[p. 1]

DE

SCHOORSTEEN-

VEEGER

DOOR LIEFDE.

KLUCHTSPEL.

Door T. ASSELYN.

[Vignet: Yver. In liefd’ bloejende]

By de Erfg: J: LESCAILJE, op de Middeldam,
op de hoek vande Vischmarkt, 1697.
Met Privilegie.

[p. 2: blanco] [p. 3]

Copye van de Privilegie.

DE Staten van Holland ende Westvriesland doen te weten. Alzo Ons vertoond is by de tegenwoordige Regenten vande Schouwburg tot Amsterdam, Dat zy Supplianten zedert eenige Jaaren herwaarts met hunne goede vrinden hadden gemaakt en ten Tooneele gevoert verscheiden Werken, zo van Treurspeelen, Blyspeelen als Klugten, welke zy lieden nu geerne met den druk gemeen wilden maken: doch gemerkt dat deze Werken door het nadrukken van anderen, veel van hun luister, zo in Taal als Spelkonst zouden komen te verliezen, en alzo zy Supplianten het berooft zouden zien van hun byzondere oogwit om de Nederduitschen Taal en de Digtkonst voort te zetten, zo vonden zy hen genoodzaakt, om daar inne te voorzien, ende hen te keeren tot Ons, onderdanig verzoekende, dat Wy omme redenen voorsz. de Supplianten geliefden te verleene Oktroy ofte Privilegie, omme alle hunne Werken reeds gemaakt, en de noch in’t ligt te brengen, den tyd van vyftien Jaaren alleen te mogen drukken en verkoopen of doen drukken en verkoopen, met verbod van alle anderen op zeekeren hooge peene daar toe by Ons te stellen, ende voorts in communi forma. Zo is ’t dat Wy de Zake en ’t Verzoek voorsz. overgemerkt hebbende, ende genegen wezende ter bede van de Supplianten, uit Onze regte wetenschap, Souveraine magt ende authoriteit dezelve Supplianten gekonzenteert, geaccordeert ende geoctroijeert hebben, conzenteeren, accordeeren ende octroijeeren mitsdezen, dat zy geduurende den tyd van vyftien eerst achter een volgende Jaaren de voorsz. Werken die reeds gedrukt zyn, ende die van tyd tot tyd door haar gemaakt ende in ’t ligt gebragt zullen werden, binnen den voorsz. Onzen Lande alleen zullen mogen drukken, doen drukken, uitgeven en verkoopen. Verbiedende daarom allen ende eenen ygelyken dezelve Werken naar te drukken, ofte elders naargedrukt binnen den zelve Onzen Lande tebrengen, uit te geven ofte te verkoopen, op de verbeurte van alle de naargedrukte, ingebragte ofte verkogte Exemplaaren, ende een boete van drie honderd guldens daar en boven te verbeuren, te appliceren een darde part voor den Officier die de calange doen zal, een darde part voor den Armen ter Plaatze daar het cazus voorvallen zal, ende het resteerende darde part voor den Supplianten. Alles in dien verstande, dat wy de Supplianten met dezen Onzen Octroije alleen willende gratificeren, tot verhoedinge van haare schaade door het nadrukken van de voorsz. Werken, daar door in geenige deelen verstaan, den inhoude van dien te authorizeeren ofte te advoueeren, ende veel min dezelve onder Onze protektie ende bescherminge, eenig meerder kredit, aanzien oft reputatie te geven, nemaar de Supplianten in kas daar in yets onbehoorlyk zoude mogen influeeren, alle het zelve tot haren laste zullen gehouden wezen te verantwoorden; tot dien einde wel expresselyk begeerende, dat by aldien zy dezen Onzen Oktroije voor de zelve Werken zullen willen stellen daar van geene geabbrevieerde ofte gecontraheerde mentie zullen mogen maaken, nemaar gehouden zullen weezen het zelve Octroy in ’ t geheel ende zonder eenige Omissie daar voor te drukken ofte te doen drukken, ende dat zy gehouden zullen zyn een exemplaar van alle de voorsz. Wer- [p. 4] ken, gebonden ende wel geconditioneert te brengen inde Bibliotheecq van Onze Univerziteit tot Leiden, ende daar van behoorlyk te doen blyken. Alles op poene van het effekt van dien te verliezen. Ende ten einde de Supplianten dezen Onzen Conzent en Octroije mogen genieten als naar behooren: Lasten wy allen ende eenen ygelyken die ’t aangaan mag, dat zy de Supplianten van den inhoude van dezen doen, laaten en gedogen, rustelyk en volkomentlyk genieten, en cesserende alle beletten ter contrarie. Gedaan in den Haage onder Onz en grooten Zegele hier aan doen hangen den XIX September in’t Jaar onzes Heeren en Zaligmakers duizent zes honderd vier entachtig. G. FAGEL. Ter Ordonnantie vande Staaten SIMON van BEAUMONT. De tegenwoordige Regenten van de Schouwburg, hebben het recht der bovenstaande Privilegie, voor deze Druk, van de Schoorsteenveeger door Liefde, vergund aan de Erfgenaamen van J. Lescailje.§§Den 20 Maert, 1692.

PERSOONADJES.

