    Syme binne koomende.
    Syme. Voor wien of gy oude schelm die recomandatie preekt.
    Daar, oude duyte dief, en gy drommels Canalje,
    Leest dat en voldoet het of ik sweer dat ik salje
    Altemaal aan rieme snyde verstaat gy dat wel.
Hy geeft de brief over.
Hangb. Noit kreeg Lucifer sulk een dag groet in de hel,
    Wat drommels intr is dat, hoe sal ’t hier af loopen.
Slok. Doet gy swager de brief, so gy wilt eensjes oopen,
    En leest den inhout eens wat of de bootschap is.
Claud. Dat sal van Joris om geld syn, so als ik gis.
    Syme. Komt voort hontsfot, rep u wat, en wilt so niet talmen.
[p. 33]
    Of ’k sal u darmen, ’k sweer ’t by vamen ’t lyf uyt palmen
    En u bekkneel dan voor eene suyker brandewyns kom
    Gebruyken, en u buykleer voor een tamboers trom
    En u haar voor schoemakers borstels doen verkopen.
Mari. Ag myn lieve man doet de brief dog maar eens open
    En lees den inhout, of ik bedoe myn hemt aars
Claud. Luystert vrinde het is een gerymde vaars.
Claudius leest de volgende brief.
    Oude ezel plaag van Joris,
    ’k Sal u haast eens leeren moris
    En u met die drommelse nukken
    Wel onder myn gewelt doen bukken
    En u boos wyf, die Proserpyn
    Doen schrewe als de slager ’t swyn;
    Myn broers, die eervergete schelmen
    Haar leven doen in dood verdwelmen
    Het stok gelt sal ik op u huyt
    Met intrest tot de laaste duyt
    Niet schraal maar mildelyk betaalen
    Maar ’k wouw u Heintje Pik quam haalen
    Of dat u Caron in syn boot
    Weg voerde in de helse schoot
    Met al u aanhang en gepeupel
    Dat my onlangs nog sloeg dus krupel*
    Dat ik hier stil in huys als kind
    Moest sitten sonder geld of splint.
    En so gy met dees hoere kochel
    Geen geld sende sal u oude bochel
    Myn tyd verdryf haast syn in ’t kort
    Dies maakt dat hy geholpen wort
    Met vyfentwitig* gouw pistoolen
    En houtse niet voor hem verhoolen
    Maar geeftse hem goedschik terstond
    Of gy vaart ih de hel syn mond
    Gy hebt my voor eerst niet te wagten,
    Want ik en ben niet van gedagten
    Om in ’t kort t’huys te komen, maar
[p. 34]
    Ik sal u deftig plaagen, vaar,
    Wilt u hier dan wel na gedragen,
    En wapent uwe huyt voor slaagen,
    Daar ben ik van gealtreert ja myn leden trillen.
Slok. Geef de vent het Geld maar en wilt geen tyd verspillen
Hangb. Gruwlyker stukken heb ik noyt meer gehoord.
Claud. Wy sullen waarlyk door hem worden vermoord.
Symb. Sta jou bloethond, daar sal ik jou de strot mee kerven,
    En u Canalje voor ’t leven de dood doen erven.
    Symen trekt ’t mes en toeschietende.
Claud. O neen myn vriend bedaar staak u vreeslyk geweld
    Ik sal u so terstond ter hand stellen het geld.
    Claudius gelt krygende.
    Hou daar, wens myn Joris gesondheyd en welvaren.
Symb. ’k Wens u voor hem de drommel in u oude haren
    En u alle tot een afscheyt de galg tot u erfdeel.
    Symen beursesnyder binnen.
Claud. Og, og, geeft met der haast eens wat te drinke Neel,
    Ik beswyk, ik sterf, ag vrouw Claudius moet sterven!
Mari. Sal ik dus schielyk myn lieve man moeten derven,
    Ag, ag vrienden help, wat raad, ag myn man, myn man!
Hangb. Stil maartje bedaar hy heeft daar nog geen noot van
Slok. Helpt hem op geeft hem wat wyn hy sal wel bedaren,
    Maak syn broek wat los dan sal de schrik wel weg varen
Claud. Ag waar ben ik, wie is hier, hoe kryt myn vrou so?
Mari. ’k Dagt dat gy haast soud gelegen hebben op stroo,
    Want het waar net of u siel uyt u lyf sou vliegen.
Claud. Dat waar maar wyfje lief, om u eens te bedriegen,
    Om te sien of gy bedroeft soud syn als ik sturf.
Mari. ’k Sou in tranen smelten als goud by een koude turf
Hangb. Nu die buy is over, laat ons nu eens raadslagen,
    Hoe dat men ons omtrent Joris best sal gedragen,
    Laat ons u consept verstaan wat gy proponeert.
Slok. ’t Is nodig dat men syn quade aanslagen weerd,
    Of is te vreesen dat ’t laast slimmer word als ’t eerste.
Claud. Ja dat smert my ook wel vriende het alderseerste,
[p. 35]
    Maar smart of niet daar moet op syn gedagt.
    Wat dunkt u dat men hem na ’t verbeterhuys bragt,
    En sien ’t een jaar aan of hy beter wilde leeren.
Hangb. Men sal selde sien, dat sy haar daar in bekeeren,
    Maar erger worden als sy voorheen syn geweest,
    En daar soud ik ook met reden voor syn bevreest,
    Maar dat men hem eensjes buytens land konde stuuren?
Slok. Of dat wy hem in Noorwegen konde verhuuren
    By een houtsager of kapper die hem werk gaf,
    En sober tractament, en so hy luy waar, straf
    Bevelen, hem wat swaar met slagen te kastyden,
Claud. Dat soud ik juyst nog al niet gaarne willen lyden,
    Want ik ben wat naamsiek hy is na myn vaar genoemd,
Slok. Hy is een lievertje die wel mag syn gedoemd
    En gestraft, geplaagt met alle swaare tormenten
Mari. Dat syn eyslyke swaare en inpartinente
    Voorslagen, heer Slokop, maar’t senden uyt land
    Dat’s goed ’k sal ook een goed middel stellen ter hand
    Indien ik weet gy myn voorstel wilt accepteeren.
Hangb. Seg op wy sullen daar over eens consuleeren
    Na rype deliberatie sal ik geven myn woord
Mari. Suurname is ’t rechte land daar ’k van heb gehoord
    Om sulk soort als hy is, best mooris te doen leeren,
    En daar kan hy nog by onse natie verkeeren
    Die hem wel wat sullen onderregten, meen ik,
    So ik aan eenige, die ik daar ken, een brief schik,
    Want ik ben daar bekend en weet den heelen handel
    Van ’t land en ook veele haar doen en levens wandel,
    En ’t sal ook beter, met ons reputatie syn.
Slok. Maartje heeft dat waragtig, netjes en ook fyn
    Versonnen, ik geef myn stem ’t lyd geen debatteren.
Clau. Myn vrouw heeft daar al lang van wille proponeren
    Maar ik heb ’t gekeert, dog nu seg ik ook fiat.
Hangb. Ik wou ik so wel als gy dat versonnen had;
    Het is waarlyk van een vrouw heel wel begrepen
    ’k Moet seggen dat ’er geen bryn, so fyn is geslepen,
    Als van een vrouw so sy tegens iemant haat heeft.
[p. 36]
Claud. Ja dan is ’t het quaatste instrument dat ’er leeft.
Slok. Daar is in veel Historien, blyken van geschreven
    Wat al quaat dat door list van vrouwen is bedreeven,
    Maar dog, Maartjes voorstel dient van ons goed gekeurt
Hangb. So Claudius ja seyt sal ik ’t ook doen op myn beurt.
Claud. Ja vast, ik sta het toe en ben daar in te vreden.
Slok. Ik ook swager vooral, hy sal op een schip treden.
Hangb. ’t Is my ook heel lief so daar maar een schip klaar is
Claud. Ik sal Hans eens stieren om te hooren of ’t waar is
    Dat Quyn heeft geseit, dat daar haast een schip sal vaaren.
    Hans Jorisse, hoort eens hier, ik moet u wat verklaaren.
Hans. Wat blieft myn vader dat ik nu voor hem sal doen?
Claud. Gaat na de Cargadoor Quyn, maar wilt u wat spoen
    Hoort of ’er haast een schip ua* Suurname sal rysen,
    So ja, huurt dan een plaats voor Joris, en so gyse
    Niet krygt in de kayuit, so is de kamer van
    De Constapel ook goet, neemt die dan voor al an,
    En maak de prys, doet het dog alles na behooren.
Hans. Daar klinkt byget, een blyde bootschap in myn ooren
    Ik ga en sal u order na koomen seer goet,
    Maar Ooms en Vader, ik u alle eerst dan groet,
    Hans binnen.
Hangb. ’k Hoop dat hy met goe tyding sal weder keeren.
Slok. Ja dan sal hy dat moesjanke wel wat verleeren.
Claud. Wie weet in wat gat dat hy sig nu wel onthoud?
Mari. Als dit lukt mogt hy willen dat hy waar getroud,
    Want syn papaatjes gelt, sal hem wis daar niet volgen.
Claud. Als hy maar eensjes komt op ’t schip en in dat holge
    Water, hoe sal hy dan denken om papa!
Hangb. Dan mag hy syn welige dagen wel fluyten na.
Slok. Hy sal dan syn quaat gedrag wel eensjes betreuren.
Hangb. En mooglyk van spyt syn haar wel uyt de kop scheuren,
    Maar dan is ’t te laat bedagt, ’t is syn eigen schult
    En ’t best is dat hy hem dan wapent met gedult,
    En schikt sig na de tyts gelegentheyt en saaken.
[p. 37]
Slok. Hy sal sig ook wel eens bly en weer droevig maken,
    Maar het sal daar niet syn, ’t sa waart geef, boey maar op
    Geef wyn kom bekje lief, dat ’s een oestertje trop
    De beste van Colchester, uwe is wat roodjes
    Kyk eens hontje lief, hoe roert keesje.daar syn poodjes
    Hy danst als de wind, Klaar ook, sy syn nog niet moe,
    Komt meisje, laat ons ook eens dansen na bed toe
    En speelen daar eens kiekeboe van dierdomdyne.
Claud. Neen, neen, die vreugt sal dan wel haast als rook verdwynen
    Als hy zee siek word, en dan drinkt water voor wyn.
    Maar sagt vrinden wat hoor ik sou Hans daar ook syn:
    Ja seker luystert wat tyding hy ons sal brengen,
    Kom Hans maak u praatjes wat kort, en wiltse niet verlengen;
    Hoe bent gy gevaaren, is de baan rondom klaar.
Hans. Ja wis, ik heb de paspoort, op ’t schip ook al, Vaar:
    Wilt nu maar syn goed gereet maaken en weg senden,
Claud. Nu hoop ik sal der haast een eind syn van myn elenden,
    En bevryt wesen van al syn schelmse dievery
    ’k Ben ook van nu af aan, deftig verheugt en bly,
    En hoop nu in ’t kort, ook wederom te herleveu*,
Hangb. Daar moet in ’t kort order worden gegeven,
    Om kooy en kist, en al het geen hy nodig heeft
    Te koopen, van alles hem maar ryklyk geeft,
    Maak dog voor al dat het aan u niet komt mankeeren.
Slok. Wist hy hier van hy sou sig wel haast retireren
    Uyt de stad of houden hem hier of daar absent.
Claud. Men moet sorg drage dat het hem niet wort bekent,
    Of anders lag ons werk weer heel en al in duygen
Mari. Praatjes, wy sullen hem nu wel na ons wil buygen,
    En wy sullen hem so ik meen worden meester,
    En wanneer hy t’huys komt wel wat syn bedeester
    Als doen hy de laastemaal ons huys bragt in rumoere,
Claud. Maar hy sou ligt opgestookt worden van syn hoeren
    Daar om is ’t best hier nog wat van geswegen, vrouw.
Slok. Wy laaten de saak nu heel bevoolen aan jou.
Hangb. Wy sullen ook met dese resolutie scheyden,
[p. 38]
Neelt. Myn heere, wilt hier nog een wynig tyt verbyden
    ’k Heb hier een brief gekregen den brenger staat voor
    En het opschrift is aan u drien, so als ik hoor,
    De karel wil van u Catagoris antwoord hebben.
Claud. Daar sal een duyvelse schering syn in dese webbe
    Loopt vraagt na syn naam, en van wie dat hy komt?
Neelt. Het is Coen de Ronselaar hy knort, kyft en bromt
    Of hy drommels in had, Joris heeft hem gesonden.
Claud. Dan vrees ik sel het al weeder niet wynig honden,
    Joris sal wis geld wille hebben, als voor heen, denk ik.
Hangb. Geeft het dan nog maar eens voor ’t laatste nu goet schik,
    Dat Liedje sal wel haast eens uytgesongen weesen.
    Maar laat de vent binne koomen, en gaat dan leesen:
    Kom Neeltje roept hem eensjes hier, uyt onse naam.
Neel. Komt binne vrind maar houd u wat fray en bequaam
Coen. Wat valt ’er te fraye, ’k moet myn bootschap volbrengen
Coen op ’t tooneel.
    Wat duyvel wilje nu van myn, versoope krengen?
    Hier ben ik spreek nu, hoe gy geresolveert bent.
Slok. Gy bent al te hupse redelyke vent,
    Dat gy ons geen tyd soud geven dat wy eensjes sagen
    Wat dat de bootschap is daar Joris om laat vragen?
Coen. Lees dan voor den drommel en syn moer maak ’t wat kort.
Hangb. Het is tyd swager dat de brief geopent word.
Claud. Set u ooren dan schrap het raakt my en syn voogden
    Het is ’t geld en moeders goed dat hy lang beoogden,
    Daar hy omschryft so als ik boven aan kan sien;
    Maar voor my, vaart de inhoud voor een drommel of tien;
    Ey luyster maar eens, dat syn weer heel rare dingen
    Hy begint u, nevens my nu ook al te dwingen,
    Dat gaat fray, niet waar? maar luyster na den inhoud,
    En siet dog wel toe dat gy daar niet voor groud
    Claudius Leest de volgende brief.
    Den laatste Mey in Amsterdam
    In ’t hoerhuys daar ik laast in quam
[p. 39]
    Aan voogden, vaar en al ’t rapalje,
    En aan myn broers dat sno canalje,
    Dient dan de dese tot berigt
    Dat ik myn voogden van haar pligt
    Ontsla, quiteer van haar regering,
    Maar dat ik wil dat sy uytkering
    Met rekening van haar misdryf
    Doen sullen van het eerste wyf,
    Myn moer, haar nagelate gelden,
    Die myn vaar eens by haar bestelde
    Doen ’t Testament geopent was,
    Want ik ben nu al selfs van pas
    Bequaam om ’t geen sy daar van steelen
    Nu selfs myn hoertjes uyt te deelen,
    Ik ben haar dievery al moe,
    Daarom, ’k waarschouw u, sie toe,
    De reekening wel op te maaken
    En ’t gelt te schieten, of ’t sal kraaken
    So dat de heele Beurs en Stad
    Haar quade handel hier uyt vat:
    Myn vaar moet sig hier wel na schikken,
    Of ’k sal hem aan de schout verklikken,
    Dat hy twee susters heeft getroud,
    Waar van hy met een nog huys houd
    D’aar is dood die waar myn moeder,
    De laaste heeft een soon, myn broeder,
    So dat twee susters met een man
    Twee soort van kinders teelde an:
    Myn Ouste broers twee snode guyten
    Die altyd speelde met vaars kluyten,
    Sal ik in ’t kort breken den hals
    Voor al haar leugens drommels vals:
    Myn vaar sal ’t laate wel gevalle
    Dat hy myn goed en kleders alle
    Met hondert guldens geld nog geeft
    Aan dese karel die hem heeft
    De brief gebragt, of hy sal leeven
[p. 40]
    Als eene die u dwingt te geven,
    Uyt myne naam en ook order
    Sal hy plagen, en ook vorder
    Dan haastig rygen aan syn degen;
    U wyf sal hy de bek op veegen,
    U soons so sy daar syn omtrent,
    Betrekken, sweer ik selderment
    Haar hande daar sy ’t geld me stolen
    Sal ik swart brande als smits kolen
    En verwe daar myn rok me swart
    Als ik tot rouwgaan word getart
    Het vel uws huyt sal ik swart maken
    Dan kan ik aan goe lanphers raaken
    So u dees kermes dan behaagt
    So wygert ’t geen ik heb gevraagt
    Dan sal hy ’t schouspel u vertoonen
    En ik sal in vaars huys dan woonen,
    Dit schryft u Joris, die gy laast
    Met slagen maakte seer verbaast
    Maar die niet meer voor u wil vreesen
    Want gy sult haast syn dienaar weesen.
    Daar hebt gy ’t vrienden, wat dunkt u van die pottasie
    Is ’er nu een onder ons die so veel Couragie
    Heeft om deese drygementen te wederstaan
    Die trekt met my hier tegens het haarenas aan
    Om deese uytgesonde vent de nek te breken
Coen. Wel snode wetbreker, durft gy aldus nog spreken,
    ’k Sal u Couragie wel haast beproeven, sta vast,
    ’k Moet sien of dese degen niet in u en past,
    Loopt niet ouwe rekel, of ik sweer dat, ik salje
    Vermoorde en nevens u dit heele canalje
    ’t Ingewant uytgraven, sta dat u de nikker haal.
Slok. Sagt sagt vrient houd op van meer diergelyke taal
    Te spreke, u boodschap sullen wy aprobeeren,
    En geven u het geld en ook Joris syn kleeren
    Wy sulle ook afstant doen van onse voogdschap
Coen. Waar toe diend dan al dat onnosel geklap
[p. 41]
    Van dien ezel ik souw hem ligt hebben doorregen,
    En als hy had weg geweest,dan had ik voort myn deegen
    Op u gepast, maar kom maar an, geef geld en goed
    Of ik stootje by myn hiel nog onder de voet.
Hangb. Kom swager rep u daar moet geld en kleren wesen
    Dan sal de vriend syn colorie wel haast genesen,
    Voldoet den eysch uws soons, en dan op en hola.
    Klaud. Moet ik altyd gereet syn te geven, so dra
    Myn soon maar eist, wel dat sou de duivel verdrieten;
    Maar kom an ik sal voor dese reis nog geld schieten
    Dog na desen dag geen meer, seg hem dat maar vry,
    Kom Neeltje breng syn kleedren eens hier by,
    Geefse aan dese vrient laat hem daar wel mee vaaren.
Coen. Wel of niet hy sal u warhooft nog wel eens klaren.
Neeltje de kleeren gevende.
Neelt. Daar vrientje hebt gy syn goetje nu al den bruy;
Koen. Dat ’s een goet begin sey Lys, tegens scheele Truy,
    En sy sloeg haar bruydegom een paar blauwe oogen.
Hang. Dat mogt de duyvel selfs van syn bruytje gedoogen,
    Als dat myn waar gebeurt ik gaf haar wis de sak
    De sak alleen niet, maar wis afscheyt met een grote kak
    En twee paar vette konkels om haar ezels ooren.
Claud. Daar is het geld nu vriend, en stilt nu wat u toren;
    Seg myn soon dat de voogde reekning sullen doen,
    En geven hem syn part van syn doode moeders poen,
    Maar hy hoeft om geen schyven meer by my te stuuren.
Coen. ’k Groetje en sal hem verhaalen myn avontuure,
    Maar siet voogden toe dat gy in ’t kort u woord houd.
    Coen binnen.
Hangb. Die verbruyde vent sprak bars en duyvels stout,
    Maar ’t waar best dat wy syn begeerte slegts na quamen.
Slok. Daarom seyde ik voort op het geseyde, ja en amen,
    Want ik vreesde niet weynig voor een groot allarm,
    En als brutale menschen haar bloed eens word warm,
    Dan is ’t of de beuling ketel over komt loopen,
    ’t Smeer in ’t vuur brand, dan hoeftme geen hout te stoken,
    Maar ’t brand net of de duyvel voor syn vernuys sit.
[p. 42]
Hangb. Nu dat’s gedaan voor dese reys genoeg van dit,
    Maar of hy ons belofte van ontslag sal genieten,
    Twyfel ik niet weinig of ’t sal hem wis ontschieten,
    Maar wat sal men doen, als men gedwongen word
    Word men met een tot goede belofte geport,
    En als de beul uytscheid is de belofte versopen,
    So meen ik sal ’t met ons en hem ook aflopen,
    Want met dat sentiment heb ik fiat geseyt.
Claud. Wel so, daar ben ik niet weinig om verblyt,
    ’k Meende waaragtig, dat gy ’t sou hebbe gedaane,
    Om dat gy met so veel ernst, de vent liet weg gaane,
    En tot de afscheit toe, op ja hem gaf de hand.
Slok. So wy dat deen sterkten wy wis onse vyand,
    Dat sou net syn of men oliekoeke wilde kooken
    Op een vuur dat met bossen stroo wierd aangestoken,
    Want ik meen dat de olie haast so wel als stroo
    Een vuur sou maaken als de hel brande in folio,
    So ook hy, wanneer men hem wilde meester maaken
    Van syn geld dat syn quaad in meerder brand sou raaken,
    En hy haast aan de galg ten minste in ’t Rasphuys,
    En dan was de laaste dwaling nog grooter kruys.
Hangb. Komt laat ons gaan, Claudius sal syn goet besorgen.
Claud. Ja vrinden dat is wis ik denk dat het al morgen
    Gereet sal syn, al te maal tot de laaste stip
    Toe, om als hy t’huys komt voort te varen na het schip,
    Daar ik my in alles wel toe sal gaan bevlyten.
Slok. Nu dat’s wel hy mag daar dan op een zuurkool byten:
    Ik groetje Claudius oom, ik laat het op u staan.
Hangb. Met die selve groet, en mening sal ik ook gaan,
    En hoop dat het nu in alles wel sal gelukken.
Claud. Ja oom Albert Slokop, ik denk hy sal op krukken
    Na ’t schip toe loopen, dog Oom Goosse Hangbast en
    U groet ik ook, en weet dat ik u dienaar ben.
    Voogde binnen.
    Kom Hans en Koert, koopt nu eens een kist, hangmat, kelder,
    En bultsak, deken, kussen, hemden, rokje, ’k selder
[p. 43]
    U gelt toe geven, ook brandewyn en toebak,
    En sent het voort t’huys, op dat men ’t gauw inpak:
    Gy wyfje, besorgt de kist van het een en ’t ander
    Dat hy nodig heeft, en doet het maar by malkander
    Wy sullen het dan wel schikke, so als ’t behoort,
    Want so dra als hy t’ huys komt moet hy na scheeps boort,
    Wy synder nu voor en moeten der ons door redden.
    Maart. Dat is vast man, maar ik wil ook wel met u wedden
    Dat hy nog voor eerst niet sal t’huys komen, ten sy
    Het geld op was of de Wagt hem bragt in de ly.
Claud. Dat mag syn so ’t wil wy sullen het nu afwagten,
    Laat ons maar binne gaan, om eens onse gedagten
    Te laten gaan aan wie men sal schryven een brief
    Met recommandatie om hem te tracteeren als dief.
Mart. Als gy wilt man, ik heb dorst en moet nu eens drinken.
Alle binnen.



