Pieter Bernagie: Paris en Helena. 1685.
Uitgegeven door drs. G.C. van Uitert
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton00809Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue

[p. 1]

PARIS

EN

HELENE.

TREURSPÉL.

[Vignet: handen uit wolken als kuifelaars, Latet Quoque Utilitas]

T’ AMSTERDAM,
By ALBERT MAGNUS, op den Nieuwendyk,
in den Atlas, by den Dam. 1685.

Met Privilegie.



[p. 2: blanco]
[p. 3]

COPIE,

Van de

PRIVILEGIE.


DE Staten van Hollandt ende Westvrieslandt doen te weten. Also Ons vertoont is by de tegenwoordige Regenten van de Schouwburgh tot Amsterdam. Dat sy Supplianten sedert eenige Jaren herwaerts met hunne goede vrinden hadden gemaeckt en ten Toonele gevoert verscheiden Wercken, soo van Treurspelen, Bleyspeelen als Kluchten, welcke sy lieden nu geerne met den druck gemeen wilden maecken, doch gemerkt dat dese wercken door het nadrucken van anderen, veel van haer luyster, soo in Tael als Spelkonst souden komen te verliesen, en alsoo sy Supplianten hen berooft souden sien van hun bysonder ooghwit om de Nederduytsche Tael en de Dichtkonst voort te setten soo vonden sy hen genoodsaekt, om daar inne te voorsien, ende hen te keeren tot Ons, onderdanigh versoeckende, dat Wy omme redenen voorsz. de Supplianten geliefden te verlenen Octroy ofte Privilegie, omme al hunne wercken reets gemaeckt ende noch in ’t licht te brengen, den tyt van vyftien Jaren alleen te mogen drucken en verkopen of doen drucken en verkopen, met verbot van alle anderen op seeckere hooge peene daar toe by Ons te stellen ende voorts in communi forma. Soo is ’t dat Wy de Zake en ’t versoek voorsz. overgemerkt hebbende, ende genegen wesende ter bede van de Supplianten, uyt Onse rechte wetenschap, Souveraine magt ende authoriteyt de selve supplianten geconsenteert, geaccordeert ende geoctroyeert hebben, consenteren, accorderen ende octroyeren mitsdesen, dat sy geduurende den tyt van vyftien eerst achter een volgende Jaren de voorsz. werken die reeds gedrukt zyn, ende die van tyt tot tyt door haer gemaekt ende in ’t ligt gebragt sullen werden, binnen den voorsz. Onsen Lande alleen sullen mogen drukken, doen drukken, uytgeven en verkopen. Verbiedende daarom allen ende eenen ygelyken de selve werken naar te drukken ofte elders naer gedrukt binnen den selve Onse Lande te brengen, uyt te geven ofte te verkopen, op de verbeurte van alle de naargedrukte, ingebragte ofte verkogte exemplaren, ende een boete van drie hondert guldens daer en boven te verbeuren, te appliceren een derde part voor den Officier die de calange doen sal, een derde-part voor de Armen der Plaetse daar het casus voorvallen sal, ende het resterende derde-part voor den Supplianten. Alles in dien verstaande, dat wy de Supplianten met desen Onsen Octroye alleen willende gratifieeren tot verhoedinge van hare schade door het nadrukken van de voorsz. werken, daar door in geenige deelen verstaen, den inhoude van dien te Authoriseren ofte te advoueren, ende veel min de selve onder Onse protectie ende bescherminge, eenig meerder credit aansien ofte reputatie te geven, ne- [p. 4] maer de Supplianten in cas daar in yets onbehoorlykx soude mogen influeren, alle het selve tot haren laste sullen gehouden wesen te verantwoorden; tot dien eynde wel expresselyk begeerende, dat by aldien sy desen Onsen Octroye voor de selve Werken sullen willen stellen, daer van geene geabbrevieerde ofte gecontraheerde mentie sullen mogen maken, nemaer gehouden sullen weesen het selve Octroy in ’t geheel ende sonder eenige Omissie daar voor te drukken ofte te doen drukken, ende dat sy gehouden sullen zyn een exemplaer van alle de voorsz. werken, gebonden ende wel geconditioneert te brengen in de Bibliotheecq van Onse Universiteyt tot Leyden, ende daar van behoorlyk te doen blyken. Alles op peene van het effect van dien te verliesen. Ende ten eynde de Supplianten desen Onsen consente en Octroye mogen genieten als naer behooren: Lasten wy allen ende eenen ygelyken die ’t aengaen mach, dat sy de Supplianten van den inhoude van desen doen, laten en gedogen, rustelyk en volkomentlyk genieten, en cesserende alle beletten ter contrarie. Gedaen in den Hage onder Onsen groten Zegele hier aen doen hangen den XIX Septembr. In ’t Jaer onses Heeren en Zaligmakers duysent ses hondert vier en tachtig.

