Abraham Bogaert: De gewaande droes. Amsterdam 1711.
Uitgegeven door EDITEUR
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton01024 - UBGent
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Dit is een onderdeel van de Ceneton Groeipagina. Van dit toneelstuk moeten nog alle pagina’s gedaan worden.

Continue

DE

GEWAANDE

DROES;

KLUCHTSPEL.

[Vignet: Proficit et recreat].

TE AMSTELDAM,

By de Erfgen. van J. LESCAILJE, op den Middel-
dam, op de hoek van de Vischmarkt, 1711.

Met Privilegie.



V A N D E PRIVILEGIE. DE Staten van Holland endeWeftvrkflanddoen te weten,alfoo ons vertoond is by de Regenten van iiet Burgerweeshuis ende Oude Mannenhuis, der Stadt Aiuiterdam, en, in cicqualiteit,te famen eygemars, mitsgaders Regenten van de;i Sclioubiirg aldaar, dat fySupplianten , fëdett eenige j a ten hehbenije gejou iflee: t v.in onfen Qctroyeof I’iiviiegie van daioden r«.September 1684. waar !>y wy aan de Regenten vao de lelre Scliouburg , in diK tyd , hadden gelieven te contenteeten > accorderen ende ociroijercn.dat iy, gedurende den tyd var. vyftien ectft achtcreen volgende |aren , de v, erken , die doenm.ials ten dienfte van het Toneei reeds gedrukt wsren , ende van tyci tot iyd>nog vorderin het ligt gebracht, ende ten 1 oneelegevocrt loude werden, alleen lc.ude mogen drukken, uytgcven e« verkopen , nu ondei/onden , dat de Jaren , by het voorgemelde onle O&ioy of Privilegie genaa m t, op den 19. September 1659. foude komen te expireren; endedewyl de Supplianten ten meeflen uicniïc v.tn de Scliouburg, waar van hunne reipean het bo.engemeide onfe Oilsoyen, fulx nae den \y. Seotember 1699. n;et gepertnitteett loude welen, (o j vonden de Supplianten hun genootiaakt figte keeren tot ons, onderdanig verfoekende, d^t wy aan de Supplianten in hare bovengemelde qualiteyt, geliefden te verleeoen prolongatie van het vootfz. Ofttoy ofPrivilegie.omme altoo de vootU. Werken , foo van Tteurfpellen, . lyfpellcn , Kluchten,sis andere reets gemaakt en ten Toneele gevoett, on als nop in het ligt te brengen, den tyd van vyftien eer ft achtereen vozende J aten, alleen ie mogen drucken en verkopen , of doen dtucken en verkopen, met verbod aan allen andere opfeeckete hoge pene.by U Ed Gtoot Mog daartoe teftellea, en vooitsincommiini forma jfoo is’tdat Wy djE fake ende liet ver’bek voorlz.overgemerkt het>bende,ende genegen \vefende, tet bede van deSupplia.nren, uytonfe rechte wctenichap : Souveraim magt en authotiteit. Defc’vc Supplianten geconfenteert, geaccordeerd ende geodhoycert hebben, confenteeten, accorderen ende oiltoyeren.mits dc[en,dat ly.by contiuuatie, de voorlz. Wetckcn lbo van Tteuifpelien, Blyfpellen, Klugten als andarP, rccu f cinaakt en ren Toneele gevoert, en als nog in het licht te brengen, d«» tv d van vyftien eer S achtereen volivniie J? ten ja’, een binnen on«orenlinden,fuUenmogendmcken, doendrucken, uytgeven en verkopen, verbiedende daerom allen en een ygelyk, de voorfz. werken, in ’t geheel ofte ten deele , naet te drucken, ofte , elders naergedrukt, binnen den felven onien lande te brengen , uit te geven ofte verkopen, op de verbeurte van alle de nacrgedrukte , ingebragte , ofte verkogte exemplaren ,ende een boete van drie hondcrt guldens daar en boven, te verbeuren , te appliceren een darde part voor den Officier, die de calangie doen fal, een darde part voor den Armen der ptaatfen daar’t cafus voorvallen fal, en het refterende darde part voor de Supplianien , alles in dien vetliande, dat wydeSupplunten met delen onfen oclroye alleen willende gratir ficeren tot verhoedinge van hare Ichadc Hoor hei naedtucken van de voorlz. Werken, daar door in genigen deele verltaen den inhoude van dien re authorifcren , ofte te advoueien , ende veel min hetfelve onder onfe prorextie en de beichermingeeenig meerder credit, aaniien, of reputatie te geven, nemaar de Supplianren in cas daar inne iets onbeliood.ks fuude tnflueren, alle her felve tot naaren lafte fulleh gehouden welen te verantwoorden , tot dien einde wel expreflelyk begeerende , dat by aldien ly defe onfe Octroye voor de vooilz. Wercken lullen willen itellen , daar van geen geabbrevieerde oftegecontraheerde mentie lullen mogen maken nemaar gehouden lullen wefen het lelve Och’y in ’r geheel,en ibnder eenige Omiffie,daar voor te drucken,ofte re doen drucken, ende dat ly gehouden Tullen fyn een exemplaar van alle dr. voorlz Werken , gebonden en wel geconditionertr, te brengen in de Bibliotheecq van onfe Univerfiteit tot Leiden , ende daar van behoorlyk te doen blyken , alles op pene van het i-ffcit van dien te verlicfen. Ende teneyndedeSupplianten delen onlen Odroye ende confente mogen genieten als naar behoren ,laften wy allen ende een ygelyk die’taangaen mag,datfyde Supplianren van den inboude van delen doen Liften ende gedogen, ruftelyk, vredelykende volkomentlykgenietenendegebruyken ,ceflerende alle belet tet contrariegedaen. Gedaan in den Hage ; onder onfen gioote ZegeIe, hier onder aan doen hangen op den een en twintigfte May in ’t (aar onfes HesrenZaligmakers ,een duytentfes houden negen negentien A. HEINSIUS. Ter ordonnantie van de Staten SIMON Van BEAUMONT. De Regenten van het Wees-en Oude Mannenhuis hebben, in haar voorfz. qualiteit, het recht van defe Privilegie, voor DE GEWAANDE D R O E S; Klucbtftel, vergunt aan de Erfgenaamen van Je. Lefcailje. In Amfteldam den 19. January 1711, INHOUD. ËsEn dlcbimift, verzot op gout te maken, Bekomt zyn wenfch door een gelukte lift. Doch vreefl, doordien zyn doen fleeds is gemiftt Dat hy daar door een bitter lot zal fmaken. Hier dient zich van de Fryer van zyn Kind, En krygt aldus bet pand, dat by bemind. Manshart, een Alchimist.
Elizabeth, Vrouw van Manshart.
Jacoba, Dochter van Manshart.
