Exemplaar Theater Instituut Nederland, signatuur: 29 A 39: 7 Philippe Quinault, De medevrysters (vert. Ellerus). Jacob Lescailje (erven), Amsterdam 1689 [p. 13] {==Figuur. 1: Onderschrift [p. 1] DE MEDEVRYSTERS, BLYSPEL. [afbeelding] t’Amsterdam, By de Erfgen: van Jacob Lescailje, op de Middeldam, op de hoek van de Vischpoort, 1689. Met Privilegie. [p. 3] Copye van de Privilegie. DE Staten van Holland ende West-Vriesland, doen te weten. Also Ons vertoont is by de tegenwoordige Regenten van de Schouwburgh tot Amsterdam. Dat zy Supplianten sedert eenige Jaren herwaerts met hunne goede vrinden hadden gemaekt en ten Toonele gevoert verscheiden Wercken, zo van Treurspelen, Blyspelen als Kluchten, welcke sy lieden nu geerne met den druck gemeen wilden maecken, doch gemerkt dat dese wercken door het nadrucken van anderen, veel van haer luyster, soo in Tael als Spelkonst souden komen te verliesen, ende alsoo sy Supplianten hen berooft souden sien van hun bysonder oogwit om de Nederduytsche Tael en de Dichtkonst voort te setten soo vonden sy hen genootsaekt, om daer inne te voorsien, ende hen te keeren tot Ons, onderdanigh versoeckende, dat wy omme redenen voorsz. de Supplianten geliefden te verlenen Octroy ofte Privilegie, omme alle hunne wercken reets gemaeckt ende noch in ’t licht te brengen, den tyt van vyftien Jaren alleen te mogen drucken en verkopen of doen drucken en verkopen, met Verbot van alle anderen op seeckere hooge peene daer toe by Ons te stellen ende voorts in communi forma. Zo IS ’t, dat Wy, de Zake en ’t Versoek voorsz. overgemerkt hebbende, ende genegen wesende ter bede van de Supplianten, uit Onze rechte wetenschap, Souveraine Magt ende authoriteyt deselve Supplianten geconsenteert, geaccordeert ende geoctroyeert hebben, consenteren, accorderen ende octroyeren mitsde en, dat zy geduurende den tyt van vyftien eerstachtereenvolgende Jaren de voorsz. werken die reeds gedrukt zyn, ende die van tyt tot tyt door haer gemaekt ende in ’t ligt gebragt sullen werden, Binnen den voorsz. Onzen Lande alleen zullen mogen drukken, doen drukken, uytgeven en verkoopen. Verbiedende daerom allen ende eenen yegelyken deselve werken naer te drukken of eelders naer gedruekt binnen den selve Onsen Lande te brengen, uyt te geven ofte te verkopen, op de verbeurte van alle de naargedrukte, ingebrachte ofte verkogte Exemplaren, ende een boete van drie hondert guldens daer en boven te verbeuren, te appliceren een derde part voor den Officier die de calange doen sal, een derde part voor den Armen der plaetse daer het casus voorvallen sal, ende het resterende derde part voor de Supplianten. Alles in dien verstande, dat Wy de Supplianten met desen Onsen Octroye alleen willende gratificeren tot verhoedinge van hare schade door het nadrucken van de voorsz werken, daer door in geenige deele verstaan, den Inhoude van dien te Authoriseren, ofte te avouëren, ende veel min de sel e onder Onse protectie ende bescherminge eenig meerder credit, aansien ofte reputatie te geven, nemaar de Suppliante, in cas daar in yets onbehoorlijkx soude mogen influëren, alle het selve tot haren laste sullen gehouden wesen te verantwoorden, tot dien eynde wel expresselijk begerende, dat by aldien zy desen Onsen Octroye voor de selve Werken sullen willen stellen, [p. 4] daer van geene geabbrevieerde ofte gecontraheerde mentie sullen mogen maken; nemaer gehouden sullen wesen, het selve Octroy in ’t geheel ende sonder eenige Omissie daar voor te drukken ofte te doen drucken; ende dat sy gehouden zullen zyn een Exempelaer van alle de voorsz. werken, gebonden ende wel geconditioneert te brengen in de Bibliotheecq van Onze Universiteit tot Leiden, ende daar van behoorlyk te doen blyken. Alles op poene van het effect van dien te verliezen. Ende ten einde de Supplianten dezen Onzen Consente en Octroye mogen genieten als naar behooren: Lasten wy allen ende eenen yegelyken die ’t aangaan mach, dat sy de Suppliante van den inhoude van desen doen, laten en gedogen, rustelyk en volkomentlyk genieten, ende cesserende alle beletten ter contrarie. Gedaan in den Hage onder Onsen Grooten Zegele hier aan doen hangen, den xix September. In ’t Jaar onses Heeren en Zaligmakers duysent ses honderd vier en tachtig. G. FAGEL. Ter Ordonnantie van de Staaten SIMON van BEAUMONT. De tegenwoordige Regenten van de Schouwburg, hebben het recht der bovenstaande Privilegie, voor dit Blyspel, vergund aan de Erfgenaamen van J. Lescailje. Den 25 July, 1689. Vertooners. Philippyn, Knecht van Alonce. Izabel, Minnaares van Alonce. Elize, Meid van Izabel. Alonce, Minnaar van Izabel en Philidia. Philidia, Medevryster van Izabel. Lope, Vader van Philidia. Ferdinand, Broeder van Izabel. Frederik, Waard. Waardin. Het Tooneel is te Lissabon. [p. 5] De medevrysters. Eerste bedryf. Eerste tooneel. Philippyn, wakker wordende op een hoop steenen. WAar ben ik? en wie droes heeft me op deez’ plaats gebragt? Ik ben half dood van kou, en heel beslikt, ’t is nacht; Vervloekt zy eeuwiglyk die hoop van mest en steenen! ’t Is of myn lendenen gebrooken zyn. waar heenen Zal ik nu gaan; dewyl ’t zo donker is? naar wien? Ja zelfs, ik kan geen hand hier voor myne oogen zien; Maar ik begin hier van de reden te bedenken, ’k Weet dat Elize my op gist’ren kwam beschenken Zo rykclyk met wyn, in ’t huis van Izabel. Ik moet bekennen, dat die meid is puik en wel: Zy is niet laelyk, en daar by is zy heel aardig; En ze is een vryer, zo als ik ben, ook wel waardig: En zeker ik moet niet heel kwaalyk by haar staan, Om dat zy gist’ren zo veel kosten heeft gedaan; Zy was heel yverig om wyn voor my te haalen, Ik wed dat zy wel ruim vier guldens moest betaalen. ’k Was gist’ren na den drank, ’k bekent, byzonder graag: Ik had ten minsten wel twee stoopjens in myn maag, En, zonder twyffel, na dat ik zo heb gezopen, Is door de kracht der wyn de kop my omgeloopen, En vader Bacchus heeft my op deez’ plaats gebragt, En hier doen slaapen heel gerust tot in de nacht. [p. 6] Ik twyffel ’er niet aan, ’t is zonder wederspreeken, ’k Heb pyn in ’t hoofd, en dat ’s hier van een zeker teken; ’t Verhemelt is my droog, ’k voel dat de keel my zwelt, ’t Orloogie is my ook voor twee dagen wel ontstelt; Die zwaarigheid die was noch licht’lyk te verdraagen, Maar ’k voel al regenen een hagelbui van slagen. ’k Raak met myn meester, dat ’s gewis, in ongenaa; Want hy had plaats bestemt nu met Philidia; ’k Moest daar ook weezen, en ik heb, na myn gedachten, Hier morgen al goê tyds de straf van te verwachten, En mooglyk, als hy my heel dicht geslagen heeft, Dat hy my zonder geld myn paspoort noch wel geeft. De duivel haal de min! dorst ik myn oog betrouwen, ’k Zou deze straat, voor die, daar ’k weezen moet, wel houwen. Daar woont Philidia, en zo my myn gezicht Nu niet bedriegt, zo zie ik in haar huis noch licht. ’t Kon zyn dat zy hem wachte, en dat hy ’t heeft vergeeten; Indien dat ik nu maar hoe laat het was kon weeten. Maar zo ’k niet mis en zie, komt daar reeds iemand aan, Van wien ik lichtelyk die zaak wel zal verstaan. Twede tooneel. Izabel, Elize, Philippyn. Izabel. ELize, ’t geen gy zegt, dat komt my vreemd te vooren, Alonce is ontrouw, en verlaat my? wat wy hooren! En nu de ondankb’re meest verliefd moest zyn, breekt hy Zyn boeijens, en verlaat me? ô snoô verraadery! Maar, ’k wil niet denken, dat hy, na wel duizend eeden, Zich zelf begeeven zou tot zulke trouwloosheden. Elize. Geloof my, Philippyn die heeft my dit vertelt; Zyn reis naar Vlaanderen die is al vastgestelt. Een nieuwe schoonheid heeft zyn ziel reeds ingenomen, [p. 7] En zyn besluit is om deez’ nacht by haar te komen. Izabel. Ik wil nu zelf, Elize, al strekt my zulks tot pyn, Getuige van ’t geluk dier trouweloozen zyn. Zyn wy noch ver van ’t huis ’t geen ons is aangeweezen? Zie toe, de ontrouwe zal myn byzyn hier niet vreezen. Philippyn. Dit luwt, ik kryg weêr moed, het is dan ook niet laat, Dewyl ik ginder noch zie vrouwlui op de straat; ’k Zal ’t nu haaft hooren. Ei! mevrouw, met uw behaagen, Durf ik u wel, hoe laat het in de tyd is, vraagen? Elize. Zyt gy het, Philippyn? Philippyn. Het is Elize, goed! Nu lach ik met de klok, nu ik u hier ontmoet. Zo gy op deze tyd my wat vermaak woud gunnen, Wat dunkje, zouden wy nu zaamen niet eens kunnen? Elize. Mevrouw die volgt my. Philippyn. Myn, Elize lief, ik wou... Elize. Al zacht. Izabel. Wie spreekt u aan? Elize. ’t Is Philippyn, Mevrouw. Izabel. Ei! zeg my, vriend, is reeds uw Heer al hier gekoomen? Philippyn. Myn Heer? Izabel. Ik heb ’t geheim al van zyn komst vernomen. Hy is reeds op de weg, en gy koomt nu, om aan Zyn minnaares zyn komst by haar te doen verstaan. [p. 8] Philippyn. Mevrouw, hy heeft zyn min alleen u opgedraagen. Izabel. Neen, neen! ik weet heel wel wie dat hem kan behaagen. Philippyn. Hoe weet zy ’t alles? dit lykt wel na tovery, Mevrouw, de menschen zyn van de achterklap nooit vry. Izabel. ’t Is waar al ’t geen ik zeg, gy kunt het niet ontkennen. Gy weet den handel wel. Philippyn. De pikke moet me-schennen, Ik wil wel hangen zo ik ooit.... Elize. Nu zweer jy niet, Of weetje nu niet meêr, wat dat ’er is geschied? Gy houdje nu zo slecht, en wilt kwanzuis niet weeten, Dat toen gy by my hebt gedronken en gegeeten; Gy my verhaald hebt, hoe Alonce deze nacht Wierd in het heimlyk van Philidia verwacht; En, wyl dat hy haar trouwbeloften heeft gegeeven, Die schoone nu zyn min niet langer zal weêrstreeven, Maar dat zy alles aan zyn liefde toe zou staan, Dat hy door ’s Vaders last, na Nederland moet gaan, En dat hy van dit jaar daar zou te velde trekken, Ja, dat hy dit besluit aan niemand wou ondekken, Maar in een dag of drie vertrekken zal, en dat Hy alles tot zyn reis nu reeds vervaardigt had. Philippyn. Heb ik u dat gezegt? Elize. Veins niet, ’t zal u niet schaaden, Gy weet ook wel dat ik dit alles niet kan raaden. Philippyn. Ik word wanhoopende, vervloekt zy nu de wyn, Die voor my is geweest zo dood’lyk een venyn, Die, na dat zy my eerst had myn verstand benoomen, [p. 9] Zal maaken dat ik in groot ongeval zal komen. Elize. Wat zegt gy, Philippyn? Philippyn. Ik zeg, ô valsche pry, Dat gy, door uwe slimme en looze veinzery, My hier alleen om hebt doen drinken, en doen eeten, Op dat gy, dit geheim uit myne mond zoud weeten, Gy hebt door dit goed sier my in ’t verdriet gebrogt. Geen maaltyd is zo duur aan iemand ooit verkocht. O ramp! ô ongeluk! hoe zal ik het nu stellen? Izabel. Nu, Philippyn, wil toch u hier niet meêr in kwellen, Indien uw meester u verjaagt, zo zal ik weêr Ten eersten maaken, dat gy krygt een beter Heer; En om u midd’lerwyl een proef daar van te geeven, Neem aan die diamant, myn beurs is t’huis gebleeven, Verwacht van my noch meêr. Philippyn. Ei! spreek daar toch niet van, Myn misdaad is al ruim betaald, zo ze u maar kan Tot voordeel strekken, en schoon ik myn Heer moet vreezen, Ik zal in alles u met vrengd behulpzaam weezen, En ik word raazend, dat myn Heer zo met haar leeft, Dat hy zo ver met haar zich ingewikkelt heeft. Ik weet niet, wat hem doet zo gek een oordeel stryken, Haar schoonheid, is niet by uw schoonheid te gelyken. Izabel. Nochtans heeft zy hem heel in haar gebied gebragt. Philippyn. Gantsch niet: hy heeft by my haar menigmaal veracht. Mevrouw, laat deze min u toch geen zorgen baaren, Ik zal u ongeveinsd nu alles gaan verklaaren; Myn Heer is waarelyk van deeze minnaars een, Die op een dag, en dat is heden zeer gemeen, Aan all’ de Juffers, die zy zien, van liefde spreeken. [p. 10] Hy zei my ook dat hy die min zou laaten steeken. Hy zal, dat’s vast, op de bestemde plaats niet zyn. Ik weet dat hy u mind in waarheid, haar in schyn. Izabel. Hy min haar vry, ik zal niet minnenydig weezen. Philippyn. Mevrouw, dat hoeft gy in het minste niet te vreezen. Izabel. Hy heeft het haar belooft. Philippyn. Wel laat zulks zyn geschied, Een minnaar die belooft, die geeft zyn trouw noch niet. Izabel. Hy heeft de min tot my verbannen uyt zyn’ zinnen. Philippyn. Hy bid u aan, Mevrouw, zou hy u niet beminnen? Hy is in wanhoop, en de grootste ontsteltenis, Wanneer hy maar een dag van u gescheiden is. Ik hoor hem dikwils ook zyn ongeval beklaagen, Om dat uw Vader niet wil toestaan noch verdraagen, Wyl hy geen middelen, zo veel als gy, wel heeft, Dat hy u oppast, en gy hem uw weêrmin geeft. Izabel. Hy heeft Philidia, na ’k hoor, belooft te trouwen. Philippyn. Wel, die beloften hoeft men heden niet te houwen, En ’k weet dat zonder zy zulks weeten