Uitgegeven door A.J.E. Harmsen, 29 april 2001.

Dit is een editie van de beide uitgaven van De bekeerde alchimist, die verschenen in Amsterdam, 1680 en 1714. De beide drukken verschillen onderling op veel punten, zoals men eenvoudig kan konstateren nu ze hier naast elkaar zijn weergegeven. Over de alchimistische achtergrond van deze Frans-klassieke klucht zie de beide artikelen van Kees Lindhout. Voor vindplaatsen zie Ceneton05528 en Ceneton05529
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
Continue



Frontispice van de tweede druk



Continue

DE BEKEERDE

ALCHIMIST,

ÓF

BEDROOGEN BEDRIEGER,

KLUCHTSPÉL.

[Vignet: Nil Volentibus Arduum].

te AMSTERDAM,
By ALBERT MAGNUS, Boekverkooper op
de Nieuwendijk, in den Atlas, 1680.

Mét Privilégie.


DE

BEKEERDE

ALCHIMIST;

óf

BEDROOGEN BEDRIEGER.

KLUCHTSPÉL.

Nooit op deeze wyze in ’t licht gegeeven.

[Vignet: Nil Volentibus Arduum].

TE AMSTERDAM,
                                                   

Gedrukt voor het KUNSTGENOOTSCHAP, én te
bekomen by de Erven van J. LESCAILJE, énz.
Met Privilegie. 1714.


Den
ÉDELEN HEERE
JOAN HUIDEKOOPER,
Jonkheere tót Maerseveen, Neerdyk, &c.
SÉKRÉTARIS
der Stad
AMSTERDAM.

MYN HEER,

    Veele zullen my van groote inbeelding, én eigene liefde beschuldigen, dat ik, die één van de geringste Léden bén van het Konstgenootschap, bekénd onder de naam van NIL VOLENTIBUS ARDUUM, my vermeet zo slécht, én kleen een wérkje, als déze Bekeerde Alchimist is, aan U. Ed. op te draagen; dóch wanneer zy zullen zien, dat ik het oog geslagen héb op U. Eds. deugdelyke inborst, die alle bedriegeryen haat, én op U. Eds. bespiegelende geest, die alle konst bemint, twé gaaven, die in U. Ed. zo uitblinken, dat ik nérgens élders eene bétere keur zoude hébben kunnen doen: zo zullen zy de zélve niet alleen goed vinden, maar pryzen.
    Want, myn Heer, de stóf van dit wérk is vry zédevormig, én leerzaam doordien zy eene berisping, én hekeling behelst van ééne der uitspoorigste gebréken, die ’er in de burgerlyke ommegang in zwang gaan, dat is, de dulle drift tót de gevaarlyke kunst van goud maaken, die verscheidene huisgezinnen tót den gronde toe berooid maakt, én gemeenlyk die vruchtelooze arbeiders, die daar in volharden zo vérre vervoert, dat zy, indien zy vroom willen blyven, tót krankzinnigheid vervallen, én in het Dulhuis raaken, óf, indien zy niet naauw van gemoed zyn, tót bedriegers, ja valsche munters worden.
    Ook is het eene eigene vinding, én die wordt tégenwoordig by de ménigte der liefhebberen van de Tooneelpoëzy in zulk eene waerde gehouden, dat zy boven de édelste vertaalingen, én geestigste ontleeningen der allertréffelykste Meesters een Tooneelstuk stellen, als het maar eigene vinding is, schoon ’er konstige schikking, én voeglyke rédeneering na het karakter der persoonazieën aan ontbreekt.
    Ik mag my immers dan wél gerust stéllen, dat de leerzaamheid der stóffe de sléchtheid van ’t wérk genoegzaam zal opweegen, én dat ik déze spoorloosheid van die bedriegers onder U. Eds. beschérming veilig zal moogen ten Tooneele voeren; én mét éénen van uwe liefde tót de kunst, én réchtzinnig oordeel over de zélve een vonnis te hoopen héb over de veel óf weinig eer, die ik inlég mét het onderneemen van eene eigene vinding in ’t licht te geeven, om my tót eene reegel te strékken, óf ik ook een Treurspél, dat méde eene eigene vinding, én ten naasten by voltooid is, voor den dag zal durven bréngen, dan óf ik, my aan anderer ongeluk spiegelende, het zélve in de geboorte liever zal smooren. Dit is myn voornaamste doelwit geweest, én daar néffens dat ik Uwer Ed. mooge bekénd maaken, dat ik inder daad bén,


        MYN HEER,

                U.Eds. Onderdaanigste Dienaar,

                        D. LINGELBACH.

AAN DEN
DICHTLIEVENDEN LEEZER.

HIer wordt u opgedraagen het Tooneelspél van den GEWAANDEN ALCHIMIST, óf VUILEN BEDRIEGER, die in ’t einde, zélf bedroogen, én voor zyne snoode listen, in ’t wérk gestéld, tot schaade én bedérf van anderen, met récht gestraft wordt; vó1gens den bekénden Kunstrégel, die begeert dat de Onnoozelheid én Onschuldigheid in de Blyspélen, altyd de overhand moet behouden, nóch door eenig onrécht, óf gewéld onderdrukt worden. De Heer A. PELS roert dit aan in het GEBRUIK én MISBRUIK des TOONEELS, Twéden Druk in 8°. op Pag. 49.

Ook moet de Deugd, hoewél beklaagd, niet blyven zuchten:
Want alzo wél in Bly-, als Treur-spél, ja in Kluchten,
Is ’t aangenaamer dat de Deugd daar word geleerd,
Dan dat daar de Ondeugd, óf de zonde in triomfeert.
Enz.

    De dwaasheid die hier ten toon gestéld, én met réden doorgestreeken wordt, heeft van alle tyden af, zo veel ingang gevonden in de begeerlyke harten der ménschen, dat ze ook lieden heeft weeten te bekooren, waar van men het nooit zoude vermoed hebben, zélfs mannen van ongemeene waerdigheid, geleerdheid, én deugd; zynde hunne herssenen betoogen geweest door den schaadelyken damp van den ydelen waan, dat in de hand der Kunstenaaren is het voortbréngen van een metaal, dat by élk geliefd én geéérd, wonderen kan uitréchten; gelyk de érvaarenheid ons, door veelerlei voorbeelden, getoond heeft. Onnoodig is het dezélve in ’t byzonder op te haalen, als zynde genoegsaam bekénd de naamen van veelen, die hunne onvoorzichtigheid, én ligtgeloovigheid met het verlies hunner have én middelen geboet, én te spaade beklaagd hebben. Wél waare het te wénschen dat nu nóch in deeze dagen niemand gevonden wierdt, die zich voedde met dit aas der ydele hoope, die eindelyk met al de poogingen, én zwaare kósten, daar toe aangewénd, in wind verkeert, én de eléndige Goudzoekers deerlyk te leur stélt. Dit gebrék dan, waar van de smét uit Hoogduitschland allereerst in deeze én andere gewésten is overgebragt, hier met gevoegelyke vérwen afgemaald, zal, hoopen wy, dit Tooneelstuk, ingang doen vinden in de gemoederen der génen die de éénvoudige Deugd én Opréchtheid beminnen, én tot een middel strekken van afschrik voor hen, die zouden mogen, door de schoonschynende aanlókselen van anderen, hier toe vervallen. Wy belooven ons deeze vrucht hier uit, te meer, om dat wy ons wérk gemaakt hebben van deezen Druk veel sierlyker én waarschynlyker op te tooijen, én met noodige byvoegselen in het Spél zélf, te verryken. Ondertusschen wordt geen moeite nóch kósten gespaard, nóch tyd verzuimd om de nóch ontbreekende boekjes van het Kunstgenootschap NIL VOLENTIBUS ARDUUM, in alle deelen naauwkeurig verbéterd, sierlyk in ’t licht te bréngen, om alle valsche Bydrukken uit de waereld te hélpen, én by gelégenheid, ook andere nieuwe Wérken uit te geeven.

COPYE

Van de

PRIVILEGIE.

[Zie onder.]


VERTOONERS.

GOVERD, een Alchimist.
JOHANNA, Dóchter van Goverd.
FRÉDERIK, Minnaar van Johanna.
JONKER GOUDSCHALK, een Alchimist.
NIESJE, Geweezene Min van Fréderik.
KATRYN, Kamenier van Johanna.
JASPER, de Knécht van Jonker Goudschalk.
DIRK, de Knécht van Goverd.
JAN, de Knécht van Fréderik.
KLAARTJE, de Meid van Goverd.

        Het Tooneel in een’ Kamer in het huis van
                Goverd.


VERTOONERS,

JOANNA, Dóchter van Govert,
KATRYN, Kamenier van Joanna.
FRÉDRIK, Vryer van Joanna.
NIESJE, Een Enkhuizer wyf; geweezene Minnemoêr van Frédrik.
DIRK, Knécht van Govert.
JAN, Knécht van Frédrik.
GOVERT, Weeuwenaar, Vader van Joanna, ligtgeloovig, én onkundig in de Alchimistery.
JONKER GOUDSCHALK, een Duitscher, bedrieger, én zich uitgeevende voor een érvaaren Alchimist,
JASPER, Knécht van Goudschalk.
KLAARTJE, Meid van Govert.

    Het Tooneel verbeeldt een kamer in het huis van Govert.

    De Geschiedenis van het Kluchtspél, begind in den avondstond, én duurt niet langer als den tyd waar in die vertoond kan worden.

DE BEKEERDE

ALCHIMIST,

KLUCHTSPÉL.

___________________________


EERSTE TOONEEL.
JOHANNA, KATRYN.


JOHANNA.
KAtryn, nu durf ik immers hoopen,
Dat onze vond wél af zal loopen?

KATRYN.
O Juffrouw, ’k bén zó in men kracht!
’t Is alles wonderlyk bedacht
(5) Om dézen kwiedam uit te stryken.

JOHANNA.
Hoe wil myn goede Vader kyken,
Wanneer hy hoort, dat alles maar
Verdicht is, wat die loogenaar
Hém wys maakt mét zo op te snyen
(10) Van de Alchimie, én Toveryen?

KATRYN.
Ja, maar wat lukt het wonderlik,
Dat juist jou Vader Fréderik
Méê heeft by hém te gast gebeeden.

JOHANNA.
Dat was alleenig om die réden,
(15) Dat hy van de Alchimie zo breed
Dorst boogen, daar hy niets van weet,
Och! de oude man was door die droomen,
En beuz’len daad’lyk ingenomen
Mét Fréd’rik, toen hy die verstondt,
(20) Maar vat zyn’ Minnemoêr de grond
Van ’t wérk, én zal ze in alle deelen
Bekwaam zyn, om haar’ ról te speelen?

KATRYN.
Zo wél, als iemand in ons land.
O! éldremést, ’t is zulk een kwant!
(25) Het is een veerwyf, die, haar leeven
Niet veel heeft om een man gegeeven.

JOHANNA.
Wierd nu myn Vader maar bekeerd,
Die zo vaak heeft mét schâ geleerd,
Ik zou wéêr voor geen armoê vreezen.
(30) Katryn, wat waaren wy voordézen,
Eer noch myn Oom te stérven kwam?
Geen armer vólk in Amsterdam.
En dat kwam niet, als door ’t verkwisten
Van Vader mét die Alchimisten.

KATRYN.
(35) Dat’s waar: heeft hy zulk vólkje niet
De kóst gegeeven, én geklied
Op schyn van hoop, én was ’t geen loogen?

JOHANNA.
Zo is hy honderdmaal bedroogen;
En nu ons Ooms gewénschte dood
(40) Wéér heeft gehulpen uit de nood;
Nu wy wéér rijklyk kunnen leeven;
Nu wil hy my ten huw’lyk geeven
Aan een’ bedrieger, aan een’ guit,
Die al ons goedtje tót een’ duit
(45) Wéér zou de schoorsteen uit doen vliegen,
En Vader jammerlyk bedriegen;
Zo Fréd’riks list niet uitwérkt, dat
Hy in dit huw’lyk steekt de kat,
En hém beweegt, om nooit nadézen
(50) In zulk een zótte kap te weezen.

KATRYN.
Dat hoop ik; óch, die goeje man
Die was ’er anders kwaalyk an;
Hy zou al ’t géld, dat jy door ’t stérven
Komt van je ryke Jan oom te érven,
(55) Op nieuw verstooken.

JOHANNA.
                                  Dat is wis.
Heeft hy niet voort na de érfenis,
Om op een nieuw zyne oude kuuren
In ’t wérk te stéllen, wéêr gaan huuren
Dit groote huis, alleenig, om
(60) De plaats van ’t Labratorium?
Daar stookt hy nu mét zo veel glazen,
En ovens, dat het moet verbaazen,
Die ’t aanzien; ja ’t is ongemeen;
De kamer is hém schier te kleen
(65) Door al ’t beslag; én voor dat zweeten
Proeft hy den heelen dag pas eeten.
Hy lét op huis, nóch huiszórg: Ja,
Hy trékt die dolheid hém zo na
Door toedoen van die snoode guiten,
(70) Dat wy hém hoorden op te sluiten:
Hier door gelooft hy alles. Maar
Daar wordt gebéld. Is Fréd’rik daar
Mét Niesje, laat hém zonder schroomen
Mét de oude vrouw hier binnen komen.

DE
BEKEERDE

ALCHIMIST.

          KLUCHTSPÉL.

___________________________


EERSTE TOONEEL.
JOANNA, KATRYN.

JOANNA.
KAtryn, durf ik dan eind’lyk hoopen
Dat Fredriks vond wél af zal loopen?

KATRYN.
Ja, hoopen, Jufvrouw, zei Piet Joost
Korts voor hy sturf, is lydens troost.
(5) Ik hoopte ook, toen ik sints acht weeken,
Hier woonen kwam, wat op te steeken;
Maar ’k zag tot nóch geen énk’le spéld.

JOANNA.
Papa geeft my zo weinig géld
Dat ik ’er pas van huis kan houwen;
(10) Maar, zo ’k met Frédrik kom te trouwen,
Dan...

KATRYN.
            Maar de knécht én de meid hier naast
Die krygen alle daag verbaasd
Verval! Wég dan met de Alchimisten.
’k Dócht dat men hier in goud opdisten;
(15) En dat, als ik de stookzaal most
Uitveegen, daar wat raapen kost
Van ’t gruisgoud dat valt deur de traalje.

JOANNA.
Ja, heb je dat gedócht, zo dwaal je.

KATRYN.
Maar Jufvrouw, zo ik ’t zeggen mag,
(20) Is Goudschalk niet zo hupsen slach
Als Frédrik?

JOANNA.
                    Kaat, om jou te toonen
Hoe graag dat ik je hier zie woonen,
Daar is een Rozenobel, mits
Dat jy récht opbieght, én geen flits
(25) My op de mouw spélt; heeft hy nimmer
Jou iets verëerd?

