Den moetwilligen boots-gesel. Rotterdam, Pieter de Vries, ca. 1714.
Oorspr. editie: 1669.
Uitgegeven door Erika de Joode.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton07529.
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue

[fol. A1r, p. 1]



KLUCHT

VAN DEN

MOETWILLIGEN

BOOTS-GESEL.

Vertoond op d’Amsterdamsche
Schouwburg.

[Vignet: fleuron].

Te ROTTERDAM,
__________________

Gedrukt by PIETER DE VRIES, Boekdrukker
in de korte Hoofdsteeg, by de Hoenderbrugge.




[fol. A1v, p. 2]

VERTOONDERS.

Andries, Boots-gesel, een Oostendenaar.
Neeltje, zijn Wijf.
Kramer, Allemode.
Catelijn, zijn wijf.
Bartel, een uyt de Aanschouwers.
Sarsiant, een Waal.
Waard.
Wachten.

    De Klucht speelt t’Amsterdam op de Kamper-stey-
ger, en daar omtrent, begint met den middag, en
eyndigd tegen den avond.



[fol. A2r, p. 3]

KLUCHT
VAN DEN
MOETWILLIGEN
BOOTS-GESEL

        ANDRIES en NEELTJE, om scheep te gaan.
WAt wilje hier altemaal hebben, wat doeje hier te staan?
    Hebje je leven geen Bootsgesellen meer scheep sien gaan?
    Het schijnt soo dit Volk hier staat en gaapt over hoop
    Dat’er yets wonders te beschikken is, jy luy hebt’et gapen goed koop.
    (5) Als de trommel eens slaat, en dat wy moeten schepen,
    Men souder van de steyger wel een vijf 600 meê slepen,
    Van de kykers, jy luy bent gauwer als wy om te komen naar ’t Schip;
    Maar om meê te gaan is ’er niemand t’huys, dan is ’t slip
    Voor de Maats, och daarse gaan daar sellense de moord steken!
    (10) Want het is daar prykel: dat is al dat men jou hoord spreken.
    ’t Is al wisje wasje peet Jannetje en peet Griet,
    Wilje wat Boots-gesels weten, soo komt daar men Boots-gesels siet.
    En vaart eens zeven Jaar met d’Oostendese vry-buyters,
    Dat zijn Boots-luy schijt de rest, dat en zijn geen tymuyters,
[fol. A2v, p. 4]
    (15) Noch anker-vogels, noch leggers met de touw aan een vaste kay,
    Neen bloed, alle daag op kape de grijp uyt; ô daar is ’t fray,
    Daar hou ik van, daar men den Vyand altijd voor de boeg heeft,
    Soo heb ik tien Jaar gevaren, dat men geen maand gedocht heeft.
    O bloed, ik leef daar by, het gaat soo happig en braaf,
    (20) Als men zy aan zy met den Vyand vecht, en dat men pof paaf
    Houd en kapt met de sabels, in de kabels, zakkerwilge mensse,
    Hoe menig heeft’er dit houwertje van ’t hoofd tot in de pensse
    Om veer gekapt, mijn tanden wateren, als van een swaargaande vrou.
    Als ik bedenk hoe menig mast, hoe menig Schip, hoe menig tou,
    (25) En armen, beenen, lyven, ik heb te grond doen sinken
    Met al de zeldremente, ja ’k heb wel helpen verdrinken
    Twee honderd Schepen, en tachentig wel verbrand.
    ’k Hou van Vry-buyters krijg, behalven hier te Land.
    ’k Lacher meê, hier leytme als een bier-ton op de stelling.
    (30) Oostende, Oostende, waar ik op je Zee, ik had geen quelling,
    Dat is jou schuld verbruyde Hoer, dat ik hier te Land
    Soo leg en hoetel. Neel. Och Dries! Dries. O swijn! kreeg ik voor je geld contant
    Ik verkoftje, al sou men mijn noyt geen spek meer schaffen.
Neel. Ay my! ay my! Dries. Ik moetje soo wat tusschen hals en nek straffen.
    (35) Ja, ja, huylt al, de tranen die je huylt en selje niet pissen, wel
    Hoe staje de mond en trekt, wat preutelje al, segt vel,
    Segt totolf, setje bek in de plooy, fluks laatje grysen.
    Wat preutelje al? Neel. Niet. Dries. Jy liegt. Neel. ’k Wilt seggen. Dries. Wat? Neel. Waar meê dat je kunt bewysen.
    Dat’et mijn schuld is dat je niet van Oostende vaard;
[fol. A3r, p. 5]
    (40) Daar ik nochtans wel wou. Dries. Wat wouje? Neel. Dat j’er al over lang gehangen waard.
Dries. Jou varken hou daar, hou daar, eer ik begeer te hangen,
    Soo selje eerst vliegen van mijn vuysten vangen.
Neel. Snijtme met een den hals af. Dries. Als ’t mijn belieft. Neel. Seg als ik derf. Dries. Niet meer geblaf.
    Of ik schopje met me voet van boven van de steyger af.
    (45) Kikt nog eens, ik slingerje met en dray van achter over
    In ’t water, en geef je daar de vissen over
    Voor aas, in plaats van kuyt. Neel. Maar Dries, wat heb je weêr voor een boosen Duyvel in?
Dries. ’k Heb noch geen quaad gedaan, maar ik ben ’t nu van sin,
    Dat’et hem eens yemand moeyd, dat ik mijn Wijf soo beugel,
    (50) Ik sny hem de bek op, ja Maats, ik ben al een vremde veugel.
Neel. Maar wat doenje de luy, wie spreekt jou te na?
Dries. Ik segt haar van te voren, op datse hun wachten voor scha.
    ’t Is noch en groote beleefdheyt dat ik hun kom waarschouwen.
    Behalve dat ik’er al stommelings gink onderhouwen.
