AngelkotSoliman1689[01 p. 1]SOLIMAΝ.TREURSPEL.Uit het Frans van de Heer DE LA TUILERIE.[Gravure]t’AMSTERDAM,By de Erfgen: van Jakob Lescailje, op de Middeldam,op de hoek van de Vischmart, 1689.Met Privilegie. [02 p. 2 blanco] [03 p. 3]Copye van de Privilegie. DE Staten van Holland ende Westvriesland doen te weeten. Alzo Ons vertoond is by de tegenwoordige Regenten van de Schouwburg tot Amsterdam, Dat zy Supplianten zedert eenige Jaaren herwaarts met hunne goede vrinden hadden gemaakt en ten Tooneele gevoert verscheiden Werken, zo van Treurspeelen, Blyspeelen als Klugten, welke zy lieden nu geerne met den druk gemeen wilden maken: doch gemerkt dat deze Werken door het nadrukken van anderen, veel van hun luister, zo in Taal als Spelkonst zouden komen te verliezen, en alzo zy Supplianten hen berooft zouden zien van hun byzondere oogwit om de Nederduitsche Taal en de Digtkonst voort te zetten, zo vonden zy hen genoodzaakt, om daar inne te voorzien, ende hen te keeren tot Ons, onderdanig verzoekende, dat Wy omme redenen voorsz. de Supplianten geliefden te verleenen Oktroy ofte Privilegie, omme alle hunne Werken reeds gemaakt, ende noch in ’t ligt te brengen, den tyd van vyftien Jaaren alleen te mogen drukken en verkoopen of doen drukken en verkoopen, met verbod van alle anderen op zeekeren hooge peene daar toe by Ons te stellen, ende voorts in communi forma. Zo is ’t dat Wy de Zake en ’t Verzoek voorsz. overgemerkt hebbende, ende genegen wezende ter bede van de Supplianten, uit Onze regte wetenschap, Souveraine magt ende authoriteit dezelve Supplianten gekonzenteert, geaccordeert ende geoctroieert hebben, conzenteeren, accordeeren ende octroijeeren misdezen, dat zy geduurende den tyd van vyftien eerst achter een volgende Jaaren de voorsz. Werken die reeds gedrukt zyn, ende die van tyd tot tyd door haar gemaakt ende in ’t ligt gebragt zullen werden, binnen den voorsz. Onzen Lande alleen zullen mogen drukken, doen drukken, uitgeven en verkoopen. Verbiedende daarom allen ende eenen ygelyken dezelve Werken naar te drukken, ofte elders naargedrukt binnen den zelve Onzen Lande te brengen, uit te geven ofte te verkoopen, op de verbeurte van alle de naargedrukte, ingebragte ofte verkogte Exemplaaren, ende een boete van drie honderd guldens daar en boven te verbeuren, te appliceren een darde part voor den Officier die de calange doen zal, een darde part voor den Armen der Plaatze daar het cazus voorvallen zal, ende het resteerende darde part voor den Supplianten. Alles in dien verstande, dat wy de Supplianten met dezen Onzen Octroije alleen willende gratificeren tot verhoedinge van haare schaade door het nadrukken van de voorsz. Werken, daar door in geenige deelen verstaan, den inhoude van dien te authorizeeren ofte te advoueeren, ende veel min de zelve onder Onze protektie ende bescherminge, eenig meerder kredit, aanzien oft reputatie tegeven, nemaar de Supplianten in kas daar in yets onbehoorlyk zoude mogen influeeren, alle hetzelve tot haren laste zullen gehouden wezen te verantwoorden; tot dien einde wel expresselyk begeerende, dat by aldien zy dezen Onzen Oktroije voor de zelve Werken zullen willen stellen daar van geene geabbrevieer- [04 p. 4] de ofte gecontraheerde mentie zullen mogen maaken, nemaar gehouden zullen weezen het zelve Octroy in ’t geheel ende zonder eenige Omissie daar voor te drukken ofte te doen drukken, ende dat zy gehouden zullen zyn een exemplaar van alle de voorsz. Werken, gebonden ende wel geconditioneert te brengen in de Bibliotheecq van Onze Univerziteit tot Leiden, ende daar van behoorlyk te doen blyken. Alles op poene van het effekt van dien te verliezen. Ende ten einde de Supplianten dezen Onzen Conzent en Octroije mogen genieten als naar behooren: Lasten wy allen ende eenen ygelyken die ’t aangaan mag, dat zy de Supplianten van den inhoude van dezen doen, laaten en gedogen, rustelyk en volkomentlyk genieten, en cesserende alle beletten ter contrarie. Gedaan in denHaage onder Onzen grooten Zegele hier aan doen hangen den xix September in’tJaar onzes Heeren en Zaligmakers duizent xes honderd vier en tachtig.G. FAGEL.Ter Ordonnantie van de StaatenSIMON van BEAUMONT. De tegenwoordige Regenten van de Schouwburg, hebben het recht der bovenstaande Privilegie, voor dit Treurspel, vergund aan de Erfgenaamen van J. Lescailje.Den 16 May 1689.______________________________________________________ VERTOONERS. SOLIMAN, Keizer der Turken.ROXELANE, Keizerin.ASTERIA, Dochter van Soliman, van een andere Keizerin.CELONIDE, Minnares van Ibrahim, en beminde van de Keizer.IBRAHIM, Groot Vizier.ACHOMAT, Bassa, minnaar van Asteria, en vrind van Ibrahim.RUSTAN, Bassa, vertrouweling van Roxelane.FATIME, vertroude van Roxelane.ZAÏDE, vertroude van* Celonide.CAPIGI of KAPITEIN.Gevolg. Het Tooneel is te Constantinopolen, in hetHof van het eerste Serrail. [05 p. 5]SOLIMAN.TREURSPEL.______________________________________________ EERSTE BEDRYF.EERSTE TOONEEL.ROXELANE, RUSTAN. ROXELANE.’k BEken het, Rustan, ’k heb te lang voor u gezwegen.Ik deed u ongelyk, en was my zelve tegen;’k Had wel gedaan, had ik u eêr de smart ontdekt,Die heerschzucht tot dit ryk, in myne ziel verwekt;(5) Maar hier regeer ik, hier mag ik u vry verklaaren,Wat reden myn gemoed met zo veel vrees bezwaaren.’k Moet Ibrahim zo diep in ’s Keizers gunst zien staan,Dat hy die met my deeld. dit hitst myn gramschap aan.Denk of een Keizerin als ik, zulks kan gedoogen?(10) Fier, nydig op myn magt, en van zo groot vermoogen.Gy kent nu Roxelane. ach! Rustan, denk wat smart,Wat bitt’re smaad dat baard in myn verheven hart,Dat ik ’t gezag hier met een vreemdeling moet deelen,Ik, die niets zoek als hier meestres alleen te speelen,(15) Die ’t spyt dat Soliman my zelfs de wetten stelt.RUSTAN.Help de Vizier van kant, wiens vrees uw ziel zo kwelt,Mevrouw, ik was dus lang het hoofd van uw vertrouden.Gebiê my. op myn hulp moogt gy u zeker houden.Deeze arm zal uwe magt herstellen en myn staat.(20) Weet, dat ik Ibrahim meêr als gy zelve haat. [06 p. 6]En, wyl ik nu myn hart heel voor u bloot moet geeven,Verzeker ’t u, Mevrouw, hy zal niet langer leeven.En ken ’er de oorzaak van. ’t is u bewust geweest,Dat ik wel eertyds iets vermogt op ’s Keizers geest.(25) Maar ’t was u nooit bekend, hoe Soliman, genegenTot myn geluk, dat zocht door allerhande wegen.En met toestemming, my, van de eerste SultaninErise, ’t eenig pand vergunde van haar min;En door Asteria myn heil scheen vast te zetten;(30) Als Ibrahim die vreugd ontydig quam beletten.En van des Keizers gunst zich meester maakte alleen;En bragt te weeg, dat hy, ondankbaar, aan al ’t geenIk ooit gedaan had, my Asteria ontroofde.En haar, tot myn verdriet, aan Achomat beloofde.(35) Hoe meent gy doch dat my die ongunst, en die smaat,Aan ’t hart ging? denk hier uit, Mevrouw, myn woede en haat.Zo gy die keurd voor goed, is Ibrahim verlooren.ROXELANE.’k Schep adem, Rustan, Nu ik uwe haat mag hooren,Tot welken schoonen hoop brengt die myn groots gemoed!(40) ’k Vertrouw op u, kom aan, laat ons een vaste voetBeraamen, tot bederf van Ibrahim, maar zoekenHem door bedekte list in ’t eerste te verkloeken.Want, schoon men in zyn dood al groot belangen steld,Ik raâ niet, dat men ’t doe met openbaar geweld.RUSTAN.(45) Verkies vergif of staal, Mevrouw, hebt gy voor dezenGezien hoe trouw ik u in alles pleeg te weezen,Toen Selim moest van kant. laat my noch eens begaan.Laat al uw hoop, en al de handel op my staan.Laat my met Ibrahim myn zin doen. hy zal sterven.ROXELANE.(50) Hy geeft zelf midd’len, om zich zelve te bederven.’t Luk is ons gunstig. en zyn Celonide zalHet werktuig zyn, dat hem zal brengen tot zyn val, [07 p. 7]Door een meêminnaar en, wilt gy, dat ik ’t u toone:De groote Soliman bemind die vremde Schoone,(55) En, de Vizier alleen, staat vast in haare zin.Maar ’s Keizers vrindschap stryd in ’t hart noch met zyn min.Doch, Rustan, dit ’s een stryd die maar een dag zal duuren.Zo dra hy weêr zal zien de aanlokkelyke vuurenVan Celonide, zal de min weêr meester zyn,(60) Hy is hier Oppervoogd, en wie zal in die schynHem tegenstaan: en wat komt liefde niet te boven:Die zal de vrindschap licht van Ibrahim verdooven.Hy is niet hier, zy is beminnelyk: hy kan,Wanneer ’t hem lust, haar zien: en ik ken Soliman.(65) Zyn liefde is Ibrahims bederf. om die te vleijen,Moet gy zyn hart met list staag tot die liefde leijen:Hem al ’t betoverend vermogen pryzen aan,Waar meê die Vremde Schoone elks liefde maakt aan ’t gaan.Zeg hem, dat Ibrahim, in al zyn heldendaaden;(70) In dagelyks dit ryk met lauw’ren te overlaaden;In ’t veld, door zyne hand, bezaaid te zien met doôn;In dwingelanden af te werpen van hun troon,En die geketend voor zich in triumph te voeren;In Koningryken door zyn wenken te beroeren,(75) Juist al zyn heil niet steld: maar, dat het meest bestaatIn Celonides gunst, en dat zy hem niet haat.Dat hy, op de eer van aan die Schoone te behaagen,Veel meerder roem, als op zyn grootste winst mag draagen.Wek dat gevaarlyk vuur zo op in zyn gemoed,(80) Dat de eene minnaar tegen de and’re woeden doet.Zoek die gehaate band van vrindschap uit te roeijen,Met minnenyd in ’t hart des Keizers te doen groeijen.Daar is hy op zyn teerst. verzeker daar myn wraak.RUSTAN.Mevrouw, wat zegt gy! ach! wat ongehoorder zaak!(85) Moet ik alzo myn pligt tot uwe wraak besteeden? [08 p. 8]Met Solimans gemoed tot ontrouw te overreeden?En dat noch tegens u! weet gy dan anders niet?ROXELANE.Geloofd gy, dat my dat zou strekken tot verdriet?Dat ik de Keizer my al niet getrouw zag weezen?(90) Hy zy niet trouw; meent gy dat ik daar voor zou vreezen?Begeert gy dat ik niet als in zyn hart regeer?Ei! neen, laat zy daar vry gebiên, ’k gun haar deze eer.Ik kies de troon, en wil haar voor die prys graag koopen.RUSTAN.Zou ik, zou ik een deur tot ’s Keizers min doen open,(95) Mevrouw! hoe! wilt gy dan dat Rustan u verraad?Of zoekt gy licht, dat hy u oorzaak geef tot haat?ROXELANE.Gehoorzaamd gy my niet, myn ziel zal my begeeven.Indien dan uw geluk belang neemt aan myn leeven,Zo dien myn staatzucht, niet myn liefde, en weet myn vrind,(100) Dat gy niets spaaren moet, zo gy myn grootheid mind;Dat Roxelane wil, of sterven, of regeeren.RUSTAN.Mevrouw, de Keizer komt.ROXELANE.Zwyg, Rustan. laat ons weerenDat hy niet by ons koom. hy ziet ons niet, geef tydAan zyne liefde, daar hy reeds in ’t hert meê stryd:(105) Waar uit ik al myn heil en welstand meen te wachten.RUSTAN.Mevrouw, hy naderd ons. TWEEDE TOONEEL.ROXELANE, SOLIMAN, RUSTAN. ROXELANE.WAt is ’t, dat de gedachtenVan zyne Majesteit bedroefd? wat let myn Heer?Zou licht de hemel ’t luk van Tachmas heir wel meêr [09 p. 9]Begunstigen? en uw voorneemens tegenstryden?(110) Gy schynt heel ongerust.SOLIMAN.Mevrouw, ik moet belydenEen wreede kwelling heeft myn ziel geheel verward.Die kan ik nergens door verwinnen, en myn hartDoet groote pooging om die van zich af te weeren.Niet dat het blind geluk myn zege in ’t veld komt keeren,(115) Of myne hoop bedriegt. neen! door het kloek beleid,Des trouwen Ibrahims word steeds myn naam verbreid:Die, waar hy komt, verwind: die zelfs, tot aan de wallenDier stad, den Sophi met zyn heir durft overvallen,Daar die hovaardige zyn laatste toevlugt heeft.