zal, hy stil In ’t kort naar Vlaanderen van hier vertrekken wil. Izabel. ’k Hoor iemand, is ’t uw Heer? Philippyn. Hy schynt het wel te weezen. Izabel. Hy zal verwondert zyn. Philippyn. ’k Begin voor hem te vreezen, Ik zal ’t myn Heer, dat gy hier zyt eens zeggen gaan. [p. 11] Izabel. Dat is niet nodig, ik zal ’t zelf wel doen, blyf staan. Darde tooneel. Alonce, Izabel, Elize, Philippyn. Alonce. HEt is zo donker, dat ik niets kan onderscheiden, O liefde! wil my in deez’ duisterheid geleiden, En zyt my gunstig in dit aangenaam geval, Dewyl het geen ik zoek uw roem vermeerd’ren zal. Maar ’k voel, dat nu ’t geluk my veel vermaak zal geeven. Myn ziel inwendig word door wroegingen gedreeven, ’k Beloofde aan Izabel myn trouw, ik bid haar aan, En zy bemind my, ’k ga ons beider min verraân, Door Izabel en my bevestigt vaak door eeden, Neen! ik begeef my niet tot zulke trouw’loosheden, Ik ga daar niet; maar hoe! ik heb ’t haar toegezeid, Wat zou zy zeggen had zy my vergeefs verbeid? Maar zacht, ik hoor gerucht, het schynt een vrouw te weezen, Zyt gy ’t, Philidia? Izabel, haar stem veranderende. O ja! Alonce. Myn uytgeleezen..... Izabel, ter zyden. ‘Laat ons wel veinzen. Alonce. Ach! wat zyt gy schoon en goed. Kan ik nu binnen treên? Izabel. Aanstonds. Alonce. Indien.... Izabel. ’k Moet... [p. 12] Philippyn. Elize, zie, zy zyn in min gantsch opgetogen, Myn Heer is waarelyk hier schandelyk bedrogen, Ik ga ’t hem zeggen. Elize. Wel, ik zweer zo dat geschied.... Philippyn. Myn Heer! Elize. Ik zal, ’t geen gy my zei.... Alonce. Wat wilt gy? Philippyn. Niet. Ik schreeuwde zo alleen om u te hooren spreeken, Ik kost niet weeten of gy ’t waart als door dit teken. Alonce. Nu, Philippyn, verwacht my hier aan deze poort, En zo gy iemand hier of in, of uitgaan hoort, Zo komt het my heel stil, aanstonds te kennen geeven. Elize. Wel nu bemin ik u. Philippyn. Wel, hier dan meê gebleeven? Elize. Neen! Neen! Izabel. ’k Geloof, gy mintme. Alonce. En houd vry voor gewis, Dat alles, buiten u, Mevrouw, my haat’lyk is. Geen minnaar wierd zo sterk tot iemands min bewogen, Als ik door uwe-schoonte, en uw betoovrende oogen. Nooit heeft de liefde, door zyn onweêrstreefb’re kracht, Geen minnaar zo als my in zyn gebied gebragt. Izabel. Indien gy Izabel niet minde, ik zou ’t gelooven. [p. 13] Alonce. Uw schoonheid maakt, dat ge in myn hart haar gaat te boven. Gy hebt haar uit myn ziel verbannen, de eerste dag Dat ik uw schoonheid en bekoorlykheden zag; ’k Geloof zelf, zo ze u zag, dat zy my niet zou haaten, Nu ik, om uwent wil, haar liefde heb verlaaten; Want de bekoorlykheid, die ik in u aanschouw, Breekt de eerste boeijens, en boeit my op nieuws, Mevrouw, En al de schoonheid, daar zy kan haar roem op draagen, Die is onmagtig om een minnaar te behaagen, En uw bevalligheid doet my heel klaar nu zien, Dat hy moet blind zyn, die zyn min haar aan kwam biên, En als uw beeltenis, zo fraai, my komt te vooren, Zo zie ’k in Izabel, niets dat my kan bekooren. Izabel, haar ondekkende. Ik ben u zeer verpligt voor deze vleijery, Bedrieger, Izabel is laelyk dan? en gy, Gy, trouwelooze durft, ô schandelyke streeken! Myn medeminnaares van uwe liefde spreeken? Alonce. Beminlyke Izabel.... Izabel. Neen, spreek my niet meêr aan, Gy hoort ontroert om uwe ondankbaarheid te staan, Verraader, breeker van uw diergezwoorene eeden! Bedrieg my nu niet meêr, volvoer uw trouwloosheden! Uw mond heeft al te lang geveinst een minnesmert Te voelen, die gy nooit gevoelt hebt in uw hert, Waar door gy my zo veer door deze schyn verblinde, Dat ik geloofde dat gy teder my beminde, ’k Had nimmer zelf van u gelooft deez’ trouwloosheid, Indien gy ’t zelf aan my niet heden had gezeid, En tot myn wanhoop my heel klaar gestelt voor oogen, Dat gy een schelm zyt, en dat gy my hebt bedroogen, Gy, gy, verlaat my, en uw onstandvaste zin, Begeeft zich noch tot een verdoemelyke min! [p. 14] Philippyn. Wel, ’k moet bekennen dat het is al fraai gekeeven, Zy ken het reed’lyk, is dat ’t eerste van haar leeven? Alonce. Wyl dat gy van myn ramp en misdaad hebt dit blyk, Zie ’k geen verschooning, en Mevrouw, gy hebt gelyk. Izabel. Ja, Trouwelooze, weet dat ik u teêr bezinde. Dat ’k my verheugde, om dat ik docht gy my minde; Ja ’k had, zo had de min myn zinnen overheert, ’t Gebied des waerelds zelfs niet voor uw hart begeert, Wyl gy myn liefde weet, zo oordeel hoe de smarte Van uwetrouwloosheid, my gaan moet aan het harte, Ik leefde alleen voor u, gy weet ook dat gy my De dood veroorzaakt, door die snoô verraadery. Is dit het loon van myn oprechte min verraaden? ’k Heb zelfs ook, zonder zulks te ontdekken aan myn vader, Myn liefde u toegestaan, en zo ’t gebeurd was, dat Hy buiten myne keur, myn trouw beslooten had, Ik zou, zyns ondanks, u steeds zyn getrouw gebleeven, Tot myn ontschaaking had ik u myn stem gegeeven, ’k Had geen gevaar ontzien, geen smart of ongeval, Om u te volgen zelfs aan ’t einde van ’t heelal. Ik had u zulks belooft, wie zou deez’ rampen vreezen? De wreedste mensch, dunkt my, zou hier gevoelig weezen, En, midd’lerwyl dat ik u voor myn bruigom houw, Bestemt gy plaats, en geeft Philidia uw trouw? En nu dat zy u is bekoorelyk gescheenen, Is uwe minnevlam tot my, in rook verdweenen, ’t Is als een flikkerlicht, ’t geen ons ’t gezicht verblind, ’k Welk, als men het genaakt, in de open lucht verzwind. Ondankb’re, ’t is te veel, ik zal u ook verlaaten, ’k Beminde u nooit zo veel, als ik u nu zal haaten, Volvoer uw opzet vry, ’k hou u te lang hier staan, Ga daar gy word verwacht! [p. 15] Vierde tooneel. Philidia, Alonce, Izabel, Elize, Philippyn. Philidia. IK hoor gerucht, ’k mag gaan. Izabel. Wie wederhoud u nu? ga, breeker van uw eeden! Philippyn. Myn Heer, Philidia komt herwaarts aan getreeden. Izabel. Vertrek. Alonce. Neen, ’k volg u. Izabel. Ga, want men verwacht u daar, Alonce. Neen, ik verlaat u niet, gy liept dan licht gevaar. Izabel. Wyl gy u hebt getoond zo trouweloos te weezen, Zou ik wel droeviger voorvallen kunnen vreezen? Alonce. Ik breng u t’huis. Izabel. O neen! gy deed u dan te groot Een ongelyk, wyl ’k hoop te ontmoeten myne dood. Philippyn. Myn Heer, zy nadert al. Alonce. Oramp! ô droevig minnen! Philippyn. Twee kwaade vrouwen zyn, gelyk twee duivelinnen. Myn Heer, ei! ga maar heen, want anders krygen wy, Na al dit schelden, wel stokslaagen noch daar by. [p. 16] Alonce. O doodelyke plaats! rampzaalige ongelukken, Die my Philidia en Izabel ontrukken: Al myn ontschuldiging zou hier toch vruchtloos zyn. Laat ons dan morgen vroeg vertrekken, Philippyn. Vyfde tooneel. Philidia, Izabel, Elize. Philidia. Ik zie daar iemand. Izabel. Die trouwlooze is dan reeds heenen, Myn Medevryster lacht met hem nu om myn weenen. De ondankb’re vlugt van my naar die zyn ziel gebied; En zyn vermaak word noch vergroot door myn verdriet. Ik wil hem volgen, ja! ik wil hem meê verlaaten, Ik voel dat ik hem meêr reeds als de dood kom haaten, Ik haat hem meerder, als een Tyger; ja, als een Afgryslyk monsterdier. Maar, ach! helaas! ik ween: En nu ’k myn best doe hem uit myn gemoed te brengen, Behouw ik myne min, en ik ga traanen plengen. Hy heeft zich zelf zo sterk al in myn hart gemaakt, Dat zonder myne dood hy daar niet uit geraakt. ’k Bemin hem, schoon hy laat beminnelyk te weezen, Maar wyl my niemand van die kwaalen kan geneezen, Zo wil ik sterven, en dus kan ik uit myn hart De liefde bannen, en myn wreede minnesmart. Hoe! sterven? en zou ’t dan Philidia gelukken, Al zegepraalende, de vrucht myns mins te plukken? Neen! ’k moet haar blydschap met verdriet gaan mengen, ja! Bederven wy haar eerst, en sterven wy daar na. Men maak hem deelgenoot ook van myn ongenuchten, Op dat hy na myn dood noch schreijen zal, en zuchten. [p. 17] Zesde tooneel. Philidia. DIe menschen houden in de nacht vry lange reên, Maar ’k hoor nu niemand meêr, nu ik kom nader treên; Alonce, die ’k verwacht, ik moet u waarlyk laaken, ’t Eind van myn weigering, doet ook uw liefde staaken; Uw koelheid blykt genoeg, wyl gy my wachten laat, Weet, dat die traagheid, een recht minhaar, kwaalyk staat: Men kan een minnaar, die verwacht word, niet verschoonen, Schoon dat hy naderhand zyn onschuld tracht te toonen; Wyl dat geen hinderpaal zo groot kan zyn, die hy, Indien hy recht bemind, niet streeven moet voorby. Ik zou, wierd my, als u, gelegentheid gegeeven, In ’t uit te voeren niet nalaatig zyn gebleeven. Zevende tooneel. Lopes, Philidia. Lopes. MYn Dochter buitens huis! daar is zy, zo ik meen. Philidia. ’k Hoor eindelyk gerucht, ’k zie iemand tot my treên; Zyt gy ’t, Alonce? wel, gy doet my lang vertoeven. Lopes, ter zyden. O ramp! wat hoor ik, moet ik dan die schand beproeven, Dat myne Dochter dus haar eigen eer verlaat, En hier een minnaar wacht, ô schandelyke daad! Philidia. Myn waarde minnaar spreek, wil my hier in vernoegen, En die stilzwygentheid niet by uw traagheid voegen, Myn Vader legt reeds in een zorgelooze rust, Hy slaapt, Alence, en is in ’t minst hier van bewust; [p. 18] Zy slaapen mede die my anders steeds bewaaren; Niets is ’er in de weeg, wat kan uw onrust baaren? Schuuwt gy myn aanspraak? hoe verandert gy? ei! breek Doch uw stilzwygentheid, myn waarde minnaar, spreek. Lopes. Zou ’k spreeken, eerelooze! ik kan my nauw bedaaren, Doet gy deez’ schand my aan in myne hooge jaaren, O schandvlek, kan ik, spreek, myn wanhoop wel aan u Genoeg betoonen, en uw misdaad, daar ’k voor gruuw’? Philidia. ‘Het is myn Vader, ach! wat staat my niet te schroomen, ‘Rampzaal’ge minnaares wat zal u overkomen? Lopes. Ga binnen, eerelooze, en laat my deze nacht De zorg alleen, dat ik Alonce hier verwacht. Philidia. ‘Ik ga niet binnen, neen! ’k ontvlugt nu zyne tooren. Lopes. O Hemel! die haar tot myn dochter hebt gebooren Doen werden, tot myn ramp, helaas! waarom besloot Gy haar geboortens uur tot de uur niet van haar dood? En gy! die my steeds dwong myn schanden op te zoeken, Rampzalige raadsman, die ik eeuwig zal vervloeken. Waarachtige achterdocht, onlukkig ook met een, Ach! waarom dwongt gy my na deeze plaats te treên? Ik zou dan zonder u noch buiten zorgen weezen, Wanneer men ’t kwaad niet weet, dan is men buiten vreezen. Door een rechtvaarde, doch rampzalige achterdocht, Vind ik, helaas! te veel, nu ’k heb te veel gezocht. Einde van het eerste Bedryf. [p. 19] Tweede bedryf. Eerste tooneel. Frederik, Waardin. Waardin. WIe zag ooit knorriger, dan gy zyt van zyn dagen? Frederik. Daar zynder buiten my genoeg die hoorens draagen. Waardin. Waar door geef ik u tot de jalouzy dan reên? Frederik. Waarom toond gy u steeds zo vrind’lyk aan elk een? Waardin. Moet ik de gasten dan vertoonen een stuurs weezen? Frederik. Moet gy dan dagelyks my meêr en meêr doen vreezen? Waardin. Mag ik niet spreeken noch niet lachchen? dat komt mooi. Frederik. O neen! gy praat zomtyds, gelyk een lichtekooi. Waardin. ’k Wil liever sterven als zo slaafs gestaâg te leeven. Frederik. En ik wil liever dan den tap de zak gaan geeven. Waardin. ’t Is alles straf baar in uw oog, en ’t is myn pligt Dat ik de gasten hier lok door een zoet gezicht. Frederik. Dat zyn pispraatjens en ik lach eens met dat zeggen, Ik kan wel zien wanneer hier iemand t’huis komt leggen, Aan uw gebaarden en ook aan uw minzaamheid, Dat tusschen oud en jong gy maakt groot onderscheid. [p. 20] Waardin. Gelooft gy dan dat een Waardin met stuurs te weezen, En bang zien iemand tot inkomen zou beleezen, Die als een bul ziet die met zyne hoorens stoot? Frederik. Zo doet gy niet, ô neen! dat onderscheid is groot. Waardin. Wel, nu gy my myn vlyt zo weinig dank komt weeten, Zo laat een ander op de taafel en op ’t eeten Vry passen, zoek ’er een die ’t zo naauw gaade slaat, En ’s morgens ook zo vroeg, als ik, haar bed verlaat: Ik meen my zelven in myn kamer op te sluiten, Neemt gy de sleutel dan zo kom ik ’er niet buiten. Frederik. Zy schreid, nu zie ik dat zy my opregt bemind, Verschoon myn liefde doch, ontsteld u niet, myn kind. Waardin. Ik kan een min die my beledigt niet verschoonen. Frederik. Beminde ik u niet ’k zou my niet jaloers dan toonen, Maar ik beloof ’k zal ’t hier by laaten, lief. Waardin. Wel nu, Beloof jy my zulks dan? Frederik. Ja dat beloof ik u. Waardin. ’k Beloof u, schoonder nu een kaerel fraai van leeden, Met ongemeen vernuft en veel bevalligheden, Al was hy ryk, my van zyn liefde spreeken wou, Dat hy, hoe schoon hy was, by my niet opdoen zou: Denk vry dat niemand my tot oneer zou bepraaten, Gy moogt u op myn trouw