                                                            G. FAGEL.

                                            Ter Ordonnantie van de Staten
                                                SIMON van BEAUMONT.

    De tegenwoordige REGENTEN van de SCHOUWBURG, hebben het Recht van de bovenstaande Privilegie, voor dit Treurspél, vergunt aan ALBERT MAGNUS, Boekverkoper tot Amsterdam.

                                            In Amsterdam den 24. February 1685.



[p. 5]

VOORREDE.

Eenige jaaren herwaards hoortmen, als een gemeene klagte, tegen de Schouwburg, en Dichters, dat niet, dan verwarmde huspot, Spellen uit het Fransch vertaald, ten Tooneele werden gevoerd. Veele schreeuwen, om eigene vindingen, maar weinige bedenken, dat de zelve, die zo roepen, oorzaak zyn; dat by na geene eigene vindingen van onze landsgenooten het licht zien. De geest der aankomelingen werd afgeschrikt, en uitgebluscht; als men voor vodden scheld alle Spéllen, dewelke niet bestaan, by de besten stukken, der voortreffelykste Fransche Meesters.
Het is een gemeen zeggen;
                Qui nunquam male, nunquam benè.
                Noit kwaalik, noit wel.
    Het behoorde genoeg te zyn als hunne eerste Spellen de gemeene Fransche konden op haalen; zy zyn pryzens waardig, indien hunne beginselen hoop geeven, dat zy van trap, tot trap opkimmende; eindeling zullen naderen de volmaaktheid, die met zulke helderen glans in die groote Meesters uit blinkt.
    Ik kan my geensins beklaagen, over de uitslag van dit Treurspél; niet tegenstaande de drift van sommige zo verre ging, dat zy veroordeelde het geene alle de Waereld, ten minste de verstandige moeten goed keuren. Het zy verre, dat ik ntkenne, veele uit de brieven van den grooten Ovidius ontleendt te hebben. Ik sta hen dit toe, ja durf daar op noch roemen. Wie berispt het licht onzer eeuwe, de hooggeschoeide Corneille, als hy in zyn Medéa, Edipus, enz. veele redenen uit Euripides, Sophocles en Seneca gebruykt; in de dood van Pompejus heeft hy, na zyne eigene getuygenisze, honderden vaerzen uit Lucanus vertaaldt. Wie beschuldigt de eer van het Fransche Tooneel, de vermaarde Racine, dat hy in zyne Andromache, Ifigenie, Thebaïs, Phedra en Hip- [p. 6] politus, enz. zich bediendt, van het geene Euripides, Eschylus, en Seneca, op het Grieksch, en Roomsch Tooneel leiten hooren?
    Ik zoude dit met stilzwygen verby gaan, doch acht noodig alle aankomelingen hier door aan te maanen, dat zy zich, door zulke onkundigen niet laaten afschrikken. Ik hebbe omtrent vyftig regelen uit de bief van Meneläus aan Helene, door de Heer Hoofd geschreeven, in dit Treurspél over gebragt. Dit dacht hen voor al onbehoorlik. Zy riepen; dievery! enz. maar die menschen weeten niet, of schynen ten minsten niet te weeten, dat de ouheid de Vaerzen, en inzonderheid het Rym invoerde, om een zaak, niet net gedacht, en wel begreepen is, sierlik te zeggen; op dat het te gemakliker in ’t geheuge blyve. Zo dat, die een zaak, door een verheeven Dichter wel berymdt, en in goede vaerzen gesteldt, nochmaals in Rym brent, geen dienst aan het gemeen doed. Ik vond de zaak die ik een Personagie in de mond wilde geeven, by de hoogdraavende Drossaard; zou het niet een groote verwaandheid zyn, ’t zelve te verrymen? te meer, dewyl de vaerzen van dat hoofd der Dichteren* alle anderen zo verre overtreffen, als het edelste der Metaalen, het schynschoone Klaatergoud te boven gaat. Ik heb die regelen dan ontleendt, geensins gestoolen. Het staat my vry, om dat die brief geen Tooneelstuk is.
    Andere belgen zich, dat Paris en Helene, niet tegenstaande hunn’ overspel, ongestraft blyven. Zy meenen; de deugd behoord n een Spél altyd vergelding, en het kwaad altyd straffe te ontfangen. Ik vinde wel, dat zulks in veele Tooneelstukken geschied, maar nergens, dat dit noodsaakelik moet volgen. Corneille zegt uitdrukkelik, dit geen regel van de konst te zyn. De vreeze, die zy hebben, dat de menschen niet de deugd, voor de ondeugd, en de ondeugd voor de deugd neemen, is ydel, en grypt maar alleen plaats, by zulke, die de deugd zo sierlik en de ondeugd zo gruuwelik niet konnen schilderen; dat [p. 7] deeze, ook in volle voorspoed, afschriklik, geene, zelfs in ’t midden der zwaarste rampen, beminlik blyft. De meeste Spéllen van de wyze oudheid eindigen op deeze wyze. Britannicus, Bajaset, Piramus en Thisbe, enz. betuygen klaar, wat Racine, Pradon, en anderen hier van gevoelen. Ook konden de menschen zich niet inbeelden, dat Paris ongestraft bleef. Enone errinnert hem de schrikkelyke voorzegginge van Cassandra; de ondergang van Troje is genoeg bekend; dit Treurspél werd vertoondt op een Tooneel, daar de Ifigenien, de Andromaches, de Agamemnons, en de Didoos doen hooren, wat straffen de Trojaanen, om deeze schaaking leeden.
[...]
In het tegendeel is ’er niet onrecht- [p. 8] vaerdiger, als een onkundige. Hy gelooft dat de verwonderinge een eigenschap is van luiden, die niets weete; hy veroordeeld een gheel stuk, om één Tooneel; ’t welke hy niet voor goed keurd. enz.