KATRYN.
                        Wat zou die grimmer!

JOANNA.
Nooit? nooit van Goudschalk iets gehad?

KATRYN.
Wel Jufvrouw, jy vraagt daer zo wat...

JOANNA.
Nou, zég het vry.

                            Sléchts tien Dukaaten.
(30) Is dat wél waerd om van te praaten?

JOANNA.
Neen tóch niet. Maar Katryn, eer ik ’t
Vergeet, maak dat je straks beschikt
Dat Dirk niet uitgaat.

KATRYN.
                            ’k Hoor je zuchten?

JOANNA.
Och! wist je eens al myne ongenugten,
(35) Katryn, je zuchtte ligt met my
Om vaders géldverkwistery.
Je weet nóch weinig van zyn’ kuuren,
Hy heeft exprés dit huis doen huuren
Sints Jan Ooms érff’nis, énk’lyk om
(40) De plaats van ’t Labratorium.
Daar stookt hy nu weêr tót verbaazen,
Met zo veel ovens, zo veel glazen,
Dat zélfs de groote zaal van ’t huis
Geen plaats meer heeft voor een fornuis.
(45) Myn moeders géld is eerst vervloogen,
Toen hy van and’ren wierd bedroogen.
Nu heeft hem Goudschalk in de kap,
Die voort ons érfdeel met een snap
Door hoop van yd’le winst, met liegen,
(50) De schoorsteen weêr zal uit doen vliegen,
Zo Frédrik dit niet haast belét,
En my uit al myn’ kommer red’.

KATRYN.
Je mint hem?

JOANNA.
                    ’k Wil het niet ontveinzen,
Zyn schoonheid heerscht in myn’ gepeinzen,
(55) Naa ’t eerst’ gelukkig uurtje, én dag
Dat ik hem hoorde, sprak, én zag
In ’t huis van zyne Minnemoeder.
Hy zweemt zo minn’lyk naar myn broeder!...

KATRYN.
Jouw broêr was dan geen leelyk kwant!

JOANNA.
(60) Katryn, byna de schoonste in ’t land.
Dit maakt me in Frédrik opgetoogen.

KATRYN.
’k Bekén het, hy heeft twé schoone oogen.
Een schoone mond, de lippen rood:
De neus bekoor’lyk, maat’lyk groot,
(65) Met een omtrékje aan beide zyën:
Yvoore tanden, récht in ryën,
Twé kuiltjes gaan zyn’ wangen in.
Hy heeft een kloofje in de onderkin.
Hy ’s blond, hy ’s zacht van vél, besneeden
(70) Van aanzicht, én volmaakt van léden.

JOANNA.
Hou op Katryn, dit gaat te gróf.

KATRYN.
Wel Jufvrouw, ’k doe ’er ook niet óf.

JOANNA.
Zwyg: dit vermeerdert myn verlangen.

KATRYN, Frédrik ziende.
Hoe minlyk zel je ’em nou ontfangen?

II. TOONEEL.
FRÉDERIK, JOHANNA, NIESJE, KATRYN,
JAN.


FRÉDERIK.
(75) MYn Éngel, hou ik réchtevoort,
Gelyk ik héb beloofd, myn woord?

JOHANNA.
O ja.
            Tégen Niesje.
          Ook bén ik wél ter deegen
Verblyd, dat gy u liet beweegen
Door Fréd’rik, om ons by te staan.

NIESJE.
(80) Och Juffrouw dat is graag gedaan.

FRÉDERIK.
Ik zal ’t mét Niesje heel wél maaken.

JOHANNA.
Nu, hoop ik, zal myn Vader raaken
Uit déze kap door onze list.

FRÉDERIK.
Waar is hy?

JOHANNA.
                    Och hy alchimist,
(85) En stookt, én wroet gelijk te vooren.

FRÉDERIK.
Maar kan hy ons ook zien, óf hooren.

JOHANNA.
Neen, ik héb daar al voor geweest;
Dies zijt in ’t minste niet bevreesd;
Want onze Dirk heeft aangenomen,
(90) Zo ras als Vader af zal komen,
Aan ons de leus te geeven.

FRÉDERIK.
                                        Goed.

NIESJE.
Maar is jou Vader nóch zo zoet
Op de Alchimistery?

JOHANNA.
                                Bezonder,
En, zo ’t zo voort gaat, zyn we ’er onder:
(95) Dit ’s de oorzaak, dat ik buiten hém
My héb verloofd, én myne stém
Gegeeven, om die guits te weeren,
En Vader eind’lyk te bekeeren;
Of, zó ’t mislukt, van stonden aan
(100) Mét Fréd’rik heim’lyk door te gaan.
Ik hoop, élk zal mét médelyden
De nood zien, die ik zoek te myden.

FRÉDERIK.
Myn éngel, twyfel daar niet aan,
Gy zult niets rédenloos bestaan;
(105) Gy zoekt uw Vaders val te weeren.
Maar is de toestél, zyn de kleêren
Al vaerdig?

JOHANNA.
                    Ja, ’t is alles reê.
Maar zal ’t wél voegen, dat ik méé
Verkleed my aan die guit zal wreeken?

FRÉDERIK.
(110) Myn lief, wie kan dat tégenspreeken?
Gy wilde bóven dat ook zien
De klucht, die mét hém zal geschiên.
Ik kon geen béter middel vinden.

JOHANNA.
Wél aan, ik zal ’t dan onderwinden.
                Tégen Niesje.
(115) Hébt gy onze aanslag goed gekeurd?

NIESJE.
Wel zou ik niet, ’t is nooit gebeurd
Zo geestig iemand uit te stryken;
Ja wél, ja wél, hoe wil hy kyken.

TWÉDE TOONEEL.
FREDRIK, JOANNA, NIESJE,
KATRYN, JAN, met een pakje.


FREDRIK.
(75) MYne Engel, houw ik réchtevoort,
Gelyk ik had beloofd, myn woord?

JOANNA.
O ja. Ook bén ik wél ter deegen
Verblyd dat Niesje uw’ Minn’ geneegen
Is met haar hulp ons by te staan.

NIESJE.
(80) Och Jufvrouw, dat is graag gedaen.

FREDRIK.
Betrouw gerust’lyk haar uw zaaken.

JOANNA.
Och! kost myn vader eens geraaken
Uit zyne dwaaling door uw list!

FREDRIK.
Waar is hy?

JOANNA.
                Och! hy alchimist,
(85) En stookt, én wroet meêr als te vooren.

FREDRIK.
Kan hy ons ook verspiên, óf hooren?

JOANNA.
O neen, ik bén daar voor geweest;
Dies zyt in ’t minste niet bevreesd:
Want onze knécht heeft aangenomen
(90) Zo haast als vader af zal komen
Het my te zeggen.

FREDRIK.
                              Dan is ’t goed.

NIESJE.
Maar is jouw vader nóch zo zoet
Op de Alchimistery?

JOANNA.
                                    Byzonder.
En zo dat voort gaat zyn we ’er onder.
(95) Hy lét op huis, nóch huiszórg; ja
Hy eet, nóch slaapt niet meer byna.
Och! ’t hoofd draait hem gelyk een boor ,,om!

NIESJE.
Wat maakt de Lapis Filosorom
Al dolle menschen!

KATRYN.
                                Wel gezeid!

JOANNA.
(100) En ’t geen my ’t zwaarste op ’t harte leid
Is dat hy me aan het schuim der guiten
Uittrouwen wil.

NIESJE.
                        Laat hem iens fluiten;
Wy hebben ’t vomitoor al reê.

JOANNA.
Maar is ’t wel noodig dat ik meê
(105) In ’t spél kom?

FREDRIK.
                                Zonder tégenspreeken.
Gy zélf, moet zélf, u hélpen wreeken,
Myn’ Minn’ heeft dit zo goed gekeurt.

NIESJE.
Wél zou ik niet? ’t is nooit gebeurd
Zo geestig, stookers uit te stryken.
(110) Ja wél, hoe willen ze staen kyken!

III. TOONEEL.
DIRK, JOHANNA, FRÉDERIK, NIESJE,
KATRYN, JAN.


DIRK.
MEjuffrouw, zyn u zaaken klaar?
(120) Kom sammel niet, bérg Niesje maar;
Uw Vader komt zo na benéden,
Hy is al bézig mét verkleeden.

JOHANNA.
Wél, ga mét Niesje dan, Katryn;
Ik zal zo aanstonds by u zijn.
(125) Dirk, gy zult ook op alles passen.

DIRK.
Ik zél dat varken hiel wél wasschen;
Maak maar dat alles is gereed.

FRÉDERIK.
Myn lief, was Niesje nu verkleed.

JOHANNA.
Katryn kan al haar toestél krygen.
(130) Maar daar komt Vader, laat ons zwygen.

DÉRDE TOONEEL.
DIRK, FRÉDRIK, KATRYN,
JOANNA, NIESJE, JAN.

DIRK.
UW vader, Jufvrouw, komt beneên:
Hy’s doende met zich te verkleên.

FREDRIK tégen Joanna.
Doe Niesje straks na binnen leiden,
Opdat zy alles gaa bereiden.
(115) Zy weet de intrigues van ons spél,
Met al de omstandigheên, zo wél,
En béter als ik zélf: bekommer
U niet; maar vólg haar raad.

KATRYN.
                                            Sint Gommer!
Daar is hy!

JOANNA.
                  Gaa met haar Katryn;
(120) Ik zal zo daat’lyk by je zyn.
Dirk, vólg haar last: maak op te passen.

DIRK.
Ik zal dat varken heel wél wasschen.

JOANNA, aan Dirk een sleutel geevende.
Daar drink te saam, op ’t goed succés
Ter loop een glaasje wyn óf zés.

FREDRIK, naa dat Joanna hem iets in ’t oor geluistert heeft, tégen Dirk én Katryn.
(125) Neemt dit voor af, daar naa zo zullen
Wy jou de handen béter vullen.

IV. TOONEEL.
FRÉDERIK, GOVERD, JOHANNA, JAN.


FRÉDERIK.
IK wénsch u goeden avond, Heer.

GOVERD.
Wél Fréd’rik, bén jy hier al eer,
Als ik? dat moet je my vergeeven.

FRÉDERIK.
Myn Heer, daar is niets aan misdreeven;
(135) Ik héb uw’ Dóchter wat verzéld;
Die heeft my midd’ler wyl vertéld,
Hoe déze Heer, die gy verbeide,
En daar gy my zo veel van zelde,
Een Jonker is van groote staat.

GOVERD.
(140) Dan heeft ze ’er mond niet misgepraat.
Maar, Heer, je zult het zien, én hooren,
Ik zég je niet veel van te vooren.

JOHANNA.
Maar, Vaderlief, het wordt al laat,
Ik zal ééns zien gaan na ’t gebraad,
(145) En óf al de and’re kóst haast gaar is;
’k Zal u de weet doen als het klaar is.

GOVERD.
Zo doet.

FRÉDERIK.
                Maar is het zulk een man?

GOVERD.
Myn Heer, dat is het minst’; hy kan
De grootste kunsten, die ’er leeven
(150) Niet in de waereld zyn beschreeven.
’k Héb een Arkanum aangevaerd,
Dat ’s séstig duizend ponden waerd,
En in een maand zal ’t wérk gelukken,
Dan zullen wy de vruchten plukken.

FRÉDERIK.
(155) Hoe komt gy aan ’t geluk?

GOVERD.
                                  Niet waar?
Dat ik juist zulk een’ konstenaar
Gevonden héb, ’t is óf ’t wil weezen.
Ik héb mét and’ren ook voordézen
Gelaboreerd, dat waaren maar
(160) Bedriegers, die ’er niet een haar
Op de Alchimie verstonden; waarlyk;
Maar déze Jonker toont het klaarlyk!
Heer Goudschalk wykt geen man in ’t land
In kénnis; ô! hy heeft verstand.
(165) Daarom meen ik hém by myn leeven
Myn’ Dóchter tót een’ vróuw te geeven.

FRÉDERIK.
Gy hébt gelyk.

GOVERD.
                Want géld, én goed
Bezit hy, Heer, in óvervloed.
Hy is wélspreekend, niet hóvaerdig.

FRÉDERIK.
(170) Dan is hy haar wél dubbel waerdig.

GOVERD.
Daar wordt gebéld, ik hou voor wis,
Dat daar Heer Goudschalk zélver is.

VIERDE TOONEEL.
FRÉDRIK, GOVERT, JOANNA.

FREDRIK.
IK wénsch u goeden avond, Heer.

GOVERT.
Wel Frédrik, ben jy hier al eer
Als ik? dat moet je my vergeeven.

FREDRIK.
(130) Myn Heer, daar is niets aan misdreeven,
Ik heb uw Dóchter wat verzéld,
Die heeft my mid’lervryl vertéld
Hoe d’Alchimist dien ge ook verbeidde,
En daar gy my veel goeds van zeide,
(135) Een Jonker is van kunst én staat.

JOANNA.
Maar Paatjelief, het wordt reeds laat,
Ik zal eens gaan na ’t eeten kyken.

VYFDE TOONEEL.
GOVERT, FRÉDRIK.

GOVERT.
Oh! daar was nimmer zyns gelyken!
Ook wordt hy overal geächt
(140) Van een hoog Adelyk geslacht,
Dat hy met zégelen én brieven
Bewyzen zal, op myn believen.

FREDRIK.
Ja Heer, is Goudschalk zulk een man?

GOVERT.
Heer, zyns gelyken niet! Hy kan...
(145) (Je zult het zien... ’k wil niet veel roemen...)
Al wat wy kunstmirak’len noemen!
’k Heb een Arkanum aangevaerd,
Dat ’s zéstig duizend ponden waerd;
En in een maand zal ’t wérk gelukken:
(150) Dan zullen wy de vruchten plukken.

FREDRIK.
Hoe komt gy aan ’t geluk?

GOVERT.
                                                Niet waar?
Dat ik juist zulk een kunstenaar
Gevonden heb? ’t Is óf ’t wil weezen.
Ik heb met and’ren ook veur deezen
(155) Gelaboreerd; doch ’t waaren sléchts
Bedriegers, réchts én averéchts,
Die de Alchimie niet kénden... waarlyk;
Maar deeze Jonker toont het klaarlyk,
Heer Goudschalk wykt geen man in ’t land!
(160) Zyn kennis... Oh! hy heeft verstand!
Daarom kon ’t ligtelyk gebeuren,
Dat ik hem mogt tot Schoonzoon keuren.

FREDRIK.
Gy hebt gelyk.

GOVERT.
                        Want géld én goed,
En kunst heeft hy in overvloed.
(165) Hy is wélspreekend, niet hovaerdig.