JACOMO, Vrijer van Klaartje. JURJE, Knecht van Jacomo. LEONARD, Vader van Klaartje. KATRYN, de Meid. KLAARTJE, Dochter van Leonard, en Vryster van Jacomo.
GJIEL,
GLAUDE,
ANTOON,
}
}
drie Schoorsteenveegers.
MAGDALEEN, Vrouw van Gjiel.
Het Tooneel is voor het huis van Leonard.
Continue
[
p. 5] DE SCHOORSTEENVEEGER, Door LIEFDE. EERSTE TOONEEL. IN LEONARD, JACOMO. JACOMO, Yn Heer, maar.... LEONARD. Hier valt niet te maare. JACOMO. Wat is dit te zeggen, myn Heer, hoe Ik zou wel, maar.... LEONARD. zal ik dit verstaan? Al weêr, maar? ik zeg dat ’er anders niet in zalwerden gedaan. Hywil in huisgaan. JACOMO. Maar hoor, mynHeer... LEONARD. Noch al eens, maar? ik ga, en mag myn kop met al dat maare niet langer breeken. Ik zeg’t jeimmers in klaar duitsch, dat, zo jy myndochter van dezen dag, in myn huis, kond komen te spreeken, Zonder dat ik het merk, daar ik nochtans op zal in huis blyven, ZO is jou heilik klaar, en ze word jou toegezeid. JACOMO. Wel hoe, myn Heer, ik docht wy, waaren in alles accoord? en dit, gelykje weet, is voor my een ondoenlykheid; Ja, ook zo onmoogelyk, als ofmyn Heer zou gelieven te zeggen, Dat ik eerst eenknoop in die yzere leuning zou moeten leggen, Dat men wel weet buiten iemands magt te zyn, daarom laatmy doch van dien voorslag zyn geëxcufeert, [p. 6] Enblyven by ’t geene wy te vooren hebben gecontracteert. Want zeker, myn Heer, wie het hoort, zal het als een dwaaze voorslag verwerpen. LEONARD. Ik wil ’ er met jou niet meer over disputeeren, ik blyf’erby, wil jeze hebben, je meugt ’ er je zinnen op scherpen. TWEEDE TOONEE L. JACOMO, JURJE. JACOMO. Bloed, Jurje! JURJE. Hoe is’t, myn Heer, is ’t heilik af? of schort het hier onder aan de scheenen, bennen die ook blaauw? JACOMO. Wel, de koekoek, Jurje. JURJE. Maar, wat is ’er te doen, mynHeer? JACOMO. Zo elendig ben ik in’tnaauw. Ik beelden my in dat ik het in zulke vaste banden had, dat het onmoog’lyk niet afkon raaken; ’t Ontwerp lag’er al, om de huuw’lykze voorwaarden te maaken, Wat zy tot een douary zou hebben, en wat ik by versterven van haar kant trekken zou. Ik stelden voor, dat ik ’er myn gantsch kapitaal maaken wouw. Hy prezenteerden, met Klaartje, een braave stuiver meê ten huuw’lyk te geeven: Zodatwy van onzer beider inkomsten, getrouwd zynde, fatzoen’lyk konden leeven. Hyzach nieuw toe dat ikmeêr kapitaal (als hy met Klaartje presenteerden) bezat, Ik zei dat het my om het geld niet te doen was, maar dat ikde perzoon liever als al ’tgoed van de waereld had. Inal dit onderling heen en weêr praaten, presenteren en beloven, Krygt hy een bui, en loopt zo dryvende op zyn kantoor naar bo- Wyblyvenbeide in de zykamer alleen, Klaartjen en ik, Wywaaren zoet als Bruid en Bruigom plegen, en ook weldapperinonze schik, (derzoeken, (ven, Engelyk hy een lief hebber is omalle vremde voorvallen te on- Engeduurigbezig is met de neus in de boeken, Zo DOOR LIEFDE. 7 Zokomt hy, naareen wyl verblyvensvan boven, met een Ita- Daarophy wonderlyk verhief de listige uitvindingenderIta- Enandere fubtyle hoedanigheden haar aangeboren... liaansboekje indehand, lianen, en haar verstand, Metroept hymy aan dedeur. JURJE. JACOMO. 1 Wel, mynHeer, wat lei hy jewel te vooren? Hoor, zei hy, gy zyt my altyd zeer aangenaam en wellekoom geweest, Doch ikheb altyd bemind een perzoon van een schrand’re en vaerdige geeft, Hierhangt het nuaan, weetje raad dezen dag inmyn huis te komen, om naar gewoonte met myn Dochter te discoureeren, Zonderdat ikhet merk, zei hy, dochdit zeg ikje veur af, dat ik haar zal observeeren, ’T zy onder wat pretext, figuur, of bedekten schyn, Zozal myn Dochter voor u, en voor niemand anders zyn, Maarweet je hier middel noch raad toe uit te vinden, zo staat je ditteletten, Datjenadezen dag niet een voet meêr hoeft om ’er te verzetten, Endaar meê fluit hy de deur achter my toe. hier staan iknou en kyk, Jurje, als een Uil in doods nood. Jebent ’er almeêgebruid, ook mynHeer? JURJE. JACOMO Nietweinigmeêgebruid, Jurje, en vanalmyn toeleg ontbloot. ’Tisnet opzyngierigeGerrits, want nou zel hy den hielendag laaten wacht houwen, Enlaatenniemandin huis, noch jongen, noch ouwen, Ofzetten een Postaan dedeur, jaal zouhy ’er zelfs staan, Dat’er niemand buiten zyn kennis, noch uitnoch in zal konnen gaan. JURJE. Hoe staajemetde Meid? JACOMO. 3 Alwel, maarze weet hier niet van, en hoe spreek ikze, Jurje, zo datik ben in duizend vreezen. A4 JUR 8 JURJE. Datje ’ er jouOom zond,’dat is een aanzienlyk Man, ofdiehem ook kon beleezen. JACOMO. Hyheeftte koppigenkop, en is onverzettelyk, zo blyft hyby zyn stuk. JURJE. Wel, mynHeer, daar diend evenwel wat beter uitgevonden te worden, dan zo te smooren in den druk. JACOMO. Maar, Jurie, de Knehts zyn ordinary op alle guiterije en streekenafgerecht, kenjy nou niet wat verzinnen? JURJE. Ja, mynHeer, kon ik je, als de Kollen, die van onderen op een beuzemstok deur de schoorsteen rijen, daar in helpen, ik hielperje daadlykbinnen. 1 Maar zacht, myn Heer, stil, stil, stil! daar vind ik iet, was het noumaar in plaats van dag, nacht. JACOMO. 