[fol. ¹1r] ASOTUS Treur-eyndendÕ Spel, OF DEN OVERTOLLIGEN IONGELINGH. Tot bevestinghe van Medio tutissimus ibis. DAT IS: Maet hout staet, Door een maet-lievende Geest van A. V. H. In Õs Graven-Hage, By Michiel Stael, en Ian Breeckevelt, Boeck-verkoopers woonende op Õt Buyten-Hof 1650. [fol. ¹1v: blanco] [fol. ¹2r] Den Autheur Aen den Gunstighen LESER. LEs ER, wilt ghy zijn tevreden? Lieft altoos een vaste zeden, Want het altijt qualick gaet Č Buyten alle middel-maet: Al te rijck valt al te prachtigh, Al te arm te neder-slachtigh, Al te schoon te licht van staet, Al te leelick te seer gehaet, Al te Werelts al te pratigh, Al te Hemels al te statigh, Daerom segh ick, Lieft de maet, VWant AL TE hier qualick gaet. Noyt was Ic A Rus bedrogen Had hy noyt te hoogh gevlogen, PH AET oN noyt ner-gevelt Had hy maer een maet gestelt. VWilt u oock soo niet bedriegen, Poogt hier noyt te hoogh te vliegen, Lieft altijt den wijsen raet, Denckt altijt op MAET Hou T sT AET. [fol. ¹2v] Personagien. Dystyches, Een out Koopman. Asotus
Phronimus, Soonen van Dystyches. Philedonia, Den Overdaet. Aporia, De Dochter van Philedonia. Sophus, De Leer-meester van Asotus. Astrea, Rechtvaerdigheyt. [Sophus en Astrea zijn] Geveynsde Persoonen van Philedonia [fol. A1r] Eerste handelingh, Eerste Wtkomst. DEN INHOUT. Dystyches klaghende over den Schip-breuck van sjn Waren, en voor sich nemende na de Xte-kant te gaen, belast sijn Huys en Cantoor aen sijn outste Soon Asotus, en Phronimus dejongste gehoorsaemheyt aen sjn outste Broer Asotus. DYSTYCHES. WAt voor een vreemde saeck, of wonder kan het wesen, Is in mijn rimpel-vel de bleecke dood te lesen? ¤Geen wonder, want men siet een yder sijn gelaet ¤Verkeeren na het hem hier in de Werelt gaet; (5) Soo hem het noot-lot dient, en laet hier alle saken Soo wel tot goet begin als tot goet eynde raken, ¤Als dan soo groeytmen aen niet anders als een kruyt, ¤Wiens wonder-soete geur een vette gront drijft uyt; Dochsoo integendeel verscheyde ongelucken, (10) En Õk weet niet wat voor ramp het teer gemoet verdrucken, ¤Als dan soo slijtmenaf niet anders als een ding, ¤Hetgeen verloren heeft, waer van Õt sijn kracht ontfing, Gelijckghyliedenziet mijn dorren romp verschrompelt, Doordien my alle ramp nu heden overrompelt; ¤(15) Ick drijfhier Koopmanschap, en Õt blijckt na alle schijn, ¤Het Noot-lot leert my wat een Koopman is te zijn: Ick had een Schip op Zee en siet het is versoncken, Een Bloet-verwant of twee noch bovendien verdroncken, ¤Van wellick ongeval ick meer verhalen souw, ¤(20) Soomy dit niet verb™o een innighlicken rouw; [fol. A1v] Genoegh dan van dit stuck, dansoo veel moet ick seggen, Wat ick voor eenenraet hier over aen sal leggen, ¤Te weten ick vin goet naredelicke gis ¤Te trecken na de plaets, daer Õt Schip geschip-breuckt is, (25) Dies ga ick na mijn Soons om kenbaerhnn te maken, Õt Geen ick hier voor my neem, en bovendien de saken, ¤Die strecken tot den lof van huyselicken staet, ¤(Dat is in Õt kort geseyt) een rechte middel-maet, Wat hoor ick? zijnÕt mijn Soons? Tweede Wtkomst. ASOTUS, PHRONIMUS, EN DISTYCHES. Asot: IaÕt zijn u Soons, ™ Vader. (30) Dyst: Wel komt dan Asote en Phronime wat nader, ¤Hoort, wat my is geschiet van het trouloose lot ¤Indesengrijsenstaet. (Asot: Och! waer hier me gespot) Het is u welbekent mijn Koopmanschap te drijven, En siet mijn Schip vol Waer met nochtwee lieve lijven ¤(35) Zijn aen een Rotse van denruymen Oceaen ¤Door ongetemden storm soojammerlick vergaen: Soo dat my nu een reys hierover is voor-handen Om na de plaets te gaen daer men het Schip sagh stranden, ¤En dit om gaen te sien, of#van de twee ¤(40) Een opgeworpen is door Õt wassen van de Zee: Soo wil ick na de stijl van Vaderlicke plichten U Aste! als dÕoutst in huys-bestier verlichten, ¤Want als een Vader treckt van huys voor langen tijt, ¤Soo op den outsten Soon hy dan het sorgen lijt; (45) En mitsick in dit stuckuhouw voor onbedreven, Soo wijs ickžde wegh, waer naghy hebt te leven, [fol. A2r] ¤Te weten, eerst vooral op-offert uwen Heer ¤Dessmorgens een Gebed, des avontsÕt selve weer, En al wat ghy begint laet GoDT Õt beginne wesen, (50) Of hy dan teynd sal zijn en hoeft ghy niet te vresen, ¤Schroomt hem mijn lieve kint als danghy wijssult zijn ¤In alles wat hem dient, en goet is voor het mijns En wilt ghydese aert met rust en lust betreden, Soolaet de tweedracht noyt de vrede-plaets bekleden, ¤(55) En sooghy even wilt zijn in een vasten staet, ¤Soo schouwt den overvloet, en lieft de middel-maet: Daer dient noch veel geseyt om in geen schult te vallen, DochÕt geen daer is geseyt, dat is het meest van allen, ¤G o Ds vrees, gehoorsaemheytaen al sijn tien geb™on, ¤(60) En maet in alle ding, de rest die volght ™ Soon. Soo wilick lieve kint! van dit een eynde maken, En stellen aen u sorgh mijn huyselicke saken, ¤Dies wenschick inÕt adieu dat GODT sijn segen geeft, ¤Enghy nadese wegh in alle deughden leeft. (65) Asot: In dit vertrouw ickjamijn wel-beminde Vader, En wensche oock hier me dat ghy ons bey te gader ¤Mooght naderhantwer sien in de gestaltenis, ¤Daerueerwaerdigheyt op deser uyr in is; Dyst: En ghy ™ Phronime gehoorsaemt aenu Broeder, (70) Want hy bekleet de plaets van Vader en van Moeder, ¤En voorts soo achter-volght mijn voor-geseyt gebodt, ¤Dat is mijn lieve kint! vreest, eert, en mint u GODT: Vermits dan Asotus my leyden sal na buyten, En brengen myaenÕt Veer van