TWEEDE TONEEL.

Claudius, Maartje, Hans, Coert, Ratelwagts, Neeltje, Joris.

Hans. ’k HEb daar in passant, onse Jooris sien rinkinken
    Op de Zeedyk, in ’t hoff van Engeland, juyst net
    Als ik daar passeerde om te koopen syn bet,
    Daar waar een heel Consilium van hoeren en pluggen
    Die om hem swurve, als om de kaars een swerm muggen
    De roemer en de kan wierd daar deftig geveegt,
    En so als ik loof niet wynig zyn beurs geleegt,
    Het fiooltje en bas maakte daar fraye tonen,
    De singsters schenen Muse, de Spelers, Apols sonen,
    Maar ik dorst daar niet lang staan uyt vreese dat ik
    Van hem sou syn gesien, dan waar ik in de strik
    Van hem geweest, daarom ging ik voort haastig lopen
    Om al syn scheepsmatrialen by een te koopen
[p. 44]
    En dat heb ik verrigt, gelyk gy siet. Wat nu gedaan?
Claud. Myn vrouw sal het goedje nettjes pakken gaan,
    So dra als Coert met het Joode vlees aan komt treden.
Hans. ’t Vlees is hier, wat meent gy dat ik quam te bestede
    Voor al dat sootje met tobak, brandewyn en als.
Claud. Twe hondert guldens, meer niet of de kaart is vals.
Hans. ’t Is daar omtrent maar het kan nog so veel niet bedragen,
    Maar daar sie ’k onse Coert ook al aan komen jagen,
    Die heeft de deken gekoft maar weet van hem niet.
Coert. Daar is de deken ook, maar hoor wat drommels verdriet,
    ’k Daar van Joris heb gehoord, hy begind straat schende
    Hy heeft een man en vrouw aangerand met syn bende
    Pluggen, en doe in het hoerhuys eenige gekwest
    De waardin geld afgedwongen en haar op ’t lest
    Nog een snee gelaten regt in ’t midden van, weetje,
    Vaar ik durft niet seggen, maar de dogter van Peetje
    Heeft ook so een bruy, daar na riepe sy, Wagt, Wagt;
    Die ontquam hy, of was na de kasjot gebragt,
    Nog heeft hy eens bestaan by nagt in huys te breken
    Want hy had ’t instrument al in een gat gesteken,
    Maar de Ratelwagt, die sag het, doe waar ’t verbruyt,
    In ’t kort het is alom bekend dat hy niet stuyt.
Claud. Ik vrees nog eer dat hy weg komt voor quade rampen.
Mart. Wat vrees? hy sal in ’t kortmet elendigheyt kampen
    Als hy op ’t schip en tot Suurnaame is geland,
Claud. Maar ’k vrees dat hy nog eerst van de Wagt aangerand
    Sal worden en dan nog wel in hegtenis komen
    So hy straatschende begind, moetme daar voor schromen
    Want wat andere vrugt verwagtme daar dog van
    Als dat hy iemand quest, of wel quaad doet, wat dan,
    Dan was myn ongeluk niet genoeg te beklaagen,
    En sulks sou myn gryse haar’ gaauwer na ’t graf dragen
    Daar toe sou een onuytwislyke vlek ’t geslagt
    Van ons door dat leeven dan werden toegebragt,
[p. 45]
    En gy en al myn kinderen souden moeten hooren
    Dat Joris tot schiltwagt van de galg was geboren.
    Voor bewys mooglyk seggen, gaat aan ’t galgevelt,
    Siet hem daar scherme met de beene als een helt
    Die syn vyand met de sabel, gaat attaqueren,
    So een droevig schouwspel, nam dan weg al u eere
    En agting die gy nu nog hebt door myn gedrag.
Hans. ’k Wou vader dat ik hem in de kortegaart eens sag.
    Want anders vrees ik dat hy ons meer quaad sal brouwen
    Want sulke vogels als hy is syn niet veel te vertrouwen,
    En sonder dat krygen wy hem mooglyk niet weg
    Ook syn altyd geen veerschepen by de Y-breg
    Die na Suurname vaaren, de tyd is verloopen
    By na, en ’t vertrek van ’t schip is na by, en hoopen
    Maar na goede wind en gety, om daar mee
    Het anker te ligten en te seilen na Zee.
Coert. Daar leyd nog een kaag te lade voor ’t schip op ’t Cingel.



DERDE TONEEL.

Martje, Claudius, Neeltje, Ratelwagts.

Mart. HOe hoor ik daar aan de schel so een groot geringel,
    Gaat kykt eens gaaw Neeltje wie daar aan of voor is?
    Neeltje gaat uit.
Claud. Og, og ik vrees voor noot wie of aan de deur is
    Het sal sekerlyk jobs bode syn, ik kan ’t voelen
    Og og myn gansche ingewand begint te woelen,
    Ik vrees Joris sal gevat syn, ag, ag, ik vrees
Mart. Tut tut, het sal weer Joghem syn of de plug Kees,
    Om poen voor Joris en dat syn dan maar geldsaken
Neeltje binnen komende.
Neelt. Myn heer nu sal ’t lukken dat Joris weg kan raken,
    Daar is Jan Pierlepomp, Wagts, en Heintje Lappers
    Die hebben van nagt Joris gevat in ’t Tappers
    Huys op de baangragt daar hy met enige hoeren
    Inquaam om de Waart en syn geselschap te loeren,
[p. 46]
    En doe heeft de Waart geroepen om dese Wagt,
    Die hem heeft gevat na de Kortegaart gebragt
    En versoekt uit naam van haar Kaptyn u te spreken.
Claud. ’k Voelde dat in die bootschap ongeval sou steken.
    Ja laatse binnen komen en seggen om wat
    Voor reden Joris door haar nu dog is gevat.
Neeltje haalt de Wagt op ’t tooneel.
Mart. Gy hebt de reden gehoord sy sullen u vragen
    Of gy geld wild geve of sullen hem overdragen
    Na de boeyen, dan hebt gy actie met de Schout.
De Wagts komen op ’t tooneel.
Wagts. Myn heer, u soon heeft dese nagt brutaal en stout
    Op de Baangragt met enige hoere gaan rinkinken
    Tot dat sy in een herberg gingen om te drinken
    Alwaar hy alles liet opboeye wat ’er was,
    Doe hy weg ging de Waart betaalde met kan, glas
    En diergelyke hem en syn vrouw na ’t hooft te smyten
    Waar op de vrouw en man begost te roepen en te kryten
    Wagt, wagt, help waar op wy quamen en vatten hem
    En lyde voort na ’t wagthuys daar hy sit in klem,
    Nu vraagt ons Capityn, of gy wilt hondert kroonen
    Betaalen, dan sal hy ’t niet aan de Schout vertonen,
    Maar wy sullen hem van daag brengen in u huys.
Claud. Maakte hy geen manier van vegte of gedruys,
    Doen gy hem vatte of liet hy sig goedschik krygen?
    Wagts. Ja hy wou ons in ’t eerst aan syn deegen rygen
    Maar dat wierd belet met een stok tegens syn been.
Claud. Wel dat’s goed, maar kom an, gaat maar eens haastig heen
    Breng hem t’huys daar’s een obligatie van twehonderd
    Gulden voor u Captyn maar of myn soon wat donderd
    Als gy hem na huys brengt, kreunt gy u daar niet an,
    Gy sult beide een foitje hebben en een kan
    Beste wyn, maar set hem in een slee, laat hem ryden
    En gaat elk aan een syd bewaart hem met u byden
    Of hy sou u ligt ontsnappen, weest gewaarschoud
    Van my dat gy hem niet veel toom geeft of vertroud
[p. 47]
    Of ik verseker u gy soud u buyt verliesen
    En hy eer gy ’t wist sou dan het haasepat kiesen,
    Daarom weest voorsigtig mannen, siet wel toe.
    Wagts. Heel wel heerschop. Daar leit wis een duivelse roe
    Voor hem klaar maar men sal u beveelen betragten.
    Goeden dag heerschop gy kunt haast u soon verwagten,
    En nevens hem ons, op hoop van beloofde fooi.
Wagts binnen om Joris te haalen.