    (55) Ik mach jou slaan, en ik wilje slaan, en ik moet slaan als sou ’k me selve slaan.
    Maar tot noch toe heb ik ’t uyt geen quaad gedaan.
Neel. Uyt liefde denk ik. Dries. Uyt loutere liefde. Neel. Soo haald de droes het vryen.
Dries. Is Man en Wijf niet een. kenje dat weêrstryen?
Neel. Wel hoe komt dat te pas? Dries. Hoe komt dat te pas, en hoe komt dat te pas.
    (60) Om dat het soo mijn believen was.
    Maar jy, jy, bent en fyne Vrou, en goed en schoon, en altemaal gelogen.
    Och waarje met twee meulesteenen in ’t Ty gevlogen
    Mijn alderliefste karonje, hoe lief had ik je dan:
    Maar segt eens de rechte waarheyt, hebje geen goed Man?
    (65) Heb ik je niet uytermaten lief? Neel. Ja als een oud Paard zijn moêr.
[fol. A3v, p. 6]
Dries. Ik heb je soo lief, waarje maar in een ton met bus-poêr,
    Ik stak de brand in jou. Neel. Doe wat je wild, ik wou liever sterven als leven.
Dries. Yets dat je begeerd en wil ik je niet geven.
    Jy hebt geen liever, jy hebt geen begeer, om dat je woud
    (70) Dat je dood waard, daarom wil ik’et niet, maar dat jet niet willen en soud
    Dan sou ik’et doen. Neel. ’k Seg noch, ’k sou liever de dood als ’t leven begeren.
Dries. Wat seg je daar? je varken, sel jy me commanderen.
Neel. Soo soo slaat’er al op, en slaat dat je ’t leste slaat.
Dries. Nou wil ik niet, om dat je daar soo steeg staat.
    (75) Maar Wijfje, wat ik vergeten heb, ô jou sorgeloos
    En bedurven maaksel. Neel. Wat? Dries. Mijn toebakdoos.
    Loop haalse. Neel. Wel. Dries. Ik sel hier blyven staan.
    Neeltje, Neeltje. Neel. Wat is’er? Dries. Ik sie maar jou goetheyt aan.
    Blijft hier, ik sel selfs gaan loopen.
    (80) Want ik moet noch toebak onderweeg gaan koopen.
    Nu kust me een peys, en zijt niet meer gram.
    Ik was wel gelukkig doen ik jou voor me Wijf nam.
    Waarom keerje je bakhuys? Neel. Waarom sou ik mijn trony keeren?
Dries. Dat’s waar, eêl tronijtje moet ik seggen: ik sel noch wel leeren.     Dries binnen.
Neel. (85) O dien Judas die dubbele grond, die ypekrijt, dien Turk,
    Die leeft met me al waar ik een beest, dien selderementsen Jurk,
    Dien boosen hond, dien onwetende* buffel, wat doet hy my al lyen aan?
    Altijd leet, altijd verdriet, en noyt verblyen aan.
    Och Vrysters, Vrysters, siet dat je jou Vrysters staat hout.
    (90) Men begint het trouwen soo licht dat dikwils na berout.
    Wil yemand in mijn plaats, komt hier, ik heb aan hem te veel.
    Och hadje met je alle maar ’t darde deel,
    Je soud hem soo moê zijn dat je wel Mannen soud trouwen,
[fol. A4r, p. 7]
    En vervloeken den dag dat je eerst docht om te trouwen.
    (95) Doch geen Man soo boos als hy, dat weet ik wel en wis,
    Ik geloof in Amsterdam niet sijns gelyken is.
    Denkt en reys wat vriendschap dat wy samen houwen,
    Hy krapt, hy bijt, hy nijpt, siet dit heb ik’er van gehouwen,
    Siet die litteykens, die blaauwe plekken, mijn heele lijf deur
    (100) Ben ik soo gesteld, en somtijts als en laseres mens van veur
    Tot achter, ’t is niet om te seggen wat ik moet verdragen,
    Qualijk te eten, water te drinken, en de huyt vol slagen,
    Dat is mijn dagelijks brood, en mynen ordinaar.
    O dood! daar ik over honderd jaar sel zijn, dat ik daar nu waar.
    (105) ’k Loof in de Hel geen booser geest kan schuylen.
    ’k Moet hier op dees bank mijn hart eens uyt gaan huylen.
              KRAMER uyt al roepende van binnen.
Kramer. Hier heb wat wonder wat nieuws van Katalonje,
    Van Kandia, van Engeland, van Duytsland, en Japonje,
    Wat wonder wat nieuws, hier heb ik Almenakken met hoope?
    (110) Nieuwe Liedjes voor Vrouwen, voor Vrysters, wie wil wat koope?
    Sa maakt de Kramer los, ’k heb hier voor elks geriefs,
    Het oudste dat ik heb dat is wat wonders wat niefs,
    Hier heb ik wat wonders wat nieus van particuliere posten,
    En die het weten wil moet’et hem geld laten kosten,
    (115) Het is soo nieuw dat ’t oud is van nieuwigheyt.
    ’t Is het nieuwste nieuws dat’er over lang is geseyt.
    Mijn keel word moê, best hier wat gerust.
    Wel Wijfje, waarom huylje soo, nou nou, zijt gesust,
    Of is ’t denk ik, dat de Brandewijn soo dier is,
    (120) Soo huyl ik wel wat meê, of huylje om dat het huylen plesier is.
    Want de Vrouwen hebben drie tranen van blyschap, van droefheyt, en bedrog.
Neel. Maar doense Beursesnyer. Kramer. Beursesnyer? Neel. Ja Beursesnyer seg ik noch.
    Wat weet je te seggen van de Vrouwe, seg Leunis,
[fol. A4v, p. 8]
    Spreekse noch eens te na, soo krijgje wat op je Teunis.
Kramer. (125) Ja Wijfje, ben je soo liberaal? Neel. Ja ik ben heel milt, Jongen.