Fransje, Zoontje van Manshart.
Jochem, Knecht van Manshart.
Katryn, Meid van Manshart.
Hendrik, Vryer van Jacoba.
Klaryn, Knecht van Hendrik.
Danssers.
Zangster.

                                      KATRYN.
Jawel, Juffrouw, ik zie noch niemant te voorschyn komen.
                                      JACOBA.
Dat ontstelt me ten hoogste, en doet me voor onraad schroomen.
’k Vrees dat hy ’t werk niet wel zal hebben aangeleid;
Want Hendrik schryft, dat hy in alle zekerheid
Preçys ten achten hier van ondren op zal daagen,
En ’t is al negen aan de Westerklok geslaagen.
                                      KATRYN.
De tyd verveelt u, en valt jouw thans lang, niet waar?
Tut, tut, dat moeft jy al gewent zyn, daar jouw Vaar
U sint een maand in dit vertrek heeft opgesloten,
En dat ’s genoeg om jouw....
                                      JACOBA.
                                                                                Dat heeft me lang verdrooten;
Maar zwyg, en laat my eens met aandacht zyne brief
Herleezen. ’k Heb reeds sint drie dagen, waarde Lief,
Gearbeit, om de vloer van ondren door te booren
Van uw vertrek, om u te zien, myn Uitverkooren,
En ’k hoop..
ach, ’k vrees Katryn, dat hy door drift misschien
Licht d’eene zoldering voor d’andere aan zal zien.
[p. 8]
                                      KATRYN.
Katryn. Neem wat gedult, en laat ons eens de vloer bekyken , Of ons niet ergens komt een fchreef of fpleet te blykeu Kotn hier, Juffrouw! ik zie een fchreef! Jacoba. Wel waar, Malloot ? &ATRYN, Wel daar? Jacoba. Ja toch, ze loopt recht uit, en fchynt vry groet. Miffchien is dit de plaats daar Hendrik door zal breckei. Katryn. Wat zulje bly zyn als jy hem zult zien en fpreeken! È;! hoe wil Hendriks hart op Heken ryden, als y jouw hier onbefchroomt mag vallen om den hals.’ E.n welk. e,en neus zal niet jouw Vader met zyn flooten En grendels hebben , die jouw hart voor lang vercroo- ten! O i ’t is vergeefs de deur gegrendelt voor de min, Oprechte liefde vind een gat, en raakt ’er in. Jacoba. (ren, Maar zo het eens Katryn bemerkt wierd door de Hee, Die daaglyks ’t danflen by Leander komen leeren, Dewyl zyn Dansfchool hier recht onder is ? Katryn. Geen nood, Hy won met danffen, fint drie drie maanden, pas droog brood, Hy rammelt al, ’t is meer als eens aan my geblceken. Zyn Dansfchool heeft thans niet meer neering als d’Ap teeken. En Hendrik kwam ter fneê aan hem beletten dat Hy niet in ’t kort zyn poort ging veegen aan de Stad, O ’t zakje Dukatons, dat hy hem heeft gegeven, Zal alles redden, en hem weer geruft doen leven. Jacoba, Maar hy zal mogelyk het zelfs ontdekken gaan, K/u Katryn. Zyt maar geruft, en laat die zorg op my flechts (laan. Hy is difcreet, fchoon hy de koil wind met wat grappen, En, boven dat, dan zou hy ook zich zelfs beklappen; Want hy leent zelfs de hand aan alles t’onzer gunft, En krygt waarachtig zo veel Lobben niet om funft. Jacoba. (zen? Maar zo myn Vader kwam, als Hendrik hier zal we. Katryn. Al weer wat? wel jy hebt wel veel onnutte vreezen. Geen nood; hy is van nacht zo laat na bed gegaan, Dat hem voor eerft noch niet zal luften op te uaan. Jacoba. Wat deed hy dan zo laat ? Katryn. Wat dat hy deed ? hy ftookte, En flaafde in ’t werkhuis, dat het als een oven rookte: Hy fmolt de Snuiter, ’k meen de zilvere, om dat hy Geen zilvre Lepels vond tot zyne razerny. Jouw broer, klein Fransje, hielp hem braaf de blaas- balk trekken; Ei wel hy leert hem vroeg de Spiritus der gekken, n wy ft zyn Zoontje.... Jacoba. Ja den weg naer ’t gafthuis, ach! O Filofooffche fteen wat baart gy my geklag En onruft! ach, Katryn. hoe wreed is niet myn Vader! Katryn. Zeg liever gek, Juffrouw, dat is de waarheid nader; Want door het zoeken van dien Filofooffchefl fteen Maakt hy zyn harzens t’zoek,ja toch, die zyn al heen. Zwoer hy niet onlangs, dat jy nimmermeer zou trouwen, Ten waar by ’t Goud, dat hy gemaakt had, zou beJacoba. (fchouwen? En ik zweer, zo hy my noch langer tegenhoud, A Noch Noch Hendrik toeflaat dat hy my in ’t korte trouwt, Dat ik met hem, Katryn, zal doorgaan. KATRYN. Wel verzonnen ; ’k Zou dat maar aanftonds doen , wel ja, hoe eer begonnen Hoe eer gedaan., jy hebt alreê-jouw Moeders ftem; En zo jouw Vader kyft, jouw Maatje zal dan hem, • Als zy wel meer doet, braaf de wind van vooren ge- ven: Zy kan het kunsje hoe men met een Man moet leven. Stel haar de zaak eens voor, ik wed zy flaat het toe. Jacoba. Ik zal; maar ach! Katryn, ik vrees voor Hendrik. Katryn. Hoe Voor Hendrik? tut,uit, Klaryn zal heel wel maken, Dat hy die zwaarigheid licht zal te boven raken. Jacoba. En wie is die Klaryn ? Katryn. ’t Is ’t puikje dat ’er leeft, Die • Hendrik onlangs voor zyn Knecht verkooren heeft. O ’t is een fyne kwant, en ’t zal veel voordeel geven, Dat nooit jouw Vader hem gezien heeft van zyn leven, Hier door zal hy hem eer bedriegen. Jacoba. Ach, Katryn! My dunkt het gat gaat op. Katryn. O ja, zy zullen ’t zyn. Jacoba. Ik beef van fchrik. Katryn. En ik van liefde, TWEE. TWEEDE T O O N E E L. Jacoba, Katryn. Hendrik e» Klaryn beide uit een gat opkomende. S Klaryn. eldreweken! Wy zyn ’er eindlyk op, ik dacht te blyven fteeken. He.ndrik. Na een maand afzyn zie ik u dan wederom, Myn Schoone, ach! wat heeft uw trouwe Bruidegom Met fmart