FREDRIK.
Zy’s ook een eerlyk man ruim waerdig.

GOVERT.
’k Hoor daar een stém; zo ik niet mis,
Geloof ik dat hy ’t zélver is.

V. TOONEEL.
GOVERD, JONKER GOUDSCHALK, F-
DERIK, JASPER, JAN.


GOVERD.
MYn Heer is wélkom hier gekomen;
Gy hébt de moeite nóch genomen
(175) Om my ’t geluk te geeven van
Uw byzyn?

JONKER GOUDSCHALK.
                    Ho! een Edelman
Past op zyn woord voor al te létten,

GOVERD.
Ik bid, wilt u wat néderzétten.

FRÉDERIK.
Myn Heer, gun mét verlóf, dat ik
(180) Uw’ hand kus.

JONKER GOUDSCHALK.
                                Wacht een oogenblik.

GOVERD.
Dit’s Jonker Fréd’rik, die ik héden
Héb by myn Heer te gast gebeeden;
Het is een jong, én aardig kwant;
Ook heeft hy vry al wat verstand
(185) Van de Alchimie, én haar’ sekrecten.

JONKER GOUDSCHALK.
Wél, ’k zal dan t’avond mét hém eeten.
Maar dat een lóskóp, van de straat
My zou mét ongezoute praat
Vermoorden, óf mét beuzelingen,
(190) Dat’s mis; ik staar op grooter dingen.

FRÉDERIK.
Wat opgeblaazen zót is dit.

JONKER GOUDSCHALK.
Myn Heer, ik héb een ander wit
Als de onervaar’ne, én sléchte ménschen.

FRÉDERIK.
Ik kwam om u geluk te wénschen,
(195) Myn Heer, nadien ik héb gehoord,
Dat u Heer Goverd heeft zyn woord
Gegeeven, om zyn kind te trouwen.

JONKER GOUDSCHALK.
Zo is ’t; én ’t zal hém niet berouwen.

FRÉDERIK.
Ik hoor ook, dat haar hart, én zin,
(200) Geheel geneigd is tót uw’ min.

JONKER GOUDSCHALK.
Wél waarom niet? wat zou me ontbreeken?

GOVERD.
Laat ons van de Alchimie ééns spreeken.

JONKER GOUDSCHALK.
Dat’s récht; ik hoor gy mint die kunst.

FRÉDERIK.
O Ja, Heer, én verzoek uw’ gunst.

JONKER GOUDSCHALK.
(205) Daar is zo licht niet in te raaken .
Maar zég ééns op, wat kunt gy maaken?

FRÉDERIK.
Myn Heer, voor eerst versta ik dit;
Ik maak de bruine paerlen wit,
En rond, hoe scheef zy moogen weezen.

GOVERD.
(210) Heer, héb je dat ooit meer geleezen?

JONKER GOUDSCHALK.
Hy zwyg, wilt niet voorbaarig zyn.

FRÉDERIK.
’k Héb ook een Spiritus, als wyn
Zo klaar; wanneer ik die wil méngen
Mét water, én daar méé bespréngen
(215) Mosschóvisch’ hénnip, Rigaas vlas,
Of wérk, óf ’t geen bést komt te pas,
Zo kan men daar voort zy van spinnen,
En ongeloof’lyk géld méê winnen;
Ja zulke, dat de Pérsiaan
(220) Mét al zyn zy om brood zal gaan.

JONKER GOUDSCHALK.
Nu voort.

FRÉDERIK.
                    Dan héb ik nóch gevonden
Een kunst, die weinige doorgronden;
Ik maak mét winst van duinzand goud.

JONKER GOUDSCHALK.
Die vodderyen zyn al oud.
(225) Tut, tut, dat zyn maar beuzelingen.
Ik doe verwonderlyker dingen.
Ik héb een konstig glas, ’t is rond,
En weegt byna dryhonderd pond:
Dat kan het keurigst oog bedriegen;
(230) ’t Zal, als gy éffen blaast, vervliegen,
En dryven luchtig op, én néêr,
Gelyk als de alderlichtste veer.
Hier in is door veel konst beslooten
Het vuur der wyzen, daar den grooten
(235) Artéfius, én Lullius,
En Séndivogius aldus
Van spreeken, dat zy nooit hunn’ handen,
Of vingers daar aan kunnen branden;
Dit is dat heet, én vochtig vuur,
(240) Het wélk ook droog is van natuur,
En altyd in één stand kan blyven;
Dit doet de kloot zo luchtig dryven;
Dit is der Filozoofen schat.
Voorts ziet gy in dit glazen vat
(245) De Maagdenaard, waar van wy leezen
By Hérmés Trismegist, wiens weezen
En eigenschap al van ’t begin
Is voortgebragt, als aard; schoon ’t in
Der daad nooit aard was, daar al de ouden,
(250) En wy byzonder veel van houden:
Dit is de onzichtb’re geest, die voort
Zich zélven méngt, én dringt, én boort
In alle dingen, die wy achten,
En inblaast haar’ verborgen’ krachten;
(255) ’t Wélk Hérmés zéggen doet, dat hy
De Zon tót vader heeft, daar by
De Maan tót moeder; dat de vrinden
Der konst die zélf lichchaam’lyk vinden,
En zienlyk maaken voor ’t gezigt
(260) Door een geringe konst, die licht
By vrouwenwérk, én kinderspeelen
Is uit te vinden in zyn deelen,
En eigene eigenschappen; dus
Trouwt Beya met Gabritius.
(265) Dit is die stof, die van te vooren,
Al mét de waereld is gebooren;
Dit is dat onvergank’lyk vuur,
Dat zélf déze aarde in haar Merkuur,
Schoon dat de Domme zulks bespótten,
(270) Versmélt, omdraayen doet, én rótten
Zo lang, tót dat zy deur, én deur
Wordt, als geronnen bloed, van kleur.
Dit is die geest, die mét behaagen
De wind heeft in zyn buik gedraagen;
(275) Die de aard heeft gekoaguleerd,
En élk wordt van natuur vereerd;
Die maakt de konst volkomen wakker,
En teelt, als uit een’ vruchtbaare akker,
Na négen maanden zulk een’ schat,
(280) Als iemandt heeft op aard gehad.

GOVERD.
Wat dunkt je, Fréd’rik, die sekreeten
Zou iemand anders die wél weeten?

FRÉDERIK.
Ik sta verbaasd.

JONKER GOUDSCHALK.
                        Hoor nu in ’t kort,
Waar toe dit wérk vervaerdigd wordt.
(285) Hier zal ik uit te voorschyn bréngen
Een zéker iet, dat ik kan méngen
Naar eisch van zaaken na myn’ wil.

FRÉDERIK.
Zo kunt gy ’t méngen, Heer?

JONKER GOUDSCHALK.
                                                Zwyg stil,
En hoor; wanneer ik dit wil zaaijen,
Kan ik ’er bergen goud van maaijen,
En voort doen komen mét der vaard
Een heele boom van goud uit de aard.

GOVERD.
Wat dunkt je, Fréd’rik?

FRÉDERIK.
                                Zonder loogen
Myn Heer, ik sta, als opgetoogen.

JONKER GOUDSCHALK.
(295) Ik zal, zo dra ik bén getrouwd,
Te Haarlem maaken, in den Hout,
Een Lusthóf, die al ’s waerelds hóven,
In kóstlykheid zal gaan te boven.
Daar in zal goud zyn, wat men ziet;
(300) Ja zélf het onkruid, dat men wiedt.
De vogels, die de lucht maar rieken,
Die zullen voort op goude wieken,
De Lusthóf vliegen door, én door,
En konstig streelen het gehoor.
(305) De veêren zullen op de hénnen
Veranderen in goude pénnen,
Wanneer zy mét haar bék van ’t land
Maar pikken ’t alderminste zand.

FRÉDERIK.
Hoe zult gy dézen hóf bewaaren?

JONKER GOUDSCHALK.
(310) Myn Heer, dat zal ik heel wél klaaren.
Ik kén die groote konst, die by
Het sléchte vólk heet tovery;
Daar weet ik méde iet uit te vinden,
Om alles voort te doen verzwinden,
(315) Wanneer een dief, óf onverstand
Iet aan wil raaken mét zyn’ hand.

GOVERD.
Wat dunkt je Fréd’rik?

FRÉDERIK.
                                  ’t Schynt onmooglyk;
Nóchtans prys ik die konsten hooglyk,
En wénschte, zo het kon geschiên,
(320) Dat ik er mogt ’t begin van zien.

JONKER GOUDSCHALK.
Gy zult wat anders zien, én hooren;
Ja dat de tyd maar was gebooren,
Die daar toe noodig is, gy zoudt
Dit gantsch vertrék voort zien van goud.

FRÉDERIK.
(325) Zo kunt ge iets doen een ander weezen
Aannemen, als het had voordézen?

JONKER GOUDSCHALK.
O ja, ’k maak zélf de Mooren wit,
De witten wéêr zo zwart, als git.
’k Maak oude wyven, hoe versleeten,
(330) Wéêr daad’lyk jong door myn’ sekreeten;
En iemands lyf zo hard, als staal.

JASPER, zagjés van ter zyden.
Ja wél hy liegt het altemaal.

JONKER GOUDSCHALK.
De jonge, die myn’ gunst versmaaden,
Ontvreemd ik voort van heur’ sieraaden,
(335) En maak heur, als een baviaan.

FRÉDERIK.
Ja! wordt dat door uw’ kunst gedaan?

JONKER GOUDSCHALK.
Wilt ge iet verwonderlykers hooren,
Zo luister toe mét beide uw’ ooren.
’k Maak van een Hoen, hoewél ’t bykans
(340) Onmoog’lyk schynt, door konst een’ Gans.
’k Doe wéêr een’ Gans mét graauwe veeren,
In een’ sneeuw witte Zwaan verkeeren;
Door dien myn filozofisch vuur
Doet augmenteeren de natuur,
(345) Dan maak ik van een’ Zwaan, ’t wélk zwaar is,
Een’ Vogelstruys, óf Kazuwaris;
In ’t kort, wat niemand heeft gezien,
Doe ik door myne konst geschiên.

FRÉDERIK.
Ja wél, ik sta als opgetoogen.

GOVERT.
(350) Wat dunkt je, héb ik nou geloogen?
Die kunsten zél ik altegaâr
Nóch van hém leeren binnen ’t jaar,
Wy zyn al bézig.

FRÉDERIK.
                        Zou ’t u deeren,
Dat ik die konsten méê mogt leeren?

GOVERD.
(355) O neen, Heer, dat staat u niet vry;
Die kunsten zyn alleen voor my,

ZÉSDE TOONEEL.
GOVERT, JONKER GOUDSCHALK,
FREDRIK, JASPER.

GOVERT.
MYn Heer gy zyt hier wélgekomen.
(170) Gy hebt de moeite noch genoomen
Om my ’t geluk te geeven van
Uw byzyn.

GOUDSCHALK.
                Oh! ein Edelman
Dient op zyn woord voor al te letten.

GOVERT.
Ik bid wil u wat néder zetten.

FREDRIK.
(175) Myn Heer, gun my verlóf dat ik
Uw hand kus.

GOUDSCHALK.
                      Wacht ein ogenblik.

GOVERT.
Dit’s Jonker Frédrik, dien ik héden
Heb by myn Heer te gast gebéden.
Het is een jong én aardig kwant.
(180) Ook heeft hy vry al wat verstand
Van de Alchimie, én haare gronden.

GOUDSCHALK.
Viel zyn ’er die ’t zich onderwonden.
Maar dat ein wind’rige onverlaat
Mich hier met ongezoute praat
(185) Vermoorden zou door beuzelingen,
Waar mis. Ik staar op hooger dingen.

FREDRIK.
,,Wat opgeblaazen zót is datl

GOUDSCHALK.
Ik heb was mier in ’t harssenvat
Als de onérvaarne én sléchte ménschen.

FREDRIK.
(190) Ik kwam om u geluk te wénschen,
Myn Heer, naardien ik heb gehoord
Dat u Heer Govert heeft zyn woord
Gegeeven om zyn kind te trouwen.

GOUDSCHALK.
Zo is ’t, én ’t zal hem nooit berouwen.

FREDRIK.
(195) Ik hoor ook dat haar hart én zin
Geheel geneigd is tót uw min.

GOUDSCHALK.
Wel waarom niet? wat zou me ontbreeken?

GOVERT.
Laat ons van de Alchimie eens spreeken.

GOUDSCHALK.
Dat’s récht. Ik hoor gy mint die kunst.

FREDRIK.
(200) O ja Heer, én ’k verzoek uw gunst.

GOUDSCHALK.
Daar is zo ligt niet aan te raaken.
Maar zég my eens wat kan je al maaken?

FREDRIK.
Myn Heer, voor eerst verstaa ik dit:
Ik maak de bruine paerlen wit
(205) En rond, al waaren ze ook achtkantig.

GOVERT.
Wat dunkt je, is dat niet heel parmantig?

GOUDSCHALK.
Zwyg stil. Wil niet voorbaarig zyn.

FREDRIK.
’k Heb ook een spriritus als wyn
Zo klaar; wanneer ik die doe méngen
(210) Met water, én daar meê bespréngen
Kodille hennip, Rigaas vlas,
Of Wérk, naar dat het komt te pas,
Zo kan men daar straks zy van spinnen,
En zulk een schrik’lyk géld meê winnen,
(215) Dat, in het kort, de Persiaan
Met al zyn’ zyde om brood zal gaan.

GOUDSCHALK.
Vaar voort.

FREDRIK.
                    Dan heb ik nóch gevonden
Een kunst die niemand kan doorgronden.
’k Maak in een uur van duinzand, goud.