        Homine imperito nunquam quidquam injustius.

____________________________________________

VERTOONERS.

HELENE, Gemalinne van Meneläus Koning in Sparte.
PARIS, Zoon van Priamus Koning van Troje.
ENONE, Een Phrygiaansche Prinses.
DEÏPHOBUS, Broeder van Paris.
ENËAS, Vertrouwling van Deïphobus.
ETHRA, Voedster van Helene.
CRËUSA, Vertrouwde van Enone.
            HOFSTOET.
ANTENOR, Vertrouwde van Deïphobus.

Het Tooneel is ’t Paleis van Enone, op Ida,
by de Stad Antandros.
Continue
[
p. 9]

PARIS en HELENE,

TREURSPÉL.
______________________

EERSTE BEDRYF,

EERSTE TOONEEL.

ENONE, CRëUSA.

CRëUSA.
GY hebt geen zekerheid Prinsés. Wil u niet stooren....
ENONE.
Crëusa, zwyg; ik wil niet van myne onschuld hooren.
’k Heb van Deïphobus myn ongeval verstaan.
Hy is na Grieken niet, om zyne Moei gegaan.
(5) De snoode Paris heeft my schandelik bedroogen.
Zyne eeden, en zyn min zyn, met de wind vervloogen.
Hy lief koost een Griekin, hy heet haar meêgebagt.
Ach! wie had dit verraad van Priams zoon verwacht?
CRëUSA.
Mevrouw, dan zou hy niet op Ida wederkeeren.
ENONE.
(10) Hy komt Enone noch in ’t aangezigt trotseeren.
Ik weet de gansche zaak; ik ken myn’ vyandin.
Vorst Meneläus vrouw, die trotse Koningin
Heet hy by nacht geschaakt, en op zyn vloot genomen.
Zy zyn op Ida reeds te saamen aangekomen;
[p. 10]
(15) Zy zullen aanstonds hier verschynen. Hoe kan ik
Die gruwlen denken, dan met doodelyke schrik?
Met wat voor oogen, dat onzaalig paar aanschouwen?
Gewis, deeze aarde zal zich, onder my opspouwen.
Ik zal verzinken, van beschaamdheid, en van spyt.
(20) Kond gy, in uw gezigt, zo gy rechtvaerdig zyt,
Onsterfelyke Goôn, die gruwelen verdragen!
Ach was ’t vervloekte schip toch in de grond geslagen,
En de overspeelders in de diepste zee gesmoordt!
Dan had ik nooit van zyne ontrouwighed gehoord!
(25) ’k Mogt, o de minste storm, wel sidderen, en beeven;
Dat die trouwlooze niet wierd op een klip gedreeven;
Met schip, en volk telyk verslonden van de zee.
Nooit waaide een wind, die hem kon brengen op de ree;
Of ik ben datelik van blydschap opgetoogen,
(30) Zelf na de hoogtens, en tot aan de strand gevloogen.
Hoe menigwerf heb ik gestaroogt van een klip,
Zo ver ’t verliefd’ gezicht kon reiken? ’k zag geen schip
Ons nadren, of ik schold van ver, de beste winden
Te traag; wyl ik daar in myn Minnaar dacht te vinden.
(35) Hoe menigwerf heb ik met een beklemd gemoed,
De Goôn gesmeekt, en hunne Altaar besprengdt, met bloed
Van de Offerhanden, die ik dageliks liet slachten,
Ontrouwe, op dat zy u behouden weder bragten?
Zy brengen u weêrom op Ida. Maar helaas!
(40) Niet voor Enone! wat zyn onze wenschen dwaas?
Myn’ wenschen hebben dien myneedigen behouwen;
Op dat hy namaals zou eene overspeelster trouwen!
Ik heb geofferd, en myn vyandin geniet
De vrucht van myn gebeên, en offer! wat verdriet!
(45) Ik kan met recht my van den hemel niet beklaagen;
Maar ’k moet noch zelf de schuld van myne rampen draagen.
Door myn gebeden heeft Neptunus hem gepaart,
En om zo veel gevaa op zee dien schapm bewaart.
[p. 11]
Wat harten leet! ik moet de Goden dank bewyzen,
(50) Dat zy ’t vervloekte paar voorspoedig lieten ryzen.
Wel Paris acht gy dan zo weinig eer, en woord?
’t Gebergt, ’t geboomt, a de aard, en de hemel heeft gehoord
Uw eeden, en zal uw myneedigheid verklaaren.
Gy zwoert; de Xanthus zou weêrom ter rugge vaaren,
(55) Als Paris my begaf, zo lang hy adem heeft.
Vlie Xanthus, vlie te rug! wy hebben dit beleeft,
Getuyg; dat Paris zyn Enone, en al zyne eeden....
CRëUSA.
Ik zie Deïphobus, met Paris herwaarts treeden.