gerekhalft oin uw byzyn te genieten! Neen, ’k denk niet meer aan myn geledene verdrieten, Nu ik u eindlyk zie, en dat myn ziel zo .’ras.... Klaryn. Zacht, zo veel praats, myn Heer, komt hier in ’t minfl te pas. Wyzyn hier door een gat wel binnen, Iaat ons maaken, Dat wy ’er niet weer door een venfter buiten raaken, Maar treden tot de zaak. Hendrik. Gy zegt my, o verdriet! .Geen woord,myn Schoone, uw min haait by de myneJacoba. J (niet. . De liefde komt zich vaak verfchiüende vertoogen, Want d’uvve toont zich in uw driften voor myn oogen; De myne in de vrees dat ons gefprek te vroeg Geftoort za! werden, en... Klaryn. Jy mind ons, dat ’s genoeg, Wy weeten ’t wel ,ja toch, wy hoorden ’t met onzeooKlaryn. (ren. Hoe! kan men daar om laag wat hier gezeid word hooKlaryn. (ren? Geen woord werd daar gemift; by voorbeeld: Juffrouw heeft Gezwooren , zo men haar in ’t kort ten echt niet geeft, [p. ] Pat zy zal doorgaan met myn Heer, Ipy t Vaders tooren. En jy.. Katryn. Hoe ik! wel ik heb niemendal gezwooren. Klaryn. Neen; maar jy hebt gezegt dat myn verftand zeef fyn, Myn geeft volmaakt, en ik het puikje was, Katryn : Daar by noch.... Katryn. Maar waarom lietjy zo lang ons wachten? Klaryn. Voor my ’k was beezig met wat bottels te verkrachten, ^ Die ’k giilren avond van de maaltyd had befchaart, En ergens in een hoek voor beter tyd bewaart. Wy hebben dezen nacht gearbeid, en gedronken Als ketters, ’t werkvolk leit als beeften noch te ronken; Zy zoopen lullig, en ik maakte ze zo zat. Katryn. Kon ’t jouw dan kiften om jouw neus zo vroeg in ’t nat Op nieuw te fteeken, en de bottels uit te veegen ? Klaryn. Daar zyn ’er twintig noch beneden om te leegen. Hendrik. Gy fpreekt, Klaryn, geftaag van zuipen,-en men ziet In u geen voortgang, noch gy fpreekt van ’t zaakje niet. Klaryn. O dat is al gedaan, ja toch, die dingen leggen.... Jacoba. Wat zaak is dat? ’ Klaryn. Wel hoor, Juffrouw, ik zal ze u zeggen. Verftaande ’t zweeren van jouw Vader, dat hy jouw Om geene redenen noch eer uittrouwen wou, Voor hy had Goud gemaakt, befefte ik uit die grillen, Dat hem de bolwurm fchorte, en wat hy niet zou willen. (geld ’k Heb dan jouw Broertje, dat klein fchempjc, door wat [p. ] En fchoone woorden, braaf gepepert en verzeld !Met veel beloften, heel op onze zy gekreegen, En onderrecht op welk een wys, of door wat Wegen..-. Jacob A. Wat kan een Kind toch doen ? Klaryn. ’k Heb hem een ftaafje goud Behandigt, dat myn Heer aan my had toevertrouwt, En ’t kleine guitje heeft belooft in geen gebreeken Te blyven, om het heel behendelyk te fteeken . Hy zal ’t wel klaaren, ’t is een gasje, en jouw Vaar Zal alsdan meenen.... Jacob A. Ja, ik merk de zaak nu; maar Indien ze mifte? Klaryn. ’k Moed dan weer wat aars bedenken; Niets zal myn aanflag, hoe de zaak ook uitvalt, krenken, (moén Voor my ik zwicht niet licht, en zonder kwaad verKan ik veel kunsjes door dat gat behendig doen. O de trencheen zyn reeds geopend zonder deeren, En dat ’s genoeg, wy zullen heel wel avanceeren. De góeje man, is als men zegt, geen vyand van Muziek en Dans, waar van ik my bedienen kan; Leander heeft alreê wat Danflers en wat Stemmen By een gehaalt, zy zyn gereed als ik zal hemmen: Zy zullen op zyn tyd, als Vader moeilyk word, Hem, wel geneezen van de bolwurm die hem fchorr. Wat dunkje, hebje thans wel reden om te vreezen? Jacoba. ’k Hoop dat’et lukken zal... maar aeh! wat zal dit welk hoor gerucht, ik vrees.... (zen? Katryn. - Hou moed, ’t is Fransje maar. DERDERDE T O O N E E L. Hendrik, Jacoba, Fransje, Klaryn, Katryn. B KLARYN. onjours, maat Fransje. Fransje. . Ha! ben jy lui hier ? dat ’s zeker raar. Hoe kwam j’er? is ’t door betovring, of heb je die gunft door huisbraak genooten? Want Vader houd deur en venfters zodanig geflooten, Dat het anders,wat lift men ook aanwend, niet wezen Hy zuft al geloof ik die goeje ouwe man. (kan. Om dat hy Zufter haat, geeft hy haar in zyn tooren, Zo hier en daar zomtyds wat klapjes om haar ooren; En om dat hy me lief heeft, geeft hy me, dat jy ’t vat, Zomtyds helder wat bruijen, en luftig op myn gat. Hendrik. Dan is zyn liefde zo haatlyk, ais zyn haat is te vreezen? Fransje. Ja maar, ik wil zyn hoofdigheid niet langer onderworpen wezen. (rond uit, Ik ben zyn manier van huishouden al moe, dat zeg ik Hy zal Zufter noch difperaat maken, en my tot een guit: (geven ? Maar wie droes heeft ons die vent tot een Vader ge Klaryn. Hoor,Fransje,laat ons jouw Vader daar laten, en zyn zot leven, En zeg ons ofje de zaak volvoert .hebt. Fransje. Wel zou ik niet, ja toch, Ik klaarde dat giftren avond. Klaryn. Kn wat zei jouw Vader doch? Fransje. (vreezen, Dat weet ik’niet, want ik ging flapen;doch’t is niet te Dat Dat hy daar over gramfteurig of moeijelyk kon wezen, Dewyl hy daar door vond, ’t geen hy heeft lang gezocht. Klaryn. Ey, Fransje, vertel ons hoe jy de zaak hebt volbracht. Fransje. Gifteren avond, alzo ik hoorde dat Vader weer fbookte, Ging ik in ’t werkhuis, daar ’t overhoop lei, en als de hel, rookte; Op ’t vuur zag ik een van zyn Kroesjes daar hy zyn fterkfte proeven in maakt, (geraakt, ’t Was boorde vol Zilver; en toen ’t aan fmelten waS Deed hy ’er by poozen wat in; maar wat, dat is me verborgen, (te bezorgen. Ik naderde en vatte de blaasbalk om met yver ’t werk Ach., dat ’s een zoete jonge, zei hy, dat ’s een zoon na myn lyf, (wyf. Ik zal ’er een man van maaken, fpyt al ’t gerel van myn Ik hiel me of ik gek was zonder een woordje te zeggen, En ik peinsde alleen maar hoe ik myn werk beft zou beleggen. Klaryn. En dan? Fransje. Ik blies byna een uur, en toen is Vader na zyn kamer gegaan, (gedaan. Ziende dat hy al weer aan vergeeffche moeite had Daar hoorde ik hem alleen Ipreeken, daar na overluid lezen, (zou. wezen! Maar hy las woorden, die ik in geen tien jaar roéefter Dien tyd nam ik waar, ik vatte net Kroesje behendig met de tang, (tert en bang, Ik ftorte het Zilver daar uit, en deed’er, hoewel beteu Het baartje Goud in, datjy me eergifteren had gegeven. Klaryn. Heel goed, en ’t Goud fniolt aanftonds? f :’ FransFransje.’ , In een ommezien.bymyn leven, Vader kwam weder, preutelende in zich zelven, en geweldig bedeeft, Zyn oogen waren verwildert, en zyn aanzicht was zo bleek als een geeft. Hy ging naer ’t vuur toe... Klaryn. Daar zag hy verandering... Fransje.’ Meer kan ik jouw niet vertellen, Want ik zei hem goênacht, en ging aanftonds de noo ten na bed Hellen. Nou, toekomende zwager, jy ziet wel wat moeite ik heb gedaan. Hendrik. Daar zyn twee dukatonnen, maat Fransje, en ik zal jouw voortaan (gebleken... Dewyl men jouw genegentheid en getrouwe dienfl is Fransje. Goed, goed, ik groetje; als dit geld op is zal ik je weer aanfpreeken. Fransje gaat weg, en komt ftbielyk weer. Och, daar komt Jochem! Jacoba. Wy zyn bedurven! Hendrik. Klaryn, ach! wat raad ? Klaryn. Ras in de trap weer; maar neen hy ziet ons, het is al te laat. VIERDE TOONEEL. Hendrik, Jacoba, Fransje, Klaryn, Jochem, Katryn. Jochem. el wat drommel is dit te zeggen! wat kom je lui hier maken? Hoc, Hoe! kunnen dan deze wolven zo licht in de fchaapsttal geraaken ? Hendrik. Ei, fpreek wat zachter, ik verzoek dat; jouw ftem valt J o c H E M. (wat z .vaar. Twee kaerels en twee meisjes,en dat by malkaar! Wel waar toe dienen dan deuren en flooten en hoornen, Zo die opflokkende wolven zo by ons vee kunnen ko- men? K L Ar Y N. (onze vacht .\Vy zyn geen wolven, Vriend, maar fchaapjes; indien Hy bied-bem een beurs met geld aan. Jouw ga! wat kon dillen, verfla je? nou, neen maar. JOCBEM. > AI zacht. Neen toch niet, Amice, ik laat me zo licht niet beweFransje. (gen. Ei, Jochem, ’t zyn Vrienden. JOCHEM. Houw fmoel jy , of ik duuw ’er myn vuifl tegen. Hendrik. Maak geen gerucht, ik bidje. Jochem. Geen gerucht zegje, dat raê je niet, maat. Neen, neen, Heer Manshart moet ’er van weeten, ik zie wel hoe ’t gaat. (ter te paflen, Hy heeft me belaft op zyn huis, en vooral op zyn’DochEn zou ik me laten foppen; neen, neen, ik zei je dat varken wel waflen. Hendrik. Jacoba had zedert een maand al myn hart en myn trouw. En jy weet Jochem. . • Datbruitmy niet, al had ze wat aars ook van jouw. Katryn. Ik moet m’er dan mee moeijen. Nou, Jochempje lief... [p. ] JOCHEM. Karonje. Ga van me, zeg ik. Katryn. (bonje. f Ikzie wel, ik moet hem omhelzen, of’t is al weef— Jochem. Ha, krokodil! Katryn, hem omhelzende. In onzerliefdens naam.... Jochem. Och, och! laat los Katryn; Ik vrees waarachtig in bekooring te vervallen, wat zal dit Jacoba. (zyn? Och, och! daar hoor ik myn Vader, helaas l wat zal ik Klaryn. (beginnen? En wy, wat zullen wy doen ? Hendrik. Jy moet zo aanftonds wat verzinnen. Hoe fta je? ben je verleegen? ja wel wat gaat ons dan Jochem. (aan! Kom, ik zal heen loopen, en d’ouwe man waarfchou wen gaan. Klaryn vat bem, en -werpt bem met Frans je en Hendrik in ’/ gat, waar door by is opgekomen. Jy zult waarachtig niet,maar naer om laag toe, dat wil ik jouw zweeren. Jochem, vallende. Help, help! Frans]E, vallende. Och, och! Klaryn tegen Hendrik. Het gat toe, het gat toe; het haakt aan jouw kleêren. Ziet zo dan. Maar ik nou, hoe drommel raak ik nou Katryn. (hieruit? Kruip onder de tafel Klaryn. Dat ’s wel by myn keel, zo ben ik een guit. Ja J A C O B A. ’Wat zullen ze met Joehem om laag doen ? Katryn. Dat zal hj niet droomen j Daar valt luftig te zuipen ; ay-zullen... Jacoba. Zwyg, ik zie Vader daar komen. VYFDE T O O N E E L. Manshart, Elizabeth, Jacoba, KaTryn. Klaryn onder de tafel. Elizabeth. Maar Man , mag men niet weten wat verdriet jouw zo fchielyk heeft doen opftaan? Manshart. Oehl Vrouw, ik ben verlooren. Elizabeth. Wat fchort jou dan ? wat doet jou zo van de kelder na de zolder gaan, (pen ? En aanftonds van de zolder zo fchielyk na de kelder loo Zo dit langer duurt, zal men jou met een touw moeten vaft knoopen. Manshart. (gehoort. Och! waar is Fransje?my dunkt ik heb hem hierdaatlyk E L i z A B E TH. (verftoort; ’r Is waarlyk of jou alles buiten dat zoontje haatlyk is en Voor hem alleen heb je maar oogen, jy zult hem ook in de grond bederven, Nou trouwens dat leit ’er al to«, want hy kan het by jouw niet verkerven; Nooit heb ik ^een kind van zyn-jaren gezien, die zo wild is opgebracht als hy: Jouw voorbeeld is ’er d’oorzaak van ,jy houd huis dat’et een fchand is voor my. Manshart. " Katrvn, Laat Fransje hier komeu - " B 2 JA" Jacoba. „ Ach! ik begin te vreezen! hoe wil ’t hier noch dagen? Manshart. En jy, Jacoba, vertrek aanftonds, want ik kan jouw byzyn niet verdragen. ZESDE TOONEEL. Manshart, Elizabeth. Klaryn onder de tafel. M Elizabeth. aar, Man,hoe dat je jou Dochter ook