Kramer. Wat Duyvel seg je daar Wijf, schelje me voor en Jongen?
Neel. Ja Jonge, Jonge, en ik sel ’t blyven seggen.
Kramer. Ik moet waarachtig eens mijn Mars af leggen.
Neel. Wat wou je dan uytrechten? Kramer. Ik sou. Neel. Wat sou je dan doen?
Kramer. (130) Doen? verantwoorde, dat je me voor een jongen scheld. Neel. Neen jou fatsoen*
    En wijst’et niet uyt, wat benje meer als een Lekker?
Kramer. Ik ben een getrouwt Man. Neel. Getrouwt man? ja wel ik gek’er
    Meê, met verlof, sulken Man, wie was soo sot
    Die trouwde sulken Jongen? Kramer. Mijn Wijf is zeker niet bot.
Neel. (135) Dat veel nemen soo jonge loeren,
    Om te wesen soo geveynsde eerlyke Hoeren.
Kramer. Doe jy’t dan ook soo? Neel. Wel Guyt, spreek ik van my?
Kramer. Wel als je’t selver doet dan benj’er selver by.
    Wat wilje van andere seggen, dat heeft juyst geen klaarheyt.
    (140) Maar vanje selve weetje de rechte waarheyt.
    Neel. Jy dat seggen? jy jy? Kramer. ’t Is maar gek. Neel. Nou is ’t maar gek.
Kramer. Wat brilt me dit Wijf, ik lapje strak met dees stok in je nek.
                            ANDRIES uyt.
Dries. Hey, dit is wat raars, lustig Kramer, lustig Vrouwtje,
    Kis, kis, kis, kis, sa, sa, sa, braaf, noch eens en douwtje,
    (145) Sa lustig courasi, geeft het niet op Kramer, bijtse in de kam
Neel. Andries, helpme. Dries. Ik ben op hem niet gram
    Sa vat hem by de kop, lustig; kis, kis, sa, sa, weer aan’t grabbelen.
Neel. Sel je’t noch seggen? Kramer. Sel je noch na mijn bakkes krabbelen?
Neel. Is ’t je leet? Kramer. Hebje berou? Neel. Dat je ’t noch eens segt. Kramer. Dat je noch eens slaat.
[fol. A5r, p. 9]
Dries. (150) O dat is kaal, als’t soo ras aan stilstant gaat,
    Sa Wijf, leent’em een vuyst, ik seljer flus een weêr geven.
Kramer. Hoor ik selje seggen, hoe dat’et by quam, ik heb haar niet misdreven.
    Dan ik qu... Dries. Swijgt, want ten roert my niet, dat’s Voddery, just
    Moet me een oorsaak hebben als men vechten wil, ik vecht als’t me lust.
    (155) En soo geloof ik, datse ook doet: maar Wijf
    Ik meende dat je al en ander keerel Waart veur je lijf.
    Sa sa, noch eens aan tot mijnder eeren, tue, tue, tue, tue.
Neel. ’t Lust me nu niet. Kramer. En ik ben dat verkeren al bue, bue, bue, bue.
Dries. Wil je niet vechten? Neel. Neen. Dries. Jy ook niet? Kramer. Neen. Dries. Wel onthoud
    (160) Dat ik ’t jou luy te pas sel brengen, dat je dan wel willen soud
    Datje ’t gedaan heb, wilje niet, maakt jou van de steyger deur,
    Of vecht; soo niet, ik geefj’er elk en roo kerf veur;
    Want al wat hier komt dat moet vechten. Kramer. Wel wanneer is die wet
    Soo opgekomen? Dries. Ik begeer die soo, en heb die selfs geset.
Kramer. (165) Ik kom hier nochtans om veel te verkoopen.
Dries. Soo mach ikje veur en laffert laten deur loopen.
    Verkoopt dan vry, wat is ’t? soekje daar meê je gewin?
Kramer. ’t Is wat wonders wat nieuws. Dries. Is’er ook al van vechten in.
Kramer. Ja, maar ’t is te doen in Katalonje,
    (170) In Duytslant, in Kandia, en Japonje.         Gerucht in de straat.
Dries. Wat is daar in de straat voor gerucht? wat hoor ik voor allarmen?
    Daar moet ik by wesen, daar moet ik onder scharmen.
Neel. Maar blijft hier. Dries. Laat me gaan. Neel. Blijft hier een gaat toch scheep.
Dries. Laatme gaan, of ik geefje strak je leste doot-neep.
                                                        Samen binnen.
Kramer. (175) Daar gaat en paartje, hoe wel zijnse by malkandre.
[fol. A5v, p. 10]
    t’ Waar jammer moesten die van huwelijk verandre.
    Wat en soet geselschap heeftme aan sulk en volk.
    Gants duysent daar hangtme een duystre wolk
    Boven ’t hoofd, dan die buy is over, maar ik heb niet vernomen
    (180) Van Lijst de Walin, sy had geseyt hier te komen?
    Souse wel vrese voorme Wijf, kijk, kijk, kijk, hier leyt en Valies,
    En die is vol eten, ô die sel toe behooren dien dullen Dries.
    Ik gase hem brengen (eer Lijs komt) en selme wat spoên,
    Ik heb niet garen met vechten of kyven te doen.
                                                                    Binnen met de sak.
                NEEL uyt al soekende.
    (185) Och och! is ’t meugelijk, och, och, sy is verlooren,
    De sak ben ik quijt, de Valies is wech, ik vrees de tooren
    Van mijn dolle Vent, wat sel ik gaan doen? wat raat?
    Dat komt met dat schelms gerugt dat daar was in de straat,
    Daar het en Meyd en snee in’er bek gekregen.
    (190) Dat maakte al dit gerucht, en ik misstese onderwegen.
    Och de Valies, de Valies, waar sel ikse gaan soeken? vind ikse niet
    Soo loop ik de Stad uyt, datme van mijn hoord noch siet.