TWEDE TOONEEL.

ENONE, PARIS, DEÏPHOBUS, CRëUSA, ENëAS, ANTENOR, Hofstoet.

ENONE.
Had gy Enone noch bemind, gelyk wel eer,
(60) Ik had u reeds op strand verwellekomt myn heer.
En schoon een vreemdeling my heeft uw hart ontnomen,
Ik zal u evenwel noch zeggen; welgekomen!
Of heerscht de nieuwe min, zo op uw laf gemoed,
Dat gy zoud weigeren, te ontfangen myne groet?
PARIS.
(65) Wat vreemdeling Mevrouw?
ENONE.
                                        Ay Paris wil niet veinzen!
’k Ben onderrecht van al uw handel, en gepeinzen,
Het veinzen heelt somtyds, maar als het werd gesmaakt,
Hoe dat men beter veinst, hoe ’t meer bedenkens maakt.
[p. 12]
Ik weet de reden, die u dee na Grieken trekken,
(70) Schoon gy ’t uw volk verbood, of lyfstaf, my te ontdekken.
’k Weet, dat gy een Griekin, met u, na Troje brenget,
Gy mindt haar, zy geeft zich aan uwe vlam gezengt.
Uw hart, aan my vepandt zo lang zy zouden leeven,
Hebt gy my weêr ontrukt, en aan Heleen gegeeven.
(75) Ik hoor dat zy de plaats in uwe legerkoets
Bekleed, die my behoord; op welke ik zo veel zots
Weleer, helaas weleer! heb in uw’ arm genooten.
Is ’t mogelik, dat gy enone kond verstooten?
En vindt men een gedacht, zo achtloos zonder end;
(80) Dat zulke zaaken zich niet diper in en prent?
ô Jammer! kan het zyn, dat gy my hebt versmeeten?
Zo veel’ beloften, en gemeenzaamheids vergeeten!
PARIS.
Prinsés gy dwaaldt.
ENONE.
                                Ach! of de Goden wilden, dat
Ik was misleidt, en gy met logenen bekladt!
(85) Met welk een’ groote vreugd, zou ik myn dwaaling hooren!
’k Wensch u onschuldig; maar die wenschen zyn verlooren.
Myn medeminnarés heeft my uw hat ontrooft!
Zy zeegepraadt van my! dit hebt gy niet beloofdt
Toen gy vertrokt. Gy zwoerdt, my eeuwig trouw te blyven.
(90) Wat rouwe zag men ons in ’t scheiden niet bedryven?
’k Zag met myn droeve, en nat bekreetene oogen, u
Zelfs traanen storten. Of, hebt gy de traanen nu
Ook leeren veinzen? gy kondt naauweliks my zeggen,
Vaarwel! zo scheen de druk u op het hart te leggen.
(95) Gy kond u aauw van myne omhelzingen ontslaan,
Gy zyt de laatste van al de uwe scheep gegaan.
[p. 13]
Ik had niet moeds genoeg het overige aan te schouwen,
Maar zeig bewzymt van druk, in de armen van myn’ vrouwen.
Uw scheepen onderwyl verzeilen van de ree,
(100) En, eer ik weêr bekom, zyn zy in volle zee.
’k Riep, Paris! maar vergeefsch. ’k Volg met myn oog uw’ vaanen,
Zo ver my mooglik was te zien, door myne traanen,
Die van myn aangezigt neêr rollen in het zand.
Myn’ zuchten volgen u. ’k Verlaat de droeve strand,
(105) Ga na den Tempel, om Neptunus Tolk te vinden.
’k Smeek Eolus, dat hy u geeve goede winden.
Maar ach! hoe weinig wist gy toen Enone, dat
Gy zelf, om uw verderf de Goôn zo vuurig badt;
En dat de winden, die toen uw’ gebeên verzochten,
(110) By uw’ meêminnarés zyn kielen spoedig brogten!
’t Zou my niet smarten, wist ik de oorzaak van uw’ haat.