dÕalgemeyne Schuyten, ¤(75) Soogaet vergast u Oom, verhaelt mijn Reys en Leer, ¤Dan binnen desetijt soo komt u Broeder wer: Phron: Wel Vader soo wil ick naÕt ouw gepleeg der menschen U wegen veyligh, en ureysen spoedighwenschen, [fol. A2v] ¤En dat ghy wellekom, soohoortgelijck Adieu, ¤(80) Op dit ick ga ielena Oom, en scheyde soo van U: Asot: Komt VadersooÕtublieft dentijt is haest verstreecken, Waer op te Zee-waerts in den Schipper af sal steecken. ¤Dyst: Hoe is de wint? Asot: s Isgoet. Dyst: kom gaan dan nu heen. ¤Asot: WelVadersooghy wilt stelt u maer wel te vreen Tweede handelingh, Eerste Wtkomst. INHOUT Philedoniasch beschreven hebbende kiest een jeugts-verkyder te/jn, dies poogt hy Asotus door sjn tong te verleyden, niet tegenstaen de hy dien armen quant noch dapper in sjn afwesen # PHILEDONIA. (85) SEyt yemant wie komt hier? of wat schijnt dit te wesen? Die hoort mijn woorden aen, daer staet het in te lesen: ¤Ick ben een soet verderf, een oorsprongh van ellendÕ, ¤Een honingh inÕt begin, een galle op het endÕ, Een heerscher over Õt volck, ontrader van het eerlick, (90) Aen-rader van het geen maeckt alle menschen deerlick, ¤Een Koningh voorsoo langhalsduert het gelt, en goet, ¤Soo dit teneynden is dan geeftmen my de voet, Een vleyer voor het hooft, van achteren een schempert, Een overtolligh dingh, een algemeynen slempert, ¤(95) Dit ben ick van mijn aert, doch soo ick hier verschijn, ¤Soo wil ick voor een tijt een jeugts-verleyder zijn: Daer is voor dese streeck een flucx gefel te vinden, Wiens Vader hem gebiet sijn lusten in te binden, [fol. A3r] ¤Dat op mijn looseranckinÕt minste niet en past, ¤(100) De lusten moeten los, en daer moet zijn ge‘rast. Soo wie my nevens dit ten vollen vvilbekooren, Die moet al sijn gewaet met gout en silverbooren, ¤Enoocksoo moet den Struys beslaen sijn ganschen Hoet, ¤En sijn beluste lip der maeghden-clouw met bloet: (105) Vermits ick menighmael dit bracht in jonge quanten, Soo sal ick desen oock die deughden wel in planten, ¤Dies ga ickelders sien waer ick hem vinden kan, ¤Ey! wonder wel te pas, siet hier daer komt de man. Tweede Wtkomst. PHILEDONIA, en ASOTUS. Phil: Hebt goeden dagh mijn vrient, een praetjen, treet wat nader, (110) Hoe staet het al met u, en Dystyches u Vader? ¤Azot: Alwel, doch niet te wel, want hy hier onlangs voor ¤EŽn Schip daerby noch twee van sijn Geslacht verloor; Daer over hy terstontbegreep in sijn gepeysen Om sonder lang getoef nadese plaetste reysen, ¤(115) Daer Õt Schip #soo als wanneer het aen een Rotse stont) ¤Door grouwelickgestorm gedreven is ten gront. Phil: Van waer is uwen tret? Azot: Vanwaer? ic hem geleyde Tot aen de Zee-kant toe, en sagh de Seylen spreyde, ¤Soo Õt Ancker was gelicht, en alles was gedaen, ¤(120) Doe nam ick mijn vertreck om herrewaerts te gaen. Phil. Aen wien bevool hy toch sijn huyselicke saecken? Asot: Aen my, en leerde my een maet in alles maecken, ¤Datick hier nimmermeer sou op mijn meerder sien, ¤Edoch een innigh oogh st‰eg aen mijn minder bien: [fol. A3v] (125) Phil: Voorwaer een waerdich stuck in alles maet te stellen, Maer weer een lastich pack voor alle Iong-gesellen, ¤Want die sijn van haeraert genegen tot de vreugt, ¤En Õtgeen het out misb%ght bedroeft haer Ionge jeugt, Soo dat een wijs vermaen in alle jongelieden (130) Met een oprechten lust hier nimmer kan geschieden, ¤En schoon het algeschiet, geschiet het door geprang, ¤Iaselden het geschiet, ontbreeckter een bedwang, Het is het out vernuft al over-lang ontvloden, Wat Õt wel bedreven heeft, hetgeen haer was verboden, ¤(135) Hoe soet het oock gevielbyÕtjonggewoel te gaen, ¤Soo Phoebus van de stalsijn Henxsten sien te slaen; Diesrae ick u mijn vrient1 (want kort is al u leven) U lusten altesaemden vollen toom te geven, ¤Spoelt af, (alsTeucer sprack) met Õt Wijngaerts soete vocht, ¤(140) Hetgeen hier op deraerdÕu om het harte wrocht; Sooghy hier vreugt versuymt in uwejonge dagen, Ghy sult, ick sweer het u, ten hoogsten noch beklagen, ¤U hoop sal zijn verkeert, dat is een daeghjen vreugts, ¤Dit sal geworden zijn een daeghjen ongeneugts: (145) Diesrae ick u mijn vrient! in dese frissche jaren In alle vrolickheyt by and rente vergaren, ¤En volgen al het geen past op een Asotos: ¤Azot: Neen, neen, Philedoni, gy praet my wat te los: Phil: Wel hoe, telos mijn vrient? krau nu vreugt te plegen, (150) Vermits een grijse geest tot droefheyt is genegen. ¤Azot: Maer ™ Philedoni gy praetmy van gebras, ¤Eer dat gy vraegt, wel vrient! hoe staet met u de Kas? Hebt gy wel oyt gesien een Codrum hier te vooren Met een vergult gewaet u als een Son beglooren? ¤(155) Noytbuyten twijfel noyt, want Codrus was gewoon ¤In een gelapte Hutte stellen sich ten toon. [fol. A4r] Ph: Wat moogt gylieve knecht dus arm van geest doch wesen, Het Vaderlick-geknor hebt gy nu niet te vresen, ¤Set Huysen goet te koop, en noemt het Noot-lots val, ¤(160) Schoon hy verlaet u dan, Õk u niet verlaten sal, Ick wil u toevlucht zijn, soolang de Sterren ieren Het hooge Hemel-ront, en onder een gaen swieren, ¤Ick wil u toevlucht zijn, soo lang ick leven mach, ¤En doen meer alsoyt vrient voor vrient bracht aen den dag, (165) Ia schoon gy niet besat waer afgy hier mocht leven, Aporia souick u evenwel noch geven, ¤En sou u by mijn trouw altijt ten dienste staen, ¤Soo lang men siet de Son weer op en ondergaen: Azot: Ha, ha! Philedoni, begint gy soo te praten, (170) Soosal