toefpreekt! Manshart. Al weer wat ? hoor, Vrouw, Ik heb altyd getwyffelt of ze wel myn eige Dochter was, en nouw Geloof ik, dat ze by de Min is verandert, of van de Heidens geftoolen, Want ik mag ze toch niet lyden. Elizabeth. Daar hebje de wysheid, hiel je die zo lang verhoolen? Manshart. Ei lieve, laat ons jouw Dochter daar laten, en denken maar om jouw Man. ; Ik word wanhopig, Vrouw. Elizabeth. En waarom toch ?geef me daar eens reden van. Manshart. Ik heb jouw-dan gevonden, o Lapis, o edele fteen der Maar tot wat prys, helaas! (Wyzen! Elizabeth. Hoe ! hebje dan, na zo veel vergeeffche ryzen.... Ma Nshart. Ja, Vrouw, dat groote werk heb ik eindlyk gelukkig k heb goud gemaakt. . (volbracht. Elizabeth. Goud zegje ? ik kruis me, en dat van nacht ? Be Bedroeft jouw dat ? Manshart. Ja; maar dat zal men me licht zo duur doen betaalen, /ant ik weet niet hoe ’t is bygekomen; luifter toe, ik zal ’t jouw verhaalen. Giftren avond verdroot my zo lang vergeefs geblazen, en fteeds te hebben gemift Dat gelukkige oogenblik, die graad van hitte,die,door een zekere gift, (keeren; En een verborge mengeling het geld in goud doet verEn ik zei by me zelfs, ’t is lang genoeg vergeefs gezocht myn begeeren, Laat ons een macht, die de menfchelyke te boven gaat, ter hand flaan. (gegaan; Hier op ben ik toornig uit het werkhuis na myn kamer Daar haalde ik een oud boek voor den dag, dat ik voor dezen Van een oud Egiptenaartje gekocht had, en ik begon voort te lezen: Cyder woord. Doch ik verftond ’er niet een fier van, en ik beefde op Hebbende het dan geleezen, en blyvende al even ver ftoort, (ten. Nam ik aanftonds de vlucht zonder antwoord te verwach Elizabeth. Wel nou, wat is ’er van geworden ? Manshart. Heel buiten myn gedachten Bevond ik op tnyn wederkomft dat het werk was volbracht. Jouw mooye zilvere Snuiter, die jy verlooren hebt geElizabeth. (acht.„ Wel! Manshart. Ik had ze in een kroesje gefmolten, en in de plaats heb ik dit baartje goud gekregen; Daar is het, is dat geen goud Vrouw? bezie het vry te, degen. •..•’• B 3 EliElizaeeeth. Ja zeker ’t is goud, Man; och, nouw fpyt me dat ik flus zo van grairrfcrrap was -verrukt. Man Shart. Ja dat verheugt jou, ik zie het wel, daar ik van verdriet beu verdrukt. Elizaeeth. Zou het niet! To>u zullen we cindelyk onze Dochter uittrouwen; (fchouwen: Van Honden aan zal ik Jonker Hendrik laten waar Jy hebt hem lang genoeg opgehouden, en zyn trouwe liefde veracht, En dezeis diegelukkige dag dan.... Manshart. Zo ras noch niet, al zacht. >- Elizabeth. ... Wat wil je meer hebben ? hebje geen goud gemaakt, en jouw woord niet gegeven, Dat, alsje.... .’. Manshart. % Dat’s-waar, maar dat Heidenfch boek ,Vrowv> heeft dat niemendal dan bedreven? -.:’.• . Elizabeth. . •’.’. .. ’ „ Maarkanjegelooven... Manshart. / , Ja ik geloof dat de Droes .datgoud heeft gemaakt; En om jouw de waarheid te zeggen, ik zag hem van Tracht zo klaar en zo naakt... Elizabeth. Jy hebt de Droes gezien l èa via1! wat heeft hy jouw al gezeit? laat hooren: . , Hoe was hy gemaakt ? had hy een fteert, of aan zyn kop twee ezelsooren ? Mansha»t. (jouw zie: Jy lacht ’er om; maar ik heb hem alzo wd gezien als ik Hy was in de gedaante vari een rgroot Heerfchop van ’t hooft tot de knie. [p. ] Al wat je maar begeert, zei hy, zal ik in goud verkee ren, (begeeren: Gebiê maar, ik verbind me om in alles te doen jouw Maar denk om jouw beloften, en pas wel op jouw woord, (behoort. Over een maand zal ik jouw haaien, en voeren daar ’t Elizabeth. Och, wat zegje daar! wat zegje daar! vertrek aanftonds uit myn oogen, Want ik wil jouw byzyn in myn gezicht niet gedoogen. Wat hebje gedaan, rampzalige? M A N s H A R T. Ei, myn lieve Vrouw, het was... Elizabeth. Loop naer de Drommel. Manshart. (kon,las; Wanneer ik dat Boek, daar ik niets van verdaan ’t Was alleen uit inzicht van goud te maken, dat zweer ik je by myn leven, Doch geenzins om my door beloften aan de Droes over te geven; En dat, wat komt me over! voor zulk een korten tyd noch, Over een maand zal hy hier wezen, ik beef al, och, och! Elizabeth. Nou, nou Man, dewyl jouw dan belooft is zoo ve«l goud te zullen maken, Als je flechts zult begeeren , vaar dan maar voort met jouw zaken; Werk wakker voor jouw huisgezin, et lieve werk maar. En de Droes... Manshart. Zal my haaien, als ’t hem gelegen komt, niet waar ? Meen je dan dat ik menfchen,die ik zo kom te haaten, Als jouw en jouw Dochter, zou fchatten willen nalaten? En dat ik in deze {laat... Elizabeth. Wel haat ons maar zo veel als je wilt, 64 De De Droes za’ ons daar wel van wreeken, jy bent al var. zyn gilt. Manshart. Och! met wat herdenken kom je myn benauwtheid voor ’t hooft ftooten? Ei Vrouw, wilt de droef heid van myn hart toch niet meerder vergrooten; Ik haat jouw niet, excufeer de drift.... Elizabeth. Van gekheid, niet waar ? Manjh Art. Wel nou ik beken het, yder heeft zyn gekheid; en myn gevaar (men: En vrees maakt de myne, want myn hart is vol fchroo Och! ik vrees dat.de Droes op dit oogenblik zal weer komen. (wis, Ik bid blyf by me ,jy zult hem kunnen amuzeeren, dat’s Want men zegt dat hy gaerne met Vrouwvolk in gefprek is. Elizabeth, Maar, Man, hoe kunje zo gek wezen,en zo leggen te maaien ? ’t Zyn maar jou ouwe ftuipen, die my niet Men nou op te haaien. Jy hebt begomine, van ’t uur datje te bed bent gegaan, Zodanig leggen ronken, tot dat je weer op bent ge- daan, Dat ik geen oog hebt kunnen luiken, en noch heb ik niets vernoomen. Weg, weg,’t is maar een droom, die jouw flechts in ’t hooft is gekomen. » Manshart. Hoe! zou het maar een droom wezen? wat was ik ge lukkig, was dat waar. Maar door wat geval zou ik dan goud gemaakt hebben, dat dunkt me raar V Elizabeth. Door wat geval zeg je? wel heer! zyn dat dan zo wondere zaken V Heb Heb je niet altyd gehoopt dat vroeg of laat te zullen ma M A N s H A R T. (ken ? Ty hebt gelyk, Vrouw, het kan waarlyk wel een droom zyn geweeft, Die voor de waarheid is verfchecnen in myn ontroerde geeft. ZEVENDE TOONEEL. Manshart, Elizabeth, Katryn. Kl AR Y N ónder de tafel. Katryn. Slnjeur, ik zie jou Zoon noch Jochem niet, noch weet jou uit te leggen Waar ze beide vervaaren zyn. Manshart. Och, och! wat is dit te zeggen ? Dat verwondert me, boven maaten; zie daar zyn al myn fleutels, Katryn, Ik weet dat al myn kamers met dubbelde flooten verzekert zyn. Och, ik ben ’t fpoor byfter.ik verlies myn verltand en myn zinnen: Zou de Droes haar dan wel weggevoert hebben tot pand ter minnen V O Jochem! Jochem! Jochem van andere. Wat beliefde, Sinjeur? Manshart. Och, och, ik bedroog me niet! Waar ben je? waar word je opgehouden, dat men jouw niet en ziet? Jochem van ondere. Hier onder, Sinjeur. Elizaketh. Ja vvel, ik weet niet wat ik ’er van zal zeggen; Want de zaak ïchynt me ernftig te wezen, en niet licht te weerleggen. B 5 Kom Kom geef me de fleutels van de deur hier: nou luftig, zal ’t gaan, .Wat leg je te femmelen, ik durf hier niet langer meer Manshart. (ftaan. Ei, Vrouw, verlaat me niet. Elizabeth met Katryn weggaande. Neen , neen, dat hoefje niet te fchroomen, Ik loop maar om jouw hulp te zoeken, en zal aanftonds . weer komen. ACHTSTE T O O N E E L. Manshart, Klaryn, trachtende van onder •de tafel naer de trap te gaan. Manshart. [k loop ook heen... (Klaryn ziende} maar ach, wat zie ik onder de tafel, och, och! Nou i ben ik verlooren, dat zal zeker geen .droom zy* noch bedrog. Wie is daar? ( Klaryn wat ontfleft/ :• •...-• De Duivel. , Manshart. I •; : Och, och! waar zal ik me verfieeken. Klaryn -wat flouter. Zojy ’t minde geraas maakt zal ik jouw aanftonds den hals breeken. Ik had me wel kunnen veranderen in een beer, of weerwolf, of in een geeft, (beeft, Of in een tyger, jakhals, of in een noch leelyke r Maar om jouw minder te verfchrikken heb ik de gedaante van een menfch aangenomen. Jy bent verwondert my dus te zien, daar ik jouw van nacht in een fraayer gedaante ben voorgekomen; Toen was ik een .Rentmeefter van Landeryen, maar hebbende by geval een Lakaay ontmoed, Die zyn ambacht al moe was, dewelke,na my te hebi ben gegroed, VolVolmondig verklaarde, dat hy zich aan my wou overgeven , Zo ik hem aanftonds in ftaat Icon ftellen om protegaal te kunnen leven. Hier op gaf ik hem myn klederen, en ik fchoot de zyne aan ’t gat. Ik maakte hem tot een Rentmeefter van Landeryen.ea ik heb hem, dat jy ’t vat, Zodanig verandert, dat hy thans, hoe zeer hy de ne drigheid tracht aan ie wennen, De grootfte moeite des werelds heeft om zich zelveni te kennen. Mans H A Kt. Oóh, in wat gedaante jy ook te voorfchyn komt, a!s men evenwel weet, Dat jy de Droes bent, wie kan jouw aanzien, en niet fchrikken? ik zweet Van benauwtheid. Klaryn. Non, nou bedaar wat, en verban jouw vrezen i Ik kom je noch niet haaien, ’t zal maar over een maand Manshart. (wezen. Koe! örff ’een Boek te lezen, daar ik niet een fier van kon verdaan. Hebik me daarom aan jouw o-vergegeven ? Klaryn. > ’• Hoe zal’t hiergaün! Ben je niet voldaan, Vriend? -en ik heb jouw giftren niet doen bekomen,’ Daar je zo lang om gewanfcht hebt, en by nacht om fcwaamt te droomen P Manshart. Och, och! ik ben niet te trooften, ei live, hebt toch mededoogen met myn. ’-• : ’-.’ Kl-a-b-t-n. Meen je, barmhartigheid by de Drommel te vinden" dat kan niet zyn. [p. ] M A N S H A R T. En. myn Zoontje, myn waarde Zoontje! Klaryn. Die zul je voor eerft niet befchou wen. Want zo dra ik hem jouw weer geef, dan moogje vaf telyk vertrouwen, Dat ik jouw aanflonds, in zyn plaats, met me wegvoeren zal. Manshakt. . -.. . Och, och! zyn dan al myn poogingen en gebeden nieKan ik me dan niet redden ? (mendal ? Klaryn. .. Daar ’s maar een middel toe overgebleven. Beftaande hier in , dat je me iemand in jouw plaats zult Manshart. (geven. Myn Vrouw, neem die dan; zie daar ik geef ze jouw, kan ze beftaan, Met al myn hart over. Klaryn. Ha, ha! daar twyffel ik niet aanj Maar ik wil ze niet hebben. Zou ik Vrouwen neemen? hoe Vrouwen! Ik heb ’er zo veel f dat ik nauwelyks weet hoe ’er -méé te huishouwen. Die gift is d’ordinary fchenkafy van alle de Mannen in ’t generaal. De jouwe heb je me niet eens gegeven, maar duizent Dat ik ze niet hebben wou. (maal, Manshart. Ja wel, wie zal ikjouw dan geven ? Ik heb maar een Zoon en een Dochter, en twee van myn Neven. Klaryn. , ., ; (iets zyn. Dat je me noch jouw Dochter gaaft, dat zou noch zo Manshart. • . Ja maar... Kla Klaryn. Jy haat ze toch, en meugt ze niet lyen, ik weet het. Manshart. , Dat’s waar, Maar ’t is te hart i en ’t zou daar by my altyd knagen, Dat ik myn Dochter aan de Droes had opgedragen. Klaryn. Die Dochter, Amice, is