7 Wathebjedan? JURJE. Jahy. Ay, mynHeer, stil, stil! het hy niet een huis staanopdeKeizersgracht? JACOMO. JURJE. Goed, dat wy ’tdan nochdeden, en lieten hier eenig Jongens vergaarenby kleenen engroote troupen, Dieniet anders en moesten doen, dan louter uit de borst, brand, brand, roepen, brand staat, Enkloppen aan zyndeur, en zeggendat zyn huis in delichter Ende vlam vast hetdak, en ter vensteren uitslaat, Danzel hy immers uiten huis moeten, zo moest je ’er in komen, endan dedeurgrendelen en fluiten, En daar meê waar je’er binnen, en hy zelfs ’ er buiten. JACOMO. Neen, Jurje, dat is me te wild, we moeten ’t wat wis, en zekerder neemen. JURJE. StIsook zo, mynHeer, maar nou al weer an; stil, stii, til! nouheb ik DOOR LIEFDE. 9 " ikhet gevat, laatenwe’er nou niet langet over teemen. Ha! mynHeer, nou is het goed, zo kostelyk! JACOMO. Maar, op wat wys, Jurje? JURJE. Zo onwaardeerlyk! JACOMO. Maarzegtdan. JURJE. Zozeker, en zovast, dat, daar isgeen nabedenken. JACOMO. Maar weest zo voorbarig niet, Jurje. Maar laat hooren. Niet in dewaereld is’er, myn Heer, dat ons kan krenken. JURJE. JACOMO. JURJE. Dat is nou al besteld myn Heer, je bent nu alzo veul als in huis. JACOMO. Maarjemaakt zulk een behey, hoe zel hetdan in zyn werk gaan? JURJE. Dat zel ikjezeggen, myn Heer, hoor, terwyl jy in huiswaard, kwamdeMeid uit, en die sprak ik aan; Hoor, Katryntje, waar heen, zeid ik, ik moet om Schoorsteenvegers gaan, Jurje, houd me niet op, je zoud me verveelen, Antwoorde ze. wat dunkje nu, myn Heer, zoude wedaar niet een aardigeperzoonaadje onder konnen speelen, om zo onder het dak te komen? JAC OMO. Dat kan ik vatten, Jurje, dat heeft handen en voeten, treflyk wel bedocht. Maar nu, om de toestel daar toe te bekomen, dat dienden dan ook wel onderzocht. JURJE. Daarmaak ik geen zwarigheid voor, ’k hebkennis aan een Savojaartje, die zal ons in alles accommodeeren, As En 10 Envan al ’t genedat ’er toebehoord, we behoeven ons maar aan hem te refereeren. JACOMO. Goed, Jurje, kom, daar gaat de deur op, laaten wy wandelen, en onzetoestel vorderengaan, Hyzou licht meenen dat we zyn huis vast bespieden, zaghy ons hier staan. DARDE TOONEEL. LEONARD, KATRYN. LEONARD. KAtryn, Katryn, wat doe je buiten de deur? wel, waar wou dat zo heenen? Hybrengt Katryn van destraat by den arm inhuis. KATRYN. Ik zou naar onze Bakker gaan, Sinjeur, of hy ons zyn leer wat De Schoorsteenvegers zellen haast komen, Sinjeur, en dan heb wouw leenen, benwe ze van doen. LEONARD. Kom, ga zo voort weêr in huis, heb ikje niet belast den hielen dag t’huis teblyven? verstaje dat, Fatzoen? Wyhebben immers zelfs een leêr. KATRYN. Die is nu eerstgeschuurd, Sinjeur, en zullen zy noumet ’er zwartepooten komen opdiewitte sporten. LEONARD. Daar leid ’erdan noch een op zolder. KATRYN. Die is tekort, Sinjeur. LEONARD.. Wel, danmeugenze op malkanderen klimmen, en zo ’eraande lengtedan noch wat mogt schorten, Op jou’er by. kom voort, geef me de sleutels van de Plaatsdeur, Pakhuis, en de Achterpoort.. KATRYN. Die heeft Klaartje, Sinjeur, maar denk je wel om de Vliering, en Dakvensters of die wel gesloten zyn als ’t behoord? LEONARD. Zorg jy daar niet voor, kom voort hier, en verder niet. VIER DOOR LIEFDE. VIERDE TOONEEL. LEONARD, KATRYN, KLAARTJE. KLAARTJE. WAt is hier te doen, Papa? KATRYN. De Luiken zyn over al wel dicht toe, en de and’reglazen beschooten; Maar evenwel, Sinjeur, t is schier ofmen in eenGevangenis zitopgeflooten, Zomelancholyk ishetdaarbinnen nou. LEONARD. Hou jy jemond, jy hebt al ruim wat te veel praat. Kom, Dochter, geefmen al de sleutels die je hebt. KLAARTJE. Zietdaar, Papa.. Die zouden ’t werk wel liefdens is. 3 LEONARD. Zacht, zacht, niet veerder, al jou lonken naar vensters, en langs straat, verknollen, ikweet hoe dat het met ver- KATRYN. Maar, Sinjeur, mag’er dan niet een wintje van faveur uitdeeen ofd’and’re hoek waaijen. LEONARD. Heb ik je straks niet gezeid dat je zwygen zeld? al wat vanzelven groeiddat hoeft men niet te zaaijen. KLAARTJE. Maar, Papa, ’tis immers of het nacht is in huis, men ziet schier geen dag, over al is ’t even dicht. KATRYN. (gezigt, Maar hoor, Jufvrouw, al te sterken dag is heelongezond voor het En daar draagt je Papa zorg voor, en’t is ook nodig, uit vrees voorbyzondere laagen, en bespringen, Want eenVrijer en een Kat, die zoeken over al in te dringen. LEONARD. (vraagd. Snapster, ’t waar wel zo goed dat je zweegd, tot dat jou wierdge- KATRYN. Och! Sinjeur, ik spreek maar voor onze Klaartje, die wel het meest zel worden beklaagd. LEO 12 LEONARD. Nou, al dat rekhalzen, en heen en weer kyken, komt hier niet te pas, zacht, zonder een stap verder te treeden. Katryn, het Zoldervenster is niet te degen toe, ziet ’er flus eens na, maar komt me terstond weêr beneden. KATRYN. Wel, Sinjeur, maar daar zyn in de Kelderkeuken een hoope ruiten uit, en ook boven de Keukendeur. LEONARD. Daar zel jy de hielen dag zitten wacht houden, of plakken ’ er papier, of houwen je handen ’er veur. KATRYN. Maar, Sinjeur, je hebt evenwel noch al wat vergeeten. LEONARD. Welwat? KATRYN. Als’t je belieft, Sinjeur, dat ik noch eenwoortjemag spreeken, Ofhynouvanbuiten in ’tRioel was gekroopen, en kwam van onderen deurde bril van ’t kakhuis breeken, Hoedan toe, Sinjeur? zeker ik zeg het in ernst, zonder eenige argofspot. LEONARD. KATRYN. Dat zel jy zodaadlyk gaan toe spykeren. Maar Sinjeur, ofmen’t van nooden had? LEONARD. Zo meug je ’ t op schorten, of sluiten ’t in flot. KATRYN. Zeker, Sinjeur, het deert me van Jufvrouw, van al die ontmoetingen en tegenstreeven, LEONARD. Hoor, Katryn, je zeld hooren en zien, hooger caracter is jou niet gegeeven. KLAARTJE. Maar, Papa, hebje niet zyn converzaatie van’tbegin afgeapprobeerd? Enhebben we niet dezen morgen noch, over het huuwlykslui- ten, getracteerd? (weegzou komen, Dat’er immersgeen bedenking altoos en was, dat’er iet in de En nu komjemet zulk een vremde voorstel ingenomen, Die, DOOR LIEFDE. 