                                                                          Binnen.
    CATELIJN uyt met een mes in de hand, al lachende.
    Ha, ha, ha, ha, ik lagme te barste, maar sou ik niet wis,
    Ik sel noch seven jaar naar men dood lachen om dat het soo geschied is,
    (195) Och sou ik niet lachen, hoe heb ikse daar bepraat.
    Ha, ha, ha, wat en gerucht was’er terstont door de straat,
    O die Hoer! ik heb’er soo dikwils op uytgeweest,
    Maar noyt gelukt, ’t is altijd slip geweest,
    ’t Gaf noyt gien pas, ’t was altijd te laat?
    (200) Maar nu vond ikse na me sin, in ’t stilste van de straat,
    Daar gaf ik de Hoer en snee in’er bakhuys,
    In de lengte, als en bril van en boere kakhuys.
    Och ik lachme te barste, daar is de Hoere trony geschent.
    Ik selse wel leeren loopen met mijn Vent,
    (205) So moetmense hebbe die Hoeren, die Dieveggen,
[fol. A6r, p. 11]
    Die de plaats beslapen daar de Vrouwen hooren te leggen.
                NEEL uyt noch soekende.
    Och my! och my! och, och! wat rusi selme dit noch zijn?
Lijn. Ik lachme te barste. Neel. Lachj’er meê, je meugt wel lachen. Lijn. Sou ik niet lachen? Neel. O mijn!
    Selje lachen met en andersmans lyen?
Lijn. (210) Die geen verdriet begeert die moet’er hem voor myen.
Neel. Soo weet jy’er van, ik hebse hier laten staan.
Lijn. Sou ik’et niet weten, ik heb ’t selfs gedaan.
    O ja, ik begeer dat wel te weten. Neel. Waar hebjese gelaten?
Lijn. Gunter onder’t volk, daar stontse op ’s Heere straten.
Neel. (215) Dat is niet waar ik weet het wel, ik lietse hier.
Lijn. Ik hebse daar gevonden, ik deê ’t met geen rapier.
    Maar met dat mes. Neel. Wel wat sel hier noch komen, hoe seljeme noch dreygen?
    Ik spreek maar voor ’t mijn, want’t is mijn eygen.
    Wat onbeleefde pry, strak haal ik ook en mes,
    (220) En ik sny tegenje. Lijn. Ik wijs maar dat ik die brave tes
    Daar meê sulken dwarsen sneê heb gegeven.
Neel. Heb je dat gedaan, heb je onse valies aan stukken gesneên? Lijn. Hietse valies? daar is niet aan bedreven,
    Ofse valies hiet, dan ik heb ’t gedaan, wat is ’t nou?
Neel. Wat letten jou de valies. Lijn. Letten sy niet, foey, jij bent en Vrou,
    (225) Foey schaamje inje hart, datj’er komt voor spreken.
Neel. Waar is het eeten dat’er heeft ingesteken?
Lijn. Weetje wel watje vraagt, wordje dol of sot?
Neel. Word jy dol? wat queltme die pry ten is geen sot;
    Ik selseje tot en duyt toe doen betalen.
Lijn. (230) Veur en Hoer betalen, veur en Hoer? Neel. De drommel moet dat varken halen?
    Ben ik en Hoer, en Hoer? wat hoere stukken heb ik gedaan?
Lijn. Ik spreek van heur, en dat gaat jou niet aan.
Neel. Jij segt veur en Hoer betalen, hoe kunje’t plat’er seggen.
Lijn. Sie daar eer ikse betaalde, sou ik’er liever noch en sneê by leggen.
[fol. A6v, p. 12]
Neel. (235) Je moetse wel betalen, je bent hier in en Stad van recht.
Lijn. Ik selse niet betalen, ik lach met al watje segt.
    Ik had reden genoeg, ik sel’t voor ’t Recht wel toonen
    Als ’t te pas komt; soo moetmense loonen:
    Waar’t noch te doen, ik deê’t, ’t is me niet berouwe dat ik’et deê.
Neel. (240) Hadjese hiel gelaten, waarom gafjese en sneê?
Lijn. Vraagt heur dat. Neel. Wie sou ik het vragen, de valies?
Lijn. De valies, ja valies, men geeft dat volk wel vies
    En vremde namen. Neel. Loop Wijf, je ben sot of dronken, schaamje, foey, gaat slapen.       Binnen.
Lijn. Maar doen ’k Sottin, hoe meendese mijn de tong te schrapen;
    (245) Die was wis uytgesonden, om te hooren of ik niet
    Bekommerd was van ’t geender is geschied.
    Ha, ha, sy meende dat ik sou geld belooven?
    Ja datse daar na wacht, isse me die dunk bestoven.
                            ANDRIES uyt.
    Gants selderemente sach ik men leven een sneê, sie soo was’er dat ien.
Lijn. (250) Die praat’er meê al van. Dries. Ik meinde dat’er in de Stad gien
    Soo stouten Wijf en was die dat klaren sou.
Lijn. Ja Vriend datje noyt gesien hebt dat sieje nou.
Dries. Weetje wel wat ik mien. Lijn. Ja dat die Hoer in heur bek sulken roo veeg heeft.
Dries. Dat’s waar, dat mein ik, maar weetje niet wie ’t gedaan heeft?
Lijn. (255) Wel ja. Dries. Is ’t ook een Vrou. Lijn. O ja. Dries. Soo is’t noch soo geschied.
    Daar wierd gesegt dat’et en Wijf was, maar ik geloofden ’t niet.
    Ik sag de Jaap soo mense leyde om te barbieren.
    Soom’er met geen wagen en peerden deur sou swieren,
    Soo laat ik me hange, hebjese niet gesien?
Lijn. (260) Ik hebt gedaan. Dries. Je mogt de Droes, wat souje, misschien.
Lijn. Daar is geen misschienen aan, ik deê’t met dat staaltje.
[fol. A7r, p. 13]
Dries. Jy, je bent en Vrou van d’andere Wereld, je bent en orientaaltje.