k als dobbel-tong mijn woort teruggelaten, ¤Soogy gelijck gy segt u Dochter geven wilt, ¤Schoon ick door vollen slemp mijn goet heb op-gespilt: Phil: Soo wensch ick my op aert met alle#gewroocken! Soo ick niet achter-volgh hetgeen ick heb ghesproocken: ¤(175) Azot: Swijght mijn Philedoni, utrouw is vast genoegh. ¤Phil: Ick zwijg, kom gaen wy dan vertrecken na de Kroegh: Azot: MaerÕk ben nu geldeloos. Phil: Ho! ho! wilt dat niet sorgen, O Asote, de Waertsal u wel willen borgen. ¤Azot: Õt Is waer, maer niet-te-minick wil na huys toegaen, ¤(180) Want ickmijns Vaders Kist heb vol Rijcks-daelders staen, Hierop salick mijn vrient met rust dan kunnen teeren, Dies wacht een weynigh hier, icksalhaest wedet-keeren. ¤Phil: Gaetmaerick ben tevren, (die streeck vertreft mijn eest) ¤Gaet maer, stap aen, eer yet u in het Huys bevreest. PHILEDONIA blijft wachtende. [fol. A4v] (185) Hoe licht kan hy dejeugt totquadelustentrecken, Die weet sijn snoobeleyt met reden-schijn te decken? ¤Hoe licht kan hy dejeugt verleyden tot het quaet, ¤Wiens hart gemasquert is van een vervalschte praet? Ick hebdien Asotus ten eersten aenghewesen (190) Sijn korte levenstijt, en vreugden aen gepresen, ¤Als dat hy in sijn jeugt sou nemen waerdien dagh, ¤Dieyder in sijn jeugt tot vreugt gebeuren mach; Hy als gans omgekeert, hy als berooft van sinnen, Liet sich in korte wijl ten vollen overwinnen, ¤(195) Ickseyde wilt ghy mee eens trecken na de Kroeg? ¤Antwoordeja, maerick heb gansch geen gelt genoegh, Hier op hy metterhaest gaet nasijn huys toe stappen, WantPhronimus is uyt, die tanders sou beklappen, ¤Engaethemsooversien op onse samenspan, ¤(200) Dat hem in langen tijt geen gelt ontbreecken kan; ÕNiet uytsijn eygen schat, maer uytsijns Vaders gelt-kas, Die aensijnsorgbevool, hetgeen daer ingestelt was, ¤Dit sal hy door mijn raet verdoen soo vruchteloos, ¤Soo dwaesgelijck als die de Dood voor Õt leven koos; (205) Wantick hem hebbelooft mijn Dochters troute geven, Schoon of hy niet en had waer afhykonde leven; ¤Maer hoort den rechten sin, een slang schuylt onder Õt kruyt, ¤Mijn Dochter dÕarremoesalstrecken voor sijn Bruydt, Een Bruydt waermŽe hy noch de aerde sal beslapen, (210) Een Bruydt, waer uyt hy niet dan allesmert sal schapen,. ¤Een Bruydt waer me hynoch sal treuren dagh en nacht, ¤Beschempt van my die hem totsoo een trouwen bracht. Soo veel vermocht mijn praet dat hysich inging beelden Na weelden alle vreugt, geen ongeneugt na weelden, ¤(215) Soo veel vermocht gevleem van mijn Fluwele tong, ¤Dat hy uyt eeuwigh heyl in eeuwigh onheylsprong: [fol. B1r] Mijn reden dient vol-eynt, want soohy my genaeckte, Endese valschestreeck hem eens ter oorenraeckte, ¤Wis wiert hy om-gekeert, en mijn beveynsdenaert ¤(220) Wiert, sonder dat ick dit van hem genoot, verklaert. Daer komt hy juyst nu aen, ey! siet, met wat behagen! Asot: Ha, ha, Philedoni, geen slagh van alle slagen ¤Isoyt soo wel geluckt, laet ons nu vrygaentren. ¤Phil: Stap aen maer, Asote, ick ben met u tevren. Derde handelingh, Eerste Wtkomst. INHOUT. Phronimus maeckt bekent de verleydingh van sijn Broeder Aso tus, op wien hy dies aengaendefjn gramschap bluscht, en Dystyches van desen Phronimus verschreven zijnde komt we der thuys, en door sjn ongebonden toorn verlaet Asotus: doch sjn ellende niet weynigh beklagende, PHRONIMUS. (225) HEt schijnt my noodeloos, ™jong, en ouw-gesellen, Mijns Vaders ongeval teneynden te vertellen, ¤Ghy weet hy is van huys, het geen hy heeft belast ¤Aen Broeder Asotus, die daer niet op en past. Ick nam mijn afgescheyt, hybracht ons Vader buyten, (230) En siet hy blijft soolang, datydersou besluyten ¤Hem me te zijn gereyst, of wel te zijn ontmoet, ¤Een die hem ergens hier of daer vertoeven doet: Hetgeen ick eer geloof, want lest niet lang geleden Wiert my geseyt, dat hy de croegh was in-getreden [fol. B1v] ¤(235) Met iemantdiesijn Hoedvol Struyssche vlercken droegh, ¤En die sijn gansch gewaet een gulde Kant besloegh: Dit stont my geensins aen, dies heb het oock geschreven Dat hy versmaet den wegh waer na hy had te leven, ¤Dat hy hem voorlaetstaen te zijn den outsten Soon, ¤(240) En daerom hem betaemt te stellen sich ten toon, Õt Is waer, hystaet myoock als ouwer Bror te eeren, Maer overmits hy hem van deughden af gaet keeren, ¤Soo seg ick dat mystont te schrijven aen mijn V‰er, ¤Hoe hy weeckuyt het spoor, Õtgeen hem gewesen waer; (245) Ick heb hem met een ernst gesocht door alle straten, Mijn soecken helpter niet, ick wil het hierby laten, ¤Ick denck in mijn gemoet dat hy welby geval ¤My in de Stadt, of hier, ofdaer, ontmoeten sal: Ey! siet hy komt. Tweede wtkomst. PHRONIMUS en ASOTUS. Wel Bror van waer komt ghy soo wand'len? (250) Asot: Van een Gesel sijn huys, daer ick iet me most hand'len; ¤Phro: Wat was het voor een saek?Azot: Wel Broeder Õtwas soiet, ¤Phro: Swijgt vry ™ Asote, Õtwas beter noyt geschiet: Nu blijckt u valschen aert, want ghy als een verrader! Gafsoete woortjens uyt, maer veynsde voor u Vader, ¤(255) Nu blijckt u lichte trouw, want even als een dief ¤Hebt gy het gelt-Cantoor berooft tot u gerief: Dit weet ick van mijn selfs, want geen (dacht ick) kan leven In geldeloosen staet, of iemant moet ietgeven, ¤Enick voor-seker wist dat niemant garen geeft, ¤(260) Soo viel ick in vermo‘n, waer op ghy hadt geleeft; [fol. B2r] Ick liet een seecker Smit het gelt-slot open steecken, En sieticksagh, (™ schand!) hier dapper veel