A. Adriaanez: Hypermnestra. Amsterdam, 1762 en 1766.
Uitgegeven door EDITEUR
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton00017 - UBGent
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Dit is een onderdeel van de Ceneton Groeipagina. Van dit toneelstuk moeten nog alle pagina’s gedaan worden.

Continue

[fol. π1r]

HYPERMNESTRA,

TREURSPEL.

NAAR HET FRANSCHE

VAN DEN HEERE

LE MIERRE.

[Vignet: De byen storten hier, het eelste dat zy lezen,
om de oude stok te voen, en de ouderloze wezen]

Amsterdam, Izaak Duim, 1762.

AAN DEN

WEL-EDELEN HEERE

JONAS WITSEN DE JONGE,

COMMISSARIS DER STAD AMSTELDAM.
KOn immer Melpomeên door droefheid ’t hart ontroeren,
    Als zy de deugd vertoonde, in rampspoed, fel verdrukt,
En ’t weder beurtelings tot zachte vreugd vervoeren,
    Wanneer ze in zegepraal der wreedheid wierdt ontrukt, Het was, toen zy beftond uit de oudheid op te delven,
Wat eertyds Hypermnesfr in Afgos ondervondt,
Toen
Toen ie in haars Vaders hof en prachtige gewelven, Noch haar’ gemaal verriedt, nochhaarepligtenschond:;
’choon haar die Vader drong, (kon zy zulks oitverwach ten,
Wyl hy dien huwlyksknoop zelf plegtig had gelegt !) om haaren bruidegom met eigen hand te flachten,
In d’eersten bruiloftsnacht, na een’ gewenschten echt;
Haar snoode Zustren, in ’t onmenschlyk woên te volgen,
En met een’ wreeden dolk, door zynen haat gewet,
Voor liefde en meêly doof, zo yslyk, als verbolgen,
Een graf te maaken van het heilig huwlyksbed:
Daar zy, op zulk een last, door mededogend smeeken
Beproefde, of ze in zyn hart ontferming wekken kon;
Terwyl haar traanenvloed, die rotzen zelf zou wecken,
Niets op de wreede ziel van dien Tiran verwon ^ Wiens ongenade zy te deerlyk moest bezuuren,
Daar ze, om het redden van haar’dierbren echtgenoot, Gekluisterd zuchten moest in ’s kerkers bange muuren,
Verwachtende haar troost in een’ gewenschten dood: Tot dat zy ’t Godendom haar rampen zag bepalen,
Door Linceus zich verlost. c:n 2.Dwingeland geftraft, De ontaarde Zusteren ter hè’k ne^achlen,
.Enhaare^ruweidaan, een ysiyk I .•: vcrschaft.
Zou
Zoudt gy, nu Melpomeên dit voorbeeld aller Vrouwen
óWiTSENltotu leid, daar re ons Toofieel betreed, Niet met een gunftig oog, haar, in haar ramp, aanschouwen;
Die onbefmet haar trouw bewaarde in ’t uiterst leed?
6 Ja ! zy vleije zich uwe achting te verwerven
Dewyl uw edel hart, met de onschuld steeds begaan,
Aan de onderdrukte deugd uw’ byftand noit deedt derven:
Melpomené biedt haar, op zulk een’ hoop, u aan;
Die gy door deze gunst op ’t dierfte zult verplichten.
Ontfang haar wenschen: leef van ongeval bevryd,
De nazaat moete uw deugd in ’t harte eene eerzuil stichten.
En uw doorluchte stam zy de eeuwigheid gewyd.
A. ADRIAANS7


EERSTE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

HYPERMNESTRA, LINCEUS.

Ja, Hypermnestra! ’t uur, het heuchlyk uur komt aan,
Waarin myn’ wensch, door d’echt van Argos wordt voldaan;
Maar echter beeve ik, en myn min, die noch blyft duchten,
Gevoelt haar vreugd gestoort door heimlyke ongenuchten:
(5) Te wreede tegenspoed is met myn heil verëent,


[...]