GOUDSCHALK.
(220) Die googgeltaskunst is al oud.
De platters moogen snoeven, kaak’len,
Ik doe niet minder als mirak’len.
Ik heb een wonderglas, ’t is rond,
En weegt byna driehonderd pond;
(225) Dit kan ’t doorzichtigste oog bedriegen.
’t Zal, als gy daar op blaast, vervliegen,
En dryven luchtig op én neêr,
Gelyk de ligtste Ganzeveêr.
Hier in is, door veel kunst, beslooten
(230) Het vuur der Wyzen, daar de grooten
Artefius, én Lullius,
En Sendivogius, aldus
Van spreeken, dat zy nooit hunn’ handen
Of vingers daar aan kunnen branden,
(235) Dit is dat heet, én vochtig vuur,
Het wélk ook droog is van natuur,
En altyd in een stand kan blyven.
Dit doet die kloot zo luchtig dryven.
Dit is der Filosoofen schat.
(240) Voorts ziet gy in dit glazen vat
De Maagdenaard, die je in de boeken
Van Hérmés Trismegist kunt zoeken;
Eene eigenschap die van ’t begin
Uit de aard’ geteeld is, schoon die in
(245) Der daad nooit aard’ was, én daar de ouden
En nieuwe Stookers veel van houden.
Dit is de onzichtb’re geest die voort
Zich zélven méngt, én dringt, én boort
In alle dingen die wy achten,
(250) En inblaast haar verborgen’ krachten;
’t Wélk Hérmés zeggen doet dat hy
De Zon tót vader heeft, daar by
De Maan tót Moeder; dat de vrinden
Der kunst die zélfs lichchaamlyk vinden,
(255) En zienlyk maaken voor ’t gezicht
Door een geringe zaak, die ligt
By vrouwenwérk én kinderspeelen
Is uit te vinden in haar deelen,
En eigene eigenschappen; dus
(260) Paart Beija met Gabritius.
Dit is die stóf, ’t klinkt vreemd in de ooren,
Die lang voor ’t aardryk is gebooren.
Dit ’s ’t vuur dat altyd in een stand
Nooit sterker, én nooit flaauwer brandt,
(265) En haar Merkuur, men mag ’t bespótten,
Versmélt, omdraaijen doet, én rótten
Zo lang tót dat het deur én deur,
Wordt als geronnen bloed van kleur.
Dit is die geest die met behaagen
(270) De wind heeft in zyn borst gedraagen;
Die de aard heeft gekoäguleert,
En door ’t gestarnte ons wordt vereerd.
Deez’ maakt de kunst, nu sluim’rig, wakker,
En teelt, als uit een vruchtb’ren akker,
(275) Naa négen maanden zulk een schat
Als iemand ooit op de aard bezat.

GOVERT.
Wat dunkt je Frédrik? die sekreeten,
Zou iemand anders die wél weeten?

FREDRIK.
Ik staa verbaasd!

GOUDSCHALK.
                            Hoor nu in ’t kort,
(280) Waar toe dit vuur vervaerdigd wordt.
Hier uit zal ik te voorschyn bréngen
Een zéker iet dat ik kan méngen
Met zéker niet, dat naar myn wil...

FREDRIK.
Hoe! Méngen iet met niet?

GOUDSCHALK.
                                            Zwyg stil,
(285) En luister. Als ik dit wil zaaijen,
Kan ik ’er schooven goud van maaijen,
En voort doen komen met ’er vaert
Een grooten boom van goud uit de aard’.

GOVERT.
Wat dunkt je Frédrik?

FREDRIK.
                                      Zonder logen,
(290) Myn Heer, ik staa heel opgetoogeni

GOUDSCHALK.
Ik zal, zo haast ik ben getroud,
Te Haarlem in den grooten Hout,
Ein lusthóf maaken die de hoven
Van al de waereld gaat te boven.
(295) ’t Zal alles goud zyn wat me ’er ziet,
Tót zélf het onkruidt dat me ’er wiedt.
De vogels die de lucht daar rieken
Die zullen voort, op goude wieken,
Den lusthóf vliegen door én door,
(300) En kunstig streelen élks gehoor.
De veêren zullen op de hennen
Veränderen in goude pennen,
Wanneer ze met haar bék van ’t land
Daar pikken ’t allerminste zand.

FREDRIK.
(305) Hoe zult gy deezen hóf bewaaren?

GOUDSCHALK.
Bewaaren? Dat zal ik wél klaaren.
Ik kén die groote kunst die by
Het plompe graauw heet tovery;
Daar door weet ik iets uit te vinden
(310) Om alles straks te doen verzwinden,
Wanneer een dief, óf onverstand
Iets aan wil raaken met zyn hand.

GOVERT.
Wat dunkt je Frédrik?

FREDRIK.
                                      ’t Schynen wond’ren!

GOUDSCHALK.
Dit zal u meer in de ooren dond’ren.
(315) ’k Zal in deez’ kamer al het hout,
Straks doen veränd’ren in fyn goud.

FREDRIK.
Zo kunt ge ook, moog’lyk, onder and’ren,
Een ménsch van weezen doen veränd’ren?

GOUDSCHALK.
O ja: ’k maak zélfs de Mooren wit.
(320) De blanken weêr zo zwart als git.
’k Maak oude wyven die graag pimp’len,
Het aanzicht glad, én zonder rimp’len:
Ein krygsmans huid zo hart als staal.

JASPER.
,,Lieg dat je barst, zei Luikerwaal!

GOUDSCHALK.
(325) De jonge lui die mich versmaaden,
Ontvreemd ik fluks van hunn’ sieraaden,
En maak hen tót een Baviaan.

FREDRIK.
Ja! wordt dat door uw kunst gedaan?

GOUDSCHALK.
En wilt ge iets ongeloof’lyks hooren,
(330) Zo luister toe met beide uwe ooren:
’k Maak van ein Hoen, hoewel ’t bykans
Onmoog’lyk schynt, door kunst, ein Gans.
De Ganzen weêr, schoon graauw van veeren,
Doe ik in Zwaanen transfórmeeren.

FREDRIK.
(335) Gy kunt ook, hoor ik, zonder vuur,
Voortbréngen ’t allerschoonst Teintuur
Dat ooit gevonden is door Bruno.

GOUDSCHALK.
De Maan van Mars, de Zon van Juno
Verstrekken mich voor vuur. ’t Karmyn,
(340) En ’t kóstelykste Ultremaryn,
Maak ik op die wyze uit wat kwakken
Van drooge Pissebedden, Slakken,
Bloedzuigers, én... ’t komt me al te stá,
Tot koeijemést... etcétera.

GOVERT.
(345) Wat dunkt je? Ben ik ook bedroogen?

FREDRIK.
’k Beken ’t, ik staa heel opgetoogenl

GOVERT.
Die kunsten zal ik al te gaar
Noch van hem leeren binnen ’t jaar!

VI. TOONEEL.
DIRK, GOVERD, JONKER GOUDSCHALK, FRÉDERIK, JASPER.


DIRK.
HÉlp! hélp! sta by! O ongelukken!
Heer, al de glazen zyn aan stukken
Gesprongen, daar je zo veel goud,
(360) Gelyk je zei, in maaken zoudt.

GOVERD.
Wat zyn ze?

DIRK.
                  Wil je ’t niet gelooven,
Myn Heer, zo ga maar zélver boven;
Daar leit je mooje duizend pond,
En nóch licht meerder in den hond.

GOVERD.
(365) Is ’t waar? maar, Dirk, hoe kan dat weezen?
Je maakt, dat ik begin te vreezen.
Myn Heer, kan dat wél mooglyk zyn?

JONKER GOUDSCHALK.
De dingen... die... gelyk de schyn...
Beweezen... van... de klaarste blyken.

GOVERD.
(370) Hoe zég je?

JONKER GOUDSCHALK.
                          Dat je ’t eens moet kyken.

[GOVERD.]
Och! komt al t’zaamen méê bezien,
Of ’t nóch zo kwaad niet was misschien.

ZÉVENDE TOONEEL.
DIRK, GOVERT, JONKER GOUDSCHALK,
FRÉDRIK, JASPER.

DIRK.
HÉlp! hélp! staa by! O ongelukken!
(350) Heer, al de glazen zyn aan stukken
Gesprongen daar je zo veel goud,
Gelyk je hoopte, uit mérg’len zoud.

GOVERT.
Wat zyn ze?

DIRK.
                    Wil je ’t niet gelooven
Myn Heer, zo gaa maar zélf eens boven.
(355) Daar leit jouw mooije duizend pond,
En ligt veel meer, nou in de grond.

GOVERT.
Is ’t waar? Hoe zal ik dit bezeffenl
Het ging noch alles wél daar effen.
Myn Heer kan het wél moog’lyk zyn?

FRÉDERIK.
(360) De dingen... die... gelyk de schyn...
Beweezen... van... de klaarste blyken

GOVERT.
Hoe zég je?

GOUDSCHALK.
                      Dat je ’t eins moet kyken.

GOVERT.
Och! komt al t’saam eens met my, ras;
Ligt óf het noch zo kwaad niet was.

VII. TOONEEL.
JONKER GOUDSCHALK, JASPER.

JASPER.
HÉm, hém. Dit gaat ons buiten gissen;
Ik dócht, je kunst kon nou niet missen.

JONKER GOUDSCHALK.
(375) Ja wél, het heeft my vry verstéld.
Maar, ’k zal dien ouden bloed zyn géld
Wéêr door een nieuwe vond belaagen.

JASPER.
Ja, als het altyd wél wil slaagen.
Ik bid je, Heer, spreek niet te stout;
(380) Was jy eerst mét zyn kind getrouwd.

JONKER GOUDSCHALK.
Dat zél wél gaan; verban uw vreezen;
Ik zél dien ouden wél beleezen.

JASPER.
Maar door ’t mislukken van je kunst
Raak jy wél licht’lyk uit zyn’ gunst.
(385) En hoort hy, ’t geen je ’t meest zou hind’ren, Eéns van je vrouw mét négen kind’ren.

JONKER GOUDSCHALK.
Ik zou ’t ontkénnen.

ACHTSTE TOONEEL.
JASPER, JONKER GOUDSCHALK.

JASPER.
(365) HEm, hem! dit gaat ons buiten gissen!
Wie dócht dat dit zo haast zou missen?

GOUDSCHALK.
’k Bekén het heeft mihr zeer ontstéld!
Maar ’k zal dien ouden bloed zyn géld
Weêr door ein’ nieuwe vond belaagen.

JASPER.
(370) Ja, als het altyd wél wil slagen.
Ik bid je, Heer, spreek niet te stout.
Was je eerst maar met zyn kind getrouwd!

GOUDSCHALK.
Oh! ik heb voor deez’ gekke stooker
Nóch and’re pylen op myn koker.

JASPER.
(375) Maar deur ’t mislukken van jouw kunst
Raak jy wel ligt’lyk uit zyn gunst.
En hoord’ hy, ’t geen jou ’t meest zou hind’ren,
Eens van jouw wyf met zéven kind’ren!

GOUDSCHALK.
Ik zou ’t ontkennen.

VIII. TOONEEL.
GOVERD, JONKER GOUDSCHALK,
JASPER, DIRK.

GOVERD.
                        OCh! ’t is waar!
De glazen liggen van menkaar,
En schier de kamer door gevloogen;
(390) Wat bén ik in men hoop bedroogen;
Wat boude ik op een’ lósse grond.
Men duizend pond! men duizend pond!

JONKER GOUDSCHALK.
Hoe, Heer, kan u dit zo ontstéllen?
Kunt ge u om zulk een’ beuz’ling kwéllen?
(395) Maakt u zo kleen een’ zaak versteurd?
’t Is my wél honderdmaal gebeurd.
Had gy my ééns zo veel gegeeven,
Uw’ glazen waaren heel gebleeven;
Uw’ vrékheid heeft alleen de schuld;
(400) Draag dan de schâ ook mét geduld.

GOVERD.
Kunt gy de glazen niet bezweeren?

JONKER GOUDSCHALK.
Neen; maar ’k zal u wat béters leeren;
Dóch ’t zal u kósten ééns zo veel;
Daar tégen zult gy tót uw deel
(405) Wéêr krygen onwaardeerb’re schatten,

GOVERD.
Ja, Heer, dat kan ik heel wél vatten;
Maer nou.

JONKER GOUDSCHALK.
            Ay spreek my niet van nou,

GOVERD.
Maar, Heer...

JONKER GOUDSCHALK.
                    Maar, Heer, óf niet, ik wou,
En wil, dat gy niet zót zult praaten,
(410) Of anders zal ik u verlaaten;
Dan krygt gy van myn kunsten niet.

GOVERD.
Wél neen, men Heer, eer dat geschied,
Wil Ik u ’t géld veel liever geeven;
Vergeeft me, héb ik iet misdreeven,
(415) Myn Heer, ay neem voor eerst dit goud.

JASPER.
O bloemerhart! nou staen we stout.

GOVERD.
De rést zal ik u mórgen téllen.

JONKER GOUDSCHALK.
Ik laat my mét geen beuz’len kwéllen.

GOVERD.
Ik bid, myn Heer, ay neem het aan.

JONKER GOUDSCHALK.
(420) Indien ’t niet zou versmaad’lyk staan,
Ik nam ’t niet; want gy moet niet dénken,
Dat het my aankomt op geschénken.
O Neen; ik bén een ander man.

NÉGENDE TOONEEL.
GOVERT, JONKER GOUDSCHALK,
JASPER, DIRK, met een stille opmérking.

GOVERT.
                                OCh! ’t is waar!
(380) De glazen leggen van malkaar
Geborsten, deur de zaal gevloogen!
Wat bén ik in myn hoop bedroogen!
Wat bouwde ik op een 1óssen grond!
Myn duizend pond! myn duizend pond!

GOUDSCHALK.
(385) Hoe Vriend, dit moet u niet ontstellen.
Kunt ge u om zulk een beuz’ling kwellen?
Maakt u dit klein verlies versteurd?
Dit ’s mich wel honderdmaal gebeurd.
Had je in de kroes meer goud gestooken,
(390) Nóch glas, nóch sméltkroes was gebroken.
Uw vrékheid heeft alleen de schuld;
Draag dan de schaade ook met geduld.

GOVERT.
Voeg die weêr t’saam door uw bezweering’.

GOUDSCHALK.
Die dat kon doen kreeg groote neering.
(395) Maar ’k heb iets anders in myn kraam;
Het kóst wat veel; maar ’t is bekwaam
Om weêr te winnen groote schatten.

GOVERT.
Ligt zal ik dat hier naa bevatten;
Maar nou...

GOUDSCHALK.
                    Ei! spreek mich van geen nou!

GOVERT.
(400) Maar Heer...

GOUDSCHALK.
                              Maar Heer, óf niet, ik wou
En wil dat gy niet zót zult praaten,
Of anders zal ik u verlaaten;
Dan krygt gy van myn kunsten niet.

GOVERT.
Myn goede Heer, eer dat geschiedt,
(405) Wil ik u ’t géld liefst daat’lyk geeven;
Vergeef my, heb ik iets misdreeven,
Myn Heer, ai neem voor eerst dit goud.

JASPER.
,,Neem aan begét, zo staan we stout!

GOVERT.
De rést zal ik je mórgen langen,

GOUDSCHALK, weigerig.
(410) Neen, ik kan altyd goud ontfangen:
Dat weet myn knécht wél.

GOVERT.
                                            Ai, neem aan!

GOUDSCHALK.
Indien ’t niet zou versmaad’lyk staan,
Ik nam het niet: want gy moet niet dénken
Dat het mich aankomt op geschenken.
(415) O neen, ik bén ein ander man!

IX. TOONEEL.
KATRYN, GOVERD, FRÉDERIK, JONKER
GOUDSCHALK, JASPER, DIRK.

KATRYN.
MOord! brand! moord! brand! wat gaat ons an?
(425) Ik stérf van schrik. Hélp vrienden! buuren!