    Maar mijn Wijf, mijn papsak, en recht niet uyt,
    Se vocht flus tegen de allemode Kreemer, dien laffen guyt,
    (265) En se bedreef niet. Lijn. Wel moeskop, heeft hy jou guyte stukken bedreven?
    Segt, mopses, drasbroek, wat hebje hem toenamen te geven.
Dries. Al soetjes, al soetjes, geef je tong niet te veel snaar.
    Eer ikje, datje straks aan and’re deê, ook eens klaar.
Lijn. Je hebt’et hart niet, begind eens hebje sulks in ’t sin.
    (270) Doet’et, doet’et. Dries. Straks stoot ikje met me voet het hart in.
Lijn. Waarom maakje van mijn Man en guyt, segt?
Dries. Is’t je Man, soo hebje gelijk en regt.
    Ik prijsje datje je Man veur spreekt, dat zijn Vrouwe,
    Die de Mans soo veur dragen, en in eere houwe.
    (275) Ik heb’er daar ook een die sou’t doen, ja daar,
    Sy sou mijn liever sien als ik boven toe gebonden waar.
Lijn. Mijn Man is gien guyt, of hy hem aan en Hoer heeft misgaan,
    Daar heeft hy niemant meê te kort, dan mijn alleen, gedaan.
Dries. Wijfje jy spreekt wel, kom gaan wy saam te bier.
Lien. (280) Dat sou ik wel doen, was slechts mijn Man maar hier.
Dries. Of of, kom kom. Lijn. Neen, geensins, sou ik allien gaan.
Dries. Ik heb hem straks gesien in de gintse steeg staan,
    Onder ’t volk, toen de meyt ging tot de Barbier.
    Maar ik drong deur, en quam soo weêr tot hier.
Lijn. (285) Soo ga ik hem dan halen. Dries. Hoe souje noch daar omtrent durven komen.
Lijn. Wel stoutelijk. Dries. Souje? Lijn. Wel perfect, ik heb’er niet genomen.     Binnen.
Dries. Dat is en manne hart, die wel voor de Hel om roof gink.
    Daar komt mijn sleeplende, mijn pinpelmees, mijn sletvink.
[fol. A7v, p. 14]
                                NEEL uyt.
    Weetje van ’t ongeluk wel? Dries. Ik wilje niet hooren,
    (290) ’k Heb de weet al weg, ’t is metje al verlooren.
Neel. ’t Was deurje haastigheyt, dat ikse hier liet staan.
Dries. Ik segje eens veur al en spreekt my niet meer aan.
    Je bent geen Wijf gelijk en ander. Neel. Zoujese dan quijt zijn?
Dries. Quijt, dat ik soo gelukkig was, ’t sou eens goe tijd zijn
    (295) Tot mynent, hadje maar van sterven en lutje verstant,
    Ik waar een van de braafste Matroosen van ’t Land.
Neel. Ik docht datje de valies had meê genomen.
Dries. Wat sel dese sottin weêr veur en buy overkomen?
    Wat is’er van de valies? wat komt je in de kop van de valies?
Neel. (300) Wel isse dan niet verlooren? Dries. Verlooren? Neel. En doetse niet Dries?
Dries. Hebje de valies verlooren? Neel. Ik docht of jyse had meê gedragen.
Dries. Is ’t wonder dat ikje dikwils geef het lijf vol slagen?
    Verdien jy’t niet wel? jou handeloose pry.
    ’t Verwonderme dat ikje niet straks den hals af sny.
Neel. (305) Ik denk dat’er de Kramer meê deur is.         Neel binnen.
Dries. Gaat siet’er na. Hoe Dries gequelt met heur is
    En sou niemant gelooven: maar al evenwel
    Heeftse niemant van jouluy gestoolen, ik schel
    Hem veur en dief diese heeft, en kan ikse achter loopen,
    (310) Hy sel hayr laten, ik sel hem ’t vel afstroopen.
    Ja jy luy meugt allegaar wel op me sien,
    Mienje dat’er geen dieven schuylen onder eerlijke lien?
    Dat moeyt’et hem die wil, komt metje vijf of sessen
    Met houwers, met roers, met vuysten, of met messen.
    (315) Wie is den dief onder jou luy? gans donder
    Wijsme den dief, of ik schermer onder.
    Waarom spreekt’er niemant of wiljet nou niet weten?
    O dien dief die swijgt om datje mijn kost alleen sou eten.
    Waar is den dief segt, waar hebje hem versteken?
                        BARTEL onder het Volk.
    (320) Wel buffel, moetje ons hier te na spreken.
    Dries. Wie roert daar sen bakhuys? [editie-1739: wie moeid hem met myn?]
Bartel. Ik moeytme.
[fol. A8r, p. 15]
                              Dries. Ben jy den dief? Bartel. Jy meugt’er een zijn.
Dries. O waar ik dan byje, ik souje wel leeren inmen reên varen. Bartel. Wat souje uytrechten?
    Mienje dat ik jou vrees, ey hout de man, hy wil vechten.
Dries. (325) Ik segje hout je bek, of ik komje op je huyt.
Bartel. Ey siet die groote schreeuwert, ey lacht hem daar eens uyt.
    Kom kom ik wachje al, ey hout die dolle man.
Dries. ’k Moet sien of ik die vent niet stillen kan.
    Kom uyt het volk. Bartel. Kom jy hier. Dries. Dat is een slecht bescheet.
    (330) Kom hier, hier hebben wy plaats, hier is ’t ruym en breet,
    Ik selje beget die opsteker inje ribben duwen
    Datje wel een ton bloed selt uyt de wonden spuwen.
Bartel. Jy sout dat doen? Dries. Ja ik. Bartel. De gedreygde
    ’t langst leeft, ook dreygje d’onvervaarde.
Dries. Is’t datje de vrees niet bevangen heeft.