Min heiligheid voor hen, dan voor onze Oudren baarenf Maar ’k zie den Vorst. T W E EDE T O O N F E L." DanaÜs, Hypermnestra, Linceus.
[p. 6]
Zo de eer ons strekt ten borge is zy het zekerst pand,
Ja zo de oprechte trouw van ’t aardryk wierdt verdreven,
Het koninglyke hart moest haar een schuilplaats geeven.
                                DANAÜS.
Het misvertrouwen, Prins! vloeit uit verachting voort;
De haat, die indringt in ons hart, té zeer verftooftj
Tergt ons veel minder, als ons de argwaan kan ontëeren.
Egyptus kan gerust nu weder Nylwaards keeren;
Daar hy geen’ vyand, dan de ontrouwen nabuur heeft,
Wiens flagen hy voorkomt, of moedig wederftreeft.
Öy-kunt getuigen van de oprechtheid van myn harte,
Toen ik myn’ Broeder moest vérlaaten tot myn fmarte;
De wenschen van myn hart, voor hem, zyn u bewust.

LinceÜs.
Hy laat zyn Zoonen u.

DanaÜs. ,
Dit ftdt myn ziel gerust^ t
Dit toont dat wraakzucht uit uw harten is verdreven; Kom Linceus! la’tèn wy de vriendschap doen herleeveh.
• . . -• ’- LlNCEOS.
Gy wilt, 6 Vorst! die weer herbooren zien! in ’t end’
Zy u den Bruidegom uws Dochters dan bekend, (neder >
Het bloed verbind ons,’k buig me als Schoonzoon voor r
Dit niet aHeèn, maar ’k min myn Hypermnestra teder:
Befef, welk een geluk ik nu voor eeuwig wlnn’:
Het heilig HuvVlyk is noch heilger door de min.
Ja, ’k zweer het by dé G oen! en myn onkreukbre liefde.,
Dat niemand in ’t heel’al, dan zy alleen my griefde.
Mynheer! gy legt, vernoegt, dan zelf dien waarden band
Myn heil is grooter, dat genietende uit uw hand. - - v
Goón! welk een vreugd voor my, als V ader u te groeten!
Wat is ’t beminnen zoet van hem dien we eerén moeten!
^-,t ge alles vry van myn gehoorzaamheid verwacht,
in by u van haat noch ontrouw zyn verdacht,
bt te groot een recht op my verkrygen kunrien,
iTypermnestra aan myn liefde te vergunnen.

Mj
My blyft nu over, daar gy ftemt in myne trouw,
Dat ik, verwondert, uw grootmoedigheid beschouw.

DERDE T O Q N Ë E L.
DanaÜs, LinceÜs, Hypermnestra, Idas. .,: . . Lyfwacbtcn.
’ÏDAS.
-a , JLVJLyn Heer! ’t is alles reeds vervaardigt in den Tempel.-
Het volk, den kostbren pracht beschouwende op den’
Is vrolyk en vervuld met brandend yvervuur, (drempel t
Zy wachten met verlangst naar zulk een heuchlyk uur,
Dat ’j Vorften Zoonen aan uw Dochteren gegeeven,
Het heil van beider ftam en ryken doen herleeven.

DanaÜs.
Wel, dat ge op ’tfpoedigst dan hun wenschen nu bekroont.
Maakt dat gy u aan ’s -Volks vernoegt gezicht vertoont;
Dat uwe Broeders en haar Zusters u geleiden,
Terwyl ’s Ryksgrooten, op myn’ last, u reeds verbeiden.
Gaat met hen Tempelwaarts, ik volg u op den voet.

VIERDE T O O N E E L.
DanaÜs, Idas.

B DanaÜs.
lyfldas, ik berust in uwe trouw. Gy moet - •"•** w Koning dienen.
Idas.
Vorst! ’k zal nooit myn pligt bevlekken. . Myn vlyt is u bewust.
DanaÜs.
Gy zaagt den Prins vertrekken,
A 4 Weet
Weet gy wat ik Voot hem en de anderen befloot?
l D A S.
Zy treeden Tempelwaarts
. - DanaÜs.
Ja, maar van daar ter dood,
Idas. ...’. ,,

Mynheer, het vreêverdrag, daar by hun aller huwen.. .
DanaÜs. (wen.