(120) Maar door de luister die hy aan myn grootheid geeft,Doet hy my tegens hem te lang ondankbaar weezen:En ’t is een misdaad, die een grootze ziel moet vreezen,Een oogenblik maar met ondankbaarheid in strydTe blyven. Ibrahim, ach! Ibrahim verwyt(125) My steeds zyn afzyn van de schoone Celonide.My dunkt, sy perst my, dat ik hem weêr t’huis ontbiede.En leevende ongerust, bid hy vast, onder ’t slaanVan Tachmas leger, die volmaakte schoonheid aan.En zy, die ik, gelyk gy weet, heb hier doen haalen(130) Om myne schuld hem door die schoone te betaalen,Met haar te binden door een heil’ge huwlyks band*;Zit vast bedroeft, vervreemd van hem, en van haar land.Wyl zy, rampzalig, door deeze oorlog, haar begeeren,En ik, de vrindschap van haar minnaar moet ontbeeren,(135) Die vast alleen de last van ’t heele leger draagt,En vleid zig met de hoop van die zyn ziel behaagtHaast weêr te zien. terwyl ik t’elkens in myne oorenTot hier zyn zuchten uit het leger schyn te hooren.ROXELANE.Zyn Majesteit, te licht geloovig aan het leed(140) Van Ibrahim, is al te haast tot rouw gereed,En pynigd zig te veel met ongerustig klaagen.De roem die hy verkrygt in ’t leger alle dagen, [10 p. 10]Vergeld hem ruim genoeg ’t gevaar van zyne min.Myn zugt tot uw belang voert my zo ver hier in:(145) En ik verdraag, met leed, dat gy, die hier de wettenIn ’t magtige Ottomans gebied alleen kund zetten,Hier by uw Koningin, die u zo teêr bemind,Van rouw verkwynt, om een die zig licht minder bindAan zyne smart, als gy.SOLIMAN.Gy kond my lang bekooren,(150) Door uwe goedheid. ’k zalze erkennen na behooren,Mevrouw, hou de onrust my ten beste, die ik ly.Ik kan die zonder schuld niet zetten aan een zy.Die Ibrahim, steeds in zyn pligt voor my zo vaardig,Is deze zorg, die ’k voor zyn liefde draag, wel waardig.(155) ’k Wil Celonide zien, en uit myn ziel de rouw....Ga, Rustan; zeg ’t haar aan. Vertrek gy meê, Mevrouw.Gy zaagt my al te lang ontroerd. ’k schaam my, met reden,En dank u voor uw zorg, en edelmoedigheden.ROXELANE.’k Vertrek, myn heer, en hoop, dat Celonide uw hart(160) Haast vry zal maaken, van die kleene vrees en smart. DARDE TOONEEL. SOLIMAN alleen.ACh! wat kan my van deze ontroering dog bevryden!Zo ’t niet die oogen zyn die my myn leed doen lyden!Ja, Celonide, ik voel ’t, herstelt alleen een hart,Dat liefde door haar kracht beschroomt maakt, en verward.(165) Zy heeft de magt alleen om ’s Keizers lot te leiden.Maar, hemel! tot wat stryd gaat zig myn ziel bereiden!Hoe! Soliman, waar toe brengt u onwaarde min?Wat minnaar roofd gy met geweld zyn zielsvrindin?En welkers hart zoekt gy tot wanhoop te vervoeren? [11 p. 11](170) Kund gy ’t wel denken, laffe, en zonder u te ontroeren?Onzalig Keizer, ’t hart dat gy zo fel verscheurd,Is ’t hart van Ibrahim, die u het hoofd opbeurd:Die u uw ryk hersteld: u doet ontzien, en vreezen.Zal dat het loon voor zyn getrouwe diensten weezen?(175) Gaan wy met moed een min zo doodelyk te keer.Dat ben ik schuldig aan myn eeden, en myn eer.’k Ben ’t schuldig aan hen beide: en noch.... maar zacht, myn zinnen:My kwytende aan de twee gelieven, in hun minnen:Ben ik myn zelve dan niets schuldig? moet het zyn(180) Dat wy een ander in zyn hartstocht, en zyn pyn,Ten dienst staande om zyn lust, onze eigen lust verraaden?Neen! ’k luister na een raad te veel, die my zou schaaden.Ik ben myn zelve ’t naast. al liep ik lyfsgevaar,’kVolg Celonides min. Maar, Soliman, is ’t waar?(185) Vergeet een Keizer zo zig zelf? gy zyt bedroogen,Verblinde, hoor na rede, en open eens uwe oogen,Voor wie hebt gy doch hier deez’ Celonide ontboôn?Was ’t niet voor Ibrahims triumphen tot een loon?Zult gy dan trouwloos uw beloften wederspreeken?(190) Gy gaaft uw woord: wie kan dat woord u weêr doen breeken?Is het de liefde? ontfangt uw lust niet, jaar op jaar,Van honderd plaatzen, zo veel schoonheên by malkaar?Een schatting, die men aan u schuldig is te schenken.En gy, verachtende al die schoonen, durft noch denken(195) U te verpanden aan een and’re, met uw zin:U maakende op uw beurt, zelfs synsbaar aan de min.O ydel overleg, dat in myn hart doet groeijenEen felle knaaging, die ik doch niet uit kan roeijen:En die myn oogen niet en opend, als om meêr(200) Dat steil te toonen, daar ik straks af stort ter neêr.Maar daar komt Celonide, ik voel myn ziel en leden,Door nieuwe ontroering, weêr op haar gezicht bestreden. [12 p. 12]VIERDE TOONEEL.SOLIMAN, CELONIDE, ZAÏDE. SOLIMAN.MEvrouw, van de angst die my ontroerd, en die gy meêGewaar word, zocht ik u te spreeken op deez’ steê.(205) Gelukkig was ik, zo gy, zonder tegenstreeven,Aan my een gunstig oor, tot dit geheim woud geeven.CELONIDE.Dorst ik wel zonder vrees genaaken uw gezicht,Had ik myn schuld by u vergeeten en myn pligt?Van waar komt, in uw hart, dat onrecht dan gereezen,(210) Om te vermoeden dat ik kan ondankbaar weezen?Maar, Heer, wat zorg vervoert uw hart doch tot verdriet?Ontbreekt ’er iets aan uw geluk? wykt alles nietVoor uwe magt? elk houd uw grootze naam in waarde.Uw Keizerryk beslaat byna al ’t rond der aarde.(215) Gy steld, door uw geluk, zelfs Koningen de wet;Die gy, wanneer ’t u lust, weêr van haar troonen zet.Voor zulken Keizer, spreekt een maagt, niet zonder beevenVan een groot oorlogsman, die, onversaagt, zyn leevenWaagt voor uw troon: een held, die, zonder ongelyk,(220) Geen kleene steun strekt aan het Ottomanse ryk.SOLIMAN.Noem hem, Mevrouw, waarom dien man zyn naam verzweegen?Dien held, die in uw ziel zyn woonplaats heeft verkregen.Gelukkiger, dat hy daar heerscht, als ik ben, die’t Heele Ottomans gebied steeds voor my beeven zie.(225) Ga voort, maak my beschaamt. geef my noch feller slagen.Doe my de straf van myn ondankbaarheden draagen.CELONIDE.Van uw ondankbaarheên! ô hemel! in wat schyn.... [13 p. 13]Aan Ibrahim kund gy geenzins ondankbaar zyn.Uw eer, de rede zelfs, doet my dit nooit gelooven.(230) De groote Soliman, zou die zyn roem verdooven?Houd hy dan eind’lyk op, om te eeren, als ’t behoord,Een held, wiens wond’re lof de hemel zelf bekoord?SOLIMAN.Ik bid hem aan, Mevrouw, ’t zou my ook eeuwig rouwen,Wilde ik dien oorlogsheld zyn achting ooit onthouwen.(235) Maar, doe ’k aan u en hem daarom te minder kwaad?Ach! ’k offer u maar op aan ’t welzyn van myn staat.Als u de min verëend, ben ik het, die u scheide?’k Stel een geluk uit, dat het huuw’lyk u bereide.’k Ontsteel u, dat gy niet in duizend lusjes leeft,(240) Die ’t byzyn, dag op dag, aan twee gelieven geeft.Daar, eindelyk, Ibrahim myn magt alom doet vreezen,Laat ik hem kwynen, ver van uw bevallyk weezen.CELONIDE.Ach! ik schep adem, Heer, myn bange hart, verheugtDoor nieuwe hoop, staat heel verwonderd van uw deugd.(245) Maar, wild een minnaares haar driften doch niet achten,Die zinneloos, zo haast niet ziet in uw gedachten,Wiens licht geloof, gewis al wat te ver gegaan,Uwe edelmoedigheid veel heeft te kort gedaan,’t Is noodeloos, aan ons u zo ver te verbinden.(250) ’t Is noch te veel, dat wy genade voor u vinden.Al ’t bloed van Ibrahim, voor deze staat gestort,En’t myne, komt noch in voldoening ver te kort.SOLIMAN.Die drift, die u zo in myn byzyn kan vervoeren,Komt myn gedachten noch, met meêr geweld, ontroeren.(255) Ik ken my naauw’lyks, myn verwarde geest.....CELONIDE.Myn Heer,Hou op, in ’s hemels naam, ontrust u doch niet meêr.Vrees niet voor Ibrahim. een liefde is niet verheevenZo lang zy onrust kan in ’t hart des minnaars geeven, [14 p. 14]Die zig niet voed, als met begeerte tot de zaak,(260) En dikwils kwynen gaat in ’t midden van ’t vermaak:Die zig niet kan, als met zyn ongeluk beraaden,Die ’t afzyn omzet, die zyn lust maar wil verzaaden.Een held, die door de min gesteunt word, en verlicht,Pleegt met de rede raad, en wykt steeds voor zyn pligt.(265) Moet hy, voor u, op nieuw een oorlog weêr beginnen:Of Koningen, aan ’t eind des waerelds overwinnen:Of onder, uw banier, gaan sterven, voor uw eer:Spreek. Ibrahim is tot uw dienst gereed, myn heer.Schoon ik wat onbedacht zyn trouw schyn uit te meeten,(270) Ik min dien held te veel, om dat niet wel te weeten.Ja, tegens dank zelf van de min, en van zyn lust;Niets zal hem aarslen doen: myn trouw is hem bewust.Zo ik maar ’t loon mag zyn van zyne heldenstukken,Laat dit wreed afzyn ons dan noch vry tien jaar drukken.(275) Dan zult gy zien, myn heer, dat geen verdriet noch tydOp zyne weêrkomst, ooit volmaakte liefde slyt.SOLIMAN.’t Is al te veel, Mevrouw om langer te weêrstreeven,Heeft rede op myn gemoed te veel geweld bedreven:De teed’re drift, die van myn oordeel meester is,(280) Maakt, dat ik, tegens dank, doe deez’ belydenis:Ik min u.CELONIDE.Ach! myn heer.SOLIMAN.Mevrouw, ei! hoor myn reden:’k Heb tegens deze min lang in myn ziel gestreden.CELONIDE.Hoe kan dat zyn, myn heer?SOLIMAN.Vergeefs beklaagt gy u.’k Heb honderdmaal my zelfs gezeid, ’t geen gy my nu(285) Wild zeggen; ’k ga my zelf en Ibrahim verraaden:Ik weet, ik voel het; maar ik min: al zou ’t my schaaden.En ly meêr pyn, terwyl ik ’t u te kennen geef, [15 p. 15]Als gy wel vreugd schept, dat ik reeds in wanhoop leef.Want,’k lees ’t al in uw ziel, en ’t is heel licht te duchten(290) Dat ge, in ’t trotzeeren, roem zult stellen, van myn zuchten.Maar, wyl ik zo veel heb gedaan, en u beleênEen kwaad, daar ’k honderdmaal ter dood om heb gestreên,Eer dat ik iets, ’t geen u mogt deeren, openbaarde;Weetdat ik zo getrouw zal zyn, als een op aarde:(295) En denk, dat, schoon gy al trotzeerd myn ongenucht,Geen Turkze Keizer ooit vergeefs van liefde zucht.Beraâ u hier op. VYFDE TOONEEL.CELONIDE, ZAÏDE. CELONIDE.IN wat poel van ongelukkenWerpt my ’t bedroefd geval! wat ramp komt my verdrukken!Zaïde, aan wat verdriet is myne ziel gehecht!(300) De Keizer mind my, ach! hy heeft het my gezegt.Hoe! onderwerpt hy zich dan eindelyk de liefde?Doch, ’t kan wel zyn, dat die maar eerst zyn hart doorgriefde.Dat hy tot noch toe, zich maar inbeeld dat hy mind.’t Welk straks de reden doet verstrooijen in de wind.(305) Helaas! wat zal ’t gevolg van deze liefde weezen!Ibrahim. Soliman... wat is myn ziel vol vreezen;Waar kom ik toe? denk ik op ’t eind, ik ben vol schrik.Ik zoek Asteria, en onderstaa, of ikZo ver tot myn behoud een dochter kan verpligten,(310) Om by de vader, tot myn heil, iets te verrichten. Einde van het eerste Bedryf. [16 p. 16]TWEEDE BEDRYF.EERSTE TOONEEL.ASTERIA, CELONIDE. ASTERIA.HOe! Celonide geeft haar over aan haar rouw,En ik weet niets van al haar rampspoed. ei! mevrouw,Waarom zultge iets voor uw Asteria verbergen?Gy doed my onrecht: spreek. wilt gy myn vrindschap tergen?(315) In ’s hemels naam, ei! spreek. verklaarme uw ongeluk,Op dat ik u vertrooste, of deel neem in uw druk.CELONIDE.Helaas! mevrouw, wat slag is ’t die my aan komt klampen!De Keizer heeft alleen de schuld van al myn rampen.ASTERIA.Myn vader? hemel! ach!CELONIDE.Ja: Soliman, ô smert!(320) Werkt al het kwaad uit, dat zo fel my gaat aan ’t hert.Myn meening was zo ver van u myn kwaal te zwygen,Dat ik u zoeken ging, om hulp van u te krygen.Ik koom, en val, mevrouw, u weenende te voet.Gy zyt alleen myn hoop in al myn tegenspoed.ASTERIA.(325) Ei! schrei niet meêr: en wilt my maar te kennen geevenWat u ontrust; wat heeft de Keizer u misdreeven?CELONIDE.Hy mind my, ach! mevrouw! hy heeft het my gezegt.Gy kend myn hert. dat ’s u genoeg. help my te recht.ASTERIA.De Keizer mind, u, ach! hoe kan ik dit gelooven?(330) Zou Soliman alzo zyn eer en naam verdoven?En tegens Ibrahim ondankbaar zyn? zou hy [17 p. 17]Twee harten, die hy zelf nu onlangs noch zo blyGevoegt heeft by elkaâr; zou hy die willen scheijen?CELONIDE.’k Moet daarom des te meêr myn ongeval beschreijen.