wel heel gerust verlaaten. Frederik. Dit ’s ’t eerste in vyf jaar dat ons twist veroorzaakt heeft, Wy hebben in die tyd als lammeren geleeft, Dit kwaad dat is my van myn Vader vast gegeeven [p. 21] Tot erfgoed, hy was noch jaloerzer in zyn leeven. Waardin. Ik bid je, hartje, zyt toch zo jaloers niet meêr, Verban die achterdocht, want ik bemin u teêr. Zy streeld hem. Frederik. Ik word nu gansch verheugt. ‘hoe lieflyk kan zy streelen, ‘Maar ’k vreez’ dat zy die vreugd aan and’re meê gaat deelen. Waardin. Bespied my dan niet meêr, verlaat u op myn trouw. Frederik. Wie zou niet steunen op zo deugdelyk een Vrouw? Maar zienwe of onze gast al wat heeft konnen rusten, Misschien zal hem het een of ’t anderen wel lusten. Waardin. Daar is hy. Tweede tooneel. Philidia, Frederik, Waardin. Philidia, in mans klederen. ‘’k HEb te klaar een blyk van myn verdriet. Frederik. Die vent spreekt binnens monds, en dat behaagt my niet. Philidia. ‘Alonces ontrouw is door zyn vertrek gebleeken, ‘’t Gaat vast dat Izabel ook met hem is geweeken, ‘Ik zal hem volgen waar dat hy zy heen gegaan, ‘En Izabelle zelfs in zyn gezicht verslaan; Maak straks myn paerd gereed. Frederik. Wilt ge u op reis begeeven, En dat zo schielyk? Philidia. ’k Ben reeds hier te lang gebleeven. [p. 22] Waardin. Myn Heer, ’t is al te laat, vertoef deez’ nacht hier. Philidia. Neen, Ik moet zo aanstonds voort, ik heb hier toe myn reên. Waardin. Gy word dan mooglyk van de roovers wel besprongen, Want gist’ren is een man hier alles afgedwongen, Een man alleen kan zich zo laat voor hen niet hoên. Philidia. Wat dat daar ook van zy, ik moet my aanstonds spoên. Waardin. Wel, ga dan kan ik u tot blyven niet beleezen, Gy zoud hier anders wel gediend van alles weezen, ’k Heb schoone bedding, en myn wyn is delikaat, ’t Zal u berouwen zo gy by een ander gaat, En mooglyk zal, eer gy kunt in een herberg koomen, Uw geld en kleederen u weezen afgenoomen. Philidia. Vervaardigt voort myn paerd, ’k zal ’t geen ik heb verteerd U dan betaalen. Frederik. ’k Doe het geen gy dan begeerd. Darde tooneel. Waardin, Philidia. Waardin. MYn Heer, wyl uw vertrek geen uitstel kan gehengen, Zal ’k niet meêr trachten u dit uit het hoofd te brengen: Maar, ’k ben nieuwsgierig om te weeten, ik belyd, Om welke reeden dat gy dus zwaarmoedig zyt. ’k Zie zo veel aardigheid door uw zwaarmoedigheden Heen straalen, dat ik reeds in uw belang ga treeden, En ’k meen dat yder deel moet neemen in de smert [p. 23] Van iemand wiens gelyk niet licht gevonden werd. Iets wigtigs heest u tot die droefheid licht bewoogen, Ge aanschouwt den hemel vaak met traanen in uwe oogen, En gy kund nauwelyks, in dit uw ongenucht, Vier woorden spreeken, of gy loost steeds zucht op zucht, Gy mymert steeds, ’k meen dit hier door te kunnen weeten, Dat uwe ziel word door een groote drift bezeeten; Zou ’t wel de liefde zyn die u rampzalig maakt, Men kwynt op deze wys als men in liefde blaakt, Byzonder als men tot de liefde word gedreeven, Van een ontaarde, die geen wedermin wil geeven. Philidia. Helaas! dit is myn ramp, gy hebt het wel geraân, Myn hart is al te zwaar met ketenen belaân, En niemand kan de min ondraagelyker plaagen Doen lyden, als die my nu porren tot dit klaagen. Waardin. Maar zint hoe lang zyt gy rampzaalig door de min? Philidia. Op heden neemt myn ramp en wanhoop zyn begin, Ja heden is ’t dat ik te regt heb kunnen merken De straf heid van de min, in ’t geen zy uit komt werken, En ’k weet de rampen nu waar in men zich bevind Wanneer men niet bemind kan zyn van die men mind. ’k Voel in myn hart vergeefs te groote tederheden. Waardin, ter zyden. Zou hy niet wel aan my toepassen deze reeden? Philidia. Het hart het welk ik eisch is in een anders magt. Een veel gelukkiger heeft me in ’t verdriet gebragt, Verydelt myne hoop, en maakt dat ik moet zuchten, En voegt de wanhoop noch by al myne ongenuchten, Die maakt dat ik van hier moet vlugten, en dat ’k niet Ondekken derf aan u myn lyden en verdriet. [p. 24] Waardin, ter zyden. ‘Hy meent my voor gewis, dit ’s zonder tegenspreeken. Beklaagt gy ’t afzyn ook van die u heeft ontsteeken In liefde? ‘ik moet te recht zyn meening nu verstaan. Philidia. Dien ik bemin is van deez’ plaats niet ver van daan, Wat komt my dat gezicht van daag al smarts verwekken. Waardin, ter zyden. ‘Met welk een geestigheid kan hy zyn min ondekken. Philidia. Ik heb geen wedergaâ in al myn ramp en druk, De min veroorzaakt my dit deerlyk ongeluk, En word in ’t minste door myn zuchten niet bewoogen. Waardin, ter zyden. ‘Hy schreit, helaas! ’k heb met zyn liefde mededoogen. Philidia. O dood’lyk huuwelyk! Waardin, ter zyden. ‘Is ’t mooglyk dat een vlam, ‘Die ik veroorzaak, en nu eerst zyn oorsprong nam, ‘Zo krachtig aanstonds is, ’t zyn wonderlyke zaaken, ‘Maar ’k wist wel dat ik strak elk een verliefd kan maaken. Philidia. Helaas! Waardin, ter zyden. ‘’k Veroorzaak hem, ’t gaat vast, zyn ongeluk, ‘’k Kan hem niet helpen, maar wel troosten in zyn druk. Philidia. Rampzaalge minnaar, die door onverdraagb’re plaagen... Waardin. Myn heer, ik bid, wil toch ophouden met dit klaagen, Ei! veins niet meêr, ’k weet wat u port tot dit gezucht, Ik ken nu de oorzaak wel van al uw ongenucht, En ik verzeker u, dat zy uw minnesmarten Wel weet, en dat uw ramp haar mede gaat ter harten Philidia. Mejuffer, weet gy zulks? [p. 25] Waardin. O ja! ik weet noch meêr, Zy is hier zelf in huis, ik weet ook dat gy de eer Zult hebben dat zy u zal met vermaak aanschouwen. Philidia. My aanzien met vermaak? durf ik u wel vertrouwen? Is ’t mooglyk? Waardin. ’k Zie dat hem die tyding gansch verblyd. Philidia. Zou ik haar spreeken, die.... Waardin. Mids gy bescheiden zyt: ’k Zie gy bemind my, maar ’k ben door de trouw verbonden Om Frederik myn min te houden ongeschonden, Zyn liefde moet my maar behaaglyk zyn alleen, En ik misdoe myn pligt in ’t hooren van uw reên; Indien dat ik nu zou myn eerste driften volgen, Moeft ik my toonen om uw min geheel verbolgen; ’k Verschoon uw jonkheid, en ik denk dat ge in deez’tyd Niet strafbaar, maar veel eer beklaagens waardig zyt. Philidia. Weet.... Waardin. Ik weet alles. Philidia. Ach! wat hoor ik, welke reeden! Maar.... Waardin. Ik vergeef u noch die buitenspoorigheden, En ’k zal, zo ver myn eer en pligt my zulks vergund, U beter hand’len als gy zelve denken kund. Dit ’s alles, ’t geen ik u, door medely gedreeven, Wyl ik getrouwt ben, in uw ramp tot troost kan geeven: Want toen my Frederik, myn man, nam tot zyn Vrouw, Gaf ik hem al myn liefde in ’t geeven van myn trouw. [p. 26] ’k Bemin hem teêr, en my is ook zyn min gebleeken, Die laat niet verder toe als u te hooren spreeken: Gy zyt een eerlyk man, en ik stel vast, dat gy Niets meêr als deze guust begeeren zult van my. Philidia. Uw eer is veilig hier by my, wilt zulks gelooven, En zelf myn eerlykheid gaat uwe hoop te booven, ’t Is al te veel voor my het geen gy my vergund, Bemin uw Man zo teer als gy beminnen kund, Doe vry aan hem een ongemeene liefde blyken, Gy zult een man als my niet eens verongelyken, Ik zal my zelf daar in niet kwellen, maar ’k moet voort, Blyf hem getrouw, leef als een eerb’re Vrouw behoort. Waardin. ‘Hy lacht met my, de spyt word meester van myn zinnen. Philidia. Gy hebt vergeefs gedacht dat ik u zou beminnen, ’k Bemin, ’t is al te waar, maar weet ook dat de vlam, Die myne ziel verteerd, uit u geen oorspronk nam: Die geene die my tot het minnen heeft gedreeven, Zal my veel duurder staan, min zoetigheden geeven, En in de droeve staat waar in ik ben, kund gy, Wyl dat ik niets voor u kan doen, ook niets voor my. Gy zult u licht wel meêr doen van een ander achten, Gy had van deze min niets als verdriet te wachten: Maar ’k meen wanneer een vrouw op deze wyze praat, Dat dan haar hart heel licht voor iemand oopen staet, En dat een minnaar haar wel mooglyk zou bepraaten, Aan wien ten eersten zo veel gunst word toegelaaten, En waarelyk, gy geeft, wyl gy zo dertel zyt, Uw Man geen kleene reên tot zyne minnenyd; Indien ik aan uw Man eens uw bèdryf wou toonen, Gy wierd licht wyzer, maar.... Waardin. Kan ik my dus zien hoonen? [p. 27] Vierde tooneel. Frederik, Waardin, Philidia. Frederik. UW paerd is vaardig, Heer. Waardin. Ach! welk een onbescheid, Die losbol spreckt my aan zelf tegens de eerbaarheid, Wie zou die stoutheid in die jonkheid durven vreezen, Hy zegd myn man voor my reeds te bejaard te weezen, Dat gy de beul zelf van myn beste leeven zyt, En dat ik beter moest gebruik en myne tyd. Frederik. Hoe! zei myn heer zulks? Waardin. Ja noch grooter schellemstukken, Ik zou hem het gezicht wel uit zyn aanzicht rukken. Philidia. Gelooft.... Waardin. Men zou hem zien voor heel onnoozel aan, Zie met verwondering die jonge wulp daaar staan, Is hy niet wel gedost om vrouwtjes te bekooren, En dat hy zyne min haar leggen durft te vooren? Hy was heel welkom doe hy my te toetzen docht, Maar hy en vond ’er niet het geen hy had gezocht, En had hy met die praat zo eerloos niet gezweegen, Hy had van myne hand zyn antwoord voort gekreegen. Frederik. Al zacht! Philidia. ’k Zeg, by myn eer.... Waardin. Een eerlyk man! die my, Zocht om te zetten door zyn looze veinzery. [p. 28] Frederik. Een vrouw op deze wys.... Philidia. Goôn! Waardin. ’k Wil ’t niet meêr verwachten, Gaa heen nu elders als op deze plaats vernachten. Frederik. Gy hebt groot ongelyk. Waardin. ’k Ben te eerelyk een vrouw, Dat ’k een bedrieger hier by my huisvesten zouw. Philidia. Kom, reken het gelag. Waardin. Wilt vry myn gramschap vreezen. Philidia. Kom, gaan wy. Frederik. Als gy wilt. Waardin. Zulks zal wel ’t beste weezen. Philidia ter zyden. ‘Wist hy de zaak, hoe zou hy dan verwondert staan, ‘Maar wil niet langer hier verblyven, laat ons gaan. Vyfde tooneel. Waardin alleen. INdien myn moed daar door dit voorval was bezweeken, En zo ’k op deze wys hem niet had uitgestreeken, Zo ’k met een goed fatzoen daar niet geloogen had, Dan had myn man misschien meêr achterdocht gevat, En deze losbol had my licht niet gaan verschoonen, Maar onbeschaamd myn man myn misdaad durven toonen; Wie dacht dat zulk een man, zo schoon, en die in schyn [p. 29] Niet gek geleek, zo mal en dwaas zou kunnen zyn, Ik was geheel verbaast, verzet door zyne reeden, Ik redde my noch wel door deze listigheden, Myn misdaad is verschoont door deze vond, ’t gevaar Ben ik ontworsteld, en de baan is nu weêr klaar, ’t Gaat alles na myn wensch. maar ’k zie daar iemand koomen. Zesde tooneel. Izabel, Waardin. Izabel in mans kleederen. HY heeft Philidia, helaas! met hem genoomen, Zy zyn gezaamentlyk vertrokken, dit gaat vast, ’k Zal haar doen sneuvelen. Waardin. Dit ’s weêr een nieuwe gast. Izabel. ‘’k Spreek zacht, daar ’s iemand. Waardin. Ach! wat is hy fraai van leeden, Hoe schoon is hy, hy heeft veel meêr bevalligheden Als de ander, en hy schynt zo droevig niet van zin. Izabel. Dat ’s al een aardig wyf, en ’t lykt wel de Waardin, Om nu al de achterdocht van dit gewaad te mijen, Moet ik wel veinzen, en ik zal haar wat gaan vrijen. Waardin. Myn heer, gelieft gy in de kenken ook te gaan, Daar kunt gy zien wat spys u ’t beste al aan zal staan. Zyt vry verzekert, dat hier niets u zal ontbreeken, En is ’er niets gereed voor uwe mond, wil spreeken. Izabel. Het scheelt my weinig wat men my gereed maake, en Ik maak reeds goede sier, dewyl ik by u ben, ’t Vermaak, en de eer, van u te moogen zien en hooren, Kan my veel meerder, dan de beste spys bekooren, [p. 30] En ’k weet- niet wat men meêr, vreemd zynde, wenschen zou, Wanneer men word gedient, van zulk een schoonen vrouw. Waardin. Ik merk, myn heer, waar toe dit kompliment wil strekken, Gy hebt vermaak, na ’t schynt, om met my wat te gekken, En deze hoofsche taal is niet gebruik’lyk, in Zo slecht een dorp, by een onnoozele Waardin. Izabel. De schoonheên, die men ziet zelf in de grootste steden Van Spanjen, haalen niet by uw bekoorlykheden. En, schoon zy aan het Hof zelf worden aangebeên, Zy kunnen niet by u geleeken zyn, ô neen! Gy hebt geen wedergâ; door uw bekoorlyke oogen, Wierd zelf de koelste mensch, tot uwe min bewoogen; Uw schoonheid heeft aanstonds my tot uw slaaf gemaakt, Ik voelde dat myn hart was door de min geraakt, En dat ik, alzo dra ik u kwam aan te schouwen, Een zucht, liet die ik toen onmoog’lyk kon weêrhouwen. Waardin. Myn heer, ik word beschaamt, dewyl gy my dus vleid, Bewaar voor anderen toch die welspreekentheid. ’k Geloof gy doed zulks om u zelve te vermaaken, En, op dat ik in die verwaandheid