GOVERD.
Katryn, wél wat zyn dit voor kuuren?

KATRYN.
Men Heer! óch vrienden! óch! wat raad?
Sta by, sta by, ’k word désperaat.

FRÉDERIK.
Katryn, wat is u wédervaaren?

KATRYN.
(430) Och vrienden! laat ik wat bedaaren.

FRÉDERIK.
Wat is ’t, dat gy zo yslyk raast?

GOVERD.
Spreek op, wat maakt je zo verbaasd?

KATRYN.
Och! óch! wat gaet ons an, Heer Goverd?
Jou kind, jou Dóchter is betoverd.

GOVERD.
(435) Wat is ze?

KATRYN.
                          Ze is betoverd.

GOVERD.
                                              Och!
Ze mogt de drommel.

KATRYN.
                                ’k Zég het nóch.

GOVERD.
Betoverd?

JONKER GOUDSCHALK.
                Dat zyn viezevaazen.
Hoe! kan u tovery verbaazen?

GOVERD.
Wél ja.

KATRYN.
        Het lykt je Dóchter niet,
(440) Je zélt verschrikken, als je ’er ziet.

GOVERD.
Hoe is men kind dat aangekomen?
Zég, wanneer héb je ’t eerst vernomen?

KATRYN.
Myn Heer, zo daad’lyk; zy bezweek;
En toen ze wéêr bekwam, geleek
(445) Ze ’er zélf niet.

GOVERD.
                                Och! óch! wat lyen
Komt my zo onverwacht bestryen?
Men kind betoverd.

FRÉDERIK.
                            Is dat waar?
Zo is die Heer de tóvenaar.

JONKER GOUDSCHALK.
Hoe! ik?

FRÉDERIK.
                Ja, om uw’ kunst te toonen.

JONKER GOUDSCHALK.
(450) Myn Heer, ik bid, wilt my verschoonen.

FRÉDERIK.
Myn Heer, ik bén u veel verpligt,
Nu gy uw’ kunst voor ons gezigt
In ’t wérk stélt.

JONKER GOUDSCHALK.
                        Maar gy zyt bedroogen.

FRÉDERIK.
Dat zéggen zal niet hélpen moogen;
(455) Wy weeten béter; dat gy ’t niet
Bekénnen wilt, myn Heer, geschiedt
Maar uit beleefdheid, om nadézen...

KATRYN.
Daer komt je Dóchter.

GOVERD.
                                    Kan het weezen?
Is dit men Dochter? bén ik blind?

TIENDE TOONEEL.
KATRYN van den eenen, FRÉDRIK van
den andren kant,
GOVERT, JONKER
GOUDSCHALK, JASPER,
DIRK.

KATRYN.
OCH hélp! óch hélp! wat gaet ons an?
Ik stérf van schrik! Hélp vrienden, buuren!

FREDRIK.
Katryn, wél wat zyn dit voor kuuren?

KATRYN.
Och! óch! waer mag Heer Govert zyn?
(420) Stae by! Stae by!

GOVERT.
                                      Wat is ’t, Katryn?
Och, is ’er eenig nieuw bezwaaren?

KATRYN.
Och ménschen! laet my wat bedaaren!

FREDRIK.
Wat is ’t dat gy dus ys’lyk raast?

GOVERT.
Zég op, wat maaktje dus verbaasd?

KATRYN.
(425) Och! óch! wat gaet ons an! Heer Govert?
Jouw kind, jouw dóchter is betoverd!

GOVERT.
Wat is ze?

KATRYN.
                Ze is betoverd.

GOVERT.
                                        Och!
Ze mogt de drommel!

KATRYN.
                                    Ja ze tóch!

GOVERT.
Betoverd?

GOUDSCHALK.
                Dat zyn viezevaazen.
(430) Hoe! kan u tovery verbaazen?

GOVERT.
Wél ja!

KATRYN.
          Het lykt jouw dóchter niet,
Je zelt verschrikken as je’er ziet!

GOVERT.
Och, hoe is heur dit angekomen?
Spreek, wanneer heb je ’t eerst vernomen?

KATRYN.
(435) Men Heer, zo daat’lyk! zy bezweek;
En toen ze weêr bekwam, geleek
Ze ’er zélf niet.

KATRYN.
                        Och! óch, óch, wat lyën!

GOVERT.
’k Loof dat ze met hydropezyen
Van deuzen Jonker is beklad:
(440) Want ze is gezwollen as ien Padd’,
En hiel getaand, én geel van facie,
En zo afgrys’lyk breedt van spacie
Dat ze al zo mak’lyk deur ien scheur
Zou dringen as deur deuze deur.
(445) Men mag heur dikheid schier gelyken
By de Reuzin die ’t vólk loopt kyken
In ’t Doolhóf op de Prinsegracht.

GOVERT.
Och Fredrik, hélpme! Ik heb geen kracht!
Myn géld kwyt, én myn kind bezeeten!
(450) Ja wél, ik kan het niet vergeeten!
Myn kind betoverd?

FREDRIK.
                                Is dat waar,
Zo is deez’ vriend de tovenaar.

GOUDSCHALK.
Hoe, ik?

FREDRIK.
                Ja, om uw kunst te toonen.

GOUDSCHALK.
Ik bid, myn Heer, wil mich verschoonen.

FREDRIK.
(455) Neen Heer, wy zyn u zeer verplicht,
Nu gy uw kunst voor ons gezicht
In ’t wérk stélt.

GOUDSCHALK.
                          Oh! gy zyt bedroogen!

FREDRIK.
Deeze uitvlugt zal niet hélpen moogen,
Wy weeten béter. Dat gy ’t niet
(460) Bekennen wilt, myn Heer, geschiedt
Sléchts uit beleeftheid.

GOUDSCHALK.
                                  ’k Ben onschuldig.

KATRYN.
Daer komtze.

X. TOONEEL.
NIESJE, gekleed als Johanna, GOVERD, FRÉ-
DERIK
, JONKER GOUDSCHALK,
KATRYN, KLAARTJE,
JASPER, DIRK.

NIESJE.
(460) JA, Vaderlief , ik bén je kind.

GOVERD.
Je mogt de drommel; kom niet nader;
Sta van me; ’t is een spook.

NIESJE.
                                            Och Vader,
Ik bén geen spook, ’k héb vleesch, én been.

GOVERD.
Bén jy men Dóchter?

NIESJE.
                                        Ja.

GOVERD.
                                            ’k Zég neen.

NIESJE.
(465) Och Vader, zél je my verzaaken,
En myn verdriet nóch grooter maaken?

KLAARTJE.
Myn Heer, geloof ons; ’t is gewis,
Dat dit jou eigen’ Dóchter is.

KATRYN.
Hoe, kun je meerder blyk begeeren,
(470) Zie daar, dit zyn ’er eigen’ kleêren.

GOVERD.
Wat komt men over?

NIESJE.
                                  O, jou guit,
Jou deugeniet, zél jy je bruid
Betov’ren, die mét ziel, én zinnen
Had veurgenomen jou te minnen?

JONKER GOUDSCHALK.
(475) Wat duivel gaat dit vrouwménsch an?

JASPER.
Hier raak je leevend in de pan.

NIESJE.
Moest jy je kunst aan myn probeeren?

JONKER GOUDSCHALK.
Hoe héb ik ’t? zoekt gy my te scheeren?

KATRYN.
Neen, jy zoekt ons te scheeren; maar
(480) Al was je nóch zo’en tóvenaar,
Of duivels miester, ’t zél niet baaten;
Al wist je nóch zo schoon te praaten;
Je zélt Mêjuffrouw daad’lyk wéêr
Onttóv’ren, óf zie daar ik zweer...

JONKER GOUDSCHALK.
(485) Kanaalje, durft gy my nóch sarren?
Ik zweer u by all’ de aardsche starren,
Den groenen Leeuw, én rooden Draak,
Den graauwen Wolf, die ’k zélver maak,
En by Saturnus gryze haaren,
(490) Dat gy u toont, als onérvaaren’;
Hans donder, affronteert gy my
Mét zulk een’ soort van tovery?

NIESJE.
Och Vader, dit zyn toverwoorden;
Nou zél hy ons gewis vermoorden.

GOVERD.
(495) Vermoorden?

JONKER GOUDSCHALK.
                                Ha, gy zyt een bloed,
En niet by Grooten opgevoed;
Wilt gy een Edelman onthaalen,
En laat gy op zyn’ kunsten smaalen?

GOVERD.
Wél neen; maar ’k bid, ontzweer uit gunst
(500) Men eenig kind wéêr door je kunst.

JONKER GOUDSCHALK.
Ik moey my mét geen zótternyen
Van diergelyke toveryen.

GOVERD.
Héb jy haar niet betoverd?

JONKER GOUDSCHALK.
                                    Neen;
Nóch ééns, én weest daar méê te vréên.

GOVERD.
(505) Hoe, héb je flus niet zélf beleeden,
Toen jy ’t te pas bragt in je reden,
Dat jy kost maaken op een’ sprong,
De Jongen oud, én Ouden jong?

JONKER GOUDSCHALK.
Wél ja; én ’k acht die kunst ook hooglyk;
(510) Maar hier is die voor my onmooglyk,
Omdat de lucht te dik, én gróf,
Gemaakt is uit eene and’re stóf,
En mét die starren, én planeeten
Niet óveréénkomt, moet gy weeten,
(515) Die door haare influéntie doen
Den ménsch verand’ren van fatsoen.
’k Zou andersins myn’ bruid geryven.

GOVERD.
Moet dan men éénig kind zo blyven?

NIESJE.
Zou ik zo blyven? zie, men lyf
(520) Gelykt een afgeleefd oud wyL

KLAARTJE.
Sinjeur, kun jy dit veur jou oogen
Nóch aanzien? word je niet bewoogen?

GOVERD.
Wat zél ik doen? hy weet geen raad.

NIESJE.
Och, óch, dan word ik desperaat.

FRÉDERIK.
(525) Myn Heer, dit laat ge onnozel léggen.
Wat zal ik van uw’ kunsten zeggen,
Zo gy de Juffer niet ontzweert?

JONKER GOUDSCHALK.
Die kunst, Heer, héb ik nooit geleerd.

FRÉDERIK.
Zo kunt ge dan haar’ leest, én weezen,
(530) Niet maaken, als het was voordézen?
Wél, ik zal ’t doen; zo gy ’t u niet
Zult bélgen, als het is geschiedt.

JONKER GOUDSCHALK.
In ’t minst niet; kunt gy haar ontzweeren,
Ik zal u duizend pond vereeren,
(535) Van ’t eerst Arkanum, dat ik maak.

FRÉDERIK.
Wél, lét dan naarstig op de zaak.
Tégen Goverd.
Myn Heer, gy moet uw’ knécht beveelen,
Dat hy myn last, in alle deelen
Gehoorzaamt.

GOVERD.
                            Wél, verzuim dan niet
(540) Van ’t geen je Fréderik gebiedt.

DIRK.
Zeer wél.

FRÉDERIK.
                    Myn Heer zal zich ook voegen
Tót myn behulp?

JONKER GOUDSCHALK.
                                Ja; mét genoegen.
FREDERIK.
Roep nu myn dienaars.
Tégen Jonker Goudschalk.
                                          Zét u néêr:

JONKER GOUDSCHALK.
Maar waar toe zal dat zyn, myn Heer?

FRÉDERIK.
(545) Om alles plégtig uit te wérken.
Myn Heer, gy zult de rést haast mérken.

ELFDE TOONEEL.
GOVERT, NIESJE in een kleed ’t wélk naar
dat van Joanna gelykt,
KLAARTJE, KA-
TRYN, die haar ondersteunen, JONKER
GOUDSCHALK, JASPER,
FRÉDRIK, DIRK.

GOVERT.
OCh! ik word onverduldig!
Is dit myn dóchter? ’k loof je droomt.

NIESJE.
Ja, Vaderlief, wees niet beschroomd.

GOVERT.
(465) Je bent... de drommel; kom niet nader.
Stae van me, nachtspook!

NIESJE.
                                        Liefste Vader,
Ik ben gien spook, ’k heb bien én vleis.

GOVERT.
Stae van me, zég ik nóch ereis.

NIESJE.
Och Vader, wilje my verzaaken,
(470) En myn verdriet nóch grooter maaken?

KLAARTJE.
Men Heer, heb meêly, ’t is gewis
Dat dit jouw eigen dóchter is.

KATRYN.
Hoe kénje klaarder blyk begeeren.
Kyk, zyn dit niet Joannaas kleeren?

GOVERT.
(475) Wat komt my over!

NIESJE.
                                          O, jou guit!
Landlooper, zél jy zo jouw bruid
Betov’ren, die, met dolle zinnen,
Had veurgenoomen jou te minnen;

GOUDSCHALK.
Wat hagel gaat dit vrouwménsch aan?

JASPER.
(480) ,,Dit zél hier slécht met ons vergaan!

NIESJE.
Schurk, most jy dit an myn bezoeken?

GOUDSCHALK.
Hoe heb ik ’t? zoekt men mich te doeken?

KATRYN.
Neen, jy zoekt ons te doeken, schélm.
Ik bin gebooren mit ien hélm!
(485) Landlooper, Faustus duivelmiester,
Al waar je ook Pluitoos hélsche priester,
Je zélt onz’ Jufvrouw daat’lyk weêr
Ontov’ren, óf zie daer ik zweer...

GOUDSCHALK.
Kanaalje! durft men my nóch sarren?
(490) Ik zweer by de onderaardsche starren,
Den groenen Leeuw, den rooden Draak,
Den graauwen Wolf, die ’k zélver maak,
En by Saturnus gryze hááren,
Dat je aanstonds zult ter helle vaaren!
(495) Hans donder! accuzeert men my
Hier met vervloekte tovery?

NIESJE.
Och Vader, wat verbaasder woorden!
Nou zél hy ons te gaâr vermoorden!

GOVERT.
Vermoorden?

GOUDSCHALK.
                      Ha! gy zyt ein bloed,
(500) By ’t schuim der pluggen opgevoed.
Wilt gy ein Edelman onthaalen,
En doet gy op zyn’ kunsten smaalen?

GOVERT.
Och neen; maar ’k bid ontzweer, uit gunst,
Myn eenig kind weêr, door jouw kunst.

GOUDSCHALK.
(505) Ik moei mich met geen zótternyen
Van kóppelaarsters toveryen.

GOVERT.
Heb jy haar niet betoverd?

GOUDSCHALK.
                                        Neen.
Gy affronteert mich door die reên.

GOVERT.
Hoe, hebje flus niet zélf beleeden
(510) Met krachtige, én gegronde réden,
Dat jy kost maaken op een sprong
De jongen oud, én de ouden jong?