Waar meê verdiende ik ooit, dat gy my zo verlaat?
Wat reden heb ik u daar immer toe gegeeven?
Is uwe Enone niet, u altyd trouw gebleeven?
(115) In onze kindschheid zyn wy samen opgevoedt.
De oprechte liefde vast gedrukt in ’t week gemoed,
Wiesch met de jaaren. Als mye oogen u niet zagen,
Kon geen vermaak, noch geen gezelschap my behaagen.
Ja Paris, ’k heb, om u, zelfs Koningen versmaadt.
(120) Om u, die noch niet waard bekend voor Priams zaad.
Hoe dikmaals hebben wy, in schaduwe der boomen,
Langs Xanthus klaare vloed een’ wandeling genomen?
Hoe dikmaals hebben wy gezamentlik de Goôn
Onze offergiften, op deez’ heuvlen, aangeboôn?
(125) Hoe dikmaals hebt gy my uw harts geheim beleeden?
Hoe meenigwerf uw trouw aan my beloofdt, met eeden?
[p. 14]
Denk om die kindscheid, denk om ’t aangenaam vermaak
Wel eer genooten! had gy ooit oprechte smaak
In myne omhelzingen, heb ik u ooit verbonden,
(130) Zo gy iet minlyks in Enone hebt gevonden,
Verlaat my niet! het zal vorst Priams zoon tot schand
Niet strekken, dat hy aan Enone reik’ zyn’ hand.
PARIS.
Aanminnige Prinsés, staak deeze droeve klagten.
Ay! wild zo snoode daad van Paris nooit verwachten.
(135) Ik ken de vorsten, daar gy uit gesprooten zyt,
Uw’ deugden, en ’t vermaak van onze jong tyd.
Ik hoor, met groote vruegd, dat uw genegenheden
Tot my, door ’t afzyn, geen veranderingen leeden.
Enone mag zich ook verzeekeren, dat ik
(140) Zo vuurig haar bemin, dat zy geen oogenblik,
Uit myn gedachten was. Mevrouw gy moogt gelooven
Dat ik my liever van het leven zoun berooven,
Dan u verraaden. Dat ik met my een Griekin
In Asie overbreng, onstel u daar niet in.
ENONE.
(145) Het is dan waarheid?
PARIS.
                                          Ja. Maar nooit heb ik beslooten
Heleen te minnen. ’k Wierd gezonden met myne vlooten
Na Grieken, om myn’ Moei Hesione, die zy
Gevangen houden, weêr te vordren. Toen zy my
Haar weigerden; heb ik des nachts. doch niet uit minne,
(150) Aan Meneläus ook ontvoerdt zyn’ Koninginne.
Om door die weg den Griek te dwingen, tot ’t ontslaan
Van myne Moeyje.
ENONE.
                              Mag ik hier op zeker gaan?
[p. 15]
PARIS.
Enone, twyfeldt gy? heb ik u ooit bedroogen?
ENONE.
Vergeef my Paris, dat ik gaf geloof de loogen.
(155) ’t Wierd my gezegt; de min is licht geloovig Kom,
Laat ons, met offerhand’, dankzeggen ’t Godendom.
PARIS.
Mevrouw, ’k bid, dat gy een verblyf plaats doed bereiden,
Voor myn gevangene, terwyl wy hier verbeiden.
Zy is een Koningin, uit Goddelik geslagt.
(160) Ik wensch, dat ons onthaal, haar ongeluk verzacht.
ENONE.
Geen goet onthaal zal haar in deeze plaatze ontbreeken.
Zo ras zy ’t my vergond, zal ik haar zelve spreeken.
Vervaardig dat vertrek Crêusa, voor Mevrouw.
Onthaal haar na haar’ staat; verminder haare rouw.
CRëUSA.
(165) Wy zullen uw bevél, met alle vlyt verrichten;
En, zo veel mooglik is, haar treurighed verlichten.


DERDE TOONEEL.

ENONE, PARIS, DEÏPHOBUS, ENEAS, ANTENOR. Hofstoet.