(335) Te grooter is ’t, om dat men ’t min gelooven kan.Ach! wie zou denken, dat de groote Soliman,Een Keizer, achtbaar, en met jaaren overlaaden,Gevreest om laag, geroemd omhoog, door zyne daaden:Noch grooter, door zyn deughd, als door zyn Majesteit,(340) Vermoeid van zyn gebied zo ver te zien verbreid,Zig op een dag zo zeer door schennis zou verkorten,Ach! om de traanen, die myn ramp my dwingt te storten....ASTERIA.Ja, ’k ga om uw belang voort alles onderstaan;Verlaat u maar op my, en wat ik dan gedaan(345) Zal hebben, zult gy noch van dezen dag aanschouwen;De vrindschap die ons bind zal ik eerbiedig houwen,En zo ik Ibrahim een dienst doe, ’k acht het eer.’t Gedenkt my noch te wel dat de al te goede heerMyn Vader, zonder hem, my Rustan had gegeeven,(350) Dien schelm, gewoon in bloed en gruuwelen te leeven,Had ik, in weêrwil van myn traanen en gezucht,Ten deel gevallen, wyl myn Achomat, de luchtVervullende met rouw, dien droeven dag zag koomenDat al zyn hoop hem van dien Rustan scheen ontnomen;(355) Wanneer uw Ibrahim, geraakt van zyne smart,En die reeds al vermogt op myn heer vaders hart,Zo veel te weeg bragt dat dat woord weêr wierd gebroken,En ik door hem in de echt met Achomat versprooken.’k Verzoek dan dat uw min, na zo een braave daad,(360) Indien ik iets vermag, zig heel op my verlaat.CELONIDE.Ja, ’k twyfel niet of uw gemoed vol eed’le zeden,Is teêr gevoelig in de wederwaardighedenEens ongelukkigen; en ’k twyfel minder, datDe schoone Asteria, des Keizers waardste schat, [18 p. 18](365) En die hy ’t leeven gaf, by hem geen groot vermoogenZou hebben. maar, helaas! stel ik my weêr voor oogenMyn liefde, dan vermeêrd myn onrust, ach! ’t geweldVan myne droefheid, dat myn ziel ter nederveld,Verdiend vergiffenis, Mevrouw, van myn mistrouwen,(370) ’t Vermeesterd my. myn hart durft naaulyks op u bouwen.En oordeeld uwe magt min als myn ongeluk.ASTERIA.Mevrouw, hoe groot gy ook moogt stellen uwe druk,Ze is niet onwinbaar, en ik heb een hulp gevonden,Die my niet missen kan. ’k ga, aan uw min verbonden,(375) De bystand zoeken van Mevrouw de Sultanin.CELONIDE.Wyl uwe liefde ziet myn droeve rampen in,Ga heen, Mevrouw, bevecht een min zo onrechtvaardig,En maak door ’t stillen van myn kwaal u zelve waardig,Dat gy nooit proeven moogt de kwelling die ik ly.ASTERIA.(380) ’k Zie Roxelane daar, hou u wat aan een zy,En neem wat rust. laat my allenig met haar spreeken,En schuw doch alles dat uw droefheid aan kan kweeken.’k Zal u wel zeggen wat ik voor u heb verricht. TWEEDE TOONEEL.ROXELANE, ASTERIA, FATIME. ROXELANE.HOe komt dat Celonide aldus uit myn gezicht(385) Verschrikt en treurig vlugt, zo haast zy my ziet koomen?ASTERIA.Zy is bedroefd, en schynt uit eerbiede u te schroomen,Mevrouw, op dat gy hier haar traanen, niet zoud zien.ROXELANE.’k Zie niet dat haar iets dwingt om myne komst te ontvliên;Verbiê ik ooit een mensch zyn leet aan my te klaagen?(390) ’k Weet wel dat de achting, die men is gewoon te draagen [19 p. 19]Aan myne rang, veeltyds verhinderd van zo vryZig niet te wenden in zyn ongeval tot my;Dat zulke, daar fortuin gewoon is meê te speelen,Wier klagten meestendeel aan koningen verveelen,(395) By ons door anderen best spreeken van haar leed,Maar Celonide is dat te boven, als gy weet.En, om recht uit te gaan,’k zou my zeer kwaalyk houwen,Indien zy my ontweek uit eenig misvertrouwen.ASTERIA.Dat misvertrouwen is niet vreemd, zie toe, Mevrouw,(400) Gy zelf hebt eenigzints meê deel in haare rouw.ROXELANE.Ik?ASTERIA.Gy. wanneer gy hoort de rede van haar zuchten,Zult gy zo kwaalyk niet genoegen om haar vlugten;Ja, zult misschien noch wel eens wenschen, na die tyd,Dat gy voor eeuwig haar uit uw gezicht waart kwyt.ROXELANE.(405) Wat zegt gy?ASTERIA.’t Geen ik u ben schuldig voor te draagen;Dat Celonide in ’t Hof te veel schynt te behaagen;En dat haar schoonheid, van uw rust een vyandin,Het hart des Sultans u ontroofd door nieuwe min.ROXELANE, ter zyde.„ O Hemel!ASTERIA.En hy heeft zyn min zelf niet verzweegen,(410) Maar zig verklaard, hier steld zig Celonide tegen.ROXELANE, ter zyde.,, Wat hoor ik! kan dat zyn?ASTERIA.Ik dacht wel dat uw hartOntroerd zou zyn, en gy gevoelig van uw smart.Maar eindelyk, Mevrouw, ik meen ’t myn pligt te weezen [20 p. 20]U te doen zien een min daarge alles van moet vreezen.ROXELANE.(415) Dat gy, zelf tegen uw heer Vader, u zo zeerBetoont voor myn belang, zal ik u namaals weêrMet dank vergelden. Laat my hier. DARDE TOONEEL.ROXELANE,FATIME. ROXELANE.IK ben myn rampenTe boven, en ik zie de liefde voor my kampen.Fatime, ’t gaat my nu na wensch, myn wraakzucht wint(420) De Sultan heeft zig zelf geopenbaard: hy mind.En Celonide zucht, Asterie is belaaden,En mort. Maar Ibrahim is ’t voor zyn trouwe daaden,Een dood’lyk ongelyk. Hoe schielyk komt deez’ slagVan liefde, droefheid, en van wanhoop aan den dag.(425) Verraad men een die mind, hy kan zyn pligt verlaaten.FATIME.Maar hoe komtge Ibrahim zo doodelyk te haaten?Kan hy een Sultanin iets doen?ROXELANE.Ach! alle kwaad.’k Vrees ’t groot vertrouwen dat men steld op zyne raad.Hoe dikmaal zag men de Viziers in ’t ryk, de paalen(430) Te buiten gaande van hun magt, in pligt verdwaalen.En nydig op de gunst der Sultaninnen, haarIn ’t heim’lyk tegengaan, met zo hun voordeel waarTe neemen, dat zy haar uit ’s Keizers hart verbanden,En naauwlyks heeft ’er hier onze eeuw een aan zien landen,(435) Dien de Vizier niet dwars is in de weeg geweest.Hier moet men in voorzien, en Rustans looze geestWerkt vast by Soliman, om deze aan ’t lyf te koomen;Hy geeft zyn liefde moed, wanneer die schynt te schroomen. [21 p. 21]Tot Ibrahims bederf diend hy hem van de min(440) Van Celonide. Maar de Keizer komt daar inMet hem. Fatime, kom, laat ons haar byzyn myden,En dien vertrouweling, die my haast zal verblyden,Geen hinder doen. op dat zy zaamen doch geen tyd,Om myne wraak eens vast te stellen, raaken kwyt. VIERDE TOONEEL.SOLIMAN, RUSTAN, Gevolg. SOLIMAN tegen een Kapitein.(445) ROep Celonide hier. Ja: hoe ’k my zoek te dwingen,Myn waarde Rustan, ’k voel ’t, uw raad schynt door te dringen,En is al meester van myn wroeging. ’k ben niet meêrOnzeker. Celonide is al wat ik begeer:Want zy behaagt me, en ik zoek haar ook te behaagen.(450) Ik wacht hier, om haar zulks te beter voor te draagen,Die onverwinlyke overwinster die my dwingt.Vergeefs is ’t, schoon myn hart voor Roxelane dingt,Om my haar minnenyd op ’t hevigste af te maalen:Myn eerst verwarde geest, hersteld van zyne kwaalen,(455) Is nu, om geen belang des waerelds meêr ontrust:’t Is me alles minder waard als ’t myne, en als myn lust.RUSTAN.Zo: nu begin ik weêr zyn Majesteit te kennen.Dit zyn de driften, om zyn zwakheid af te wennen.Ga voort: zie Celonide: en win in ’t einde een hart,(460) Dat niet versmaaden most het uwe, en uwe smart.Stel haar al de eer, die zy te wachten heeft, voor oogen.Biê haar die grootheid aan, en ’t onbepaald vermoogen,Daar zo veel anderen na haaken. en denk vryDat uw gezach daar aan geleegen is, dat gy(465) U zelf verzekerd van een hart, daar uw gedachtenZo lang op doelden.SOLIMAN.Wel: ik zal myn eer betrachten. [22 p. 22]’k Zal my verzekeren: geloof my, Rustan: ’k moetDie zwaarigheid, die my van schaamte bloozen doetVerwinnen. Ibrahim moet ik in ’t leger houden.(470) Hy, op wiens dapperheid al ’t volk dus lang betrouden,Is dienstig in het heir; en zyne komst alhierZou my de schandlykheid verwyten van myn vier.Ik zal hem dezen dag een dringende order zenden:En hem beletten van zig hier na toe te wenden.(475) Als ik het zeggen zal; die kloeke, en grootze moed,Waardoor vorst Ibrahim myn vrindschap daaglyks voed;En zig zo waardig maakt by my, werd my reeds tegen.’k Was nu een tyd lang al met zyn geluk verleegen:En wenschte, dat het lot dien loop eens stuiten mogt,(480) En dat wat tegenspoeds zyn grootze naam bevocht.Op dat ik vinde mogt een rede om hem te haaten:Want zo lang zyne deugd hem tot een stut kan baaten,Vrees ik dat myne voor hem stryden zal; en kanU niet verzekeren, wat drift my nu ook van(485) Die deugd vervoerd, dat zy steeds zal de zwakste blyven.RUSTAN.Ei! laat uw groots gemoed die yd’le vrees verdryven.Verval niet weder in uw dwaaling; wilt u nietBelemm’ren met een slaafs en kommerlyk verdriet.Leef als een Keizer: waar behoeft gy voor te vreezen?(490) Bemin de deugd niet meêr als ze u kan dienstig weezen.Maar, Celonide komt. VYFDE TOONEEL.SOLIMAN, CELONIDE, RUSTAN, Gevolg: SOLIMAN.WAt hoop geeft gy my nu?Ik zie uw oogen noch al vyandlyk en schuw.Zult gy dan altyd myn begeerten wederstreeven?Zal ik ’t geluk nooit zien van in uw gunst te leeven? [23 p. 23]CELONIDE.(495) Helaas! gy gaat dan voort myn wanhoop aan te voên,Myn heer?SOLIMAN.Ja: ’k wacht besluit, mevrouw, wat gy wilt doen?’k Wacht maar een woord, zo gy my wilt gelukkig maaken,Zo ’t lot van Ibrahim, of ’t uwe, u iets kan raaken,Bedenk u wel, eer gy my antwoord. want ik hou(500) Myn hart niet meêr geheim: ô neen! ’k min u, mevrouw.Dien medeminnaar, die uw ziel houd in zyn banden,Die ken, die acht ik; en de keur staat in uw handen,Dat ik myn gunst tot hem, ja zyn geluk vermeêr:Maar deze gunst moet gy verdienen voor dien heer.(505) Met hem te bannen uit uw hart, en my te schenkenDe plaats die hy bezit.CELONIDE.O Hemel! wie zou denkenDat Soliman my zo veel ongeneugts bereid!SOLIMAN.’k Eisch maar een woord van u, mevrouw, ei! geef bescheid.CELONIDE.Ik weet niet waar ik ben, myn heer, zo zyn myn zinnen(510) Ontstelt. Ach! kunnen u myn traanen niet verwinnen?Zy spreeken voor my: leen uw oor aan myne druk:En oordeel doch uit myn geween myn ongeluk:Dat ’s al myn tegenweêr om met myn heer te stryden.Maar ’t is gewis, dat hy vermaak schept in myn lyden:(515) Want kon myn wanhoop hem ontrusten, hy zou nietVolharden in zyn droef vervolg tot myn verdriet.Zo Soliman my vry myn meening af komt vraagen:Hy zie hoe Celonide in ’t hart is te beklaagen:Die ’t acht haar wreedste ramp, dat zy de liefde is waard(520) Van de allermagtigste der Keizeren op aard.SOLIMAN.Mevrouw, waar toe vervoert de rouw uw jonge leeven.Wat neemt gy voor? [24 p. 24]CELONIDE.Dat zal ik u te kennen geeven.Dat ik aan den Vizier zo ben verknocht; dat noodNoch afzyn, tyd, noch vrees, noch dreigement, noch dood,(525) Die dood, die yder een doet yzen, en doet schrikken,De liefde die ons bind, in ’t minst nooit zal verwrikken,En, zo ’er een van ons most sterven, door uw straf,Dat de ander hem wel haast verzellen zou in ’t graf.Verwonder vry uw zelf in dit volstandig minnen.(530) En wyl uw liefde niets verhoopt, laat u verwinnen,Gy stryd vergeefs. wil dan, zo ik u bidden mag,Geen veertig jaaren deugds verliezen in een dag.Maar, ’k dank den hemel: ’k zie, myn heer, dat myne traanenUw hart vermurwen: dat uw deugd een weg komt baanen(535) Tot medelyden, in het uiterst’ van myn druk.Ach! zo op deze stond, door schikking van ’t geluk,Uw Ibrahim kwam voor uw oogen te verschynen,’k Meen, ’k zou, op zyne komst, uw drift haast zien verdwynen.SOLIMAN.Helaas! gy kent te wel myn zwakheid. maar, Mevrouw,(540) Vlei u toch niet: ’t zal u niet baaten in uw rouw.Uw Ibrahim durft niet, voor ik ’t hem toe sta, koomen.Gy zult haast beide zien, waar voor gy hebt te schroomen:Dat het zyn leeven geld, zo hy myn heir verlaat.CELONIDE.Hoe!SOLIMAN.Ja: met streng bevel, ten voordeel van myn staat,(545) Heb ik hem daatelyk ten spoedigste aan doen schryven,Dat hy, op straf van ’t lyf, moet by het leger blyven.Gy, die nu tegens my uw zelf zo staat in ’t licht,Verhoopt, in langen tyd, geen troost van zyn gezicht.En wend u van een min, die gy niet aan kund kweeken. [25 p. 25]ZESDE TOONEEL.SOLIMAN, CELONIDE, RUSTAN, een KAPITEIN. ΚΑΡΙΤΕΙΝ.