GOUDSCHALK.
Wel ja, én ’k acht die kunst ook hoog’iyk;
Maar in dit voorval is ’t onmoog’lyk;
(515) Omdat de lucht in huis, te gróf,
Gemaakt is van eene and’re stóf;
En by die starren én Planeeten
Die ik regeer, niet af te meeten,
Alhier geen influëntie doen
(520) Dat zy geraake in ’t eerst’ fatsoen.
’k Zou anders graag myn’ Bruid geryven.

GOVERT.
Hoe! moet myn’ Dóchter dan zo blyven?

NIESJE.
Ien ouwe goore kól? Verbruid!
Ik stroop je ’t vél eer van jouw huid!

FREDRIK.
(525) Myn Heer, dit laat ge onnozel leggen.
Wat zal ik van uw kunsten zeggen,
Zo gy de Juffer niet ontzweert?

GOUDSCHALK.
De lucht is hier gekorrompeert.

FREDRIK.
Gy kunt dan haar gestalte, én weezen
(530) Niet weêr hérstellen als voor deezen?
Wél, ik zal ’t doen, zo gy ’t u niet
Zult bélgen als het is geschied.

GOUDSCHALK.
Oh neen ik; kunt gy haar hérstellen,
Ik zal u duizend ponden tellen
(535) Van ’t eerste Arkanum dat ik maak.

FREDRIK.
Och ja! dat ’s een gedaane zaak.
                        Tégen Govert.
Myn Heer, gy kunt uw knécht beveelen,
Dat hy myn’ last in alle deelen
Gehoorzaamt.

GOVERT.
                        Dirk, verzuim dan niet
(540) Te doen ’t geen Fredrik jouw gebiedt.

DIRK.
Zeer wél.

FREDRIK.
                Myn Heer zal zich ook voegen
Tót myn behulp?

GOUDSCHALK.
                              Ja, met genoegen.

FREDRIK.
Roep nu myn dienaars. Zét u hier.

GOUDSCHALK.
Waar toe zal ’t zyn?

FREDRIK.
                                ’k Heb een manier
(545) Myn kunst steeds pléchtig uit te wérken,
Myn Heer, gelyk gy haast zult mérken.
        Hy luistert Katryn, én Klaartje iet in ’t oor.

XI. TOONEEL.
JOHANNA gekleed als een Knécht van Fréderik,
GOVERD, FRÉDERIK, NIESJE,
JONKER GOUDSCHALK, KATRYN, JASPER, KLAARTJE, DIRK, JAN.


FRÉDERIK.
KRyg nu dry knuppels.

JONKER GOUDSCHALK.
                                Waar toe dat?

FRÉDERIK.
Gy zult het zien, Heer, wacht maar wat.
Méjuffrouw, hier moet gy u zétten.
(550) Wilt nu op alles naerstig létten.
Fréderik maakt eenige Grimassen.
Myn Heer, eer ik de Juffer kan
Hérstéllen, én geneezen van
Die tovery, moet gy verdraagen
Met groote stasie honderd slagen.

JONKER GOUDSCHALK.
(555) Hoe! honderd slagen?

FRÉDERIK.
                                              Ja, myn Heer,
’t Moet zyn, eer ik uw’ bruid ontzweer,
Zy zal u dés te meer waerdeeren.

JONKER GOUDSCHALK.
Maar, Heer, gy zoudt my affronteeren;
Bedénk, ik bén een Edelman.

FRÉDERIK.
(560) Zo veel te béter raakt ze ’er van.
Hoe! zoudt ge uit liefde, én médedoogen
Die slagen niet verdraagen moogen?

JASPER.
Gantsch bloed! dit ziet ’er vreeslyk uit.

JONKER GOUDSCHALK.
Hoe! honderd slagen om myn bruid?
(565) Neen, wilt my dat ten goeden houwen,
Ik wil ze liefst zo laelyk trouwen.

FRÉDERIK.
Maar, Heer, gy vat de meening niet.
Het is u eer, dat zulks geschiedt.

JONKER GOUDSCHALK.
Hoe eer? bestaat ’er eer in slagen?

FRÉDERIK.
(570) O Ja; wanneer men die moet draagen
Tót wélstand van zyn’ minnarés.

JONKER GOUDSCHALK.
Maar, Heer, ik hou niet van die lés.

FRÉDERIK.
’t Moet zyn; kom, wilt geen tyd verspillen.
Begin.

JASPER.
        Hier is de droes te villen.

JAN.
(575) Myn Heer, wy zyn gereed.

FRÉDERIK.
                                            Wel aan.
Begin mét vreugd ’er op te slaan.
Het zal de Juffrouw voort geneezen.

JONKER GOUDSCHALK.
Hou op! wat drommel zél dit weezen?

FRÉDERIK.
Myn Heer, ’t geschiedt om béters wil,
(580) Ay, houdt u dan gerust, én stil,

JONKER GOUDSCHALK.
Moord! hélp! hou op! hoe zal dit lukken?
Myn gantsche ruggraat raakt aan stukken.
Moord! hélp! hou op! hou op van slaan.

FRÉDERIK.
Myn Heer, het is terstond gedaan.
(585) Hou op; gy kunt hém straks betaalen.

JONKER GOUDSCHALK.
De duivel mag dat tov’ren haalen!
Ay, maak de deur op; ik wil voort.

FRÉDERIK.
Myn Heer, hoe! zyt ge alreê gestoord?
Al mét gemak, zacht, zacht, mét zinnen.
(590) Wy zullen daad’lyk wéêr beginnen;
Komt geeft de Knécht nu tót zyn deel
Op staande voet ruim ééns zo veel.

JASPER.
Hoe! word je dol? ô Séldreménten,
Wat wil je doen? sta van me vénten:
(595) Men Heer, wat héb ik tóch gedaan,
Dat jy me zo woud laeten slaan?
Héb ik, men Heer, wél voorgeloogen?
Of ooit mét de Alchimie bedroogen?
Of kén ik tov’ren?

FRÉDERIK.
                    Neen; maar gy
(600) Staat zaamen in die guitery;
Daarom zal ik u, na behooren,
Afsnyden laaten neus, én ooren.

JASPER.
Wat drommel, Heer, wat wil je doen?
Wél dénk ten minsten om ’t fatsoen;
(605) Als jy me zo kreegt by de lurven,
Dan was myn tronie heel bedurven,

FRÉDERIK.
Dat komt van uw’ bedriegery.

JASPER.
Ik bid, men Heer, laet my tóch vry;
Ik héb geen schuld.

FRÉDERIK.
            Neen; neen; Sa gasten,
(610) Gy moet niet schroomen toe te tasten.

JASPER.
O éldremalimént! wat raad?
Moet ik nou lyen om zyn praat?

FRÉDERIK.
Wél hoor; gy zult die straf niet lyen,
Zo gy ons de bedriegeryen
(615) Ondékt van dézen Alchimist,

JASPER.
Zél ik dan vry zyn?

FRÉDERIK.
                                Ja.
JASPER,
                                    Maar is ’t
Al zéker?

FRÉDERIK.
                        Ja. Dóch wilt niet liegen;
Want anders zoudt ge u zeer bedriegen.

JASPER.
Neen; neen;

GOVERD.
                Hoe! Fréd’rik, is ’t dan wis,
(620) Dat Goudschalk een bedrieger is?

FRÉDERIK.
Ja, Heer.

JONKER GOUDSCHALK.
            Gy moet hém niet gelooven,
Hy zoekt uw’ gunst my maar te ontrooven.

FRÉDERIK.
Gy onbeschaamden rékel, zult
Gy langer térgen ons geduld,
(625) En stout ontkénnen al, dat waar is,
En als de middagzon, zo klaar is?
Myn Heer, ik bid u, geef wat tyd;
Ik weet, dat gy bedroogen zyt;
Dat hy u veel zócht wys te maaken,
(630) Om aan uw kind, én géld te raaken;
Gy zult het hooren van de knécht.

JONKER GOUDSCHALK.
Myn Heer, gelóof niet, ’t geen hy zégt.

FRÉDERIK.
Ik zal ’t u straks wél doen belyden.
Sa dienaars, houdt hém voort ter zyden;
(635) Belét, dat hy ons niet versteurt.
Maak nu begin, het is uw’ beurt.

JONKER GOUDSCHALK.
Kasparo, ’k bid u, wilt tóch zwygen.
JASPER,
Ja, om de huid vol klóps te krygen?
Neen, neen, men Heer, héb jy ’t verbruid,
(640) Ik boet die schuld niet mét men huid.

FRÉDERIK.
Begin dan.

JONKER GOUDSCHALK.
                    ’k Zal u dat betaalen.

JASPER.
’t Is schier onmoog’lyk te verhaalen,
Wélke ovens, wélke glazen, dat
Hy zo in de ééne, als and’re stad
(645) Gezét heeft, én wéêr afgebrooken;
Wat géld hy heeft verbrust mét stooken;
En wie hy heeft uit al zen goed
Geholpen, én in arremoed
Gebragt én tót de grond bedurven.
(650) Hy is veel’ landen door gezwurven;
Maar, dat hy wéêr in Duitschland kwam,
Hy was om hals; men Heer. Daar nam
Hy aan veel wonderlyke zaaken,
Ook loot, én tin tót goud te maaken;
(655) En ’t Is hém altemaal mislukt.
Van daar kwam hy berooid, bedrukt,
Verjaagd te Frankvoort, daar hy aardig
Een Smous bedroog, die hy heel vaardig
De kleederen, die ik, én hy
(660) Aanhébben, én noch géld daar by
Afleende, om nimmer wéêr te geeven.
Van daar is hy hier aangedreeven;
Daar hy terstond veel hoorde van
Heer Goverd; óch! die goeje man
(665) Was ook mét hém voort ingenomen.
Die gaf hém, wat hy ’s nachts dorst droomen,
Die heeft hém, als een Prins, onthaald,
En voor zyn praaten ruim betaald.
Die wou aan hém zyn Dochter geeven,
(670) En zélf heeft hy een’ vrouw in ’t leeven.

GOVERD.
Wat zég je? wat! die deugeniet,
Zócht die men kind in dit verdriet
Te bréngen? Hoe zél Ik me wreeken?
Ja wél, ja wél, wat guitestreeken!

FRÉDERIK.
(675) Begeert gy ook nóch klaarer blyk?

GOVERD.
Neen, Fréd’rik, want je hébt gelyk.
Ik mérk nou, hoe hy zócht mét liegen
My, én men Dóchter te bedriegen.
Ja wél, ja wél, ’t is noit geschied;
(680) En jy verstaet van alles niet?

JONKER GOUDSCHALK.
Myn Heer, ik hoop, dat in myn leeven
De goede Hémel nóch zal geeven,
Dat ik de Lapis vinden mag.

GOVERD.
Ik zég de Lapis goeden dag,
(685) En jou mét al je valsche nukken.
Nou, jy verstaet je op guitsestukken.
Ik wénschte, dat een ieder één
Zich spiegelden aan my alleen,
En zag, hoe valsch ik bén bedroogen.

FRÉDERIK.
(690) Myn Heer, dat zou niet héipen moogen.
Elk kittelt zich mét valsche waan;
En ’t goud, dat lacht een yder aan.
Want, die maar zyn verstand wil wétten,
En op de grond der dingen létten,
(695) Die kan wél mérken, dat een man
Die géld zoekt, ’t goud niet maaken kan.
De Filozofen zélver leeren
U van die guiten af te keeren;
Zy zéggen, dat men dat geboeft,
(700) Nóch tót die kunst veel géld behoeft;
’k Laat staan ’t gezwéts van veel sekreeten,

GOVERD.
Had ik die raad wat eer geweeten,
Dat had me vry wat waerd geweest.

FRÉDERIK.
Ik bid, Heer, weest maar niet bevreesd.

GOVERD.
(705) Men géld heeft hy vast wég gekreegen.

FRÉDERIK.
Myn Heer, weest daar niet om verleegen.
Hier, geeft het géld.

JONKER GOUDSCHALK.
                                    Myn Heer...

FRÉDERIK.
                                                        Ga voort,
En geef het aan die geen, dien ’t hoort.

JONKER GOUDSCHALK.
Nou bén ik leevendig bedurven!
(710) Wat raad? och! was ik maar gesturven.

FRÉDERIK.
Ik zég u geeft het, óf ik zweer...

JONKER GOUDSCHALK.
Daar is de beurs mét géld, myn Heer.

FRÉDERIK.
Nu ’t ander géld.

JASPER.
                                O! dit komt        .

JONKER GOUDSCHALK.
Myn Heer, dit schiet ’er maar van over.
(715) De rést die héb ik al verteerd.

FRÉDERIK, tégen Goverd.
Myn Heer, gy hébt mét schá geleerd.

GOVERD.
Weest wélkom, schyfjes, van men leeven
Zél ik jou aan geen guits wéêr geeven.
Was nou men Dóchter maar hérsteld.

FRÉDERIK.
(720) Myn Heer, gy hébt vooreerst het géld;
Voor ’t ander hoeft gy niet te vreezen;
Want ik zal voort uw kind geneezen,
Indien gy my één’ béê vergunt,
Die gy mét récht niet weig’ren kunt.

GOVERD.
(725). Eisch vry al, wat je kunt bedénken,
Is ’t rédelyk, ik zél ’t je schénken.
Voor jou beweezen’ gunst, én trouw.

FRÉDERIK.
Ik eisch uw Dóchter tót myn’ vrouw;
Die ik voordézen lang bezinde,
(730) En, zonder dat gy ’t wist, beminde.

GOVERD.
Wélaan, ik schénk ze jou, mits gy
Haar vry maakt van die tóvery.

FRÉDERIK.
Ik zal. Nu héb ik niets te schromen.
Lief, wilt nu maar te voorschyn komen.
(735) Zie daar, myn Heer, dit is uw kind.

GOVERD.
Hoe Fréd’rik, bén je dol, óf blind?
Is dit men Dóchter? hoe!

JOHANNA.
                                        Ja Vader,
Ik bén uw Dóchter, kom vry nader:
Ik héb my in dit kleed gekleed,
(740) Om zelver aan die guit myn leed,
En ’t uwe op déze wys te wreeken.

























GOVERD.
Ja wél, ik kén ’er an ’er spreeken.
Maar zég ééns, wat is dit veur ien’?

FRÉDERIK.
(745) Dit is myn’ Min, die lang voordézen
My heeft uw’ Dóchter aangepreezen.

GOVERD.
Hoe komt ze dan in dit gewaad?

FRÉDERIK.
Dat is gedaan op onze raad.
Zy heeft haar, als gy zaagt, gedraagen,
(750) Opdat onze aanslag wél zou slaagen.

NIESJE.
Ja, Sinjeur Goverd, dat is waar;
Jou kynd was niet vertóverd, vaár.