PARIS.
Enëas!
ENEAS.
              Prins?
PARIS.*
                        Gelei de Grieksche Koningin.
Crëusa zorgt voor een verblyf. Laat haar daar in,
In volle vryheid.



[p. 16]

VIERDE TOONEEL.

ENONE, PARIS, DEÏPHOBUS, ANTENOR. Hofstoet.

ENONE.
                Wildt gy noch iets meer gebieden
(170) Myn Prins, beveel; uw wil zal daatelik geschieden.
paris Uw’ groote heuscheid heeft my teenemaal voldaam.
’k Zal u geleiden tot den Tempel. Wyl gy aan
De Goden offerd, zal ik ’t zeevolk myne schepen,
Ontreddert door de storm, doen op het drooge sleepen.
Tegen Deïphobus.
(175) Verwacht my hier.


VYFDE TOONEEL.

DEÏPHOBUS, ANTENOR.

ANTENOR.
                                        Gy staat zo wel, als ik versteldt.
Wie of Enone die geheimeniszen meldt?
Wy zyn noch naauweliks op ’t vaste land getreeden;
En zy heeft kennis van de minste omstandigheden.
DEÏPHOBUS.
Neen, ik verwonder my geensins Antenor. ’t Weet,
(180) Wie Paris Grieksche reis Enone heeft ontleedt.
ANTENOR.
Wie?
DEÏPHOBUS.
        Ik.
ANTENOR.
            Deïphobus?
[p. 17]
DEÏPHOBUS.
                              ô Ja. ’k Zal u verklaaren
Myn reden, om ’t geheim Enone te openbaaren.
’t Was tegen Paris wil, dat hy op Ida wierd
Aan land gezet; maar ik had zo dit werk bestierd.
(185) Ik kocht de schippers om, dat zy ’t zo zouden maaken,
En wenden, dat wy toch op Ida mogten raaken.
De God der winden was my gonstig. Deeze nacht
Ontstak, gelyk als gy gehoordt hebt, onverwacht
Een harde storm, die ’t schip dreigde op een klip te pletten.
(190) Helene roept verbaast; met zou na land toe zetten,
Doch ’t was onmoglik, door het duystere, en holle zee,
Het weêr bedaard. Men zet het voor Antandros ree.
De schipper omgekocht, veinst zelve niet te weeten,
Voor welk een’ wal dat hy het anker had gesmeeten.
(195) Zo ras de dageraad begon, en wy de stand
Dicht voor ons zagen, wou Helene naar het land.
Ik zette naauweliks op deeze wasl myn’ voeten,
Of zend myn dienaar, om Enone te begroeten;
Die haar verhaald de min van Paris, en Heleen;
(200) Dat hy te schelms verbreekt zyn trouw, belooft voorheen.
Hy raad haar, hem zyn’ plicht, en eeden voor te houden;
Te porren, dat zy nu hunne echt voltrekken zouden.
Zy zend op dat bericht een boode aan Paris, om
Hem weêr in Asie te heeten wellekom;
(205) Te bidden, dat hy haar in deeze zaal wil spreeken,
Op hoop, dat de doude vlam weêr voor den dag zou breeken,
By Paris heb ik ’t werk zo ver gebragt, dat hy,
Met haar gesprooken heeft, hunn’ reden hoorden wy.
ANTENOR.
Maar wat ligt u aan haar, of deeze zaak geleegen?
(210) Gy waard voorheene nooit Enone zo geneegen.
[p. 18]
DEÏPHOBUS.
Ik kan my lange niet voor u verbergen. ’k Min
Antenor.
ANTENOR.
              Kan het zyn?
DEÏPHOBUS.
                                  De Grieksche Koningin.
ANTENOR.
Helene?
DEÏPHOBUS.
            Ja. Ik heb, uit haar betoovrende oogen,
Met groote teugen, dit gevaarlig gift gezoogen.
(215) Myn hart, dat zich altyd zo moedig hieldt, zo fier,
Verteert nu door de gloed van een verhoole vier.
Myn zo stantvaste ziel, die nimmer was te winnen,
Leerd door de schooneid van een Grieksche vrouw beminnen.
ANTENOR.
Wanneer heeft u de Min in zyn geweld gebragt,