(550) HEer, Ibrahim verzoekt uw Majesteit te spreeken.Hy is zo daatelyk gekoomen.SOLIMAN.Is het waar?CELONIDE.O Hemel!ΚΑΡΙΤΕΙΝ.Hy is in de naaste kamer, daarHy wacht.SOLIMAN.Maar, wat bevel brengt hem hier? hoe kan ’t weezen?Wat voel ik in myn ziel een zelfstryd opgereezen?(555) Ei my! Mevrouw, vertrek; op dat gy van myn strydTen minste, in myn gezicht, doch geen getuige zyt.Zeg dat hy hier koom.CELONIDE weggaande.Ach!SOLIMAN.Wat zy moet ik nu kiezen?Zeg, Rustan?RUSTAN.Zekerlyk uw achting niet verliezen.Myn heer: zo ’t u beliefd, gy kunt my wel verstaan.(560) Daar komt hy. ZEVENDE TOONEEL.SOLIMAN, IBRAHIM, RUSTAN, Gevolg. SOLIMAN.IBrahim, gy ziet my wat begaan.’k Zoek vast de rede van uw schielyk wederkeeren. [26 p. 26]’k Verdenk nochtans ’t beleid geensins van uw regeeren.Maar, zeg my, heeft myn volk hun pligt niet wel gedaan?Komt gy gevlugt? was ’t luk u tegen in het slaan?IBRAHIM.(565) Neen. ’k win, myn heer: en zelfs is Tachmas uw gevangen.Maar, van deez’ winst, zo schoon, en van zo groot belangen,Wilde ik de tyding u zelf brengen, in perzoon.Gelukkig, zo na al myn moeite, en zorg, het loonVan myne daaden nu uwe achting maar mag weezen.(570) En dat ik, eens bevryd van hoopen en van vreezen,Met Celonide, door uw toedoen, leeven mag.SOLIMAN.’k Weet wat my past. verhaal maar de uitkomst van de slag.Daar zal een tyd zyn, om uw liefde te verzaaden.’k Ben deze maal met zorg van meêr belang belaaden.(575) Waar sloegt gy Tachmas, en waar bleef hy na ’t gevecht?IBRAHIM.Myn heer, gun, dat ik u van alles onderrecht.By Bitilize, daar my Tachmas laatst verbeide,Bragt ik uw heir by een: ’t welk Zamgir toen geleide,Terstond maakte yder een, reeds yverig en heet,(580) Om slag te leveren, zig tot de stryd gereed.Men geeft het teken: en men ziet aan alle zydenVerwoesting, schrik en dood door ’t heele leger ryden.Een gantsche waereld van soldaten dekte ’t veld.Dat de aarde rondom schudde en beefde door ’t geweld.(585) ’t Hing, lang eerwe ergens van de zege ’t oordeel velden.De dapp’re Tachmas, met zyn mindere oorlogshelden,Beloofden zig alreê een oogst van lauw’ren: toenHeld Selim, onverwacht, en tegen hun vermoên,Met zyn Janitzers, aan hun schreeuwen licht te hooren,(590) Hen, door een oorlogsstreek, van achtren in komt booren,En zo vervolgd, en perst, en aandringd, en vervaard:Datze elders hun geluk gaan zoeken door hun zwaard.De kloeke Zamgir, die in moed nooit kan bezwyken,Laat, door hun tegenstand, zyn kracht te meerder blyken:(595) En, ziende Mehemet, van verre in lyfsgevaar, [27 p. 27]Vliegt na hem toe, en red, en helpt hem zelfs van daar.En door die moeite niet verzet, stoot edelaardigOp de and’ren in; nu door hun voordeel reeds hovaardig:En toond, door ’t dooden van hun hoofd, op nieuw zyn moed.(600) Naast hem vecht Amurat, en volgt hem op dien voet.Zy maaken om hen heen een wal van doode lyken.Het scheen, wanneer men hen zag geeven zulke blyken,Dat uw onwinbaar hart, in yder held zyn krachtInstorte, zo veel moed had elk, en zo veel magt.(605) En yder slag, het bloed langs de aarde doende stroomen,Scheen van de dapp’re hand van Soliman te koomen.De kloekste vyand beefde, op ’t hooren van uw naam:En de onze schepten op dat woord op nieuws weêr aâm.Zo zag u Rhodus eer op haar beroemde wallen;(610) En op uw naam, de schrik op ’t heele leger vallen:Toen haar verweerd’ren meêr als menschelyke daânDe eerste aanval van uw heir naauw konden wederstaan:En zo veel helden, al kloekmoedige onderzaatenVan zo veel Koningen, wier fierheid niet mogt baaten,(615) Zig onderwerpen met ontzag uw groots gebied.Wat zeg ik meêr, als dat het alles wykt en vlied.De grootze Tachmas, wiende wanhoop schynt te omringen,Ons de overwinning noch weêr trachtende te ontwringen,Maakt door zyn ongemeen bestaan elks hart ontroerd.(620) Loopt over al, daar hem zyn woede en dulheid voerd.Hy brengt de dood aan elk die hy maar komt te raaken.Zyn oogen, daar men ’t vuur van gramschap uit ziet blaaken,Doen zidderen van schrik dien zyne hand noch spaard.Maar eindlyk, tegens hen niet hebbende als zyn zwaard,(625) En, ziende zig van zo veel vyanden omringen,Tracht die rampzaalige om uw boeijens noch te ontspringen,Reeds ’t leeven moê, zig zelf te dooden; en hy keerd,Terwyl hy zig geheel van ons ziet overheert,Dat zwaard te rug, om ’t in zyn eigen borst te stooten.(630) Daar komt terstond een deel des krygsvolks toegeschooten, [28 p. 28]En houd hem tegen. dit hem missende, myn heer,Geeft hy zig over aan zyn noodlot: maar kiest eerAl biddende de dood in plaats van uwe banden.Men voerd den wakk’ren held na Tauris, in de handen(635) Eens Bassas dien hy volgt: en zegt, kom, laat ons gaan:’k Stel tegen ’t hemelsche besluit my niet meêr aan.Ik zie dat Tachmas lot voor Solimans moet zwichten.Op zyn vertrek ontrekt de zon haar blyde lichtenHet treurig aardryk: en de nacht, met haar gelei(640) Van duistre naarheid, dekt de legers allebei;Om de overwonnenen hun schaamte meê te dekkenVoor ons. Ik maak my voort gereed om te vertrekken,En de eer te hebben, dat ik de eerste breng bescheid,Van zo beroemden winst, aan zyne Majesteit.(645) En om omtrent, of in uw leger niets te schroomen,Dat iemand my in dit myn opzet voor mogt koomen,Belaste ik ’t overal te zwygen. weet dan, datHeld Selim, Samgir, en Osinan, en Amurath,De eer hebben, van ’t gebied uws ryks dus te onderschraagen.(650) En Achomat, uw, en uws dochters welbehaagen,Die gy hem hebt belooft, heeft vol van moed, deze eerDat hy uw zwager word, heel wel verdient, myn heer.SOLIMAN.Maar gy, die ’t leger hebt als opperhoofd gebooden,Wat deed gy?IBRAHIM.Ik? myn pligt, myn heer, daar ’t was van nooden.(655) Wy hebben altemaal ons best gedaan om stryd.Gun, dat ik nu myn pligt aan Celonide kwyt.Dat ik myn schikking nu mag uit haar oogen leezen.Ik min haar. zy my weêr. gy gaaft my haar voor dezen.’k Ga op uw woord dan.SOLIMAN.Gy doet niet te veel om haar.(660) Ga, maar, helaas!IBRAHIM.Myn heer, wat vreest gy?SOLIMAN.Gaat gy maar. [Einde van het tweede Bedryf.]* [29 p. 29]DARDE BEDRYF.EERSTE TOONEEL.ROXELANE, RUSTAN. ROXELANE.JA, Rustan, ik beken ’t, dit doodlyk wederkoomenZo schaadlyk aan myn wraak, doet my voor de uitkomst schroomen.Zet my te rug: en breekt misschien myn heele hoop.Myn hart durft zig niet wel verzeek’ren op de loop(665) Des eersten voorspoeds, schoon het in zyn ongelukkenHeel traag tot wanhoop komt, en noô zig laat verdrukken:’t Vreest Ibrahim te veel. deez’ winst brengt hem hier weêrTen hoof, op nieuw belaân, met gloory, en met eer.En juist, als Soliman, vervoerd van zyn begeeren,(670) En laatende zyn deugd van zyne min beheeren,Hem mooglyk haaten ging; en toelei, dien Vizier,Zyn min zo hinderlyk, op te off’ren aan zyn vier.O! wat verandering! ik ken des Keizers zinnen.Zyn haat kan in een dag zyn vrindschap niet verwinnen.(675) Zyn ingetooge deugd houd alles schier voor kwaad.En dien Vizier heeft van zyn achtingen zyn raadZig voogd gemaakt. dit had de liefde kunnen hind’ren.En in zyn afzyn die grootachting wat vermind’ren.Maar, nu hy hier is, zal hy zulks wel meester zyn,(680) In spyt der driften van een nieuwe minnepyn;En doen heel licht de schaal huns vrindschap overhellen.O hemel! hoe zal ik ’t in deze wanhoop stellen?Ach Rustan! zie de zorg die my ’t gemoed beroerd.Verwonder u te zien waar my myn haat toe voerd.(685) ’k Vrees dat myn eigen man op houden zal te minnenMyn medeminnaares.RUSTAN.Mevrouw, breng u te binnen, [30 p. 30]Dat uwe haat met veel bekomm’ring is belaân:Dat ’s Keizers min wel al te ver zou kunnen gaan.Gy vreest nu Ibrahim: maar ik meen waar te weezen,(690) Dat gy met grooter recht moogt Celonide vreezen.En dat u de ondergang van Ibrahim, licht alTe kost’lyk en te duur zou staan; most gy zyn valDaar na dan met verlies van ’s Keizers hart betaalen.Denk hier eens op.ROXELANE.Moet ik u dan noch eens herhaalen,(695) Dat ’s Keizers hart by my zo veel niet geld als ’t ryk?Hy geef zyn hart haar; ’k acht dat voor geen ongelyk.Ben ik jaloers, ’t is van de Keizer, en zyn Staaten,Niet van zyn liefde, die wil ik aan haar wel laaten.Weet gy de wetten niet van ’s Keizers hof alhier?(700) Een Sultan deeld meêr als met eene vrouw zyn vier:En wyl hy zig maar met zyn min hoeft te beraaden,Kan hy die daaglyks, om zyn lusten te verzaaden,Vermeerd’ren: en schoon hem een ander voorwerp trektTot and’re zinlykheid: heel schaars nochtans verwekt(705) Die zulken brand, dat hy zyn opperkeizerinneVernietigd: en zulk een jaloersheid in zyn minne,Heb ik noch naauwlyks ooit van een in ’t hof gezien,En wat voor vrucht kan ons hier door doch ooit geschiên,Als zulk een Sultanin in onrust komt te raaken,(710) Dewyl zy doch maar voor een ander plaats moet maaken?Neen, Rustan, weet dat onze min nooit verder gaat,Als deel te hebben in zyn bed en minneraad.Maar zo nu een Vizier, door ’t luk in top verheeven,Een Keizerin vind die zyn magt niet toe wil geeven,(715) Als ik: en in de grond van zyn geheimen dringt;Dan ziet men, dat hy na haar val en onheil dingt;Met, door geweld, of list, die uit het ryk te zetten;En ’t alles, zonder vrees, te buigen na zyn wetten.Dit kan my Ibrahim meê doen. om nu myn rang(720) Hier te bewaaren, moet ik hem in zyne dwangVoorkomen; en myn eer van hem niet laaten hoonen. [31 p. 31]Zy, die geboren zyn op koninglyke troonen,Zien menigmaal die eer als onverschillend aan.Maar wanneer ons gestarnte ons aandringt, om te staan(725) Na eed’le zucht tot staat, en om alleen te trachten,Op aard te leeven in de rang der oppermagten,En ons van jongs op blaast die grootze neiging in,Schoon ons een duistere geboorte is vyandin;Ach! dan, dan moet men eerst, om op de troon te koomen,(730) Al onderneemen; en voor geen gevaaren schroomenOm die te houden. zie nu, of myn groots gemoed,In deez’ verwarde staat, niet alles waagen moet.RUSTAN.Wel, waagen we alles. ’k staa ’t met blydschap toe. maar zoekenWy door een and’ren weg dien veldheer te verkloeken.(735) Zyn wederkomst, wanneer we in ’t minste geen beletVerwachten, heeft ons heel in onze hoop verzet.ROXELANE.Ach! schoon die eerste ons is mislukt: ’k sta niet verleegen.’k Weet tot haar ondergang noch al veel wisser wegen,Die Ibrahim met al zyn vlyt niet licht ontvlied.(740) Geloof my, ’k wil maar dat gy al zyn doen bespied,Met zo veel zorg, dat ik van ’t minste, alle oogenblikkenBericht mag zyn; om daar my zelve na te schikken.Maar, Rustan, neem terwyl die overige magt,Die gy op ’s Keizers hart noch hebt, doch wel in acht.(745) En laat ook geenzins af zyn liefde steeds te vleijen:En ik zal midterwyl de zaaken daar toe leijen,En, door myn listigheid haar zo verwarren, datIbrahim, Celonide, Asterie, Achomat,Licht alle vier gelyk om ’t leeven zullen raaken,(750) Als offerhanden van den staat. om dat te maaken,Heeft myne gramschap daar een wisse vond bedacht,Daar van ik de uitkomst na myn volle wensch verwacht.Gy weet, hoe Achomat, van zyne min gedreeven,Geen uur na Ibrahim in ’t leger is gebleeven.(755) Hoe hy, met ongeduld, verwacht die blyde dag, [32 p. 32]Dat hy door ’t huuwlyk zig gelukkig maaken mag.Ik wacht hem hier. ik zal hem met die zorg belaaden,Dat Ibrahim hem, en zyn liefde wil verraaden.Maar wyl ik hier my zelf verteer in hoop van wraak,(760) En, ongeduldig, vast om hem te spreeken haak;Toeft hy te lang, en houd my op in myn bedryven.RUSTAN.Mevrouw, daar komt hy.ROXELANE.Dat gaat wel. laat ons hier blyven;En gaat gy haastig by de Keizer, daar uw pligtU roept: en zie dat gy by hem wat goeds verricht. TWEEDE TOONEEL.ROXELANE, ACHOMAT. ROXELANE.