De vrede is een beftand, waar Ivoor myn hart moet gru-
’k Wil dat zy deezen dag, door my bevlekt met bloed,
Meer yslykheden vormt, dan’s oorlogs feilen gloed_’

Gy kent Egyptus, en weet onze onè’enigheden;
Gy zaagt hem aan den Nyl dien wreeden toeleg fmeeden,
Daar hy, door ’t volk gelterkt3 6 onverdraagbren hoon!
My uit Égypten dreef, en bonsde van den troon. < •.,„
Zulk een belediging kan ons te veel ontëeren;
Een ongeftiarte hoon zal telkens noch vermeêren.
Naar de Inachus gevlucht, verwon ik dit gebied, •
’k Regeer, maar zonder dat myn ziel ooit rust geniet:
Steeds peinzende op het wis bederf van zulk eenfnooden,
Wordt door hem zelf in ’t eind’ die kans my aangeboden.
Hy, zynde op Memfis Troon gezeten, vol van waan,
Bied my tot Schoonzoons ftout al zyne Zoonen aan.
’k Verwerp die banden, en dien aangeboden vrede:
Vergramt, door ’t onverwacht ontzeggen van’zyn bede,
Eischt hy van zyne Zoons die.banden f of myn draf;
Hy wapent, fpoort hen aarf, koomf zelve met hen af.
En, daar de woede en schrik regeerden voor deez’ wallen,
Die zyne woeste drift zo ftout dorst overvallen,, ..
Stelt ons zyn aanhang noch aan meerder rampen bloot,
Wyl hy door hun het vuur ontfteekt in Argos schoot.
Ik ben zyn’ vyand, ja ik ben dien zelf geboren,
’t Scheen dat myn hart voorzag ïyn woede aan my be-

schoren.
Ik wierdt verdreven, ’k wierdt belegerd, ja ik week’,
Belofte doende, op dat ik my te.beter wreek’.

^ ’k Ver


Ter toetfing haarer trouw r dit oogenblik bepaald.
Zy, jonger, schynt voor d’echt min afkeer te betuu,<:c,
En onder zulk een juk gewilliger te buigen.
Haar Zustren voorbeeld, en haar teer ontzag voor n y,
Verbinden echter haar aan myne razerny.
Ik vondt hierUnceus, toen ik kwam om haartefpreeken,
Zyn dwaaze minnevlam is my op ’t klaarst gebleken:
Maar Hypermnestra hieldt haar hartsgeheimen in,
En scheen te weigeren, noch toe te (laan zyn min.
Maar zo ik my bedroog, en voor haar trouw moest vree
. Zo zy alléén myn’ wil mogt wederfpannig wezen, (zen,
Een laatfte vyand zou my echter noit ontvliên,
Ik zou my van zyn’ dood in ’t kort verzekert zien.
Men zal my midlerwyl ter Tempel reeds verbeiden.
Ik ga noch binnen ’t uur myn Dochter hier bescheiden;
Verwyder Linceus dan, en zo ge uw’ Vorst bemind,
Maak dat zyn wraakvuur hen op ’t onverwachtst1 ver-;
flind’.

Einde van bet Eerfle Bcdryf,
TWEE
TWEEDE BEDRYF.
EERSTE T O O N E E L.
Hypermnestra, Egine.
VEciNE. {ftreên.
ergeef de ontroering daar myn ziel door wordt beGe ontwykt hetEchtaltaar, Mevrouw! waar gaatgy heen?
Hypermnestra. ’V .
Ik ben op ’s Vaders last, Egine, hier gekomen,
Dien ik verwacht. Doet zulk een onderhoud u schromen?

Egine.
’k Ducht alles, en myn hart, dat my veel ramp voorzegt,
Vreest zelf het Godendom te danken voór uw’ Echt.
My pynt, ondanks my zelf, ik weet niet welk vermoeden.
Acht gy geen tekenen van vvreede tegenfpoeden? .
Het loeijend offërvee was naauw geflagt, of’t bloed,
Gereed te vloeijcn wierd geftremd in zynen vloed;
Men vroeg den vooglen raad, maar hunne zwakke vler-
Hun akelige vlucht, deedt niets dan schrik bemerken; (ken,
De lucht, geverwd met bloed, was van haar glans beroofd.
De toortfen op ’t altaar zyn driemaal uitgedoofd,
Tervvyl het vuur noch vonkt, en ’t wierook fmeulend

fteigerd,
’t Geen door de traage vlam’t verteeren wordt geweigerd; ’t Was of de winden, los geborsten van hunn’ band, Van ’t outcr voerden zulk een haatlyke offerhand’. (ken, Zelfs zegt men, dat men zag den Huwlyksgod zich dek>^ Dat Argos, gantsch verbaasd, hem ylings zag vertrekkenT^ -, Dat Juno in een wolk deez’ muuren is ontvlucht. Zyn wy met reden dan voor rampen niet beducht?
Hypermnestra.
Geen siddring kan myn hart in zyne rust verstooren;
Met volk dacht zulks te zien, ’t is tot de vrees geboren
-*«n tekenen gehecht te vol onzekerhcên,
Dan dat myn’ geest daar door mee onrust werdt beftrêe<>.
Ik huwde naar myn’ wensch, ’k zag geen er wondert
den,
Daar my de Goón huun’ gnnst in alles blyken deeden.
Ja schoon een hand, min waard, my had genoopt ter trouw ,
’k Zag echter, verr’ dat ik daarom me ontroeren zou,
,’Al ’t geen het blinde volk voor tekens aan wil merken.