zou geraaken; Maar weet, myn heer, dat ik my zelven noch wel ken, ’k Weet dat ik laclyk, en getrouwt, wat meêr is, ben. Izabel. Gy laelyk! gy doet u te kort met die gedachten, Wil uw bekoorlykheid, zulks bid ik, hooger achten, Ja gy doet zien, dat gy heel slecht natuur beloont, Die zyne gaaven heeft zo mild aan u betoont. Waardin, ter zyden. Wat is hy geestig, en wie zou hy niet bekooren, ’t Verdriet niet licht’lyk zulk een aardig man te hooren. [p. 31] Izabel. ’t Geluk heeft u niet wel gehandelt, maar gy zoud Niet wel doen, zo gy u hierom versteuren woud: ’t Is een volmaakt geluk, dat wein’ge word gegeeven, Schoon en gelukkig t’zaam te weezen in zyn leeven, En zulks genoot gy dan, zo gy tot wederpaar Een man had, die uw min en schoonheid waardig waar. Maar waarelyk uw lot is daarom te beklaagen, Dat gy met zulk een man verslyten moet uw’ dagen, Wiens bloed bevrooren is, wiens krachten zyn gedaan, En door zyn’ ouderdom geheel en al vergaan; Kunt gy by zulk een man dan noch wel vreugd bekoomen, Wiens jaaren hem de lust daar hebben toe benoomen, Die als een leevend lyk is over al zyn leên, En die reeds in het graf gaat met zyn eene been. Hier om beklaag ik u in deez’ gelegentheden, Gy hebt groot ongelyk ook van het lot geleeden, Het welk op eene dag te paaren t’zaam besloot De hette van de min, en koelheid van de dood. De zaak is van gewigt, gy moet nu beter keuren. Waardin. Dit is myn fout, myn heer, en zulks moet ik betreuren. Izabel. Treur niet, ’t is tyd dat ge u tot dit vermaak begeeft, Het welk uw ongeluk uw jeugd geweigert heeft, Uw jonkheid port u aan, en uwe lente jaaren, Zyn niet alleen geschikt voor zulke gryze haaren, Gy zult dan vinden.... Waardin. Ach! daar komt myn man, myn heer, Hy ’s heel jaloersch van geest, ik bid u, spreek niet meêr. Izabel. Mejuffer, denk vry dat ik wel zo wys zal weezen, Om hem geen achterdocht te geeven, wil niets vreezen. ’k Ga in de keuken. Waardin. Ai! vertoef een oogenblik, [p. 32] Dat ik een fraaije plaats voor uw verblyf beschik. Izabel. ’k Vergat noch iets aan u te zeggen, wilt betrachten, Dat in die kamer ik alleen maar zal vernachten, ’k Zal ’t wel beloonen. Waardin. Ik versta uw zin, ’t is wel, Gy hebt krediets genoeg, myn heer, ’k volg uw bevel. Zevende tooneel. Frederik, Waardin. Frederik. KRediet genoeg! hier moet al vry wat achter steeken, Kend gy dien jongen heer, dat gy zo vry durft spreeken? Weet gy zyn midd’len? maar ik zou wel zweeren, dat Gy hier een lange praat met hem gehouden had. Gy schept vermaak, en wil steeds los en aardig weezen, En denkt niet, dat my zulks niet zonder reên doet vreezen, Een vrouw, die van elk een zo grooten aanstoot lyd, Die is vry zorgelyk in deez’ bedurven tyd. Waardin. Wel, is ’er jalouzy by de uwe te gelyken? Moet gy van al myn doen zo kwaad een oordeel stryken? Daar ik myn best doe, om door vrindlykheid alleen Te maaken, dat ons huis zy aang’naam aan elk een; Maar zo gy voortgaat in uw grillen te volherden, Zo zal ’t noodzaaklyk zyn dat wy gescheiden werden; Die heer, die gy de naam van een bedrieger geeft, Is de eerelykste man. die op de waereld leeft; ’t Is waar, hy heeft my hier gesprooken, maar zyn reden Zyn leerzaam, en hy sprak van onze tyd en zeden, Zo dat ik zekerlyk geloof, uit zyne praat, Dat hy ’er uit komt, of nu in een klooster gaat. [p. 33] ’k Ben ook de vrouw niet om een dert’le taal te lyden, Die tegens de eerbaarheid in ’t minste maar mogt stryden. Na ’t geen dat ik daar straks dien loskop heb gezegt, Die me iets oneerelyks te vooren had gelegt, Moest gy verzekert zyn van myne min, en denken Hoe ik ontmoet, die my tracht in myn eer te krenken; Ik geef u van myn trouw en min genoegzaam’ blyk, En door uw achterdocht doet gy my ongelyk. Frederik. Verschoon my, hartje, schoon uw trouw my is gebleeken, De jaloezy die is van myne liefde een teken, En minde ik u niet teêr, ’k had geen ontsteltenis. Maar, weet dat de and’re gast weêrom gekoomen is; Men had in ’t naaste bosch hem alles afgenomen, Ten zy een heer in tyds hem was tot hulp gekoomen. Waardin. Hoe! geeft gy noch verblyf aan dezen lossen kwant? Frederik. Die by hem is dat is den jongen Ferdinand, En die verzoekt zulks. Waardin. Hoe! wat zegt gy my? is dezen De broêr van Izabel, die elk zegt schoon te weezen? Frederik. De zelfde. Waardin. Op zyn verzoek zo moet zulks dan geschiên, Maar ’k waarschouw u, ik wil den anderen niet zien. Frederik. Indien gy by geval hem eens kwaamt aan te schouwen, Zyt wat beleefder, en wil u meêr binnen houwen. Zy willen dat men hen een bed geeve elk alleen. Waardin. Zy gaan dan daar zy zyn, wy hebben ’er maar een. [p. 34] Deez’ kamer, waar in zyn twee bedden, is genomen Door de and’ren heer; waarom zyn zy niet eer gekoomen? Het bed, ’t geen ov’rig is, is groot en schoon, en zy, Ja, noch een derde zou daar leggen kunnen; wy, Wy slaapen niet zo wyd op ons bed met malkander; En Ferdinand verveelt.... Frederik. Hy doed het niet, maar de ander. Na ik van Ferdinand daar even heb gehoort, Zo moet hy morgen met den daageraad weêr voort, En hy verzoekt zulks om zyn makker te vernoegen, Wy knnnen ’t schikken. Waardin. ’k Zie dit niet heel wel te voegen. Frederik. Wy kunnen hem, wanneer dien heer gerust en stil Zal slaapen, wyl Ferd’nand zo vroeg vertrekken wil, En zonder dat hy van den ander word vernomen, Door de bedekte deur doen in zyn kamer koomen. Waardin. Hoe komt hy ’er weêr uit? Frederik. Hy gaat toch morgen vroeg, En ziet dien ander hem, dan is hy wys genoeg. Waardin. Wy zullen, dit gaat vast, hier de een of de ander hoonen; Indien die heer hem ziet. Frederik. Dan moet men dit verschoonen. Waardin. Wy doen ons zelf te groot een ongemak nu aan, Om zulk een jongen wulp. Frederik. ’k Wil ’t zo, daar meê gedaan. Waardin. Indien hy ’t weet, zo zal zyn smart niet minder weezen, [p. 35] ’t Is een aanzien’lyk man, die gy zo hebt mispreezen. Ik vrees voor ongeval, gy hoont hier door een heer Van groote staat, na ’t schynt, van deugden en van eer. Frederik. Wanneer dat wy een wyf vol aardigheden trouwen, Hoe dik wils koomt die keur ons naderhand berouwen? Wat volgt ’er vaak al ramp op onze huuw’lyksdag! Zo dat men zich wel eerst wat lang bedenken mag. Einde van het tweede Bedryf. [p. 36] Darde bedryf. Eerste tooneel. Izabel, in haar kamer leunende op een tafel. GY billikheid, wil toch myn toorn niet meêr weêrspreeken, Laat die begaan, want schoon Alonce my alleen Beleedigd heeft, wil ’k op Philidia my wreeken, Zy heeft myn minnaar my onttrokken, en ik meen Dat ik haar nu ook mag rechtvaardig om doen koomen, Wyl zy me iets waardigers dan ’t leeven heeft benomen. Maar ’k voel, helaas! ik voel, tot meerd’ring myner smert, Dat die ondank’bre van my aangebeden werd, En dat ik nimmer dien trouwlooze kan begeeven? Ik voel een drift van haat en liefde, want ik tracht, Schoon dat myn haat staat na myn Medevrysters leeven, Alonces hart weêrom te krygen in myn magt. Maar, neen! ’t is vruchteloos, ’t geen ik wil onderwinden. De ondank baare heeft my verlaaten, ’t is gewis, En ’k vrees ik zal hem in die oude staat niet vinden, Schoon dat de liefde zelfs my tot een leidsman is, Hy zal na myne min noch klagten willen hooren, Dewyl Philidia kon zyne ziel bekooren. Hoe komt het dat ik die trouwlooze niet verlaat? Kan ik niet haaten een verraader, die my haat? Ja! ’k breek de banden, my zo hinderlyk voor dezen: Begeeven wy hem dan, die my het eerst begeeft, ’k Zal hem verachten, dus zal elk in twyffel weezen, Of ik hem, dan of hy my ’t eerst verlaaten heeft. Dit ’s ’t eenigst’ middel dat my over is gebleeven, Om my te helpen uit deez’ doodelyke pyn, Ik wil voor eeuwig die trouwlooze gaan begeeven; Want mindert myne min, myn smart zal minder zyn. [p. 37] Maar, ach! hoe kunnen die gedachten in my koomen, Het hart ontbreekt my, want dat heeft hy meê genomen. Hy heeft my al te ver in zyn gebied gebragt, Ik volg de ondankbaare, schoon dat ik word veracht. Wat hindert my dat ik aan hem my niet kan wreeken? Twede tooneel. Izabel, Ferdinand, Frederik. Frederik. LAat ons eens luist´ren, en ons hier zo lang versteeken. Izabel. Ik voel dat tot de slaap my myne droef heid port, En dat ik schielyk daar van overvallen word. ’t Schynt dat de slapgod door nieusgierigheid gedreeven, Wil weeten, wat voor smart de min al weet te geeven, Maar hy kan my geen rust verleenen in myn nood, Want al myn rust hangt van Alonce af, of de dood. Frederik. Myn heer, maak geen gerucht, en wil maar binnen koomen, Hy slaapt al, want ik kan zulks hooren aan zyn droomen. Ferdinand. Hy slaapt noch niet, ik zie dat zyne kaars noch brand. Frederik. Hy slaapt al vast, myn heer, maar ’t is een lichten kwant, Die door onachtzaamheid en losheid heeft vergeeten De kaarsen uit te doen, die naauw’lyks van het eeten Het laatste beetjen in zyn mond gestooken heeft, En die zich als een zwyn zo voort te rust begeeft; Men moet wel zorgen wat die jonge lui al maaken, Men zou ’er anders in groot onheil door geraaken. Ferdinand. Neem deze kaarsen weg, en ga gerust maar heen. Frederik. Myn heer, hoe wilt gy op deez’ wys de nacht besteên? [p. 38] Ferdinand. Wyl na myn’ ouders nu all’ myne zinnen strekken, Zo wil ik morgen met de daageraad vertrekken, En ik en kan ook niet bedenken dat de tyd, Zo kort, een andere manier van rusten lyd. Maar wyl, wanneer men slaapt, de zorg ons is ontweeken, Zo laat my wekken, als de dag komt aan te breeken. Frederik. Op dat die and’re heer, hier van niet word bewust, Zo zal ik ’t zelf wel doen, goê nacht, heer, en goê rust. Darde tooneel. Izabel, Ferdinand. Izabel, wakker wordende. O Slaap! zo aangenaam, verlichter van de pynen, Moet gy dus schielyk, tot myn ongeluk, verdwynen, Hebt gy niet krachts genoeg tot licht’nis van een hert, ’t Welk van de liefde en haat steeds aangevochten werd? En weigert nu myn ramp aan my die rust te geeven, Die de allerdroevigste noch over is gebleeven? Ferdinand op een bed. Wat hoor ik? en wat of hem port tot deze reên? Izabel. In traanen en gezucht bestaat myn rust alleen; En nu ik zo veel ramp moet van het lot verdraagen, Is my niets ov’rig als de vryheid van het klaagen. Ferdinand ter zyden. Al de ongevallen die men heeft des daags geleên. Die worden door de nacht verdubbelt in ’t gemeen. En als een mensch is met een kwelling ingenomen, Kan hy geen rust, want ’t speeld hem in de zin, bekoomen. Izabel. Helaas! Ferdinand ter zyden. Ik zal, kan ’t zyn, in ’t klaagen om zyn smart, [p. 39] Wel mogelyk de grond ondekken van zyn hart. Izabel. Oorzaaken van myn ramp en pyn, bedrieglyke oogen! Gy doodelyke schoont’, waar door ik ben bedroogen, Geen mensch was magtig om de keetenen te ontgaan Van uw bekoorlykheid, die ’k niet kon tegenstaan. Rampzaal’ge liefde! die ’t gezicht ons komt verblinden, Dien trouweloozen deed gy my te schoon bevinden, Nu zie ik uw geluk, is maar geluk in schyn, En dat gy meestendeel ons doet rampzaalig zyn; Kan ik de haat van u dan nimmer overwinnen? Rampzaalge dochter! en vervloekte drift van ’t minnen! Ferdinand. ‘Wat hoor ik? is ’t een vrouw? wie had dit ooit gedacht, ‘Ze is ongelukkig, na ik hoor aan haare klagt. Izabel. Ik mag op ’t bed gaan, en my tot myn klagten keeren. De kaars is uit, ik kon my nu heel licht bezeeren, ’k Wil hoopen dat ik daar wat beter rusten zal. Zy gaat na ’t bed daar Ferdinand op legt. Ferdinand. Mevrouw. Izabel. Is hier een mensch? ô ramp! ô ongeval! Wat wilt, wat zoekt gy hier? spreek op, wat ’s uw begeeren? Wie dat gy ook moogt zyn, dit staal zal my verweeren. Ferdinand. ’k Verzeker u.... Izabel. Hoe komt gy op deez’ plaats? staaf, Zo gy my nadert vreez myn wanhoop, en uw straf. Ferdinand. Ik bid u, hoor my doch, en wil in ’t minst niet vreezen, Ik weet welk eerbied ’k uw geslacht moet schuldig weezen, [p. 40] En ’k had in ’t minste de gedachren, dat ik zou Uw ramp en ongeval vermeerderen, mevrouw. Myn inzicht was, wyl dat de nacht meest is verstreeken, Hier te verblyven tot de dag kwam aan te breeken. De Waard, die even hier uit deze kamer gaat, Die zou my wekken zelfs al met de daageraat. Maar, wyl ik zie dat u myn byzyn kan mishaagen, Zo zal ik de achting, die ik u koom toe te draagen Betoonen, en voort uit de kamer gaan, mevrouw, ’k Verlaat myn rust, de wyl die u ontrusten zou. Izabel. Gy deed my groote dienst, wout gy van hier vertrekken, Maar wil toch myn geslacht, en rampen niet ondekken. Ferdinand. Ik tracht u dienst te doen, en ’k zweer, in dit geval, Dat ik ’t geheim, zo wel als gy, verzwygen zal. Maar ’k zie geen schyn om dit vertrek aan toe te schryven. Izabel. Dit baard my onrust. Ferdinand. Duld dat ik hier mag verblyven, Ik ben een eerlyk man, en al myn wenschen zyn Om u te troosten in uw doodelyke pyn. Izabel. Wat zyn myn rampen groot! Ferdinand. Ik zal myn woord u houwen. Izabel. Uw woord vertroost my, en ik zal daar op vertrouwen. Ferdinand. Dat my de hemel vry zyne ongenaade geev’, Zo ’k met u anders dan met myne zuster leev’. Izabel. Het is genoeg, ik zal, door uwe deugd gedreeven, U de geheimen gaan vertrouwen van myn leeven, [p. 41] Op dat het vry verhaal van myn geleeden leed, U tot het zwygen dwing’, schoon dat gy alles weet. Ferdinand. Geloof, indien het lot myn wenschen wil vernoegen, Dat ik myn dienst by myn bescheidenheid zal voegen, En dat uw eer by my geheel zal veilig zyn, En ’k hoor uw ramp maar om te deelen in uw pyn. Izabel, zittende op een bedstede, en Ferdinand op een ander. Myn naam is Izabel, tot Lissabon gebooren, De hemel had die plaats tot myn geboort’ verkooren, Myn vader is aldaar een edelman vol moed, En zyne deugd vermeert de glory van zyn bloed, De trouw heeft hem my, met een broeder, nagelaaten, Die hy zo veel bemind, als hy my komt te haaten, Myn broeder Ferdinand heeft weinig zyns gelyk, En heeft drie jaaren reeds in ’t Arragonse ryk Gedient, en steeds hem op het deugdespoor begeeven, Hy is de vreugd, ik ben ’t verdriet van ’s vaders leeven. Ferdinand. ‘Het is myn zuster, ach! beschreilyk ongeluk. Izabel. Wanneer myn broeder, die zo teêr my mind, myn druk Zal hooren, hoe zal hem dit in zyn ziel ontroeren, Ja, ’k vrees dat dit hem tot de wanhoop zal vervoeren, Hy zal my zoeken aan het eind zelfs van ’t heelal. Ferdinand. ‘Rechtvaarde hemel! ach! wat hoor ik? wreed geval! Izabel. Wat heeft de hemel my al ongeval beschooren! De zon had naauwelyks, na dat ik was gebooren, Maar vyftien maalen zyn gewoone loop volbragt, Toen ik het eerst de min gevoelde, en zyne kracht, Wanneer Alonce.... Ferdinand. ‘Is hy de ontrouwe? wreede slaagen! [p. 42] Izabel. Die doodelyke naam verdubbeld, myne plaagen, Dit is de naam van dien ondankb’re, die de lust My tot het leeven heeft benomen, en myn rust. ’k Kwam met vermaak in ’t eerst zyn ommegang verdraagen, Ja, ’k vond in ’t hooren van zyn reden welbehaagen, En naderhand heb ik meêr gunsten hem gedaan, Ja ’k heb hem zelfs de naam myns minnaars toegestaan: Toen ’k dacht dat my zyn min genoegzaam was gebleeken, Gevoelde ik dat ik meê was door de liefde ontsteeken. Myn vader hoorde ik ook had, vol onmenslykheid, Myn hart en wedermin een ander toegezeid. Alonce deed zyn best om my toen te overreden, En hy verzekerde zyn trouw aan my met eeden, ’k Wierd, door zyn wanhoop, ook zo ver vervoerd dat ’k hem Tot myn ontschaaking gaf volkomentlyk myn stem; Zo dat de min my ook geheel het hart doorgriefde, En ’k heb hem al te wel beloont zyn min en liefde: Wat zeg ik? liefde; hy gevoelde die niet, en Hy veinsde flechts alleen, waar door ’k bedrogen ben, En zyne mond kwam my een liefdewys te maaken, Die nimmermeer zyn hart, als toen, had kunnen raaken. Ferdinand. ‘Hy heeft haar wis verleid. Maar, was de dag, mevrouw, Al vast gesteld, waar op hy u ontschaaken zouw? Izabel. Helaas! Ferdinand. Dit zwygen kan ’t my wel te kennen geeven. Izabel. De ondankb’re wierd toen tot een anders min gedreeven, Myn heer, en hy wierd van Philidia deez’ nacht, Dit is haar naam, helaas! als bruidegom verwacht. ’t Wierd my ondekt, ik vloog daar heen, en die verraader [p. 43] Sprak my voor haar aan, en toen hoorde ik dit noch nader. Maar, ziende dat hy zelf my ’t schelmstuk had beleên, Vertrok hy aanstonds, en Philidia met een. Na deze droeve maar kunt gy heel wel bezeffen, Hoe groot myn gramschap was, hoe my de dru kkwam treffen; Dies ik, opvolgende myn wanhoop en verdriet, Aldus in mans gewaad myn vaders huis verliet. ’k Heb harts genoeg, in dit gewaad, om my te wreeken, Ik wil Alonce en ook Philidia doorsteeken. ’k Weet datze in Vlaand’ren zyn, en ’k zal in deze nood Myn best gaan doen om hen te vinden, of myn dood. Dit is nu het verhaal van al de wreede plaagen, Die my myn ongeluk en liefde doen verdraagen; Maar, ach! hy slaapt, en heeft geen meêly met myn druk; Hy hoord niet na ’t verhaal van al myn ongeluk. Ferdinand. Neen, neen! ik slaap niet, en uw stem, die my doet waaken, Komt my in ’t binnenste van myn gemoed te raaken, En, schoon dat ik de vriend van deeze ontrouwe ben, Zo neem ik heden deel in uwe gramschap, en Zyn vriendschap hinderd my, ’k wil die, om u, verlaaten, En ’k zal Alonce ook als myn grootste vyand haaten, ’t Verraad is al te groot, en ’k zweer in dit geval, Dat ik u, zelf, gelyk myn zuster, wreeken zal. Maar, ’t is genoeg gezegt, ’t is tyd dat wy nu zwygen, Wy zullen door de nacht licht eenig middel krygen Tot onze wraak. maar, wyl de nacht meest om is, laat Ons noch wat rusten tot de komst der daageraad. Vierde tooneel. Waardin, Izabel, Ferdinand. Waardin met een lantaarentje. ’k HOor iemand. [p. 44] Izabel. Hy heeft hem reeds tot de slaap begeeven. Maar, ’k voel dat ik ook tot het rusten word gedreeven. O min! die de oorzaak van myn rampen zyt geweest, Vergun nu toch wat rust aan myn onstelde geest. Waardin. ’k Hoor geen gerucht meêr; laat ik nu de vreugd gaan raapen, Ik ben hier de eenigste, dunkt my, die niet kan slaapen. Laat ons, terwyl myn man reeds legt, in zyne rust, En snurkt, zo schoon een man bezien naar onze lust. O schoone slaaper! die myn ziel gansch kunt bekooren, Door welke magt komt gy my in myn slaap te stooren, En komt my in myn bed ontrusten, als ik meen Te slaapen, door uw schoonte en uw bevalligheên? Helaas! rampzaal’ge vrouw, wat kunt, wat wilt gy maaken, Nu gy u voelt in een onkuische liefde blaaken? Die schoone gast is niet rechtvaardig tot uw smart, Wyl dat hy zelve wil huisvesten in uw hart. Vyfde tooneel. Frederik, Waardin, Izabel, Ferdinand. Frederik. IK vat haar op de daad, dit kan zy niet ontleggen. Waardin. Gy zult ziek worden. Frederik. Pry, wat wilt gy hier meê zeggen? Waardin. Ga weêr na bed toe. Frederik. Ga maar heen, ik volg u voort. [p. 45] Waardin. Wat is ’er dan te doen? Frederik. Ga, zeg ik, spreek geen woord. ’k Betrap u nu, geveinsde, en hier en helpt geen praaten; ’t Is u mislukt, ô pry! durft gy myn bed verlaaten? En zoeken op deez’ plaats een man die u behaagt, En die gy onbeschaamt om een vermaakje vraagt. Ei! zeg my eens, hoe dat zyn kussen u al smaaken? Waardin. Wel, zult gy nimmer uit deze achterdocht geraaken? Gy schept vermaak om my gestadig na te gaan, En gy berispt al ’t geen dat van my word gedaan. Frederik. Ga, gy hebt reeds te veel zorg voor myn rust gedraagen. Waardin. Zo vroeg al knorrig! wel, wie zou dat niet mishaagen? Frederik. Zo vroeg al beezig, op dat gy my schand aandoet? Waardin. Gy weet dat Ferdinand aanstonds vertrekken moet, Hem op te wekken, nu de dag komt aan te breeken, Is dat een misdaad, om dus door te zyn gestreeken? Frederik. Wat was het, dat gy by dien and’ren heer dan zocht? Waardin. ’k Schoof de gardynen van zyn bedsteê toe, en ’k docht, Wyl ’k hier door trachtende om hem niet te doen ontwaaken: Dus zal heer Ferdinand te beter weg geraaken. Frederik. Gy kunt, zo loos zyt gy, hier zelfs in myn gezicht Wel zondigen, en durft noch zeggen, ’t is myn pligt. Waardin. Een eerelyke vrouw heeft altyd zulks te wachten, Dat haar een onverstand, als gy, zal schuldig achten, [p. 46] Maar, om uw achterdocht zo wil ik.... Frederik. Wat wilt gy.... Waardin. Wil ’k u beminnen zelfs ondanks uw jaloezy. ’k Zal toonen dat my niets van ’t deugdespoor kan trekken, En dat tot uw profyt alleen myn zinnen strekken. Frederik. ’k Geloof zulks, maar die zorg die strekt my tot verdriet, Bevorder maar myn rust, en juist myn voordeel niet; En ’k vreez dat ge aan een man, zo jong en schoon als dezen, Zoud uit ’er aart al vry wat te milddaadig weezen. Waardin. Wat baart de jaloezy in u al mocilykheên! Wekt gy heer Ferdinand dan op, ik ga beneên. Zesde tooneel. Frederik, Ferdinand, Izabel. Frederik, Izabel beziende. DIe heer die schynt vry los en licht, dit doed my vreezen, En is hy ’t niet, nochtans hy schynt het wel te weezen, Ik wil zulk soort niet meêr huisvesten naderhand, De nacht is nu reeds om, ik wek heer Ferdinand. Myn Heer. Ferdinand. Is ’t reeds zo laat? Frederik. O ja, ’t begint te daagen. Ferdinand. Vertrek maar, ’k volg u, gy hebt goede zorg gedraagen. Frederik. Maak dan niet veel gerucht. [p. 47] Ferdinand. Myn vriend, stel u te vreên, Ik moet dien jongen heer eens spreeken, ga maar heen. Frederik. Hem spreeken? doe zulks niet, wil liever stil vertrekken. Ferdinand. Neen, neen! myn aanspraak zal hem tot vermaak verstrekken, Ik ben zyn broeder. Frederik. Ik weêrspreek u dan niet meêr, Dat is wat anders, en ik wist zulks niet, myn heer. Zevende tooneel. Ferdinand, Izabel. Ferdinand. RAmpzaal’ge zuster, die uw eer hebt overtreeden, O voorwerp van myn toorn, en van myn tederheden! Moet ik, als broeder, of gelyk een beul, vol haat, U aanzien in deez’ droeve en jammerlyke staat? Moet ik na uw verhaal, of zacht zyn, of verbolgen? De driften van natuur, of van myn gramschap volgen? Ik weet noch niet hoe dat ik u ontmoeten zal, Moet ’k u omhelzen of doorsteeken? wreed geval! Izabel wakker wordende en haar degen trekkende. Hoe! my doorsteeken? Ferdinand. Ach! Izabel. Heb ik u reên gegeeven, Verraader, om my.... Ferdinand. Gy hebt tegens my misdreeven, [p. 48] Maar ’k wil u.... Izabel. Nader niet, laf hartige, blyf staan, Ik zal u met dit staal kloekmoedig tegen gaan. Ferdinand. Ik bid u, dat gy toch dit lasteren wilt staaken, Bezie my eens te recht, wil geen gerucht meêr maaken. Ik heb meêr reed’nen als gy denkt tot deze haat, Let op myn aangezicht, en zie wie voor u staat, Of is u reeds uit uw geheugenis geweeken.... Izabel. Wat zie, wat hoor ik? ach! Ferdinand. Gy hoort uw Broeder spreeken. Izabel. Myn Broeder! zo die naam my toe kan zyn gestaan, Ik ken myn misdaad, na dat ik die heb begaan, En wyl dat ik u heb in ’t schandelykst beleedigt, Kund gy, door myn berouw alleen, niet zyn bevreedigt: Wreek u, straf my, en laat ik sterven, door uw hand, Doof dus myn liefde te gelyk uit, en uw schand. Ik walg van ’t leeven, ’t kan my nu niet meêr behaagen, Myn misdaad eischt myn bloed, en wil geen ydel klaagen, Wanneer ik door u sterf, dan zal my myne dood Min smarten; stoot dan toe, myn waarde broeder, stoot. Zy knielt. Ferdinand. Myn zuster, rys, ’k word door te groot een zucht gedreeven, Om met een zustermoord, het geen gy hebt misdreeven, Te straften, en men krygt heel ligt vergiffenis Van zulk een misdaad, die door min bedreeven is. ‘Ik moet nu wel doen, schoon zy kwaalyk deed; en weten Myn pligt te volgen, schoon zy haare heeft vergeeten. Ondanks uw zwakheid, en myn spyt en gramschap, zal [p. 49] Ik zelf uw minnaar gaan opzoeken overal; En ’k zal niet, dat hy u verlaaten zou, gehengen, Hy heeft uw trouw belooft, die moet hy ook volbrengen; Blyf onbekend, ik ben hier weêr in korten tyd, Ik heb ook reeds gezegd, dat gy myn broeder zyt, Zo dat hier niets voor u in ’t minste staat te vreezen, Een heer, vol geest, zal u hier tot gezelschap weezen, Dien ik een grooten dienst deed gist’ren in zyn nood, Dewyl ik hem in ’t bosch verloste van de dood. Ik zal nu alles tot uw diensten aan gaan wenden, Zyt dan zo droevig niet, ’k neem deel in uwe elenden, Die ongetrouwe zal my niet ontvlugten, ’k zal Hem vinden, schoon hy was aan ’t eind zelfs van ’t heelal. Izabel. O broeder! waardiger dan immer is gebooren, Zou dit geluk my in myn rampen zyn beschooren, Dat ik, na dat ik heb gezondigd gantsch verblind, Nu een beschermer in die ’k heb beledigd vind? Maar, ’t is vergeefs, gy zult hem nimmer vinden konnen, Philidia heeft reeds Alonces hart verwonnen, Gy zult niets vorderen wat gy ook onderwind, Wyl hy te laf is, en haar al te teêr bemind. Ferdinand. Neen! denk vry dat ik die trouwlooze zal doen kiezen Aanstonds Philidia, of ’t leeven te verliezen, Hy moet u keuren, of zal sterven. Izabel. Hemel! ach! Belet zyn dood, en gun dat hy hem vinden mag. Einde van het darde Bedryf. [p. 50] Vierde bedryf. Eerste tooneel. Frederik, Philidia. Frederik. HEer Ferdinand komt met zyn Broeder straks beneden, Om u een woord of twee te spreeken. Philidia. ’k Ben te vreden, Ik wacht hem, ’t was van my heel kwaalyk ook gedaan, Zo ’k zonder afscheid dus stilzwygend weg zou gaan. Frederik. Vrees niet, al zyt gy nu wat laater opgezeten, Myn Heer, uw