(220) Gy hebt altyd de krecht van deeze God veragt.
Die liefde is oonlangs eerst geboren; ’k heb nooit teeken
Van uwe drift bespeurdt; nooit is my iets gebleeken,
Dat zelfs vermoeden gaf. Gewisselik uw’ min
Moet weinig zyn, nu gy die steldt na uwe zin.
DEÏPHOBUS.
(225) Gy oordeeldt kwaalik. Maar ik heb myn min, met zorgen,
Met groote omzigtighed voor ieders oog verborgen;
’k Heb nooit door myn bedryf, door spraak, of oogen aan
Helene zelf de gond myns harten doen verstaan,
Zy weet myn’ liefde niet, schoon ik haar minlikheden,
(230) Van dat ik de eerstemaal die zag, heb aangebeden.
Hoe meenigwerf heb ik myne oogen van hun af
Gewend als Paris haar, en zy hem kusjes gaf?
[p. 19]
Hoe meenigwerf heb ik getracht, u zelfs te ontvluchten,
Om in myne eenzaamheid myn’ lang verkropte zuchten
(235) Te lossen? ’k Dacht somwyl, te smooren myne vlam,
Door sterke wyn. Maar ’k zag, dat zy te hooger kwam,
En dat de zoete wyn, die ons verlost van zorgen,
De min tot voedsel strekt.
ANTENOR.
                                        Indien uw hart verborgen
Blyft aan Heleen, wat nut, wat voordeel kond gy van
(240) Uw liefde hoopen? en schoon gy ’t ontdekt, hoe kan
Zy u met wedermin beloonen? ze is verbonden
Aan Paris, haare trouw heeft zy, om hem geschonden.
Ja, Venus zelf heeft hem Helene toegezeidt,
En tot in Sparte met een goede wind geleid.
DEÏPHOBUS.
(245) Myn vrind gelooft gy, dat hem Venus is verscheenen?
Ik acht u veel te kloek, om dit in ernst te meenen.
Des Hemels Koningin, en Pallas, heeft het schyn?
De kuysche Pallas, zou hem naakt verscheenen zyn.
In zo veel Goden kon niet één het vonnis vellen,
(250) Antenor, maar men most die aan een Paris stellen.
Dit zyn verzieringen voor de onervaarne man,
Aan wie men licht een droom voor waar vertellen kan.
Dit heeft myn Broeder zu verdicht, om ’t vrouwe schaaken,
Met schyn van reden, voor de waerle goed te maaken.
ANTENOR.
(255) ’t Zy Paris dit verdicht, ’t zy dat hy waarheid spreekt;
Ik kan niet merken, dat uw voordeel daar in steekt.
Helene mindt hem.
DEÏPHOBUS.
                              ’k Zal, door alle wegen poogen,
Myne oude liefde weêr te ontfonken; al ’t vermogen
Aanwenden, dat hy tot Enone wederkeer.
(260) Wie is dan nader tot Helene, als ik?
[p. 20]
                                                                  Myn Heer,
Denk niet, dat hy Heleen zal, om Enone laaten.
Gy poogt vergeefsch, die hoop zal u in ’t minste baaten.
’t Is veinzery, al wat hy aanstonds heeft gezegt.
Enone werd van hem misleid.
DEÏPHOBUS.
                                                Gy oordeeldt recht.
(265) Doch laat hy in zyn list, en veinzery volharden;
Hy zou noch zelf eerlang bedroogen konnen werden.
Ik schep noch hoop.
ANTENOR.
                              Waar uit?
DEÏPHOBUS.
                                            Ik zal Helene doen
Gelooven, dat hy haar verraad. ’k Zal dit vermoên,
Met zo veel blyken vast in haar gedachten drukken,
(270) Dat daar door zekerlik myn aanslag moet gelukken.
Ik zal haar zeggen, dat....
ANTENOR.
                                          Hy komt.
DEÏPHOBUS.
                                                        Antenor, ga.
Zeg aan Enone, dat zy my verwacht’, zo dra
Myn Broeder my verlaat.