/ Ons lot beftaat by my in geene wonderwerken.
•~ Ik denk niet, eerende dus onzen trotschen waan,
Dat alles, wat den mensch wil schikken, moet beftaan;
Of hoonende den Goón, dat zy voor ons verwekken
Die ydle tekens, om ’t verborgene ons te ontdekken,
En dat de waarheid, door bedriegelyke magt, (kracht.
Aan wondren dienstbaar zy, en de aarde aan dwaling?-
Ik zag veel-eerder op het weezen van myn’ Vader,
De vriendschap, vrede en trouw, die tekens zyn veel nader.
Het oog wordt in ’t bezien der ftieren vaak misleid;
’t Gulhartig aangezicht geeft meerder zekerheid;
Daar in ontdekt zich ’t hart, schoon ’t veinzen ons doet

. dwalen;
Doch de uitkomst kan ons lot wel ’t zekerfte bepalen.

ECINE.
Ach! was ’t een dwaling die myn hart beftrydt met druk i
H YPERMNESTRA.
Verheug veel-eerder u om myn gewenscht geluk. Wy worden, dit ’s ons lot, in ’t eene ryk geboren, Daar ons den fcepter in een ander is beschqren, Tcrwyl wy onzen wensch altoos weêrftreven zien, Daar liefde en ’t waar geluk geduurig ons ontvliên > 1 • ah \ ftaatsbelang verflaaft, zien wy ons overheeren, m op een’ vreemden Troon met luister te regeeren; Zo wy de banden zyn der vrede van den Staat, • . ebeurd het dat die eer met ramp ons overlaadt; \
Is wy ’tGemeenebest, door ’t huwlyk,doen herleeven, ’;eeft ons vaak de rust die we aan het aardtryk geeven.
Maar
Maar ’t lot heett zich voor my thans gunftiger veiklaard;
Ik djen’ den Staat, terwyl ik wenschlyk ben gepaard.
’ris waar, myn’ Vader wierdt,met krygsmagt fel gefpron-
De vrede tusschen hem en Linceus afgedwongen; (gen,
’k Beken, ik heb gevreest, tot dien gewenschten ftond,
Dat ik voor ’t echt’a’ltaar aan Linceus my verbond.
Maar nu dit is volbragt , w t zou my nu dot. ••*••?
Te beter zal de vrede in ’t ryk verzekerd ws’ i
Schoon zy onzekerder by andre volkrei is, -1’

Daar ’t ftaatsbelang verbreekt een vree verbintenis:
Het Huwelyk, geftreng, beftendig, de, ld diui vrede
Dezelfde merken ook op ’t allerzekerst mede.
En daar myn Vader was hardnekkig in zyn’haat,
Verbindt hy nu zich zelf, nu hy ons huwen laat. (ven ,
Neen , niets kan deezen dag myn blydschap my ontroo-
Myn heil is zeker, ja ik moet zulks vast gelooven.
Ik hoor gerucht , de Vorst komt mooglyk herwaarts treên.

Egine.
Hy is het zelf, Mevrouw!

HVPERMNESTRA.
Gy , laat ons’dan alleen.
T, W E E D E T O O N E E L,
DakaÜs, Hypermnestra.

I Hypermnestra.
k heb ’t geluk gehad , myn Vader! u te wachten; Terwyl myn hart , om fteeds met y ver te betrachten AU’ ’t geen gy my beveelt, met eerbied, is bereid. ^^
DanaÜs. y’’
Gy ïyt aan my verplicht die onderdanigheid. \
Maar ’k heb thans van uw trouw een nieuwe proef van node
Hypermbestra.
Ik eer met diep ontzag, myn Vader! uw geboden.
Jk dank het noodlot, dat myn’ weasch my heeft verleed