ontbreecken, ¤Dus#van de daet met aendacht op den tijt, ¤Waer op ghy best vermocht te vordÕren dit belijt. (265) Ick wist u was bekent dat kelderssoute gast gaen: Voorseker docht gy toe, ey! dese streecksal vast gaens ¤Hoe hebt gy doen gehaest tot uwer Ziel-verderf, ¤Waer voor ghy hebt verdient een Niet voor al u erf, Dit Goddeloos bedrijf heb ick alsoo bevonden (270) Uyteygen na-gepeys, uytspraeck van andÕre monden: ¤Lest wiert my noch geseyt van een loof-waetdich man ¤U met Philedoni te zijn in samen-span; Hetgeen ick boven hem wel selfssou konnen mercken Aenu gloor-rijckgewaet, en aen u Struyssche vlercken, ¤(275) Oockaen u stout gesicht, en u beveynst gemoet, ¤Dat my niet meer hier na op u vertrouwen doet: U Vaderseyde wel, lief kint let op u minder, En na het blijckt dit strecktu Geest tot grooten hinder, ¤Want soo ick sie, ghy slaet op Philedon u oogh, ¤(280) Die u (denck ick) wel eer met sijn gevleem bewoogh: Wel mijn verdwaelde knecht (™ schande om te seggen Voor uwe jonger Broer) souÕt gy het soo aen-leggen? ¤Rampsaligh was het al, u lichaem, goet, en ziel, ¤Sooghy nadesetijt hier verder in verviel. (285) Juyst nu ons Vader is veroorsaeckt af te wesen, Sout ghy hem daerom niet soo als tevoren vreesen? ¤Wat helpt een goet vermaen voor een deughd-schijnend kint. ¤Die even als ghy doet slaet alles in de wint? Voorwaer een goet vermaen gaf hyu voor het lesten, (290) En u schijnt dit soo quaet, wat dunckt u dan het besten? ¤U Ziel te laten door lichamelicke lust ¤Verstooten in een brandt die noytwert uyt-geblust? [fol. B2v] O stuck! ™ grousaem stuck! Asot: Ey Broeder wilt bedaren, Phro: Oramp! Asot: Ey Phronime laetdese woorden varen. ¤(295) Phron: O schand! Asot: Ick bid bedaert, en stoockt gramschap niet, ¤Het is my tot een schand, het is u tot verdriet. Maer Broedersegh my doch hebt ghy het oock geschreven? Phron: Ia, ja, mijn ganschen Brief was dit vervloeckte leven; ¤Asot: Maer Phronime! Phron: Swijght, swijgt, en flucx packt u van hier, ¤(300) Want eergy omme siet, ja als een Blixem-vier Ons Vader komen sal. (Asot:O G™on, wilt mijn dan bystaen) Ey! sietghy wel hy komt, nu machÕkwel aen een zy gaen. Derde Wtkomst. PHRONIMUS, DYSTYCHES, ASOTUS. ¤Phron: O Vader wellekom! Dyst: Ick danck u lieve S™on ¤Asot: Weest Vader wellekom! Dyst Flucx weg! Asot: O goede G™on! (305) Dyst. Is dit (™ snooden Boef) in-printenu gedachten Mijn leer, daerghy in vreugt gewoon zijt te vernachten? ¤Is dit, ™huys-bederf! is dit voorstander zijn, ¤Dat ghy u slempe-sucht gaet voeden van het mijn? Is dit genooten vreucht voor alle mijn weldaden? (310) Is dit een achter-volgh van mijn heylsame raden? ¤Dat ghy op Philedon staegh uwe oogen schiet, ¤Dat ghy door uwe dracht my wentelt in verdriet? Flucx Asote gaet heen, want hoe ku meer aenschouwe, Te grooter wert mijn toorn, te grooter wert m# rouwe, ¤(315) Flucx gaet, en stelt geloof dat ghy door dese schult ¤Den Dorpel van mijn Huys noyt meer betreden sult, [fol. B3r] Azot: Ach! Vader. Vader Dyst: Gaet, wilt ghy noch meer der spreecken, Ickzweer dees stale punt u Ribbensal door-steecken;. ¤Azot: Ach# Vader, wel ick gae! Dyst. Soo steeck ick weer op, ¤(320) Hetgeen een voorbeelt was van mijn verdolde kop. Vierde Wtkomst. DYSTYCHES en PHRONIMUS Dyst: Wat spijt! wat ramp! wat hoon komt in mijn grijse Iaren Mijn lieve Phronime soo schielick weder-varen? ¤U Broeder tot wiens dienst ick dickmael heb vernacht, ¤Die sie ick mijn vermaen of moeytenieten acht, (325) U Bror aen wien ick noyt heb kosten willen laten, Die laet sich van een Schelm soo redeloos verpraten, ¤U Bror die ick altijts heb soecken voor te staen, ¤Die sie ick in de wint nu al mijn goetheyt slaen: Wat luckelooser mensch heeft oyt de Son beschenen, (330) Als my, die geen men siet sijn goeten bloet beweenen? ¤Elaes! hoe wert mijn geest verstoven in de ly! ¤Hoe rolt het vlugge lot baldadigh over my! Genoeg hier van, want Soon daer dient niet meer gesproken, Door dien mijn scherp getraen de wangen heeft door-stoken, ¤(335) U kiesick tot mijn troost en stilte van geween, ¤U kies ick tot mijn rust, en vreughden-schat alleen, Op u her-stelick my in dese droeve saecken, Want ghy zijt Phronime, waer buyten ick sou raecken ¤Tot aes van Õt worm-gediert, het geen ons vleys beknaeght ¤(340) Wanneer het in den gront deraerdenleyt gelaeght. [fol. B3v] Phron: Ey tVa‘r ick sta bereyt al wat ghy sult gebieden, U wil sal op der aert in my altijt geschieden. ¤Dyst: Niet anders dan dat ghy van hier een weynig scheyt. ¤Phron: Het was aler gedaen, had ghy het er geseyt. Dystyches blijft klagende. (345) O Goden! segt, leef ick om alle druckte lijden? Soo wil ick gaern in druck van dese Werelt scheyden, ¤En dragen met gedult al wat mijn heden prickt, ¤En Õt geen het Noot-lot my nadesentijttoe-schickt, Maer soo het blijckt u gonst is geenesins besweecken, (350) Doordien gymy noch geeft waer aen ickklacht kan spreken, ¤Waer in oock# mijn troost, mijn hoop, mijn vreugden schat, ¤En alles wat na wensch weleer een Grijsaert hadt. O wonder-diep-geheym van mijn verdruckte leven! Hier wert my niet dan vreugt, daer niet dan smert gegeven, ¤(355) Hier troost, daer klachten-schemp, hier leven, daer de doot, ¤Hier vreugden aengedaen, daer wer van vreugt ontbloot. Nu, nu, Õtzy wat het sy, Õksal in mijn oude dagen Het Goddelick bestier met goet gedult verdragen, ¤En wat my namaels wert van Õt Noot-lot op-geleyt, ¤(360) Totdat