GOVERD.
Ja wel, bén ik dan zo bedroogen?
En is dit tóv’ren ook geloogen?

FRÉDERIK.
(755) Myn Heer, daar is geen tovery;
’t Is altemaal maar zótterny,
Bedróg, én ouder wyven droomen.
Hoe kan ’t in uw’ gedachten komen,
Dat anders, als die is geweest,
(760) Men maaken zou des ménschen leest?
Het zyn onmoogelyke zaaken,
Zo wél, als zand tot goud te maaken;
En ik stél daarom by malkaar,
Een Alchimist, én tovenaar.

JOHANNA.
(765) Wat zult gy dien Bedrieger leeren?

GOVERD.
Wél, als ’t zou gaan na myn begeeren,
En dat je myn zin vó1gen woud,
Ik zou straks zénden om de Schout.

JONKER GOUDSCHALK.
Myn Heer, wilt tóch die straf vermind’ren:
(770) Dénk om myn’ vrouw mét neegen kind’ren.

FRÉDERIK.
Ik bid, dat gy die straf verzoet.

JONKER GOUDSCHALK.
Myn Heer, ik val voor u te voet, Gená.

GOVERD.
        Wél, wilt hém dan mét slagen
Alt’zaamen voort ten huize uitjaagen.

ALTEZAAMEN.
(775) Wy zyn gereed; hér uit, hér uit,
Jou Alchimist, jou fielt, jou guit.

                       

UIT.


TWAALFDE TOONEEL.
FRÉDRIK, JONKER GOUDSCHALK,
GOVERT, JASPER, JAN, JOANNA,
gekleed als een knécht van Fredrik,
NIES-
JE, DIRK, KATRYN, KLAARTJE.


FREDRIK, tégen Dirk..
GEef hier drie knuppels.

GOUDSCHALK.
                                        Waar toe dat?

FREDRIK.
Gy zult iets raars zien, wacht sléchts wat.
Mejufvrouw, hier moet gy u zetten:
        Tégen Goudschalk.
(550) Gy moogt wél op myn’ handen letten,
Maar houd u stil: óf ’t zoud u slécht
Bekomen zo gy ’t minste zégt.
Mejufvrouw gy zult ligt wat zweeten,
Maar van geen ander létsel weeten.
(555) Geef nu myn Wichchelroedtje, Jan.
        Tégen Goudschalk.
Zie of ik haar ontov’ren kan.
Hy gaat driemaal om Niesjé heen, én raakt haar
              driemaal met het Wichchelstókje.

Het is gedaan. Zy mag nu ryzen.
Myn kunst behoeft geen meer bewyzen.
Gy ziet hoe dat haar dikte ontzwéld,
(560) En dat haar aangezicht, vervéld,
De zélfde vérf krygt als voor deezen,
Van geel- én water-zucht geneezen.

GOVERT.
Maar zy lykt als je zélf wél ziet,
Nóch in het minst myn dóchter niet.

FREDRIK.
(565) Dat’s waar: én dit’s ’t voornaamst’ van allen;
Maar deeze bot moet Goudschalk gallen.
Dit zal de ontknooping zyn van ’t wérk;
Dóch mids hy zich onwillig, sterk
Daar tégen kant, moet hy verdraagen
(570) Met groote staatsie honderd slagen.
    Klaartje én Katryn geleiden Niesje na binnen.

DERTIENDE TOONEEL.
JONKER GOUDSCHALK, JASPER,
FRÉDRIK, JAN, GOVERT,
JOANNA in knéchts gewaad,
DIRK.

GOUDSCHALK.
HOe! honderd slagen om ein bruid?

JASPER.
,,Gants bloed, dit ziet hier deerlyk uit!

FREDRIK.
Ja, op het minst’, zy zal ’t waardeeren,
En van uw bruidschat rabatteren.

GOUDSCHALK.
(575) Der donder! ’k bén ein Edelman!

FREDRIK.
Zo raak je ’er édelmoedig van.

GOUDSCHALK.
Is ’t Aad’lyk zich te laaten klóppen?

FREDRIK.
Dat moet gy lyden zonder móppen.
Wat doet men niet om een Meestrés?

GOUDSCHALK.
(580) Neem liever zélf voor u die lés.

FREDRIK.
Geschikt. Komt, wilt geen tyd verspillen;
Begin.

JASPER, met de handen ik ’t háár.

            ,,Hier is de droes te villen!

JAN.
Myn Heer, wy zyn gereed.

FREDRIK.
                                            ’t Is goed;
Maar dénk hy is van Aad’lyk bloed,

GOUDSCHALK.
(585) Moord! hélp! hou op! hoe zal ’t hier lukken?
Myn Aad’lyk rugbeen raakt aan stukken!

FREDRIK.
Ligt is ’t gebrandmérkt. Slaa maar dicht.
Myn Heer, het is terstond verricht.
Houd op. Wilt gy dien Heer betaalen?

GOUDSCHALK.
(590) Der donder mag zulk tov’ren haalen!
Och, maak de deur op; ich wil voortl

FREDRIK.
Hoe Heer, zyt gy zo haast verstoord?
Houw wat gemak; ik moet met zinnen
’t Gerókkende, op zyn tyd, afspinnen.
(595) Rust, rust wat uit, terwyl deez’ borst
De smaak ook krygt van deeze worst.

JASPER.
Hoe! is het érnst? Oh séldreménten,
Wat wilje doen? Staa van me vénten!
Myn Heertje, ik heb hier niets misdaan!

FREDRIK.
(600) Jy hebt het met hem t’saam gestaan;
Dies zal ik, zonder médelyden,
Jouw neus, én ooren af doen snyden.

JASPER.
Ik bid, men Heer, laat dat niet toe,
Daar ik in ’t minste niet misdoe.
(605) Ik heb geen schuld.

FREDRIK.
                                      Neen, neen; t’sa gasten,
Schroom niet om smaak’lyk toe te tasten.

JASPER.
Ik bid, men Heer, dat ge u beraad:
Zult gy my straffen, om zyn kwaad?

FREDRIK.
Wel hoor: ’k Zal jou genadig hand’len,
(610) Wil jy met open’ deuren wand’len,
Ontdék van deezen Alchimist
De schélmery; maar zo je mist,
En iets verzwyt, óf ons met liegen
Misleidt, zal jy je zélf bedriegen.

GOUDSCHALK.
(615) Zie toe Kasparus wat je doet.

JASPER.
Die zonde doet, die zonde boet.
Elk is hier nou de wacht bevoolen.

GOUDSCHALK.
Hy heeft wél meer myne eer gestoolen.
Geloof niet aan het geen hy zégt.

FREDRIK.
(620) Heer Govert, luister naar den knécht.
’k Zal Guitschalk wél tót réden krygen.
            Tégens de knégts.
Neemt hem ter zyde, én doet hem zwygen;
Of klópt hem, zo hy ons versteurt.
Nu maak begin, het is jouw beurt.

GOUDSCHALK.
(625) Oh Schélm! ik zal ’t je haast betaalen!

JASPER.
’t Is schier onmoog’lyk te verhaalen
Wélke ovens, én fornuizen dat
Hy nu én dan, van stad in stad
Gezét heeft, én weêr afgebrooken,
(630) Wat géld hy heeft gesmaust met stooken,
En wie hy al heeft uit zyn goed
Geholpen, én in arremoed
Gebrógt, óf meerendeels bedurven.
Hy heeft veel landen deur gezwurven.
(635) En overal het vólk met list
Haar géld ontknérpt, én weêr verkwist
Met vrouwvó1k, dóbbelaars, én funnen
Die nooit de galg ontsnappen kunnen.
Zyn vader was een Smaus, óf Jood,
(640) Die om den stróp te ontgaan, uit nood
Te Praag Papist wierdt, én te Romen
Zyn’ Bull’ heeft van de Beul bekomen.

FREDRIK.
Maak kort, én heel ons niemendal.

JASPER.
Hy wénkt weêr dat ik zwygen zal!

FREDRIK.
(645) Klap voort; óf jy zult slagen krygen.

JASPER.
Myn Heertje, ik zal je niets verzwygen!
Niet verr’ van Straatsburg kreeg hy een
Fransch Edelman by ’t linker been,
Die hy, hoe fyn in schélmeryen,
(650) Wist van de Lapis, fiks te snyen,
En ’t met veel goud ontsnapte. In ’t Sticht
Van Munster heeft hy opgeligt
Een ryk Kannunnik. Aan de Nekker
Een Priester. En een Gouddraadtrekker
(655) Te Zérbst, aan wien hy had beloofd
Een Lapisbrók zo groot als ’t hoofd;
En ’t koperdraad zo goed te maaken,
Dat hy ’t voor gouddraad kwyt zou raaken.

FREDRIK.
Wat dunktje van dit wérk, myn Heer?

GOVERT.
(660) Ik staa verbaasd!

JASPER.
                                    Hoor nóch al meer,
Hoe hy met hoop van winst, door loogen
Nóch and’re ménschen heeft bedroogen.
Te Hall heeft hy een zeer geleerd
Professer gantsch geruïneerd.
(665) Te Heidelbérg een Apeteeker,
By Osnabrug een Linnenbleeker
Bedót, voor duizend daalders, ruim.

GOUDSCHALK.
Hy zuigt het alles uit zyn duim!

JASPER.
Och ja! Men heeft te Kóppenhagen
(670) Maar eens na jouw gedrag te vraagen,
Te Bronswyk, Leipsich, Hamburg, én
Meer Stéden die ’k niet noemen kén,
Wat fieltery jy in jouw leeven
Op alle plaatsen hebt bedreeven.
(675) Maar zo hy weêr in Stókhólm kwam,
Hy was om hals, myn Heer, daar nam
Hy aan zo wonderlyke dingen
Dat zy ’t begrip te boven gingen.
Hier zou hy door onkénbaar zout
(680) Al ’t berrigkoper in fyn goud
In ’t korte metamorfozeeren.

FREDRIK.
En kreeg dit ingang by die Heeren?

JASPER.
Heel niet. En toen dit was mislukt
Kwam hy met my berooid, bedrukt
(685) Te Frankfort, daar hy by de Jooden
Krediet vondt voor ’t geen hy van nooden
Had tot een kleed voor hem én my:
Hy leende ook al veel géld daar by,
Dat hy haar nimmer zal betaalen.
(690) Toen zyn wy hier na toe gaan dwaalen,
Daar hy terstond veel hoorde van
Heer Govert. Oh die goede man
Was ook straks met hem ingenomen!
Hy gaf hem wat hy ’s nachts kon droomen.
(695) Hy heeft hem als een Prins onthaald,
En veel géld op de hand betaald:
Hy stond zyn Dóchter hem te geeven,
En zélf heeft hy een vrouw in ’t leeven.

GOVERT.
O Raavenaas! O deugeniet!
(700) Zócht jy myn kind dus in ’t verdriet
Te bréngen deur jouw guitestukken!
’k Zél jouw de neus van ’t aanzigt rukken!

FREDRIK.
Begeert gy meer, óf klaarder blyk?

GOVERT.
Neen Fredrik. Och, je hebt gelyk!
(705) ’k Zie klaar hoe dat hy zócht met liegen
My, én myn’ Dóchter te bedriegen.
Och! ’t is zen leeven niet geschied!
Jou guit, jou schélm, je antwoordt ons niet.

GOUDSCHALK.
Myn Heer, ai wil u niet versteureni
(710) De Hémel laat nóch wél gebeuren
Dat ich den Lapis vinden mag.

GOVERT.
Ik zég den Lapis goeden dag,
En jou met al die hélsche ranken
Daar jou de droes veur zél bedanken.
(715) Och! ’k wénschte dat hier groot én kleen
Zich spieg’len mogt aan my alleen,
En zag hoe valsch ik bén bedroogen:

FREDRIK.
Die wénsch zal weinig hélpen mogen.
Elk kittelt zich met géldwinstwaan,
(720) En ’t goud dat lacht een ieder aan:
Want anders, die ’t verstand wil wetten
En op de grond van ’t stooken letten,
Die kan ligt mérken dat een man
Die géld zoekt, ’t goud niet maaken kan.
(725) De Filosoofen zélve, leeren
Ons van die schélmen af te keeren,
Zy zeggen dat men dit geboeft,
Nóch tót den Lapis géld behoeft;
’k Laat staan ’t gezwéts van hun sekreeten.

GOVERT.
(730) Och, had ik die lés eer geweeten,
Ze had me vry wat goud bespaard!

FREDRIK.
Myn Heer, zyt daarom niet bezwaard...

GOVERT.
Myn géld heeft hy vast wég gekreegen.

    FREDRIK raakt Goudschalk met het
            Wichchelroedjé.

Myn Wichchelroedtje is niet verlégen,
(735) Het goud steekt in de linker zak,
Fluks geef het géld, én met gemak.

GOUDSCHALK.
Nou bén ich voor altyd bedurven!
Wat raad? Och waar ik sléchts gesturven.

FREDRIK.
’k Zweer geef het over, óf ik zal...

GOUDSCHALK.
(740) Daar ’s dan de beurs met goud én al.

FREDRIK.
Nu, ’t ander géld.

JASPER.
                            ,,Och, dit komt pover!

GOUDSCHALK.
Myn Heer, dit schiet ’er maar van over;
De rést is altemaal verteerd.

JASPER.
,,Verdóbbeld én verkoertooizeerd.

GOVERT.
Wees wélkom goudbeurs, ’k zal bezórgen
Jou aan geen sméltkroes uit te bórgen.
Was nou myn Dóchter maar hérstéld.

FREDRIK.
Myn Heer, gy hebt voor eerst uw géld.
’k Heb in myn’ magt om straks te maaken
(750) Dat ze in haar eersten staat zal raaken,
Indien gy my één beê vergunt.

GOVERT.
’k Weet wat gy réd’lyk eisschen kunt.
’k Weet dat Joanne u lang bezinde,
’k Weet dat gy haar ook trouw beminde.
(755) Kort om, ik weet ook dat ze uw vrouw,
Ik staa ze u toe, graag weezen zou.

FREDRIK.
Mejufvrouw, kom nu vry’lyk nader.

GOVERT.
Hoe deeze Jongman?

JOANNA.
                            Ja, myn Vader,
Ik stak my in dit dienaars kleed
(760) Om zélver, aan dien schélm, uw leed
En ’t myne, op ’t zékerste te wreeken.


VEERTIENDE TOONEEL.
GOVERT, FRÉDRIK, NIESJE, in haar
eige kleeding,
JONKER GOUDSCHALK,
JASPER, JOANNA, DIRK, JAN.

GOVERT.
O Deugd! ik kén ’er an heur spreeken.
Maar zég me tóch, wat’s dit veur ien?
’k Heb haar, myns weetens, nooit gezien.