[editie-1739:
Bartel. Jy zoud dat doen?
Dries.                               Ja ik.
Bartel.                                       De gedreygde ’t langst leeft,
    Ook dreig je de onvervaerde.
Dries.                                       Is ’t dat je de vrees niet bevangen heeft,]

    (335) Waarom komje niet uyt het volk, waarom blijfje daar staan.
Bartel. Ey vrienden maakt wat plaats, laatme daar eens deurgaan.    Hy komt op ’t Tooneel.
Dries. Maakt hem daar wat plaats, de huyt die jukt hem wat.
SARJANT uyt om te scheyen, met de Helbaart van de wacht.
    Sarjant. Wat wil gy doen, vechts by de wacht-huys van de Stad?
Bartel. Sarjant laat ons begaan. Sarjant. Ik seg gy sulse u stille.
    (340) Ik wilse geen gevecht. Dries. En als wy vechten wille.
Sarjant. Gy suls u scheen, of ik salse u met de Halbaar tank.
Dries. Waar meê moey jyje? Sarjant. Ik wilse my moey gants krank.
    Scheet u, scheet u, gy sult u retire, retireer,
    Of ik salse een van twee mafoy conjonneer.
Dries. (345) Wat segje? Sarjant. ’k Weets van geen wat seg, scheet ou.
Dries. Gaje maar van tusse bey, sa, sa. Sarjant. Wat redemente is hier, ik dou
    Zoo waar als ik leef, d’eers die hem reur deur de darmen.
Dries. Wacht Sarjant, je selt dat noch bekarmen.
[fol. A8v, p. 16]
Sarjant. Does wat gy wilt,dat’s voor u, i bens op mijn wacht.
    (350) Al stakse jou dood, het stonse in mijn macht;
    En sonder eenig drag daar van te hebbe.
Dries. Gaje maar naje wacht-huys, selje Lebbe.
Sarjant. Hets vat geeft uyt dat ’s in heeft, ik mach swy.
    Ik souse met u te spreek, toch geen eer kry.
Dries. (355) O jy moetje repetasy houwe, gelijk een Sarjant.
Sarjant. Ik wilse mijn wijs niet sette tegens jouwe onverstant.
    Ik bense te goed om tegen jou te spreken, of te vechten.
                                                                    Sarjant binnen.
Dries. Is dat die vrome Sarjant die soo veel uyt sou rechten.
    Maar jy, jy bent een man, kom, kom, laat ons maats zijn. Bartel. Wel aan.
Dries. (360) Ik sou wel vechten, maar mijn quaatheyt is gedaan.
Bartel. Wat segje? Dries. Waarom dat jy flus de saak woud moeyen?
Bartel. Om datje sey dat wy dieven waren, en ik ben van te goeyen
    Ouwers om yemand en duyt te kort te doen,
    En dat moetje van dees eerlyke luy ook vermoên.
Dries. (365) Vergeefme dit eerlyke luy, ’t isme leet eerlyke liede,
    Dat u liede die bottigheyt, van mijn onwetende geschiede.
    Ik houje altemaal veur eerlyke luy, vaart wel eerlyke liên.
    Kom, kom, in de kroeg sellewe malkander deur en glas sien.         Samen binnen.
                KRAMER en LIJN uyt.
Kramer. Ja heb jy dat gedaan, je bent’er heel fraay meê, jaje zeker;
    (370) Is dat van jou bedrijf? draagt nou vry je silvre beker
    In de Lombert, dieje te Kermis hebt gekocht,
    Om daar meê haas op te spelen, wat droes heeft jou daar toe gebrocht?
    Datje dat gedaan hebt, wat had jou de Meyt bedreven?
Lijn. Siet hou is hy nou in ’t gat, om dat ik sijn Hoer en sneê heb gegeven.
    (375) Ik heb’er naam al weg, al heb jy ’t me niet geseyt,
    Valies hietse; hoe moet jou dat spyten dat valies en Jaap heyt.
    Die schoone valies, daarje op straat meê ging braveeren.
    ’k Loof zeker datj’er meinde gout uyt te disteleeren.
[fol. B1r, p. 17]
    Ey siet hem nou staan, och armen, ’t is en groot verlies.
    (380) Als men sulken onverwachten veeg krijgt in sen liefste valies,
    Nou weest’er soo droef niet om, je kuntje wel lyen met mijn.
Kramer. Neen, je hebt je dingen wel gedaan je meugt wel vrolijk zijn.
    Je hebt het heel wel veur, jaje toch; ’t zijn geestige dingen;
    Maar alsje op’t Schavot selt graci men Heeren singen,
    (385) Veur ’t Stadhuys, op den Dam, en krygen soo wat flik flak,
    Met het wapen van Amsterdam al gloeyend opje sak,
    Wat al karkollen selje maken, hoe selje metje voeten
    Springen, en wringen? Ja Wijf, je sout’er aan moeten.
Lijn. Aan moeten, om en Hoer, om en Hoer raken op ’t Schavot.
    (390) Ik lach’er meê. Kramer. ’t Is en eerlyke Vrijster. Lijn. Uyt en Hoerekot.
Kramer. Wie meinje dat het is? Lijn. Wie? valies, jou bysit.
Kramer. Wat valies? Lijn. Alsje Jaar en dag by en Hoer sit.
    Weetje dan niet hoese hiet?
Kramer. Wat naam is dat? daar is niemand in de hel die valies hiet.
Lijn. (395) Ik weet het wel datse valies hiet, ’t isme flus geseyt.
Kramer. Wie meenje Lies de Hoer? Lijn. Ik seg valies, die Meyt,
    Daar jy lest ’s avonts meê ging drillen op de Schans.
Kramer. Wel dat was Lies. Lijn. Wel Lies of valies, ’t is en Hoer die getrouwde Mans
    Verleyt, wat Vrouw sou sulks verdragen?
Kramer. (400) Je hebt heel wel gedaan, men is van die pryen noyt ontslagen.
                                NEEL uyt.
    Hier is de Kramer, kom geefse weer, of by gants velte,
    Langtse goetwillig. Lijn. Heur sinnen gaan op stelte;
    Wel raaskop, wat schortje? benje daar al weêr?
Neel. Ik seg langt my de valies, of setse datelijk daar neêr.
Kramer. (405) Wel wie weygertse, spreekt met beleefthede.
Lijn. Maar dat Wijf is sot, want sy gebruykt geen rede.
    Dat is het Wijf die my seyde dat jou Hoer valies hiet.
[fol. B1v, p. 18]
    Se droomt niet anders als valies, ’t is al valies watse siet.
            Neel ontrukt den Kramer de Valies.
Kramer. Jy hoefseme soo niet t’ontrukken,
    (410) Ik begeerse niet. Neel. Wel sottin, waar isse nou aan stukken?
    Waar heefse een sneê? waar is de valies geschent?
    Ik vin geen gat, noch sneê, en je hebt het flus bekent.
Lijn. Ha, ha, ik moetme buyk vast houwen, of ik scheur
    Van lachen; ha, ha, och wijfje gaat doch deur, gaat doch deur.
Kramer. (415) Wel wat gelach is dit? wat heeft dit te beduyen?
    Lijn. Dat hoor je wel, sy krijgt heur buyen.
Neel. Hebjeme flus niet geseyt dat de valies en sneê had?