VIERDE TONEEL.

Claudius, Maartje, Hans, Coert, Neeltje, Wagts, Joris.

Claud. IK meen als hy t’huis komt dat hy wel drommels mooy
    Sal kyken als hy dit scheepsgoed siet prepareren.
Mart. ’k Geloof als hy kon dat hy sig sou mefroseren
    In een Rot of Vleermuys om te ontvliegen ons.
Claud. Dat wenste ik niet om geen duysend ducatons,
    Dog om precautie te gebruyken voor ’t ontvlugten
    Sal de Wagt blyve, dan hoeft gy daar niet voor te dugten
    Maak gy ondertussen alles gereed so ’t hoord.
Hans. Ik moet al evenwel ook eenjes nog een woord
    In ’t cyffer brengen, moeten wy al dat geld missen
    Dat gy voor Joris geeft dan sal ’k myn Ooms ophissen,
    Want dat sou ons al te schaadlyk syn en onregt.
Claud. Ik weet niet waar van gy praat, onnoselen knegt,
    Het sal hem by uytdeling worden afgetrokken.
    Van syn moeders goed want ik wilder niet om jokken,
    Ik heb wel drie duyzend guldens voor hem betaalt.
Neelt. Dan is ’t wel als dat maar by u blyft vast bepaalt,
    So sullen wy ook sorg dragen voor ’t retireren.
Coert. Daar komen dy waarlyk met hem al aan marseeren,
    Nu sal ’t gaan, sta vast den bruy, neemd hem nu eenjes waar.
Neel. Myn heer, Joris is aan de deur en maakt sulk gebaar
    Tegens de Wagts, sy moeten hem in u huys dragen.
Claud. Dan voeld hy wis dat tussen hem en ons de wagen
[p. 48]
    Niet meer regt en gaat maar dat hem verraad is gebroud;
    Gaat eens Hans en Coert, en maakt dat de Wagt hem houd
    En hier krygt, hou maar, s’hebben hem al binnen mikken
    Nu sal de heele saak so ik meen sig wel schikken.
    Daar komt hy, houd u stil, hoord wat hy seggen sal.
Joris. Dag Vaar, daar was ’k en nu ben ik schoon in de val.
Wagts. Myn heer onse dienst is nu volbragt, en nu versta je
    Woude wy wel de fooy hebben, want het is na je
    Beveele geschied so wy denke, braaf heerschop.
Claud. Ik sal u dubbeld loonen pas hier nog wat op,
    Of hy ons wilde vermeesteren en ontsnappen,
    En so gy dat siet moet gy mee dan ook toestappen
    Om hem te houden want hy moet van daag van land.
    Wagts. Goed myn heer dat is een regte kolf na ons hand.
Claud. Wel soon Joris heb gy nu lang genoeg gaan swieren
    Met u pluggen en hoeren die stinkende dieren,
    Of bent gy nog niet moe ik geloof wis van neen,
    Waarom sond gy uyt de kasjot na haar niet heen
    Om u te lossen, seg seldermentse Eezel?
    Jou moer en broers plaag en u oude vaders geessel
    Wat brengt gy my al schrik en verdriet aan, myn haar
    Is so grys als een duyf geworden ’t laatste jaar,
    Al u ligtmissen, pluggen, die gy hebt gesonden
    Hebben my en u ooms ’t hart verschrikt en geschonden,
    Ons huys in rumoer gebragt, my by na de dood.
    U ligtmisse word straatschende, en dat so groot,
    Als wy daar niet volgens pligt op quamen te passen
    Men haast sou sien gy voor de galg waart opgewassen,
    En ik meen als de Schout, al u handel wist, dat
    Gy om u slaan aan my en meer quaad wiert gevat,
    U hoereeren, met Kaatje een getroude vrouw salje
    Nog wel beklagen, en al dat beestig canalje
    Daar gy mee hebt verkeerd sult gy haast in de hel,
    So ik meen wensche als het te laat weesen sel,
    Want die verdoemde brieve door u myn gesonden,
    Hebt gy door haar raad opgestelt en onderwonden.
[p. 49]
    Die met sulke beestagtige tygers aan myn huys
    Te senden met sulk gewelt dat sint theunis sluys
    Daar van daverde, maar schobbert waar syn u kleeren
    En al ’t geld gebleve dat u so menig keere
    Gesonden is, jou eervergete hontsfont* spreek.
    Nu swygt hy die te vooren wel een leeuw geleek
    In ’t woeden, daar staat hy of syn broek waar bescheten
Joris. Nu gy alleen praat bent gy braaf op my gebeten,
    Gy hebt u text redelyk, so gy meent, verklaart,
    ’k Geloof gy u sinne daar lang hebt op vergaart,
    Want anders soud gy ’t van buyten so net niet weten
    Al is ’t waar dat ik in de kasjot heb geseten,
    Is dat bewys van myn straatschende, reutelaar?
    Maar voor wie dog is dit scheepsgoedje hier so klaar,
    Denk ik, of bent gy een sielverkoper geworden?
    Pay, sedert ik weg liep om dat gy my sloeg en knorden.
    Waar drommel moet die bagasie na toe, papa?
Claud. Dit moet na een schip, en van avond volgd gy na,
    Om na Suurname te vaaren voor u ligtmissen.
Joris. Segt gy dat Vaar dat kan ik egter nog niet gissen
    Dat gy dat meend want ik heb nu in ’t sin wat goeds,
    Dat is een goet leeven te leggen, dat veel soets
    Voor u, en onse familie geheel, sal baaren,
    Want ik meen nu met een jonge Juffrouw te paaren
    Gy kentse wel ’t is malle Jordens dogter, die
    Ik vol genegentheyd myn groote liefde bie,
    Want sy heeft myn hert in suyv’re liefde doen blaken
    Daarom sal ik nu myn ligtmissen seker staaken
    Indien gy dit accepteert, berg dit goedje maar.
Claud. Trouwen met een dogter die heeft een malle Vaar,
    En moeder die een hoerkind is, dat’s brave liefde!
    Neen neen, sulke dogters ook wel eensjes geriefde
    Voor geld want het ey is selden beter als ’t hoen,
    Ook is ’t te laat van u bedagt, ’t staat te doen
    So als de resolutie is bepaalt met voogden
    Doen wy leesde uit u laaste waar op gy oogden,
    So dat gy maar staat kunt maaken om nog van daag
[p. 50]
    Na een schip te vaaren met een Texelse kaag,
    Want u belofte van go? beterschap sou duuren
    So lang dat gy uyt quam dan soud gy u piek schuuren,
    U gaudiefs knepen syn ons wel bekend,
    Gy hebt die in ’t kort in ons memorie geprent,
    Ik weet ook heel wel hoe u beterschap sou wesen
    Als de bleekers honden veel slimmer als voor desen,
    En als gy ons nu waart ontsnapt soud gy weer fray
    Met een plug of twee om gelk* stieren, by u pay;
    Neen soon het geloof is uyt tussen ons beiden,
    Wy sullen nu voor een jaar of tien van een scheiden,
    En mooglyk voor langer na gy u daar dan schikt.
Joris. Ik ben waaragtig van die sententie verschrikt,
    Maar gy meend het so qaaad niet, wil ik egter hopen.
Claud. Dat sult gy haast sien. Neel gaat na de sleper lopen
    En segt dat hy hier aanstonts komt met een sle?,
    Ook breng Klaas de kruyer en Andries de sjouwer me?
    Om Joris syn scheepsgoed in de Kaag te besorgen.
Joris. Eer ik weg ga so sal ik my liever verworgen
    Of gaan staart op, als ik maar op het schip kom, want
    Voor het scheepsleven wil ik liever syn van kant.
Neelt. Belieft myn heer, dat dit volk aanstonds hier sal komen?
Claud. Wel ja, hebt gy dat aan myn reden niet vernomen?
Neelt. Heel wel, myn heer, ik sal ’t beschikken alles pront.
Neeltje binnen.
Joris. ’k Wou dat die drommelse meyt haar bek waar vol stront,
    Sy schynt daarom verblyt te syn, so ik kan merken.
Claud. Daar is niemant, of sullen harder als in de kerken
    Van blydschap singen, over u vertrek, so ’k denk.
Mart. Ja, ik sant Antonie de Padua schenk,
    Of ten minsten het namaaksel van syn beeltenis,
    Want de Spanjaards seggen dat hy een gedeelten is
    Van het groot regement van de Zeegodt Neptheun,
    Daar by een Pauw staart daar de ogen in zyn, seun
    Van Argus om of s’u op ’t schip wilden betrekken,
[p. 51]
    Gy altyd rond kunt sien, want Jooden syn scheepsgekken
    Of sy gebruykense daar voor, maar Argus siet
    Altyt behalven als hy met een fluytend riet
    Word in slaap gespeeld, van Jupyn syn bootschap brenger
    Gebruikt dan altyd dit wapentuig, gy sult lenger,
    In vriendschap blyyen als of gy nimmer niet sag.
Joris. ’k Weet niet waar gy drommelse kol van praten mag:
    Bemoeit gy u met u oude druypneus, die bedrieger,
    Die my myn moeders goed ontsteelt, ik lieg ’er
    Niet om, so hy my myn part gaf, dan sou ’t wel syn,
    En ik sou dan gerust leven gaan van het myn’,
    Want als ik dat had kon ik in alles rond schieten.
Claud. Sulke praatjes sou de duyvel selfs verdrieten
    U moers geld hebt gy al meest weg, wel wat meend gy,
    Dat ik ’t geld maar ophaal als de baggerman kley?
    Neen al ’t geen gy gestoolen hebt en laten halen
    Eu al ’t ander dat ’k voor u heb moeten betalen,
    Ook dese onkosten van u reys sal u pront,
    By Reekning gekort worden, als ’t haar van de mond
    Door ’t scheermes word gekort, en sulks is wel uyt last
    Van Gacham die door klagen van u broers, op past,
    Dat sulks word besorgd daarom wilt so niet praten.
Joris. ’k Sal myn broers door de duyvel nog eens plagen laten,
    Of door een aar in drommels schyn dat haren hals
    Verkeerd sal staan, voor haar slaan en leugens vals.



VYFDE TONEEL.

Sjouwer, Neeltje, Coert, Claudius. Neeltje binnekomende.