geenzins jouw Dochter, o neen, De Droes weet alle dingen, ze zyn dan groot of kleen. Jouw Vrouw had een Vryer.... Manshart. Hoe! is de Dochter daar af gekomen ? Ik docht wel dat ’er iets aan fcheelde, doch wie zou dat droomen. Altyd zocht ik de reden van myn haat, maar ik vond ze niet, En deze zal dan de waarom wezen. Och, och, ik fterf van verdriet! Wel, nu Jacoba myn Dochter niet is, laat ik ze voor den Droes varen, Neem jy ze maar na je, ik fta het toe, ja toch, heel gaeren. Klaryn. Maar meen je dat Jacoba zoo maar voort gereed zal Haan V Manshart. Als ze te weten komt dat jy de Droes bent, dan zal ’t niet gaan, En dan noch minder, zo ze jouw voor een Knecht komt te aanfchouwen. Klaryn. Wel nou, ik zal me van gewaad verandren, dan is ’er geen kwaat vertrouwen. Manshart. Verander liever van wezen, want die jou gezicht maar beziet, Heeft Heeft llchtelyk te raaden of jy de Droes bent of niet. Klaryn. Ik moet dan om haar te blindoeken, en jouw te ver fchoonen, My onder de gedaante van haar Vryer vertoonen, Ik weet hoe hy gemaakt is, ik ken zyn wezen, kom, kom, M.anshabt. Och, om zulks niet te zien keer ik myn oogen om, En ik wenfchte, zo beeft myn hart, en zo groot is myn vrezen, Dat ik hier hondert mylen. en verder van daan mocht wezen. Terwyl Mansbart dit fpreekt, zinkt Klaryn -weg, en Hendrik komt aanftonds door ’t zelve gat op. NEGENDE TOONEEL. Manshart, Hendrik. • Hendrik. Waarom ? baart deze verandering in jouw zulk een nood? Manshart. Och, och, wat zie ik! wat is de macht van da Duivel •.. • groot! Ik geloof nauw myn oogen, het aanzicht, het weezen de kleêren, Xte ftera, ’t is alles Hendrik,dat wil ik waarachtig wel Hendrik. (zweeren. .Wel, meen je dat ik haar met dit weezen zal kunnen Manshart. (aanftaan ? Och ja, Heer Droes, daar twyffel ik in’t allerminflo . < niet aan. Hendrik. Laat ze dan komen. Mans n Art. Neen, eerft myn Zoontje, zie ik hou van geen liegen, Jy Jylui Duivels maakt geen confienfie van de lui te bedrie- gen, Wanneer je maar kunt, ik weet het. Hendrik. Neen, vrees niet, ik zweer. M A Ns H Art. . x Ei, geef me myn Zoontje, dat bid ik, en Jochem ook weer. Hendrik „ ’k Vrees dat de wyn, die ze zo gulzig hebben inga flagen, „ ’t Geheim zal verklikken, of d’aanflag geweldig vertragen , „ Schoon ik ze, om hen te doen zwygen, verzag van wat geld. M ANSHART. Je fchynt in gedachten te wezen; hoe is ’t met myn Zoontje gefteld? Ik vrees voor ongeval, och, och! kunje me dan niet vergenoegen ? Hendrik. Nou, weeft te vreden, ik zal me geheel na jo.iw wil voegen. • Hendrik. Gy, Geeften, die my hoort, en my zyt toevertrouwt, Geeft aanflonds wederom, die gy gevangen houd. TIENDE TOONEEL. Manshart, He Ndrik FRANsjEenJoc H E M dronken uit de trap opkomende. •- Manshart. Och, daar is myn waarde Fransje, de vreugd van leven! Kom hier dat ik jouw omhelzen, en duizent kusjes mag geven: En jy, myn goeje Jochem, zie ik jouw dan ook weer? Maar wat is dit te zeggen, zy zyn ftom, en hebben geen • - belul meer? " Hen-~j H E N D K I K. Dat doet de betovering, ze zullen in ’t kort wel beko„ Wat zyn ze dronken! (men. M Anshart. ’k Heb alles tot jou w verlofiïng ondernomen En joului met veel moeite uit zyn klauwen gered. JOCHEM. Dat was een zoete inval zo met een fprong en een zet. M ANSHART. Fransje lief, nou fpreek dan, wat wil je toch met dat Ken je me niet, Mannetje? (wenken ? Fr A Ns J E. Dag, Paay; doe noch een rys fchenken. Hen Drik. „ Ja wel, ik word razende van ongedult en verdriet, „ Ze zullen alles ontdekken, en dan is-myn aanflag te Tegen Mansbart. (niet. Kom, ik heb haalt, laat ons de zaak maar in cement leggen. Manshart. Wat zeg je, Mannetje, wat wil je dan daar mee zeggen? Fransje. Wat ik zeggen wil, maatje ? wyn, wyn zeg ik. Manshart. Hoe! wyn? Jochem. Och ja, ze fmaakt zo. Manshart. Wel ik geloof datze beide dronken zyn. Hendrik. ’t Is maar een gevolg van hun betovering. Fransje. Ja waarachtig Ik ben betovert. Jouw wyn, Broertje, is een wyn, en zo krachtig.... Vader moet ’er van proeven; kom, laat ons weer in de hel gaan. [p. ] Hendrik. „ Ach ik ben verlooren! Ei, Jochem, maakt dat hy zwygt. Jochem. Kom aan. Stil, Jongen, hou jouw bek toe, of ik zel’er wat aars in fteeken. Daar zwygt hy. Nob is ’t myn beurt om ook een rysje te Ipreeken. De wyn.... " . Hendrik. „ Wat zal deze nu zeggen, ja wel, hoe kan ’t zyn ? Jochem. Als men flechte wyn vind, dan zegt men, dat ’s duivelfche wyn. Manshart. Wel! Jochem. Dat ’s geloogen. De wyn van de Duivel is goed, ja zeker; Niet waar, Fransje ? Fransje. Ja waarachtig; kom, geef noch een beker, En laat Vader proeven; ook ? Manshart. Ja wel, ik word diiperaat; Och, och! zullen ze noch lang blyven in dien betoverden flaat? Hendrik. Ik zal ze, geef maar Jacoba, dan aanftonds intoo men, En haar beide herftellen; maar ik zie ze daar komen. ELFDE TOONEEL. Manshart, Elizabeth, Hendrik, Jacoba, Fransje, Jochem, Katryn. E L i z A B E T H stil tegen Jacoba. ioeg, bedeelt. Ik weet genoeg, ik zal jouw wel helpen, weeft niet. bedeelt. tegen Mansbart. Wel nou, jy had wel ongelyk dat je dus waard be vreeft, Jou Zoontje is weer gevonden; maar wat zie ik, zyn ’t droomen? Is Hendrik hier, Man ? welke reden doen hem hier komen? Manshart. Ik geef hem myn Dochter Vrouw. Ja, Jacoba, ik fta dan toe, Dat je Hendriks vrouw werd, ik ben dat weigren il moe. Je hebt ’er niet tegen? j. Jacoba. Och neen, Papa, ik zal trachten U fteeds te voldoen, noch uw bevel nooit verachten. .elizabeth. Kom, Hendrik, brengt ze maar tot jouwent,ik vrees voor berouw; Hy is veranderlyk van zinnen. , .manshart. Neen, vrees dat niet Vrouw, Ik fta toe dat hy ze mee neemt, ja zeker, heel gaeren. Hendrik. Tot weerziens dan, myn Heer. Manshart. Ei lieve,jy moogt de moeite wel fpaar«n. TWAALFDE T O O N E E L. Manshart, Elizabeth, Franjsje, Jochem, Katryn. Elizabeth. Kom, laat ons vrolyk wezen, ik ben dat bang kyken al moe. Manshart. Ja zeker,jy hebt ’er waarachtig een fchoone reden toe. Aan wien meenje, dat jy jouw lieve Dochter dan hebt gefchonken, Dat fchoone Juweel, daar jy me op zyn Akteons mee deed pronken? 