    Waar isse nu gesneên? seg, ik sie geen sneê* noch gat.
Lijn. Ha, ha, ha, och, och mijn buyk, heb ik geseyt dat de maal was gesneên?
Neel. (420) Wel ja, wat wilje seggen? hebj’et niet self beleên.
Lijn. Ey hoort toch en reys, hoort. Kramer. Wel wat beduyt dat gestoot? Neel. Het Wijf is dol.
Lijn. Jij meugt dol of dronken wesen, of hebje je gat vol?
    Hoor, als ik de Hoer had de sneê in’er bek gegeven,
    Soo quam sy ’t heur moeye, en woume de Schout overgeven,
    (425) Sy woume de quetsuer doen betalen, sy had het soo breet,
    En nou spreektse van de maal is dat geen fraay bescheet.
Neel. Wat quetseur? wat maal? ’k spreek van de valies die ’k had verlooren.
Lijn. Wel de valies is dat de Hoer niet? Kramer. Wat Wijf, sy heefje geschooren.
    Men hiet geen Meyt valies, dit hiet een valies. Lijn. Hoe dat?
Neel. (430) Wel ja, en dat heb ik gemeynt. Lijn. Soo hebben wy een misverstant gehad.
Neel. Jy seyde duydelijk uyt, datjese en sneê had gegeven.
Lijn. Wel ja, dat’s waar, dat heb ik aan en Hoer bedreven.
    Ik gaf een Hoer een sneê, en hebje’t niet gehoort?
Neel. Deê jy dat? wat raakt het mijn, al hadjese vermoort.
    DRIES word uyt de kroeg gestooten.
Waart. (435) Gaat uyt mijn huys. Dries ’k Wil niet. Waart. Wat is hier te redemente?
[fol. B2r, p. 19]
    Voort, voort. Neel. Dat’s onse Dries. Dries. Komt’er uyt seldermente.
Neel. Och! wat is’t? Dries. Laatme gerust, en gaat van hier, komt’er uyt.
    Jou schelm, jou hont, jou fielt,* jou dief, jou guyt.
    Komt’er uyt, of laatme daar binnen.
    (440) O bloet, wat en sprong wou ik metje beginnen,
    Ik sou dat kot opscherven, en snyent aan riemen dat gespuys.
Waart. Ik heb met gien vechters te doen. Neel. Kom Dries, komt t’huis.
Dries. Hebt’er dat veur, ik sel de deur op de vloer loopen. Waart. Doet al watje wilt, ik sel klagen over gewelt.
Dries. Laat’er mijn in, of laat’er hem uyt, of ik sel by gants velt
    (445) Het huys in brand steken, en settent in gloeyende kolen.
Waart. Wacht; wacht, jy selt haast anders singen. Dries. ’k Heb inje huys niet gestolen.
    Waarom laat j’er mijn niet in? Waart. Om datje wil vechten in men huys.
    Hy is een degelijk borst, en jy deugt niet een gruys.
Dries. Wat hietje degelijk, schelmen en guyten die dagelijks inje huys swieren?
    (450) En verteeren datse van andere gestolen hebben met bankrottieren.
Waart. Dat liegje Vagebont, gaat hier van daan met je rasen.
Dries. Hout’er dat veur; dat, dat. Waart. O jou schelm, dat’s deur de glasen.
    Ik sel de Huysheer overje klagen. Dries. Noch eens tot sijnder eer.
    Hoort Waart datjet hem segt, dat’s ter eeren van den Huysheer.
Waart. (455) Se sijn naar de Geweldige, je dingt om een strop, man.
Dries. Dat* ’s ter eeren van de Geweldige, sta vast dan.
                                          Hij schiet door de glasen.
              WAART en BARTEL uyt.
    Sa mannen, sa, sta; by Wacht, Wacht, straatschendery.
Neel. Help, help; och Dries! och Dries!
[fol. B2v, p. 20]
                        SARJANT uyt.
                                                              Sla door, sla doot. Dries. Wat wilje hebben van my?
    Heb ik yets gedaan? Waart. Vraagje dat? dat sel men jou wel wijs maken.
Dries. (460) Ik heb niet gedaan, als wat glasen doen kraken.
Bartel. Steekt’er op aan. Neel. Och my! och my! Dries. Wel wat is ’t?
    Heb ik quaat gedaan, heb ik ruyten gemist?
Waart. Gekjer noch meê? Sarjant. Sa fluk legje geweer af,
    Gy straatschender. Dries. Sinjeur Sarjant, ik kender my vry af:
    (465) Ik heb ’t niet gedaan, vraagt aan die luy. Sarjant. Ik hebse gesien toet altemaal.
Dries. Maar Monsieur Sarjant, jy valtme parsiaal.
Bartel. Kom nou veur den dag, ik en jy met ons beyen.
Dries. Neen, Monsieur Sarjant sou ons in de boeyen leyen.
Sarjant. Wat segse gy, ben ik een diefley? ik bense een Sarjant met eer.
Dries. (470) Dat ’s waar Monsieur Sarjant. Sarjant. Ik raats en touseer my niet meer,
    Of ik steek u met de helbaart. Waart. Sla maar doot, ik seltje afdragen.
Dries. Waarom doe jij’t niet? Waart. Sie daar, ik ga soo datelijk over jou klagen,
    Van gewelt en straatschendery; hout hem hier wat staan.     Waart binnen.
Sarjant. Gase gy deur, ik gase ook deur, watse ga my niet aan.
Dries. (475) Ey Monsieur Sarjant hout my wat geselschap.
Sarjant. Ik salse met de Waart saam naar de Gewelt stap.
    Gy sult haast genoeg worden verrast. Dries. Monsieur Sarjant,
    Ey verbetert’et wat. Sarjant. Gy sijt een groot Missiant.
                                                Sarjant en Wacht binnen.
Dries. En jy dan, wat heb jy te seggen? waarom gaje ook niet druypen?
    (480) Gelijk de Waart met Monsieur Sarjant is gaan sluypen.
Bartel. Hoe, mienje dat ik sou gaan loopen? neen voet by voet.
    Ik heb’er al meer onder d’oogen gesien, gants bloet,
    Ik sou om jou van hier tot daar van plaats niet veranderen.
[fol. B3r, p. 21]
Dries. Hoor, twee qua honden en byten noyt malkanderen.
    (485) Kom laat ons vrede maken; want het waar me spijt
    Datje doot waart, om datje sulken braven vechter zijt.
Bartel. Wie heeft het gesocht als jy, metje qualijk spreken?
    Ik ging ter goeder trouw metje roemsteken,
    En je speelde vals, je schreef en vreef en nam de kaart:
    (490) Wilje mijn niet gelooven, soo vraagt het aan de Waart.
Neel. Soo is het weêr om ’t speelen bygekomen, ja wel de Vrouwen
    Bennen wel ongelukkig, alsse een dobbelaar van een Man trouwen.
Dries. Beginje weêr je bek te roeren? ô jy word te stout.
    Men heeft geen deeg mitje, of je moet wat sijn getout.
Bartel. (495) De Vrouwen zijn altemet wonderlijk.
Dries. Daar hoor ikje, je bent een Man van verstant; je hebt gelijk.
Bartel. De Mannen en zijn ook niet vry van gebreken.
Dries. Wat segje van de Mans, selje de Mans tegenspreken?
Bartel. Ik spreek niemant meê noch Vrouw noch Mans.