Neelt. MYnheer de slee staat voor de deur, hier syn de lieden,
    Gelieft nu aan haar al dat gy wilt gebieden.
    Sjouwers komen binnen.
Claud. Kom mannen draagt dit goed na buyten, set het vast
    Op de slee, en dan vorder wil ik dat gy past
[p. 52]
    Dat het in de kaag komt die op Cingel leyt te laden
    Voor de Wynberg, en gaat gy dan eens, Jantje, na de
    Schout en versoek voor my twee van syn dienaars
    Om tegens den avont, als gebrand word de kaars,
    In myn huys te komen, om myn soon te gelyden
    Na het schip want hy ons byster veel quaats beryden
    En seg dat ik haar wel sal loonen na waardy,
    Want het is nodig dat sy hem doen uytgely.
    Jan de* Heel wel, myn heer, ik sal het daar heel wel bestellen.
    Ik weet wel dat de dienders dat heel gaarn doen sellen,
    Sy slagten ons en loeren op foy als een hond
    Op een do koe, en als een paardevlieg op strond.
Jan de Wagt binnen.
    Arbyd. Moet al dit goed heerschap na buyten syn gedragen?
Claud. Ja mannen kom wilt niet lang staan kyken of vragen,
    De tyd vereyst het dat gy u wat dapper spoed,
    Voorsigtig, beseerje niet, me dunkt u hand bloed.
Coert. Dat is van het stooten voor aan de deur gekomen.
    Doen sy de eerste smulkist hebben opgenomen,
    Maar het heeft geen noot want het vel is daar maar af.
Claud. Ny* sal u broer, syn loon haast ontfangen in straff.
Arb. Myn heer, wy sullen nu maar met het goed voort ryden.
Claud. Ja manne, daar drinkt onderweeg eens met u beyden
Arb. ’k Bedank, myn heer, men sal ’t op u gesontheyt doen.
    Dat’s een goed heerschap hy geeft voor ’t drinken poen.
    Nu myn heer, goedendag, men sal alles beschikken,
    En de beste plaats nog in de kaag sien te mikken.
Claud. Goed mannen, doet maar so als het sig daar toe gedraagt.
Arbeitslieden binnen.
[p. 5]
    SESDE TONEEL.
Claudius, Joris, Hans, Coert, Wagts, Martje, en Neeltje.
Claud. WEl nu Joris is ’t nu geen tyd dat gy beklaagt
    U voorig doen, of gelooft gy niet, dat ’t sal lukken?
Joris. Ik hoop van neen, maar ik vrees myn gat aan stukken
    Dat het daar nu toe sal komen, maar wat helpt dat
    Als gy ’t maar gewent bent, schyt gy goud uyt u gat,
    Dog gy sult my tot die gewoonte nog niet krygen,
    Al soud ik u, en al die my vast houden, rygen
    Aan een Portugeese spaat, so sal ik niet gaan,
    Daarom siet wel toe, want ik heb myn nu beraan,
    Liever te sterven als na ’t schip te syn gesonden,
    Dat drommels gebroet, myn broers, die wrede blafhonden
    En schriklyk swyn, u wyf, sal eerst nog van kant;
    Dan sal ik wel haast van myn vaar meester syn, want
    Sulke drie als gy, moeten na myn pypen dansen,
    Als ik maar eens begin met vloeken, en een franse
    Furie dan sal syn broek wel haast worden te nauw.
Claud. Dat sal ik u wel haast beletten, drommels klauw;
    Kom aan Hans, Coert en Heintje ’t sa, wilt hem eens grypen
    Men sal hem binden dan sal hy wel fynder pypen.
    Hans, Coert en de Wagt toeschietende, binden hem vast.
    So lustig, daar ’s een touw, maak hem aan de ring vast,
    Dat’s een moye halsbant die hem heel fraytjes past,
    Nu is ’t slaan vermoorde en ’t vlugten u benoomen,
    Leg daar nu hontsfot tot dat de schouts dienaars komen
    Steek en sny die so gy kunt als sy met u gaan.
Joris. Moort! moort! brant! help! help! sy doen my hier gewelt aan:
    Lustig buuren, staa by help my uyt dese handen
    ’k Word hier gebonden, geworgt van myne vyanden
[p. 5]
    Og help my dog buuren, het is myn quade Vaar
    Die my dus pynigt en doed maken sulk misbaar;
    Hy boeyt my, en wil myn so uyt de werelt stuuren,
    Ag ik sterff, ik sterff, het sal nu niet lang meer duuren,
    So gy my niet helpt, ag Kaatje lief staa my by,
    Siet u minnaar aan, hoe dat die is in de ly,
    Sy willen onse liefde door myn vertrek breken;
    Ag, ag, Engel ik kan van droefheyt niet meer spreken,
    Wat sult gy nog droefheyt om u lieve minnaar
    Lyden, als ’k weg ben daar de schult van heeft myn vaar,
    Gy sult niet van myn gesoent nog getroetelt worden
    Meer. Hoe swygt gy ook, wat is dat u tot haat porden,
    Waarom staat gy my niet by, seg myn Engelin.
Kaatje van binnen roepende.
    Og Joris, lief, ik bidt u swyg,
    Want ik van droefheyd neder syg,
    Myn hert dat lyd in diepe rouw,
    Om dat gy vast legt aan een touw,
    Kon ik u helpe en ontslaan,
    ’k Sou voor u in doods prykel gaan,
    Maar ’t kan niet syn, myn lief die moet
    Van Avond weg met al syn goed.
Claud. Sie daar breekt het nu uyt, syn’en onse Kaatjes min,
    Maar sy hield haar puur stil en sweeg die fyne troonje
    ’k Had het noyt gedagt dat sy waar sulk een karoonje,
    Die haar man hoorens sou opsetten, maar ’t is wel,
    ’k Weet dat Joris het met haar niet meer doen sel.
    SEVENDE TONEEL.
    Maartje, Claudius, Kaatje, Neeltje, Joris.
Mart. DAt ’s een verbruyt swyn sy geeft het nog selfs te kennen,
    Wel Claudius, wy moeten toonen dat wy bennen
    Voogt in ons eigen huys, kom Neel, roept Kaa eens hier.
Neelt. Goed Juffrouw. Claud. Wat sal dat syn? Mart. Ik sal Kaa dat dier.*
[p. 5]
    Eens door halen. Claud. Wat dan? Mart. En dan uyt myn huys jagen.
Kaat. Wat is ’t Juffrouw dat gy my roept. Mart. durft gy nog vragen
    Seg jou hoer, die een bordeel van myn huys maakt,
    Daar gy een man hebt die door u aan horens raakt,
    Gy sult myn huys voort uyt dat wil ik jou wel sweeren,
    Jou onbeschaamde beest. Clau. Dat is dan voor ’t hoereren
    Dat gy met Joris hebt gedaan, verstaat gy dat.
Katje. Ik heb wel eens hooren seggen dat men een pat
    Wel so lang kan treden, tot dat hy komt te barsten,
    Sodanig dat al ’t geen in hem was ’t gat uyt parsten,
    En dat doet gy ook, weet gy dat wel oude schurk,
    Gy syt veel slimmer schelm als een Barbaar of Turk,
    Gy bent de eerste die myn maagdom heeft genoomen,
    Niet lang daar na dat ik eerst by u waar gekoomen,
    Gy hebt my meer dan hondert maal tot u dienst gehad
    En my dese, en die ring gegeven; dat
    Ik my niet schaamde, wat soud ik al kunnen seggen,
    Hoe dat Joris my by u eens te bed vond leggen,
    Doen u eerste vrouw pas gestorven waar en kout,
    En nog na dat gy met dit wyf weer bent getrout
    Hebt gy my ook dese strikken laten verdienen,
    En doe gy eens meende dat myn buyk waar vol bienen,
    Rade gy my tot de trouw, om dat gy bang waar
    Dat ik een kind sou krygen, en gy dan syn vaar,
    En doe ’k Piet tot myn genaamde man quam te kiesen,
    Quam ik met een u hulp en liefde te verliesen,
    De reden weet gy best, het waar met u gedaan;
    En doe Joris wist, dat gy hem waar voorgegaan,
    Heeft hy my gelieft, ik heb hem nu ontfangen,
    En syn liefde in myn hert seer nauw opgehangen,
    Nu u dat verveelt, nu ben ik een hoer, en gy
    Stoot myn en u soon ter deur uyt, en noemd my pry,
    Maar dat sal u dier te staan komen, kan ik denken,
    Myn man sal u daar voor, komt hy t’huys wel beschenken
    Sodanig dat het u wel leet sal syn, Sinjeur.
Clau. Jou verdoemde hoer voort terstont buyten myn deur
    D 4
[p. 5]
   