1 Elizabeeth. * Dat ’s een mooije vraag! wel aan Hendrik. Manshart. Je bent’er heel vrolyk over, niet waar ? Elizabeth. Ja zeker. Manshart. Jy meent dan dat het Hendrik was, doe je ? Elizabeth. Dat ’s raar! Wis is het Hendrik, altoos hy geleek hem zeer net van aanzicht en kleêren; En wie zou het dan zyn ? Manshaut. Wie? wel de Duivel, dat wil ik jou zweeren, Die my den hals had gebrooken, had ik hem dat fchoon prefent niet gedaan. Eliza Beth. Ha, ha, ik moet ’er om lachchen, wat kom je niet uit jouw hooft al te flaan. Dat ik jouw niet kon, Man , of niet voor lang jouw ftuipen had geweeten, ’k Zouzekerlyk meenen, dat je van een kwageeft waard bezeeten. [p ] L A AT SLAATSTE TOONE EL. Manshart, Elizabeth, Fransje, Klaryn, Jochbm, Katryn, Dans Sers en Zangstek. Klaryn. Plaats, plaats,-hier heb je een muziek, dat de Duivel geleid. Manshart. Maar wat zal dit te zeggen wezen, waar toe al die om- Handigheid? Zangs.ter. Gy waant Japoba aan de Droes te geven, Die baar nu vind, daar niets baar liefde fleurt; Haar Minnaars bar t deed gy fleedt booploos leven: Maar by wijl beft uw zorg voorby te flrevent Elk een of zyn beurt. Om dan uw Kind als zyne Bruid te flreehn, Speelt by voor Droes, en lacbt, terwyl gy treurt; En morgen zal ze, om in zyn min te deelen, Mijfcbien tot loon voor Duivelinne Jpeelen, Elk een op zyn beurt. Manshart. Wel wat duivel wil dit zeggen? hou op zeg ik van meer te zingen, En verklaart my aanftonds wat jy meent met die dingen. Elizabeth. Wat verklaaring wil je meer hebben, Man, als je reeds hoort ? Jy bent voor de gek gehouden. Manshart. Wel dan flaat hem de magre moord! Hoe fcheim, heb je my "dan alhier zo wat voor de gele gehouwen? K L AIk , myn Heer ? och neen , dat meug je wel op myn woord vertrouwen. Ik heb jouw zo uit kortswyl maar wat wys ge maakt, en Nou kom ik jouw zeggen dat ik de Duivel «iet ben. M A Ns H Art. Wie ben je dan, verraden? Klaryn. Wie ? men heeft rny/ altyd Klaryn geheaten> En myn Meefter is Hendrik , als jy alles, zo nauwkeurig wilt weeten: En alzoo ik verftond dat je de Lapis , die zo veel gek gen hun gout En fchatten heeft doen Ipillen , zo on-vraraettelyk vin den woud, Heb ik jouw luft daar op willen voldoen, om jouw dwaasheid te verfterfcen ; En ’t geen al jouw Alchimifte geheimen niet konden bewerken , Is door myn toedoen, en dat van jouw Zoontje ge fchiet ; Ik heb hem een baartje gout gegeven ; niet waar Fransje ? Fransje. Weet ik’et niet? Manshart, Wel nou? Fransje. Wel nou? ik heb het in ’t Kroesie gedaan, Vader. Manshart. Hoe , fchelm , ben jy het die. . . . Fransjb. Zacht , mannetje , word toch niet quader. Mans.h. Abt. Hoe kan ik gelooven . .- [p. ] Fransje. Ja, geloof het vry.’t is geen leugen noch Ichyn. JOCHEM. Het Kind heeft werentig gelyk, de waarheid-in de wyn. Manshart. Ach, ik verlies myn gedult! felderement! jy alle meugt vreezen... Maar ik heb waarlyk ongelyk om daar over zo toornig te wezen. Niemand heeft ooit zo veel fchrik gehad, en wyl ik nu alles weet, Vergeef ik het jouw al te zamen, en ik zweer, my met het zekreec Der Lapis nooit te bemoeijen, noch van Alchimifteryen te droomen: Maar vertel me toch eens, hoe je lui in huis bent gekomen. Klaryn. Dat zullen wy doen als wyaan tafel zyn, onder ’t drinken van een roes: Laat ons nu verder het muziek hooren van de gewaaude Droes. Als Klaryn dit gezegt leeft, -werd’er aanjïonds gedanft. Zangster. Wie beeft ooit gevonden Een jeugdig bar t, Dat Jïeeds fcbroomt de wonden Der liefde uit fmart? tyLen zoekt vergeefs te wederflreven Een neiging, door de min gegeven; Een drift die onze zinnen jireelt. Het is gering, dat in ons leven Di min om eens baar gunften deelt. Wit Wie beeft ooit gevonden Een jeugdig hart, Dat fleeds fcbroomt de wonde» Der liefde uit f m ar t. Wie ook beproeven wil de zoetigheid der vruchten, Die ons de liefde plukken doet. Moet zich geenzins ontzien te zuchten, Om eens te verkrygen dat zoet, Wie beeft ooit gevonden Een jeugdig hart, Dat fteeds fcbroomt de -wonden Der liefde uit f m af t? Na dit Gezang werd’er weder gedanft. Zangster. Wat is een Bruid van groot vermogen Voor eenen dag? dlles bekoort en flreelt onze ooge»; ’t h liefde, gejuig en gelach. Maar ’s morgens is ’t niet zo gelegen; Want, na eenen nacht, Werd zelden geacht • , Het voorwerp, door de trouw verkregen, ’t Zonnelicht fluit Het zoet der Bruid; De drift is uit, Na zonnefchyn volgt regen.
            Na dit Gezang werd’er nog eens gedanst.
                                                EINDE.

Continue