13 Die, gelyk je weet, geheel ondoenlyk is. KATRYN. Jemoetookweten, Sinjeur, dat ze jong is, al houd ze’er stil, En dat zy ook haar zinnen niet in de hand en heeft, en die kan leiden zo ze wil, Dat ze ook van vleis enbloed is, en zwakheid onderworpen, om de driften te regeeren, Nu zit ze tusschen hoop en vrees, en’t isduizend tegens een of het ook zel fuccedeeren. KLAARTJE. A (staan. Ik wenste maar dat ik hem myn leeven niet en had te woordge- KATRYN. Zeker, Sinjeur, ik vrees, valt het niet wel uit, dat het Klaartje aan ’ er verstand zel gaan. LEONARD. Wel die verbruide Karonje en kan niet zwygen, ik moet ze eens een and’rè kappezon op de neus zetten. Hoor, ik wil eens afwachten, hoe dat hy zyn verstand hier op zal wetten, Hy zel niet stil zitten, daar zien ik hem niet veur aan, maar ligt al bezig zyn naar dat ik gis, Men zel wel haast zien wat’ er in steekt, ofhy ook zo een vooze raap, ofeen weetniet is, (zaaken, Enwerkt hy dit wel uit, zo vertrouw ikhem ook wel in and’re Endat hy, in al ’tgeen hy onderwind, wel deur de waereld zel (metveelonzekerheid, Ik prys alle listige ondervindingen, schoon dat ze vermengd zyn Detoelegbemin ikaltoos, als die maar naar de konst is aangeleid. Nou alle bei naar binnen, zonder dat ik versta, dat iemandderaaken. zen dag aan de deur zal staan te praaten, En als ’er geklopt word, die wil ik niet, als in myn byzyn, in (denzohier endaar. Nou jy zo windig niet om te zien, Katryn, en het hoofd te wen- Kom voort in huis, ik moet ook eens omzien. hebbengelaaten. Jurjeziet om de hoek van de Scherm. VYFDE TOONEEL. JACOMO, JURJE, in Schoorsteenvegers gewaad. K Facomo enFurjeuitkomende roepen elk Sjou. JURJE. Om uit, myn Heer, kom uit, debaan is klaar, Zv 14 Zy zyn al weg, wat dunk je, myn Heer, heeft dat Sovojaartje ons niet al aardig toegesteld? JACOMO. AkkermentJurje, hoe vies ruikt deze monteering. JURJE. O mynHeer, dat is vandiepeper lucht, en van diedagelykze parfumeering; Maar als je nu de neus vol hebt, myn Heer, zo ruik je niet met al, alwaaren ze noch zo sterk gekruid. JACOMO. "T is waarachtig ofwe al ons leeven Schoorsteenveegers waaren weeft, zo zienwe ’er uit. Kom, Jurje, ik moet je eerst noch wat naturalizeeren. FacomomaaktFurjezwart. JURJE. Nou, myn Heer, laat ik ook eens zien, of’ er aan jou ook noch wat mankeerd. Wel de Drees, myn Heer, dat had slecht uit gevallen. JACOMO. Hoedat, Jurje? JURJE. Wel, je moet daar boven noch al vry worden gesmeert. Ziet zo, mynHeer, die ouwe Griek mocht je eens te deegwillenbekyken. FurjemaaktJacomo zwart. gelyken. (de kunst goed. En we dienen immers gesteld te zyn, dat we ons zelven niet en "k Wat zo, mynHeer, nouis het een naa’’tt ander, treffelyk ennaar JACOMO. Nou zie je, Jurje, in alle deelen, wat de Liefde al kan uitwerken, enweldoed. JUAJE.. Zo is’t, myn Heer, wat word ’er niet al gedaan, om een Vryster tekrygenmeteen hoope schyven, Endaar lyd men ook al wat om, maar waar of dat Savojaartje magblyven? Hyzounochmaar een borreltje in slaan, zacht, daar hoor ik hem, hyroeptal wakker uit dentreuren. Gjielroept van binnen Sjou, en komt met eenpyptoebak al rookenden uit. ZESDOOR LIEFDE. 15 1 1 ZESDE TOONEE L. JACUMO, JURJE, GJIEL: GJIEL. AMefficurs, a la bon heure. Hebbejy nou al jou volkome equipagje datte totde rekte Schoorstienvegere behoor? JURJE. Ja, Gjiel, ziet men nu eens van achteren en van vooren. GJIEL. JoubotteTufel, die krabbere moete niette voor. Maar akter oppe jou gatte hange, ziet zo, ofjy zouwe jou dessein kehiel in brouljeeren. JURJE. (dresseren. Daarom is het zeer noodig, Gjiel, dat je ons veur afwat moogt (ken. GJIEL. Datte is waaraktik nodik, datte niemand kenne zien, ofmerke Datte jy andere volke, maar rekte Schoorstienvegereben. Endaarommoete jy weete hoe de stokke zelledrage. JURJE. (vraagen. En ook, Gjiel, wat wy zullen antwoorden, ofze ons iet mogten JACOMO. (drie. Ikwil dat wel verzeekeren, dat ze ons wel zullen bekyken alle GJIEL. Daarom ik spreeke ten best, waaraktik, Monfieur, je vous prie Volgemyn raad, ik verzekere jou, al ben ikwat dronk, datte ikke wel zel maake, Datte jy naar jou belief, e kontentement inne huis zelle raake. Ma foy, Monfieur, prene couragje. JURJE. Ikheb wel moed. JAGOMO. Enik vangelyken, dat het heel wel zel gaan. GJIEL. OMonfieur, ikke verzekere jou, maar je weets watte is kezeid, datte vor my watte zel opstaan, Een ryke Vryitere, datte is wel bon, Monfieur. JACOMO. Dat beloof ik jeGjiel, dat je ’er my ook zelby gedenken. JURJE 1 16 JURJE. OGjiel, dat men Heerbelooft zel hy ryklyk goed maaken, ca daar enbovenje noch meer