Indien het lot was van den fterveling, te beeycn,
Door, iri verwachting van het misdryf lleeds te keven! DanaÜs.
’k Heb met de dwaling van uw harte medely;
Gy zelve zyt verdoolt, daar gy ’t gelooft "van my;
Gy denkt niet, dat gy hoont door fnoode lasteringen,
My tergende, den Goón in hunne handelingen.
Ge ontkent het hoog bericht van ’t lot voor iriy berejd;
Denkt gy ’t te niet te doen door ongeloovigheid?
Kan de ondervinding zelf van ouds ons niet vermelden,
Dat vaak vervult is, ’t geen de Orakelen voorfpeidea’!
H Ypermnestra. (klaard,
Ach! zo een Godfpraak oit voor valsch moet zyn ver
t Is dan, als hy een’ held metschandeenichuldbezwaard. Wanneer wy meer dan eens de Orakelen zien volvoeren’,
t Verbeelden van den ramp, zich blindelings te ontroeren, De drift ter rtuiting’, schrik, en andre dwaling meer, Zyn veeltyds de oorzaak dier vervullingen,’ Mynheer! Indien de fterveling, door zwakheên öe^d? beltreden, Niet zo nieuwsgierig was, als vol onzekerheden, Die yalsche Orakels wierden haast geheel gefluit; De zwakheid vraagt om raad, de vreeze voert dien uit. Gy houdt te veel u op; hy kome voor myne oogen, Die valsche, die zyn tong verkocht heeft aan de’logen, Die, daar hy zelf voor u dit doodlyk noodlot fticht, fC; u?ch schynt dienst te doen, nu hy u zulks bericht, Die m deez’ plaats den haat doet <*,’ zyn’ asch herleeyeii, Die door den Vader zelfde Schoonzoons wil doenfneei4i daartoe u gelooft, genoegzaam zwak en wreed; (yen t^en fcl]uIdiS>s’ wyl hy de misdaad fmeed; K Zal hem beschaamen. Vrees, maar vrees hem te gelooven, Ja vrees te volgen ’t geen uw glorie zou vcrdooyen, tn, om te wapenen, door zo veel wqede en hoon, l ot uw verderf, ’t heelal, en fel getergde Goón. TT DanaÜs.
Uw weer/land is te groot, gy fteld my n goedheid perken, B 2 De

[...]

Vaarwel. Wilt ge uw bederf? vlieg heen, ontvlucht; gy _Ik fterf , zo gy voor u my langer beeven doet. (moet. . . _ L i N c E o s. (ken.
Welaan, ’k vertrek , ik zwicht, en mooglyk moet ik buk- _Op dien barbaar zou ligt myn woede nu mislukken. _Te Vlieg naar myn’ Vader, en vereen my met zyn magt; _Maar dat my den Tiran met hen haast weder wacht’; _Met hulp der Goón , kom ik , u beter lot verschafFen , _Myn Broedren wreeken, en dat fiioode monster ftraffen.
VYFDETOONEEL. _Hypermnestra, Egine.
H H Ypermnestr A.
elaas! ik vrees , misschien dat hy den tyd noch rekt! _Myn waarde Egine! ga, zie of hy wel vertrekt: _Daf Erox hem gelei’. Vlieg heen , wil toch niet draalen , _De tyd is waard,
ZESDETOONEEL. _ HypermnÊstra, alleen.
it doet me een weinig adem haaien. Beschermt hem toch , 6 Goón! verzekert onze min; Verduistert nu de nacht, en houdt bet daglicht in: Dit Hof, een fnood tooneel van ramp , van moord en
schanden ,
Is overftroomt met bloed van zo veel offerhanden. _Dat ge op dit oogenblik myn ’s Vaders komst verhoedt \S~~ _6 Waarde Linceus! ach! zo hem de Vorst ontmoet, _Indien, als hy die plaats, zo aklig, door zal treden, _Diar al zyn bloed noch ftroomt, weêr door die y si ykhedert _Vervoert, in ramp zich ftort, myn beê vergeet, en hy .... _Ik beef. . . de Koning . . . Goón! ... ach! wat voorfpel ik my?
Ik
k Vindt nu myn Dochter weer , ’k vergeet die euveldaHypermnestra Jlaat op. (den.
Vergeet in mynen arm een’ ftervling, zo veracht,
Dien gy op ’t hoog bevel der Goden hebt geflacht!
Door dwaas berouw ontroert, kunt ge in myn armen bee-

ven!
Berouwt u dan de zorg voor ’s Vaders dierbaar leven?
Uw’ Vader zy u waart, volg uwer Zustren schreên.