de bleecke doot mijn Ziel vanÕt lichaemscheyt. [fol. B4r] Vierde handelingh, Eerste Wtkomst. INHOUT. Asotus aen Philedonia sjn schelm-achtigh bedrijf beklaeght heb bende pooght hem in de gonste van Dyslyches en Phronimus te herstellen, doch wert het eenemael verstooten; derhalven dit hem beklagende, neemt sijn toevlucht tot Philedonia, die sijn beloften op een nieuw bevestight, sijn dochter Aporia sullende het Houweliek van weghen Asotus voor-slaen, die hem noch seer getroost vint. ASOTUS, PHILEDONIA. Asot: Elaes! Philedoni waerdoolden laetst mijn sinnen, Doeick my liet van u tot soo een stuckverwinnen? ¤Phil: Hoe soomijn Azote! Asot: Mijn Vader is bekent ¤Mijnsnoodedievery. Phil. Wie was daer dan ontrent? (365) Asot: Wel niemant, maer mijn Bro‘r heeft uyt sich selfs vernomen Dengront van dese saeck. Phil: Wat gaet ghy daer voorschromen? ¤Asot: Is Õt geen schroom-waerdigh stuck? Phil: Ho, ho, die schromend leeft ¤Enlijt geen swarigheyt, soo hymaertoe-vlucht heeft, ÕAsot: Wilt ghy dan desezijn? Phil: Ick wil, stort maer u klachten (370) Enmelt het geen ontrust, of kommert u gedachten. ¤Asot: Wel dan mijn waerde vrient, dit is dat mijn beklemt, ¤Gyweet wat onder ons voor desen is bestemt, Als dat ick hier mijn naem ten vollensoubekleeden In dese frissche. jeugt aen vreugden te besteden, ¤(375) Niet aen een achter-volgh van Vaderlick bestier, ¤Of aen een soet vermaeck van seden, en manier, [fol. B4v] En dat ick boven dient oogen soubeglooren Door Koninghlick gewaet hier Koninglicktebooren, ¤En dat het Struys-gestaert sougans mijn hoet beslaen, ¤(380) EnickinÕt kort geseytsou als een Cresus gaen: En nademael dit niet kostsonder gelt geschieden, Soo op den ouden treck van steels-gesinde lieden, ¤Verdelghdeloosde ick ons Vaderlick Cantoor ¤Ten opsien van de pracht, waer me ick u bekoor. (385) Mijn Broeder Phronimus heeft dit bedrijf geschreven, En hem, soo ick verneem, een antwoort is gegeven; ¤Õt Geen my als voor een hant van Libitina streckt, ¤Die door haer straffe kracht den mensch sijn leden reckt: Als dat mijn Vader hadt terstont voor hem genomen, (390) Soo haest hy dit vernam wer na sijnhuys te komen, ¤En siet terwijl mijn Bror op my sijn gramschap blust, ¤Soo werd ick hier gewaerwaer van ick was bewust; Mijn Vader komt erin, ick stont van vrees verslagen, En wist niet wat te doen, ofwist niet wat te wagen, ¤(395) Siet Broederb™ogeluck, en kreegh een lieflickwoort, ¤Enickbestont dit oock, en kreegh een grousaem Voort. Op my, op my heeft hy ten vollen uyt-gestooten Õt Geen over dit bestaenlagh in sijn borst gesloten, ¤Een woort vermochtick niet, ach! Vader, riep ick maer, ¤(400) En sietick wiert de punt van sijn Rapier gewaer: Mitsick mijn Vader dansaghteenÕ-mael my verlaten, En Broeder Phronimus my als een vyant haten, ¤Soo voelde ick een rouw, daerby een tranen-vloet, ¤Doordien ick menigh woortsaghstooten met de voet, (405) En dat ick vaeck den mensch sagh sijn beloften breken, En hoorde hem nu soo en dan weer anders spreecken, ¤Want (dacht ick) of het oock in dese#geviel, ¤Dat my Philedoni niet sijn beloften hiel; [fol. C1r] Ach! souder dan wel een alsickellendigh leven, (410) Die ballinghsondergoet op aerd sou moeten sweven? ¤Voorwaer neen, niemant niet sou zijn insulckenstaet, ¤Vandaer de Son verrijst, en daer sy ondergaet: Phil Welsooghy wan-troutaen mijn voor-geswore woorde, Noch sweerick achter-volg van Õtgeen gy voormaels hoorde, ¤(415) Mijn Dochter geef ick u, sooghy verlaten wert ¤Van Vader, en van Bror, tot troosting in u smert: Tot hiertoe dan genoeg. Asot: Waerom, mijn uytvercoren? Phil: U Vader komen mocht die sou op my verstoren, ¤Want hy sou denckenr: wis is dit een slimmen quant, ¤(420) Waer mede Asotus in brassen samen spant. Vaert wel dan waerde Vrient. Azot: Ey! wilt doch vaster spreecken, Phil: Haer trouw beloof ick u. Asot: Acht warenÕt maer geen streecken, ¤Soo souÕk met vollen moet mijn Vader bidden aen ¤Om weder-gunst tot my; schoon dan hyliet mygaen, (425) Tot toe-vlucht was hier dan en troost in de ellende Van sijn verlaten Soon, te vinden een bekende. ¤Ey! hoe wantrouwick oock! de man is veel te fijn ¤Om een bedrieger van de jonge jeugt te zijn: Õt Is beter met verstant in ernst te overleggen (430) Wat ick mijn Vader saltot fijn bewegen seggen. ¤Hetgeen ick (na my dunckt) wel best genieten sal, ¤Soo ick met vochte ben hem voor de voeten val. Tweede Wtkomst. ASOTUS, DYSTYCHES. Asot: Ach! Vader! geeft gena, en wilt geen oordeel strijcken, Maer in de plaets van toorn u liefde laten blijcken. [fol. C1v] ¤(435) Dyst: Swijgt dwase, want den toorn vertreft mijn liefde al, ¤Die sooghy meerder spreeckt er straf vervordÕren sal. Asot: Wel Vader is hier dan geen troost voor my te vinden? Dat ick gelijck weleer mach zijn u wel-beminden. ¤Dyst: Neent, neenÕt, gesworen Schelm! Asot. So swijg ick. Dyst: En ick gae, ¤(440) Want schennisnaeckt mijn eerfooick hier langer stae. ASOTUS blift staan. Kost ick mn over dit met voffereden klagen Voorwaerick sou het niet met soo een herte dragen, ¤Maersiet het is verdient, hierom vermachick niet ¤Met langen breet beklagh te klagen mijn verdriet, (445) En klagen vooraleer ellende is gekomen, Dunckt my die geen te doen, wiens reden is benomen, ¤Dies wil ick Phronimus eerst tot een middelaer; ¤Versoecken, tusschen my, en mijn vergramde Var: Ey! siet, juyst komt hy oock. Derde Wtkomst. ASOTUS, en PHRONIMUS. Asot: Ach! Broraenhoort