beschenken. GJIEL. Hebbe jy al toebak, met een petite entje piepe? zoo doed onze volke zo rooke altyd oppe straat. JACOMO. Oja, Gjiel, kant en klaar. GJIEL. A sa, late wy alle drie e reis rookke, ik hebbe weldatte vuur laat Lekke nou de stokke zo lank neêr, wel, waar isze myn tonteldooze ? die heb ikke niet. JURJE. Jadaar is nietaangelegen, Gjiel, maar nou diende men ons wel and’re naamen tegeeven. > GJIEL. Dat isze waar, hoor Monfieur, zel Payi Nicola, JurjePayiGringalonweez, en ik blyf, daar isdok niet bedreeven. JACOMO. En als ze vraagen waar van daan? zal ikzeggen van Momeljan, Jurje van Montferat. GJIEL. Goed, en ik zel zek uit Piemont, byGrenoble van Malicat. JACOMO. Maar is ’t nietnoodig, Gjiel, dat wy ook wat kromtong praaten? GJIEL. Oja, Monfieur, wouwejy duits spreeke, Gy zoudwaaraktik jou hiele zaak daardeure de hals breeke. JURJE. Maar, myn Heer, spreek jy niet veel, want dat zouje konnen hinderlyk zyn indezen staat. (kwaad. Of ten waardatje in huis kwam, wel, dan mag het zogeen Nou moete wy ook ereis borle, avousPayi Nicola. GJIEL. JACOMO. Avous, PayiGringalon. Ikkedanke u, Payi Gjiel, veur jou courtoific. JURJE. Serviteur, Payi Nicola, ikke blyve altoos obligeerd, anvostreSignorie. JA DOOR LIEFDE. 17 JACOMO. Watdunk je van dat kromtonge, Gjiel? t JURJE. GJIEL. Dattegaat hiel wel. Avous, Gjiel, het mag ’er nou wel op staan. GJIEL. Ikdanke jou, ik hebbe tok een halve brui ewek, en ik moet van daak togandkanggaan. JACOMO. Hyheeft brandewyn genoeg, Jurje, laaten wy maar ons spoeden, ikben in duizend vreezen, Zowy langzukkelen, dat ’er die andere voor ons zellen weezen. JURJE.. Maar, myn Heer, jy moethem zyn volkomen zwier geeven, want hyheeft een verbruide dolle kop, Enwoujehem daar in stuiten, hy zou dryvend aan de wind gaan, enschietenje op. Nou, Gjiel, alon za. GJIEL. 1 Kom, nemede stokke weêr op, ik zelle jou wat dresseeren. Kyke te deek eerst hoe dat ikke doe, ikke zellejou alle maal leere, Debeuzeme moeten over de schouwere onder de stokke hang, let’er op, het is jou veel waard, Detouw omde hals, zie, ik zellejou veurgaan. dat is de rekte mode van de Savojaard. Nou probeerejy, Monfieur. JACOMO. GJIEL. Aza, Sjou, Sjou, wat dunkje, Gjiel? Dattedeuge niet, komme weer hier. JACOMO. GJIEL. Sjou, Sjou: Odatte kanne niet lokke, Jygaane te krom, Monfieur, jy geeve jou gatte te beste, jy moete zo nietbokke. Zie, zodoe jy, nou jy, Gringalon. JURJE. Hou daar, Sjou, Sjou. GJIEL. O foei! neen, retourne. B JUR 18 JURJE. GJIEL. Sjou, Sjou. Dat is nok alle zo slekkee? Hoe! wat Tuvel, lakjy ’er om, dar lekke de stokken, weetejy nou anders te overlekke, Werke jy dan, en brui heen. JACOMO. (zeggen. Nou, nou, Gjiel, neem je stokke weer op, en laat je ge. Kom, kom, ik zel zien of we de kwestie konnen by leggen. JURJE. Wel, word je daar kwaad om, Gjiel? we hebben het kunsje zo fixniet alsjy. JACOMO. Nou, kom weêr aan, Gjiel. GJIEE Waaraktik, jy zou jou zaak verbrui, ik zockjou te leere, maar ik mak niet ly Uitgelakt te worde, heb ik eenbrui inde kop van brandewyn, wat is daar aankeleeke. JACOMO. ,, Men zou metdat dronke kreng noch al gebruit konnen zyn. Hou daar. Hoor, Gjiel, je moet ’ er niet meêr van sprecken. GJIEL. OMonfieur, jy benne een fraai kaerle. JACOMO. ,, Hy zou zo veel konnen uitwerken, dat al ons doen in verwerring raaken zou. GJIEL. Ik zelle jou assisteeren, Monfieur, enjou weezen fidel en trouw. ’Tiswaar, ik benne wat beschonk, en men wyfalsik, zy drinkedebrandewyn als watere Nou, Monfieur, laate wy weêr probeere. JACOMO. Ja, Gjiel, ’t zal tyd zyn, ’t word vast hoe langer hoe laater, ’Tis tyd, de andre mogten koomen. GJIEL. Maar, Monfieur, gy dragede stokke, as de zoldaat de piek, rek op, en dat en deuge niet. Maar zie na myn, sla jouwe hand overde stookkkkee, jy ook, Jurje, Zelle 20, datte is goed, nou jy datte ziet DOOR LIEFDE. 19 1 Zellejy wel onthouw, nou passe op de roep, reks om keerejou, هقو JACOMO. Sjou. JURJE. Sjou, Sjou. (mars, roep. GJIEL. Sjou. Datte is uitde kunste goed, jehebbe wel gevat, en geleere. Nou passe op, links omkeerejou, mars, roep. gelyk. JACOMO. Sjou. (ceeren. Sjou,, wat mag hem de gekwel inbeelden met zyn exer- JURJE. Sjou,, zacht, myn heer, ’t is al een slim hontje van aard. GJIEL. Blyvenok wat staan, asze ikke stampe, roepe gelyk, Sjou: datte te zien, is een dukaat waard. (de Savojaard. Nou benne jy al miester in die kunste, dat is de rekte manier van Asze jou belief, late ons nou a droiture na de huis toe marcheeren. JACOMO. Ik enGjiel zellenbinnen gaan, Jurje, jymeugt de vaar onder tusschenwat op houwen, met discoureeren, En eenige dingen klaar maaken. nou klop aan. ZEVENDE TOONEE L. JACOMO, JURJE, GJIEL, LEONARD, KATRYN. LEONARD. WAt benje veur volk, moet je hier weezen? JURJE. (jeziet: Wy zyn de Schoorsteenveegeren, myn Heer, zo LEONARD. Katryn, kom ziet of het de rechte zyn. KATRYN. 