Hypermnestra.
Vergeef dit oogenblik, myn Vader, myn geween;
Ik zou onmooglyk noch myn ramp vergeeten konnen.
„ Ik mogt my hier verraên.

Tegen Danaüs.
Van droefheid overwonnen...
Gedoog dat ik vertrek, op dat ik elders heen,
Myn rouw ip ’t hart verberg, en om myn Ega ween.

ACHTSTE TOONEEL.
DanaÜs, I0As.

T DanaÜs.
l a deeze laatfte flag deedt mynen haat fteeds vreezen; Zyn ega doodde hem, en zupïs heeft moeten weezen: J ’t Verdrag, waarin zy nu haar Zustren heeft verzeld, Als een belluit der Goón, rechtvaardigt myn geweld. Maar ik kan niet genoeg op haar geween vertrouwen; Of ikgewrookenben, ga ik thans zelf beschquwen.
NEGENDE TOONEEL.
DanaÜs, IpAS, Egistus.



V I E R D E B E D R Y F.
EERSTE TOONEEL.
’t Blyft nacbt. Hypermnestra, Egine.
W Hypermnestra.
el nu, is hy ontvlucht? heb ik myn’ wensch ver~V Egine? (kregen
ECINE.
6 Ja, Mevrouw! door onbekende wegen Heeft Erox hem geleid, en uit deez’ wal gebragt.
Hypermnestra.
Ach! ’k vrees myn’ Vader noch, die hem te vinden tracht.
Hy riep den zynen toe, door woede en ipyt verbolgen: .,
Ik ben misleid, verraén; men doe bem voort vervolgen.
Hy wil zyn bloed; vliegt heen, door feller wraak geport,
Wyl hy zich heeft verbeeld, dat ik zulks had geflort,
En hy geen middel ziet om Liaceus hier te vinden.
Maar mooglyk, dat zich reeds ontmenschten, onderwin-

Egine. (den
De nacht begunftigt u, Mevrouw! verban uw’ schrik; ’k Verzuimde uw dier belang geen enkel oogenblik. ’k Verborg zyn’ naam, ik wist zyn ftoutheid te bepaalen; ’k Misleide voorts den Vorst in Linceus te achterhaalen; ’k Heb in die ballingschap, zo vol afschuwlykheid,’ Verr’ buiten Argos wal, een’ schuilplaats hem bereid, Daar hy, vry van gevaar, van niemand wordt vernomen"; Terwyl uw bruidegom het daglicht voor zal komen, Hy is in zekerheid, ’k bid twyffèl toch niet meer.
Hypermnestra.
Gy schenkt myn beevend hart een weinig kalmte weêr. ’k Verlies hem; maar hy leeft: dit mindert myne rampen.
Mes
Men vindt, wanneer men met een lot, zo fel, moet kampen, Een schaduw van geluk in mindre tegenlpoed.
E G i N Ê.
’k Vrees flechts voor u, en voor uw Vaders overmoed: Zal hy aan u die list, schoon heilryk, oit vergeeven, Die aan zyn wraak belet, het offer te doen fneeven, En, ondanks zo veel bloeds,op nieuw door vrees bekneld, Ontweldigt aan zyn wit de vrucht van al ’t geweld? Ach! wat vervoering is niet van zyn drift te vreezen? Hoe zult gy best, Mevrouw! voor’t onheil veilig weezen? ’Waar vind gy in deez’ nood een schuiïplaats u verschaft?
Hypkrmnestra.
’k Geloofde nimmer, hem te redden ongeftraft. Myn Vader moest misleid; hy moog’ my vry vervolgen, Ik vrees veel min voor my, zyn gramfcnap, hoe verbolgen.
E c i N E.
Wat hoor ik ? ach! Mevrouw, hy nadert ons, ik ducht.... Hy is vervoert van fpyt; zorg dat gy hem ontvlucht.
TWEEDE T O O N E E L. . ..’.
Hypermnestr A, DanaÜs, Egine, Ida, E G i s T u s. Lyfwacbten met toortfm.
V D A N A ü s, tegen Egine.
crtrek.
Tegen Hypermnestra.
Gy, blyf, ondankbre!

Egine, in’t been gaan.
Ontmenschte wreedheid! Goden!
DanaÜs. (den.

Myn.rlyfwacht, kluistert haar; gehoorzaam myn gebo~~ Tegen Idas. Zy word geboeid.
En gy, wyl Linceus is deez’ wal ontkomen, ga,
En fpoor van Argos af de duistre paden na.