FREDRIK.
(765) Dat is myn’ Minn’, die uit meêdoogen
Uw liefste kind ook heeft gezoogen,
Toen haare Minn’ lei aan de Jigt.

GOVERT.
’k Bén haar, schoon ik ’t niet wist, verplicht.
Maar was zy flus dan niet betoverd?

NIESJE.
(770) Wel neen ik tóch niet, Sinjeur Govert.

FREDRIK.
Ei Heer, daar is geen tovery;
’t Is altmael maar zotterny,
Bedróg, én ouwe wyven droomen.
Hoe kan ’t in uw gedachten komen
(775) Dat iemand ons hérschéppen zou,
En weêr hérstellen als hy wou?
Oh! ’t zyn al zulke ondoenb’re dingen
Als goud uit staal of lood te wringen.
En daarom stél ik by malkaar
(780) Een Alchimist én Tovenaar.


VYFTIENDE én laatste TOONEEL.
KLAARTJE, FREDRIK, KATRYN,
JASPER, GOVERT, JONKER GOUD-
SCHALK, JOANNA, NIESJE,
DIRK, JAN.

KLAARTJE.
ALs ’t u belieft, Heer, kan ik schaffen.

FREDRIK.
Wy moeten deezen schélm eerst straffen.

KATRYN.
Men Heer, daer ’s iemand an de deur,
Die vraagt om géld an deuz’ Sinjeur.

JASPER.
(785) ,,Och! ’t is zyn hóspes, wil ik zweeren

FREDRIK.
Wat zullen wy dit galgaas leeren?

GOVERT.
Men geef hem over aan den Schout.

GOUDSCHALK.
’k Bid om vergiff’nis van myn fout;
Myn Heer, wil tóch die straf vermind’ren,
(790) Dénk om myn’ vrouw met zéven kind’ren
Myn Heeren, ’k val voor u te voet.

JOANNA, tégen Govert.
’k Bid dat gy ’t om de onnooz’len doet.

GOUDSCHALK.
Genaâ.

GOVERT.
            Wél, wilt hem dan met slagen
Braaf afgeróst, ten huize uit jaagen,
(795) En sluit de deur in ’t nachtslót, Klaar.
Kom met me in de Eetzaal altegaar,
Daar zullen wy fris onder ’t klinken,
Op Fredriks huuw’lyks sluiten drinken.

De knéchts én meiden.
Wy zyn gereed. Hér uit, hér uit,
(800) Jou Alchimist, jou fielt, jou guit.

                        EINDE.


COPYE

Van de

PRIVILEGIE.

DE Staten van Holland en Westvriesland, doen te weten. Alsoo Ons vertoont is by eenige Liefhebbers van de Nederduytsche Tael en Poëzy, hoe dat sy al voor eenige Jaren, na het voorbeeld van de Italiaensche en Fransche Academien, t’Amsterdam opgerecht hadden een Konstgenootschap onder de Prent en Sinspreuke van NIL VOLENTIBUS ARDUUM, waer in dagelijks gearbeyt was en noch wiert, tot voortsettinge van onse Taal en Dichtkunst, gelijck oock al eenige werkjens nu en dan daer van in ’t licht gekomen, en door den druk gemeen gemaakt waren; en dewijl van tyt tot tyt uytgegeven soude worden grootere wercken, die by dat Konstgenootschap, sommige reets gemaakt, sommige noch onderhanden waren, waer toe het selve boven haer tyd en arbeyd, noch groote kosten tot den druk, en wat daar meer toebehoort, soude moeten doen, en vermits ook niet sonder groote reden gevreest wierd, dat al het gene van eenigh belangh zijnde, by het selve Konstgenootschap uytgegeven soude worden, aanstonts door andere soude mogen werden naargedrukt, en sonder eenige opmerkingh, veel min naauwkeurigheydt der Spelling ofte nettigheydt der Tale, aan al de wereldt gemeen gemaakt, waer door het goede Insigt tot opbouwing der Nederduytsche Tale, ende voortsettinge van de welsprekentheydt in deselve verhindert, en de lust om daar in voort te gaan aan het voorseyde Konstgenootschap soude benomen worden; soo hadden sich het selve Konstgenootschap genootsaakt gevonden, om sich te keeren tot Ons, ootmoedelyk versoekende, dat het Ons gelieven mogte haar te begunstigen alle de werken, die uyt het selve Konstgenootschap in ’t licht gebraght souden worden, met Ons Octroy voor 20 jaren langh, en onder soodanige straffe tegen de geene, die de selve souden nadrukken, verkoopen, of elders naargedrukt, in dese Onse Provintie voeren om te verkoopen, als het Ons soude gelieven goet te vinden. SOO IS ’t dat Wy, de Sake en ’t Verzoek voorsz. overgemerkt hebbende, ende genegen wesende ter bede van de Supplianten, uyt Onse rechte wetenschap, Souveraine macht ende authorityt de selve Supplianten geconsenteert, geaccordeert, en geoctroyeert hebben, consenteren, accordeeren ende Octroyeren mits desen, dat sy gedurende den tyt van vyftien eerstkomende Jaren, de werken by het voornoemde Konstgenootschap onder den Tytul van NIL VOLENTIBUS ARDUUM gemaakt werdende oft alrede zijnde, binnen den voornoemden Onsen Lande alleen zullen mogen drukken, uytgeven ende verkoopen, verbiedende daerom allen ende eenen iegelyken, deselve werken na te drukken, ofte elders naargedrukt binnen Onsen Lande te brengen, uyt te geven ofte te verkoopen, op de verbeurte van alle de naargedrukte, ingebragte ofte verkofte Exemplaren, ende een boete van drie hondert guldens daarenboven te verbeuren, te appliceren een derde part voor den Officier die de calange doen sal, een derde part voor den Armen der plaetsen daar het casus voorvallen sal, ende het resterende derde part voor de Supplianten. Alles in dien verstande, dat Wy de Supplianten met desen Onsen Octroye alleen willende gratificeren tot verhoedinge van haare schade door het nadrukken vande voorsz. Werken, daar door in geenigen deele verstaan, den Inhoude van dien te authoriseren ofte te advouëren, ende veel min dezelve onder Onse protectie ende bescherminge eenig meerder credit, aensien, ofte reputatie te geven; Nemaar de Supplianten in cas daar in iets onbehoorlyks soude mogen influeren, alle het zelve tot haren lasten sullen gehouden wesen te verantwoorden, tot dien eynde wel expresselyk begeerende, dat by aldien sy desen Onsen Octroye voor de selve Werken sullen willen stellen, daar van geene geabbrevieerde ofte gecontraheerde mentie sullen mogen maken; Nemaar gehouden sullen wesen het selve octroy in ’t geheel en sonder eenige Omissie daer voor te drukken, op pene van het effect van dien te verliesen. Ende ten eynde de Supplianten desen Onsen consente en Octroye mogen genieten naar behooren, lasten wy alle ende eenen iegelijken, dat sy de Supplianten van den inhout van desen doen laten ende gedoogen, rustelyk, vredelyk en volkomentlyk genieten ende gebruyken, cesserende alle belet ende wederleggen ter contrarie. Gedaen in den Hage onder Onsen grooten Zegele hier aen doen hangen, den XV Maart, in ’t Jaar onses Heeren, en Zalighmakers duysent ses hondert seven en seventigh.
                            A. Br. d’ASPEREN,
                                    1677.
                            Ter Ordonnantie van de Staten
                    HERBERT van BEAUMONT.
                                        1677.

______________________________________________


    Het KONSTGENOOTSCHAP heeft het Récht van de bovenstaande PRIVILEGIE, aangaande de BEKEERDE ALCHIMIST, vergund aan ALBERT MAGNUS, Boekverkooper tót Amsterdam.

                In Amsterdam, den 17 van Sprokkelmaand, 1680.


COPYE

Van de

PRIVILEGIE.

DE Staaten van Holland ende Westvriesland, Doen te weten, Alzo ons vertoond is by die van het Kunstgenootschap NIL VOLENTIBUS ARDUUM, tot Amsterdam, hoe dat zy Supplianten, op ’t voorbeeld van Italiaansche, Engelsche, en Fransche Academiën, voor veele Jaaren, met zorg, moeiten, en ongemeene kosten, hun Kunstgenootschap hadden opgerecht tot opbouwing en voortzetting van de Nederduitsche Taale en Dichtkunst; ten welken einde de Supplianten, en hun Kunstgenootschap, door ons op den 14. van Maart, 1691. was begunstigt by continuatie van hunne voorgaande Privilegie of Octroy, om geduurende den tyd van vyftien Iaaren, alle hunne Werken, en die derzelver Léden, als toen reeds gemaakt, gedrukt, en in gevolge van tyd verder te maaken, te drukken, herdrukken, uit te geeven, en te verkoopen, en zulks by uitsluiting van alle anderen, onder wat pretext, dat het ook zoude mogen weezen, alleen te mogen drukken, herdrukken, uitgeeven en verkoopen in zodaanigen formaat, en Taalen, als het de Supplianten geraaden zouden vinden, en dat op zulke straffen, of peenen voor de Contraventeurs als breeder by ’t voorgaande Octroy uitgedrukt stond. En dewyl de gemelde Onze Privilegie op den 14 deezer Maand Maart, stond te expireeren, en zy Supplianten gaarne in hunnen arbeid en yver zouden volharden, en groote onkosten hadden gedaan, dagelyks doen, en vervolgens doen zouden, onder anderen met het uitgeeven van eene Nederduitsche Grammatica, gelyk ook met hunne werken te vercieren met titelprenten, en andere kopere kunstplaaten, en Muzykstukken, naar vereisch der zaaken: En beducht zynde, niet zonder reden, dat eenige baatzoekende Menschen, op de eene of andere wyze, tot ontluistering hunner werken, en groote schade en nadeel de Supplianten, hen daar in zouden zoeken te onderkruipen, met hunne werken in ’t geheel of ten deelen, met, of zonder het Myzyk, ende kunsttitels, en andere prenten na te doen maaken, drukken, verkoopen, of verruilen; vinden de Supplianten zich genootzaakt haar wederom te keeren tot ons, verzoekende dat het onze goede geliefte mogte zyn, de Supplianten met onze Priviliege als boven gemeld te begunstigen voor den tyd van Vyftien eerstkomende Iaaren, om geduurende den zelven tyd alle de voorschreven werken, in zodanigen formaat en taale, reeds gemaakt, gedrukt, en ingevolge van tyd verder te maken, alleen te mogen drukken, herdrukken, uit te geeven, en te verkoopen, en zulks by uitsluitinge van alle anderen, onder wat pretext dat het ook zoude mogen weezen, en dat op zulke straffe ende peene, en Confiscatie van alle zodanige nagedrukte Exemplaaren, tegens de Contraventeurs te stellen, als wy zouden achten te behooren, en vereischt te zyn, ten einde de Supplianten in toekomende mogen erlangen volstrekter effect van ons voorschreeven Octroy, als zy tot noch toe hadden genoten, ter zaake van baatzuchtige lieden, niet tegenstaande onze voorige verleende Octroyen, haar niet hadden ontzien verscheiden van ’s Kunstgenootschaps werken en derzelver Léden, te hebben doen nadrukken, en de Contraventeurs daat over door de Supplianten niet gevalangeert, en in rechten betrokken waren, om in geen zwaarder kosten te vervallen, als de boeten als toen daar op gesteld hadden kunnem goed maken. ZO IS ’T, dat wy, de zaaken en ’t verzoek voorschreeven overgemerkt hebbende, en genegen weezende ter beede van de Supplianten, uit onze rechte wetenschap, Souveraine magt en Authoriteit dezelve Supplianten geconsenteert, geaccordeert en Geoctroyeert hebben, consenteeren, accordeeren en Octroyeeren mits deezen, dat zy geduurende den tyd van vyftien eerst achter een volgende Iaaren, alle de voorschreeven werken by continuatie binnen de voorsz. onze Landen alleen zullen mogen drukken, uitgeeven en verkoopen, verbiedende daerom alle en een iegelyken alle dezelve werken in ’t geheel of ten deele naa te drukken, ofte elders naagedrukt, binnen dezelve onze Landen te brengen, uit te geeven of te verkoopen; op de verbeurte van alle de naargedrukte, ingebrachte ofte verkochte Exemplaaren, en een boete van drie hondert guldens daer en boven te verbeuren, te appliceeren een derde part voor den Officier die de calangie doen zal, een derde part voor den Armen der plaatse daar ’t casus voorvallen zal, en ’t resterende derde part voor de Supplianten; In dien verstande, dat wy de Supplianten met deeze onze Octroye alleen willende gratificeeren tot verhoedinge van haare schade, door het nadrukken vande voorschreven werken, daar door in geenigen deelen verstaan den inhouden van dien te authorizeeren ofte te advoueeren, en veel min ’t zelve onder onze protectie en bescherminge, eenig meerder Credit, aensien, ofte reputatie te geeven; nemaar de Supplianten, in cas daar inne iets onbehoorlyks soude influeeren, alle ’t zelve tot haaren lasten zullen gehouden wezen te verantwoorden, tot dien einde wel expresselyk begeerende, dat by aldien zy deezen onze Octroyen, voor alle de voorschreven werken zullen willen stellen, daar van geen geabbrevieerde, ofte gecontraheerde mentie zullen mogen maaken; nemaar gehouden zullen weezen, ’t zelve Octroy in ’t geheel en zonder eenige omissie daer voor te drukken, ende dat zy gehouden zullen zyn een exemplaar van de voorsz. Wercken, gebonden ende wel geconditioneert, te brengen in de Bibliotheecq van onze Universiteyt tot Leyden, ende daar van behoorlyk te doen blyken; alles op peene van het effect van dien te verliesen. Ende ten eynde de Supplianten desen Onsen consente en Octroye mogen genieten naar behooren, Lasten wy allen en iegelyken, dat sy de Supplianten van den inhout van desen doen laten ende gedoogen, rustelyk, vredelyk en volkomentlyk genieten ende gebruyken, Cesserende alle belet ter contrarie. Gedaan in den Hage onder onzen grooten Zeegele hier aan doen hangen, op den 14. Maart, in ’t Jaar onses Heeren, en Saligmakers zeventien hondert en zeven.

                                    A. HEINSIUS,

                                Ter Ordonnantie van de Staaten,

                            SIMON van BEAUMONT.

WAARSCHOUWING.

    Het Kunstgenootschap NIL VOLENTI-
BUS
ARDUUM érkénd geene Wérken voor
eigene, dan die met eene hunner Privilegien
gedrukt, én met Titelprénten, én het Zin-
spreukplaatje met den naam van G. LAI-
RESSE
getékend, voorzien zyn.


Continue


CENETON
Voorkeurenpagina Opleiding Nederlands