1 Wel, Sinjeur, neen, dat en zynde rechte niet. LEONARD (fluiten. Komt dan weêr voort in huis, dat ik de deur weêr in ’t flot mag GJIEL. Jou akkementze vark, ze zyn de rekteal, kommevan de stoep, enzie, waarom houw jy ons buiten? JURJE. ,, Zwyg, Katryn, ’t is myn Heer. Bz A20 De SCHOORSTEENVEEGER, KATRYN. Ja, Sinjeur, het zyn de zelve, ik zag de kleinste maar, de and’re kon ik niet wel zien, Noch kennen, om dat ze zo zwart zyn. LEONARD. Wel, ik docht dat ’er maar twee zouwe zyn, en ze komen met ’er drien. (deze gruwel. Laat zedan in huis komen, enkomjy ook, Katryn, enwat zel aan te keeve. JURJE. OMonfieur, jy zelledaarom niet een dutte meêr geeven. Hyis onze Kompagnon, hy helpe ons met alledink te draak, en (daaken zat en vol; Hy hette hier een Hollants vrouw ketrouwd, ze drink haar alle Zy verzuipe al haar verstand, en dat maake hem ook al te mette dekoppedol. LEONARD. (doedjedingen? Waarwacht je na, Katryn, waarom gaje niet naar binnen, en ACHTSTE TOONEEL. LEONARD, JURJE. JURJE. A, myn Heer, zyn vrouw is een dronke vark, en zy beuk hem al te met wel wat, en zy kan hem dwingen Aseenkleinekind, ’t is een ark Schelm, en oud, en zo kau as een kat; (degat. Hy kanne zonder leer in de schoorsteen klimme, tot boven aan Ik verzeekere jou, hy kan wel werk, hy zelle zo wel aszegroote LEONARD. JURJE. (kaarleklaare. Ze ben een Piemontois, maar ik weete niet uit wat stad. Wat is hy voor een landsman? LEONARD. En waar ben jy van daan? JURJE. Ben jy al getrouwd? AMonfieur, om jou te dien, je zuide Montferat. LEONAR D. JURJE. Ketrouwd, men Heer, ik hebbe alle een zeun die al twiejaarende stokke hette gedraake. Hy loope te Rotterdam, te Delf, maar hy woone wel meest tou jours DOOR LIEFDE. T 21 jours indeHaake. (haartedresseren, OMonfieur, asdekindre maarbentienjaarenn,, dan iszetydom Endan loopen ze ons al achter de gat, om de Schoorsteene veege te leeren; Zyroependan al Sjou, Sjou, en klimme in deSchoorstien, je moete weete, Monfieur, ons volk is van een andre aard AszedeHollandois, die benne bot, traak, en niet habil; kien betere Schoorstien veegere, as de Savojaard. Monfieur, de volke wakke hier naons een hiele jaar, en al waare zy nok zo verleeke, (te decke. Zyzelle niet andrehaale omdatte wyons werke welle doen, en LEONARD. Waarom geenHollanders? DeHollandere zel niet halve zo goeddoen, dat verzekere ikke (mette touw Zywerke zo van ondere watte mette stokke, maar zy trekke niet Vanboof en ondretege malkandere, zy benne bevreest omme jou, voor valle, Maar de Savojaards, ze vlieg in de Schoorstien, die ben niet bevrees vor niemendalle: Leonard binnen. Zyweete daar niet van. maar zacht, daar loopt hy naar binnen, lichtbevreefd om dat hy daar iemand komen zag. Hey, dien scharpenhoek is teboven gezeild, en voor myn Heer geenblyderdag. Maarhoewonderlyk wil hem dat dadelyk op doen, als die andere Schoorstienveegers komen opdaagen. Watwil dit een opschudding maaken, ja hiel Amsterdam zel ’ er Daar hoor ik hem weêr. NEGENDE (vanwaagen. TOONEEL. JURJE, JACOMO, KATRYN. Oc, myn Heer, ben jy ’t? Hoc, JURJE. JACOMO. JURJE. Hoe is het ’er binnen gesteld? hem hoord. Katryn, pas wat op, en waarschouwd my, alsje JACOMO. (en de poort, Wonderlyk, ’ t is ’ er alles geslooten, de zaal, achterdeur, Dieindeganguit komt, de luiken voorde glazen, ja aller deegs is’er niets vergeeten B 3 Over 22 Over al is het bezorgt wat hy ook heeft kunnen bedenken of Over al doed hy huiszoeking, in de bier en wynkelder, ja zelfs weeten, inderegebak. (ven, Ikgeloof, Jurje, dat zyn broek wel twintig pond weegt, van al de sleutelsdiehyby hem heeftin zyn zak. Hyheeft nergens geen rust, dan is hy onder, en dan weêr nabo- Nu is daar geloof ik, een pan uit het dak gevallen, of verschoven, Daarhy daadlyk de trappen op, met eengalop na boven liep. JURJE. Maar, hoe is ’ c met Klaartje? JACOMO. Die isheel in ’er schik, en op ’er stel, Maar een weinigje trist, want het huis is niet anders, als een voor- EnGjiel? JURJE. (burg vandehel. JACOMO. (dentreuren. Gjiel, Jurje die zit in de Schoorstien, en zingt een liedje uit Nou, pasop, Jurje, die Messieurs zellen haast opdagen. JURJE. Akerment, myn Heer, wat wil ’ er dan eendarm scheuren. KATRYN. (ik’er van sprak? Maar, Jurje, hoe bedochtje dit van de Schoorstienveegers, om dat JURJE. O! ja, en toen had ik het daad’lyk bevat; Ente meêr, Katryn, om dat ik diergelyke historitjes wel meer geleezenhad. KATRYN. Kom, ik hoor hem, weêr na binne. JACOMO. 1 Jurje, jemoet het zo zien te stellen en te brouwen, Datjehemnoch, door het een of’t ander, wat aan de praat kond Om zolang vry van hem te zyn. (houwen, JURJE. Goed, myn Heer. TIENDE TOONEEL. JURJE, LEONARD. JURJE. MOnsjeur, ikkewiste niet watte beduid, datte jy zo wek liep. LAG DOOR LIEFDE. 23 LEONARD. (iemandriep. Ikhoorde daar binnen wat gerucht, en ikbeelden men indatmen JURJE. Maar, myn Heer, ik hebbe vandaak watte veelbrandewyn gedronk, ikke zou verzoeke, mettejou believe, Een kannetje bier, myn borst is zo drook, zo drook! LEONARD. Oja, kom, daar zel ik je wel meê gerieven. Katryn, Katryn, brengdat kannetje met bier eens, dat al getapt Wel, Sinjeur. KATRYN, van binnen. ELFDE TOONEEL. LEONAD, JURJE, KATRYN. KATRYN. BEliefjy het te hebben, Sinjeur? LEONARD. (staat. (maat. Neen, houddaar, myn vriend, drink nou eens hartig, myn goeje JURJE. O! vrystere, je doette zowel. LEONARD. Katryn, hy het noch wel een braave zeun veurje. KATRYN. Ik heb de brui van zyn zeun, hier! een rottegeWaal? neen, Sinjeur, die zelzegien blaaren byten. JURJE. Een rottike Waal! wel, brui heen, jou vozmoêr, jy meuge jou liverebeschytte, Jyzellejou leeve noch zogoed niet doen, die rottikke Waal en isse niet veurre jouw. Een rottike Waal, isse nok betere, as een boos Hollands karonje van een vrouw. KATRYN. Ziet, hy word kwaad, nou hy ’tbier alreê in zynbaft heeft. LEONARD. Heb je dan geen zin in de Hollandze meisjes? JURJE. Oneen! nooitevan mynleeven. Voutre, de Hollands vrouwvolk, ikke wou ze lievere aan de beuledochtere in onsland keeven, B 4 Ofoei! 