. Tegen Egistiis. (den,
Gy, vlieg naar de Inachus, vervolg hem langs haar boor
Befpied de wegen, en doorzoek de heimlyke oorden.
Haast u; myn heil rust op uw zorg, die ’k heb beproefd,
t C * Want
[...]

, .«laar van ’t geen ik beftond, dat floch myn hart blyft achten, (ten;
Beroemt myn ziel zich niet, noch wil geen lof vcrwach-
Ik diende ’t Huwiyk, door myn Zusteren verraan?
’t Is om haar schuld alleen, dat elk verzet moet ftaan.
’k Beklaag my aan de Goón, die onverzetbre Goden!
Die ’t schuldig schynen my door hunne wet geboden;
Ik schaamde my, dac ik moest veinzen, ’t dierbaar bloed
Te ftorten door myn hand, toen ik het heb behoed;
Ik bloosde zulk een list voor u in ’t werk te {tellen;
Ik vreesde een pogenblik myn Zuscren te verzeilen;
Ik haat te veel haar woên dan dat ik zulks vertoon’;
’k Beklaag haar,maar verwacht noit datikhaarverschoon*.

DERDE TOONEEL.
DanaÜ, Hypermnestra, Idas,

MIDAS,
yn Vorst! in deze ftad, en buiten haare wallen,
Is ’t al bezichtigd, maar ’t is vruchtloos uitgevallen.
Het.volk van Argos zag met wederzin deez’ nacht,
Zelfjtot hunn’ haartfteé’n toe, befpieden door uw wacht.
Mynheer! misschicn heeft hy op zee de vlucht genomen,
Begunftigd van den wind, is hy het ligt ontkomen;
Of mooglyk dat hem hier noch iets ten schuilplaats ftrekt,
Daar hy zich voor het oog van zyri vervolgers dekt.
Wanneer het daglicht zal de duisternis verftooren,
Gelukt het ons misschien zyn schuilplaats op te fpooren;
Men wacht de wederkomst van ’t andre krygsvolk.
Dah&us.

Gy,’
Ga heen en wacht hen op.
Hypermnfst-ra.
„ 6 Goón! begunftlgt my! VIERDE TOONEEL. Hypermnestra, DanaÜs.
T Dan Au s. (meerei •, .
rouwlooze! ik ïie uw hoop met myn verdriet verMaar


VYFDE BEDRYF.
Eerste T o o N E ’e L.

DanaÜs, Idas.
IÜANAÜS.
s tot de toeftel van zyn ftraffe ’t all’ verricht?

Idas.
Myn Vorst! de Houtmyt is omringt van ’t volk, en ligt Zal Linceus dien noch in dit oogenblik betreden.
DanaÜs.
Zyn f Irafis noch gering; maar dient ge uw’Koning heden?
Wat werkt de Godfpraak uit?’t gerucht,’t geen uw beleid
Op myn bevelen, heeft in Argos wal verfpreid?
Met welk een oog zal ’t volk op dezen dagaanschouwen,
Het oeffnen myner wraak ter ftraf van dien ontrouwen?

l B A S.
Ik heb de gantsche ftad met dat gerucht vervult,
Waarvan gy haast, myn Vorst! de vrucht genieten zult,
’t Volk was bekend, dateêr Egyptus ’t ryk verheerde,
Hy door zyn Zoonen reeds uw’ ondergang begeerde;
Men kon ligt denken, dat die wreede Schoonzoons nu,
Zich heimlyk tot verraad verbonden tegens u; (dig,

Dat Linceus,als hun hoofd of helper, gantsch rechtvaar-
Om zulk een fnood ontwerp der wreedfte ftraf is waardig.
Men zegt-: de Godfpraak eiscbt bun aller dood:ook wordt
Een bloed, by Koningen verdacbt, gerust gejlort.
En dat tefpaaren, als de Goón bet zelve ivraakcn,
L zicb rampzalig, en met eenen fcbiUdig maaken,
Van eenigen, by wie ’t Orakel is verdacht,
Wordt Linceus noch beklaagt, en ’t Godendom veracht.