paerd is schoon, dat wil wel haver eeten, Het zal gelyk een schim nu loopen onderweeg, Het vrat de groote korf driemaal met haver leeg, Gestreeken boordevol, want, heer, dit moet gy weeten, Dat ik my nimmer heb beholpen met vals meeten, Dat ik ’t bedrog, hoewel de winft my zoet is, haat, ’k Verkoop wanneer ik kan, maar ’k geef elk een zyn maat; Van my zou niemand zulk een schelmstuk kunnen toonen. Philidia. Een die geen schuld heeft, hoeft zich zelf niet te verschoonen. Maar, laat ons van uw vrouw eens spreeken. Frederik. Ei! myn heer, Die fout is licht verschoont, ik denk daarom niet meêr. Philidia. Men zeide u niet, hoe zich de zaak heeft toegedraagen. Frederik. Hoe! kan u dan de naam niet van galant behaagen? [p. 51] ’k Mogt in myn jonge tyd meê wel een meisje zien, Dit ’s heden ook ’t gebrek van de eerelykste liên. Het stond my slecht had u myn vrouw gehoor gegeeven, ’k Zie dat gy geestig zyt, en in de min bedreeven, U we oogen en gelaat die zyn ’er tekens van. Philidia. Gy kent my niet te recht, gelooft my, lieve man. Frederik. ’k Zocht zo, als gy, myn tyd, toen ’k reisde, te verdryven Met de waardinnen, als ik op een plaats moest blyven. Philidia. ’k Moet u ondekken. Frederik. Dat ’s niet noodig. Philidia. Ik begeer Myn onschuld in.... Frederik. Neem toch die moeite niet, myn heer. Philidia. Laat ik, eer ik vertrek, uw misslag u eens toonen. Houd gy my niet verdacht? Frederik. Gantsch niet, ’k wil u verschoonen. Philidia. Uw vrouw.... Frederik. Ei! bid ik, spreek niet meêr van dat geval. Philidia. Gy denkt misschien wel, dat.... Frederik. O neen! ’k denk niemendal. Philidia. Wie zach zyn leeven ooit belachchelyker zaaken? Vriend, gy gelooft te licht al ’t geen me u wys koomt maaken. [p. 52] Frederik. Myn heer, ik zou uw les gelooven, zo gy waart Zo oud en grys als ik van haaren, en van baard. ’k Heb ondervinding. Philidia. Ik voel my in toorn ontsteeken, Wilt gy een woord of twee my dan niet hooren spreeken? Frederik. Zeer gaeren, ja al zyn ’t ’er honderd, en noch meêr. Philidia. ’t Zal tot uw voordeel zyn. Frederik. Spreek dan, ik zwyg, myn heer. Philidia. Ik heb uw vrouw gantsch niet beledigt door myn reden, Maar weet.... Tweede tooneel. Waardin, Frederik, Philidia. Waardin. MOet ik de plaats van man en vrouw bekleeden, En alles doen alleen, wat dat ’er diend gedaan? ’k Ben moê van ’t werken, en gy blyft zo lui hier staan. Philidia. Blyf hier.... Waardin. Myn heer, bemoei u met uw eigen zaaken, En niet met de onze, die u in het minst’ niet raaken; Blyf dan niet langer by die losbol hier, ga heen, Heer Ferdinand komt met zyn broeder na beneên. Frederik. Indien dat zy nu een van tweên om drinken spreeken, Zo moet ik aanstonds gaan een ander vat opsteeken. [p. 53] Waardin. ’t Is wonder dat gy hen zo lang reeds wachten laat, En met die jongen wulp hier uwen tyd verpraat. Frederik. Die heer is deugd’lyk, en gy kunt hem niets verwyten. Gelieft, myn heer, ook met die anderen te ontbyten? Philidia. Neen, ’k heb te grooten haast. Frederik. Ik bid, myn heer, onbyt, De wyn verkwikt het hart. Waardin. Myn heer, die heeft geen tyd. Philidia. Gy spraakt heel anders toen ik hier eerst was gekoomen. Waardin. De schyn der menschen die bedriegt, ’k heb ’t meêr vernomen. Ga zien, of Ferdinand ook iets begeert, ’t is tyd. Frederik. Daar is hy. Darde tooneel. Frederik, Waardin, Ferdinand, Izabel, Philidia. Frederik. KAn ik u ook dienen met ’t onbyt? Waardin. ’k Zal u zo wel hier als te Lissabon gerieven. Frederik. Wy hebben hier in huis, al wat u zal believen, Kan ik u dienen met een boutje van een lam, Een ossetong, myn heer, of hieltje van een ham? Wilt ge een pottagie, of gebraade hoenders eeten, Of wilt gy die gestooft? laat ons uw zin maar weeten. [p. 54] Ei! zeg ons maar wat spys dat gy begeert, en ik Zal ze u doen hebben, ja, zelfs in een oogenblik. Ferdinand. Geef ons maar de ossetong, die wilde ik gaeren eeten. Waardin. Ze is niet gekookt, ik heb ’t by ongeluk vergeeten. Ferdinand. Geef de pottagie dan daar gy van spraakt, maar hier. Waardin. Myn heer, ik zet de pot daar even eerst op ’t vier. Ferdinand. Het hieltje dan. Waardin. Myn heer, het heeft my zo gespeeten, De hond heeft gisteren het hieltjen opgegeeten. Ferdinand. Wel hebt gy dat niet, geeft de hoenders dan voor ’t lest. Waardin. Ik heb een buurman, die heel schoone hoenders mest, Wil ik die koopen? Ferdinand. Ga die aanstonds ons beschikken. Frederik. ’k Heb wyn, myn heer, die ons kan hart en ziel verkwikken, ’k Heb Alikantsche, die zo hoog word gewaardeert, En van Madera, spreek maar op wat gy begeert. Ferdinand. Ik drink die laatste gaern. Frederik. Myn Heer, die moet noch zinken, Ze is al te troebel, en noch niet bekwaam te drinken. Ferdinand. Wel, de Alikantsche dan. Frederik. Dat is een schoone wyn, [p. 55] Die is op weg, en moet hier overmorgen zyn; Ik heb ook and’re soort heel goed, ’k zal, zonder toeven, U ’t beste vaatjen uit myn kelder laaten proeven. Vierde tooneel. Izabel, Ferdinand, Philidia. Ferdinand. MYn Heer, een tyding, die ’k daar even heb verstaan, Verpligt my, dat ik noch onmoogelyk kangaan, Indien gy uw vertrek dan noch wat uit kond stellen, Zo kunnen wy op reis elkanderen verzellen, ’k Heb hier noch iets te doen, wy kunnen met ons tweên Het bosch veel veiliger doorreizen, dan alleen. Philidia. Myn heer, ’t is wel, ik volg volkoomen uw behaagen. Ferdinand. Wil ’t byzyn midd’lerwyl myns broeders hier verdraagen. Philidia. Ik zie uw goedheid, en dat myn erkentenis Veel minder noch, myn heer, dan uw beleefdheid is. Izabel. Myn heer, uw byzyn zal my tot vermaak verstrekken. Ferdinand. ’k Ben in een korte tyd hier weêr, ik moet vertrekken. Vyfde tooneel. Izabel, Philidia. Izabel. ’k BEdank het lot, waar door myn waarde broeder de eer Genooten heeft, dat hy u dienst gedaan heeft, heer; Maar ik en kan ook dit niet zonder nyd aanschouwen, Dat hy alleen zo schoon een leeven heeft behouwen, [p. 56] Wyl ik een drift gevoel gantsch tot uw dienst bereid, Die ’t zelfde meê zou doen in die gelegenheid. Philidia. Myn heer, gy eert my al zo veel door uwe reden, Als hy my heeft verpligt, ’k ben op my zelf te onvreden, Wyl, na uw goedheid, en zyn edêlmoedigheên Ik myne pligt niet kan betoonen aan u tween, En dat myn onmagt my verwekt dit ongenoegen, Dat ik de erkent’nis by de ondankbaarheid moet voegen. Izabel. Myn heer, wilt gy my de eer vergunnen op deez’tyd, Dat ik de plaats weet waar in gy gebooren zyt, ’k Zal de eer licht hebben u te kennen, zo gy ’t leeven Te Lissabon ontfingt, alwaar ’t my is gegeeven. Philidia. ’t Is dicht by deze stad daar ik gebooren ben, Op ’t allernaaste slot, vermaard door oudheid, en ’t Is ryk van inkomst, een der prachtigste gebouwen, Myn vader Manciqua heeft zich daar lang onthouwen. Izabel. Ik ken hem, en hy word heel oud, maar ’k weet ook, dat Hy nimmer kinderen heeft by zyn vrouw gehad, En dat hem dit veel smarts verwekt heeft in zyn leeven. Philidia. ‘Helaas! rampzaalige! wat antwoord zult gy geeven, Zo ik zyn zoon niet ben, ’t scheelt weinig, ach! ik beef, Ik ben zyn broeders zoon, myn heer, zyn eigen neef. Izabel. Zyn broeder die heeft nooit geen zoons gehad voor dezen, Maar heeft een dochter, zulks kan dan niet moog’lyk weezen, Die is niet by haar oom, maar vader opgevoed, ’k Weet dat hy middelen bezit in overvloed, Zyn dochters schoonheid is al om zo zeer gepreezen, Dat ik van dat gerucht niet kan onkundig weezen, [p. 57] Zo Lope uw vader is, dan zou, na alle schyn, Dit kleed maar dienen, om hier niet bekend te zyn. Uit uwe schoonheid, en uit uw bevalligheden, Uw’ eerb’re schaamte, en ook uit uw gelaat en zeden, Dunkt my, schoon gy niets zegt, dat reeds genoegzaam blykt, Dat gy niet in der daad zyt, die gy wel gelykt: Doch hebt gy redenen om u bedekt te houwen, En vreest ge aan my al uw geheimen te vertrouwen? Bedwing u dan niet meêr, weet dat, in dit geval, U myn nieusgierigheid niet lastig vallen zal. ’k Verlaat myn achterdocht, zo ze u in ’t minst zou krenken, En ’k zal gelooven ’t geen gy wilt dat ik zal denken. Philidia. Wat zou ’k gelukkig zyn, indien het waar was, dat Gy in uw meening u van my bedroogen had: Maar, neen! myn ongeluk heeft my deez’ druk beschooren, Dat ik een dochter, en rampzaalig ben gebooren. ’k Zie u voor deugd’lyk aan, en ’k meen dat ik u zou Te kort doen, zo ik dit geheim verzwygen wou. Myn heer, in dit gewaad, waar door gy zyt bedroogen, Ziet gy de dochter dan van Lope voor uwe oogen Die, proevend’ van de min de wreede heerschappy, De blinde liefde volgt, zelfs meêr verblind dan hy. Die god, myn heer, die god! die niemand kan weêrstreeven, Dwong my, dat ik my aan zyn magt moest overgeeven, En diende zich toen van Alonce, tot myn smart, Eu schoot de pylen uit zyne oogen, in myn hart. Izabel. ’k Heb kennis aan een heer van deze naam gekreegen, Die, door zyn aartigheid, de fierste kan beweegen. Maar, zeg me Alonce waar is die gebooren? ‘zy ‘Is myn meêminnaares, ô min; begunstig my! Philidia. Die edelman is van zyn vaders kant gekoomen [p. 58] Van de Gonzalves, een vermaard geslacht te Romen, Zyn vader liet om reên, die ’k nimmer weeten kon, Italien, en kwam ter woon tot Lissabon. Izabel. Dien zelfde ken ik, hy ’s verwonderlyk van zeden, Beminlyk, vol verdienste, en vol bevalligheden, ’k Verzeeker my dat gy van hem word aangebeên, Hy moet getroffen zyn door uw aantreklykheên, Die kan hy niet weêrstaan, ja, ik wil ook gelooven Dat zyne liefde zelfs uw liefde gaat te boven, Hy mind u teder, en ik twyffel hier niet aan. Philidia. Ik zal, van stuk tot stuk, u alles doen verstaan: Onze ouders, die in ’t eerst goê vrienden waaren, scheenen Hen, door de trouw van ons, te willen weêr verëenen; Wy volgden hun begeerte, en de genegentheên Van ons die stemden met onze ouders over een: Wy achteden reeds hoog elkander, ja, wy zaagen Aangroeijen wederzyds die min met welbehaagen, Alonce hoopte my te trouwen, en hy gaf My schriftelyk, myn heer, hier zyn beloften af. Izabel. Liet gy u zelf door die beloften dan beleezen? Hebt gy ook tekenen van min aan hem beweezen? ‘Trouwlooze minnaar! ach! wat baard gy my al rouw! Philidia. ’k Acht u te veel, dat ik u iets verzwygen zou. Wy dachten anders niet als om maar, zonder toeven, De vruchten van de min en onze hoop te proeven: Maar, even als men ziet dat dik wils het geluk Zelfs op een dag, verkeert in jammer en in druk, Zo zaagen wy, helaas! de hoop van ons begeeren, De roozen van ’t geluk, in distelen verkeeren; Een onverwacht verschil veranderde in die staat, Onze ouders vriendschap in een doodelyke haat; Maar wy, wy kosten, door oprechte min ontsleeken, [p. 59] Die banden niet zo wel, als zy hun vriendschap breeken. Myn vader, wien de min van ons bekend was, wou Dat ik een ander toen myn liefde geeven zou, En ziende myn gelaat door zyne reên verbleeken, Verbood hy dat ik zou Alonce zien of spreeken; Ik zag hem evenwel, en in dit ongeluk, Zo scheen hy meê geraakt in ’t hart door deze druk, ’k Had hem dit nauw gezegt, of ’k zag hem gantsch ontroeren, Hy zei my, dat hem dit tot wanhoop zou vervoeren; Maar, echter onze min moest houden de overhand, Schoon een te wreede magt hier tegens was gekant, Die reden kon my en misleiden, en bekooren. Izabel. En wat gebeurde u toen? Philidia. ’k Zal u ’t gevolg doen hooren: De God der liefde had in myn ontstelde zin Zyn blindheid ook gevoegt by myn ontsteeken min, Ik kon Alonce toen zyn opzet niet weêrstreeven, Wy hadden ’t uur bestemd, elkand’ren plaats beschreeven, Myn hart was te eenemaal vermurwt door zyn gebeên, Wanneer de tyd, die van ons was bestemd, verscheen. Izabel. Hebt gy uw minnaar dan vernoegt in zyn gebeden? Wierd hy gelukkig, en, mevrouw, waart gy te vreeden? Philidia. Helaas! Izabel. Was de uitkomst na uw zin, en viel ’t besluit ’t Welk gy genoomen had, gelukkig voor u uit? Philidia. Ach! ik rampzaalige kan nimmer vreugd verwerven, Ik ben gebooren om door ’t ongeluk te sterven, ’k Wierd van myn vader, door een dood’lyke achterdocht, Toen ik Alonce daar bleef wachten, opgezocht. [p. 60] Hy vondme, en wyl ik hem myn minnaar dacht te weezen, Gaf ik hem onze min te kennen buiten vreezen; Zyn gramschap, en ook myn ontsteltenis was groot, ’k Ontvlugte hem in dit gewaad, geparst door nood: Maar, ’k wierd tot deze vlugt noch meerder aangedreeven, Toen ik verstond dat my Alonce had begeeven, En dat reeds overal verspreid was dit gerucht, Dat hy myn byzyn met een ander was ontvlugt. Izabel. Kwaamt gy de naam van uw meêminnaares te