24 Ofoci! deHollands vrouw, ze zin te lui, te lekkere, ze slaape telang, en zit metde hand byde buik; Zy verheur de geschilderde kamere, met de stoofonder de pels, a foei! zy stinke, en ruik (daake. Zo fies, as deduvel, van aldieborle en sjampu, diezy zuip alle De wyve? LEONARD. JURJE. (astekraake : Ja, ofloopeby de straate, enniet medallen tedoen, anders Dencut, en te vrette, en snoeppe uitte zak, de vyg, aardakere, spek en boone, 1 Laate de kind thuis, verstink en verrote, in de drek en vuilikeid, zonder te verschoone. Doen de rottikke Waalen in onze land alzo? neen! wisse niet, de vrouw moete daar werk altyd, en draak, En torsse, dat zy krom word, om de kost, en moete ook deman dien, by nackte en by daack, (nijen: Zyverkwiste nocke versnoepe niette de geld anne zulke lekkere Maar, een stukke brood, mette ajuin, en knoffelooke bestryk, daar moete zye heure meêbelijen. Ziette, zo moete de vrouw huishouw enleeveby onze, en gaan V Doen ze hier anders? LEONARD. JURJE. (aandehand. Ja, hieregouverneere de wyfde man, en zy regeerede huis, wel foei! dat waare maar een honsvotte in onze land; Deman moete daar altyd miestere wees, en datte ga ook rekt, devrouw moette altyd zwygen, En ook krygz’ wel slaag in plaats van eet. LEONARD. Hoe staatje dat aan, Katryn?slagen in plaats van eeten te krygen. KATRYN. Wel, Sinjeur, wie zou om zulkpoddevleis te markt willen gaan, dat zyn maar zottinnen, Die alle and’re vrouwen schanden aandoen, en’er eigen zelfs maaken tot slaavinnen, LEONARD. Watis dat voor ien, die grootstedie binnen is? JURJE. - AMonfieur, datte is mon coufin Nicola. KATRYN, Ishygetrouwd? JURJE. DOOR LIEFDE. 25 JURJE. Watte, ketrouwt? ’t ifsse nock eenjongman: Maar, ze benne een braaf kaarle, dat verzekerejou, hy is van Mommeljan, (kulde. Hy zou kien Hollandze vrouw bekeere met kien honderdduzen LEONARD. Ja, honderdduizendgulden, daar staat zyn gat wel na. KATRYN. (gulden. Wel, hymoeftweldol weezen, die hem met strond liet ver- LEONARD. Nou, Gringalon, workke, haaste, haaste, het duurezo lang, wy moeten ’er deur raaken, Het worde al laat. hoor, Katryn, blyfjyhieroverdedeur leggen, ikga eens nabinnen, en zien hoe dat het deSchoorstienveegers al maaken; Maar, port hem wat aan. KATRYN. Wel, Sinjeur. TWAALFDE TOONEEL. KATRYN, JURJE. KATRYN. Urje, dat moet ik zeggen, je bent jeHeer al eengetrouw gezel, (nade kunst heel wel. En zonder jok, hy quam ’er nietdeur, je speeldje rol wonderlyk Hoe, legje noch al en futzeld, en arbeid metdie touwen? JURJE. OKatryn, dat is maergemaakt werkgeweest, omhemhier aan dedeur, en van acht’ren te houwen; OmdatmynHeer meêr vryheid zouhebben, endoor zyn spraak niet zou wordenbekent. Zacht, daar komen die andere Schoorsteenveegers aan, Katryn, hoorje ze wel, ze zyn hier al ontrent. Kom wakker, hoord ze eens luid en laelyk roepen. KATRYN. Ikverlanghoedathemdit werk zal toedraagen. : Watje nou weer zult verzinnen. JURJE. Kombinnen, kom binnen. 26 De SCHOORSTEENVEEGER, DARTIENDE TOONEE L. GLAUDE, ANTOON. } Glaude en Antoon komen alroepende aan, Sjou, Sjou. S Jou, Sjou. GLAUDE. ANTOON. (moctekoom? (gen, Sjou. Glaud, waar hette de meid kezeid, dat wy GLAUDE. ’tMoet hier ontrent zyn, laaten we hier eens vraa- Of roepen we hier noch eens, licht kykt’er wel iemand uit. ANTOON. Sjou, Sjou, neen, ikke zie niemand uite kyk. GLAUDE. Ze praate van myn Heer Leonard, en na myn onthoud, zo moet het hier weezen, na datze men heeft beduit. Ikke zel hier eens kloppe. ANTOON. VEERTIENDE TOONEEL. GLAUDE, ANTOON, LEONARD, over de deur. ANTOON. Yn Heer Leonard, woone die hier? LEONARD. M Welja, ANTOON. Komme, dan moette wye hier wees. LEONARD. Wel, waar wil jeheen, ik zeg dat jezeldblyven staan. GLAUDE. Wy komen omde Sehoorsteenen te veegen, myn Heer. Zydringen tegenhem aan in huis, by houd zetegen. LEONARD. Wel maarwat mienje, dat ik zo zestig, zeventig, oftachtigSchoorsteenenheb ? ikheb jou niet van doen. ANTOON. Maar myn Heer, hoe zelle ditte dan gaan? Jouwe Meid hebbe ons absolutement besprooke, en ankenoome, En datte wy zou oppas, om present op deze tyd hiere te kome. Daarom roepjejou Meid maar, aszejouwe believe, zy zelle wel betere weete. LEODOOR LIEFDE. [p. 27] LEONARD. Maar wy hebben ons rechte volk in ’t werk, twee daar van zyn onder, en een ander heeft wel een uur in de Schoorsteen gezeeten. ANTOON. Ik bid je, my Heer, doed ons die satisfactie, en roepe de Meid, ik spreeke immers mette fatzoen. LEONARD. Wel wat leid my dat volk hier en bruid? ik zeg je, dat is immers klaar, dat ik je niet en heb van doen. Brus heen, of ik maak je voeten, dat het jou zal heuge. ANTOON. Monsieur, dat zyn dinke die niette deuge. GLAUDE. Maar roep je Meid eens. LEONARD. Katryn, Katryn.