DanaÜs.
Wat legt my aan die reên zo roekeloos gelegen? . . ’t Is maar van weinigen; daar zyn veel andren tegen, ’, Die ik met minder list op ’t zekerst’ lie misleid;
Hoe
Hoe veelen zyn verfinoord in hunne onwetenheid,
Of will’ge flaaven van hunne ydele gedachten,
Die hunne dwalingen als nutte deugden achten!
’t Staat alles my ten dienst; Egyptus afgewend,
Hun misdaan, het gerucht in ’s volks gemoed geprent.
Wat aangenaame rust kan zulks myn ziel verwekken!
Ja, Linceus wordt geftraft, rnyn vreugd kan’t my ont-
dekken:
Ik bengewrooken, Goón! myn wenschen zyn voldaan.

Idas.
’’k Zie met verhaaste schreên komt iemand herwaarts aan, Uw laatlte vyand is alreê beroofd van ’t leeven.


el nu, Egistus! heeft men Linceus reeds doenfneeEgistos. (ven?
ó Neen, het oproer fmeult, en barst haast uit, Mynheer!
i DanaÜs.
6 Hemel!.. hoe!.. welaan, ’k voorkoom’ of ftuit’ het weér. Egistos. (schooning,
’t Volk mort, het meêly werkt, men zoekt voor hem verMen twyffelt aan zyn schuld; ik ducht voor u, myn Koning!
Om zo veel moorden, om uw gramschap, en ’t getal Van Linceus vrienden; ,maar ik vrees noch bovenal Uw Dochter, thans geboeid, door wanhoop fel beftreden, En ’t medelydend volk, waar van ze is aangebeden: ’K beef te meer, om dat dit volk, in toomloosheid, Te dik wils tot gemor en oproer is bereid; Het mededogen doet in woede hen ontftcelcen, En meer dan een brandt van begeerte om zich tewreeken. Misschien zo Linceus zelf nu aan hun oog verscheen.... Ik was ontroert, myn Vorst! en kwam voort herwaai , heen.
C j DaDanaÜs. . r
Breng Hypermnestra hier. v •
Ecistus. .,
Vorst! zal men hem het leven , Noch op dit ogenblik.
DanaÜs.
Of ik hem wil doen fiieeven?
6 Ja, ga heen, men ftogt’ hem voort voor hun gelicht;
Dat zyn gerechte ftraf den muiteren verpligt1....
ê Neen, men waage niets... vertoef! men doe hem dooden,
Maar in ’t geheim. Ga heen, gehoorzaam myn geboden:
Dat Argos dezen dag my dus bevredigt noem’,
En myn vermomde toorn als goedertieren roem’.
Gy, hou myn wacht gereed, en wil op alles letten,
Maar doe vooral ’t paleis dit oogenblik beletten.

DERDE T O ONE E L.
HdajjaÜs, alleen.
. . „oe! dit geringe volk durft hunnen Vorst weêrftaan!
En die verachte hoop brengt schrik en fiddring aan!
Maar neen, ik zal welhaast hun razerny betoomen;
Die flaaven hunner waan, wier zwakheid hen doet schroo-
tVeêrftrevea het geval, in hun beftaan verblind, ’(men,
Een oogenblik verwoed, als hen hunn’ drift verwind.
Ik dacht aan ’t ftaatsbelang voor hunner aller oogen
Zyn ftraf te zyn vcrpligt; maar ’k vind my zelf bedrogen.
Nu hy het medely in hunne ziel verwekt,
Zal hy voor hun gezicht niet derven, maar bedekt:
Terwyl myn gramschap zal met ongeduld verwachten,
Dat ik het laatfte van die offers zal zien flagten.

VIERDE TOONEEL.
Hypermnestra, DanaÜs.

Hyperatnestra, geboeid.
mhels uw kniën, Vorst! wat onverwacht bericht!

Is
O


HYPERMNESTRA.
„Wat wacht ik noch in ’t eind’!
VYFDE TOONEEL.
DanaÜs, Hypermnestra, Ida«.
DanaÜs.

NEGENDE TOONEEL.

LINCEUS, HYPERMNESTRA, EROX, aan het
hoofd van eenig Volk van Argos.

                                                                    EROX. Mynheer! ’t is all’ in rust, het volk is vol verlangen
Gy hoort zelf hun gejuich, zy wenschen u te ontfangen,
Haast u, op dat gy aan hun oogen u vertoont,
Het heeft u thans gered, en wil u zien gekroond.
                                                                LINCEUS.
Ik volg u, waarde vriend!... vertrekken we om de pligten
Aan mynen Broedren asch op ’t plechtigst’ te verrighten.

                                                                EINDE.

Continue