(765) HEer Achomat, ik wilde alleen u iets ontdekken.Ons lot komt my, en u in een gevaar betrekken.Het dreigt ons allebei. wy moeten zaamen staan,Het leit’er by, om myn en uw bederf te ontgaan.Maar, zeg my, kan uw hart wel een geheim bewaaren,(770) Dat ik u, tegens dank, met vrees moet openbaaren?ACHOMAT.Verzeker u van myn stilzwygendheid en trouw:En, twyfeld gy daar aan, stel my ter proef, Mevrouw.ROXELANE.’t Is wel. hoor, Achomat, men is u hier genegen.Maar uw verdienste en deugd word door bedekte wegen(775) Benyd. gy komt in ’t oog van eenigen te veer;En ’t luk, terwyl ’t u schynt te streelen, drukt u neêr.Ik heb ’er meê, als gy, hier heimlyk die my haaten.ACHOMAT.Wat deerd u dat? Mevrouw, gy moogt u vry verlaatenOp de getrouwe liefde uws Sultans, of u schoon(780) De magtigste van ’t hof uit haat stond na de kroon,Gy zyt daar boven, en kund alles ydel maaken. [33 p. 33]Voor my, dien hunne haat licht meêr zou kunnen raaken,Die minder steun heb. heb ik haaters hier aan ’t hof,’k Trotzeer die. en, om rond te gaan, met uw verlof,(785) De gunst van Ibrahim verbied my iets te vreezen.ROXELANE.Van Ibrahim! meent gy daar meê bewaard te weezen?ACHOMAT.Ja: Ibrahim is hier alleen myn toeverlaat,Mevrouw: ik ben aan hem myn grootheid, en myn staat,Des Keizers achting, en al myn geluk, en leeven,(790) Ja, dat Asteria haar hart my heeft gegeeven,Verschuldigd.ROXELANE.’t Is te veel. maar hoor nu, dat die vrind,Die Ibrahim, die, als gy zegt, u zo bemindACHOMAT.Wat doch?ROXELANE.Uw vyand word.ACHOMAT.Mevrouw, hoe kan dat wezen?ROXELANE.Ja: en een vyand, u zo veel te meêr te vreezen,(795) Als hy u openbaar met weldaân overlaad.ACHOMAT.’t Is waar, dat Ibrahim myn wensch te boven gaat,Door daaglyks my, meêr als ik zelve durf begeeren,Met gunst, en grootheid, staat, en ampten, te vereeren.*ROXELANE.O! men bedriegt u: hy, die gy uw halsvrind noemt,(800) Die minnaar zo getrouw, die held die gy zo roemt,Die Ibrahim, die elk in deugd schynt op te weegen;Vereert zyn Celonide aan Soliman. en tegenDe reden, en de trouw, die u zo vast verbind,Eischt hy Asteria tot loon, die gy bemind.ACHOMAT.(805) Mevrouw wat hoor ik, ach! [34 p. 34]ROXELANE.Zy is hem ook gegeeven.Gy zult door ’t huuwelyk hem haast vernoegd zien leeven.ACHOMAT.O hemel!ROXELANE.Nu moet gy, om deze slag te ontgaan,Verdelgen, die u zoekt zo trouwloos te verraân.En gy kunt niet, als door zyn dood, u zeker maaken(810) Van haar, die ge anders met uw leeven kwyt kunt raaken.ACHOMAT.’k Beklaag ’t my niet, zo hy het leeven my beneemt,’t Is my niets waard als hy me Asteria ontvreemt.Maar, weg gedachte, die my eeuwig zou berouwen.Hoe! durf ik dan de deugd van Ibrahim mistrouwen?(815) Durf ik wel denken dat zo wydberoemden manOoit van het waare spoor der helden dwaalen kan?Neen! ’t hart getuigt my dat ik dat niet moet gelooven.De dappere Ibrahim zal nooit zyn roem verdooven;Mind Celonide veel te sterk; en heeft voor my,(820) Zyn boezemvrind, te veel geneegendheid, dat hyZig in een dag zo laf, zo trouweloos zou toonen,En zo ondankbaar, om zig zelf, en ons te hoonen.Een wakker man komt nooit, wat drift hem ook beheert,Zo ver, dat hy zo dra van goed tot kwaaddoen keert,(825) ’t Kwaad heeft terstond zo diep haar wortels niet geschooten.De kleene misdaân gaan gemeenlyk voor de grooten.ROXELANE.’k Beklaag uw dwaaling.ACHOMAT.Ach! schoon ’t my ook rouwen zou,Zulk kwaad vermoeden komt nooit in myn hart, Mevrouw.Maar zo dien held, nu al zo verre van de paalen(830) Des deugds afwykende, kwam in zyn pligt te dwaalen,Dat hy by yder een voor trouwloos wilde gaan, [35 p. 35]En u, en Celonide, en my gelyk verraân,Noch dwaalt gy, zo gy my hebt tot uw hulp ontbooden:Ik ben hem noch te veel verpligt, om hem te dooden:(835) En zo hy, van myn hand, zyn dood te wachten heeft,Mevrouw, dan blyft hy wel trouwloos, zo lang hy leeft.Dan kan hy trouwen, die ik lief heb. my trotzeerenIn myne smart, en in myn aangezicht braaveeren.ROXELANE.Ik zie’t, ’k heb my te bloot gegeeven: en myn haat(840) Hebt gy voorzeker wel gemerkt. doch ’t is te laat.Gy weet nu myn geheim, en hoe ’t hier leid van binnen.Dien u daar van. doch uw gevoelen in het minnenIs ver zo krachtig niet als ’t myne. en zo uw hertZo groots is, dat het niet tot wraak geprikkeld werd;(845) Ik min de wraak, en kan, die my misdoet, niet spaaren.Aan u alleen heb ik my derven openbaaren.Zo u een woord ontsnapt, het is met u gedaan,Vaar wel. DARDE TOONEEL. ACHOMAT. alleen.JA: gy moogt vry u van die zorg ontslaan.’k Zal uw geheim getrouw bewaaren. want myn zwygen(850) Bewyst wel, dat gy geen geloof by my kunt krygen.Maar ’k achte waarlyk u, noch al uw gramschap niet,Al was ik overtuigt dat hy myn min verried.Doch men misleid my. ’k wil van Ibrahim niet denkenDat hy Asteria bemind. om hem te krenken(855) Is ’t Roxelane die het zegt, zyn vyandin,Die steeds met hem vol woede, in een verkeerde zinOntsteeken; haakt na.... Maar, kan ik my niet wel vleijen.En kan hy my door schyn van vrindschap niet verleijen?Want Roxelane weet al wat hier kan geschiên.(860) En laat alom het doen van Ibrahim bespiên. [36 p. 36]Hy kan zyn grootheid door Asteria vermeêren;Zy is beminlyk: dat verlokt licht zyn begeeren;Zy is de dochter van de Keizer. ach! wat raad!Zyn Celonide is hier in veel geringer staat.(865) Maar slechts alleen verzelt met haar aantreklykheden:Doch van veel kommer en veel tegenspoeds bestreeden.Vremd, zonder vrind of maag. helaas! wat reden doenMy, tegens myne danck, zulk dood’lyk kwaad vermoên. VIERDE TOONEEL.CELONIDE, ACHOMAT. CELONIDE.*ACh! Achomat, myn vrind, gy ziet my wat verslaagen;(870) Ik koom de ontroering, die my pynigt, aan u klaagen:Kunt gy wel denken, als gy my zo treurig ziet,Dat Ibrahim my dwingt te klaagen myn verdriet.Dat Ibrahim my heel vergeet in zyn gedachten.My, en zyn pligt verzuimt.ACHOMAT.Ach! wie zou dat verwachten?CELONIDE.(875) Ja, dat, daar gy terstond Asteria begroet,Zy my niet eens komt zien, noch zyne pligt voldoet.ACHOMAT.’k Gelooft, Mevrouw. kan ik meêr blyk van ontrouw krygen.Ach! ’t is vergeefs dat men begeerd dat ik zal zwygen.Ik onderzoek niet of ik ongehoorzaam schyn.(880) Ach! Roxelane zegt dat wy verraaden zyn.Ja: Ibrahim, mevrouw, is trouw’loos, en verwaaten.Want my misleid hy, en u zoekt hy te verlaaten.CELONIDE.ô Hemel! Ibrahim!ACHOMAT.Ja: zonder naberouw,Voorzie ik ’t geen ik waag, met dit geheim, Mevrouw, [37 p. 37](885) U te openbaaren. ’k stel my zelve bloot voor ’t woedenDer Keizerin, en kan my voor haar haat niet hoeden.Myn ongenaâ, myn dood staat, zonder twyfel vast.Maar dat is niets. de dood verstrekt my tot geen last,Zo ’t waar is, dat ik myn Asteria moet derven.CELONIDE.(890) Hoe dat?ACHOMAT.Zyn snood verraad is al te waar. ’k moet sterven.Hoor: tegens eer en pligt van onze vrindschapsband,En, tegens de eeden, u gezwooren aan zyn hand,Verzoekt uw Ibrahim Asteria te trouwen.CELONIDE.Heeft my de Hemel dan tot zo veel ramps behouwen!(895) Wat hoor ik?ACHOMAT.En zyn liefde is ook reeds toegestaanVan Soliman. maar laat ons onze tyd niet aanOnnutte klagten meêr besteên. voor my, wat rampenMy dreigen, en met wat gevaar ik ook moet kampen;’k Ga na Asteria, na Ibrahim, en voort(900) Na Soliman; en breng hen hun gegeeven woordIn hunne zin, en eisch de uitvoering van die eedenDie zy my, yder in ’t byzonder, daar van deeden.Zo dan ’t verraad op hen zo veel vermoogen heeft,Dat niemand acht op myn rechtvaarde klagten geeft,(905) Noch op uw traanen, dan zal ik, alleen gedreevenDoor myne wanhoop, hen dit myn beklaaglyk leevenOpoff’ren. ja, mevrouw, zie my daar vry voor aan,Dat ik dan, en zelf in haar byzyn, zal bestaanDit hart zo onbeschroomt, en zeker te doorsteeken,(910) En haar zo weinig, zelf het allerminste tekenVan flaauwheid zal doen zien. dat ik in myne valHen door myn deugden tot verwond’ring brengen zal. [38 p. 38]VYFDE TOONEEL.CELONIDE, ZAÏDE. CELONIDE.ZAïde, kunt gy wel geloof slaan aan myn kwaalen?Dat Ibrahim aan ’t kwaatst dat ymand kan verhaalen(915) Zou schuldig zyn?ZAÏDE.Mevrouw, bedenk u wel hier in.t’Is Roxelane. die het zegt, zyn vyandin:En gy verooordeelt hem terstond.CELONIDE.Kunt gy noch spreekenVoor dien ondankb’ren? is zyn schuld niet klaar gebleeken?Zo hy onnoozel was, waarom zou hy me ontvliên?(920) Ach! ’k zie hem: gaan wy.ZAÏDE.Neen. hy heeft u meê gezien.Mevrouw, hoor wat hy zegt. verberg wat voor zyn oogenDe ontroering van uw geest. men heeft u licht bedroogen. ZESDE TOONEEL.IBRAHIM, CELONIDE, ZAÏDE. IBRAHIM.ACh! Celonide, ’t heeft de hemel noch behaagt,In ’t eind, dat ik u zie. myn blydschap is vertraagt(925) Door duizend vrinden, die my door hun groetenissen,Met ongemak, dus lang uw byzyn deeden missen;Die wreeden hebben, niet als ik van min geraakt,Met hun omhelzing my schier duldeloos gemaakt.Doch nu...CELONIDE.Hou op: en spaar de moeite, van myn ooren [39 p. 39](930) Zo flaauwen uitvlugt van uw ontschuld te doen hooren.Hoor my eens.IBRAHIM.Wat is dit? ô hemel!CELONIDE.Hoe! vreest gy?Gy kunt u lichtelyk verweeren tegen my.IBRAHIM.Mevrouw, hoe...CELONIDE.Hoor my. door uw deugden aangedreven,Beminde ik u, zo dra ge uw min my had gegeeven.(935) Uwe, en myne Ouders, in zo eed’len min verheugt,Bestemden reeds den dag van onze huw’lyksvreugd.Als de oorloog, tusschen ons, en Persiën gereezen,Ons de eerste hinderpaal in ons geluk deed vreezen.Want gy vertrokt, en ik, u tot de dood getrouw,(940) Telde yder oogenblik de daagen van myn rouw.Wat leed ik al verdriets! wat schreide ik droeve traanen!Maar als uw naam een weg door ’t heele land quam baanen,En klonk, van ’t leger af, tot binnen onze stad:Als alles op u roemde als op een dierb’re schat,(945) Was ’t daatelyk gedaan met myn verdriet en weenen.Op ’t hooren van uw naam was al myn rouw verdweenen.Zo dikmaals gy uw roem vermeerde door uw daân,Zo dikmaals wies myn min, gelyk uw gloory aan.Doch, ’k koome u eind’lyk van een and’re liefde spreeken.(950) De Keizer, die my mind, zoekt myne trouw te breeken:En wil, dat ik hem weêr bemin: bied my tot loonEen plaats aan, nevens hem, op ’t bed, en op zyn troon.Voegt drygementen by gebeden; maar verlooren.’k Was onbeweeglyk. ’k heb hem honderdmaal geswooren(955) Dat ik tot in de dood, myn liefde, en myne trouw,Die ik u schuldig was, volstandig houden zou.En ondertusschen, daar ik om u te behaagen [40 p. 40]Een keizerryk versmaâ. daar yder weet wat laagenMy hier gelegt zyn, en dat ik voor u alleen(960) Maar leef, hoor ik dat u een and’re min hierheenGetrokken heeft; en zie, dat gy my hebt bedroogen:En dat gy vreest om te verschynen voor myn oogen.’k Weet ook, datgy in spyt der trouw, die ons verbind,Trouwlooze, hier komt, om te trouwen die gy mind.