weeten? Philidia. Men zei my ook dat zy word Izabel geheeten. Izabel. Ze is reed’lyk schoon, nochtans hebt ge ongelyk geleên, Wyl gy haar overtreft met uw’ bekoorlykheên. Philidia. Laat zy de schoonste zyn, die immer is gebooren, Zo wil ik echter haar opoff’ren aan myn tooren, En, schoonze onweetend licht myn min verhindert heeft, Zo moet zy sneuv’len, wyl Alonce my begeeft, Zy heeft my al te veel misdaan, ’t zal haar niet baaten, Schoon zy ’t niet weet dat my de ondankb’re heeft verlaaten. Het is noodzaak’lyk dat myn wraak voltrokken werd, Ik zal hem, met dit staal, haar rukken uit het hert: Maar had uw broeder my zyn bystand niet beweezen, ’k Was dan in staat geweest om zelf de dood te vreezen, Daar ’k myn meêminnaares meê dreigde, maar ik moet De hoôn, my aangedaan, afwasschen in haar bloed. Izabel. Die and’ren met de dood, uit haat en gramschap dreigen, Die zyn het allernaast heel dikwils aan haar eigen, En Izabel is ook te vreezen in die staat, ’t Kan zyn, dat zy hem mind, en ’t leeven ook niet haat, [p. 61] Gy moet u haare dood zo licht niet onderwinden, Gy zoud u lichtelyk hier in bedroogen vinden, En mooglyk dat zy u, wat gy ook voornaamt, zou Doen deelen in de vreez’ en in ’t gevaar, mevrouw. Philidia. Zo ’k zelf op deze plaats haar vond, ’k zou, gantschs verbolgen ’t Uitwerkzel van myn haat, doen op myn dreiging volgen. Izabel. ’t Kon zyn dat zy hier was, en niet ontstelde. Philidia. Hoe! Izabel. Is ’t nodig dat ik u hier van de uitlegging doe? Philidia. Ik vind groot onderscheid in uwe reên, wyl ge even My zo veel tekens van uw achting hebt gegeeven, En ’k dacht gantsch niet dat ik u moeilyk maaken zou, Nu ik het waardste, ’t geen ik heb, u toevertrouw, Daar ’k zo veel tekens u kwam van myn achting toonen, Zult gy die weig’ren met uw vriendschap te beloonen? Izabel. O ja! al schoon ik nu van alles ben bewust, Ik zal steeds trachten u te hind’ren in uw rust. Weet, dat gy altyd hebt myn vyandschap te vreezen, Zo lang gy Izabels meêminnaares zult weezen. Philidia. Van Izabel? wel hoe! kend gy haar dan? en zou.... Izabel. Ja, ja, ik ken haar, en meêr als gy denkt, mevrouw, De vriendschap tusschen ons is groot, en ik zal toonen Dat niemand haar kan, of hy moet my mede hoonen, En zo gy haar misdoet, zo weet vry dat ik haar Bevryden zal van u, en ’t dreigende gevaar. Philidia. Hoe! dreigt gy my? hebt gy myn ondergang gezwooren? [p. 62] Gy! wien ik myn geheim vertrouwde? wat wy hooren! Ik dacht niet minder als op uwe gramschap. Izabel. Gy Verkoort gewis een kwaâ vertrouweling in my; Myn vyandschap die zal in vriendschap nooit verkeeren, Zo lang gy voorneemt uw meêminnaares te deeren. Philidia. In weêrwil zelfs van u, van Izabel, en al Myn vyanden, is ’t vast dat ik ’t volvoeren zal; Ik moet Alonces min geheel alleen verwerven, Of anders zal gewis myn medevryster sterven. Izabel. Onstel u niet zo zeer, ik zeg u, in het kort, Indien dat Izabel van hem verstooten word, En zo de ondankbaare u wou tot zyn bruid verkiezen. Dat deze keur u zal het leeven doen verliezen. Zesde tooneel. Ferdinand, Philidia, Izabel. Ferdinand. MYn broeder, wat ’s hier gaants? gy schynt geheel ontstelt, Ik zie gy zyt vergramd, wat is ’er dat u kwelt? Izabel. Ik hoorde een taal, die my op ’t hevigst’ deed verstooren. Philidia. Van wien beklaagt gy u? Izabel. Gy kunt het hem doen hooren; Indien ik langer op deez’ plaats verbleef, ’k vertrouw, Dat ik dan mogelyk te veel ondekken zou. [p. 63] Zevende tooneel. Ferdinand, Philidia. Ferdinand. MYn Heer, myn broeder is geheel verstoort geweeken, Hebt gy hem ook gehoont, en dus in toorn ontsteeken? Philidia. Myns weetens niet. Ferdinand. Waar spraakt gy van? wat was de zin Van uwe redenen? Philidia. Wy spraaken hier van min. Ferdinand. Van min? ‘hy zal gewis, dat zy een vrouw is, weeten. Philidia. Myn hart ondekken, is dat myne pligt vergeeten? Ferdinand. Myn heer, ’t gebeurt zomtyds dat zulks wel twist verwekt. Philidia. Ik heb noch meêr gedaan. Ferdinand. ’k Bid dat gy ’t my ondekt. Philidia. ’k Heb hem myn naam, en staat gezegt, op zyn begeeren, En dat ik ben.... Ferdinand. Vaar voort. Philidia. Een vrouw in manne kleêren. Ferdinand. Een vrouw! zou ’t kunnen zyn? ô hemel! is ’t dan waar, Dat ik zo schoon een mensch verloste van ’t gevaar, [p. 64] En liet de hemel my zo braaf een werk gelukken, Dat ik zo groot een buit de roovers mogt ontrukken? Maar, ’k twyffel niet, dat gy een vrouw zyt, ’k heb alleen Te letten op uw schoonte en uw aantreklykheên, En uw bekoorlykheid, die niemand kan weêrstreeven, Kan zulks my beter dan uw mond te kennen geeven, En toen ik zag dat u de roovers zo verwoed Besprongen, voelde ik een beweeging in ’t gemoed, Die my, tot uwe hulp, terstond heeft aangedreeven, En my inboezemde om te zorgen voor uw leeven; De roovers naauwelyks vertrokken zynde, en dat Myn arm en ’s hemels hulp hen weggedreeven had, Zo vestede ik noch naauw op uw gelaat myne oogen, Of ’k bleef geheel ontroert, myn hart wierd toen bewoogen, Door ’s hemels voorbeschik, het welk ons lot bestiert, En ’k voelde dat ik voort tot u genegen wierd. Maar, ’k merk nu dat die drift, waar door ik u kwam te eeren, Zich zelfs in myn gemoed in liefde koomt verkeeren. Ik ben, door uw gezicht, in uw gebied gebragt, ’k Voel, dat ik u zo veel als al de goden acht, En dat die achting, waar mede ik ben ingenomen, My voor uw wreedheid reeds doed sidderen en schroomen. Doch, wierd my in myn min wat hoop maar aangeboôn, ’k Begeerde dan het lot van koningen, noch goôn. Philidia. Helaas! Ferdinand. Wat staat my nu van dit helaas te duchten? Philidia. Men geeft te kennen te beminnen met te zuchten. Ferdinand. Welk een geluk! indien myn liefde uw hart verwon! Zoud gy my minnen?.... [p. 65] Philidia. Ach! ik wilde, zo ik kon. Maar, neen! een ander is reeds meester van myn zinnen. Het lot begeert dat ’k een trouw’looze moet beminnen. ’k Weet uw verdiensten, en al ’t geen ’er is geschied, ’k Gaf u myn hart, myn heer, zo ’t was in myn gebied. Ik word beschaamd myn min de ondankbaare te toonen, En myn verlosser, met ondankbaarheid, te loonen. Ferdinand. Helaas! wie is ’er die rechtvaardiger zich van Het wreede lot, mevrouw, dan ik, beklaagen kan? Hoe! zult gy dan, ô schoone, om my noch meêr te kwellen, Een trouweloozen, voor een oprecht minnaar, stellen? En zal die zuiv’re min, die ik gevoel in ’t hart, Zyn glory, en zyn loon verliezen? wreede smart! Maar, welk een hoop kan hem noch over zyn gebleeven, Die nimmer trouweloos kan worden in zyn leeven, Die u zal minnen tot de dood hem van u scheid, Zo gy behaagen schept in de onstandvastigheid? Maar ’k wil, en zonder om uw straffigheid te klaagen, Dewyl ’t myn lot is, u getrouwe liefde draagen; ’t Gestarnte zelfheeft my tot uwe min verpligt, Of eer de starren van uw goddelyk gezicht. Ik zou ook, maar vergeefs, na myne vryheid haaken, Wyl zy begeeren dat ik in uw min moet blaaken. O ja! ik wil u steeds beminnen, in myn hart, De liefde kweeken al vermeerdert die myn smart. Ik kan niet laaten, schoon dat ik u haat moet vreezen, U te beminnen, gy beminnelyk te weezen. Philidia. ’k Beken ’t, ik hoorde uw min te loonen, heer, maar, ach! De pligt vermag niets, daar de liefde ’t al vermag; De liefde, die hier heerscht, wil na geen reden hooren, ’k Min een ondankb’re, dit ’s my van het lot beschooren, Hy ’s noch bemin’lyk, schoon hy trouw’loos van my scheid, [p. 66] ’k Aanbid de ondankb’ren, en ik haat de ondankbaarheid; Ik word, myns ondanks, hier van ’t noodlot toegedreeven, Ik zal hem al myn min, u al myn achting geeven. Ferdinand. Mag ik hem kennen, die my stof tot klaagen geeft, Die myn meêminnaar is, schoon hy geen liefde heeft? En mag ik ook verstaan, mevrouw, om welke reden Myn broeder aanstonds van ons weg ging gantsch te onvreden? Philidia. Weet dat ik dit geheim u gaarne ondekken wou, Maar spaar de schaamte, die ’t verhaal my kosten zou. Gy weet nu reeds een deel van myn tampzaalig leeven, Hy zal ’t geen ov’rig is u wel te kennen geeven, En mogelyk als gy myn ongeluk verstaat, Dat gy u zelve van die liefde wel onslaat, Dewyl ik u niet kan beminnen, en niet haaten, Zo zal ik wenschen dat gy moogt de min verlaaten. Ferdinand. Myn min en leeven heeft een lot, in deze nood, En zulks te wenschen, is te wenschen om myn dood. Einde van het vierde Bedryf. [p. 67] Vyfde bedryf. Eerste tooneel. Izabel, Ferdinand. Ferdinand. MYn zuster, door die reên zou ik in toorn ontsteeken, Wil dan myn liefde nu niet langer tegenspreeken, En ik begeer dat die van u word goed gekeurt, Gy hebt bemind, en ik bemin nu op myn beurt; Doch, dit ’s het onderscheid van onze liefde en zinnen, Dat ’k geen ontrouwe, zo als gy doet, wil beminnen, Doe dan uw best niet meêr te hind’ren aan een min, Die, door ’t besluit van ’t lot, gewis nam zyn begin, Gy moet die min, zo veel gy kunt, meêr voedzel geeven, En met Philidia, als met uw zuster leeven, En haar beminnen. Izabel. Ik haar minnen? denk zulks niet, ’k Verwacht uw haat veel eêr dan zulks van my geschied. Zou ’k haar beminnen, die my heeft myn dood gezwooren? ’k Verlaat het leeven eer, dan deze haat en tooren. Ferdinand. Uw minnenyd en haat, gaan boven alle reên, Zo ik gelukkig word, gy word het dan met een. Gy hebt van myne min geen ramp voor u te vreezen, Gelukt die, dan zal ze u geen medevryster weezen, En ’k dacht dat uwe haat, hier door, dan einden zou, Indien ik met haar word vereenigd door de trouw. Izabel. De hemel geev’ dan dat gy moogt haar hart verwinnen, [p. 68] En dat Philidia u weder mag beminnen. Ferdinand. Ik zie haar. Izabel. ’k Ga, dewyl een derde een minnaar steurt. Ferdinand. Verschoon u dan van ’t geen hier aanstonds is gebeurd. Izabel. Myn hart zou niet van my die laffigheid gedoogen. Ferdinand. ’k Bid, dwing u zelf hier toe. Izabel. ’t Is buiten myn vermoogen. Tweede tooneel. Philidia, Ferdinand. Philidia. MYn heer, het word reeds laat, ’k heb haast, en bid of gy U zelf op reis gelieft te geeven nevens my? Ferdinand. Ik bid, Mevrouw, wil op een andre wys hier spreeken, Alwaar ik ben, moet gy gebieden, en niet smeeken. Vertrekken wy aanstonds, gevalt het u. zo ’k nu Eens myn gevoelen noch ondekken mogt aan u, ’k Zou zeggen, dat gy zyt en schoon en onrechtvaardig, Wyl gy hem, die u vlied, acht uwe liefde waardig, En dat gy ’t schoonste, ’t geen natuur geschaapen heeft, Zelf, aan ’t gevaar des doods, zo reuk’loos overgeeft: Dat gy zo dierb’ren schat, als gy zyt, bloot gaat stellen Aan de ongemakken die een reiziger verzellen. Helaas! zo ge aan myn min wat meêr gevoelig waart, Indien ge een tekentje van min my had verklaart, Ik zou, wat kund gy van myn liefde meêr begeeren, Uw’ goedheid hooger dan myn leeven zelfs waardeeren, [p. 69] ’k Zou u steeds minnen, wierd me een gunst slechts aangeboôn, En die ontfangen als een goedheid van de goôn. Philidia. De wil der goôn begeert dat we eens maar, in ons leeven, Verkiezen op die tyd als wy ons overgeeven Aan iemand, en wanneer die keur dan is geschied, Dan moet men volgen hem, die onze zie! gebied, De liefde, die aan my het volgen heeft bevolen Van een trouw’looze, doet, ik merk het wel, my doolen; ’k Verlaat myn gramschap, myn geslacht zelfs, en myn eer, En ’k ben te blind, dat ik die achten zou, myn heer, Ik ben geboeid, en moet my van dat lot beklaagen, Ik kan die keten niet verbreeken, ’k moet ze draagen. Ferdinand. U op te houden, zou maar tyd nu zyn verspilt, Ik spreek niet meêr, gy kunt vertrekken, zo gy wilt, Maar duld, indien gy my wilt houden in het leeven, Dat ik my, waar gy zyt, mag nevens u begeeven. Philidia. Het deert my dat ik u geen troost meêr aan kan biên. Maar wat verhoopt gy? Ferdinand. U te minnen, en te zien. De tyd zal, hoop ik, u die strafheid doen verlaaten, Doen minnen die u mind, en die u haat, doen haaten. Philidia. Het kon wel weezen, dat Alonce my ook niet Verachten zal als hy my nu eens weder ziet; En ik geloof niet, dat hy op een dag een liefde Vergeeten zou, die reeds drie jaar zyn borst doorgriefde: ’t Gaat vast, dat oude liefde, en ingekankert kwaad Ons nimmer eerder dan met onze dood verlaat; En ’k voel ook in myn hart, in weêrwil van zyn hoonen, Een drift, waar op ik hoop, en die hem wil verschoonen. [p. 70] Maar, ’t is te lang vertoeft, myn heer, vertrekken wy, Want die de liefde volgt, moet vliegen zo als hy. Ferdinand. Kom, gaan wy dan, en duld.... Philidia. Ik zie uw broeder koomen, ’k Weet dat hy tegen my met toorn is ingenomen, Ik zie aan zyn gelaat, hy staat na myne