ZESDE TOONEEL.

PARIS, DEÏPHOBUS.

PARIS.
                                      ’K was aanstonds heel verleegen.
Ik kan niet denken, hoe zy kennis heeft gekreegen
(275) Van myne min. ’k Heb al myn’ listen aangelegt,
Om uit te vorschen, wie ’t gheim haar heeft gezegt.
[p. 21]
Doch vruchteloos.
DEÏPHOBUS.
                            ’t Is vreemd. Maar kond gy zonder knaagen
Bedriegen een Prinses, die van uw kindsche dagen?
Zo wierd bemind? die u heeft zo veel gonst gedaan.
PARIS.
(280) Deïphobus, het heeft my aan de ziel gegaan,
Haar rouwe drukt my. ’k Voel in my een wreede wroeging,
Ik wenscht, dat ik haar kon geeven vergenoeging.
Ik heb meêdoogen, met haar’ ramp, en ongenucht.
Geloof, dat myne ziel, met deeze droeve zucht.
(285) Maar, sedert dat dat ik zag de hemelsche Godinnen,
Dwingt een verborgen kracht my, om Heleen te minnen.
DEÏPHOBUS.
Gy hebt Enone noch zo daatelik verklaard,
Dat uw’ genegenheid haar zuiver was bewaard.
PARIS.
Wat zoude ik doen? ik zocht de oploopenheid te stillen.
(290) Ik kon wel denken, dat zy niet zou hooren willen,
Na myne onschuldiging, die ik haar met de tyd
Zal konnen doen. ’k Had graag deez’ samenspraak gemydt.
Maar ’t was niet moogelik.
DEÏPHOBUS.
                                          Hoe meent gy ’t nu te maaken?
’k Zal trachten, in der yl van deeze plaats te raaken.
(295) Myn waarde Broeder, gy moet my uw’ hulpe biên.
DEÏPHOBUS.
Op welke een’ wyz’?
PARIS.
                              Terwyl ik, met Heleen zal vliên,
Most gy Enone met schynreden onderhouden;
Op dat wy, eer zy iets verneemen kan, ver zouden
[p. 22]
Van Ida zyn; want zo zy de alderminse lucht
(300) Krygt van dit opzet, zal zy tegens onze vlucht
Zich stellen, met gekarm. Mag ik die bystand hoopen
Van onze vriendschap? ’k zal tot uwen dien steets loopen.
DEÏPHOBUS.
Al wat gy my gebied zal aanstonds zyn volbragt.
PARIS.
Getrouwe Broeder, ik was wonerwel bedacht,
(305) Toen ik uit zo veel Broêrs, alleenig u begeerde
Tot reisgnoot.
DEÏPHOBUS.
                      De gonst, daar meê gy my vereerde,
Was ongemeen.
PARIS.
                      Ay staak die rede! want zy stryd,
Met onze vrindschap. ’k Zal bevorderen, met vlyt
Wat onze reis vereischt.
DEÏPHOBUS.
                                      Ik ga Enone vinden,
(310) En hoop haare oogen door schynredenen te blinden.
PARIS.
Ik rust op uwe zorg.


ZEVENDE TOONEEL.

DEÏPHOBUS, alleen.

                                Gy zoud niet zyn gerust,
ô Paris! zo myn hart, en liefde u was bewust.
Maar denk Deïphobus, wat daad wy wild beginnen!
Eer gy ’t besluit volvoert, wild u te recht bezinnen,
(315) En overweeg eens, wien gy te verraden tracht!
Een Broeder, die u eerdt; die uwe hulp verwacht;
Die u zyn hart onsluit. Ben ik door zo veel’ baaren,
Met hem na Grieken, en van daar weêrom gevaaren,
[p. 23]
Om hem zyn’ minnares te ontrooven? neen; verban
(320) Een liefde, die aan u tot schande strekken kan.
Verstoor uws broeders rust niet. Maar; wat wreede wetten
Beveelen, meer op zyne, als myne rust te letten?
Ik ben myn Broeder veel verschuldigdt. Maar ’k erken,
Dat ik my zelve noch veel meerder schuldig ben.
(325) Zal ik myn eigen hart een wreede pyn doen lyden,
Op dat zich anderen, terwyl ik treur verblyden?
Neen, neend; de liefde komt eerst van zich zelfs; gewis.
Het is een zaak, die niet beraadens waardig is.

Einde van het eerste Bedryf.

Continue
[
p. 24]

TWEDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

HELENE, ENëAS, ETHRA.

ENëAS.
DE Prins heeft dit vertrek* doen voor Mevrouw bereiden.
HELENE.
(330) Waar liet gy Paris?
ENEAS.
                                        Wil een oogenblik verbeiden,
Gy zult hem zien’ zo ras ik antwoord heb gebragt.
HELENE.
Vertoef dan niet; zeg, dat Helene hem verwagt.


TWEDE TOONEEL.

HELENE, ETHRA.

HELENE.
Myne Ethra, schoon wy ons verlost zien van gevaaren,
Tot dus lang ons gedreigdt, door de ongestuime baaren,
(335) Schoon wy het vaste land van Asie betreên;
Ik werd nu heviger in myn gemoed bestreên.
Ik voel myn teedre ziel, door wreê bekommeringen,
En zwaare zorgen, op elk oogenblik bespringen.
ETHRA.
’t Is zonder reden niet, dat gy u toondt belaân.
(340) Gy hebt een stoute, en ongehoorde zaak bestaan;
[p. 25]
[p. 26]
HELENE.
ETHRA.
HELENE.
ETHRA.
[p. 27]
HELENE.
ETHRA.
[p. 28]
HELENE.
[p. 29]
ETHRA.
HELENE.
ETHRA.
[p. 30]
HELENE.
ETHRA.
HELENE.

DERDE TOONEEL.

HELENE, ETHRA, PARIS, ENEAS.

Continue