(965) Ik meen Asteria.IBRAHIM.Hoe! ik, mevrouw? ik trouwen?CELONIDE.Ontken het niet: en denk my ook niet op te houwenMet uitvlugt. zo gy kunt, rechtvaardig u hier van.IBRAHIM.Hoe, Celonide, wat is dit? gy zyt het dan?Gy? die begeert, dat ik van ’t breeken van myn eeden(970) My zal rechtvaardigen, en van myn trouwloosheden?Had ik een voorspraak by u noodig in myn smart.’k Most immers die alleen maar zoeken in uw hart.Wat schuilt ’er? wil men my bederven, of beproeven?Ik word beschaamt; en moet me om ’t slecht onthaal bedroeven,(975) Dat ik by u, en aan het hof ontmoet. ik keerAls een trouw minnaar, en vermaart verwinnaar weêr:En zie de treurigheid regeeren in elks oogen.Ik kryg ter nauwer nood van Soliman ’t vermoogenOm hem te zien. hy is bedroeft, in plaats van bly(980) Op myne wederkomst: en nauw’lyks schenkt hy myEen koel gezicht. of, door ontroering straks gedreeven,Laat hy my gaan. om nu een weinig rust te geevenAan deze kwelling daar myn ziel mede is belaân,Kom ik u zoeken, en tref u noch erger aan,(985) Als hem. gy legt my op, dat ik uw min verraade:Dat ik kan trouwen: en uw huuwelyk versmaade.....En gy gelooft het. maar die laster is heel lichtTe wederleggen. spreek: wat mensch heeft doch verdicht..... [41 p. 41]Ei antwoord doch; en hebt ten minsten zoveel goedheid,(990) My niet te weigeren die doodelyke zoetheid,Dat ik myn schuld, en myn beschuldiger maar weet.CELONIDE.Hoe licht ontschuldigt men een minnaar! en vergeetZyn misdaad als men hem bemind! ach! uw vry spreekenEn tegenwoordigheid, verstrekt by my een teken(995) Uws ontschulds. en of schoon my een verwarde spytTe rug roept: u nochtans hier ziende op deze tyd,Kan ik voortaan niet meêr gedenken aan ’t voorleden.Gy ondertusschen gaat, in deze onzekerheden,Hier voor een schuldige; en men houd voor waarheid, dat(1000) Gy Celonides min verraad, wyl AchomatWanhopende en bedroeft vast leeft in duizend vreezen.En u reeds meester van een hart gelooft te weezen,’t Geen hy wel wenschte dat hy aan u schuldig waar.De Keizerin.... dien u van dit vertrouwen; maar(1005) Voorzichtig. Achomats behoud’nis hangt aan ’t zwygen.Ter gunst eens minnaars die men zoekt van kant te krygen,Vertrouw ik dit aan u?IBRAHIM.Is ’t Roxelane dan,Die in de liefde my by u verwyzen kan?En zult gy, zo’er in die liefde al iets kwam boven,(1010) Myn grootste vyandin, tot myn verderf, gelooven?Rechtvaarde hemel! zulk vermoeden is noch aanDe min van Achomat heel lichtlyk toe te staan.’t Is een gebrek in hem, hem kan ik het vergeeven:Dat hy geloofde, dat ik kan ondankbaar leeven.(1015) Maar Celonide is ’t schand dat zy gelooft dat ikIn onze min ontrouw kan zyn een ogenblik.CELONIDE.Nu, Ibrahim, had ik op u een kwaad vermoeden:Ik ben beschaamt. ik bid u, hou het my ten goeden.’k Had u behooren vry te spreeken in myn hert:(1020) Haar te mistrouwen, daar gy van beschuldigt werd: [42 p. 42]Van zo volmaakten vrind, en minnaar, niets te vreezenMaar te vertrouwen, dat uw hert als ’t myn, zou weezen.*IBRAHIM.Ja Celonide, laat ons, yder van zyn kant,Elkander trouw zyn, enhet onderling verstand(1025) Van onze vyanden verbreeken, haare loogenEn valsche streeken alle omstooten van haar oogen.En schoon u Soliman bemind, schoon hy ’t u zegt,Ik wil niets kwaats vermoên, myn hart kent u oprecht. Einde van het darde Bedryf. [43 p. 43]VIERDE BEDRYF.EERSTE TOONEEL.SOLIMAN, RUSTAN. SOLIMAN.’k BEken u, Rustan, dat het schielyk wederkeeren(1030) Van Ibrahim ten hoof, my, tegens myn begeeren,Die oude wroeging weêr vernieuwt in myn gemoed,Ik kan die niet geheel vermeesteren. myn bloedVerandert my van schrik. ik heb zelf, ingenomenDoor de overwinning, daar hy hier meê is gekoomen,(1035) Gewild, dat myne min, voor zyn volmaakte trouw,En voor de grootheid van zyn gloory wyken zou.’k Heb eindlyk, vreezende te veel de aantreklykheden,De minlyke ommegang, en de volmaakte zeden,Van Celonide, haar getracht nooit weêr te zien.(1040) En haar aanloklykheid, die my vervoert, te ontvliên.’k Heb, hier aan ’t hof, daar ik my zonder tegenstreevenAan myne minnelust geheel kan overgeven,Daar om my word gestort zo meenig droeve traan,Daar honderd schoonheên my haar liefde bieden aan,(1045) Myn onrechtvaarde drift wel zoeken te overwinnen:Maar Celonides beeld komt telkens in myn zinnen;Noch veel behaaglyker, en schooner als voor heen.Zoek ik zulke oogen hier aan ’t hof, daar zyn’er geen.Smelt al de schoonheên vry in een van al myn hoven,(1050) Haar Goddelyke glans zal die alleen verdooven.Ik schei van hier, daar ’t al bestryd myn trouw en eer;Doch meêr vervuld met liefde, en min myn eigen heer.RUSTAN.Wat is uw hoogheid in zyn zelfstryd te beklaagen!Zyt gy dan noch niet moe, myn heer, u zelf te plaagen?(1055) Helaas! kan Soliman geen een dag Keizer zyn?Hy zucht, hier in zyn hof, als slaaf, van minnepyn. [44 p. 44]’t Schynt of hy vreest, en dat zyn twyffelende zinnenMeêr Ibrahim ontzien, als Celonide minnen.SOLIMAN.Hoe! Rustan?RUSTAN.Ik beken u, met berouw, myn heer,(1060) Myn onbescheiden drift en yver gaat te veer,Dat zy de wroeging, die gy hebt, durft tegenspreeken.En wat voor redenen u immer zyn gebleeken,Waar op die yver zig mag gronden: evenwelBetaamt het ons, aan die, als meesters, het bevel(1065) Des aardryks hebben, meêr eerbiedigheyd te draagen.De Vorsten scheppen in ’t gemeen wel meest behaagen,Alsze een vertrouweling ontdekken hunne min,Dat die hen vleid en volgt maar hun begeeren in:En wyl zy niets van ons met meerder lust verwachten(1070) Als dat men hen belieft, is ’t vaak in hun gedachtenEen misslag datmen hen een weinig tegespreekt*Doch, ik zal....SOLIMAN.Ik zal u, ’t geen ik heb voorgenomen,Doen hooren. Ibrahim zal hier zo aanstonds koomen.’k Heb hem ontbooden. doch gy zult verwondert staan(1075) Van myn bedryf. maar zacht, daar is hy. hoor my aan. TWEEDE TOONEEL.SOLIMAN, IBRAHIM, RUSTAN. SOLIMAN.KOm, myn trouwe Ibrahim, kom hier, uw heer bevrydenVan de onverdraagelyke en doodelyke stryden,Die zyn verslagen hart verscheuren. gy alleen,Gy zyt het... maar, helaas! waar voert myn ramp my heen?(1080) Wat zeg ik? ’k voel my in uw byzyn meêr verslaagen,Ik voel de hevigheid verdubb’len van myn plaagen.Ei my! ik voel dat ik bezwyk door haar geweld.Myn moed begeeft my weêr. verlegen en ontstelt, [45 p. 45]Denk ik niet meêr om ’t geen ik eerst had voorgenomen.(1085) Ach! wanneer ons gesternte ons voor het kwaad doet schroomenEn aandryft tot de deugd, wat is ’t de ziel een smart.Wat valt het lastig voor een edelmoedig hart,Met ongerechtigheid te kwetzen zyn vermogen.Rechtvaarde hemel! en wat is dan noch, voor de oogen(1090) Van zo een deugdzaam prins, een onrechtvaarde daadEen zwaare misdaad, en een al te schand’lyk kwaad.IBRAHIM.Hoe! Soliman zou dan zyn oude deugd verlaaten?Gy zoud ophouden, als voorheen, het kwaad te haaten?Gy zoud bekwaam zyn om ooit ongerechtigheid(1095) Te pleegen? gy, die vander jeugd u hebt bereidTot alles, daar men in de deugd na hoort te trachten,Ja die de deugd zelfs in uw vyanden kunt achten.Neen! ik geloof dat niet.SOLIMAN.Helaas! geloof het maar.Ja; Ibrahim, ’k verdoof de roem van veertig jaar.(1100) De rede heeft geen meêr vermogen, noch myn eedenOp dit gemoed. ja, in een uur vergeet ik heden’t Geen ik u schuldig ben, en gy my hebt gedaan.Ondankbaar keizer! kan ik zulk een kwaad begaan?Vervrouwde minnaar! die uw liefde u zoek te ontleggen.(1105) Trouwlooze vrind! die u... helaas! wat zal ik zeggen?Ach! Ibrahim, ’k bemin uw Celonide.IBRAHIM.Hoe!Myn heer...SOLIMAN.Ik bid haar aan. om haar te winnen, doeIk alles wat ik maar vertrouw dat my kan baaten.’k Bedien my by haar van myn grootheid en myn staaten.(1110) Ik zweer haar een oprechte, en ongeveinsde trouw.En, wat is ’t, dat een man die mind, niet zweeren zou,Als hy zyn best doed om zyn schoone te behaagen? [46 p. 46]Maar zy is doof, en ongevoelyk voor myn klaagen.’t Aanbidden van myn trouw verbittert haar gemoed(1115) Veel meerder tegens my, als dat het haar verzoet.Zy houd zig trots, en zegt, om my heel te bederven,Dat zy voor u alleen maar leeven wil, en sterven.Wanhoopende eind’lyk haar te winnen; ben ik nuDaar toe gekoomen, dat ik haar verzoek van u.IBRAHIM.(1120) Van my! ach!SOLIMAN.Ja, van u. gy kunt my weêr doen leeven.Hier moet gy van uw groot gemoed een proeve geeven.IBRAHIM.Neen: te vergeefs vergt gy die grootsheid my, myn heer;In dat deel leid myn groot gemoed geheel ter neêr.Die proef is boven al myn deugd, en myn vermogen.(1125) Denk niet, dat Ibrahim ooit daar toe word bewoogen,Dat hy ze u overlaat. die Celonide myBeneemen wil, die moet my daar het leeven byBeneemen. ’t is een goed, dat ik my door myn degen,En myn verdiensten, te rechtvaardig heb verkreegen.(1130) Gy gaaft ze my; maar ik verdien haar waarlyk wel.En zo ik al dat groot geluk, of door bevel,Of dwang, most afstaan om een anders welbehaagen.’t Is Soliman niet, die my dat behoort te ontdraagen.SOLIMAN.Nu, Ibrahim, ’k vergeef aan uw rechtvaarde smart,(1135) Het heimelyk verwyt, dat uw verslaagen hartMy doet. ik ken zo wel myn onrechtvaardigheden,Als gy. ’k beklaag uw ramp waar van gy word bestreden.Ik doe noch meêr: ik heb gevoelen van uw leet.En ik gevoelt zo veel te swaarder, wyl ik weet(1140) Dat het door my is, dat de hemel u komt plaagen,En, zonder dat gy hebt verdient die zwaare slagen;Want myn oprechtheid moet met uwe staan gelyk.Ja: die de prys is van uw leeven, tot een blykUws mins, is ook de prys waar voor ik ’t myne biede; [47 p. 47](1145) En, Ibrahim, die prys is uwe Celonide.’k Stel in ’t bezitten van haar schoonheid al myn vreugd.’k Heb te vergeefs getracht, my met een strenge deugdTe wapenen; op dat ik haar niet mogt beminnen.Maar haar bekoorlykheid lag altyd in myn zinnen.(1150) En niets, als uwe liefde, is ’t, die myn wenschen stuit;En my de weg tot zo volmaakten schoonheid sluit.Doch, zo uw Keizer wil uw medeminnaar weezen:’t Is Ibrahim niet, die hy daar in heeft te vreezen.IBRAHIM.Ach! gy hield my niet voor die doodelyke taal,(1155) Wanneer gy, vleijende met zoete hoop myn kwaal,En my vereerende ten hoof met eenige achting,Myn Celonide hier met voordacht, tot verzachtingVan myne smart, ontbood. om wiens wil doedze een reis,Uit ’t hart van Griekenland, tot binnen uw paleis?(1160) Door wiens bevel, op wat belofte is zy gekoomen?Om dat zy my van u zou werden afgenomen?Maar ach! ik breng u te vergeefs om in uw minU te overtuigen, al die goedheên in uw zin.Gy zyt te ver van uw voorgaande deugd, en reden.(1165) Gy denkt niet meêr aan uw beloften noch uw eeden.Want waarlyk dacht gy noch in uw gemoed daar aan,Gy zoud myn liefde noch uw gloory niet verraân.SOLIMAN.Zacht, Ibrahim, het gaat te hoog, met uw stout spreeken.Myn tegenwoordigheid behoort dat af te breeken.(1170) Ik ben uw meester, gy behoort met meêr beleidMy toe te spreeken, en met meêr eerbiedigheid.Wat weet ik ’t, gy mogt licht te veel myn goedheid vergen,En myne Majesteit tot zulken gramschap tergen,Dat ik wel met een woord, of wenk, beging een daad,(1175) Waar door uw dood my licht berouwen kon te laat.IBRAHIM.’k Heb my lang voorgestelt, waar meê ik ’t kon betaalen.Stel uwe gramschap dan om mynent wil geen paalen. [48 p. 48]’k Voorzie het ongeluk daar ik my zelf in smyt.U dienende, myn heer, heb ik voor lange tyd(1180) Geleert te trotzen het gevaar. en u uw eeden,En uw geswooren trouw aldus ziende overtreeden,Leer ik, dat geen geluk op aarde zeker is:Dat de allervaste valt, en ’t deugdespoor treed mis.Ik derf my voor de slag wel stellen zonder beeven,(1185) Die gy my toebereid. dat ik myn hoofd moet geevenZo ’k u mishaag, myn heer, denk vry dat ik dat weet.Ik wacht uw last. vaar wel. myn hoofd is al gereed. DARDE TOONEEL.SOLIMAN, RUSTAN. SOLIMAN.’t IS al gereet, zegt hy: en dat is myn begeeren.Gy reukelooze, in plaats van uwe slag te weeren,(1190) Valt gy na myne wensch van zelf my in de hand.Maar hoe? wat zeg ik? waar verval ik toe? ô schand!Verachtende zo veel aanzienelyke daaden,En diensten, daar hy heeft myn ryk meê overlaaden;Die, tegen myn geluk, de hemel zelf tot wraak(1195) Aanporren zullen, om myn onrechtvaarde zaak.Verachtende myn eed aan allebei voor de oorenVan Mahomet tot hun verzekering gezwooren.Dat ik hen eenmaal zou verëenen door de trouw,Verachtende al de ramp, daar ik me in storten zοu,(1200) Wil ik van Ibrahims geluk my meester maaken;En van een hart dat ik in min niet kan doen blaaken.En dat noch, zonder aan die dappere Vizier,Op hoop dat hy noch eens mocht afstaan van zyn vier,Een ander luk, dat daar by ophaalt, te belooven:(1205) Of zucht tot grootheid licht zyn liefde mogt verdooven:En of hem staat, of eer, ’t verlies vergeeten deê,Of ’t onrecht, dat hy, door zyn min te missen, leê:En dat ik, daar door, hem ten minsten scheen te weezen,Zo ’t moog’lyk was, wat min ondankbaar als voor dezen [49 p. 49](1210) En hem inwikk’len kon.... maar, wat wil Achomat? VIERDE TOONEEL.SOLIMAN, ACHOMAT, RUSTAN. ACHOMAT.VErgeef het my myn heer, tot welken eerbied datUw tegenwoordigheid uw dienaar ook mag dringen:Schryf myn vervoeringen aan myn bekommeringen,En aan het ongeluk dat die veroorzaakt, toe.