gebeden (450) Van u verlaten.. Phro: Swijgt, want gy en hebt geen reden, ¤Ons Vader u verlaet van wegen u bedrijf, ¤Wat oorsaeck kander zijn dat icku Broeder blijf? Asot: Ey! soetjens Phramime wilt niet mijn woorden breken, Laet mytegeynde zijn, begint gy dan te spreken: ¤(455) Phro: Swijgt noch vervloeckten guyt, het is maersn™oge vleem. ¤Asot: Hoort maer Phron: Swijgt noch, ofsiet dat ik u leven neem. [fol. C2r] Asot: Ick swijg Phron: Ick gae. Asotus blijft weder klagende ™ G™on! heb ick my soo vergrepen, Dat ick nu moet voortaeneens Ballings-leven slepen? ¤Door dienden naesten troost my troosteloos verlaet, ¤(460) En ickmijneygen Bror voor vyantben gehaet: Waerom dus lang vertoeft, en niet terstont gewroocken, Hetgeen ick heb gedaen, hetgeen ick heb gesproocken? ¤Of is het dat de daet wraeck-waerdighwert ontkent? ¤Of is het dat u gonst noch niet en is ge-ent? (465) Oneen, want wie sou hem doch niet straf-waerdighachten, Die, evenals ickben, vervloeckt is in sijn drachten, ¤Soo dat dit niet en is de reden van vertoef ¤In wraeckte schaffen voor my soo vervloeckten Boef, Doch beter ick geloof u gunst die is de reden, (470) Dat my het Sonne-licht noch niet en is beneden, ¤Dat ick onwaerdighben mijn oogen aen te bin, ¤Ja dat ick#hoe het my noch kan sien; U gonst (segick noch eens) doetuwe wraecke wijcken, En(soo het schijnt)sylaet mijn noch een toe-vlucht blijcken, ¤(475) Een toe-vlucht als een troost voor my verstooten mensch, ¤Sooick Philedoni vin na mijn harten-wensch. Dat is in achter-volgh van sijn gesworen woorde, Waer op ick mijn gewaet met Gout en Silver boorde, ¤Want hy my heeft belooft sijn Dochter tot een trou, ¤(480) Dies dat ick om haer wil mijn anderskleeden sou; Daerom wil ick, ™ Goon! ootmoedighlicku vragen, Dat hy door u dennaem van vast-getrouw mach dragen, ¤Dit salmy dan noch sijn een troost in mijn ellend, ¤Of anders ben ick hier voor eeuwighlickgeschend: [fol. C2v] (485) Wat hoor ick voor een stap? hoe!ick begin te vresen; Wat vreesen? het sal wis Philedoni wel wesen, ¤Ey! siet, ick dacht het wel, daer komt hy stappen in, ¤Nu weet ickhaest den gront van sijn verholen sin: Vierde Wtkomst. ASOTUS, PHILEDONIA. Asot: Watraet? mijn waerde vrient! Phil Hoe!zijt gy dan verlaten? (490) Asot: Verlaten, ja voorwaer, want hoe kost bidden baten, ¤Wanneer een diepen toorn de liefde over-won ¤Van een, in wiens gonst mensoo gewortelt ston? Hy die mijn Vader was gaet hem als vyant dragen, Hydie ick vaeckbewoogh, en hoort geen bitter klagen, ¤(495) Hy die mijn Broeder was, is even# versteent, ¤Want siethylachterom, hoe seer sijn Broeder weent. Dit is, hetgeen mijn Ziel komt dagh en nacht soo quellen, Dat ick my somme-wijl tot sterven schijn te stellen, ¤Dit is, het gen my dwinght te vragen u om raet ¤(500) Indese ballinghschap, en soo bedruckten staet. Phil: Ogy wantrouwig mensch! hoe dick heb ick gesworen Beloften, die ick u voor vast-getrouw liet hooren? ¤Ick schijn u Asote wel wonder los van sin, ¤Dat icksoo menighmael u in beklachten vin: (505) Och! wist ghy hoe het een getrouwe Ziel kost stooren Trouloos gehouden zijn in Õt geen fy heeft geswooren, ¤Ghy soutick sweer het u by soo getrouwen vrient ¤Noyt klagen, over Õt geen door hem geraden dient, Want hy als dan sou zijn door wantrouw soo verbolgen, (510) Dat hysijn woorden noytsou willen achter-volgen, [fol. C3r] ¤Daerom soo is het u voorseecker tot geluck, ¤Dat ick my niet en stoor, en laetuinden druck, Maer dat ick noch begeerte laten u genieten Õt Geenghy wel eer uyt mijn gonst-rijcke mont sagh vlieten, ¤(515) Te weten: dat ickai mijns Dochters trou verleen, ¤Teneynde dat gy staeckt u vruchteloos geween: Asot: O mijn Philedoni wat ick sou konnen wenschen, Gun ick, ™ waerde vrient, u boven alle menschen, ¤Vergeeft, sooditu schijnt wantrouwigheyt te zijn, ¤(520) Dat ick u laten mach verdrijven al mijn pijn. Phil: Swijgt Axote hier van, al wat gy hebt bedreven Tot na-deel van mijn trouw, dat is u al vergeven. ¤Azot: Ick ben hier danckbaer voor. Phil. De danckbaerheyt is niet, ¤Gelooft maer, dat het uyt een gonstigh hart geschiet, (525) Doch al genoegh hiervan. Asot: Wel vriendt soo wil ick scheyden, En u in plaets van my Aporia doen vrijden: ¤Phil Maerofghy selfs gingh, het was haer mer ge-eert, ¤Doch niet-te-minick ga, vermits ghyÕt soo begeert. ASOTUS blijft, toonende seer getroost te zijn. Ellendigh was den mensch aen ongeluck verbonden, (530) Soo hier voor ongeluck geen troost en wiert gevonden, ¤Ellendigh was het oock voor een bedruckte Ziel, ¤Soo tot een ander vrient geen toe-vlucht en verviel: Daerom hoe had mijn hert in ballingschap gaenvjagen, Soo mijn Philedoni haer gonst niet had gedragen? ¤(535) Daerom hoe had mijn geest geprickelt mijn gemoet, ¤Soo my Philedoni oock niet en gaf de voet! Ick wiert gelijck mensagh tot swarigheyt gedreven, Die een beweeglick hert kost nimmermeer beleven, [fol. C3v] ¤Want even als het jong verlaten van het ouwt, ¤(540) Hadick geweest onthant, en dapper wel benouwt. Van Vader Dystyches wiert ick geheel verlaten, Met Broeder Phronimus en was niet mee te praten, ¤Doch even-wel het lot my noch soo veel vergon, ¤Dat ick Philedoni als tot mijn trooster von; (545) Die swoer terstontsijn trouw, die gaf my soete woorde, Waer mede hy verdreefalÕt geen ick voormaels hoorde, ¤Dieseyd mijn lieve vrient! komt laet ons samen gaen, ¤Schoon of u Vader kijft, en wilt u niet verslaen: Soou