Hy schopt haar.
    Of ’k sal u hals en benen breken. Joris. Help my Kaatje.
Kaat. Ik kan niet lief, u Vader schopt my. Mart. U papatje
    Sal haar en jou straks scheide. Claud. Voort lelyke hoer
    Uyt myn gesigt pak u hier van daan. Mart. Dat rumoer
    Heeft my veel vreemde saken doen ter oore koomen,
    Van u Claudius, ’k wou dat ’k u noit had genomen
    Tot myn man. Clau. Gelooft gy dat een hoer kyvent seit?
Mart. ’k Heb te voren also wat gehoord van de meyd,
    En dat komt nu over een; maar wat sal ik seggen,
    Kom ik myn eyers ook buyten ’t nest eens te leggen,
    So is ’t kamp op. Joris. Og myn Kaatje lief waar zyt gy?
Mart. Vader heeftse weg gejaagd, sy is weg die pry.
Joris. Ik wou dat ik myn vaar eens had onder myn kluiven,
    Ik sou hem slaan dat hy een myl veer sou weg stuyven.
Claud. ’k Seg houd den bek vlegel, of ik salse met een stok
    Houden, hoorje stinkend en ondeugende brok
    Vleis, u vloeke en quaad gedrag is nu verlopen,
    En daar is nu geen verlossing voor u te hopen,
    Wy sullen nog een galge maal houden, waar by
    Ik u voogde sal nooden, die nevens my
    Dit consept so hebben bepaalt, en ook begrepen.
Neelt. Myn heer, de man is daar, die ’t goed heeft geslepen
    Na de kaag, en komt om vier schellingen aan geld.
Claud. Geeft het maar Neel, om dat hy ’t so gaau heeft besteld,
    Men moet nu op geen stuyver vyf ses so niet kyken.
Neeltje binnen.
Mart. Ik sou myn van lagchen beget wel besyken,
    So fyn als Joris singt nu hy is in de knip,
    Hy kykt ook so onnosel als een sieke kip,
    Gy soud wel de passie uyt syn troniewerk leesen,
    En so ’t schynt sou hy nu selfs voor quaad doen vreesen,
    Maar slagt de dieven, hy heeft ook galge berouw.
Claud. Dat hebt gy wel gesproken, waarde huysvrouw.
Neeltje binnen.
Neelt. Myn heer, daar is de kruyer en de sjouwer gekomen
[p. 5]
    En seggen dat het goed wel is overgekomen,
    Sy eysche samen netjes sesendertig stuyvers,
Claud. Geefse haar maar, Neeltje, het syn maar armen kluyvers,
    Sy hebben het ook wel verdiend van desen dag.
Neeltje binnen.
    ACHTSTE TOONEEL.
Martje, Claudius, Wagt, Neeltje.
Mart. WAar of Jantje de ratelman dog blyven mag?
Clau. Die sal wel haast weer komen, so als ik kan denke,
    Want ik moet haar beyde met een foy nog beschenke
    Volgens belofte voor haar dienst aan myn volbragt.
    Neeltje uyt.
Neelt. Myn heer, daar is Jan de and’re ratelwagt.
Claud. Laat hem hier komen om syn bootschap my te seggen.
    Neeltje binnen, Wagt uyt.
    Jan. Myn heer, ik had daar veel questie te wederleggen.
    Omtrent u soons bedryf eer dat ik fiat kreeg.
Claud. Ik dagt het wel dat daar wat moest syn in de weeg,
    Om dat gy so lang uyt waart eer gy weder keerden.
    Wagt. Dog ten laatste sy u versoek nog accepteerden,
    En sullen omtrent ses uren hier seker syn.
Claud. Dat’s braaf gemaakt daar is nu het foytje van myn,
    Elk een ducaton, gaat by de meyt nu wyn drinken.
    Wagts. Heb dank, heer, men sal op u gesontheyt eens klinken,
    En met een wensen wy u ook een goedendag
    En welvaaren altyd, of men u niet weer sag.
Wagt binnen.
Claud. Ik dank u mannen. Vrouw dat waren hupse lieden
Mart. Ja man die ware nog wel ligt iets te gebieden.
Claud. Maakt gy nu wat eten klaar, voor een afscheitsmaal
    En gy Neeltje, heer Slokop, en Hangbast, eens haal
    D 5
[p. 5]
    Om het afscheits maal nevens my ook by te wonen.
    Neeltje in en uyt.
Neelt. Ik ga my so aanstonts by haar liede vertonen.
Claud. Kom vrouw wilt wat haast maken het word al wat laat.
Mart. Dan is ’t tyd dat men dan maar na agteren gaat.
Alle binnen.
Rey van Broeders.
    Vreugde, vreugde, vreugt in ’t rond,
    Vreugde singt uyt hert en grond
    So wel vader als ons moeder,
    Om dat weg moet onse broeder,
    Vreugdig syn wy altemaal,
    Vreugde is nu onse taal,
    Vreugde heeft ons hert ontsteken,
    Blyschap doet ons vrolyk spreken,
    Onse plaag en huysverdriet,
    Verdwynd nu heel en al tot niet.
    Onse vreugde sal meer rysen
    En ons Vaders swaar gepysen
    Heel veranderen in vreugd,
    Als hy mist syn soons ondeugd;
    Vader sal op nieuw weer leeven,
    Moeder sal ons meerder geeven
    En Ooms sullen nieuwe Jaar,
    Haar gifte maaken eens so swaar.
    Joris sal ons niet meer loeren,
    En ons geld weer by syn hoeren.
    Brengen als hy heeft gedaan,
    Daarom vangt nu lustig aan:
    Singt met helle stem myn broertjes
    Dat hy nu verlaat syn hoertjes
    Komt singd vreugdig uit in ’t rond,
    Vreugt sit ons in ’t hert en mond,
    Vreugde groot, hy sal haast sterven
    In Suurnaam, dan sal men erven
    Al het geen hy anders trok,
[p. 5]
    En dan krygt hy wis een rok
    Van swart laaken, om te toonen
    Dat Joris ons niet sal hoonen,
    Hey dan erft men van Papa
    Al ’t geen dat hy dan laat na;
    Dan so sal men vreugd bedryven,
    Als wy met Joris syn schyven,
    Ramlen, spelen, hei sie soo,
    Joris broer is al om stroo;
    Joris broer syn steelen, roven,
    Deed ons vreugd in ’t eerst verdooven,
    Maar syn reys na ’t hete land,
    Heeft weer vreugd in ons gepland,
    En doed ons van vreugde singen,
    Al ons geld en meerder dingen,
    Dat broer van ons had beschaard,
    Word meer betaald als ’t was waard,
    En wy boven ’t capitaaltje
    Dan nog krygen een regaaltje,
    Dat is fray, hey dat is soet,
    En hy moet weg arme bloet,
    Hy moet weg en zeewaarts varen,
    En dat ruimpjes voor tien jaaren,
    Dat is mooitjes, singt nu bly,
    Joris broer is in de ly,
    Joris broer sal niet meer snyden,
    Of weer quaat voor ons beryden,
    Neen, neen, dat is gedaan,
    Hy moet na Suurname gaan;
    Hy sal Kaatje niet meer troetlen
    En geen ringen meer verhoetlen,
    By mamatje Engelbregt
    Of geen silver, arme knegt,
    Meer uyt vaders huys weg dragen,
    Nog om geld weer laaten vragen,
    Door syn pluggen, dat gespuys,
    Eerst gebroken uyt rasphus*;
[p. 6]
    Men sal nu ook niet meer klagten
    Van hem hooren, nog de wagten
    Sullen hem niet na ’t kasjot
    Brengen, of hy sal ’t schavot
    Nu voor eerste niet beklimmen,
    Maar hy sal de blauwe kimmen
    Van den groten Occeaan,
    Nu een wyl beschowe gaan.
    Dan so sal hy pipen, schyten,
    En wel op een hontsfot byten.
    Als syn smulkist is geleegt,
    En syn geldbeurs is geveegt,
    Hy, hy sel miserie singen
    Als veel plagen hem omringen,
    Eu dan denken om papa,
    Als een quaa brief, hem volgt na,
    O dan sal hy byster treuren,
    Als syn siel wil ’t gat uyt scheuren,
    Door het boldre van de zee,
    Die veeltyds brengt siekte mee;
    Maar al treft hem quade dingen,
    Evenwel wy vreugdig singen,
    Vreugde, blyschap over al,
    Joris broer gaat van de wal;
    Joris broer syn quade parten
    Sullen hem nu selven smarten,
    En so bitter smaken als
    Heilig bitter, of wat gals,
    Galanga, roed en aloee
    Angelica en mirree,
    En meer ander bitter sap,
    So sal smaken hem scheeps knap,
    ’t Sal niet syn, geef lekker wyntje,
    Sa Waart geef nog wat van ’t ryntje,
    ’t Is voor my en myn matres,
    Hei kom an, geef nog een fles,
    Maar hy sal daar water suypen.
[p. 6]
    En syn moet sal heel weg duyke
    En dan seggen, ag, had ik
    In alles maar geweest goed schik,
    Dan so had ik niet geleden,
    Als ik doen moet nu op heden,
    Maar ’t is te laat dan bedagt,
    En elk om syn klagen lagt,
    En wy singen, vreugde, vreugde,
    Vreugde uyt ons broers ondeugde
    Vreugde, vreugde, vreugt in ’t rond
    Vreugdig, singt uyt herten grond
    Om dat Joris moet verlaaten
    Syn hoeren, stad en steene straten,
    Daarom singt nu overluyt,
    Joris vreugd is weg gekruyt,
    Hy sal byster moeten lyden,
    Daar wy ons nu om verblyden.
    DERDE BEDRYF.
    EERSTE TONEEL.
    Martje, Neeltje, Claudius, Joris, Voogde, Broeders, Dienders.
Mart. IK weet niet Neeltje hoe dat gy so dom kan blyven
    Je moet immers eerst het tin met een doek afvryven
    Eer gy ’t op tafel set, ik belast dat altyd
    En ’t is u even gauw vergeten; o meyd, meyd
    Wat salje nog leren als g’ by een aar komt woonen,
    Rept u hande en benen wat, ’k sou immers toonen
    Dat ’k handen aan myn lyf had, lustig als een meyt
    Hebt gy de messen vorken, en lepels geleyt
    Op taffel, alles netjes in een goede orden;
    Synder schoone servetten op de tafel borden;
    Is ’er boter, als roosjes gespit, is ’t sout al
    Op tafel fyn geklopt, kom set u van daag pal,
[p. 6]
    ’t Sal u geen schade wesen; ik sal voor u maaken
    Dat gy, so je op past, aan een foytje sult raaken;
    Lustig als een meid, maak de peterselie schoon,
    Wast de glaasjes helder, span van daag eens de kroon
    Van u dienst, set de wyn in ’t water, om te koelen,
    Is de tafel in order al beset met stoelen,
    Kom als een meid, breng my de schotels nu maar hier,
    Tapt dan een kan of twee van ’t ses guldens maarts bier;
    Is de olie of asynkan ook vuyl beslagen
    Kom meisje, gaat dese bagasie maar weg dragen,
    De vrienden sullen haast komen, gnapt u wat op,
    Toe den bruy, meisje, een schone muts op u kop,
    En een helder schortekleet voor, een wit neusdoekje
    Om u hals, kom lustig neemt die prulle uyt ’t hoekje
    Doed u tas aan, dan kunnen de voogden ook sien
    Dat Hans u ’t gelt heeft gegeven, gy sult wel tien
    Of meer guldens, so ik denk, van daag daar in krygen,
    Maar gy moet u voor al wat mooitjes en vast reygen
    Anders hangen u borsten so eyselyk te pronk,
    En mooglyk dat Hangbast u dat in ’t oor klonk,
    Daarom kunt gy die pottebank wel bedekt laten,
    Want hy heeft altyd wat, so gy wel weet te praten
    Het sal ook veel meer reputatie voor u syn.
Neelt. Laat maar alles, Juffrouw, van daag staan op myn:
    Ik sal myn, ’k beloof het u, in alles so quyten
    Dat gy my noyt meer iets sult hebben te verwyten,
    ’k Meen dat de tafel in alles so net is geschikt,
    Dat gy als gy ’t eens siet, van sult syn verschrikt
    Alles is so wel, so als ik selfs kan vertrouwen,
    Of men voor afscheit, Joris syn bruyloft soude houwen
    En ik weet niet dat daar nu eenig ding ontbreekt
    Maar ik wouw wel dat gy ’t eerst eens selver bekeekt,
    Want twee kunnen meer fouten sien, als ik allenig.
Mart. Dat’s waar Neeltje, maar dat vlees is so byster benig.
Neelt. Dat maakt de kragtigste sop, weet gy dat Juffrouw
Mart. Ja dat’s waar, maar ’t waar geseit dat ik eens sien souw
[p. 6]
    Na de tafel, kom aan Neel, laat ik dan eens kyken.
    Sy loopt na de Tafel.
    Wel beget meid dat’s hups, ’t salder nu regt na lyken.
    Kom an, ’k salme nu wat gaan kleeden, doet gy ’t ook,
    Het water van de Salm, is ook al aan de kook,
    So dat wy nu onse gaste kunnen tracteren.
Neelt. Ik sal terwyl aan doen, Juffrouw myn beste kleren
    En my so proper make als een kermis pop.
Claud. Is ’t gebraat, asyn, de salm, ansjovis en sop,
    Wyn, bier, en and’re saken, so ’t moet wesen,
    In alles kompleet, vrouw is het broot braaf geresen,
    Want de vrienden sullen hier so datelyk syn.
Mart. Bemoeyt u daar niet me?, laat dat maar staan op myn,
    En denk maar op u soon, wy sullen ’t hier wel klaren.
    TWEEDE TONEEL.
    Claudius, Joris.
Claud. WEl hoe of onse Joris, dend* ik al mag vaaren
    ’k moet hem eens aanspreken, wel Joris hoe is ’t maat?
    Hy gaat by Joris.
    Het schynt of gy ten eenemaal uyt bent gepraat;
    Gy moet u couragie so gauw niet laaten sakken
    Stront, wapent u als een man tegens ongemakken;
    De duyvel is noyt so quaat als hy verbeeld wort,
    Kom an couragie wat duyvel is ’t dat u schort?
    Moet gy weg, fiat, gy gaat de landen bekyken,
    En moogelyk dat gy u daar haast sult verryken
    Door ’t houwlyk met een Joode dogter of swartin,
    Want overal daar gy komt, leeft en is de min
    En Heintje Pik die u baas is geweest, sal lusten
    Van diergelyken handel, aan die heete kusten
    Genoegsaam in u schieten door Cupidoos hulp.
Joris. Ik kruyp waaragtig haast, pay, van vrees in myn schulp.
    64
    Als ik denk hoe ’k myn soet geselschap moet verlaten,
    En de liefde van Jordens dogter, daar ’k van praatten
    Om me? te trouwen, gelyk als gy nog wel weet,
    En ’t missen van Kaatje, dat is myn so leet,
    Want onse soete vermengeling was so smaaklyk,
    Dat haar te missen voor myn sal syn onverdraaglyk;
    Daar by het missen van u, myn oude papa,
    En al myn andere vrienden, waar van ik gaa;
    O dat smert my so, ’k ben heel met droefheid bevangen
    Maar, nood! ’t is eige schuld, door die quade gangen
    Die ik tot u verdriet en myn smert heb gedaan;
    Maar vader dat ik nog eens pardon mogt ontfaan,
    ’k Sou u met een deftig en beter leven tonen
    Dat ’k u voor sulk ontslag sou dankbaar syn en lonen,
    Ja sou my so fraay quyten in gehoorsaamheyt
    Dat u vreugd sou meer syn, als de eerste droefheyt;
    En wat sal ’t syn, vader, dat ik de pekelplassen
    Bevaar, ik ben tot sulk leven niet opgewassen,
    De zee sal myn in ’t kort beschikken vast de dood,
    Dan sal u immers aantreffe droefheyt, en groot
    Berouw, en stel dat ik in Suurname kom te landen
    So kan ik daar door quaad gedrag u so wel schanden
    Aandoen als hier ter stad, want gy bent daar bekend,
    Daarom bid ik, vader, dat gy u ooren wend
    Na myn klagen, keerd te rug het gegeven vonnis,
    ’t Is nog tyd van tappen so lang ’er in de ton is,
    ’t Is ook nog tyd om te herroepen dat gy met
    Myn ooms tot myn straf had bepaalt en vast geset;
    Verhoord myn vader, ’k beloof u altyd te eeren,
    So gy myn scheeps goed laat wederkeeren,
    En my als u soon, in genaa aanneemd, als voor
    Deese eer ik ’t quaat leven tot vermaak verkoor.
Claud. Hoor soon dat is vergeefs gepraat, u helpt geen klagen,
    Bidden of beloften, so gy u wel wilt dragen,
    Sal men u afslag geven van tyd, maar u reys
    Is vast gesteld, daarom staak u noodloos gepeys,
[p. 6]
    En wapent u tegens u vertrek en afschyden,
    Daar is niemand van ons, die u daar van bevryden
    Sal, want het is eens en meermaals geaccepteert,
    Daarom is ’t u te raden dat gy u maar keerd
    Tot resolutie, om goedschik van hier te vertrekken.
Joris. Goedschik meenje, niet! dat syn praatjes voor de gekken.
Claud. Ja goedschik of quaatschik, u vertrek is bepaalt.
    Joris, ’t Is wysheyd als me keert, so men siet dat men dwaalt.
Claud. ’t Syn goede kinderen die na ouders luysteren.
Joris. ’t Syn quade ouders die haar kinderen kluysteren.
Claud. Nog quader is ’t als de soon syn Ouderen slaat.
Joris. ’t Is wreed die sig door smeken niet verwinnen laat.
Claud. Nog wreder als een kint syn vader wil vermoorden.
Joris. Dat geschiet, als de Vader syn kinders verstoorden.
Claud. ’t Is onmenschelyk dat een kind syn ouders straft.
Joris. Nog gruwlyker is ’t dat gy nu voor my verschaft.
Claud. Voor u werken sult gy u loon nu haast ontfangen.
Joris. De straf word wel verligt, als de dief is gevangen.
Claud. Kittelt u met die hoop niet, zwyg daar maar van stil.
Joris. Ik hoor wel dat ik die groote bittere pil
    Van vertrek, sal moeten aannemen en inslikken.
    DERDE TONEEL.
    Martje, Neeltje, Claudius, Joris.
Mart. WEl Neeltje, gy weet waaragtig van opschikken,
    U goet staat u altemaal so proper aan ’t lyf
    Of gy waart van drie kinderen, een jong kraam wyf,
    ’t Is met u loof ik, hoe flodderiger hoe mooyer;
    Hoe hangt dat jak aan u gat, foey meyt, gaat voort ployer,
    Nog wat ruymte uyt op de rug, kom rept u wat.
Neelt. Dat is mooy genoeg Juffrouw, ’t is aars al te plat
    E
[p. 6]
    Om ’t lyf, en dat komt niet over een met myn sinnen,
    En waar ik netter, sy mogte my te meerder minnen;
    Juffrouw, ’k heb al evenwel altyt nog druk werk
    Om myn minnaars te helpen, sy minnen so sterk,
    Ik kan ’t u niet seggen, daarom moet ik maar houwen
    Die gewoonte van kleden, of ’t sou my ligt rouwen,
    Want als ik my wat netter kleden, souden sy
    Denken, dat ik fynder en moe waar haar gevry.
Mart. Ik hoor nieu toe Neel, maar besiet my eens rondom,
Neelt. Gy bent begut so fray als een Norin van Drontom
Mart. Schaamt gy u niet, gelykt gy my by een Norin.
Neelt. Wel neen, immers lykt een Smouse vrouw en Jodin,
    So als men u, en al u secte, komt te noemen,
    Veel meer daar na als ik, die daar niet van wil roemen
    In haar huys kleding, na die natie, so ik meen.
Mart. U verbeelding Neeltje, brust nog al wat heen,
    Ik kon dat in ’t eerste so gauw niet wel begrypen.
Claud. Onse Joris, vrouw, begint nu al fynder te pypen,
    Hy heeft nu berouw van syn ligtmisse en quaat
    Gedrag, hy begint in ’tgeheel een andre praat
    Uyt te slaan als voor dese, hy begint te smeken
    Om pardon; van droefheyt kan hy naauwlyks meer spreken,
    Maar ’t is nu te laat bedagt syn vertrek is vast.
Mart. Mooy praten of bidden, is nu de moriaan gewast,
    Hy sal nu weg, of ik sal wis, u vrouw niet blyven.
Claud. Dat’s vast, hy sal met bidden ons voornemen styven,
    Want hy is niet te vertrouwen, so men weet en siet;
    En quam hy vry, wie weet wat ’er in ’t kort was geschiet
    Door hem, neen, mooy praten, bidden, vloeken of schelden
    Sal tot afstant van syn reys by myn geen prys gelden,
    Maar gaat eens by hem, vrouw, en spreekt hem dog ook aan.
Mart. Dat doen ik.
    Maartje gaat by Joris en spreekt.
    Wel soon, ’t sal haast tyd worden van gaan:
    Hoe is ’t, bent gy wel gemoed, om van ons te schyden?
[p. 6]
Joris. De drommel mogt al die tormenten langer lyden,
    Die gy valsche gespook, met al u boos fenyn
    My aaadoet; verachte bose Proserpyn,
    Wat broud gy my een vergiftig sap door u listen,
    Wat waar dat een droevige dag voor my, doe ’k misten
    Door de dood myn eygen moeder; had die geleeft
    Tot nu ik was in dese staat niet; ag hoe sweeft
    Haar tedre sorg tot my gestadig voor myn oogen,
    Maar gy bose stiefmoer, hebt de drommel bedroogen
    Door u listige streken, en ook met een myn,
    Want gy bent de oorsaak van al myn druk en pyn;
    Gy, gy, bent die geen die myn vertrek heeft versonnen.
Mart. U quaat gedrag meent gy heeft die strop gesponnen.
Joris. Maar gy bent de oorsaak en niet ik van myn quaat gedrag.
Mart. U hoeren, meent gy die gy liever en meer sag
    Als u vader, die u veel liefde heeft toegedragen.
Joris. Bent gy nog laast geen oorsaak geweest van myn slagen?
Mart. Hebt gy my niet van myn silver en goud berooft?
Joris. Hebt gy myn vreugt door dit vertrek niet gedooft?
Mart. Dat moet gy u selfs, en dan u voogden verwyten.
Joris. So ’k niet gebonden waar, beest, ’k sou u neus afbyten.
Mart. Sagt Joris, so haastig niet soon, staak u gramschap,
    Als gy vertrekt, is uyt al onse vyantschap,
    So gy u wel draagt sult gy in ’t kort weder keeren.
Joris. Ik denk my een vis of worm, eerder sal verteeren,
    Eer dat ik uyt Snurname sal werden verlost.
Mart. Hou moet, al heeft het menig het leven gekost,
    ’t Is daarom niet geseit dat gy daar ook sult sterven.
Joris. So het also quam, sult gy myn aarsdarm dan erven
    Om in te blasen, vreugt,vreugt, soon Joris is dood.
Mart. Maak die aan u hoeren, die u haar geile schoot
    Voor myn en u vaars gelt hebben ten prooy gegeven.
Joris. Die sullen met het overschot van myn gelt streven.
Mart. Nu dat’s wel, denk daar, als gy eens wilt sterven om
    E 2
[p. 6]
    Maar ik denk dat u geld dan sal syn een kleine som,
    Gelyk gy wel sult sien by u Reekning couranten.
Joris. Ja voogde, voogde, seg ik syn groote debusjanten
    Somtyts over haar pupils, vaars of moeders goed,
    En dat sal ik ook bevinden, og armen bloet,
    Waar ben ik toegekomen sint myn moeders overlyden.
Claud. Wy sullen van deese praatjes wat afgaan schyden;
    U voogden komen so aanstonds hier, so gy dan
    Wat hebt te seggen, spreekt haar so gy wilt selfs an,
    Maar ik verseker u dat gy haar t’onregt beschuldigt.
Joris. Waar is dan haar geld anders van vermenigvuldigt,
    Als door haar woekere en schrape met myn geld,
    Want sedert gy haar ons moeders goed hebt bestelt,
    Syn ’t heeren geworden, en luyden van vermoogen,
    Dog so ’k haar dit eens voorwerp, sal ’t syn gelogen,
    En ’k sal goetschik moeten seggen goet is ’t, fiat,
    Gy hebt het wel gemaakt Ooms, en ik weet dat
    Sy luy in alle streeken dubbelt syn ervaren,
    Die credit en debet wel sullen evenaren,
    So dat het sal volgens solda balans, sal syn nul,
    Of daaromtrent en ik dan elendige sul
    Moet dit dan voor een waar evangelium houden.
Claud. ’t Kon wel zyn dat u die laster woorden berouden,
    Als gy haar opgemaakte reekning komt te sien.
Joris. Dat’s dan een witte valk geschoote, so ik mien,
    Want so gy my ses voogde wyst, sal ik u wysen
    Vyf die haar eyge Capitaal daar me? doen rysen
    Dog onder reverentie gesproken, papa,
    Daar synder ook wel die alles ten besten, na
    De regel van ’t geweeten gaan derigeeren,
    En boven ’t capitaal nog wel intrest uytkeeren
    Als sy reekening doen van al haar voogdyschap.
Claud. Al lang genoeg hier van dat nodeloos geklap,
    Ik nog u broers hebbe geen sorg voor haren handel,
    Want ik weet tot de grond toe al haar doen en wandel,
    En so ik vertrouw en weet, sult gy ook pront
    U rekening gestelt sien op een goede gront,
    So dat gy daar niet sult vinden te debatteten*
[p. 6]
    Ten sy gy vond gesteld u nodeloos verteeren
    En het geld door u getrokke so menig keer,
    Ook het gestolen silver dat gy noyt bragt weer
    So van u broers als van my en meer andre saken.
Joris. ’k Wil alles betalen als ik maar vry kan raken
    Van na Suriname te varen, help my vaar.
Claud. Praat daar niet van u vertrek is naby, en klaar
    Is Kees, zei de jonge, en hy sag syn vaar hangen.
Joris. Wel dan wou ik dat de duyvel voor myn waar gevange
    Om heen te varen, die is heet en kout gewent,
    En alle andre ongemakke ook bekent
    So men zeid is hy groen, blauw, swart en meer koleure,
    Elendig pynlyk, hongerig, en meerder geure
    Heeft hy over sig die ik alle niet noeme kan
    En na ik denk so hy mensch is wel een drollig man,
    Daarom regt bequaam om ook voor myn te gaan rysen
    En so ik hem wist ik sou hem die saak aanwysen,
    Voor een stik geld als gy my dan wilde ontslaan.
Neelt. Myn heer daar komt hangebast en siokop al aan.
    VIERDE TONEEL.
    Claudius, Slokop, Hangbast, Martje, Joris.
Claud. KOm binnen, monfreers, welkom myn goede vrinden
Mart. Welkom ooms, gaat wat verder so ’t u belieft in de
    Saal daar is Joris gebonden aan een ent touw.
Slok. ’k Dank u broer en sus, hebt gy Joris in de kouw?
Hangb. ’k Hou ’t met eigen compliment van myn compeer zwager.
    Maar hoe vaart Joris al, ’k loof hem syn vertrek, mager
    Aanstaat; waar is hy laat ik eensjes by hem gaan.
Claud. Hy heeft hem al te laat tot beterschap beraan,
    So als gy van hem sult horen, kom gaat hem spreken.
    Voogde gaan by Joris.
Slok. Dag Joris Neef, hoe gaat het, bent gy in gebreken,
    E 3
    70
    Of bedroeft over u vertrek, wat, hou maar moet.
Joris. Dag oom Slokop, my te trooste staat u heel soet,
    Maar als in myn staat was en ik u quam trooste,
    Dan sou men eens sien wie van ons twe waar de brooste
Hangb. Hou moet neef wat selderementse praat is dat!
    Bent gy treurig om dat gy u geboorte stad
    Voor een tyd moet verlaate en na andre kuste,
    Dat’s gek van u, daar synder die met groote luste
    In u plaats ’t soude aannemen en geven geld toe.
Joris. Ik ben nog niet weg en egter ’t vertrek al moe.
Slok. Dat meend gy niet, want die reis sal u veelwaart wese
    Want als gy daar wel van u ondeugd kan genese
    So is dat alleen de reis waart, en winst genoeg.
Joris. Als ik my dan nu hier deftig en heel wel droeg
    So gy my hier liet blyven dan waar ’t uytgewonnen.
Hangb. Dat’s waar Joris, maar gy hebt in ’t laast grof gesponnen,
    En daarom is u quaat accident nu so quaat,
    Dat ’t te vresen is dat het haast dieper ingaat,
    En dan meen ik dat ’t wel haast sou gangrenere
    En als men geen tegenmiddle of scharfisere
    Gebruykte, waar u quaat haast gemortifiseert,
    En dan moest daar van u lyf syn ge‘xstripeert,
    Daar van ligt de beul u Chirurgyn soude worden
    Die u so beuls soude handle dat of gy knorde
    Mooglyk u leven daar dan wel by verloor,
    Want geeft op klagen van patiente geen gehoor.
    Daarom is ’t best voor u tot eyge hulp en voordeel
    Dat gy u tot reise schikt, want na onse oordeel
    Sal de tyd en verandering van volk en land
    U goede middle tot behout stellen ter hand.
    Dies Neef, hou moet, een jaar of tien is haast verlopen
    En so gy u eerder betert kont gy vast hopen
    Dat gy gauwer sult werden als gy meent verlost.
Joris. Gy stelt dit wel soet voor maar ’t is een sware post
    Voor myn Ooms daar ik nu voor heb my te gedrage
    In so een harmonie dat u in alles sou behage
    71
    Daar toe ben ik geresolveert om een houwlyk
    Aan te vaarde met een Juffrouw die ’k so grouwlyk
    Lief heb dat ’k haar absentie qualyk kan verdragen,
    Want van onder en boven heb ’k in haar behagen.
    Og! sy heeft myn boesem in alles so doorgrieft
    Dat ik boven mate op haar sterk ben verlieft
    En so gy Ooms my met haar wilde laten trouwe
    So kon ik hier blyve, en siet ’t sou u niet rouwe
    Want dan waart gy de sorg over my geheel quyt.
Slok. Ik heb van u vader al gehoort dat gy vryd
    Na Jordens dogter, maar dat’s te laat, sy is gesonden
    Na Suurname, so dra haar ouders verstonden
    Dat gy haar beminde, sy sal woone by haar meuy.
Joris. Na Suurname gesonden, wel so den bruy?
    Dat syn wel duyvelse parten van malle Jorden.
Slok. Hy waar bang dat syn dogter u hoer sou worde,
    Om dat u quaat gedrag hem heel wel waar bekent.
Joris. Hy is dan een duyvelse nar, en een malle vent,
    ’k Vroeg hem om met haar te trouwe in eer en deugde
    Waar op hy voort ja sey, en wiert met een vol vreugde
    Het scheen aan niemant te mankere dan aan myn.
Hangb. Het sy so ’t wil ’t is te laat bedagt ’t kan niet syn
    Want na Suurname moet, en sult gy seker varen
    Daar by is sy tegenwoordig al op de baren
    En gy bent ver genoeg geschyde van malkaar.
    Jor. Wel als’t dan vast is en wesen moet dat ik vaar
    Woud ik wel ooms dat ’k aan myn moeders goet kon raken
    Om of ’t waar dat ik myn fortuyn daar mee kon maken
    In Suurname daar gy wilt dat ik na toe sal.
Slok. De reekening courant hebben wy nu hier al,
    Om dat gy die laast met een schobbejak liet eyse
    Maar ’t geld sult gy niet hebben, dat is voor geen wyse
    Voogde raadsaam te doen voor dat gy mondig bent
Joris. Is het dan voogde gerade my groot torment,
    Droefheyd en leet aan te doen en te laten lyden.
Slok. Dat geschiet om een grooter quaat voor u te myden.
    Jor. Indien ik meerder quaat bedreef quam op my de straf.
    E 4
    72
Slok. Maar dan kregen wy ook een quade naam daar af.
Joris. So gy u in order quyt, kunt gy ’t verantwoorde.
Slok. Men kan al ’t volk de mont niet stoppe so ’t hoorde.
Joris. ’k Denk evenwel dat gy u commissie vergroot.
Slok. Men moet syn sake schikke na vereys van noot.
Joris. Het quaat wort ook wel slimmer als’t is uytgekreten.
Slok. Ondervinding doet best den aart van saken weten.
Joris. So men iemant haat is alles quaat wat hy doet.
Slok. Eens quaat gedaan wort ligt door goet doen versoet.
Joris. So men niet eer straft voor men tyt geeft van bekeere.
Slok. Kleine foute kunnen wel tyd en straf ontbeeren.
    Jor. Die weinig quaat doet wort egter nog niet verschoont.
Slok. ’t Is nodig dat het quaad met straffe word geloond.
Joris. Die ’t meeste straf verdient gaan wel ongestraft lopen.
Slok. Dat syn sulke, daar men beterschap van kan hopen.
Joris. ’t Quaad is ligt te laten als de oorsaak weg blyft.
Slok. Een booswigt sig selfs in al zyn fouten styft,
Joris. Een quaad voorwerp doet grouwelyke rampen brouwen.
Slok. Goe vermaninge hoorde die te wederhouwen.
Joris. Het quaad neemt men ligt aan, maar beswaarlyk het goet,
Slok. De quaatdoenders vallen in grote tegenspoet.
    Jor. Daar vrees ik voor dat’k de vrugten haast van sal proeven.
Slok. Sy sullen nog so pynlyk niet syn als beuls schroeven.
Joris. Pynelyk genoeg voor myn, Oom so als ik vrees.
Slok. Vrees niet ’t is haast gedaan sei de beul tegens Kees.
Joris. Myn smert en droefheit sal van groter nasleep wesen.
Slok. Hou maar moet Neefje, het is nog geen tyd van vresen.
Joris. Myn vrees verdubbeld, Oom, ten sy gy my ontslaat.
Hangb. Dat’s alles ydel, en een nodeloos gepraat.
    Daar’s u rekening courant, leest die, gy sult vinden
    Hoe gy rukeloos* het geld met hoeren ging verslinden
    En hoe na gy tien duysend gulden hebt verteert.
Joris. Dat spyt my niet als ’k my wat eerder had bekeert.
    Joris leest de reekening.
    De reekening courant door Albert Slokopades
    En Goose Hangebast als voogde van Jorades
    Jorisse syn eerste moeders goet, is debet,
    73
    Voor ’t steele van vader en moeders goet is net
    Drie duysent gulde so van silver, goud, diamante,
    Nog gestole van u broers en Meid, om te trante,
    Twee duysent gulde nu en dan aan gelt en goet,
    Voor getrokke gelde met plugge sno gebroet,
    Gesonde reekninge van u gemaakte schulde,
    Door vader betaalt en ’t geld daar g’u sak me vulde,
    So nu en dan ontfange ses hondert floreins,
    Aan gelt voor de casjot en morbum medicyns,
    Vier hondert gulde net aan dese u voyagie,
    Onkoste van kleere, scheepsgoet en meer bagagie,
    Met het aanboort brenge drie hondert en vyf kroon
    Voor eenige klynigheit so goet als arbyts loon
    Te same net in alles ook negentig gulden
    So dat dit opgestelt in alles is een schulde
    Van duysent gulde ses en seven hondert net,
    Voor moeders goet staat gy by ons in ’t eerst credet
    Voor vyfmaal duysent kroon so dat na ’t balanceren
    ’t Saldo sestienhondert nu ruym kan competeren
    Aldus getekent door Hangbast en oom Slokop,
    Den sesde July ’t Jaar agtien, let vry daar op.
    Joris gelesen hebbende spreekt.
    Daar is een duyvelse declinatie gekomen,
    In myn capitaal so als ik hier kan sien, Oomen,
    So dese rekening over al door kan gaan.
Hangb. Slaat gy daar ook Neef nog eenige twyfel aan?
Joris. Twyfel of niet, Oom, het gaat my ver uyt myn gissing
Hangb. Buyten de waart te rekenen, geeft wel een missing.
Joris. Maar ik meende, so lang als ik onmondig was,
    Dat ik most besorgt worden uyt myn vaders kas.
Hangb. Dan soude u andere broers veel te kort komen.
Joris. Dan hoor ’k moet dit maar voor goet worden opgenomen.
Hangb. Goet of quaad schik, het komt van een hoger bevel.
Joris. ’t Scheelt my niet al quam ’t van lucifer uyt de hel;
    Ik sie nu wel hoe ’t laken hier ook is geschooren,
    Ik ben ongelukkig nu ’k myn moer heb verloren;
    E 5
    74
    Maar patientie is goet kruyt ik ben daar na voor,
    En ik salder my ook soeken te redden door,
    Nog drie jaar dan ben ’k mondig dan sal ’k de rest trekken
Hangb. So gy u levens draad maar so lang kont uytrekken.
Joris. Sterf ik in ’t kort, dan sal u geweten meen ik
    Altyt knagen dat gy my so bragt in de strik.
Hang. So gy sterft sal ’k van blyschap een tractement geven.
Joris. Ik hoop gy die dag dat ik sterff niet sal beleven.
Hangb. Hopen of wenschen doet evenveel tot een saak.
Joris. Quaat of goet te wensche geschiet wel uyt vermaak
    Maar ik wou wel Oom, dat gy my wilde ontbinde.
Hangb. Als u vader ’t consenteert sal ik het goet vinde.
Joris. Waar bent gy bevreest voor ’k kan immers niet weg gaan
Hangb. Gy mogt weder u quade parte vangen aan.
Joris. Ik beloof u van neen, maar sal my goet schik houde
Hangb. De tyt is al voorby, doe men u wat vertroude.
Joris. Maak dan het touw maar wat los van myn hals, het knelt
Hangb. Ik sal het late so u vader ’t heeft gestelt.
Joris. Is ’er dan geen barmhertigheit meer in u gebleve?
Hangb. So veel als by u doen gy ons de doodsteek wout geve
    En ons harte u hont toe spys geven ook.
Joris. Dat voorneme is heel verdwene als een rook,
    En heb berouw Oom van die en meer grouwelstukke.
Hang. Gy wout ons hande brande en ’t vel van’t vlys rukke
    Om lamfers te make niet, hoe dorst gy ’t bestaan?
Joris. Dat heeft de duyvel en ’t quaat geselschap gedaan.
Hangb. Gy hebt het egter door brieve ons toegesonde.
Joris. Ik heb egter van dien aart nog niet onderwonde.
Hangb. Dat is u door ’t brengen na de kasjot belet.
Joris. Ik had dat voornemen doe al te rug geset.
Hangb. Gy slagt de schelme die gevange syn gekomen
    Sy hebben dan ’t quaat nooyt gedaan of waargenomen,
    En overtuygt men haar dan is ’t door noot geschiet.
Joris. Van een anders goet of quaat bedryf weet ik niet
    Maar wel dat ik nu myn quaat gedrag moet besuuren.
Hangb. Ja dat sal nu ook so ik meen niet lang meer duuren,
    Want een uur of twee is haast weg, u vertrek naakt
    75
    Maar ’t sal redelyk syn dat gy eerst de peys maakt
    Met Vader, Moeder en Broers, om als vrind te schyden.
Joris. Als sy ’t my vergeven willen, sal ik my verblyden,
    En vergeven haar ook al ’t geen ik van haar leed.
Hangb. ’k Vergeef u al ’t quaad dat gy my drygde of deed.
Slok. Aan myn kant is al u quaad gedrag ook vergeven.
Joris. Wilt gy my, Ooms, daar de hand wel eensjes op geven?
    Voogde geven hem de hand.
    Voogdsame. Ja wy, hou daar, alles vergeten, leef gerust.
Joris. Ik dank u Oompjes, als ik aan die heete kust
    Ben geland sal ’k u een brief van vrienschap toesenden.
Voogds. Draagd u maar wel, dan sal u ongemak haast enden.
Joris. Dat beloof ik te doen in alles, so als ’t behoord.
Slok. Wel Joris, weest dan maar gerust, gy gaat nu haast voort,
    De dienders koomen strak om u na ’t schip te brengen.
Joris. Moet ik gelyt worde dat kan men niet gehengen.
Claud. Nu vrienden aan de tafel, kom Joris, voor ’t laast
    Nog eens gegeten en gedronken, het is haast
    U tyt, wy sullen nog een goed afscheitsmaal houden,
    Want het eind goed al goed, was het spreekwoord van de ouden,
    Wy sullen nu ook alles vergeven malkaar
Joris. Dat had ik van u en moeder te versoeken, Vaar,
    En van myn Broers ook, dan sal ik gerust gaan reysen.
    Claud* Ik vergeef’t u soon men sal daar op nog eens spysen.
Mart. Daar soon, is myn hand de questie dood en te niet.
Broeders. Wy al te maal vergeven of ’t nooyt waar geschiet
Joris. Sie daar’s myn hand, alle leet en smart te vergeten.
Claud. Waar ’t over een maand geschiet ’t had my niet gespeten.
    Neeltje uyt.
Neelt. Myn heer, daar syn de dienders ook al van de Schout
Claud. Laat haar binne komen Neel, dan syn wy vertrout,
    Om Joris los te maken, en dan te gaan eeten.
Joris. Als ’t u gelieft, ’k heb hier lang genoeg geseten
    76
    VYFDE TONEEL.
    Dienders van een Schout, Claudius, Martje.
    Klaas de Snyd. U Dienaar heer Claudius, wy syn tot u dienst.
    Harmh. Wie is dat myn heer, die daar ginte sit en grienst?
Claud. Dat is myn soon Joris, die gy straks moet geleiden
    Tot in Texel, op ’t schip, wy sullen daatelyk scheyden,
    Maar siet dat hy ’t niet ontsnapt, hy is daar op uyt,
    Want hy is een lepe en een doortrapte guyt,
    Pas wel op de vink, sy de boer, en ook hier neven
    Gaat met u die brief om den Capityn te geven,
    Welker inhout is om hem te houden op ’t schip
    En niet aan land te laten gaan, voldoed maar stip
    Myn order, ik salder u rykelyk voor loonen.
Diend. Wy sullen ons na u bevel gewillig toonen.
Claud. Maak hem dan eens los hy leit nog gebonden vast,
    En dan drink ondertussen eens, maar egter past
    Met een op of hy ook nog quaat wilde bedryven.
Diend. Goed, myn heer, wy sulle u dan met ons hulp styven,
    Sy gaan Joris losmaken.
    Kom Joris men sal u van die halsband ontslaan.
    Joris los gemaakt synde.
Joris. Wel mannen, daar hebt gy een goet werk aan gedaan.
Claud. Kom Soon, nu nog eens braaf gegeten en gedronken
    En dan u afscheit nog eens braaf in ’t rond geklonken
    Onder ’t geluyt van een soet gesang, spel en dans
    Door u broeders Magchayer, Sampie Coert en Hans,
    En dan met die vreugt vigelant wel gemoet scheiden
Joris. ’k Begin my van nu al daar toe te beryden.
Clau. Wat segt gy vrouw, sullen de vrienden aan tafel gaan?
Mart. Als ’t u gelieft, de spys heeft lang gereet gestaan.
Claud. Nu vrienden, als ’t u belieft neemt plaats, set neder.
Aan tafel gaande.
    77
    SESDE TONEEL.
Martje, Claudius, Coert en Hans, en andere broeders singen.
Mart. DE vaders liefde tot de kind’ren is so teder,
    Dat het wel passen sou, dat Joris naast u sat.
Claud. Ja soon, sit hier, of ik nooyt dat geluk weer had.
Mar. Kom Neeltje, leg het vlees nu ook maar in de schottel
    En schenk de glaasjes eens vol uyt die groene bottel,
    Loopt wat gauw ’t ander eten moet hier strak ook syn,
    Geef met een aan de Dienders een fles roode wyn,
    Met een glas dan kunnen sy onderwyl eens drinken.
Clau. Nu jongens, gy moet om ’t singen ook haast denken.
    Hans en Coert. Wel ja; wy sullen beginnen nu so terstond
    En wagten maar na ’t commande woord uyt u mond.
Singen het volgende liet.
    Voys: Ag schoone maagt u lieve lonken.
    Nu heeft men vreugt,
    En geen meer sugten, maar klugten
    Nu al ons broers ondeugd,
    Vergeven is,
    En wy weer leven en streven,
    Als ’t waar op kerremis.
    So gaat het als,
    Men niet wil vragen, na ’t klagen
    Van foute menig tals,
    Maar alteyt straf,
    Vader en moeder, of broeder,
    Veel smert en onheil gaf.
    Een dief die gaat,
    So lang vry loopen, te stroopen
    Als ’t schiklot hem toe laat,
    Maar als ’t geval,
    Hem wil beschaffe, de straffe,
    So raakt hy in de val.
    78
    Dat moet hy eens
    Voor al betaale aan paale,
    Dan maakt hy veel geweens,
    Maar dan helaas,
    En helpt geen treure of scheure.
    Of ander naar geraas.
    So is het ook
    Met onse broeder, de woeder
    Was als een helsche spook,
    Nu hy is vast
    En eens gegrepen, nepen,
    Nu heeft hy groote last.
    Maar of hy treurt,
    En om syn daden, genade
    Bid Vader, beurt, op beurt,
    Hy moet syn loon
    Nu dog ontfangen, wel strange
    Die eerst waar liefste soon.
    En moet tot straf,
    Nu Zeewaarts varen, door baaren
    Dat hem de moet neemt af,
    Want heet Suurnaam,
    Daar hy moet heenen, so ’k meenen
    Blaast nooyt geen gulde faam.
    Die ’t land syn lof,
    Op hooge toonen, doet kroonen,
    Vermits hy nooyt krygt stof
    Die hem tot dat
    Geluyt komt wekken of trekken,
    En dit ons Joris vat.
    En krygt berouw,
    Want al syn parte die smarte
    Hem droevig selver nouw,
    Vermits hy moet
    Syn vreugt verlaten, en ’t praten
    Met Kaa syn liefje soet.
    Maar, ag, ramp!
    79
    Hy gaat straks reyse, na ’t spyse,
    Dat is een sware kamp;
    Van Vaar en Moer
    In dese tyden te scheyden
    En van lieve hoer.
    Ey siet, hy schryt,
    En is so treurig en kleurig
    Als sneeuw by winter tyt:
    So heeft de smart
    Syn hert beseten, dat eten,
    Hem swaar valt op syn hart.
    Hy denkt om ’t gelt
    Dat hy moest erven, door ’t sterven
    Van moeder, dat bestelt
    By voogde was,
    Dat is verhoetelt vertroetelt,
    By na meest aldenbras.
    Maar of hy al
    Ons heeft besteken, veel streken,
    Dat is nu niemendal;
    Wy hebben saam
    Syn quaat vergeven, en leven
    So ’t hoort nu weer minsaam.
    En singen uyt,
    Vaar wel myn broertje, geen hoertje
    Verkiest weer tot u buyt,
    Maar so gy lust
    Krygt tot het minne met sinne
    Gaat trouwe aan die kust.
    Dan sal men u
    In alles eere en keere
    Ons hulp in als tot u
    Of so gy niet
    En wilt gaan trouwe wilt schouwe
    De hoere die gy siet
    Nu dan voort lest
    Vaart wel en goedig komt spoedig
    80
    In ’t lant ’t is tot u best
    Blyf lang gesont
    En ongeschonde van wonden;
    Bewaart u losse mont.
Na het gesang moet tot het eyndige van de maaltyt door de broeders gedanst worden onder bet geluyt van snaaren spel.
Claud. Sa vriende neemt u glaasje op wy sullen klinken,
Gaan van de tafel.
    En onse gesontheyt daar mede in ’t ront drinken,
    De tyt die verloopt gauw en ’t word ook al wat laat
    Onse Joris moet weg eer dat de boom toegaat,
    Of anders syn wy van daag van ’t vertrek ontsteken
    En souw ons morgen, wel ligt aan een kaag ontbreken,
    Daarom vrienden, kom drink eens u glaasjes schoon uit.
Joris. Ag Vader dat is voor myn een droevig geluyt
    Wat valt het schyde hart voor myn, druk smerte,
    Hoe benauwt vol angst en treurig is my het herte,
    Ik sterf in ’t kort, door droefheyt, Mie, Pay, Mie Pay,
    O Mie lieve Broeders, Mie Ooms, Mie Maay,
    Verlost my van dit jok en stel my rys ter syde
Clau. Hou moet myn soon hou moet myn sorg sal u gelyde
    So gy u wel draagt en myn leering neemt in agt
    En u heel hups voor swart en blanke hoeren wagt
    Voor quaat geselschap om te suype, dobble, spelen,
    En wel voornamentlyk om iemants goet te steelen,
    Syt nugtre en bequaam en myt de dronkenschap,
    Weest naarstig in u dienst hout u in alles knap
    Bewaart voor al u mont leert op syn tyt te spreken
    Verwyt noyt enig man syn fouten of gebreken,
    Schuwt questie als de pest syt noyt niet obstinaat,
    Laat noyt in u gemoet grontveste wraak of haat
    Geeft scherp en duidelyk agt op heer Smousades woorde
    En doet het geen hy syt in alles so ’t behoorden,
    So sal hy in u dienst ten volle syn vernoegt,
    En gy doet dan het geen een dienaar past en voegt
    81
    Indien gy u so draagt dan hebt gy niet te vreesen,
    Maar ’k sal u sorgelyk weer helpen als voor deese,
    En u weer als myn soon doen kome hier ter stad,
    Daarom let op myn les en doet in alles dat.
Mari. Tut tut Joris, waarom schryt gy dat syn weer kuure
    Die droefheyt sal wis ’k voorseker u niet lang duuren,
    So gy u draagt na de raat van u vader, want
    ’k beloof u dan te doen veel goet en in dat lant
    Weet gy dat ’k ben bekent so dat recomandeeren
    Van myn u daar veel hulp, en voordeel sal bescheeren,
    En u heer Smousades is ook een vrient van myn,
    Dat u door myne hulp veel waart en goet sal syn,
    So ik hem een brief van versoek voor u doe schryve,
    Daarom houw moet draagt u wel myn hulp sal u styve,
    In alle sake daar soon syn tien ducatons,
    Tot een foy neemt maar vigelant afschyt van ons
    Het sal u beter gaan als gy denkt het moet dog wesen.
Slok. Wel Joris ’t is nog geen tyt voor u om te vreesen,
    Laat af van schryde weest vrolyk en welgemoet
    Draagt u maar wel, dan salt bitter wel haast in soet
    Verandere, ik weet gy by een goet heer sal koomen,
    En myn bystant beloof ik u wilt maar niet schromen,
    Daar syn tien ducate neef van my op u reys.
Hangb. Waar toe neef dat onnodig treure of gepeys,
    Gelooft gy niet vader, moeder en ooms belofte,
    ’t Syn immers eerlyke liede en geen hoer of schofte,
    Die iemant wat wysmake tot eyge voordeel,
    Neen ons geslagt is daar te genereus en eel
    Toe dat sy iets soude beloove en niet houden
    Daarom syt gerust ’k sal u ook helpe al souden
    Het Weseper Collegie daar tegen syn,
    Want gy weet wel ik ben immers so hups en fyn,
    Als poppe drek, want sy ginge my eertyts sifte,
    Door de leuning van de Ossemarkt en die gifte,
    Die gy reets heb ontfange is een goet begin
    Houw daar neef hier steekt myn liefde tot u ook in,
    Neemt dese tien pistole sy syn u geschonke
    F
    82
   