    (500) Men vintse wel allebey quaat, maar evenwel nochtans
    Die goet is gaat dat niet aan, die goet is blijft de goên.
Dries. Men vint geen qua Mans, ’t sijn onnoosele bloên.
    Heb je de Vrouwen liever, ik setje dees wel by:
    Ontslaat’er mijn van; kom, en trouwtse vry.
    (505) Aenvaardse seg ik. Bartel. Wat, sou ik jou Wijf trouwen?
Dries. Je selt het doen, of ik selje dit mes inje boesem douwen.
Bartel. Hoe, scheerjeme, benwe vyanden of sinwe maats? is ’t gek?
Dries. Ik seg trouwtse, of ik veegje straks de bek?
Bartel. Kom, kom, je soekt’et, en je selt’et gevonden hebben.
Dries. (510) Hoor ik wilmen armen eerst op men rug gebonden hebben,
    En ’k wilmen handen niet roeren, maar ik trapje strak met me voeten plat.
Neel. Ik bidje vrintje verdraagt om mynent wil toch wat.
Bartel. Verdragen? Neel. Ey verdraagt’et toch, ik bidje van dien dullen.
[fol. B3v, p. 22]
Dries. Dat gaat wel, me dunkt datwe’t huwelik maken sullen.
    (515) Seg Neel, is’t klaar, is hy’t van sin? je sout
    Hem wel gelyken, maar hoe rakenwe ontrouwt.
    Monseur Bartel, souje raat kunne vinden?
Bartel. Ja men sal jou eerst laten de keel toe binden,
    Dan selje Wijf zijn voor een ander Man.
Dries. (520) Wel hangtme dan als’t niet anders zijn en kan.
Neel. Och Dries, waarom gaje niet scheep, je selt’et noch soo lang maken
    Datje weer en reys selt in de boeyen raken.
    Wantje kerf is soo vol. Dries. Begeerje dat
    Ik scheep ga, en ik wil niet, ik ga weêr in Stad.     Binnen.
Neel. (525) Och, och, hoe ongelukkig ben ik’er aan! ’t en mach niet slimmer wesen,
    ’t Waar goet dat alle vrysters haar spiegelde aan desen.
                DRIES uyt.
Dries. Wat heb jyse te kussen?
    Wie kent jou soo stout? als je yemant de vinger geeft ondertussen
    Nemense de hand, waarom soenjese sonder* mijn verlof.
Bartel. (530) Wel hey wie soentse? Dries. Wat meinje dat ik stof
    In d’oogen heb? ’k hebt gesien. Bartel. Al weer krakkeel, ja, ja, je hebt te lang gerust geweest.
Dries. Benje van hem straks daar niet gesoent geweest?
Bartel. ’t Is ongeluk getrouwt te zijn met een jaloers Man
Dries. Jij seltse wel veur spreken toch’t heeft sen reên;
    Kom ik selje in ’t Spinhuys gaan besteên
    Te water en te broot maakt vast gang; voort, voort.
                                                  Dries en Neel binnen.
Bartel. Ja wel heb ik men leven* moetwilliger schelm gehoort.
Kramer. Stoutheyt is zijn aart je moetje dat niet stooren.
Bartel. Ik sou hem voor die stoutheyt sulken krop gat booren,
    Dat hy genoeg hebben sou. Kramer. Best niet, wat waar’t dan?
    Je sout het een guyt doen, en voor een eerlijk man
    Moeten boeten, hy selt niet lang maken
[fol. B4r, p. 23]
    Of hy sel ergens wel aan en gallig raken,
    En strekken voor en klok, dar men Heer de wint meê luyt;
    Als de peer rijp is, valtse soo lief in den drek als daar uyt.
                            DRIES uyt en NEEL.
Dries. Sellemente Neel wie gafme daar die lap?
Neel. Och ik weet’et niet mijn boutje, ik bidje stelt’et op en loopen.
Dries. Yemant van hun selt met de doot moeten bekoopen,
    Laatse komen. Neel. Och Dries ik bidje wilje toch versteken gaan,
    Springt in en boot en roeyt weg ’t is om je hals gedaan,
    ’t Is al in de weer, de Dienders en Provoosten.
Dries. Ik gever niet om het kanme maar den hals kosten.
Neel. Je kunt’et ontgaan, wilje willens brengen in de doot?
    Ik bidje toch Dries, laatje geseggen springt in de boot,
    Laatje geseggen. Dries. Adie dan.        Binnen.
Neel. Den Hemel wilje bewaren.
Kramer. Waar is hy? Neel. Och Kramer en wilt het niet openbaren.
        SARJANT, WACHT en WAART uyt.
    Datse de steyger en de boom wel beset.
Waart. ’t is alles wel versien, daar is wel op gelet.
Sarjant. Ha die vagebonde. Waart. Waar mach hy nou toch steken?
Neel. Och Monseur* Sarjant, datje wat wou ten besten spreken.
Sarjant. Isse u Man? Neel. Och ja Monseur Sarjant, ik bidje om genâ.
Sarjant. Hy heefse my gekonjoneert, d’eers dag van mijn para.
    Ik hebse nou d’eers wacht en hebse mijn confreers beschonk,
    Se hebse my wel een tonke wijn uytgedronk.
    Hy schelse my my vrouw, een kontike schijt, kontike schijt,
    dat’s hem de deabel haal.
    Ik sal s’hem doen hang; al souse self de strop betaal.
Waart. Hoor wat geraas, ík loof datse hem al vast hebben.
Sarjant. Ha, braaf man bons.         Sarjant binnen.
[fol. B4v, p. 24]
Kramer. Och ja! daar hebbes’em. Waart. Ik ga eens sien.
                                                                        Waart binnen.
Neel. Och, och, och, och, och! Kramer. Nou, nou, sus, sus, het sel geen last hebben.
    Hy heeft geen moort gedaan.
Neel. Wat komtmen over, wat komt men over.            Binnen.
Kramer. Ik wou niet garen in sen plaats staan.
                                WAART uyt.
    O ja, hy was’t, en ging meê als en lam, en kon niet spreken.
    Hy wiert tusschen de boom in de boot gevat, hy had hem onder de bank versteken.
    Ik nooje altemaal op ’t Prinsen-hof te gast,
    Een yder een siet toe, en opje beurs wel past.
    Want Dries den Boots-gesel sel dan wat gispe krygen
    Op zijn moetwillige* rug, dan toch ’t is best te swygen.
    Daar sijnder noch soo veel by mijn seer wel bekent.
    Dat mense vangen sou, het Recht en had geen ent.
    Kom Kramer, komt in huys, ik selje eens beschinken,
    Wy mogen op de straf van de gevangen drinken.


                                                  UYT.


Continue

Tekstkritiek:

vs. 87: ouwetende er staat: ouwetende
vs. 130: fatsoen er staat: fatsoen.
vs. xxx: sneê er staat: s eê
vs. xxx: fielt er staat: sielt
vs. xxx: Dat er staat: Dar
vs. xxx: sonder er staat: souder
vs. xxx: leven er staat: leveu
vs. xxx: Monseur er staat: Monsenr
vs. xxx: moetwillige er staat: moetwillge