de Beursbegeeft daer is dan noch te vinden, (550) Een die wel dragen salden naem van u beminden, ¤En dencktaldese troost by alle ongeval, ¤Dat het Aporia mijn Dochter wesen sal: Ha! Hemel! wat geluck hebt ghy my noch gegeven, Dat ick in plaets van arm soorijcksalkonnen leven, ¤(555) Daerom wensch ick van u, voor nu, en voor altijt, ¤Testorten in mijn geest een deugt van danckbaerhyt: Op dat die u beweegt my dit geluck te laten, Te doen Philedoni al tot mijn voordeel praten, ¤Waer na icksoo verlangh dat ick niet anders kan, ¤(560) Als van dit loffÕlickstuck gaen spreken aen de man. Vijfde handelingh, INHOUT Philedonia roept Aporia voor den dagh die het Houwelick voorgeslagen zijnde, het selve toe-staet: derhalven Philedonia opdat hy sijn Dochter (die als een tweede Medea verschijnen most) op-offerde ten trouw, met soude uyt de gonst van Asotus gheraecken, pra‘liseert een ander persoon, te weten: eerst een So- [fol. C4r] phus, hier na een Astrea: op dat hy door een wijse voorscg segginge eerst het hart van Astus wat geprikkelt zy, en op dat hy aan alsoo, als van den Hemel gesomden hem tot dit Hou welijck verwijst, tot een straf vanJijn overtolligheyt, waer op ten l¼sten sijn beklagh volgbt. Eerste Wtkomst. PHILEDONIA, APORIA. Phil: Komt nu, Aporia, segt my, hoe staen u sinnen? Wilt gy wel Asotus als uwen minnaer minnen? ¤Apor: Wel souick niet aen hem een gonstigh herte bin? ¤Want nimmermeer men sagh geluckiger geschin: (565) Mits het de Ziel verlicht bedroeft te zijn met andÕren En indeswarigheyt te troosten hier malkandÕren: ¤Phil: Wel Dochter siet ick ben hier mede oock te vren, ¤Gaet gy dan nu van hier, en laet my hier alleen. PHILEDONIA alleen. De saeck is ver-gebrocht, doch evenwel kan seggen (570) Dat my de swaerste laegh noch over blijft te leggen, ¤Want my dient door een tong van schijn-wel-sprekenheyt ¤Een man van alle vreugt tot alle smert geleyt. En nochtans moet ickoock dit stuck alsoo bedrijven, Dat ick in Asotus sijn gonste noch kan blijven, ¤(575) Waer toe ick echter sie een seer heylsamenraet, ¤Dat is een ander oogh, dat is een and repraet: Om hier dan na den eysch ten vollen toe te 1aecken, Salick voor Philedon een Sophus sien te maecken, ¤Ten eynde dat sijn Ziel eerst wat geprickelt zy, ¤(580) Eer dat hy wert van mijn verwesen tot de ly; [fol. C4v] En om hem met ontsagh mijn woorden doen te vreesen, Salick voor Philedon Astrea sien te wesen, ¤Die in een quaet bedrijf het Hemelsch recht vervult, ¤Op dat hydese trouw mach dragen met gedult: (585) Soo gae ick dan van hier om elders hem te vinden, Dat ick die swarigheyt mach op sijn herte binden,. ¤Enick nadese streeck weer na een ander vis, ¤Want dit den rechten loop van al mijn leven is. Siet! juyst hy my genaeckt. Tweede Wtkomst. PHILEDONIA in Persoon van SOPHUS, ASOTUS. Phil: Wel Asote hoe gaet, het? (590) Uw oogen staensoo vremt, ey! segmy doch#staet, het? ¤Mint ghy de wijsheydt noch? Asot: Ia Sophe Õt gaet soo heen ¤Phil Hoe soo, gaet gydaerom soosonder vreugden tren: Azot: Ia Sophe, wel met recht siet ghy mytreurigh wesen, Want in dit aertsche dalstaet my al veel te vreesen, ¤(595) Doordien ickuyt de gonst van Dystyches al ben, ¤Mits ick een pijpken roocks kooseertijts voor mijn pen; Phil: Ramp-saligh Iongeling, dit most wel soouyt-breken, Want ghy mijn wijse tongnoyt wilde hooren spreken; ¤Schoon of u soo terstont een quaden Geest verscheen, ¤(600) Denckt dat ick wesensou hiet wonder in te vren: Ia wenschte dat hier noch quam uyt deraerden sluypen, Waer meick u nochsagh hier langs het Aert-rijck kruypen. ¤Asot: Ey! Sophe, Sophe, swijgt, ickbidswijgt vry hier of, ¤Ghypraet my wat teswaer, en vry al wat te grof, [fol. D1r] (605) Gy hebt de saeck wat vreemt en verder op-genomen, Als sy op desen dagh wel niet en is gekomen, ¤Ick vrees maer voor het quaet, en dit is niet geseyt, ¤Dat in al dese vrees de rechte waerheytleyt: Õk Wil Sophe wel voor u en al de Werelt weten, (610) Dat ick mijn guldentijt in#heb versleten, ¤Maer niet, dat my iet quaets souwesen voor de hant, ¤Want mijn Philedoni is al te trouwen quant, Dit blijckt wel uyt het geen hy eertijts my beloofde, Wanneer een slempe-sucht my van mijn goet beroofde, ¤(615) Ia selfs wanneer my stont te wachten op verdriet, ¤Siet daer Philedoni my noch sijngonste biet. Phil: Ey! wat vergon hyu? Asot: Sijn Dochter mijn te houwen: Phil: Helaes verdoolde knecht, het sou u wel berouwen, ¤WaerÕt sake, dat gy wist, wat Dochter dat het zy, ¤(620) Sy hiet by alle-man Godinne van de ly, Het is genoegh geseyt, want souick meerder seggen, Ick mocht misschien u Geest haer yd le vreugt ontleggen. ¤Asot: Ey! ey! mijn lieve vrient, vervult ubreyn doch niet ¤Met noodelose sorgh voor onverwacht verdriet. (625) Phil. Wel Asote ick schijn u al te wijste wesen, Ick ga, belast van vrees, waer voor ghy hebt te vreesen, ¤Ickgae, en met gedult saldragenuwen haet, ¤Die uyt de waerheyt spruyt van al mijn wijs gepraet; Want gingh icknau hert mijn reden eens bestieren, (630) Hoe soutgy willen dan met Sophus gaen plaisieren! ¤Maer neen mijn Asote denckt dat ick dapper pas ¤Tezijn u trouwen vrient, gelijckickeertijts was. o G™on ASOTUS blijft, om dese woorden van PHILEDONIA te over-wegen, maer wert van ASTREA in sjn woor den gebroocken. [fol. D1v] Derde wtkomst. PHILEDONIA in Persoon van ASTREA, ASOTUS. Phil: Siet Asote, wie uwert hier gevonden, Astraea, die tot u den Hemel heeft