    Op u reys, nu nog eens helder in ’t ront gedronke
    En dan met een frisse moet maar hadieu geseyt.
Joris. Ik ben vader en moeder en Ooms seer verblyt
    Over u hulp die gy belooft tot my te drage,
    Ik beloof ook aan myn kant dat ’k u sal behage
    In alles so ’t behoort, ik dank u vader voor,
    U les die gy tot welstant van myn, u soon, door
    U waarde mont liet hoore, ik sal my ook keere
    In alles na het geen gy my doen quam te leere
    En verlaat my dan in ’t geheel op u bystant
Clau. Daar soon ontfangt die hondert gulde van myn hant
    En gaat gerust, stelt u droefheyt nu maar ter syde
    Kom vriende nog een glaasje op Joris af schyde.
    Sy drinke en spreke gesamentlyk.
    Dat gaat op u goedereys, schoon uyt Jorismaat.
Joris. Ik dank u vriende gesamentlyk voor die daat
Claud. Nu dienders kom ’t is tyt gaat nu myn soon gelyde.
Diend. Wy syn klaar myn heer om te vaare en te ryde.
Claud. Nu soon vaart wel sint Jutmus wil u leytsman syn.
Joris. Ag ag vader lief, hoe hart valt dat schyde myn,
    ’k Dank u voor al de sorg door u tot myn gedrage,
    Blyf nog lang gesont en sterk in u oude dagen,
    En vergeeft myn andermaal dog myn quaat bedryf.
Mari. Met die kus wens ’k u de nagtmerrie noyt op ’t lyf
    Sal ryden of nikker nog ouwe sint felten,
    Noyt eniger plaats met u sal ryden op stelten,
    Maar dat sint rommelpot u over al bewaart
Joris. ’k Dank u moeder, die santen syn van droll’ge aart
    Maar ’k heb nooyt van haar in de Almenak gelesen,
    Dog als ik bewaard word van andere of van deese,
    Is ’t my evenveel, ik wens u moeder ook, dat
    Heintje maat u noyt met syn klauwen slaat of vat.
Slok. Nu Neef, ik wens ook dat u noyt sint seldremente
    Zal aandoen eenig leet, of swaare torrementen,
    Maar dat sant helpdenbruy, u bystaat aller tyt.
    So lang gy door u reys van ons gescheiden syt.
Jo. Die wens is byget waart voor myn Oom, ik bedankje,
    Ik wens u ook welstant in al u doen, so lankje,
    83
    Leef, en als gy sterft, dat Caron u dan ontfangt.
Hangb. Welaan Neef malkander nog eens de hand gelangt,
    Daar me? gaat gerust verselschapt met sint kerremen,
    Met sante stookebrant om u in als te wermen,
    Met sante noot en dwang, en waarde lytsaamheid,
    Dan hebt gy al ’t geweer tot dese uwe stryt.
Joris. Die wenschen syn wonderlyk gestelt op myn saken,
    Ik sal daar op het schip een Almenak van maken;
    Om elk sant op syn dag te eeren so ’t behoort,
    Als ik ben gekomen daar ik gaa aan scheepsboord;
    Maar ’k dank u, so die wens tot voordeel kan gedyen,
    Of als die santen my voor ’t quaat kunnen bevryen,
    Ik wens u ook niet weinig maar al vry wat veel,
    Dat is dat de beul doet geen strop om u keel,
    Of aan u hals, syn swaart niet bloedig maakt nog schaarde
    Daar in krygt door ’t afslaan van u kop of noyt paarde,
    Door order van ’t geregt u lede van malkaar
    Scheure, maar dat gy tot myn hulp leef menig jaar,
    So gy sterft my een legaat in order laat schryven.
Broeders. Gaat broer in Jordens naam, en wilt veel vreugd bedryven,
    Laat sante plaaggeest en sante spotter u altyt,
    Gelyden met haar hulp en sante schraligheyt
    Met sante slegtekost en sante watersuypen,
    Met sante Zeesiek en die loose slimme gluypen,
    Sant galstrig varkens spek, en sante morsigheyt,
    U altyt hulpsaam syn so lang gy van ons syt;
    Dan hebt gy volks genoeg die u als leidsluy strekken,
    Gaat, gaat, dan so op reis, ey gaat met haar vertrekken.
Joris. Ja wel broers ’t is of gy aars als ik gesint was,
    Ik weet waaragtig niet, waar dat gy al die bras
    Van sante hebt leren kennen, wat is ’t voor volkje?
    Ik denk wat introydeus gelyk op ’t hoere kolkje,
    Te vinden zyn dog dat’s gedwaalt, gy sprak van sant,
    En santen, en dat is deftig volk, dat wel spant
    De kroon van my en andre, ’t kan my ook niet schelen
    Wie ’t syn, als sy my haar hulp maar willen toedeelen;
    84
    So dank ik u broers voor genegentheyt tot my,
    En wens dat gy u beter draagt als ik, ten sy
    Gy ook tot dese staat daar ik in ben wilt wesen.
Neelt. Mynheer Joris, goe reis den bruy, laat u genesen,
    Wens ik, van ’t quaat gedrag en gyle minne lust,
    Laat sante penitentie u ook aan die kust,
    Met sante krabbelvuyst met volle sorg u lyden.
Joris. Ik dank u Neel, over die wens moet ’k my verblyden,
    Daar Meid is tot foy nog een goude ducaton,
    Maar ’k wou dat ik Kaatje lief nog eens soenen kon;
    Dog ’t mag helaas, niet syn, nu ik moet henen varen;
    Nu vader en vrienden, de beul hoop ik sal u sparen,
    En de tyt sal geven dat wy malkaar weer sien.
    Joris met de Dienders binnen. Waar op sy alle roepen.
    Ja Joris, als ’t wel lukt over een jaar of tien.
    LAATSTE TOONEEL.
Claudius, Maartje, Voogde, Neeltje en Broeders.
Claud. NU is myn droefheid en druk in ’t geheel verdweenen,
    Ik sal geen schrik of vrees nog trilling in myn beenen
    Meer krygen, door die guyt, als voormaals is geschiet
    Door ’t schelms vervloekt gedrag van sulk een dogeniet;
    Daar’s een steen van myn hart doe hy scheide gevallen,
    En nu hy weg is sal hy ook voor eerst de wallen
    Van Amsterdam niet weer betreden, want ik sal
    Een brief schryven na syn heer om hem in de val
    Daar te houden so lang hy door myn wort ontslagen,
    Met een dat hy hem niet weinig maar veel moet plagen
    Voor ’t quaat gedrag, sulks doende, my vriendschap geschiet.
Slok. Dat voorstel broer Claudius verwerp ik ook niet,
    Want nu hy eens weg is moet men hem weg houden.
Hangb. Hy sal daar syn leven einde, zwager, al souden
    Daar geen Jorisse meer over blyven, dat’s vast,
    Want quam hy in ’t kort weer sou ’t quaat syn aangewast,
    En daarom moet vooral een brief syn heen gesonden.
Mart. ’k Heb den handel van hem door een brief al ontbonden,
    85
    Aan Mordachay, Smousades die hem seker ook wel
    Op myn versoek, na syn verdienste handlen sel,
    Maar ’t waar egter goet dat gylien ook eens ging schryven
    Want dat sou myn versoek kragtig en heel veel styven,
    Om dat gylieden, vader en ook voogden bent.
Slok. Dat waar wel goet, maar ik ben by hem niet bekent.
Mart. Gy moet dan maar teikenen, als medevoogt van Joris
Hangb. Dat is waar, want anders ons schryven maar te loor is;
    Maar evenwel Swager gy bent een vriend van hem.
Claud. Ja, ja, so wy maar schryven is hy in de klem.
    Kom Neeltje geef inkt, papier op tafel en pennen,
    Hy sal so dra hy de brief siet myn hand wel kennen.
Neeltje uyt en in met papier.
Neelt. Daar myn heer, is ’t geen gy eyst, moet daar ook lak syn?
Claud. Dat heb ’k wel geloof ik Neeltje, hier by myn:
    Kom swagers en vrouw, help my de brief opstellen,
    Want alles moet syn om Joris wat swaar te knellen,
    En daarom vereist u raad hier ook by te syn.
Gaan alle aan een tafel schryven.
    Broeders singen dese Rey.