(1215) Ik heb geen rede meêr die my regeert. ’k ben moêIn deez’ bedroefde staat, dit myn beklaaglyk leeven.Alleen myn wanhoop heeft my hier na toe gedreeven.SOLIMAN.Van wie beklaagt gy u? spreek op.ACHOMAT.Ach! ’t is van eenVerraader, een trouwlooze, en die, vervoert alleen(1220) Door staatzucht, tot zyn bruid een ander heeft verkooren;Die zyn beloften schend, zo hoog, en dier gezwooren,Aan Celonide; een die de trouwelooste, in ’t kort,Van alle vrinden, en van alle minnaars word.Die u zelfs aandringt uw gegeeven woord te breeken,(1225) En uw gezwooren eed; en my zoekt te versteekenVan myn Asteria: en dan zyn trouwloosheidTe kroonen, met dat gy hem haar hebt toegezeid.SOLIMAN tegen Rustan.Wat hoor ik, Rustan, welk een hoop schynt my te vleijen?ACHOMAT.Ach! heer, laat Achomat uw hert tot deernis leijen,(1230) Ik zal niet zeggen, dat gy kwetst uw eer hier in.Maar gun my dat ik u weêr brengen mag in ’t zin,Hoe Soliman my eer, vernoegt in ’t geen ik dede,En scheppende in myn dienst behaagen, zwoer met eede,Dat ik Asteria, die my in liefde, en trouw,(1235) Gelyk was, voor die dienst, tot loon genieten zou; [50 p. 50]En zig, in ’t openbaar, voor my verklaarde, tegenMyn medeminnaars, en zyn woord zo zwaar deed weegenTot voordeel van myn rust, dat hy, ten zy hy voort,Myn dood begeerde, nooit verand’ren kon dat woord.(1240) Dan zal uw groote ziel misschien zig zelf erbermen,Zig om een dood, zo wreed en onverdiend, ontfermen,En niet opoff’ren aan een min zo vol verraad,Een liefde die het al in trouw te boven gaat.SOLIMAN tegen Rustan.Kom, Rustan, ’k heb te lang myn ziel ten roof gegeeven(1245) Aan myne droefheid. om my weêr te doen herleevenOntsluit de hemel my een weg tot myn geluk.Haal hier Asteria.Tegen Achomat.Hoor, Achomat, uw drukUw moeilykheden, en het hooren van uw klagten,Brengt myn verwarde ziel tot andere gedachten.(1250) Doe uwe droefheid wat geweld aan, om myn rouw:Want myn geluk moet u iets kosten. ik betrouwU, en Asteria.ACHOMAT.Ach, heer, ik zie haar koomen.SOLIMAN.Wel aan. nu zult gy zien wat ik heb voorgenomen. VYFDE TOONEEL.SOLIMAN, ACHOMAT, ASTERIA, RUSTAN. SOLIMAN.MYn dochter, hoor, ik heb, om reden van gewigt,(1255) Van welker grond ik u daar na zal doen bericht,Doch hier te lang om te verhaalen, het begeerenVan Achomat, in plaats van zo veel and’re heeren,Begunstigt met myn woord. en meê gehoopt, dat gyGevoelyk zyn zoud aan zyn min van uwe zy: [51 p. 51](1260) Dat gy uw zinlykheid allengs daar toe zoud leiden,Van met een minnelyk gezicht zyn hoop te vleiden:Om eenmaal noch te zyn door ’t huuwelyk zyn vrouw.Dit wenschte ik toen van uw gehoorzaamheid en trouw.Doch nu, om and’re reên, die ik niet kan ontdekken,(1265) En die tot welstand van myn keizerryk verstrekken,Wil ik, dat Achomat voorts niet meêr denk hierom:En dat gy van my wacht een and’re bruidegom.ACHOMAT.Myn heer....SOLIMAN.’k Wil dat men my gehoorzaam zonder morren.Uw daaden, Achomat, die my tot weldoen porren,(1270) En dit verdriet zal ik vergelden met’er tyd:Maak maar, gelyk voorheen, dat gy het waardig zyt.En denk ’t is vol gevaar uw Keizer te weêrspreeken.Myn Dochter, ’k zie wel dat uw hart heel is bezweeken,Dat gy ontstelt zyt, en uw Achomat verzet.(1275) Doch niets zal my weêrstaan; myn wil is hier een wet.En Ibrahim wil ik u tot een Bruigom geeven.ASTERIA.Hoe! Ibrahim?SOLIMAN.Ja, hem heb ik daar toe verheeven.Op morgen zal ik hem, met u door ’t huuwelyk,Voor altyd aan myn huis verbinden en dit ryk.ASTERIA.(1280) Zal Celonide dan alzo van hem vergeeten...SOLIMAN.Wanneer het tyd is zult gy myn geheim wel weeten.’k Versta ’t zo. onderwerp u midlerwyl de wilUws Vaders. vrees hem te misdoen. en hou u stil.Denk dat gy anderzints u zelve meest zoud schaaden.(1285) Want hem te wederstaan hier in, is hem verraaden.Wel aan, myn Dochter, spreek. hoe zyt gy nu gezint?ASTERIA.Ik zal gehoorzaam zyn. [52 p. 52]SOLIMAN.Dat ’s my genoeg, myn kind. ZESDE TOONEEL.ASTERIA, ACHOMAT. ACHOMAT.EI my! wat donderslag! gy zelf! kunt gy besluitente verraaden? ach! kunt gy het vonnis uitten(1290) Van myne dood? koomt gy! koomt gy dan na, ô pyn!Zulk een bevel! en kunt gy myn moordresse zyn?ASTERIA.’k Zie, Achomat, dat gy, door schyn verleid, kunt vreezenDat ik, helaas! aan u kan onstantvastig weezen.Die liefde waar meê gy van my begunstigt werd,(1295) Most die niet spreeken tot myn voordeel in uw hert?Wanneer my Soliman aan Ibrahim wou huuwenHeb ik geveinst, hem aan te neemen. om te schuuwenMyns Vaders gramschap: en om steeds voor u myn minTrouw te bewaaren, viel deez’ listigheid my in,(1300) Om door een and’re weg myn Vader om te leiden.Gy zyt my dienstig. koom, help my die weg bereiden.En zo de hemel maar myn toeleg wil behoên,Geloof, dat Ibrahim u dan geen leet zal doen. Einde van het vierde Bedryf. [53 p. 53]VYFDE BEDRYF.EERSTE TOONEEL.ASTERIA, IBRAHIM, CELONIDE. ASTERIA.JA: in deez’ plaats, daar ’t al verandert is van weezen,(1305) Heb ik uw ongeluk meêr als gy zelf te vreezen.’k Beef telkens, om ’t gevaar daar my myn ramp in smyt.Maar om aldus ons op te houden, is de tydTe kost’lyk. Soliman, om tot zyn wit te koomen,Heeft alle hoop tot my aan Achomat benomen.(1310) Ontslaat zich van zyn eens gegeeven woord, en eed.Verbied dat ik hem min. wil dat ik my gereedZal houden, om met u, ach! Ibrahim, op morgenTe trouwen.IBRAHIM.Ach! wat maar!CELONIDE.O hemel!ASTERIA.Denk wat zorgen,Wat wanhoop, myne ziel op dit bevel, mevrouw,(1315) Beving. myn vader heeft deez’ doodelyke trouwMy zelf, in Achomat zyn byzyn, voorgeschreeven.Die ongelukkige en getrouwe heeft, met beeven,Myn smart gezien en deelt gelyk in myne rouw.Doch, liefde gaf my in dat ik hier veinzen zou.(1320) ’k Heb op my zelf geweld gebruikt, en zei, vol vreezen,Myn vader flaauwelyk, ik zal gehoorzaam weezen.Daar op vertrok hy, wel verzekert van myn woord.Ik, weetende ’t belang van deze dag, koom voortGebruiken die bedroefde, en kostelyke oogenblikken,(1325) Om makk’lyke order tot u beider vlugt te schikken. [54 p. 54]IBRAHIM.Hoe?ASTERIA.Dat is ’t zekerste, dat gy noch over ziet.Om voor te komen zo een doodelyk verdriet.Ja: om uw liefde met geen meêr gevaar te kwellen,Moet gy uw trouwste hulp in voort te vlugten stellen.(1330) Vertrek dan met elkaâr uit dit ondankbaar land,En houd, door uwe vlugt, myne, en uw liefde in stand.IBRAHIM.Wel! zie ik my dan tot dit uiterste gekoomen.Dat ik van hier moet! dat ik Soliman moet schroomen!Neen.... maar, waarom sla ik doch twyffel aan dien slag?(1335) Blykt myn wreed noodlot niet zo klaar gelyk de dag,Dewyl de dochter zelf beschuldigt haare vader?ASTERIA.Ga, Ibrahim, ga myn vrindin, zoekt bei te gaderEen beter lot. ik heb aan Achomat belastEen schip te houden op de ree, dat op u past.(1340) Zie, in wat schrikkelyk gevaar ik my gaa steeken.Wilt door uw aarzelen dit opzet doch niet breeken.En zyt geen oorzaak van een misdaad zonder vrucht.Denk wat voor knaagingen, indien dit wierd berucht,Gy zoud gevoelen zo hy most zyn leeven laaten.*(1345) Hy wacht u.CELONIDE.Hemel! ach!ASTERIA.Nu, Celonide, weesGerust. die wanhoopt, is die ooit verzet van vrees?Zult gy, op Ibrahim, noch op u zelf niet achten?Vertrek dan, gaa: of vrees, dat gy wel graag zult trachten,En wenschen, hier van daan te gaan, als ’t is te laat.IBRAHIM.(1350) Ach! ja, myn Celonide, in deez’ bedroefde staatDaar wy nu in zyn, moet gy wel verstaan tot vlugten. [55 p. 55]Rechtvaarde hemel! wie had immer kunnen duchten,Dat wy noch eens, gelyk misdaadigen, van hierVertrekken zouden! wie doorgrond uw hoog bestier!(1355) Wie dacht, dat ik, na zo een heerelyke zegen,Ooit, zonder iets van hier te draagen, als myn degen,Gelyk een balling, in verdriet, met u, mevrouw,Noch een verblyfplaats door de waereld beed’len zou!ASTERIA.’t Is waar, de hemel was u zachter handel schuldig.(1360) Maar, wyl gy haar niet kunt weêrstaan, zo draag geduldigUw lot, en wyk de slag, die u verdrukt, met moed.Uw vlugt maakt noch veel kwaad van Soliman tot goed.En, zo gy niet ontwykt zyn wreede raazernyen,Ziet toe datge u niet zelf maakt schuldig aan uw lyen.(1365) Verlaat dan, zonder rouw, deez’ plaats vol ongeneugt.Gy maakt u overal een vryplaats, door uw deugd.Vaar wel. spil nu geen tyd met klaagen om uw kwaalen,Die gy op morgen niet weêrom zult kunnen haalen.CELONIDE.Myn lot wil, Ibrahim, dat ik me op u verlaat.(1370) Wel aan dan, vlugten wy, terwyl het onze staatVereischt, en dat het schynt alzo te moeten weezen.Vaar wel, Asteria. de hemel wil na dezenAan u, en Achomat, deeze eed’le deugd, en trouw,Vergelden met zyn gunst. vaar wel, noch eens, mevrouw. TWEEDE TOONEEL.ASTERIA alleen. (1375) ZY gaan dan, hemel! dit wreed afzyn kan myn leeven,En myn bedroeft gemoed, noch wat vertroosting geeven:En maatigen noch iets myn wanhoop. maar, daar isDe keizer: ik verberg hem myne ontsteltenis. [56 p. 56]DARDE TOONEEL.SOLIMAN, ASTERIA, Gevolg. SOLIMAN.’k ZIe dat uw huuwelyk met Ibrahim myn Staaten,(1380) En my, in alles zo kan tot myn voordeel baaten,Dat ik ’t niet af en wacht met onverschillentheid.’k Dring op een ogenblik. ’k wil dat gy u bereidOm noch van deze dag met hem in de echt te treeden,Myn Dochter. ’k ben aan hem verpligt.ASTERIA.Van daag! wat reeden?(1385) Zyn....SOLIMAN.Alles is gereet: en Rustan, die gy kent,En van wiens yver ik kan zeker weezen, wendVast alle vlyt aan om op ’t spoedigst hem te vinden;En zoekt hem zelf; om my noch meerder te verbinden.Hy zal hem binnen ’t uur hier brengen, op het meest.ASTERIA.(1390) Hoe? zonder dat hem zulks ooit is bewust geweest;Myn heer? wat zal hem een ontsteldheid overkoomen!Terwyl zyn ziel alreeds is elders ingenoomen.SOLIMAN.De ontsteldheid zal voorwaar voor hem heel hevig zyn.Maar, moog’lyk zal hy die verdraagen zonder pyn.(1395) En of zyn hart al in het eerst wat schynt belaaden,En vreest zo schoonen min zo schandig te verraaden,’k Meen dat de gloory, of de reede, hem die smartEn zwaarigheid, haast zal verbannen uit zyn hart.Doch hoe ’t ook zy, myn kind, hy moet zig zelve schikken(1400) Om u te trouwen; en maar weinig oogenblikkenHebt gy noch, om u te bereiden tot die pracht. [57 p. 57]VIERDE TOONEEL.ROXELANE, SOLIMAN, ASTERIA, gevolg. ROXELANE.DAar loopt een schandelyk gerucht, voor uw geslacht,En voor u zelf. men zegt, dat gy uw Dochter heedenAan Ibrahim begeert ten huuwlyk te besteeden.SOLIMAN.