VYFTIENDE TOONEEL.

LEONARD, GLAUDE, ANTOON, KATRYN.

KATRYN. WAt belief je, Sinjeur. LEONARD. Zyn dit de Schoorsteenveegers, die jy flus aangenomen hebt, en besprooken? Bezietze te degen. KATRYN. Neen, Sinjeur, dat zyn ze niet. ANTOON. Wat zek jy, jou vark, is dat gelooke? Zeid jye niet, datte ikeen stuk groene kaas oppe broodte ate, hoe kanne jy datte zo drook in je lyf kryge? GLAUDE. En heb jy myn kind, dat by my stond en kreet, niet een duit in de hand gesteeken, dat het zouw zwygen? KATRYN. Wyhebben ons volk al. ANTOON. Maar, Monsieur, wat volke isze, zyne duits, ofte van watte aards? [p. 28] LEONARD. Zekromtongenalsjy, ’t zyn alle drie Savojaards. GLAUDE. Savojaarts, mynheer?doed ons de courtoisie vanhaar te roepen, wy zelleze wel kennen. LEONARD. Hoor, Katryn, gaat achter, en laat die twee voor komen, om te zien ofhetde rechte bennen. Wel, Sinjeur. KATRYN. JACOMO. Neene, myn Heere. JURJE LEONARD. Nou zel je ze zelfs zien en hooren. ZESTIENDE LEONARD, GLAUDE, ANTOON, JACOMO, TOONEEL. (verstand. JURJE, KATRYN, LEONARD. Hebje kennisaandatvolk beziet zevry iens met Wykennedieniete, Monfieur, datte is kien volk uitte (onzeland. LEONARD. Benjy lui Savojaarts? Ja, myneHeere. JACOMO. KATRYN. Benjy ook geen Savojaarts? Ja, hy is een rechte Savojaart. GLAUDE. JURJE. Ik zal hem eens Savojaards aanspreeken. LEONARD. ( Spreektdan eens tegen malkanderendat we’thooren; Furjespreekt een verwardetaal, en de anderefpreeks recht Savojaards. ANTOON. De duvel, is dat Savojaards? ’t is kauwediefstaal. JURJE. Dattedoet, dattejeniette verstaat. 1 ANDOOR [p. 29] ANTOON. Niette verstaat? ik benne Savojaarts kebooren. GLAUDE. Uitwat stad ben jelui van daan? ofwaar benje thuis? hier inde stad? zeg dat, men zal hetdan wel uitvinden. Zezyn onder ons niet bekend, licht Gaauwedieven, altyd geen Schoorsteenveegers. JURJE. Kom, laate wy ziene wie de stokkebest draage, en roepe. GLAUDE. Goed, maat, derfjy dat onderwinden? Wyzyn gereet, ziet daar, dat gaatje voor, sjou, sjou. nou is’t joului beurt. JURJE EN JACOмo, gelyk. Sjou, sjou. ANTOON. Myn Heer, hebbe nu kehoor, hoe state jou aan? Wy zekke, sjou, sjou, en zy roepe schou, schou, endattedeuge- LEONARD. (niete. Ik kom hier niet uit, ik beken dat ik het niet kan verstaan. Maarwat dronkekaronje van een wyf komt daar aan? ZEVENTIENDE TOONEEL. LEONARD, JACOMO, JURJE, GLAUDE, ANTOON, KATRYN, MADELEEN. T MADELEEN, met een mes inhand. Ou, schelm, jouwyvebeul, nou loopt hy heen, dat ik je hier had, ik zoud je, dat zweer ik, betaalen. Dat past ’ er op, ik zel je met dat mes, je wang, van boven tot ’Khebdoch nou een halve brui weg, ’kwou maardat ik je in aanje kin toe op haalen. deze furie hier had, Ik mien dat ik je taisteren zou. GLAUDE. dronke gat? ’TisGjiel zyn vrouw, hoe of ze hier komt met ’er Madeleen, leg dat mes vanje, hoe kom je hier? MADELEEN. Daar leiddandebrui. ik zoek myn man, daar is werk voorhem, ik benhalf dronken, [p. 30] We hebben flus een Heerschop met zyn knecht in schoorsteenveegers kleêren gesteeken, en die heeft ons beschonken, Ennou moet ik myn man gaan zoeken, ze zyn nu hier ontrent zoze beduijen. GLAUDE. Nou zeld hem van zelfs wel ontwarren, na dat ik merk. Benjedaar.... Maar zelle..... MADALEEN, tegen Jurje. JURJE. MADELEEN. Houw, ruim opjou Kanailje, mynHeer, is myn manhier? LEONARD. Jou man? wie isjou man? is die hier? MADELEEN. Welja, ’t is een klein mannetje, ’t is dronken. GLAUDE. Hoe isGjiel hier in ’t werk? LEONARD. Datweet ikniet, maar, een kleine dronke ventje, daar hoor ik hem: Ziet maar van buiten, licht zel je hem op de schoorstien wel zien. beezig weezen. GLAUDE. Waarachtig, daar staat hy, Gjiel, Gjiel, alon en ba, za vitemen. nou zel men wel haast uit een ander boekje leezen. Ik heb het hiele werk al gevat. JURJE. Ze benne niet, Gjiel, ik zelle..... ACHTIENDE TOONEEL. LEONARD, JACOMO, JURJE, GLAUDE, ANTOON, KATRYN, MADELEEN, GJIEL. ANTOON. GJiel, jou twie maat, watte is datte veur volk? spreeke maar rekt uit. LEONARD. Ja, zeg het maar zo als het leid. GJIEL. Mynheer, ik refereer myn aan Monfieur, offezynknekt. LEODOOR LIEFDE. 3 Ha! ha! LEONARD. JACOMO. En ik refereere my, myn Heer, aan u verzekering, en beloften my toegezeid. Ik hebje Dochter gesprooken. LEONARD. Welde Duivel! waarachtig, ik beminje nou noch te meêr, ot jeaardigeuitvindinge en je verstand. Xatrny, roept Klaartje. KATRYN. Jufvrouw, Jufvrouw. NEGENTIENDE TOONEEL. LEONARD, JACOMO, JURJE, GLAUDE, ANTOON, GJIEL, MADELEEN, KLAARTJE, KATRYN. LEONARD. ZIet daar, ontfangt myn Dochter nu van myn eige hand. KATRYN. Veel geluks, men Heer en Jufvrouw. En veel geluks ’er meê. KLAARTJE. Ik dankje, Papa. lyken. toe hooren, en op kyken. JURJE. Myn Heer, en Madamoizelle ik wens je van ge- Dit zel wat wonder wat nieuws zyn, wat zellen ’er veel vremd LEONARD, tegen Glaude en Antoon. Nu, wil jy met je beiden in treeden, in’t werk ’tgeen noch is Aft e doen, zo ben je nou de naasten daar toe, en je moogt na ongedaan? binnegaan, JURJE. Dit zal veel omzichtigheid verwekken in veelen, en and’re zullen konnen anmerken, Wat het verstand vermag, en al uit kan werken. UIT.