    Nu is Joris weg gebruyt,
    Dat ons met een bly geluyt
    Singen doet, wy syn ontslagen,
    Van veel rampen en veel plagen,
    Van veel smerte en onheil,
    Joris is al onder seil:
    Joris broer is voor den drommel,
    Vry wat verder als na Bommel,
    Campen, Deventer of Swol,
    Zutphen, Munster of Tirol;
    Hy is na veel verder stranden
    Daar de son wat meer komt branden
    Als in ’t Jut of Vinne-lant,
    Of aan prins Boreas kant,
    Hy is na het heet Suurname
    F 3
    86
    Daar wy vreugdig om te samen
    Roepen helder overluyt,
    Joris broer is weg gebruyt,
    Om syn quaat gedrag tot goet te keeren,
    En wat ongemak te leeren
    Voor syn schelms quaat bedryf
    Hier gedaan aan man en wyf:
    Hem en hulp geen klagen, kermen
    Vader wou hem niet ontfermen,
    Moeder om syn smeken lagt,
    Voogde slaan syn praat geen agt,
    Maar sy doen hem stadig wysen
    Hoe hy Zeewaart moet gaan rysen,
    En hoe dat syn Capitaal
    Nu haast weg waar altemaal,
    Hei so gaat het sulke guyten
    Die om vaders straffe fluyten
    En haar ouders keer op keer
    Nemen haare vreugt en eer,
    So krygt hy nu loon na werken
    Die waar woeder als een sterken
    Leeuw of tyger, wolf en beer,
    Hy voelt nu syn eyge seer,
    Dat is ’t loon van ’t slaan en ’t steelen
    Hei wie sou dat niet vervelen
    Dat syn gelt weg nam een broer
    En bragt by een plug of hoer
    Maar die smarten syn verdwenen
    Hy sal nu in ’t kort wel weenen
    Over al syn quaat gedrag
    En roepe wee, wee, en ag
    Maar wat bruyt ons nu syn klagen,
    Hy sal ’t moeten selver dragen,
    En wy horen ’t schreye niet
    Of het leet dat hem geschiet,
    Want hy is nu ver geschyden
    Daar wy ons ook om verblyden
    87
    En singen bly, kom sware noot
    Geeft hem straf en plage groot;
    Dan so sult gy ons verblyden
    En wy sullen t’allertyden
    Singen t’uwer lof altyt,
    Dat gy ons soo hebt verblyt,
    En die ligtmis straf gegeven
    Die ongeloond niet kon leven.
    De brief geschreve synde.
Slok. Die brief sal hem veroorsake veel druk en pyn.
Hangb. Hoe meer hoe beter, swager, want hy is ’t wel waardig.
Mart. Ik verseker u dat heer Smousades wel aardig
    Sal kyken, als hy die brief leest, wat segje man?
Claud. Ik sta daar ook vrouw in ’t minst geen twyfel an,
    Hou daar Neel, brengt die brief by Quyn de Cargadoris,
    Om die te senden na de heer van onse Joris
    Maar wagt so lang als de vrienden weg syn gegaan.
Neelt. Goed myn heer, u bevel sal door myn syn gedaan.
Claud. Nu is myn swarigheyt ten eenemaal vervloogen,
    En alles beschikt wat wy hadde overwoogen;
    Laat ons nu nog eens met malkander in het rond
    Drinken en dan tot afschyd onse keel en mond
    Gebruiken tot een vrolyk gesang eer wy schyden.
Voogds. Daar sult gy ons seer veel, swager, mede verblyden.
Claud. Wel aan vriende ik sal u hier in dan voorgaan,
    Vangt tot afschyt, so ’t u belieft, met myn maar aan
    Singen het volgende liet.
    Voys: Sarbande.
    Nu is ons druk en al ons grote sorregen
    Ten eynd gekoomen door Joris vertrek,
    Hy sal nu noyt by avond of by morregen
    Weer iemant sende, als hy heeft gebrek
    Van geld of kleeren, dat menig keere,
    In ’t kort nu is geschiet, tot ons smert en verdriet.
    Geen grooter vreugde kon ons te voren komen,
    Als men op heden nu door hem beleeft,
    Vermits hy ons nu niet weder sal doen schromen
    88
    O dat gy wist hoe ons dat vreugde geeft!
    Weg dryft gepyse na hy is ryse
    Ter selver stont, so dra hy sprak, adieu papa.
    Wat heeft hy ons al dikwils veel quaat besteken
    Eer men hem had in ons gewelt gebragt
    Wat heeft hy meenigte nagten, maanden, weken
    Geligtmist, en gestoolen onverwagt,
    En weggedragen, na syn behaagen,
    By dat snoode gebroet van hoere helsgestoet.
    Maar nu hy weg is en ook wel weg sal blyven
    Heeft men geen reden om te treuren meer,
    Maar om op nu veel vreugde weer te bedryven,
    En overluyt te singen, keer op keer,
    Na ons verlangen, is hy gevangen,
    En na een schip gebragt, daar hy meer schryt als lagt.
    Wy wenschen dan gesamentlyk nog voort leste,
    Dat hy in ’t kort sal lande aan die kust
    Daar wy hem tot behoud en ook voor syn beste
    Gesonden hebben, voor syn quade lust,
    Om daar te lyden, waar op wy scheyden
    En laaten Joris maat in syn bedroefde staat.
Einde van ’t Spel en Gezang.