val. Ferdinand. O neen! ’k beloof u dat hy u niet deeren zal. Darde tooneel. Izabel, Philidia, Ferdinand. Izabel. MYn broeder, ’k wilde aan u wel een geheim ondekken. Ferdinand. Spreek. Izabel. Laat Philidia, zo ’t u belieft, vertrekken, De zaak is van gewigt, ik sprak u gaarne alleen. Philidia. Myn heer, ik wil zulks niet beletten, en ga heen. Izabel zacht tegen Ferdinand. Alonce die is in deez’ herberg meê gekoomen. Ferdinand. ‘Goôn! Izabel. ‘Spreeken wy hem nu, de tyd dient waargenomen, ‘Op dat ons beider hoop wel uitval, ’t moet geschiên ‘Eer dat Philidia Alonee komt te zien. Ferdinand. ‘Ik volg uw raad, en zal verlof van haar gaan vraagen. Tegen Philidia. ’k Hoor daar een tyding, daar ik my van moet beklaagen, Wyl ’k een kwartier hier noch verblyven moet, nu ’k zou [p. 71] Vertrekken, ’k ben beschaamd om dit verblyf, mevrouw, ’k Laat u zo lang dan hier, ’k bid, dat gy wilt vertrouwen, Dat zaak en van gewigt my koomen op te houwen. Philidia. Ik zal zeer gaarne hier zo lang vertoeven, heer. Izabel. Kom, broeder, gaan wy dan. Ferdinand. Ik ben hier aanstonds weer. Vierde tooneel. Alonce, Philippyn, Philidia. Philidia. ZIe ik Alonce daar, durf ik myn oog vertrouwen? O ja! hy is ’t, ik ben onsteld door hem te aanschouwen. Philippyn. In wien de liefde heerscht, ’t is zeker en gewis, Dat uit hem het verstand meest weg gebannen is, En dat, wanneer men is door deze drift ontsteeken, De harssens zyn onsteld, ik zie hier een klaar teken, Te gaan naar Lis’bon, daar men gist’ren trok van daan, Hoe meend gy, zeg, dat dit uw vader aan zal staan, Is dit na Vlaanderen, gelyk ’t belast is, trekken? Wy spoeijen heel veel weg, ons geld zal heel lang strekken; Men zal in Vlaand’ren ons lang wachten, ’k ben verblyd, Dat wy zo veel bezien in zulken korten tyd. Wy zullen.... Alonce. Zwyg, houd op dus spottende te spreeken, Schoon deez’ weêromkomst zal myn vaders toorn onsteeken, Schoon dit myn leeven in gevaar bragt, my ten val, Weet echter dat ik dit besluit volvoeren zal. Ik kan van Izabel niet meêr gescheiden leeven, [p. 72] Ik heb die schoone, reên tot toorn op my gegeeven, Ik wil aan haar nu gaan betoonen ’t naberouw, Van dat ’k haar reên gaf, om te twyf’len aan myn trouw. Helaas! indien zy, die ik heb zo zwaar beledigd, Wanneer ik myn berouw zal toonen, wierd bevredigd, Ik zou die lossigheid verbannen uit myn zin, Die maakt dat ’k over al een ander voorwerp min. Ja, Philippyn, ’k zou ’t haar bevestigen met eeden. Philippyn. Wel, wat zoud gy niet doen, om die niet te overtreeden? Maar, ’k wil myn leeven wel verbeuren, heer, indien Dat gy Philidia niet aanstonds weêr gaat zien. Gy weet men moet, om na de mode wel te leeven, Verscheide juffers te gelyk zyn liefde geeven, Kan ’t anders zyn, daar gy aan ’t hof zyt opgebragt, Waar een galant voor een bedrieger word geacht. Alonce. ’k Wil nu getrouw zyn, ’k moet die driften overwinnen, ’k Verlaat Philidia, ’k zal Izabel beminnen. Philidia. ‘Hy spreekt heel ernstig, ’k moet eens luist’ren na zyn reên. Alonce. Verlaat haar, die gy hebt tot noch toe aangebeên, O ja! Alonce, wil Philidia verachten, Verban haar uit uw hart, ja zelfs uit uw gedachten, Denk, als gy haar bemind, wat smart gy u bereid, Denk niet om haar, ontvliê haar tegen woordigheid; Bemin haar dan niet meêr, wil haar uw woord niet houwen, En liever sterven, als Philidia te aanschouwen, Philidia. Als my te aanschouwen? hoe.... Philippyn. Hy ’s laelyk in de ly. Philidia. Vaar voort, ondankbaare, volvoer uw schelmery. [p. 73] Alonce. Myn vader liet het toen by deze reden steeken, En toen begon hy my van myne reis te spreeken, En wilde dat ik slechts een jaar uit blyven zou, En toen omhelsde hy my voor het laatst, mevrouw. Philidia. Hoe! is dit maar ’t verhaal dan van uw vaders reden? Alonce. Hoe! twyfelt gy? gy! die van my word aangebeden, Dit was op myn vertrek zyn uiterste bevel, Waar van ik sprak, mevrouw, myn knecht die weet zulks wel. Philippyn. O ja! mevrouw. ‘wel nu dat is eerst duivels liegen! ‘Zy is onnoozel, hy een meester in ’t bedriegen. Philidia. ’k Verban myn achterdocht zo licht niet, ’k heb gehoord... Alonce. Ach! gy zyt te onrecht om die redenen verstoord, Hoe! twyfelt ge aan myn trouw? om dat ik ’s vaders reden My weêr erinner, kunt gy hier om zyn te onvreden? Moet ik my hier niet van beklaagen, spreek, hebt gy Ooit diergelyken taal wel meêr gehoort van my? Hebt ge uit myn leeven, uit myn reên iets kunnen merken, Mevrouw, ’t geen u in die gedachten kan versterken? Verban die achterdocht, zo haat’lyk, uit uw zin, Waar door uw schoonheid wort beledigt, en myn min. ’t Zou my onmoog’lyk zyn, die banden te verbreeken, Gy zyt te schoon, en ik te zeer in liefde onsteeken. Philidia. ’k Moet twyff’len aan uw min, om dat gy, op de tyd En plaats van ons bestemd, niet eens gekoomen zyt; Gy liet uw koelheid my hier door genoegzaam blyken. Alonce. Mevrouw, die klagt koomt my noch meêr verongelyken, [p. 74] Indien dat ik daar niet geweest ben, naar myn pligt, Zo straf de hemel my aanstonds voor uw gezicht: Maar, ’k vond u niet, en dacht dat gy my had begeeven, Toen wilde ik het bevel myns vaders niet weerstreeven, En toen vertrok ik ook vol van mismoedigheid. Myn knecht die weet.... Philippyn. ‘Ja, dat hy liegt al wat hy zeid. Philidia. Alonce, ’t is genoeg, myn vreeze is reeds vervloogen, Gy zyt niet ontrouw, ik was door de schyn bedroogen, Ik bid, vergeef my het verwyt, ’t geen ik u deed, En oordeel van myn min, myn waarde, naar dit kleed. Denk! denk! hoe groot een drift vermeestert myne zinnen, Wyl ’k, schoon gy ontrouw waart, u echter zou beminnen, En dat, na myn vertrek, myn vreeze en myne smart, Myn kleed veranderde, maar nimmermeer myn hart. Maar, schoon dat gy u toond geheel verlieft te weezen, Zo doed my Izabel niet zonder reden vreezen; Ik kan die achterdocht bezwaar’lyk uit myn zin En hart verbannen, wyl dat ik u teêr bemin. Alonce. ’k Beken dat Izabel my had in liefde onsteeken, Maar, ’k moet u minnen, nu uw min my is gebleeken. Vyfde tooneel. Waardin, Izabel, Ferdinand, Alonce, Philidia, Philippyn. Waardin. IK meen, dat ik hem, in deez’ kamer, heb zien gaan. Izabel. O wreede smart! Ferdinand. Laat ons eens luisteren, blyf staan. [p. 75] Alonce. O ja, ’k wil Izabel voor eeuwig nu verlaaten, Gy zyt veel schoonder, ’k zal u minnen, en haar haaten, Wy zullen deelen in elkanders lot, mevrouw, Geef my uw hand, en neem de myne met myn trouw. Izabel. ’k Zweer zulks zal niet geschiên, zo lang ik ben in ’t leeven. Philippyn. ‘Wel, dit komt duivels raar! Philidia. O goôn! myn leden beeven. Ferdinand. Gy moet haar trouwen, en zo niet, ik zweer dat gy Dan sterven zult. Philidia. Die hem misdoed, misdoed ook my. Izabel. Ik ben te vreên, laat ons nu ons verschil beslechten, ’k Ben Izabel, wil uw meêminnaares bevechten. Philidia. Hoe, Izabel! die naam die zal u doen vergaan, Uw leeven en uw min doen eindigen, wel aan. Izabel. Wy zullen ’t zien. Ferdinand. Houd op, myn zuster, wat zal ’t weezen? Bedwing uw tooren, of wil myne gramschap vreezen. Alonce. Houd op, en keert alleen uw wapens tegen my, Straf myn ontrouwheid nu, en myn bedriegery; Wilt myne trouw’ loosheid uitwissen met myn leeven, ’k Ben al te schuldig, en heb tegen u misdreeven: Ik heb u twee belooft te trouwen, wreekt u dan, Wyl ’k myn beloften, aan u tweên niet houden kan. [p. 76] Philidia. Gy gaaft my uwe trouw, word uw belofte indachtig, Is dit uw schrift niet? spreek. Alonce O ja! het is waarachtig, Ik kan u beide niet vernoegen tot myn smart, ’k Heb een meest’res te veel, te weinig aan een hart. Izabel. Ontrouwe! zie het geen dat gy my hebt gegeeven, Getekend met uw bloed. Alonce. ’t Is zo, myn waarde leeven, Stoot toe, dewyl ik u zo schand’lyk heb misleid, Beneem my ’t leeven, straf myn ongetrouwigheid. Izabel. Beantwoord dan myn min. Philidia. ’k Heb u myn trouw beweezen. Ferdinand. Denk wie gy kiest, of gy hebt myne wraak te vreezen. Laatste tooneel. Frederik, Waardin, Philidia, Izabel, Alonce, Ferdinand, Philippyn. Frederik. HOe staat gy hier zo leeg? is ’t huiswerk al gedaan? Waardin. Ik bid u, luister toe, gy zult verwondert staan. Alonce. ’k Moet maaken, wyl myn keur u een van tween beleedigd, Dat gy door myne dood te zaamen word bevredigd, ’k Beken ’t, ’k heb aan u tween gegeeven myne trouw; Wie moet ik hoonen? wie verkiezen tot myn vrouw? Ik kan u beide nu uw liefde niet beloonen, [p. 77] En eer ik de eenen, ’k moet den anderen dan hoonen, Ik kies dan myne dood, volg uwe gramschap nu, Zo ik niet leef, ik sterf ten minsten dan voor u. Ferdinand. ’t Is wel, gy laffe, zult nu uwe wensch beschieten, Gy zult nu sterven, en haar geen van tween genieten. Sterf. Izabel. Ach! laat af, want schoon hy wankelt in zyn trouw, Weet dat ik alles noch om hem wel missen zou; Laat die ondankbaare en trouw’looze minnaar leeven, ’k Wil aan Philidia hem liever overgeeven, Schoon dit verlies van hem aan my meêr ongeval, En smart, dan of ik zelf moest sterven, geeven zal. Ferdinand. Gy zult door deeze reên, myn gramschap niet beweegen, ‘Gy brengt ons in ’t verdriet. Izabel. Daar is niet aangeleegen, Dewyl ik door dé slag, die hem trof, sterven zou, Weet dat ’k zyn leeven met myn dood verlengen wou. Ik wil Philidia, veel eer dien ongetrouwen Nu overgeeven, dan hem stervende te aanschouwen, En ’k zal my zelf niet eens beklaagen in myn nood, Zo hy maar denkt dat hy blyft leeven door myn dood. Alonce. ’k Verkies u tot myn bruid, myn waarde, door dit teken, Beminn’lyke, Izabel, is my uw min gebleeken, Gy geeft my nu vergeefs haar over, want indien, Ik niet voor u leef, zo zult gy my sterven zien. Philidia. Neen! gy verongelykt my niet door dit verkiezen, ’t Verlies is weinig een trouw’looze te verliezen, Dewyl dat Izabel u overgaf aan my, Wil ’k edelmoedig zyn in ’t minnen, zo als zy. Indien dat gy niet door haar goedheid waart bewoogen, [p. 78] Dan had uw min geweest zelfs haat’lyk in myne oogen, Ik wierd daar van outroert, ’k verander nu van min, ’k Geef u aan Izabel, met een vernoegde zin. Ik wil de Broeder nu van Izabel beloonen, En my gevoelig aan zyn trouwe liefde toonen. Ferdinand. Kan ik gelooven, dat uw schoonheid my bemind? Philidia. Men kan niet scheiden ’t geen de hemel t’zaamen bind; Het hart van hem, die my het leeven heeft behouwen, Is my veel waardiger, dan ’t hart van een ontrouwen; Onze ouders zullen ook wel stemmen in deez’ trouw. Ferdinand. Ik word gelukkig op het hoogst door u, mevrouw. Myn heer, myn vader zal uw’ wensch niet wederstreeven, Ik word uw broeder, en koom u myn zuster geeven. Alonce. O hemel! wyl dat gy zo schielyk my verheugd, Zo vreeze ik noch, indien men sterven kan van vreugd. Waardin. Hoe! zyt gy beide dan maar vrouwen in mans kleêren? De schyn bedriegt, en ’k zie dat alles kan verkeeren. Frederik. ’k Verlaat myn jaloezy, ’k verlos my van die pyn, Ik min haar ook veel meêr nu dat zy vrouwen zyn. Waardin. Min haar zo veel niet. Frederik. Ik heb in tegendeel te vreezen, Dat gy op uwe beurt van my jaloers zult weezen. Philippyn. Het einde kroont het werk. Elize en Philippyn, Dunkt my, dat oud genoeg meê om te trouwen zyn, Indien dat wy eens t’zaam in ’t trouwverbond geraaken, Dan zullen wy weêr knochts voor uwe kinders maaken, [p. 79] Izabel. ’k Beloof, Elize, u. Alonce. Ik een beurs met goud, Phlippyn. Philippyn. Wie weet of ’k voor die prys geen hoorenbeest zal zyn. Frederik. Messieurs, ’t zal nu wel gaan, dat werkjen is geklonken. Nu eens een glaasje wyn op ’t goed succes gedronken. Maakt gy de spys gereed. Waardin. En tapt gy wyn. Ferdinand. Wel aan, ’t Is tyd om heden weêr na Lissabon te gaan, Alwaar de trouw, die al ons ongeluk zal staaken, Twee meedevrysters zal tot waarde zusters maaken. Philippyn alleen. Wat is ’er vreemdigheid in ’t lot en in ’t geval? Ja, de allerwyste word in ’t overdenken mal; De waereld is maar een tooneel, een spel ons leeven, Daar deze baas regeerd en wil de wetten geeven, Voor al dit voorval is myns oordeels niet gemeen. Ik diende gisteren een heer, nu ben ’k ’er een. ’k Was gistren droevig, en nu ben ik wel te vreden, ’k Verloor op gisteren myn lief, en ’k vind haar heden. Ik wachte gisteren wat slaagen, nu veel goed. ’k Ging gist’ren uit de stad, daar ’k nu weêr heen gaan moet. ’t Veranderd alles, en dit meugt gy vast vertrouwen, En gist’ren waart gy niet, daar wy u nu aanschouwen. ’k Verander nu myn kleed, ’k verlang reeds na myn Bruid, En ’k wensch u goeden nacht, Messieurs, myn rol is uit, Einde van het Vyfde en Laatste Bedryf.