(1405) Wat schand vind gy daar in dat hy myn Dochter trouwd,Mevrouw, dat gy die maar voor ongelooflyk houd?ROXELANE.Het is dan waar, myn heer. en moet ik dan aanschouwenDat uw Asteria met Ibrahim gaat trouwen.Ach! zo ’t herdenken van uw eeden, u niet van(1410) Die kwaade meening, en dat opzet trekken kan:Zo de droeve Achomat zyn ongunst, noch de traanenEens trouwen minnaares, daar toe de weg niet baanen,Zo alles, tegen die verkiezinge, niets kanTe weege brengen, en vergeefs is, luister dan,(1415) Ten minsten, naa ’t belang van* u, en van uw ryken.Wie is deze Ibrahim, daar ’t alles voor moet wyken?Die gy, in al het geen hy onderneemt, of waagt,Met uwe gunst en met uw grootsheid onderschraagt?Een slechte vremdeling, die, zonder naam, en vrinden,(1420) En weetende geen steun, of heul, of troost te vinden,Zig eertyds had geschaamt, wanneer men van hem sprak.En die, gedwongen, om in moeite, en ongemak,Te volgen, wetten, door natuur hem voorgeschreeven,Zyn droevig lot verburg, met onbekent te leeven.(1425) Dien uwe goedheid, met al ’t geen hy wenscht of denkt,Zo dra hy komt ten hoove, in overvloed beschenkt.Ja, die hem voorkoomt, eer hy ’t zelve durft vermoeden,Om ’t ongelyk van zyn elende te vergoeden:En, streelende zelfs zyn begeerte, zo ver gaat,(1430) Dat hy verschrikt en om zyn gunst verlegen staat, [58 p. 58]Maakt hem uw opperste Vizier. is ’t niet te vreezen,Wanneer hy, boven dien, uw Schoonzoon noch zal weezen:Dat hy, misbruikende die rang, licht eens zo veerZou kunnen koomen, dat hy trachten zou na meêr.(1435) Denk eens wat ramp hy dan de Staat niet kon verwekken,Dien gy nu oordeelt dat tot nut van ’t Ryk zou strekken.SOLIMAN.Dat ik van Ibrahim ooit zulks vermoeden zou,Daar toe is zyn gemoed te zuiver, en te trouw:En ’k neem het kwaalyk, dat gy, om zyn deugd te krenken,(1440) Op zulken wys hem in myn by zyn durft verdenken.Ja, schoon hy in uw oog noch haatelyker scheen:Ik min hem. en hier is aan ’t heele hof geen eenDie zulks niet weet. ja, gy zult zo terstond bevinden,Hoe ver myn vrindschap zich aan zyne wil verbinden.ROXELANE.(1445) Dat is om nevens u te zitten op uw troon.Hy kan....SOLIMAN.Het zy hoe ’t zy, ’k verkies hem tot myn Zoon.Myn Dochter, die veel meêr gehoorzaamt myn beveelen,Als gy, acht dat geen schand haar hart met hem te deelen.ASTERIA, ziende Achomat.Wat zie ik! ach! VYFDE TOONEEL.SOLIMAN, ROXELANE, ASTERIA, АCHOMАТ. ACHOMAT, tegen een Lyfwacht, die hem vast wil houden.HEt is onnoodig, dat men my(1450) Gevangen neemt. sta af. ik koom van zelf, en vry, [59 p. 59]Myn hoofd aan Soliman voor myne misdaad geeven.SOLIMAN.Wat let u, Achomat? wat hebt gy dan misdreeven?ACHOMAT.’k Heb ongehoorzaam uw geboden overtreên:- Maar’s hemels wraak heeft my verraân, voor u gestreên.SOLIMAN.(1455) Waar in?ACHOMAT.Verwacht niet, schoon ik schyn ontstelt te weezen.Dat ik u immermeer zal zoeken te beleezen,Tot afstand van uw wraak; of in de minste schynWil aan een laf berouw myn leeven schuldig zyn.Neen: ’k zal om geen genaâ aan uwe goedheid smeeken.(1460) Zo dra, als gy my van myn liefde had versteeken,Voelde ik my zelf te zwak, myn heer, voor zulk een smart;En had geen meêr gebied behouden op myn hart.En, myn rechtvaardige eisch niet kunnende verlaaten,Ried ik aan Ibrahim ’t gebied van uwe staaten(1465) Te ontvlugten; en ’t had ook gelukt, door myn beleid,Had ons den hemel noch een oogenblik gevleid.SOLIMAN.Hy vlugten?ACHOMAT.Ja, myn heer. ik deed een schip bespreekenDat in de haven wachte, om met hem af te steeken.’k Beval hem aan de zorg der winden, en der zee.(1470) Hy ging met vreugde heen: en Celonide meê.SOLIMAN.Hoe, Celonide meê?ACHOMAT.Zy vlugten met haar beiden.Myn heer, zou Ibrahim van Celonide scheiden?SOLIMAN.Wat hoor ik? Celonide, ô hemel! is gezintTe vlugten: en verlaat een keizer die haar mind. [60 p. 60](1475) Want waarom meêr geveinst? daar elk doch weet te spreekenVan myne min. maar, waar zyn zy doch heen geweeken?ACHOMAT.Zy zullen beide hier haast voor u zyn, myn heer.Maar, hoor, hoe onvoorzien haar opzet nam een keer.’t Ging alles eerst na wensch. zy waaren wel gekoomen(1480) Uit uw paleis, eer dat haar iemand had vernomen,Tot aan de haven. elk was even wel gezind:En vleide zich alreê met hoop van goede wind.Maar Rustan deed terstond die schoone hoop verdwynen,Als zy hem zagen voor hun aangezicht verschynen.(1485) Hoe? zeid hy, Ibrahim begeeft zich op de vlugt?Ik zoek u, uit de naam des keizers, die uit zuchtTot uwe dapperheid, zyn dochter u wil geeven.Een eer, al over lang aan Rustan toegeschreeven.Als eenig volk, dat ik had op de wacht gezet,(1490) My middel gaven, waar door ik uw vlugt belet.Hy zeid de waarheid; want een volk, dat ik niet melde,En ’t welk meede overal haar eigen wachten stelde,Deed hem naspooren, op zyn allerminste treê;En Rustan zelf, met veel Janitzers stond al reê,(1495) Om zyn verwoed bestel voort uit te laaten voeren,En al de hoop van die gelieven zo te ontroeren.Maar, ’t was door myn geluk, en Ibrahims geweld,Met hen gedaan geweest, en alles weêr herstelt,Indien niet een van hen, op schelmery gesleepen,(1500) Om Ibrahim verzet te maaken, had gegreepenZyn Celonide, die, braaveerende ’t gevaarDaar haar getrouwe held zich in begaf om haar,Zig voor hem stelt, om zo zyn slagen af te weeren.Die winst, en ons verlies doet hunne moed vermeêren.(1505) Zy keeren al gelyk hun wreede dulligheidOp Celonide; en een van hen maakt zich bereid,En houd zich, of hy haar terstond door ’t hart wil stooten.Daar op kwam Ibrahim ten eersten toegeschooten.Dit droevig schouwspel temde, en breidelde al zyn kracht. [61 p. 61](1510) Hy wierp zyn sabel weg, en riep: ach wreede! wacht,Houd op; en spaar die schoone. ik geef aan uw verwoedheidMyn hoofd ten beste. heb ten minste zo veel goedheid,En draagt voor Celonide ontzach. zie wat gy doed.Verwt uwe handen niet in haar onnoozel bloed.(1515) Zy wyken voort. en de gelieven met hen beideGaan heel gewillig meê, daar Rustan hen geleide.En neemen met een kloek gemoed hun boeijens aan.Dit droevig schouwspel maakt myn hert geheel begaan.’k Poogde, uit de handen van die beulen, hen te ontzetten.(1520) Maar ’t was vergeefs, ik kon hun woede niet beletten.Ik woelde slechts met een onnutte dommekracht.Dies red ik my maar van hun overige magt;En kom hier, doch geenzins om voor myn lyf te spreeken,Noch om verlenging van myn leeven u te smeeken.ASTERIA.(1525) Ach! vader! ik alleen....ACHOMAT.Ei! schoone Asteria,Neemt gy geen deel toch aan myn ramp of ongenaâ.ASTERIA.Wat zie ik! Celonide en Ibrahim in banden! LAATSTE TOONEEL.SOLIMAN, ROXELANE, ASTERIA, CELONIDE en IBRAHIM geboeid, ACHOMAT, Lyfwachten. IBRAHIM.NU Soliman, nu hebtge ons wederom in handen.Verwonder u. hoe valsch het luk ons dikmaal streelt.(1530) En hoe het los geval hier met de menschen speelt:’k Zag my, niet lang geleên, heel hoog in top gesteigert:Nu keert het zig zo in een oogenblik. en weigertMy haare gunst. ik val. en ’t voert my, in haar haat,Van de alleropperste, tot de allerlaagste staat. [62 p. 62]CELONIDE.(1535) Ach! Soliman, hoe zult gy ’t eind’lyk met ons stellen?SOLIMAN.Wat oordeel zal ik hier van de een en de ander vellen?Hoe vind ik op het laatst de rechte grond noch uit,Van uw voorneemen, daar ik u tot een besluitZie treeden van myn hof onwaardig te verlaaten?(1540) Gy vlugt.IBRAHIM.Wy vlugten, het is waar. kan dit u baatenOm te rechtvaardigen de haat die gy ons draagt?Is deeze misdaad dan zo zwaar? ach! waarom klaagtGy over Celonide? om datze u zocht te ontloopen?Haar vlugt stelt weêr de weg tot uwe welstand open.(1545) Herstelt uw gloory, en verzekert haare deugd,En geeft haar hoop van rust voor al haar ongeneugt.En ik. wat heb ik aan uw hoogheid ooit misdreeven?Wat legt men my te last? wat schuld kunt gy my geeven?Wat heb ik tegen uw beveelen ooit gedaan?(1550) ’k Gedraag my aan u zelf in ’t geen ik heb begaan.Doe my rechtvaardig recht. en oordeel na ’t betaamen.En zeg eens, wie van ons zig eerst behoort te schaamen?Myn Celonide komt my deugd’lyk toe, myn heer,Door haar toestemming, en daar na door uwe weêr.(1555) Elk weet dat zy my lieft. kunt gy u nu verschoonenDat gy haar hart van my hebt zoeken af te troonen?Gy vergt haar tot uw min. zy klaagt aan my haar leed.Ik vlugt. daar hebt gy al myn misdaad die ik weet.Ach! ’k heb te lang geleeft. waarom niet tot uw gloory(1560) Gesturven in myn laatste en heerlykste viktoory!En zo uw eer en roem verzeekert met myn bloed!Geloof niet, evenwel, dat myn ontstelt gemoed,Voor Celonide vreest: ’k hoef u tot medelydenNiet te verzoeken, om haar leeven te bevryden.(1565) Uw liefde staat my borg genoeg voor haar, myn heer!Zy mind me. ik sterf gerust. misschien dat ik noch, eerGy ’t zelve denkt wel in uw hart een wreeker vinde. [63 p. 63]Die ik al zeker heb in ’t hart van myn beminde.SOLIMAN.Ei my! waar word myn geest door onrust heen geleid?CELONIDE.(1570) Myn heer, ach! luister doch na uw rechtvaardigheid.Bewaar uw roem, en laat de deugd u overreeden.Zo Celonide, door haar traanen en gebeeden,Op haare knien niets voor Ibrahim vermag....SOLIMAN.Sta op, Mevrouw, wat stryd, rechtvaarde hemel, ach!(1575) Wat doodelyke stryd koomt my myn ziel verscheuren!Wat zal myn Majesteit in ’t einde noch gebeuren!Helaas! waar werp ik my door myne wellust in.Wat dood’lyke uitslag van een ongerechte min!Wat schand’lyk voorbeeld zal ik eind’lyk door myn leeven,(1580) Aan ’t Ottomans geslacht en aan myn volken geeven!Op wie! op wie is ’t dat ik my hier wreeken kan!Ja, ’k zal my wreeken; maar gelyk als Soliman.Kom nader, Achomat, gy zult voortaan bekleedenDe rang van Ibrahim en al zyn waardigheden.(1585) Ontfang met een van my myn Dochter, die gy mind,En wees myn opperste Vizier. en gy, myn kind,Maak u op morgen om met hem te trouwen vaardig.ASTERIA.Ach! kan het zyn?ACHOMAT.Kan ik ’t gelooven! ben ik waardig....SOLIMAN.Geloof het. Soliman geeft zig ten laatsten weêr(1590) Geheelyk over aan zyn eerste deugd en eer.Myn Lyfwacht, maak hen los, doet daat’lyk van hun handenEn uit myn oogen weg die schandelyke banden.IBRAHIM.Ach! kunt gy.... [64 p. 64]SOLIMAN.’t Is genoeg, de hemel steld zich nuAls opperrechter tusschen my en tusschen u.(1595) Myn Ibrahim, ik geef u weêr uw Celonide,Die ik met eigen hand aan uwe trouwheid biede.Gy vlugtede uit myn ryk, maar trek hier nu van daan.Doch niet als met myn gunst, en gaaven overlaân.CELONIDE.Hoe! heer....SOLIMAN tegen Ibrahim.Ach! wilt my voor myn zwakheên voorts bewaaren.(1600) En met uw Celonide in Griekken overvaaren.Regeer daar in myn plaats. want bleeft gy langer hier,’k Viel in myn zwakheid weêr, en in myn eerste vier.Vertrek.Tegen Roxelane.En gy, Mevrouw, stil uwe moeilykheden.Verzoen met Ibrahim, en voeg u na de reden.(1605) Hy is het waard. ’k hoop dat de tyd, en uwe deugdU myne min weêrom zal geeven, en uw vreugd. Einde van het vyfde en laatste Bedryf. Tekstkritiek:p. 4 van er staat: vnnvs. 131 huwlyks band de spatie is onduidelijkbij 660 [Einde van het tweede Bedryf.] Deze aanduiding ontbreekt hier en is naar analogie van de overige bedrijven toegevoegd.798 vereeren. er staat: vereerenbij 869 CELONIDE. er staat: CELOLIDE.1022 weezen. de punt is niet zichtbaar.1071 is weesrijm1344 is weesrijm1415 van er staat: vauVan: Antonius Harmsen Verzonden: Woensdag, 22 Juli, 2026 12:18Aan: Uitert, G.C. van (Gerrit) Onderwerp: Re: SolimanOp 22 jul. 2026, om 11:13 heeft Uitert, G.C. van (Gerrit) het volgende geschreven:Beste Ton,Heb je bericht drie keer gekregen: is dat een vergissing? Zit hier met walging over het afval dat mensen náást de container zetten. Vlak bij huis was het een enorme bende en de gemeente was onbereikbaar.Van: Antonius Harmsen Verzonden: dinsdag 21 juli 2026 21:32Aan: Uitert, G.C. van (Gerrit) Onderwerp: Soliman