Continue

Tekstkritiek:

De brieven van de pluggen en ooms verwijzen naar het jaar 1718 (p.19, 23, 73). Is dit een indicatie voor een vroegere datum van schrijven of een verwijzing naar een daadwerkelijke gebeurtenis?
Verzen
Weesrijm: p.8 onderaan: gelost;
p.19 midden: betalen
Drieling: p.14 midden: gestoolen
Rondom liedje p.54 engelin-min;
p.85-87: syn-pyn
Ongelijk beklemtoonde/ongelijk gespelde rijmparen komen vaker voor: (knittelvers?), b.v.
p.5: u[w]-schuw, p.6: vri[e]nd-bediend, p.71: meuy-bruy; p.77: drinken-denken
p.5: houwelijk-vrouwsberyk, p. 39: regering-uitkering etc.
Drukfouten
intro:
in de lijst van personen is Klaas de Snyder ratelwacht en Jan Jansz diender, maar in het spel treedt Klaas de Snyder als diender op en is er sprake van een zekere Jan Pierlepomp (p.45), Jantje, Jan de [..], Jan de Wagt (p.52) of jantje de ratelman (p.57) die ratelwacht is.
p.5 ’s > ’t?
p.11 uys > uyt
p.19 staat hier stuyt of sluyt of fluyt?
p.22 duysenr > duysent
Waut > Want
Firs >fris? of fiers?
p.25 hoefr > hoeft
p.31 bewinplen > bewimplen
p.33 krupel > kreupel (of is hier sprake van een ongelijk rijm?)
vyfentwitig > vyfentwintig
p.36 ua > na
p.37 herleveu > herleven
p.49 hontsfont > hontsfot (of evt. hontskont?)
p.50 gelk > geld
p.52 Jan de [nadere aanduiding ontbreekt, moet wel Jan de Wagt zijn (zie even verderop)]
Ny > nu?
p.54 punt moet weg, zin loopt door op volgende pagina
p.60 rasphus > rasphuys
p.63 dend > denk
p.68 debatteten > debatteren
p.72: rukeloos (foute of ongewone spelling voor roekeloos of reukeloos)?
p.75: punt ontbreekt
eenjes (i.p.v. eensjes) komt vaker voor: p.11, 47 (2x)
Lexicon
Bevat nogal wat bargoens (poen, kasjot, opboeien)
p. 62: pottebank (let. schap voor potten) hier: boezem, decolleté (deze bet. niet in WNT)
p. 52, 60: smulkist: kist met reisbenodigdheden o.i.d. (woord niet in WNT)
p. 81: poppe drek (voor poppestront) (woord niet in WNT)
p.60: op een hontsfot bijten — niets te eten hebben, (in WNT naar Marin, e.g. 1717: 382: niet te kaauwen hebben (en andere woordenboeken), niet elders?) op een houtje bijten pas sinds 1921 (Stoett 976)
p. 22: viergelipte als verwijzing naar vrouwelijke persoon ook in Burchoorns Snorrepijpen, niet in WNT