gesonden, ¤(635) Soo groot is u bedrijf sookleyn is haer gedult, ¤Dat ghyuws Vaders borst met soo veel droefheyt vult: Siet Asote vry op, tenedrighstaen u oogen, Die door haersnoogeloncku naestebloet bedrogen, ¤Spreeckt Asote vry uyt, uw tongh is soet genoegh, ¤(640) Die eer voor Dystyches sooveel schijn-honingh droegh. Omhelst Astrata doch, en wilt haer wel onthalen, Want om u wel te doen komt sy hier neder-dalen, ¤Ghy#na dat ghy weet in vreese van den druck, ¤En sy sal ietwes doen tot troosting in u stuck; (645) Sy is oprecht, en na gelegentheyt van saecken Komt sy hier somme-wijl een Radamanthum maecken, ¤Teneynde dat sy stelt een ider in sijn rust, ¤Hoe wel het nimmer gaeteenyder na sijn lust: Om u dan na haer plicht in ruste doen te wesen, (650) Salsy u klaer doen sien waer voor ghy had te vrees‘n, ¤Dat is een snoo bedrogh van Philedon u vrint, ¤Die door Aporia wou maecken u sijn kint. Om u dan na haer plicht (seg ick) in rust te stellen, Sal sy verdrijven al hetgeen u geest komt quellen, ¤(655) (Dat is) een slempe-sucht sal syu drijven uyt, ¤Door arremoe, waer van geen slempe-sucht en spruyt: Sy sal voor Philedon beloften sien te houwen, En u van wegen hem Aporia doen trouwen, ¤Waer toe den Hemel haer een vol vermogen gaf, ¤(660) Soo dickmael sy bewoogh haer Goddelicken staf; [p. D2r] Want siet sy sal in dienst u na des Hemels swayen Al in rechtvaerdigheyt haer gulde Swaert doen drayen, ¤En mits op dit gedray de gansche Werelt drayt, ¤Soosal dit stucksich oock wel hebben haest geswayt. (665) Hierom om u niet meer onnodigh doen te vreesen: Vierde Wtkomst. PHILEDONIA, APORIA, ASOTUS. Phil: Aporia! treet aen, u Bruydgom wert verwesen ¤Tot uwe weder-min, en troost in u gequel: ¤Het is dien Asotus een jong en braef gesel: Nu Asote! sietop, en wringt soo niet uw handen: (670) Asot: Elaes! wie wrongse niet, die voorsijn eer kreeg schanden, ¤En die dit helsch-gespuys voor sijn gesicht verscheen, ¤Datja het hels-gebroet souwringen doen de len: Astraea! weest gedoogt, en laet dit van my scheyden, Of anders moet ick hier wel duysent dooden lijden. ¤(675) Phil: Denckt geen meedoogentheyt, maer Õt geen medoogend maeckt, ¤Want dit eerst in den mensch ongodlickheden staeckt: Mis-gonst hebt ghy gedaen, geen gonst is u te bieden, Onrecht hebt ghy bestaen, recht moet u weer geschieden, ¤Dies Asotel klaegt niet, want hoe ghy meerder klaegt ¤(680) Te minder dat na recht den Hemelu verdraegt: Schoon of ghy niet begeert, ghy sult nochtans niet breken, Hetgeen dit sorg-gebiet geboden heeft te spreken, ¤Doch eer in tegen-deel(ick bid gelooft doch mijn) ¤Sal dit verwijs tot ramp en hoon bevestight zijn: (685) Daerom schept liever troost daer u is troost gegeven, En draeght met goet gedult waer toe ghywertgedreven, [p. D2v] ¤Doet dit maer Asotel stelt haet uyt uwen sin, ¤Gysult hier grooter rust, en welvaert vinden in: Adieu dan Asote! daer valt niet meer te seggen, (690) Of op u flauwe geest meer swarigheyt te leggen, ¤Adieu, en draegt hier noyt dit Hemelsch recht een haet, ¤Te meerder hoe men stoort, te quader hoemenstaet. Asot: Nu gy™ grousaem dier veroorsaeckt geen beclachten, Of anders sal u staen op desepunt te wachten, ¤(695) Dies vlncht, seghick, mijn oogh, en stelt uyt uwen sin ¤Beloften van mijn gunst, oftrouwe weder-min: Ayor: lck vlucht, ghy vlucht my niets my kond ghy niet ontvluchten, Wantick gewortelt stae in uwe diepe suchten, ¤Ick vlucht, en ga niet heen, mykond ghy niet doen gaen, ¤(700) Want icksalin u Ziel voor eeuwighblijven staen: ASOTUS blijft weder klagende. Wat mocht mijn jeugt dus trots op eygen wijsheyt wesen, Daersy doordesemaer hadt desen h™ontevreesen? ¤Wat mocht mijn domme jeugt het outen wijs vernuf ¤Gaen achten maer voor een belachelick gesuf? (705) Het was al vry te veel bestaen op losse driften, Die door mijnydelbreyn de wijsheyt deden siften: ¤Het was te veel bestaen op mijn onvasten staet, ¤Die als een weder-haen al gins en weder slaet: Tracht desewaerheyt niet te snuffelen uyt de Boecken, (710) Sy staet (™jeugt) in my, niet buyten mytesoecken. ¤Ick was een rechten Haen, want door een wijse wint ¤Van Vaderlick vermaen was icktot deugt geswint, Doch soo een ander wint van Philedon quani wayen Begost mijn weder-haen weer anders om te drayen, [fol. D3r] ¤(715) Want siet, hetgeen hy my door een pluymstrijckers tong ¤Hier in de ooren blies, my weer tot ondeugt dwong, Dus soo ontvloogh mijn Geest het geen haer was bevolen, Een ander sotten drift had haer beleyt gestolen, ¤Dus sooontvloogh mijn Geest de soetheyt van de deugt, ¤(720) Een ander bitter-soet had my het hert verheugt, Dies soo was oock het spoor der deughden niet te vinden, Philedoni had my de oogengaen verblinden; ¤Edoch! wasick geweest gespiegelt in het ouwt, ¤Men had my nimmermeer in soo een staet aenschout: (725) Had ick op Pha‘ton oyt eenigh oogh geslagen, Men had my nimmermeer soo lastigh pack sien dragen, ¤Ofhadick op den val van Icarus gedacht, ¤Noyt had my Philedon tot sijn beleyt gebracht: Edoch het is te laet hier op soo langh te dencken, (730) En door dit na-gepeys mijn bange Ziel te krencken, ¤Hierom sy my een troost! verganckelicke pijn, ¤Want Aerdebenick hier, en Aerde moet ick zijn. Nu wilt dan noyt, ™ Ieugt! op hooger Seylen trotsen, Indese aertsche Zee staen al te kromme Rotsen, ¤(735) Seylttusschenbeyden door, en eyschtghy vaster raet? ¤Soo prent in u ghemoet voor eeuwigh MAET HOUT STAET. EYNDE.